<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR43027_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Gemeente Deurne 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Deurne</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Deurne</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad van Deurne, 23-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Gemeente Deurne 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2010, 053a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening en volkshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Bouwverordening van 27 februari 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Gemeente Deurne 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>DE RAAD DER GEMEENTE DEURNE</vet></al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 augustus
                        2010, nr. 053a;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8 van de Woningwet</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>Vast te stellen de:</al><al><vet>Bouwverordening gemeente Deurne 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1. Inleidende bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="·"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                            letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="·"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de
                                            Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel,
                                            bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in
                                            dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="·"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als
                                            bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; </al></li><li nr="·"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede
                                            lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van
                                            de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met
                                            het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="·"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                            steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;
                                        </al></li><li nr="·"><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                            daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van
                                            het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li><li nr="·"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                                            in het Bouwbesluit; </al></li><li nr="·"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door
                                            of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;
                                        </al></li><li nr="·"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-
                                            Instituut uitgegeven norm; </al></li><li nr="·"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-
                                            Instituut uitgegeven voornorm; </al></li><li nr="·"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                            bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li><li nr="·"><al>omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                            sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                            onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht;</al></li><li nr="·"><al>straatpeil: </al><lijst><li nr="1."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang; </al></li><li nr="2."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                  ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                                                  van de bouw; </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                            gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                            behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                            liggende en als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al> bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; </al><al> gebouw: een gedeelte van een gebouw. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente: </al><lijst><li nr="·"><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="·"><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de
                                    bij deze verordening behorende kaart als zodanig is
                                    aangegeven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                        artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al></li><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
                                        op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                        bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet
                                        voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                                        bij het bevoegd gezag reeds bruibare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                        Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                        2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
                                        naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
                                        is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                        veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                        rechtvaardigen. </al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem </label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en </al><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                        mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                        het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                        verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                                        en het overige te verwachten verkeer. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en
                                            </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor
                                        zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                                        tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                        gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                        bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                        auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                        indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk
                                        zich daarvoor lenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </label></kop><al>1.Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; </al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                    </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </label></kop><al>De voorgevelrooilijn is: </al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn,
                                        welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk
                                        gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                                        richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een
                                        wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                        meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan
                                        10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht., te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                                            </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met
                                        overschrijding van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd
                                        gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders,
                                                kelderkoekoeken en kelderingangen, mits de
                                                bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                                                straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld
                                                in artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II
                                                bij het Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en
                                                bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen
                                                erf toelaatbaar zijn; </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens
                                                van de weg overschrijden; </al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons
                                                en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer
                                                dan 1,50 m overschrijden; </al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                                hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                                luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en
                                                draagconstructies voor reclames dan bedoeld zijn in
                                                artikel 2.5.7; </al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen
                                                twee bouwwerken; </al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in
                                                de Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                                gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                                                zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                                historisch- esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                                bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al></li><li nr="·"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                        strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;
                                    </al></li><li nr="·"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; </al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van
                                        de weg niet in gevaar komt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die
                                                waarin de afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en
                                                2.5.9 is verleend; </al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                                waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                                verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                                achtergevelrooilijn is geplaatst; </al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een
                                        knik maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar
                                        liggende voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich
                                        vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van minder
                                        dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over
                                        een hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2
                                        meter boven straatpeil - worden afgerond of afgeschuind, met
                                        dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                        oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;
                                            </al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel
                                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                                Besluit omgevingsrecht bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                                pluimveeteelt daaronder begrepen, en de
                                                daarbijbehorende woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                                afwijking is gebaat. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de
                                        voorgevelrooilijn en bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig
                                                bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan de helft van de straal van de
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                                doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                                kan worden beschreven, geldt de grootste; </al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                                bouwblok van een andere dan onder a genoemde vorm op
                                                zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                                                op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                                de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                                gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                                nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te
                                                bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze drie
                                                zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                                gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                                elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                                het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                                voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen
                                                zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok,
                                                langs deze twee zijden op een afstand van de
                                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                                tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                                zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen
                                                op een afstand die wordt bepaald met inachtneming
                                                van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en
                                                met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                                de voorgevelrooilijn dan 15 meter. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                        achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                        achterzijden van die bebouwing - in het belang van de
                                        toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2
                                        meter terugliggen ten opzichte van beide
                                        achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                        aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                        hoekbebouwing dit toelaten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn </label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist; </al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                        te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten;
                                            </al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;
                                    </al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend; </al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw; </al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch- esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                        ten minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                                achtergevel, en </al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel
                                                dat is begrepen tussen het verlengde van de
                                                zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks
                                        op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts
                                        gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen
                                        van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en
                                        veranda's buiten beschouwing blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in: </al></li><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is; </al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig; </al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht; </al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                                geen beletsel vormen; </al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan
                                                van het verbod tot overschrijding van de
                                                achtergevelrooilijn. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte
                                        van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen
                                        dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf
                                        aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                                minder dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien
                                        voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                                        onderhoud van de vrij te laten ruimte. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in
                                        artikel.2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang
                                        van het af te scheiden erf of terrein. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                        stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                        hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van
                                        andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken
                                        van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                        moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                        draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn
                                        wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer. </al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                        ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken,
                                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist,
                                        worden gebouwd. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning
                                                van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                                oplevert; </al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                                afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op
                                                de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                                geen bezwaar bestaat. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                        bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan
                                        de voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                        achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale
                                        hoogte van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan
                                        laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal de
                                        afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij
                                        de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde
                                        wijze worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21,
                                        tweede lid, voor de bepaling van de afstand tussen twee
                                        achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de
                                        zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel
                                        2.5.3 of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht
                                        op een niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer
                                        bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande
                                        van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een
                                        zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten
                                        is. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard
                                        en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                        beletsel vormen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                        buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte
                                        van straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging
                                        hebben, moet worden bepaald door de oppervlakte te delen
                                        door de breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in
                                        artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en
                                        k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                                        - buiten beschouwing worden gelaten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte </label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse; </al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte.</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat; </al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen; </al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat; </al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard; </al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter; </al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren; </al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch- esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                        aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                                        stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
                                        in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></li><li nr="2."><al>Aan het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien het
                                        aantal parkeerplaatsen ten minste overeenkomt met het aantal
                                        parkeerplaatsen dat voor het betreffende gebied en de
                                        betreffende functie is genoemd in de Nota Parkeernormen.
