<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR430221_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling OP EFRO Tender Valorisatie D 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Samenwerkingsverband Noord-Nederland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Fryslân</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.snn.eu/bekendmakingbesluiten/">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>OP EFRO Tender Valorisatie D 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32013R1303&amp;from=EN">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2017-03-31</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>UitvoeringsregelingOP EFRO Tender Valorisatie D2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland
                            zijnde Management Autoriteit Noord-Nederland;</vet></al><al/><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling
                        “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening
                        (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);</al><al/><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het
                        Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                        Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het
                        Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
                        (PbEU L 347);</al><al/><al>gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7
                        maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU)
                        nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende
                        gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees
                        Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
                        maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds
                        voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot
                        methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen
                        van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van
                        de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en
                        investeringsfondsen;</al><al/><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van
                        3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het
                        Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake
                        het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds,
                        het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij;</al><al/><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                        waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
                        het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene
                        groepsvrijstellingsverordening);</al><al/><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van
                        28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening
                        (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft
                        gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van
                        programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de
                        technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor
                        concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van
                        gegevens;</al><al/><al>gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;</al><al/><al>gelet op de Uitvoeringswet EFRO;</al><al/><al>gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;</al><al/><al>gelet op de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al>de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen ter afbakening van een deel
                        van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: </al><al><vet>OP EFRO Tender Valorisatie D2017</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Verordening (EU) nr. 1303/2013</cursief>: Verordening (EU)
                                Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december
                                2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees
                                Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                                Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                                plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken
                                en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor
                                regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds
                                en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot
                                intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Algemene Groepsvrijstellingsverordening</cursief>:
                                Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                                waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en
                                108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden
                                verklaard; </al></li><li nr="c."><al><cursief>REES</cursief>: Regeling van de Staatssecretaris van
                                Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende
                                vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese
                                structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische
                                Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies);</al></li><li nr="d."><al><cursief>Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP
                                    EFRO)</cursief>: het programma als bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 6, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 dat is
                                goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel
                                Noord-Nederland (NUTS-regio NL1); </al></li><li nr="e."><al><cursief>RIS3</cursief>: Research &amp; Innovation Strategy for
                                Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de
                                innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 is
                                uiteengezet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Maatschappelijke uitdagingen</cursief>: zoals beschreven in
                                hoofdstuk 3.2 van de RIS3 Noord-Nederland;</al></li><li nr="g."><al><cursief>SNN</cursief>: het Samenwerkingsverband Noord-Nederland;
                            </al></li><li nr="h."><al><cursief>DB SNN</cursief>: het dagelijks bestuur van het
                                Samenwerkingsverband Noord-Nederland;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Penvoerder</cursief>: de subsidieaanvrager, die zorgdraagt
                                en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen,
                                verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of
                                meer aanvragers van subsidie die samenwerken; </al></li><li nr="j."><al><cursief>Het Verdrag</cursief>: het Verdrag betreffende de werking
                                van de Europese Unie;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Onderneming</cursief>: een onderneming is een organisatie
                                die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen
                                aan het maatschappelijk productie- en of handelsproces met het
                                oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook
                                redelijkerwijs verwacht kan worden. Een onderneming kan
                                verschillende juridische vormen aannemen, mits deze geen
                                publiekrechtelijk lichaam is en niet voor meer dan tien procent
                                structureel wordt gefinancierd door overheidsbijdragen;</al></li><li nr="l."><al><cursief>MKB-ondernemingen</cursief>: ondernemingen die voldoen aan
                                de vastgestelde criteria in Bijlage I van de Algemene
                                Groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="m."><al><cursief>Grote ondernemingen</cursief>: ondernemingen die niet
                                voldoen aan de criteria onder l genoemd;</al></li><li nr="n."><al><cursief>De-minimisverordening</cursief>: Verordening (EU) Nr.
                                1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de
                                toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende
                                de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Noord</cursief>-<cursief>Nederland:</cursief> De provincies
                                Fryslân, Groningen en Drenthe.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Deelplafond</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het deelplafond als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor
                                subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van maandag 9
                                januari 2017 tot vrijdag 31 maart 2017 12:00 uur bedraagt €
                                2.500.000,-.</al></li><li nr="2."><al>In het geval het deelplafond zal worden overschreden door een
                                aanvraag waarbij het gevraagde subsidiebedrag hoger is dan het
                                resterende bedrag van het deelplafond of indien het subsidiebedrag
                                wordt overschreden door meerdere aanvragen en de onderlinge
                                rangschikking tussen de bedragen is vastgesteld door middel van
                                loting waarbij een project dat gezien de loting maakt dat het
                                deelplafond zal worden overschreden en het gevraagde subsidiebedrag
                                van dat project is hoger dan het resterende bedrag van het
                                deelplafond, wordt het deelplafond verhoogd met het bedrag dat nodig
                                is om het project dat zorgt voor de overschrijding van het
                                deelplafond te subsidiëren.</al></li><li nr="3."><al>Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op
                                volgorde van rangschikking als bedoeld in artikel 5.2.8 van de REES
                                volgens de beoordelingscriteria als bedoeld in artikel 9.</al></li><li nr="4."><al>Dit deelplafond staat open voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgende gedeelte van het Operationeel Programma EFRO
                                        2014-2020 Noord-Nederland:</al></li></lijst></li></lijst><al>Specifieke doelstelling D “Een hoger aandeel van de innovaties in
                        Noord-Nederland is gericht op CO2-reductie binnen de in de RIS3
                        geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen”, zoals beschreven in sectie
                        1.1 en secties 2.A.5 en 2.A.6.1 onder prioritaire as 2 van het OP EFRO:</al><al>-voor zover de projectactiviteiten aansluiten bij de onder specifieke
                        doelstelling D beschreven acties:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="§"><al>Innovatietrajecten, gericht op ontwikkeling van nieuwe
                                        producten, concepten, technologieën en diensten, direct
                                        gerelateerd aan koolstofarme technologieën die bijdragen aan
                                        CO2-reductie;</al></li><li nr="§"><al>Testen van innovatieve toepassingen, die bijdragen aan
                                        CO2-reductie, in de praktijkomgeving, indien het testen een
                                        logisch onderdeel is van een innovatietraject, en</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>voor zover de projectactiviteiten bijdragen aan het verhogen
                                        van het omzetaandeel van nieuwe of vernieuwde producten of
                                        diensten gericht op CO2-reductie, en</al></li><li nr="-"><al>de projectresultaten minimaal ten goede komen aan één
                                        onderneming, en</al></li><li nr="-"><al>voor zover de projectresultaten ten goede komen aan
                                        Noord-Nederland,</al></li></lijst></li></lijst><al>en bovendien</al><al> b. voor zover is voldaan aan de volgende vereisten:</al><al>het project valt binnen de volgende categorieën steun zoals bedoeld en
                        gedefinieerd in de Algemene groepsvrijstellingsverordening:</al><lijst><li nr="-"><al>industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;</al></li><li nr="-"><al>innovatiesteun voor MKB-ondernemingen; of</al></li><li nr="-"><al>proces-innovatie, voor zover de innovatie (inter-)nationaal
                                onderscheidend en vernieuwend is, waarbij geldt dat indien een grote
                                onderneming deelneemt aan deze proces- innovatie deze grote
                                onderneming daadwerkelijk dient samen te werken met
                                MKB-ondernemingen en de samenwerkende MKB-ondernemingen ten minste
                                30 % van de totale in aanmerking komende kosten dragen;</al></li></lijst><al>of,</al><al>steun op basis van de-minimis kan worden verstrekt omdat de aanvrager of
                        aanvragers voldoen aan de de-minimisverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanvraag onder twee deelplafonds</titel></kop><al>Als voor dezelfde projectactiviteiten aanvragen worden ingediend voor deze
                        ‘OP EFRO Tender Valorisatie D 2017’ en voor de ‘OP EFRO Tender Valorisatie C
                        2017’ en beide aanvragen komen voor subsidie in aanmerking, wordt slechts op
                        basis van één plafond subsidie verstrekt, zijnde in eerste instantie op
                        basis van de ‘OP EFRO Tender Valorisatie D 2017’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte en doelgroep van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al><lijst><li nr="a."><al>Natuurlijke ondernemingsvormen;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspersonen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 35% van de totale
                            subsidiabele kosten, met uitzondering van projecten waarbij de totale
                            subsidiabele kosten hoger zijn dan € 2.857.143,- en dientengevolge de
                            subsidie hoger zou uitvallen dan het in lid 5 vermelde maximale bedrag.
