<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR430782_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Heumen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-179918.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dHeumen%2bfinanciele%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20170104%26epd%3d20170104%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Heumen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=212&amp;g=2017-01-01">Gemeentwet, art. 212</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0014606&amp;g=2017-01-01">Besluit Begroting en vernatwoording provincie en gemeenten</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Heumen 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 november
                        2016;</al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet en de bepalingen van het Besluit
                        Begroting en verantwoording provincie en gemeenten;</al><al>gezien het advies van de commissie financiën;</al><al/><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de: Financiële verordening gemeente Heumen 2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><cursief>BBV </cursief>: Besluit Begroting en Verantwoording provincies
                            en gemeenten; </al><al><cursief>administratie</cursief> : het systematisch verzamelen,
                            vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het
                            besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en
                            de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;</al><al/><al><cursief>afdeling </cursief>: iedere organisatorische eenheid binnen de
                            gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse
                            verantwoordelijkheid aan het college;</al><al/><al><cursief>netto schuld per inwone</cursief><cursief>r</cursief> : bruto
                            schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het
                            aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto
                            schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende
                            schulden, crediteurenvorderingen en overlopende passiva. Onder
                            geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan
                            deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan
                            derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen,
                            debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;</al><al/><al><cursief>onbenutte belastingcapaciteit onroerende
                                zaakbelasting</cursief>: verschil tussen de opbrengst onroerende
                            zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot
                            de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de
                            (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting.</al><al/><al><cursief>overheidsbedrijf </cursief>: onderneming met privaatrechtelijke
                            rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met
                            rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon, al
                            dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke
                            rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in
                            de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke
                            rechtspersoon deelneemt.</al><al/><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘begroting’ en ‘rekening’
                            wordt de jaarlijkse Programmabegroting en Programmarekening bedoeld.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Programma-indeling.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere nieuwe raadsperiode een
                                programma-indeling voor die periode vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke
                                onderwerpen hij in extra paragrafen kaders wil stellen en wil worden
                                geïnformeerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van het college per programma de
                                beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten
                                minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25,
                                tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke
                                onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen
                                van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden
                                geïnformeerd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inrichting begroting en rekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de
                                programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het
                                overzicht van de overhead de baten en lasten per taakveld
                                weergegeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt
                                van de nieuwe investeringen per investering het benodigde
                                investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende
                                investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming
                                van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende
                                boekjaar weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in
                                aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht
                                gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de
                                begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de
                                grondexploitatie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de
                                geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de
                                totale uitgaven en inkomsten weergegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><al>Het college biedt de raad in principe vóór 22 juni de Kadernota aan met
                            voorstellen voor het beleid en financiële kaders voor het volgende
                            begrotingsjaar en de drie daarop volgende jaren. De raad stelt deze
                            Kadernota in principe vóór 15 juli vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en
                            lasten per programma en de investeringsbudgetten die in de begroting
                            zijn geraamd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Tussentijdse rapportage.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse
                                    (maand)rapportages over de afwijkingen van de door de raad
                                    geautoriseerde baten en -lasten per taakveld en de mutaties in
                                    de bestemmingsreserves. Afwijkingen worden per programma en
                                    taakveld in een begrotingswijziging vastgelegd en ter
                                    vaststelling voorgelegd aan de raad. </al></li><li nr="2."><al>Het college informeert de raad mondeling tweemaal per jaar over
                                    de realisatie van de afgesproken beleidsvoornemens. </al></li><li nr="3."><al>Bij de behandeling van tussentijdse rapportages in de raad doet
                                    het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde
                                    budgetten en de investeringskredieten en/of een voorstel voor
                                    bijstelling van het beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Informatieplicht.</titel></kop><al>Het college besluit niet eerder over: </al><lijst><li nr="a."><al>De aankoop van goederen, werken en diensten groter dan €
                                    100.000, als daar geen budget of krediet voor is
                                    geautoriseerd;</al></li><li nr="b."><al>Het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan
                                    € 100.000;</al></li><li nr="c."><al>Het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,
                                    dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe
                                    in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter
                                    kennis van het college te brengen. Lid b van dit artikel is niet
                                    van toepassing op de tertiaire achtervang van leningen die door
                                    woningbouwverenigingen worden aangegaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Immateriele en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de
                                methodiek en de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel,
                                behorende bij de Nota waardering en afschrijving vaste activa. Deze
                                afschrijvingstabel wordt, indien nodig en gewenst, via de begroting
                                en jaarrekening aangevuld en geactualiseerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een
                                    voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een
                                    individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande
                                    vorderingen.</al></li><li nr="2."><al>Voor openstaande vorderingen betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende-zaakbelastingen;</al></li><li nr="b."><al>hondenbelasting;</al></li><li nr="c."><al>rioolheffing;</al></li><li nr="d."><al>afvalstoffenheffing en reinigingsrechten en</al></li><li nr="e."><al>bijstandsvertrekking, </al><al>wordt, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter
                                            grootte van het historische percentage van oninbaarheid.