                                    </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                        auto’s, inclusief de rijwegen om deze ruimten te bereiken,
                                        moeten redelijkerwijs bereikbaar zijn per auto en
                                        onafhankelijk van andere parkeerruimten kunnen functioneren.
                                        Voorts moet deze ruimte afmetingen hebben die zijn afgestemd
                                        op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te
                                        zijn voldaan indien de afmetingen overeenstemmen met de in
                                        Nota Parkeernormen opgenomen afmetingen. </al></li><li nr="4."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in de behoefte in voldoende mate zijn
                                        voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                                voorzien. In het geval in het openbaar gebied wordt
                                                voorzien in de nodige parkeer- of stallingruimte,
                                                dan wel laad- of losruimte is het uitsluitend
                                                toegestaan op grond van dit onderdeel
                                                omgevingsvergunning te verlenen, als het naar het
                                                oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs fysiek
                                                onmogelijk of uit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst
                                                is op eigen terrein in de nodige parkeer- of
                                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte te
                                                voorzien, of </al></li><li nr="b."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door
                                                bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren
                                                stuit.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>In het geval omgevingsvergunning wordt verleend ingevolge
                                        het vijfde lid, onder a op grond van het feit dat in het
                                        openbaar gebied wordt voorzien in de nodige parkeer- of
                                        stallingsruimte, is het bevoegd gezag bevoegd aan de
                                        omgevingsvergunning de verplichting tot betaling van een
                                        compensatiebedrag te verbinden. De hoogte van het
                                        compensatiebedrag wordt vastgesteld op de in de Nota
                                        Parkeernormen opgenomen wijze. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </label></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </label></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </label></kop><al>1.De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin
                                voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en
                                voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig
                                is. </al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2; </al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;
                                    </al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </label></kop><al>Alternatief 1 </al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn
                                        aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is
                                        het bepaalde in dit lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al></li><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                        binnenmiddenlijn de voor het maken van de aansluiting
                                        noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw
                                        dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                                        kruisen; </al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                        moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                        terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                        ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                        wijze op het openbaar riool te lozen. </al></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                        milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet
                                        voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                                        tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de
                                        goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                        van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                        ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren
                                        stoffen daartoe aanleiding geeft. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer
                                        op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem
                                        of lucht mogelijk is: </al></li><li nr="a."><al> voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                        openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="b."><al> voor agrarische bedrijven. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </label></kop><al>Alternatief 1 </al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                        Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                        voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                        openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                        bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput
                                                met overstort; </al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                                zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder
                                                of een beerput zonder overstort, een gierput of een
                                                rottingput met overstort; </al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                                afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                                overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                                                dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht
                                                kan optreden; </al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                                afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet
                                                lozen op een rottingput. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b,
                                        indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van
                                        water, bodem en lucht mogelijk is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                        haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                        aangewerkt. </al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen
                                        aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat
                                        de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                        zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. </al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                        aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                        rottingputten voorkomen. </al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                        geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten
                                        een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                        waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                        beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan,
                                        indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
                                        2007. </al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een
                                        leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en
                                        hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist,
                                        een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm.