                            In dat laatste geval geldt de maximale subsidie als genoemd in lid
                            5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van het subsidiepercentage per
                            aanvrager kan worden beperkt indien de regels van de Algemene
                            Groepsvrijstellingsverordening daartoe nopen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie bedraagt minimaal € 100.000,- per project.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,- per project.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Indienen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub d van de REES worden aanvragen
                            afgewezen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk
                            voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag op de uiterste
                            datum van indiening. De uiterste datum en tijdstip van indiening is
                            vrijdag 31 maart 2017 12:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager kan gebruik maken van de mogelijkheid om vooraf een
                            compleetheidstoets te laten uitvoeren door het SNN. Elke
                            subsidieaanvraag die uiterlijk op 17 maart 2017 om 12.00 uur is
                            ingediend wordt door het SNN voorzien van een beoordeling op
                            compleetheid. De aanvrager wordt binnen een termijn van zeven dagen na
                            indiening geïnformeerd over eventueel ontbrekende onderdelen. De
                            aanvrager heeft dan de mogelijkheid om de subsidieaanvraag te
                            completeren vóór de sluitingsdatum als genoemd onder lid 1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor
                            ontwikkeld webportal dat bereikbaar is via www.snn.eu. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een
                            door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de
                            in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor dienen door het
                            SNN verstrekte vaste formats te worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afwijzen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag
                            afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de
                            verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het
                            deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100
                            punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen
                            in artikel 9, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan
                            de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze
                            uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de
                            REES afgewezen indien de managementautoriteit door toewijzing niet zou
                            voldoen aan een van de verplichtingen gesteld in artikel 125 van
                            verordening 1303/2013. Dit houdt onder andere in dat een aanvraag in
                            ieder geval wordt afgewezen indien: </al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische
                            haalbaarheid van het project;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het project
                            financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is; </al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>niet aannemelijk is dat het project fysiek kan zijn voltooid of dat alle
                            concrete acties (projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden
                            gelegd binnen de periode die ligt tussen de datum van indiening van de
                            aanvraag en twee jaar na afgifte van de verleningsbeschikking. De
                            concrete acties zijn volledig ten uitvoer gelegd als alle activiteiten
                            die leiden tot outputs en resultaten volledig zijn uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvraag minder dan 1 punt scoort op het criterium duurzaamheid,
                            zoals beschreven in artikel 9, lid 1 sub e;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in
                            artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene
                            Groepsvrijstellingsverordening;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in
                            Verordening (EU) 651/2014 van 17 juni 2014.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling op lid 2 en artikel 5.2.5 lid sub c van de REES kan de
                            aanvraag worden afgewezen indien de aanvrager niet de relevante
                            outputindicatoren heeft geselecteerd of de aanvrager niet een
                            (overtuigende) onderbouwingen heeft aangeleverd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uit Verordening (EU) nr. 1303/2013 en bijbehorende documenten, het OP
                            EFRO en de REES volgt welke soorten kosten op welke wijze subsidiabel
                            zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien kosten vallen onder industrieel onderzoek of experimentele
                            ontwikkeling zijn de in lid 1 bedoelde kosten alleen subsidiabel indien
                            zij ook vallen onder artikel 25 van de Algemene
                            Groepsvrijstellingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien kosten vallen onder Innovatiesteun voor MKB-ondernemingen zijn de
                            in lid 1 bedoelde kosten alleen subsidiabel indien zij ook vallen onder
                            artikel 28 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien kosten vallen onder proces-innovatie zijn de in lid 1 bedoelde
                            kosten alleen subsidiabel indien zij ook vallen onder artikel 29 van de
                            Algemene Groepsvrijstellingsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Projectperiode en kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk 30 juni 2019 dient het project fysiek te zijn voltooid en/of
                            dienen alle concrete acties in het project volledig ten uitvoer te zijn
                            gelegd. Er is geen mogelijkheid om af te wijken van de in de vorige zin
                            bedoelde periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Projectkosten zijn subsidiabel voor zover de verplichtingen die leiden
                            tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum van ontvangst van de
                            subsidieaanvraag door het SNN en de werkzaamheden die tot de kosten
                            leiden zijn verricht vóór de einddatum van het project. Daarbij dienen
                            de projectkosten betaald te zijn binnen 13 weken na de einddatum van de
                            projectperiode. Dit met uitzondering van eventuele
                            accountantswerkzaamheden die verricht worden ten behoeve van het verzoek
                            tot definitieve vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en
                            noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project zijn
                            subsidiabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beoordelingscriteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden
                                beoordeeld op de volgende 5 beoordelingscriteria:</al></li><li nr="a."><al>De mate waarin het project bijdraagt aan de specifieke doelstelling
                                D van het Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: “Een
                                hoger aandeel van de innovaties in Noord-Nederland is gericht op
                                CO2-reductie binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke
                                uitdagingen”;</al></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kwaliteit van de onderbouwing van de bijdrage aan de specifieke
                                doelstelling.</al></li><li nr="-"><al>In hoeverre de fase(n) van de innovatieketen waarin de
                                projectactiviteiten zich bevinden zitten in de TRL-levels 5, 6 en 7.
                                Dit naar analogie van het Technology Readiness Level (TRL) model,
                                zoals beschreven in sectie 1.1 van het OP EFRO.</al></li><li nr="-"><al>Op welke wijze de projectactiviteiten aansluiten bij acties: </al></li></lijst><al>Innovatietrajecten, gericht op ontwikkeling van nieuwe producten, concepten,
                        technologieën en diensten, direct gerelateerd aan koolstofarme technologieën
                        die bijdragen aan CO2-reductie;</al><al>of</al><al>Testen van innovatieve toepassingen, die bijdragen aan CO2-reductie, in de
                        praktijkomgeving, indien het testen een logisch onderdeel is van een
                        innovatietraject.</al><lijst><li nr="-"><al>De mate waarin binnen het project wordt samengewerkt door
                                MKB-bedrijven: onderling of met grote ondernemingen of met
                                kennisinstellingen. De projectresultaten dienen minimaal ten goede
                                komen aan één onderneming. Dit naar analogie van de outputindicator
                                CO01 “aantal ondernemingen dat steun ontvangt”.</al></li><li nr="b."><al>De mate van innovativiteit </al></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>Hoe vernieuwend is het resultaat van het project (product, dienst of
                                proces)? Gaat het om iets nieuws of een nieuwe toepassing van iets
                                bestaands?</al></li><li nr="-"><al>Hoe verhoudt de innovatie zich tot (inter-)nationale
                                ontwikkelingen?</al></li><li nr="-"><al>Is er sprake van een cross-over tussen bedrijven uit diverse
                                sectoren?</al></li><li nr="c."><al>De kwaliteit van de business case</al></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>Wat is de (potentiële) economische waarde van de
                                projectresultaten?</al></li><li nr="-"><al>Welke marges verwacht u te kunnen hanteren op uw product? </al></li><li nr="-"><al>Welke markten en welk marktaandeel verwacht u te kunnen behalen met
                                de projectresultaten?</al></li><li nr="-"><al>Wat zijn de commerciële risico’s en externe factoren? En wat is de
                                aanpak om deze risico’s te hanteren?</al></li><li nr="-"><al>Welke stappen moeten worden doorlopen na afloop van het project tot
                                aan de marktintroductie?</al></li><li nr="-"><al>Hoe financiert iedere deelnemer zijn aandeel in de projectkosten,
                                zowel de bijdrage in cash als de bijdrage in uren in relatie tot de
                                reguliere bedrijfsvoering? En hoe financiert iedere deelnemer zijn
                                aandeel in de kosten tot en met de marktintroductie?</al></li><li nr="-"><al>Hoe wordt omgegaan met het intellectuele eigendom van de
                                projectresultaten? En welke afspraken zijn gemaakt over de verdeling
                                van de projectresultaten?</al></li><li nr="-"><al>Waarom bent u bereid om uw eigen bijdrage in dit project te stoppen?