                                        </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag
                                    en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de
                                    reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en
                                    voorzieningen aan. </al><al>Deze nota wordt door de raad vastgesteld en betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve
                                    voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve; </al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve;</al></li><li nr="d."><al>de maximale looptijd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen
                                    de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een
                                    investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan
                                    de algemene reserve toegevoegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen
                                waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken
                                en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden,
                                wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd.
                                Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de
                                overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen,
                                reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik
                                zijnde activa betrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                                onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van
                                de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik
                                zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele
                                belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten
                                van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels
                                worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen
                                het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende
                                verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting,
                                binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de
                                belastingaangifte aan de kostprijs van de
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van
                                rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en
                                van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan
                                overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als
                                bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van
                                een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde
                                directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en
                                sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan
                                de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, gedeeld
                                door de totale geraamde directe kosten van de economische
                                categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend
                                personeel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het vijfde lid wordt voor de toerekening van de
                                overheadkosten aan de kostprijs van de rioolheffing uitgegaan van
                                het aandeel in de totale geraamde overheadkosten ter grootte van de
                                geraamde directe kosten die met de rioolheffing maximaal in rekening
                                kunnen worden gebracht, gedeeld door de totale geraamde directe
                                kosten van de taakvelden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor
                                de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het
                                percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen
                                gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de
                                rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende
                                leningen en kredieten. De uitkomst van dit percentage van de
                                omslagrente wordt op een half procent afgerond.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid worden bij
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties
                                alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de
                                kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de
                                werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt
                                uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de
                                portefeuille leningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken aan
                                overheidsbedrijven en derden en met waarbij de gemeente in
                                concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde
                                integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het
                                college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een
                                voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de
                                activiteit wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties aan overheidsbedrijven
                                en derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in
                                rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of
                                garantie wordt gemotiveerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de
                                kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadbesluiten met de motivering van het publiekbelang als bedoeld in
                                de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de gemeentelijke tarieven voor:</al><lijst><li nr="-"><al>de heffing van onroerendzaakbelastingen;</al></li><li nr="-"><al>de heffing van hondenbelasting;</al></li><li nr="-"><al>de heffing van rioolrechten;</al></li><li nr="-"><al>de heffing van afvalstoffenheffing/reinigingsrechten;</al></li><li nr="-"><al>marktgelden;</al></li><li nr="-"><al>begraafrechten;</al></li><li nr="-"><al>leges.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren
                                en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een
                                besluit voor aan de raad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen
                                de volgende kaders in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het aantrekken van financieringen met een looptijd
                                        langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij
                                        verschillende financiële instellingen gevraagd; en </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>b.er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als
                                        bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering
                                        decentrale overheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en
                                het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college
                                indien mogelijk zekerheden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf lokale
                            heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het
                            Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                            geval op de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde
                            overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening
                            worden gebracht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf
                            financiering, naast de volgens artikel 13 van de BBV verplichte