                                    </al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en
                                        hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en
                                        terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt
                                        geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het
                                        bepaalde in de NEN- normen die zijn opgenomen in bijlage 7.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen </label></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3. De melding </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>4. Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden </label></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen; </al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen; </al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan; </al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw </label></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven; </al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken
                                    waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en
                                    onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen - ten minste twee dagen voor
                                    de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het
                                    bouwproces in kennis te worden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                            daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                            slaan van proefpalen daaronder begrepen; </al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis
                                    te worden gesteld van het storten van beton. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                    indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen </label></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten </label></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband
                                    staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat
                                    de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de
                                    weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten
                                    behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun
                                    gebruikers. </al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                    moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                    dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van
                                            de uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel
                                            op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in
                                            gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                            daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;
                                        </al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een
                                            zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan,
                                            niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde
                                            personen in werking kunnen worden gesteld; </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                    elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer
                                    elektrisch aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden
                                    vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid
                                    voldoende is gewaarborgd. </al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                    nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij
                                    uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                    dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                    doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende
                                    open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te
                                    duchten is. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                    geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder
                                    ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere
                                    openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt
                                    belemmerd. </al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en
                                    dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein
                                    is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden
                                    bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                    transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat
                                    kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed
                                    en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                    werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor
                                    de omgeving optreedt. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade
                                    of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                    veroorzaken, verbieden. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                    gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
                                        </al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of </al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal
                                            niet mag worden gebruikt. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                    toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen
                                    voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet
                                    genoemde milieuwet van toepassing is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden
                                    in de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                            bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                            bedraagt; </al></li><li nr="d."><al>overig afval. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten
                                    op de bouwplaats gescheiden worden gehouden. </al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                    bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van
                                    10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht
                                    dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen:</al></li><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                    riolering, alsmede van</al></li></lijst><al> leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                            straatpeil;</al><al>b.van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                            thermische isolatie in andere besloten constructies.</al><al>moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                            bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><lijst><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking
                                    heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan
                                    het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip
                                    van kennisgeving. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                                    op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een
                                    plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop
                                    de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt
                                    het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
                                </al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel-
                                    of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht
                                    ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk
                                    in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten
                                    behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen; </al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;
                                        </al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de
                                            voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende
                                            is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden
                                            Celsius is. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                    bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </label></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>5. Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met
                                        hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren
                                        voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of
                                        hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid; </al></li><li nr="b."><al>stank; </al></li><li nr="c."><al>verontreiniging; </al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                                            </al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is
                                        verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg
                                        tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn
                                        die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                                        ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten
                                        verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het
                                        gebouw zulks niet vereisen. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid
                                        moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in
                                        een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                        voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                                breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een
                                                vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                                ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                                motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600
                                                kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en
                                            </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor
                                        zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                                        tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                        gelegen </al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                        brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende
                                        verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                                        worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                        het gebouw zulks niet vereisen. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                        bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                        doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </label></kop><al>1.Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; </al></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. </al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                        zij: </al></li><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                    </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids- installaties envluchtrouteaanduidingen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids- installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid- installaties in woongebouwen van bijzondere aard</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid- installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid- installaties in kantoorgebouwen</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding </label></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                        gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </label></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                        bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                        desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                        van 100 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet </label></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere
                                        energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen
                                        individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; </al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;
                                    </al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd; </al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                        afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                                        hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                        openbaar riool. </al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare
                                                riolering aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m
                                                van een openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;
                                            </al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                                voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                                                aanwezig is. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering </label></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                        waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                        doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
                                        zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
                                        worden gebruikt; </al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                        overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                        rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd
                                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                        optreden; </al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                        rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                                        van water, bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
                                        van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                        rottingput. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen </label></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen </label></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie </label></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>6. Brandveilig gebruik</label></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk </label></kop><al>( vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>7. Overige gebruiksbepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </label></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </label></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid </label></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk; </al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne </label></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder </label></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook,
                                        roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers
                                        van het bouwwerk, het open erf of terrein; </al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank,
                                        stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of
                                        overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling,
                                        elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk
                                        of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                                        bouwwerk, open erf of terrein; </al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.
                                    </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                        geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                        bevindt. </al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te
                                        worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte
                                        hierdoor niet wordt aangetrokken. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water </label></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties </label></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>8. Slopen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen,
                                        te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                        bevoegd gezag. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist
                                        indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval
                                        niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede
                                        betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen
                                        vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op
                                        grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit
                                        tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                        onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan haar besluit
                                        voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor
                                        het slopen slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden
                                                houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een
                                                scheiding in een fractie asbest, een fractie
                                                gevaarlijk afval en een fractie overig afval; </al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden
                                                overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel
                                                7.2, onder b. van de Regeling omgevingsrecht. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het
                                        derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het
                                        selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de
                                        tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties
                                        gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                                        Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor
                                        het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het
                                        afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                        sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                        plaatsvinden. </al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                        indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                        over het slopen van het tijdelijke bouwwerk. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd
                                        en ook door het stellen van voorschriften niet op een
                                        voldoende peil kan worden gewaarborgd; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met
                                        het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                        stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                        worden gewaarborgd; </al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische
                                        monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                        provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                        vereist en deze niet is verleend; </al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                        overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
                                        de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is
                                        verleend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekkenomgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                        onvolledige opgave van gegevens; </al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de
                                        werkzaamheden is gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                        weken stilliggen. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders
                                        dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn
                                        geheel slopen van: </al></li><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of
                                        uit een op het erf van die woning staand bijgebouw,
                                        voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van
                                        de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van
                                        de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het
                                        bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een
                                        beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                        asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                        vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel
                                        bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.</al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                        worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                        burgemeester en wethouders vastgesteld formulier</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                        ..voud worden ingediend. </al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                        Nederlands zijn gesteld. </al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                        aard en het gebruik van het bouwwerk. </al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst
                                        toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                                        vermeld. </al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid
                                        bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn
                                        hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan. </al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als
                                        bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met
                                        betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest.