                                Koppel uw bereidheid om deze stap te zetten aan de risico’s en
                                perspectieven van de projectresultaten.</al></li><li nr="d."><al>De kwaliteit van de aanvraag</al></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>De helderheid en eenduidigheid van de aanvraag.</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop het project organisatorisch en subsidie-technisch in
                                elkaar steekt.</al></li><li nr="e."><al>Duurzaamheid</al></li></lijst><al>Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke
                        kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve
                        effecten op het milieu kent.</al><al>Verder wordt gelet op de mate waarin het project een onderscheidende
                        bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid. Elementen die een project
                        onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid kunnen zijn:</al><al>Ten aanzien van het aspect ‘people’:</al><lijst><li nr="-"><al>De investering die wordt gedaan en de resultaten die worden beoogd
                                in de opleiding en ontwikkeling van mensen;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan arbeidsvitaliteit, gezondheid en sociale mobiliteit
                                van mensen; </al></li><li nr="-"><al>De werkgelegenheid die wordt gegenereerd, bijvoorbeeld voor hoger
                                opgeleiden, lager opgeleiden en mensen met beperkingen, of een
                                afstand tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke impact.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ‘planet’:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijdrage aan CO2-reductie en reductie van overige
                                broeikasgassen;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone
                                energie;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en
                                watergebruik</al></li><li nr="-"><al>De omgang met afval en restmaterialen;</al></li><li nr="-"><al>De impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en
                                leefomgeving.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ‘profit’:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van en het
                                streven naar een circulaire en inclusieve economie;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan de profilering van het bedrijf als een sociaal en
                                duurzaam /maatschappelijk verantwoorde onderneming;</al></li><li nr="-"><al>De manier waarop de onderneming zich maatschappelijk
                                verantwoordt.</al></li><li nr="2."><al>De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden in eerste instantie
                                kwalitatief beoordeeld waarbij verschillende gradaties mogelijk
                                zijn: “goed”, “ruim voldoende”, “voldoende”, “matig”, “neutraal” of
                                “onvoldoende”. Deze beoordeling wordt omgezet in een
                                puntenbeoordeling zoals genoemd onder lid 3.</al></li><li nr="3."><al>a. Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 30 punten </al></li></lijst><al>worden behaald met de volgende verdeling:</al><lijst><li nr="-"><al>goed = 30 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="b."><al>Voor de criteria b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 20 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="c."><al>Voor de criteria c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 30 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 30 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="d."><al>Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 10 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li><li nr="e."><al>Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel kunnen
                                maximaal 10 punten worden behaald met de volgende verdeling:</al></li><li nr="-"><al>goed = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>neutraal = 1 punt</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Penvoerderschap en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project waar
                            een of meer subsidieaanvragers samenwerken dienen door de penvoerder
                            gedaan te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in een project een of meer subsidieaanvragers samenwerken dient
                            de samenwerking te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
                            De overeenkomst dient door alle partijen te worden ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende
                            ondernemingen direct van de subsidie profiteren, dan is de
                            verantwoordelijkheid van de penvoerder de namen van de betreffende
                            ondernemingen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Rapportage en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage
                            in te dienen betreffende de financiële en inhoudelijke voortgang in de
                            realisatie van het project over de voorafgaande periode. Gerapporteerd
                            dient te worden volgens een daarvoor door het SNN verstrekt format.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorschot kan worden verstrekt indien voorafgaand aan of tegelijk
                            met het verzoek tot voorschot de voortgangsrapportage is ingediend, voor
                            zover voldaan is aan de voorwaarden en regelgeving en onder voorbehoud
                            van de beschikbaarheid van financiering door de Europese Commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de gemaakte en
                            betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage betrekking
                            heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen wordt dit bedrag
                            vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de
                            toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het project.
                        </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een
                            deugdelijke voortgangsrapportage kan de subsidie ingetrokken of verlaagd
                            worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Realisatie indicatoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager dient tijdens de uitvoering van het project de realisatie
                            van de outputindicatoren te registreren. Aan de realisatiewaarden dienen
                            bewijsstukken ten grondslag te liggen, overeenkomstig de voorschriften
                            in bijlage II bij deze uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de realisatiewaarden van de outputindicatoren dient door de
                            aanvrager gedurende de uitvoering van het project in
                            voortgangsrapportages, en na afloop van het project in het eindverslag
                            te worden gerapporteerd. Rapportage dient plaats te vinden in een door
                            het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager dient op aanvraag
                            bewijsstukken te overleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Realisatie van het project</titel></kop><al>Na afronding van de projectactiviteiten dient de subsidieaanvrager een
                        verklaring af te geven dat het project fysiek is afgerond of dat alle
                        projectactiviteiten volledig ten uitvoer zijn gelegd. De verklaring dient te
                        worden afgegeven in een door het SNN verstrekt format. De verklaring dient
                        bij het verzoek tot vaststelling te worden gevoegd of op verzoek van het SNN
                        eerder te worden overgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het
                            project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij
                            het SNN.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een
                            daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de
                            daarin genoemde documenten. Een rapport van bevindingen opgesteld door
                            een accountant kan mogelijk onderdeel uitmaken van deze documenten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie zal lager worden vastgesteld wanneer de gerealiseerde
                            subsidiabele kosten lager zijn dan begroot, waarbij het
                            subsidiepercentage wordt gehanteerd zoals aangegeven in artikel 4 lid
                            2.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking
                            opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet
                            beschikbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>Deze uitvoeringsregeling wordt gepubliceerd en treedt in werking de dag na
                        publicatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als OP EFRO Tender Valorisatie D
                        2017.</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II: Outputindicatoren OP EFRO Tender Valorisatie D 2017</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling</titel></kop><tussenkop>Een algemene toelichting op deze uitvoeringsregeling is te vinden in het
                    Spoorboekje Innovatie-instrumentarium Noord-Nederland. Dit document is te vinden
                    op de SNN website.</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een
                    Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet
                    van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in
                    Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op
                    15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze
                    uitvoeringsregeling is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van
                    het OP EFRO. </al><al>In de verordening 1303/2013, die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere)
                    het EFRO, zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op
                    nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die
                    naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van
                    toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES
                    is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN
                    voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en
                    voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft daar invulling aan in de
                    vorm van een subsidietender. Voor de bepaling of een project voor subsidie in
                    aanmerking komt zijn al deze bepalingen van belang.</al><al>Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief
                    Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier
                    zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze Tender
                    D zich richt op specifieke doelstelling D van het OP: ‘Een hoger aandeel van de
                    innovaties in Noord-Nederland is gericht op CO2-reductie (binnen de in de RIS3
                    geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen)’. In essentie betekent dit dat
                    het daadwerkelijk realiseren en valoriseren van innovaties binnen het MKB
                    centraal staat. Tender C is analoog aan Tender D, met als verschil dat het bij
                    Tender D gaat om innovaties gericht op CO2-reductie. </al><al>De RIS3 is de ‘Research &amp; Innovation Strategy for Smart Specialization’, een
                    overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020
                    heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda
                    (NIA).</al><al> Kenmerkend voor RIS3 en NIA is het uitgangspunt te werken aan grote
                    maatschappelijke vraagstukken, de maatschappelijke uitdagingen. Voor deze Tender
                    worden MKB-bedrijven uitgedaagd om te komen met innovaties voor de vier
                    maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3: uitdagingen die spelen binnen de
                    domeinen Gezondheid, demografie en welzijn; Voedselzekerheid, duurzame landbouw
                    en bio-economie; Zekere, schone en efficiënte energie; en Schone, veilige
                    watervoorziening. Deze domeinen moeten niet opgevat worden als een sectorale
                    afbakening. Bedrijven uit elke sector worden uitgenodigd te innoveren binnen
                    deze vier domeinen. </al><al>Gezocht wordt naar innovaties die (inter-)nationaal onderscheidend en
                    vernieuwend zijn. Voor het betrokken bedrijf (of bedrijven) is de innovatie van
                    strategisch belang en zorgt het project ervoor dat innovatie een structureler
                    onderdeel wordt van de organisatie, wat tot uiting komt in de business case. Het
                    gaat dus niet om het aanbrengen van een kleine verbetering in het bedrijfsproces
                    of een beperkte aanpassing van een bestaand product. Het realiseren van
                    innovaties wordt in het OP EFRO uitgewerkt aan de hand van twee concepten: de
                    Innovatiepiramide en het Technology Readiness Level, of TRL-model.</al><al>De innovatiepiramide, zoals opgenomen in het OP, deelt bedrijven in in vijf
                    categorieën: koplopers, ontwikkelaars, toepassers, volgers en niet-innovatieven.