                            onderdelen, in ieder geval ook informatie op over: </al><lijst><li nr="a."><al>de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="b."><al>de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage; </al></li><li nr="c."><al>de rentevisie voor de komende vier jaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Weerstandsvermogen en risicomanagement</titel></kop><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf
                            weerstandsvermogen en risicobeheersing, naast de volgens artikel 11 van
                            de BBV verplichte onderdelen, in ieder geval informatie op over: </al><lijst><li nr="a."><al>de solvabiliteitsratio; </al></li><li nr="b."><al>netto schuldquote en netto schuldquote gecorrigeerd voor alle
                                    verstrekte leningen;</al></li><li nr="c."><al>kengetal grondexploitatie;</al></li><li nr="d."><al>structurele exploitatieruimte;</al></li><li nr="e."><al>belastingcapaciteit: woonlasten meerpersoonshuishoudens.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf
                                    onderhoud kapitaalgoederen de volgens artikel 12 van de BBV
                                    verplichte onderdelen op. </al></li><li nr="2."><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een
                                    (bijgestelde) nota onderhoud openbare ruimte aan ter behandeling
                                    en vaststelling in de raad. De nota geeft de kaders weer voor de
                                    inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de
                                    meerjarige financiële consequenties voor het openbaar groen, de
                                    wegen, de riolering, kunstwerken en straatmeubilair en de
                                    openbare verlichting. </al></li><li nr="3."><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een
                                    (bijgestelde) nota onderhoud gebouwen aan ter behandeling en
                                    vaststelling door de raad. Deze nota geeft de kaders weer voor
                                    de inrichting van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en
                                    de meerjarige financiële meerjarige consequenties hiervan.</al><al>Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een
                                    rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het
                                    beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de
                                    uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en
                                    de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf
                            bedrijfsvoering de volgens artikel 14 van de BBV verplichte onderdelen
                            op. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><al>Bij de begroting en de rekening neemt het college in de paragraaf
                            verbonden partijen, naast de volgens artikel 15 van de BBV verplichte
                            onderdelen, in ieder geval per verbonden partij ook het vaste format met
                            24 aandachtspunten op. Waar nodig en gewenst wordt dit format bij de
                            begroting geactualiseerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf
                            grondbeleid de volgens artikel 16 van de BBV verplichte onderdelen op.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Sociaal domein</titel></kop><al>Bij de begroting en rekening neemt het college in de paragraaf sociaal
                            domein de ontwikkelingen op over de WMO, de Jeugdwet en de
                            Participatiewet. In de paragraaf wordt tevens ingegaan op het algemeen
                            beleid met betrekking tot de uitvoering van de taken in het sociaal
                            domein.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Financiële organisatie en financieel beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Administratie</titel></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                            dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de afdelingen;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden,
                                    contracten;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                    budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                    kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking
                                    tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; </al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                    wet- en regelgeving; en </al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                    begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    afdelingen; </al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten; </al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie; </al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen; </al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten
                                    en lasten aan de taakvelden; </al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van goederen, werken en diensten; </al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                    toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en
                                </al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en
                                    verantwoording wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de
                                gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de
                                uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de
                                opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in
                                de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Financiële Verordening gemeente Heumen 2015 wordt ingetrokken,
                                met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening
                                en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar
                                voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt
                                en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende
                                stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin
                                deze verordening in werking treedt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die
                                voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële Verordening
                                gemeente Heumen 2015 van toepassing zoals deze gold op de dag voor
                                de inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 15 november 2016</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt voortaan aangehaald als ‘Financiële
                                    verordening gemeente Heumen 2016’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>J.Visser P.Mengde</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemeen.</titel></kop><al>Artikel 212 van de Gemeentewet schrijft voor dat de raad een financiële
                    verordening vast stelt.</al><al>De financiële verordening gemeente Heumen 2016 vervangt de Financiële
                    verordening 2015.</al><al>De inhoud is aangepast aan de geldende wet- en regelgeving inclusief de bij
                    ministeriele regeling van 5 maart 2016 gewijzigde Besluit Begroting en
                    verantwoorden provincies en gemeenten (BBV) de adviezen en de notities van de
                    commissie BBV en de Rekenkamer gemeente Heumen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de artikelen</titel></kop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><al>Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 24 van de
                    verordening. </al><al>Het begrip afdeling is gedefinieerd ten behoeve van de artikelen 24 en 25 van de
                    verordening.</al><al>De begrippen inkomsten, netto schuld per inwoner en onbenutte
                    belastingcapaciteit zijn gedefinieerd ten behoeve van artikel 18 van de
                    verordening. Hiervoor zijn de definities gevolgd die www.Waarstaatjegemeente.nl
                    toepast voor de financiële kengetallen over de gemeentefinanciën.</al><al>Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om in artikel 13 van de