                                    </al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of
                                        het zevende lid is verplicht de voorschriften, als bedoeld
                                        in het achtste lid alsmede de voorschriften bij of krachtens
                                        de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                                        zijn gesteld, in acht te nemen. Voorts is de houder
                                        verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende
                                        vloerbedekking alsmede van andere afvalstoffen waarop de
                                        mededeling betrekking heeft de in de gemeente geldende
                                        voorschriften in acht te nemen. </al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                        sloop vrijkomt is niet toegestaan. </al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het
                                        eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde
                                        eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de
                                        melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de
                                        door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen </label></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                        constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                        verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is
                                        dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein </label></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden </label></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet
                                        het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                                        opdragen aan een deskundig bedrijf. </al></li><li nr="2."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet
                                        een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het
                                        deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van
                                        werk zal uitvoeren. </al></li><li nr="3."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt
                                        ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het
                                        slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de
                                        data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat
                                        betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden. </al></li><li nr="4."><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                        binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                        bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                        eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning
                                        voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en
                                        tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die
                                        sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het
                                        bouw- en woningtoezicht. </al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van
                                        tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden
                                        gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de
                                        sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien
                                        het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen
                                        schriftelijk geschieden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                        bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                        bouwwerk wordt gesloopt. </al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                        technieken worden toegepast om verontreiniging van het
                                        milieu met asbest te voorkomen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                        vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding
                                        krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te
                                        worden gescheiden in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                                hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de
                                                Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                                augustus 2001, nr. 158, blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;
                                            </al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen; </al></li><li nr="e."><al>asfalt; </al></li><li nr="f."><al>dakgrind; </al></li><li nr="g."><al>overig afval. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g,
                                        en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en
                                        met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden
                                        gehouden. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>9. Welstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de commissie</label></kop><lijst><li nr="1"><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan een externe onafhankelijke instelling of partij, die
                                    daarvoor de noodzakelijke deskundigheid heeft, hierna te noemen
                                    de welstandscommissie.</al></li><li nr="2"><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst><al>3 De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                            genoemde welstandscriteria. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label></kop><al>1 De welstandscommissie bestaat ten minste uit twee leden, die beiden
                            deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan
                            wel cultuurhistorie. </al><al> 2 Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                            minste twee deskundige leden aanwezig. </al><al>4 De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                            gemeentebestuur.</al><al>5 In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger, anders dan
                            bedoeld in het eerste lid, zitting hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label></kop><al>1 De leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op
                            voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                            gemeenteraad.</al><al>2 De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                            van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor
                            een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al>3 Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                            deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de
                            voorgaande leden, nadere regels voor samenstelling van de commissie en
                            benoeming van de leden. Dit reglement maakt integraal onderdeel uit van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                    vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><al>1 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                            namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking
                            heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft,
                            uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders
                            daarom is verzocht.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                            welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde
                            leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies.
                            Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven
                            indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met
                            toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label></kop><al>1 De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar.
                            De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                            bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag,
                            nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
                            Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de
                            aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                            burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.
                            De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                            de adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom
                            bij het indienen van de aanvraag heeft verzocht, wordt deze door of
                            namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                            toelichting op het bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                            behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan,
                            dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een
                            uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de
                            aanvraag wordt behandeld.</al><al>4 Er is geen spreekrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label></kop><al>1 De welstandscommissie kan de advisering over de welstandsaspecten van
                            aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen mandateren aan
                            een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid c.q. de
                            aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                            bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie
                            als bekend mag worden verondersteld.</al><al>2 In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                            bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.</al><al>3 Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                            burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager –
                            een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester
                            en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de
                            Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><al>1 De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                            schriftelijk.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                            burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</label></kop><al>1 Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                            heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te
                            sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende
                            besluit niet dan nadat:</al><al> a op het voornemen inspraak is verleend;</al><al> b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>2 De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                            voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>10. Overige administratieve bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen </label></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften </label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN- normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>11. Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>12. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen </label></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Overgangsbepaling wijziging Woningwet per 1 april 2007</label></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                            toestemming anderszins,</al><al>die is ingediend vóór het tijdstip waarop <vet>de wijzigingsverordening
                                ‘Bouwverordening gemeente Deurne </vet><vet>2007’</vet> van kracht
                            werd en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                            bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór
                            deze wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de
                            gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen in
                            overeenstemming zijn met</al><al>de Wet tot wijziging van de Woningwet en enkele andere wetten
                            (verbetering naleving,</al><al>handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) (Wet van 21 december
                            2006, Stb. 2007, 27).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.7 Algemene overgangsbepalingen </label></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins,
                            die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze verordening van kracht
                            wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                            bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór
                            de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft
                            dat de bepalingen van de onderhavige bouwverordening worden
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.8 Inwerkintreding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 27 februari
                                    2007 en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Bouwverordening gemeente
                                    Deurne 2010'.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label> BIJLAGEN</label></kop><al><vet>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 </al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden
                                als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) </al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                                bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                                (vervallen) </al><al>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen) </al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen) </al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen) </al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen) </al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen) </al><divisie><kop><label>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</label></kop><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 </al><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken </label></kop><al>(vervallen) </al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties </label></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</label></kop><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 </al><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen</label></kop><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.3 </al><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 </al><al>De NEN- normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de
                                volgende: </al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                        afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren
                                        afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor
                                        binnen- en buitenrioleringen'; </al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor
                                        vrij verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) -
                                        Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem'
                                        (Engelstalig); </al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                                        hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                                        vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1,
                                        uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999
                                        - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); </al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                                        hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                                        vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven
                                        1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername'
                                        (Engelstalig); </al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                                        hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder
                                        vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).