                    Op grond van onderzoek waaruit blijkt dat Noord-Nederland relatief veel volgers
                    en relatief weinig toepassers en ontwikkelaars kent, is het OP erop gericht om
                    volgers toepassers te laten worden en toepassers ontwikkelaars te laten worden.
                    Dit krijgt in het OP EFRO vorm door de aandacht te richten op die criteria die
                    maken dat volgers volgers zijn en toepassers toepassers zijn. Dit betekent dat
                    met de Tender wordt beoogd om MKB-bedrijven die open staan voor innovaties en
                    ideeën hebben, maar nog niet innoveren, deze ideeën daadwerkelijk om laten te
                    zetten in innovaties. Het kan daarbij gaan om nieuwe producten of diensten, maar
                    ook om procesinnovaties. Daarnaast wordt beoogd bedrijven die al wel innoveren,
                    maar dit vooral doen door innovaties te adopteren, zelf op eigen kracht te laten
                    innoveren.</al><al>In het TRL-model worden negen verschillende fases onderscheiden in het
                    innovatieproces, beginnend met fundamenteel onderzoek (TRL1), tot en met
                    marktintroductie van een nieuw product of nieuwe dienst (TRL9). Met de Tender
                    wordt ingezet op die stadia die zich voorafgaand aan de marktintroductie
                    bevinden: TRL 5 tot en met TRL 7:</al><al>• TRL5: Validatie van een prototype</al><al>• TRL6: Demonstratie van een prototype in een testomgeving</al><al>• TRL7: Demonstratie van een prototype in een operationele omgeving</al><al>Het is niet uitgesloten dat activiteiten uit andere TRL-niveaus ook onderdeel
                    uitmaken van een project. Het zwaartepunt van een project moet echter liggen op
                    TRL 5 tot en met 7. Bij een aanvraag dient expliciet onderbouwd te worden dat
                    het betreffende project betrekking heeft op deze TRL-niveaus.</al><al>Projecten die voor subsidiëring vanuit de Tender in aanmerking komen bevinden
                    zich relatief dicht bij de markt. Het gaat niet om de oplossingen van de
                    toekomst, maar om de oplossingen van morgen. Uitgangspunt is dat activiteiten
                    waarvan mag worden verwacht dat die door ‘de markt’ worden opgepakt en
                    gefinancierd ook door ‘de markt’ worden opgepakt en gefinancierd. In praktijk
                    komt dit erop neer dat ondersteuning vanuit het OP kan reiken tot daar waar de
                    staatssteunnormen dit toelaten.</al><al>In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van
                    loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van
                    het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de
                    programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma
                    wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten
                    optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te
                    ondersteunen initiatieven.</al><al> In elk geval een deel van het OP EFRO wordt opengesteld via zogenoemde tenders,
                    waarbij het loket voor indienen van aanvragen een specifieke periode open staat
                    en een vast sluitingsmoment kent. De onderhavige ‘OP EFRO Tender Valorisatie D
                    2017’ en ook de gelijktijdig open te stellen ‘OP EFRO Tender Valorisatie C 2017’
                    geven de verdere invulling aan genoemde manier van uitvoering van het
                    programma.</al><al> Kenmerkend voor een tender is dat aanvragen in de openstellingsperiode kunnen
                    worden ingediend en na afloop van deze periode (tegelijkertijd) worden
                    beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Vervolgens ontvangen
                    de projecten die niet op (afwijzings-)criteria zijn afgewezen op volgorde van
                    puntenaantal subsidie, totdat de subsidie is verdeeld en het plafond is
                    bereikt.</al><al>Bij het uitvoeren van deze tender wordt gebruik gemaakt van een
                    deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het
                    gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en
                    koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten
                    van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert.</al><al>De deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN)
                    over de subsidietoekenningen. Het DB SNN neemt vervolgens een besluit. Het
                    dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid mandateren aan de Bestuurscommissie
                    Economische Zaken van het SNN (BC EZ).</al><al>Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een
                    deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit
                    drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan, daarna volgt op alle
                    aanvragen die compleet zijn op het moment van sluiting van het loket een toets
                    waarbij wordt beoordeeld of het project voldoet aan de eisen om los van de
                    beoordelingscriteria (de rankingscriteria) voor subsidie in aanmerking te komen,
                    dus of er geen sprake is van afwijzingsgronden. Denk hierbij aan de
                    staatssteunregelgeving, de maximaal gevraagde subsidie en de uitvoeringsperiode.
                    In deze fase wordt ook getoetst of het project past binnen het opengestelde deel
                    van het programma, dat wil zeggen voldoende bijdraagt aan specifieke
                    doelstelling D van het OP EFRO. Indien het project aan deze criteria voldoet,
                    dan wordt het in de derde fase voorgelegd aan de deskundigencommissie.</al><al>De deskundigencommissie beoordeelt het project inhoudelijk op kwaliteit en geeft
                    advies ten aanzien van de ranking.</al><al> De beoordeling wordt uitgedrukt in kwalitatieve scores die verschillende
                    gradaties kennen: uitstekend, goed, voldoende, neutraal en onvoldoende. Uit
                    toekenning van de kwalitatieve score volgt automatisch een kwantitatieve score,
                    die maximaal 100 punten kan zijn (zie art. 9 lid 3). Op basis van de
                    totaalscores worden projecten onderling gerankt en wordt de ranking met
                    toelichting als advies voorgelegd aan het DB SNN.</al><al>Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden
                    niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een
                    hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke
                    specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator.</al><al>Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt
                    gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de
                    projectactiviteiten. Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te
                    worden gemotiveerd. Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt.
                    Gedurende de uitvoering van het project dienen realisatiewaarden van indicatoren
                    met bewijsstukken te worden gestaafd.</al><al>Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting. </al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling
                    aan wordt gerefereerd. De herkomst van de definities is weergegeven waar dat van
                    toepassing is. </al><al>Onder f worden de maatschappelijke uitdagingen bedoeld zoals beschreven in de
                    RIS3. Deze vier maatschappelijke uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP
                    EFRO Noord-Nederland en daarmee deze uitvoeringsregeling worden uitgevoerd. Alle
                    projecten dienen een bijdrage te leveren aan het komen tot innovatieve
                    oplossingen voor één van de vier maatschappelijke uitdagingen die in de RIS3
                    zijn beschreven. Deze maatschappelijke uitdagingen bevinden zich op het gebied
                    van Gezondheid, demografie en welzijn, Voedselzekerheid, duurzame landbouw en
                    bio-economie, zekere, schone en efficiënte energie en schone, veilige
                    watervoorziening. </al><al>Verder is van belang op te merken dat een deel van de definities, gericht op
                    onderzoek en ontwikkeling, haar herkomst kent in de staatssteunregelgeving.