                    verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen
                    uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop, dat de
                    taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen.</al><al>Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad
                    beleidsindicatoren per programma vaststelt. Wat de verplichte beleidsindicatoren
                    zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door
                    gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt
                    in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.</al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd. Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe
                    raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten
                    onder de programma’s in de begroting per taakveld worden weergegeven. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van
                    investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden
                    gedacht aan grondexploitaties. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen
                    van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie
                    inzichtelijk worden gemaakt. </al><al>In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van
                    investeringskredieten geregeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de
                    meerjarenraming. Hierin staan een aantal die het college bij het opstellen van
                    deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de
                    artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten </tussenkop><al>Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de
                    begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de
                    beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting
                    beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel
                    192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De
                    gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting
                    zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen
                    op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de
                    baten en de lasten vindt plaats op het niveau van de programma’s (eerste lid).
                    In dit artikel is bepaald dat de investeringskredieten bij de vaststelling van
                    de programmabegroting door de raad worden geautoriseerd en het college daarmede
                    de bevoegdheid heeft om voor deze bedragen tot uitgaven over te gaan.
                    Tussentijdse aanpassingen worden meegenomen in de maandrapportages. Bij de
                    vaststelling van de programmarekening wordt het restantkrediet bepaald en
                    overgeheveld naar het volgende dienstjaar zodat de raad inzicht heeft in het
                    verloop van het krediet. </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Tussentijdse rapportage</tussenkop><al>De tussenrapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en control
                    cyclus voor de raad. Op basis van maandrapportages wordt de raad geïnformeerd
                    over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de
                    uitvoering van het beleid. </al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de wijze waarop het college de raad
                    informeert over de voortgang van het beleid zoals opgenomen in de
                    programmabegroting. </al><al>Het derde lid bepaalt, welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het
                    college in de tussenrapportages moet toelichten. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Informatieplicht</tussenkop><al>In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel
                    verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de
                    raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in
                    de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college
                    kenbaar te maken.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. EMU-saldo</tussenkop><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een
                    aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt
                    dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Maar het kan
                    ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of
                    Europa leidt. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting
                    neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan
                    te maken. </al><al>In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente
                    van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle
                    gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de
                    gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat
                    de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen
                    over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en
                    materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de nota waardering
                    en afschrijving. </al><al>Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk
                    nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor
                    het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en
                    afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten
                    de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten
                    afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het
                    getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen</tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze
                    voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke
                    aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige
                    vorderingen. </al><al>Vorderingen van de gemeente worden individueel beoordeeld op oninbaarheid. Maar
                    voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen, heffingen en
                    bijstandsverstrekkingen wordt een voorziening getroffen op basis van het
                    historisch percentage van oninbaarheid. Een individuele beoordeling per aanslag
                    of heffing is bij dit soort vorderingen namelijk zeer bewerkelijk. Wel zal een
                    accountant eisen, dat de grote bedragen onder deze vorderingen toch individueel
                    worden beoordeeld. Hiervoor is een aanvullende bepaling opgenomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten
                    en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden
                    geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college eens in de 4 jaar een nota over de
                    reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze
                    nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en
                    voorzieningen.</al><al>Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een
                    deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de
                    balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering
                    in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het eigen
                    vermogen gaat leggen. In het derde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel
                    voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.</al><al>Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het
                    gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het
                    geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door voor elke nieuwe
                    bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale
                    “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de
                    verordening de bepaling opgenomen dat bestemmingsreserves die de
                    houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene
                    reserve worden toegevoegd (vierde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                    milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij
                    overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten
                    en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de
                    opbouw van de kostprijs.</al><al>Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de
                    taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de
                    administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de
                    financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De
                    kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.</al><al>Het eerste lid van artikel 13 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen
                    extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe
                    kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd
                    vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die
                    voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen,
                    werken en diensten worden ingezet. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen
                    voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de
                    afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de
                    kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten
                    in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de
                    kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het
                    kwijtscheldingsbeleid meegenomen. </al><al>Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan
                    specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de
                    administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over
                    de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. Dit
                    afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken
                    en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. </al><al>Het vierde, vijfde en zesde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten
                    aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden
                    gebracht, en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die
                    worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden. </al><al>Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend
                    aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart
                    onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de
                    belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan
                    door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten
                    voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. </al><al>Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de
                    toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen
                    waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en
                    voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen,
                    werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden
                    geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze
                    plaatsvindt naar rato van het aandeel van de personeelslasten inclusief inhuur
                    derden in de totale personeelslasten inclusief inhuur derden.</al><al>In het zesde lid wordt voor de toerekening van overheadkosten aan de kostprijs
                    van de rioolheffing bepaald, dat deze plaatsvindt naar rato van het aandeel
                    directe kosten in de rioolheffing in de totale directe kosten op de taakvelden.
                    Deze methode benadert beter de overheadkosten die met de riolering zijn
                    gemoeid.] </al><al>Het zevende lid van artikel 12 geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor
                    het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen,
                    reserves en voorzieningen voor de financiering van activa. Het percentage van de
                    omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde rentekosten over het
                    vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd vermogen voor de
                    financiering en het in het achtste en negende lid bepaalde rentepercentage voor
                    de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen.</al><al>Het achtste lid van artikel 12 bepaalt tenslotte, dat in de kostprijs van
                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente
                    over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt
                    door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd. </al><al>Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de
                    vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd het geval te
                    zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid
                    aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties (bijlage 3) van de Commissie BBV. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Prijzen economische activiteiten</tussenkop><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee
                    de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. </al><al>Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale
                    kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van
                    leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na
                    bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente
                    (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes
                    weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als
                    bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen
                    twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
                    van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de
                    belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. </al><al/><tussenkop>Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is
                    een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd
                    (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 14 bepaalt, dat de
                    raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing
                    jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook voor andere rechten, leges en
                    heffingen de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met
                    deze rechten, leges en heffingen uitbreiden. Het betekent, dat de bijbehorende
                    verordeningen jaarlijks moeten worden herzien. Eventueel kan overwogen worden om
                    ook de verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen’ jaarlijks te
                    herzien. </al><al>Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                    diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een
                    privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college
                    (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel
                    invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de
                    raad. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad jaarlijks een nota aanbiedt
                    met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor
                    erfpacht. De raad stelt deze nota vast. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het
                    vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de
                    kaders uit de nota, vooraf ter besluitvorming aan de raad worden
                    aangeboden.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Financieringsfunctie </tussenkop><al>Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening
                    in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen
                    en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 15 geeft invulling aan
                    deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders
                    voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 25
                    van deze verordening.</al><al>In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en
                    daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal
                    aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten. </al><al>Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en en financiële