                                    </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</label></kop><al>Bijlage behorende bij artikel 8.1.2 </al><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie </label></kop><al>Reglement op de gemeentelijke welstandsadvisering</al><al>Commissie met 2 leden</al><al>Ingaande 1 oktober 2010</al><al><vet><cursief>Inhoud</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Begripsbepalingen</al></li><li nr="2."><al>Onafhankelijkheid</al></li><li nr="3."><al>Samenstelling en benoeming van de commissie</al><lijst><li nr="a."><al> Samenstelling</al></li><li nr="b."><al> Benoeming en zittingsduur</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Taakomschrijving</al><al>a. Taken van de commissie</al><lijst><li nr="i."><al>Wettelijke taken</al></li><li nr="ii."><al>Niet wettelijk verplichte taken</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>2 Taakomschrijving commissieleden</al><al> 4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de
                                        commissie</al><al> 4.2.2 Verdere taken van de rayonarchitect</al><al> 4.2.3 Taken extern architectlid</al><al> 4.2.4 Taken externe deskundigen</al><al> 4.2.5 Taken secretaris</al></li><li nr="5."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al></li><li nr="6."><al>Werkwijze van de commissie</al><lijst><li nr="a."><al> Vooroverleg</al></li><li nr="b."><al> Openbare vergadering van de commissie</al><lijst><li nr="i."><al> Locatie, jaarrooster en agenda</al></li><li nr="ii."><al> Toelichting opdrachtgever/ontwerper –
                                                  spreekrecht</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="6."><al>3 Het advies</al></li><li nr="7."><al>Afwijking van het advies / second opinion</al></li><li nr="8."><al>Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</al></li><li nr="9."><al>Excessenregeling</al></li></lijst><al><vet><cursief>1. Begripsbepalingen </cursief></vet></al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders</al></li><li nr="b."><al>de commissie: de gemeentelijke welstandscommissie</al></li><li nr="c."><al>de secretaris: de door het college aangewezen ambtenaar, die
                                        de commissie bijstaat</al></li><li nr="d."><al>reglement: het Reglement op de gemeentelijke
                                        welstandsadvisering</al></li><li nr="e."><al>aanvraag: een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                                        uitvoeren van een bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk ziet
                                        op het bouwen van een bouwwerk (ex art. 2.1, lid 1, sub a
                                        van de Wabo)</al></li><li nr="f."><al>advies: advies als bedoeld in art. 2.26, lid 3 en 4 van de
                                        Wabo, in combinatie met art. 6.2 lid 1 en 2 van de Bor.</al></li></lijst><al><vet><cursief>2. Onafhankelijkheid</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad wijst de commissie) aan, die aan het college
                                        advies uitbrengt over de vraag of het uiterlijk en de
                                        plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd
                                        zijn met redelijke eisen van welstand.</al></li><li nr="2."><al>De commissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.</al></li></lijst><al><vet><cursief>3. Samenstelling en benoeming van de
                                        commissie</cursief></vet></al><al><cursief>3.1 Samenstelling </cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een extern architectlid en de
                                        rayonarchitect. Beiden zijn deskundig op het terrein van
                                        architectuur en aanverwante vakgebieden. Wanneer de vaste
                                        commissieleden verhinderd zijn zorgt de commissie voor
                                        deskundige plaatsvervangende leden.</al></li><li nr="2."><al>De rayonarchitect zit de commissie voor.</al></li><li nr="3."><al>De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door
                                        externe deskundigen. Dit betreft disciplines als stedenbouw,
                                        architectuurhistorie, bouwhistorie, landschapsarchitectuur,
                                        etc. Voor zover hier kosten aan zijn verbonden, zullen deze
                                        alleen worden vergoed, nadat tevoren toestemming is verleend
                                        door de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Afhankelijk van het type plan dat moet worden behandeld,
                                        nemen de in lid 3 genoemde deskundigen deel aan de
                                        vergadering. Zij hebben geen stemrecht.</al></li><li nr="5."><al>De commissie kan slechts adviezen uitbrengen als beide leden
                                        of hun plaatsvervangers aanwezig zijn.</al></li><li nr="6."><al>In afwijking van het vorige lid kan de commissie de
                                        advisering over de welstandsaspecten van aanvragen voor een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen mandateren aan een of
                                        meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid c.q.
                                        de aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren
                                        over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                        commissie als bekend mag worden verondersteld.</al></li></lijst><al><cursief>3.2 Benoeming en zittingsduur</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie doet voor elke nieuwe zittingstermijn een
                                        voordracht voor commissieleden en hun plaatsvervangers aan
                                        de burgemeester en wethouders. Indien gewenst vindt hierover
                                        vooroverleg plaats tussen de gemeente en de commissie.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad benoemt en ontslaat de leden van de
                                        commissie en hun plaatsvervangers door in te stemmen met de
                                        voordracht. De commissie draagt zorg voor een correcte
                                        uitvoering van benoeming en ontslag van de leden en hun
                                        plaatsvervangers.</al></li><li nr="3."><al>De leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een
                                        periode van ten hoogste drie jaar, met de mogelijkheid van
                                        verlenging met nog eens drie jaar.</al></li><li nr="4."><al>Bij afwezigheid van het extern architectlid en/of de
                                        rayonarchitect treden plaatsvervangers op in de
                                        commissievergadering.</al></li><li nr="5."><al>De rayonarchitect, het extern architectlid en hun
                                        plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                                        gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan
                                        geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over
                                        de welstandsaspecten wordt beïnvloed. </al></li></lijst><al><vet><cursief>4. Taakomschrijving</cursief></vet></al><al><cursief>4.1 Taken van de commissie</cursief></al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                                wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden
                                uitgevoerd op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                (Wabo) en de Woningwet.</al><al>De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijke
                                welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke
                                welstandsnota.</al><lijst><li nr=""><al>4.1.1<cursief>Wettelijke taken</cursief></al></li><li nr="1."><al><onderstreept>Toetsing van vergunningplichtige
                                            bouwwerken</onderstreept></al></li></lijst><al>De commissie adviseert het college over de welstandsaspecten van een
                                bouwplan in verband met de toetsing aan artikel 2.10, eerste lid,
                                onderdeel d, van de Wabo en artikel 12 en 12a van de Woningwet.</al><al>2.<onderstreept>Jaarverslag commissie</onderstreept></al><al>De commissie legt de gemeenteraad één maal per jaar een verslag voor
                                van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de
                                commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft
                                gegeven aan de welstandscriteria.</al><al>Tenminste één maal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag,
                                een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur en de commissie.</al><al><cursief>4.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente kan opdracht geven aan de commissie om onder
                                        regie van de gemeente en op verzoek van de commissie, de
                                        gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht vooroverleg te
                                        voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van
                                        bouwplannen.</al></li><li nr="2."><al>De commissie zal desgevraagd adviseren in het geval
                                        van:</al></li><li nr="a)"><al>excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken
                                        die ook voor niet-deskundigen evident zijn;</al></li><li nr="b)"><al>de beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de
                                        gemeentelijke APV).</al></li><li nr="3."><al>Verdere niet wettelijk verplichte taken zijn
                                        bijvoorbeeld:</al></li><li nr="-"><al>desgewenst zal de commissie tijd inruimen voor een vast
                                        inloopspreekuur. Belanghebbenden </al><al> kunnen daarin advies van de commissie krijgen ten behoeve
                                        van de voorbereiding van </al><al> bouwplannen. De afspraken voor dit inloopspreekuur worden
                                        door de secretaris gemaakt. </al><al> Overigens wordt het spreekuur gestructureerd naar analogie
                                        van het bepaalde in artikel 6.2;</al></li><li nr="-"><al>de herziening van de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>het desgevraagd adviseren op basis van welstandseisen op
                                        zienswijzen, bezwaarschriften etc.</al></li></lijst><al>De in dit derde lid genoemde taken worden als maatwerk beschouwd en
                                zullen afzonderlijk in rekening worden gebracht.</al><al><cursief>4.2 Taakomschrijving commissieleden</cursief></al><al><cursief>4.2.1 Taken rayonarchitect als voorzitter van de commissie
                                </cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het functioneren
                                        van de commissie en de kwaliteit van de advisering. De
                                        rayonarchitect ziet erop toe dat de commissie adviseert
                                        binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid.</al></li><li nr="2."><al>Tijdens de openbare vergadering treedt de rayonarchitect op
                                        als gastheer voor de aanwezigen. Hij legt in het kort de
                                        vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezige
                                        belanghebbenden op zijn of haar plan een toelichting wil
                                        geven. Indien een plan in vooroverleg is besproken geeft de
                                        rayonarchitect een korte samenvatting van hetgeen in dat
                                        stadium van het planproces is besproken.</al></li><li nr="3."><al>De rayonarchitect geeft leiding aan de vergadering en
                                        bewaakt de voortgang van de agenda. Hij geeft na de
                                        inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle
                                        aanwezigen een korte en heldere samenvatting.</al></li><li nr="4."><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren)
                                        en met de pers treedt de rayonarchitect namens de commissie
                                        naar buiten.</al></li><li nr="5."><al>De rayonarchitect houdt met het medelid/de medeleden van
                                        zijn commissie een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de
                                        werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het
                                        jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad. </al><al>4.2.2<cursief>Verdere taken van de
                                        rayonarchitect</cursief></al></li><li nr="1."><al>De rayonarchitect onderhoudt de contacten met het
                                        gemeentebestuur en de relevante gemeentelijke diensten.</al></li><li nr="2."><al>Indien een adviesaanvrage niet is voorzien van de in artikel
                                        5 genoemde bescheiden, en hierdoor een afgewogen advisering
                                        niet mogelijk is, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag
                                        niet voor behandeling in de commissie aan.</al></li><li nr="3."><al>De rayonarchitect legt de conclusie over een bouwplan vast
                                        in een schriftelijk advies en voorziet die conclusie van een
                                        motivering.</al></li><li nr="4."><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur
                                        indien dat in de gemeente bestaat en legt van elk gevoerd
                                        gesprek puntsgewijs de gemaakte afspraken vast.</al></li></lijst><al><cursief>Taken extern architectlid</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het extern architectlid geeft op basis van zijn
                                        deskundigheid een onafhankelijke visie op de
                                        adviesaanvragen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer hij een zakelijke binding heeft met een plan
                                        waarvoor advies wordt gevraagd, wordt hij voor de
                                        betreffende vergadering vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Het extern architectlid overlegt tijdens de vergadering met
                                        aanvragers, architecten en andere ontwerpers en hoort
                                        eventuele belanghebbenden.</al></li><li nr="4."><al>Hij tekent de in 6.3 bedoelde adviezen voor akkoord.</al></li></lijst><al><cursief>Taken externe deskundigen</cursief></al><al>De aan de commissievergadering deelnemende externe deskundigen geven
                                vanuit hun ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke
                                visie op de adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een
                                zakelijke binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd,
                                dan laat hij zich voor de betreffende commissievergadering
                                vervangen.</al><al><cursief>Taken secretaris</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De secretaris verzamelt relevante informatie en bereidt de
                                        behandeling in de commissie voor. Hij voorziet de commissie
                                        van de benodigde bescheiden.</al><al> Relevante informatie voor het beoordelen van plannen
                                        is/zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeentelijke welstandsnota;</al></li><li nr="b."><al>de bestemmingsplanbepalingen;</al></li><li nr="c."><al>de beeldkwaliteitsplannen;</al></li><li nr="d."><al>luchtfoto’s (indien mogelijk);</al></li><li nr="e."><al>het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke
                                                ontwikkeling;</al></li><li nr="f."><al>informatie over eerdere behandeling(en) van het
                                                plan;</al></li><li nr="g."><al>vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn
                                                beoordeeld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De secretaris stelt, zo nodig in overleg met de
                                        rayonarchitect, de agenda voor de vergadering vast.</al></li><li nr="3."><al>Hij is verantwoordelijk voor het openbaar maken van de
                                        agenda van de vergaderingen van de commissie.</al></li><li nr="4."><al>De secretaris is geen benoemd lid van de commissie en heeft
                                        geen stemrecht.</al></li></lijst><al><vet><cursief>5. Werkwijze ‘Bouw- en
                                Woningtoezicht’</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een advies kan worden gevraagd over alle plannen waarvoor
                                        een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd.