                    Aangezien deze regelgeving een belangrijk kader vormt voor subsidieverlening aan
                    projecten in het kader van deze tender, zijn deze voorwaarden expliciet in de
                    uitvoeringsregeling opgenomen (lid 1 onder k t/m n). </al><tussenkop>Artikel 2 Deelplafond</tussenkop><al>Dit artikel gaat in op de afbakening die specifiek voor deze tender geldt. Het
                    geeft aan welk onderdeel van het OP EFRO binnen dit deelplafond is opengesteld. </al><al>Lid 1 legt de openstelling van het loket vast, alsmede ook het beschikbare
                    budget. Van belang is dat de aanvraag compleet moet zijn op vrijdag 31 maart
                    2017 12:00 uur. Indien de aanvraag niet op dat moment is ingediend en/of
                    compleet is, wordt de aanvraag op grond van artikel 5.2.2. van de REES
                    afgewezen.</al><al>Met lid 2 wordt beoogd te voorkomen dat beschikbare bedragen ongebruikt blijven
                    binnen dit deelplafond. Een <onderstreept>voorbeeld</onderstreept>: Na ranking
                    van de projecten kan er subsidie verleend worden onder het nominale plafond aan
                    20 projecten. Stel dat er vervolgens nog € 400.000 over is. Het eerstvolgende
                    gerankte project vraagt echter € 600.000. Het deelplafond wordt in dat geval met
                    € 200.000 verhoogd om ook dat laatste project subsidie te kunnen toekennen.
                    Wanneer er geloot is, wordt de rangschikking die daar uit volgt
                    aangehouden.</al><al>Lid 4 geeft vervolgens de inhoudelijke en staatssteuntechnische afbakening van
                    de tender. Een project dient inhoudelijk te passen binnen de kaders zoals die in
                    dit artikel worden geschetst. Daarbij wordt verwezen naar specifieke passages
                    van het OP EFRO. Indien een project niet binnen deze kaders past wordt het
                    afgewezen (zie ook art. 5.2.5 lid 1 sub c van de REES).</al><al>Lid 4.a gaat over de inhoudelijke afbakening. Het OP EFRO voor Noord-Nederland
                    kent vier (inhoudelijke) specifieke doelstellingen: A t/m D. Deze Tender is
                    gericht op specifieke doelstelling D “Een hoger aandeel van de innovaties in
                    Noord-Nederland is gericht op CO2-reductie binnen de in de RIS3 geïdentificeerde
                    maatschappelijke uitdagingen”. Het project dient aan te sluiten bij de algehele
                    strategie van het OP EFRO, omschreven in sectie 1.1, te passen binnen, en bij te
                    dragen aan, specifieke doelstelling D, zoals beschreven in sectie 2.A.5 onder
                    prioritaire as 2 van het OP EFRO en aan te sluiten bij de voor specifieke
                    doelstelling D beschreven maatregelen in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 2
                    van het OP EFRO. Daarnaast wijzen wij u op het volgende ten aanzien van de
                    aandachtsstreepjes in art. 2 lid 4 onder a:</al><lijst><li nr="-"><al>Van de in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 2 van het OP EFRO voor
                            specifieke doelstelling D beschreven acties die binnen deze doelstelling
                            kunnen worden ondersteund, komen in deze Tender alleen de acties onder
                            het eerste en tweede aandachtsstreepje voor subsidiëring in aanmerking.
                            De onder het derde aandachtsstreepje in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire
                            as 2 van het OP EFRO voor specifieke doelstelling D beschreven acties
                            “Valorisatie van producten en diensten door de opzet of verbetering van
                            proeftuinfaciliteiten ten behoeve van innovatietrajecten van of met het
                            bedrijfsleven”, vallen dus buiten de reikwijdte van deze Tender.</al></li><li nr="-"><al>minimaal één onderneming, zijnde een ondernemer die voldoet aan de
                            criteria zoals geschetst in art. 1, via het project met EFRO-subsidie
                            wordt ondersteund.</al></li></lijst><al>Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en gericht iets uit het
                    project ontvangt dat een substantiële waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies,
                    begeleiding, matching etc.).</al><al>-projectresultaten van het project dienen ten goede te komen aan
                    Noord-Nederland. Wanneer de activiteiten in Noord-Nederland worden uitgevoerd,
                    en het project daar plaatsvindt, dan wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn
                    voldaan. Bij projecten waar niet alle, of geen activiteiten in Noord-Nederland
                    worden uitgevoerd is van belang waar de resultaten van het project terecht
                    komen: dit dient aantoonbaar in Noord-Nederland te zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld
                    de eigendomsrechten zijn, maar ook de productie van een bepaald product. Dit
                    dient door de aanvrager in de aanvraag te worden uitgelegd en onderbouwd. </al><al>Ten aanzien van deze cumulatieve voorwaarden geldt dat in de aanvraag expliciet
                    moet worden ingegaan op deze aspecten en aangetoond c.q. aannemelijk gemaakt
                    dient te worden dat aan deze criteria is voldaan. </al><al>Naast deze cumulatieve criteria dienen de projecten te vallen binnen artikel 25,
                    28 en/of 29 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) of onder de
                    de-minimisverordening. Daarbij is van belang om te vermelden dat een project
                    volledig onder één van de hieronder te noemen categorieën dient te vallen, of in
                    delen, waarbij ieder deel onder één van de categorieën dient te vallen. Anders
                    gezegd: subsidie kan enkel worden verleend aan (onderdelen van) het project dat
                    onder één van de hieronder te noemen categorieën valt. </al><al>Deze kaders betreffen industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling,
                    innovatiesteun MKB-ondernemingen, of procesinnovatie zoals opgenomen in deel 4
                    van de AGVV. </al><al>In de AGVV zijn industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling
                    gedefinieerd. Uit het begrip innovatie blijkt dat het echt om iets nieuws dient
                    te gaan (iets, een onderdeel, dat in de wereld nog niet bestaat). Voor de
                    invulling van de vraag of het project of een deel van het project valt onder
                    industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling dient aansluiting gezocht te
                    worden bij het Frascati Manual. Daarin wordt invulling gegeven aan het begrip
                    ‘innovatie’. De Europese Commissie heeft aangegeven dat de Frascati manual als
                    handleiding gebruikt dient te worden voor het beantwoorden van de vraag of iets
                    onder industrieel onderzoek dan wel experimentele ontwikkeling gesubsidieerd kan
                    worden. </al><al>In lid 4.b wordt verwezen naar proces-innovatie. Proces-innovatie past alleen
                    binnen de kaders van doelstelling D indien de innovatie (inter-) nationaal
                    onderscheidend en vernieuwend is. Voor het betrokken bedrijf (of bedrijven) is
                    de innovatie van strategisch belang en zorgt het project ervoor dat innovatie
                    een structureler onderdeel wordt van de organisatie, wat tot uiting komt in de
                    business case. Het gaat dus niet om het aanbrengen van kleine verbeteringen in
                    louter het eigen bedrijfsproces, maar om innovaties die toepasbaar zijn in
                    uiteenlopende bedrijven en organisaties.</al><al>Bovendien geldt dat voor proces-innovaties alleen subsidie kan worden gegeven
                    indien de innovatie valt onder artikel 29 van de AGVV. Voor de indeling of iets
                    valt onder procesinnovatie wordt verwezen naar het Oslo manual. Het Oslo manual
                    geeft een indeling naar soorten onderzoek, echter indien een activiteit in het
                    Oslo manual aangegeven staat als onderzoek, betekent dat nog niet dat daarvoor
                    steun gegeven kan worden op grond van de AGVV. De daarin genoemde begrippen van
                    onderzoek zijn breder dan de gehanteerde begrippen in het Frascati manual dat
                    als leidraad geldt voor de vraag of een activiteit industrieel onderzoek is dan
                    wel experimentele ontwikkeling. </al><al>Een andere mogelijkheid, indien (een deel van) het project niet onder deze
                    kaders van de AGVV valt, is om steun te verkrijgen op basis van de
                    de-minimisverordening. Hierbij dient dan wel aan de gestelde eisen in deze
                    verordening te worden voldaan, wat onder meer inhoudt dat niet meer dan €200.000
                    per drie kalenderjaren aan cumulatieve steun op basis van de
                    de-minimisverordening mag zijn ontvangen. </al><al>Indien een project niet aan de cumulatieve criteria voldoet of aan één van de
                    staatssteuncriteria zoals genoemd in art. 2 lid 4 dan zal de aanvraag voor
                    subsidie worden afgewezen. </al><tussenkop>Artikel 3 Aanvraag onder twee deelplafonds</tussenkop><al>Het is de bedoeling dat een aanvraag wordt ingediend bij de tender waarbij deze
                    het meeste aansluit. Indien een aanvraag toch voor twee tegelijk openstaande
                    tenders – in dit geval ‘OP EFRO Tender Valorisatie C 2017’ en ‘OP EFRO Tender
                    Valorisatie D 2017’ - ingediend wordt kan niet twee maal subsidie worden
                    ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 4 Hoogte en doelgroep van de subsidie</tussenkop><al>Lid 1 gaat in op de entiteiten die subsidie kunnen aanvragen. Subsidie is in elk
                    geval niet mogelijk voor natuurlijke personen.</al><al>Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt voor deze tender van 35%.