                    participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van
                    de Wet fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet,
                    dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen,
                    maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge
                    waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een
                    ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van
                    het college heeft kunnen brengen. </al><al>Het tweede lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties
                    en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico
                    waaraan de gemeente bloot komt te staan, te verminderen. Dit is zeker als het om
                    grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente
                    aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de
                    regel niet al te veel vertrouwen meer in. </al><al>[Het derde lid bepaalt, dat voor het verlenen van garanties een voorziening
                    wordt gevormd voor het risico dat de gemeente loopt. Daarmee komt de verlening
                    van garanties expliciet onder het budgetrecht van de raad te vallen en is voor
                    ook de verlening van garanties tegen marktconforme tarieven instemming van de
                    raad vereist.]</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4. Paragrafen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. Lokale heffingen</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen
                    in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag
                    van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het
                    met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de
                    kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden
                    gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van
                    de overheadkosten aan de verschillende rechten, leges en heffingen in beeld te
                    brengen. </al><al/><tussenkop>Artikel 17. Financiering</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 13, welke informatie de paragraaf financiering in
                    elk geval moet bevatten. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen
                    en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de
                    aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is
                    opgenomen, dat de raad voor het vormen van een oordeel van het
                    weerstandsvermogen in deze paragraaf ook wordt geïnformeerd over de ontwikkeling
                    van de wettelijk verplichte financiële kengetallen.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 12, welke informatie de paragraaf onderhoud
                    kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. In het eerste lid wordt de
                    aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf geformuleerd. Het
                    tweede, derde en vierde lid bevatten bepalingen waaruit volgt, dat het college
                    ten minste eens in de 4 jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over
                    respectievelijk het onderhoud openbare ruimte, het onderhoud riolering en het
                    onderhoud gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig
                    onderhoudsniveau vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 14, welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in
                    elk geval moet bevatten. </al><al/><tussenkop>Artikel 21. Verbonden partijen</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 15, welke informatie de paragraaf verbonden partijen
                    in elk geval moet bevatten. In dit artikel is deze aanvullende informatievraag
                    van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Grondbeleid</tussenkop><al>[In het BBV staat in artikel 16, welke informatie de paragraaf grondbeleid in
                    elk geval moet bevatten. In het eerste lid van artikel 22 is de aanvullende
                    informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd.] </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college eens de 4jaar aan de raad een nota
                    grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig
                    grondbeleid vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 Sociaal domein.</tussenkop><al>Het aantal verplichte paragrafen is ingaande 2015 uitgebreid met een paragraaf
                    sociaal domein waarin de ontwikkelingen op het terrein van de WMO. Jeugdzorg en
                    Participatiewet worden uiteengezet.</al><al/><tussenkop>Artikel 24. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 24 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><al/><tussenkop>Artikel 25. Financiële organisatie</tussenkop><al>Artikel 25 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van
                    de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie,
                    blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het
                    nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. </al><al>Het artikel geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. </al><al>In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het
                    treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een
                    aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk
                    worden verstrekt aan rechthebbenden. </al><al>De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het
                    financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid,
                    controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de
                    interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de
                    rechtmatigheid van de beheershandelingen met een financieel gevolg en de
                    getrouwheid van de jaarrekening.</al><al/><tussenkop>Artikel 26. Interne controle</tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel
                    26 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of
                    vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de
                    administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
                    die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen,
                    rechtmatig (zijn) verlopen.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt
                    gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen,
                    voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen
                    zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen,
                    debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met wat de gemeente daadwerkelijk bezit.
                    Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. </al><al>Eens in de 5 jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van
                    registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. </al><al/><tussenkop>Artikel 27. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden
                    ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een
                    kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar
                    t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en
                    wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De nieuwe verordening
                    is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar
                    t+1 en later. </al><al>De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de
                    jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting en jaarstukken van het
                    jaar t. Hiervoor is in artikel 26 een overgangsbepaling opgenomen. </al><al>Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere
                    bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met
                    maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 27 is een overgangsbepaling
                    opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de
                    bepalingen uit de oude financiële verordening nog van kracht.</al><al/><tussenkop>Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>