                                        De ambtenaar BWT draagt er zorg voor dat de commissie
                                        inzicht heeft in de planologische aanvaardbaarheid van het
                                        plan, en bij strijdigheid met planologische aspecten inzicht
                                        heeft in de aard van de strijdigheid.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar BWT controleert of plannen (inclusief de
                                        plannen die worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan
                                        de indieningsvereisten als genoemd in de Mor. Onder
                                        ‘hoofdstuk 2. indieningsvereisten vanwege bouwactiviteiten’
                                        zijn hier als vereiste bescheiden aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>tekeningen van alle gevels van het bouwwerk,
                                                inclusief de gevels van belendende bebouwing,
                                                waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de
                                                directe omgeving past;</al></li><li nr="b."><al>principedetails van gezichtsbepalende delen van het
                                                bouwwerk; </al></li><li nr="c."><al>kleurenfoto's van de bestaande situatie en de
                                                omliggende bebouwing; </al></li><li nr="d."><al>opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de
                                                kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In
                                                ieder geval worden opgegeven het materiaal en de
                                                kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen
                                                en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de
                                                dakbedekking. </al></li></lijst></li></lijst><al>Verder dienen tekeningen t.b.v. een aanvraag om een vergunning voor
                                een bouwactiviteit te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een
                                        vergunning voor een</al><al> bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en
                                        schaalaanduiding. </al></li><li nr="2."><al>Tenzij artikel 5.8 van toepassing is, geldt voor de volgende
                                        tekeningen de daarbij genoemde maximaal toe te passen
                                        schaal:</al></li><li nr="a."><al>situatietekeningen: 1:1000;</al></li><li nr="b."><al>geveltekeningen, plattegronden en doorsneden:</al></li></lijst><al>1°. bouwwerken kleiner dan 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte: 1:100; </al><al>2°. bouwwerken 10.000 m2 of groter bruto vloeroppervlakte: 1:200; </al><lijst><li nr="c."><al>detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20.</al></li><li nr="3."><al>Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het
                                        bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende
                                        bebouwing en wegen (noordpijl).</al></li><li nr="3."><al>De gegevens, en zo mogelijk ook de bescheiden, worden voor
                                        aanvang van de vergadering digitaal aan de rayonarchitect
                                        aangeleverd. </al></li></lijst><al><vet><cursief>6. Werkwijze van de
                                    commissie</cursief></vet></al><lijst><li nr=""><al>6.1<cursief> Vooroverleg</cursief></al></li><li nr="1."><al>De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag ter
                                        advisering voorleggen aan de commissie.</al></li><li nr="2."><al>Van dat vooroverleg wordt een verslag gemaakt, dat met de
                                        besproken bescheiden in een projectdossier wordt opgenomen.
                                    </al></li><li nr="3."><al>Het vooroverleg vindt, wanneer de aanvrager daarom verzoekt,
                                        in beslotenheid plaats. </al><al>6.2<cursief> Openbare vergadering van de
                                        commissie</cursief></al><al>6.2.1<cursief>Locatie, jaarrooster en agenda</cursief></al></li><li nr="1."><al>De commissie vergadert wekelijks op een vaste locatie, een
                                        vaste dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren per
                                        kalenderjaar vast te stellen rooster.</al></li><li nr="2."><al>De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen
                                        in het jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie
                                        van iedere vergadering worden tijdig vóór de vergadering
                                        openbaar gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                                        een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad dan wel op een
                                        andere, naar het oordeel van het college van burgemeester en
                                        wethouders (hierna te noemen: het college) geschikte
                                        wijze.</al></li><li nr="3."><al>De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig
                                        vóór die vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege
                                        uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad
                                        dan wel op een andere, naar het oordeel van het college,
                                        geschikte wijze.</al></li><li nr="4."><al>De vergaderingen van de commissie en de adviezen zijn
                                        openbaar, tenzij de voorzitter, het college of de
                                        belanghebbende van oordeel is dat er op grond van artikel 10
                                        van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen
                                        aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt
                                        zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de
                                        conclusie c.q. het advies.</al><al>6.2.2<cursief>Toelichting opdrachtgever / ontwerper –
                                            spreekrecht</cursief></al></li></lijst><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de
                                commissie) in de vergadering van de commissie waarin het betreffende
                                plan wordt behandeld, dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit
                                vermelden op het daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij
                                Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                                uitnodigingen.</al><lijst><li nr=""><al>6.3<cursief> Het advies</cursief></al></li><li nr="1."><al>De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk
                                        welstandsbeleid (welstandsnota).</al></li><li nr="2."><al>De commissie formuleert het uit te brengen advies in heldere
                                        en duidelijk toetsbare bewoordingen. Het gebruik van
                                        abstracte taal en jargon wordt tot een noodzakelijk minimum
                                        beperkt.</al></li><li nr="3."><al>Het advies wordt direct geformuleerd en bij de gemeente
                                        achtergelaten, of zo spoedig mogelijk na de vergadering
                                        ondertekend toegestuurd aan de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomst hebben:</al></li></lijst><al><vet><cursief>Voldoet:</cursief></vet>De commissie
                                is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                                welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van
                                welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies
                                schriftelijk.</al><al><vet><cursief>Voldoet mits (voldoet niet
                                tenzij):</cursief></vet></al><al>De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet
                                aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij tegemoet
                                gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De
                                commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan
                                bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt,
                                krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare
                                beslistermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de
                                bezwaarpunten tegemoet te komen.</al><al><vet><cursief>Voldoet niet:</cursief></vet></al><al>De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke
                                eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat indien
                                het college het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend gewijzigd
                                moet worden. Een negatief advies wordt nauwkeurig schriftelijk
                                gemotiveerd. Hierin staat een korte omschrijving van het ingediende
                                plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                                welstandscriteria, een samenvatting van de beoordeling van het plan
                                op die punten en een aanbeveling tot aanpassing van het plan.</al><al><vet><cursief>Aanhouden:</cursief></vet>De
                                commissie kan het advies aanhouden - waarbij Bouw- en Woningtoezicht
                                aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                                beslistermijn - wanneer:</al><al>a) meer informatie of een toelichting van de opdrachtgever/ontwerper
                                noodzakelijk is voor een goede beeldvorming en een afgewogen
                                beoordeling.</al><al>b) de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen
                                tot afwijking van het gemeentelijk welstandsbeleid. Zij geeft dan
                                gemotiveerd aan op grond waarvan afwijking gerechtvaardigd is.</al><al><vet><cursief>7. Afwijking van het advies / second opinion
                                    </cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan bij het besluit tot verlening van een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van het advies
                                        van de commissie, indien hij van mening is dat de commissie
                                        de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft
                                        geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking
                                        worden bij de bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens
                                        definitief te beslissen biedt het college de commissie de
                                        mogelijkheid van heroverweging van het eerder uitgebrachte
                                        advies.</al></li><li nr="2."><al>Het college heeft op grond van artikel 2.10 lid 1d van de
                                        Wabo de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan
                                        met redelijke eisen van welstand toch een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, indien hij
                                        van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet
                                        worden verleend. De afwijking wordt in de beslissing op de
                                        aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                        gemotiveerd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan eventueel op advies van de commissie
                                        gemotiveerd afwijken van de in de gemeentelijke
                                        welstandsnota vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in het
                                        geval dat een bouwplan niet voldoet aan de
                                        welstandscriteria, maar wel voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar de
                                        algemene beoordelingscriteria die in de welstandnota zijn
                                        opgenomen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college zich niet kan verenigen met het advies
                                        van de commissie, kan hij een ‘second opinion’ inwinnen bij
                                        een andere commissie. Alvorens daartoe over te gaan stelt
                                        het college de commissie daarvan op de hoogte.</al></li></lijst><al><vet><cursief>8. Evaluatie en aanpassing van de
                                        welstandsnota</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college brengt aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit
                                        over de uitvoering van het welstandsbeleid. Voor de aspecten
                                        die in dit verslag tenminste aan de orde moeten komen, wordt
                                        verwezen naar artikel 12b van de Woningwet (zie
                                        bijlage).</al></li><li nr="2."><al>Tenminste één maal per jaar vindt een evaluatiegesprek
                                        plaats tussen een vertegenwoordiging van het college, de
                                        commissie en een vertegenwoordiger van het management van de
                                        commissie.</al></li><li nr="3."><al>De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en
                                        evaluaties over eventuele aanvullingen en/of aanpassingen
                                        van de gemeentelijke welstandsnota.</al></li></lijst><al><vet><cursief>9. Excessenregeling</cursief></vet></al><al>Het uiterlijk van bestaande bouwwerken mag niet in ernstige mate
                                strijdig zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de
                                hand van de hiertoe opgenomen criteria uit de welstandsnota. Ook de
                                omgevingsvergunningvrije bouwwerken vallen onder dit repressieve
                                welstandsvereiste dat is opgenomen in artikel 12, eerste lid, van de
                                Ww. (artikel 5.2, <cursief>Repressief welstandsvereiste,
                                </cursief>in Bijlage II van de nota van toelichting bij de Bor.
                                )</al><al>Het college kan de commissie vragen te adviseren over de vraag of
                                het uiterlijk van:</al><lijst><li nr="a."><al>een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een bouwwerk,
                                        niet zijnde een seizoensgebonden bouwwerk, waarvoor in de
                                        omgevingsvergunning is bepaald dat dit slechts voor een
                                        bepaalde periode in stand mag worden gehouden;</al></li><li nr="b."><al>een te bouwen bouwwerk voor het bouwen waarvan, op grond van
                                        artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, geen
                                        omgevingsvergunning is vereist, in ernstige mate in strijd
                                        is met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval
                                        wanneer het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van
                                        een bouwwerk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn.
                                        Hiervoor zijn in de welstandsnota criteria opgenomen in het
                                        hoofdstuk of de paragraaf ‘excessenregeling’.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Bijlage</cursief></vet></al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad één maal per jaar
                                een verslag voor waarin zij ten minste uiteenzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                        commissie;</al></li><li nr="b."><al>in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                                        omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de commissie
                                        hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf
                                        toepassing hebben gegeven aan criteria, bedoeld in artikel
                                        12a, eerste lid, onderdeel a van de Woningwet;</al></li><li nr="c."><al>in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan
                                        artikel 12, eerste lid van de Woningwet, zij zijn overgegaan
                                        tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last
                                        onder dwangsom.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) </label></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie) </label></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) </label></kop><al>(vervallen)</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>