                    Op basis van de leden 4 en 5 volgt vervolgens dat de minimale en maximale
                    subsidie resp. €100.000 en €1.000.000 bedraagt. </al><al>De aanvulling in lid 2 geeft aan dat indien een project meer totale subsidiabele
                    kosten kent dan € 2.857.143,- (zijnde het bedrag dat leidt tot het maximum van
                    €1.000.000 subsidie), het te verlenen maximum bedrag aan subsidie gehandhaafd
                    blijft op 1.000.000, maar het project feitelijk een lager subsidiepercentage dan
                    35 krijgt. </al><al>Ook een belangrijk deel van dit artikel vormt lid 3, waarin wordt aangegeven dat
                    als op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening een lager
                    maximumpercentage aan subsidie geldt, bijvoorbeeld bij experimentele
                    ontwikkeling zonder samenwerking, dat geldende (lagere) percentage wordt
                    aangehouden bij de subsidieverlening. De bepaling van de (maximale) steun wordt
                    per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages
                    kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt
                    vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel
                    bepaald.</al><tussenkop>Artikel 5 Indienen van een subsidieaanvraag</tussenkop><al>Lid 1 van artikel 5 is een nadere afbakening van de tender, gebaseerd op artikel
                    5.2.5, eerste lid, onder d van de REES. Dat artikel in de REES bepaalt dat
                    aanvragen compleet moeten zijn op de datum van de sluiting van de tender. Een
                    complete aanvraag houdt in dat het aanvraagformulier compleet moet zijn en
                    rechtsgeldig moet zijn ondertekend en dat deze tevens is voorzien van de
                    vereiste bijlagen. </al><al>Artikel 5, eerste lid van deze uitvoeringsregeling bepaalt de uiterste datum en
                    moment van indiening op vrijdag 31 maart 2017 12:00 uur. Indien de aanvraag niet
                    compleet is op dat moment wordt deze aanvraag afgewezen. </al><al>Lid 2 gaat vervolgens in op de mogelijkheid om voorafgaand aan de sluiting van
                    het loket een compleetheidstoets te laten uitvoeren. Om hiervoor in aanmerking
                    te komen dienen aanvragen uiterlijk op het genoemde tijdstip op de genoemde
                    datum te zijn ingediend bij het SNN, zodat deze beoordeling tijdig voor de
                    sluiting van het loket kan plaatsvinden. Aanvragers die van deze mogelijkheid
                    gebruik maken, zullen uiterlijk een week voor sluiting van het loket informatie
                    ontvangen over de compleetheid, zodat zij minimaal een week de tijd hebben om de
                    ontbrekende documenten of informatie aan te leveren voordat het loket
                    daadwerkelijk sluit. </al><al>Verder gaan lid 3 en 4 van dit artikel in op de wijze van indienen. Indienen kan
                    digitaal via een link op www.snn.eu Hiervoor dient het format zoals aangeleverd
                    door SNN te worden gebruikt.</al><tussenkop>Artikel 6 Afwijzen van een subsidieaanvraag</tussenkop><al>Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als
                    expliciete aanvullende afwijzingsgronden opgenomen dat allereerst geldt dat er
                    een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor
                    subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder
                    dan 70 punten behalen worden afgewezen. (lid 1)</al><al>Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en
                    economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een
                    project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te
                    kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en
                    financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan.
                    De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het
                    project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van
                    vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te
                    worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich
                    bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager
                    aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek
                    voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten)
                    volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de
                    datum van indiening van de aanvraag en twee jaar na afgifte van de
                    verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven
                    uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen
                    leggen. </al><al>Ook moet een project minimaal voldoen aan het criterium duurzaamheid. Indien
                    hiervan sprake is ontvangt het project een score van minimaal ‘neutraal’ (1
                    punt).</al><al>Tot slot geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering
                    uitstaat, of die in financiële moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan
                    ontvangen. In het aanvraagformulier (in het efro-webportal) worden hierover
                    enkele vragen gesteld aan iedere (mede)aanvrager. Indien een van deze vragen
                    positief wordt beantwoord, dan wordt verondersteld dat de onderneming in
                    financiële moeilijkheden verkeerd en wordt de aanvraag afgewezen.</al><al>Op grond van lid 3 kan de aanvraag ook worden afgewezen indien relevante
                    outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een
                    (overtuigende) onderbouwing.</al><tussenkop>Artikel 7 Subsidiabele kosten</tussenkop><al>Dit artikel maakt een verwijzing naar de toegestane steuncategorieën in deze
                    tender zoals die ook in artikel 2 lid 4 sub b is benoemd, en de bijbehorende
                    artikelen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening die hierover
                    aanvullende eisen stellen.</al><al>Het is aldus van belang om op basis van de projectbeschrijving duidelijk aan te
                    geven onder welke steuncategorie(ën) het project valt en of ook aan de
                    bijbehorende bepalingen van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening is
                    voldaan. </al><tussenkop>Artikel 8 Projectperiode en kosten</tussenkop><al>In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen,
                    gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het
                    project reëel voltooid zal zijn, rekening houdende dat de einddatum uiterlijk 30
                    juni 2019 mag zijn. De einddatum is mede bepalend voor de periode waarin
                    subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het is aan de aanvrager om in de
                    aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor
                    het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden
                    afgerond. </al><al>In dit artikel is verder expliciet aangegeven dat niet afgeweken kan worden van
                    de uiterste datum. Dat betekent dat projectindieners vooraf rekening dienen te
                    houden met deze uiterste en harde deadline. </al><al>Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt
                    dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van het project bij SNN
                    en kosten moeten zijn gemaakt voor de einddatum van het project. Kosten moeten
                    zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling, met
                    uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn gemaakt voor het
                    afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling. </al><tussenkop>Artikel 9 Beoordelingscriteria</tussenkop><al>Er zijn vijf (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt.</al><lijst><li nr="a."><al>Bijdrage aan de doelstellingen van het OP</al></li><li nr="b."><al>Mate van innovativiteit</al></li><li nr="c."><al>Kwaliteit van de business case</al></li><li nr="d."><al>Kwaliteit van de aanvraag</al></li><li nr="e."><al>Duurzame ontwikkeling</al></li><li nr="a."><al>Bijdrage aan de doelstellingen van het OP</al></li></lijst><al>Er wordt beoordeeld in welke mate het project bijdraagt aan specifieke
                    doelstelling D van het OP EFRO. </al><al>In algemene zin geldt dat hoe lager (het zwaartepunt van) het project zich op de
                    TRL-schaal bevindt, des te minder hecht het verband tussen project en de
                    bijdrage aan de specifieke doelstelling wordt beoordeeld. Andersom geldt, hoe
                    duidelijker het project gericht is op valorisatie, des te hechter het verband
                    wordt verondersteld.</al><al>Tot slot dient het project minimaal een score van ‘1’ te behalen op de
                    outputindicator ‘aantal ondernemingen dat steun ontvangt’. De mate waarin binnen
                    het project door ondernemingen wordt samengewerkt is onderdeel van de
                    beoordeling. Dit mag tussen ondernemingen onderling of tussen ondernemingen en
                    onderzoeksinstellingen. Dit beoordelingselement is van belang in verband met een
                    mogelijke score op outputindicatoren. Scores op outputindicatoren zijn vanuit
                    programmaoogpunt van belang omdat deze van invloed zijn op de omvang van het
                    EFRO-budget voor het programma. Samenwerking met andere ondernemingen kan worden
                    uitgedrukt in een hogere score op outputindicator CO01 ‘Aantal ondernemingen dat
                    steun ontvangt’. Samenwerking met onderzoeksinstellingen kan een score betekenen
                    op outputindicator CO26 ‘Aantal ondernemingen dat samenwerkt met
                    onderzoeksinstellingen’. Een onderzoeksinstelling is een organisatie waarbij het
                    uitvoeren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten een primaire activiteit
                    vormt.</al><al>Er is sprake van samenwerking met onderzoeksinstellingen als minimaal één
                    onderneming en minimaal één onderzoeksinstelling voor de duur van de
                    projectperiode of langer, gezamenlijk optrekken. De steun die vanuit het OP EFRO
                    wordt ontvangen mag bij één of bij meerdere van de samenwerkende partijen
                    terechtkomen. Het mag gaan om de voortzetting van een bestaande samenwerking. De
                    steun dient in alle gevallen echter noodzakelijk te zijn om de samenwerking te
                    laten plaatsvinden of voortduren.</al><al>Er kan pas sprake zijn van een score op deze indicatoren als is voldaan aan de
                    voor deze indicatoren geldende criteria ten aanzien van definitie en
                    bewijsvoering. Zie bijlage II voor een nadere uitwerking van de
                    indicatoren.</al><lijst><li nr="b."><al>Mate van innovativiteit, en</al></li><li nr="c."><al>Kwaliteit van de business case</al></li></lijst><al>Deze beide criteria worden kwalitatief beoordeeld. In de opsomming onder b en c
                    zijn verschillende elementen benoemd die bij deze beoordeling een rol spelen.
                    Naarmate de verschillende elementen in de aanvraag overtuigender worden
                    onderbouwd, zal de beoordeling op de criteria innovativiteit van het project en
                    de business case positiever zijn en het puntenaantal hoger.</al><al>d.Kwaliteit aanvraag</al><al>Bij dit criterium gaat het om de kwaliteit van het projectplan: de helderheid en
                    eenduidigheid van de antwoorden in de aanvraag en de beschrijving in het
                    projectplan. Hierbij is van belang dat de inhoud van de aanvraag ‘to the point’
                    wordt toegelicht in de aanvraag en er voor wezenlijke onderdelen niet wordt
                    verwezen naar andere documenten. Verder gaat het bij dit criterium om de vraag
                    of het project organisatorisch en subsidie-technisch goed in elkaar steekt.</al><al>e.Duurzaamheid</al><al>De beoordeling op duurzaamheid binnen het OP EFRO Noord-Nederland gebeurt in
                    twee stappen. De eerste stap is bedoeld om te beoordelen of een project voldoet
                    aan basisvereisten die de Europese Commissie heeft geformuleerd op het gebied
                    van duurzaamheid. Het gaat om vereisten op het gebied van milieu,
                    non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Uit Europese en
                    nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden gesubsidieerd die
                    een negatief effect hebben op één van deze aspecten. Dat betekent dat een
                    project minimaal een neutraal effect dient te hebben op het milieu, dus geen
                    schadelijke effecten dient te genereren. Ook moet een project voldoen aan het
                    bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op geen enkele wijze
                    discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun projectplan aan te geven op
                    welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan deze voorwaarden. </al><al>Waar stap 1 gericht is op uitsluiting van niet-passende projecten, nodigen we in
                    stap 2 projecten uit om hun onderscheidende bijdrage aan duurzaamheid voor het
                    voetlicht te brengen en zo een hogere score op het criterium duurzaamheid te
                    realiseren. Hiervoor gebruiken we de aspecten van ‘people, planet en profit’.
                    Achterliggende gedachte hierbij is dat duurzaamheid meer is dan alleen milieu.
                    Duurzaamheid gaat ook over sociale en economische aspecten. Duurzame innovaties
                    zijn vooral ook sociale innovaties.</al><al>In jargon: bij de beoordeling op duurzaamheid gaat het om de bijdrage die
                    projecten leveren aan de totstandkoming van een circulaire en inclusieve
                    economie in Noord-Nederland. Aanvragers mogen zelf bepalen welke van de drie
                    aspecten zij willen uitwerken. Dat mogen alle drie de aspecten zijn, wanneer zij
                    van mening zijn dat ze op alle drie een onderscheidende bijdrage leveren. Maar
                    dat is niet verplicht, niet elk element is voor elk project even relevant. Ook
                    een onderscheidende bijdrage op één van de aspecten kan leiden tot een maximale
                    score op het duurzaamheidscriterium. </al><al>Om aanvragers te helpen bij het bepalen van hun bijdrage is in artikel 9 lid 1
                    onder e een overzicht opgenomen met elementen die een project onderscheidend
                    kunnen maken op het gebied van duurzaamheid. </al><tussenkop>Artikel 10 Penvoerderschap en administratie </tussenkop><al>Dit artikel gaat in op samenwerkingsaspecten en geeft aan dat de communicatie
                    met het SNN verloopt via de penvoerder die door de samenwerkende partijen is
                    aangewezen (lid 1). Ten aanzien van betalingen geldt dat deze ook via de
                    penvoerder verlopen (lid 2). Het is noodzakelijk dat in een project waarin
                    meerdere organisaties samenwerken, zoals aangegeven in lid 3, een
                    samenwerkingsovereenkomst wordt afgesloten. Deze dient bij voorkeur beschikbaar
                    te zijn bij het indienen van een aanvraag aangezien hierin onderlinge afspraken
                    tussen de projectpartners worden vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter
                    ook tot een nog nader vast te leggen termijn na beschikken van het project
                    geschieden. Aangezien projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen
                    van de aanvraag, heeft het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo
                    snel mogelijk te sluiten. </al><al>Tot slot gaat lid 4 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren.
                    Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat
                    vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te
                    dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de
                    organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek
                    aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de
                    voortgangsrapportages te worden gerapporteerd. </al><tussenkop>Artikel 11 Rapportage en bevoorschotting</tussenkop><al>Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage
                    over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format worden ingediend bij
                    SNN (lid 1). De data waarop gerapporteerd moet worden, die gelijk is voor alle
                    te beschikken projecten in de tender, wordt in de beschikking vastgelegd. </al><al>Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat
                    tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt
                    gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte,
                    betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het
                    bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek
                    kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van
                    mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of
                    deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op
                    basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren
                    voorschotbedrag bepaald (lid 3). De betreffende kosten worden hiertoe
                    vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende
                    subsidie gedeeld door de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het
                    feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet
                    noodzakelijkerwijs dat de betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden
                    bij de vaststelling van de subsidie. </al><al>Lid 4 geeft vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien de begunstigde niet
                    aan de rapportageverplichtingen voldoet, de subsidie in te trekken of te
                    verlagen. </al><tussenkop>Artikel 12 Realisatie van indicatoren</tussenkop><al>Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden
                    gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van
                    de bewijsvoering die per outputindicator gelden.</al><tussenkop>Artikel 13 Realisatie van het project</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat na realisatie van het project door de begunstigde een
                    verklaring moet worden opgesteld waarin de realisatie wordt vastgelegd. Deze
                    verklaring dient bij de eindafrekening te worden gevoegd, of eerder aan het SNN
                    te worden overgelegd wanneer daarom wordt verzocht. </al><tussenkop>Artikel 14 Vaststelling subsidie</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het
                    project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te
                    dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt.
                    Afhankelijk van de omstandigheden gedurende de projectperiode kan het SNN een
                    rapport van bevindingen, opgesteld door een accountant, opvragen bij de
                    eindafrekening van het project. Het te gebruiken format voor het rapport van
                    bevindingen wordt door het SNN beschikbaar gesteld. De penvoerder kan ruim voor
                    indiening van het verzoek tot vaststelling bij SNN navraag doen of een
                    dergelijke verklaring noodzakelijk is. Het SNN kan ook afzien van het opvragen
                    een rapport van bevindingen. De kosten een rapport van bevindingen zijn voor
                    rekening van het project. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="60*"/><colspec colname="col4" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al><vet>Bijlage II Outputindicatoren OP EFRO Tender Valorisatie
                                            D 2017</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Code</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Naam</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Definitie &amp; toelichting</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO01</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, in welke vorm dan ook en ongeacht of
                                        de steun staatssteun is of niet. </al><al>Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en
                                        gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële
                                        waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding,
                                        matching etc.). Ondersteunde ondernemingen mogen maar één
                                        keer in de score van de indicator worden meegenomen. Indien
                                        een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de
                                        score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de
                                        indicatoren CO02 en CO04.)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO02</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma.</al><al>Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe
                                        financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden
                                        terugbetaald.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO02 is een 'subset' van CO01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO04</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm
                                        heeft dan een directe financiële overdracht. </al><al>Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet
                                        ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij
                                        indicator CO01.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO04 is een 'subset' van CO01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO06</al></entry><entry colname="col2"><al>De private bijdrage in de totale kosten van
                                        subsidieprojecten</al></entry><entry colname="col3"><al>De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de
                                        totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten
                                        waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO06 is gekoppeld aan CO02 en kan cijfermatig overlap
                                        vertonen met CO27.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO26</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat samenwerkt met
                                        onderzoeksinstellingen</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat samenwerkt met
                                        onderzoeksinstellingen bij het uitvoeren van onderzoeks- en
                                        ontwikkelingsprojecten. Er is sprake van samenwerking als
                                        minimaal één onderneming en minimaal één
                                        onderzoeksinstelling voor de duur van de projectperiode of
                                        langer, gezamenlijk optrekken. De steun die vanuit het
                                        Operationeel Programma wordt ontvangen mag bij één of bij
                                        meerdere van de samenwerkende partijen terechtkomen. Het mag
                                        gaan om de voortzetting van een bestaande samenwerking. De
                                        steun dient in alle gevallen echter noodzakelijk te zijn om
                                        de samenwerking te laten plaatsvinden of voortduren. Voor
                                        zover beide partijen geen medebegunstigden zijn, en de
                                        samenwerking dus niet in de beschikking formeel is
                                        vastgelegd, zal een samenwerkingsovereenkomst moeten worden
                                        overlegd.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO27</al></entry><entry colname="col2"><al>De private bijdrage in de totale kosten van innovatie- of
                                        onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.</al></entry><entry colname="col3"><al>De omvang van de private bijdrage in de totale subsidiabele
                                        kosten van projecten op het terrein van innovatie of
                                        onderzoek en ontwikkeling. Bij de projecten kan het gaan om
                                        zowel subsidie- als niet subsidieprojecten.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO28</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren
                                        van producten die nieuw zijn voor de markt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het
                                        ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de markt. Om
                                        op deze indicator te scoren is het niet noodzakelijk dat de
                                        producten, waarvan de introductie vanuit het project is
                                        ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben bereikt. Ook als
                                        er aan een onderneming steun is verleend waarbij de
                                        marktintroductie niet is geslaagd, telt deze onderneming mee
                                        in de indicator. Wanneer een onderneming meerdere producten
                                        introduceert wordt het nog steeds geteld als één
                                        onderneming. In het geval van samenwerkingsprojecten meet de
                                        indicator alle deelnemende ondernemingen.</al><al>Een product is nieuw voor de markt als er geen ander product
                                        op de markt wordt aangeboden dat dezelfde functionaliteit
                                        biedt, of wanneer de technologie die voor het nieuwe product
                                        gebruikt wordt fundamenteel verschilt van de technologie van
                                        bestaande producten. Onder producten worden ook
                                        niet-tastbare producten verstaan (incl. diensten).</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO29</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren
                                        van producten die nieuw zijn voor de onderneming</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het
                                        ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de
                                        onderneming. Om op deze indicator te scoren is het niet
                                        noodzakelijk dat de producten, waarvan de introductie vanuit
                                        het project is ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben
                                        bereikt. Ook als er aan een onderneming steun is verleend
                                        waarbij de marktintroductie niet is geslaagd, telt deze
                                        onderneming mee in de indicator. Wanneer een onderneming
                                        meerdere producten introduceert wordt het nog steeds geteld
                                        als één onderneming. In het geval van samenwerkingsprojecten
                                        meet de indicator alle deelnemende ondernemingen waarvoor
                                        het product nieuw is.</al><al>Een product is ‘nieuw voor de onderneming’ wanneer de
                                        onderneming geen product produceert met dezelfde
                                        functionaliteiten, of wanneer de productietechnologie
                                        fundamenteel verschilt van de technologie van al bestaande
                                        geproduceerde producten. Producten kunnen tastbaar of niet
                                        tastbaar zijn (incl. diensten).</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS01</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven uit
                                        verschillende sectoren (cross-overs)</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal projecten waarbij ondernemingen uit twee of meer
                                        sectoren samenwerken aan (een) innovatie(s).</al><al>Per project bedraagt de score op deze indicator '0' of
                                        '1'.</al><al>Samenwerkingsverbanden tellen wanneer het project bestaat
                                        uit minimaal twee bedrijven uit verschillende sectoren op
                                        basis van SBI-codering.</al><al>Een cross-over is een innovatie die het resultaat is van een
                                        gezamenlijke inspanning van ondernemingen uit twee of meer
                                        sectoren. Het kan gaan om een innovatie die nieuw is voor
                                        elk van de sectoren. Het kan ook gaan om een bestaand
                                        product, dienst of een lopende innovatie in een sector, die
                                        een innovatie oplevert voor een andere sector. </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS03</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal deelnemende MKB bedrijven in innovatietrajecten</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal midden- en kleinbedrijven dat deelneemt in
                                        innovatietrajecten. </al><al>Het zijn van begunstigde telt als deelname, daarnaast ook
                                        wanneer de MKB-er een actieve rol heeft in het project en
                                        een functionele relatie heeft met de begunstigde.</al><al>Ondernemingen kunnen alleen tellen indien bewijsvoering in
                                        de administratie van de (mede)begunstigde controleerbaar is
                                        opgenomen.</al><al>Wanneer een MKB-bedrijf meerdere malen deelneemt in een
                                        innovatietraject, wordt deze één keer geteld.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS06</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal deelnemende MKB bedrijven in innovatietrajecten
                                        gericht op CO2-reductie</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal midden- en kleinbedrijven dat deelneemt in
                                        innovatietrajecten gericht op CO2-reductie.</al><al>Het dient te gaan om technologische vernieuwingen gericht op
                                        uitstootreductie van broeikasgassen.</al><al>Het zijn van begunstigde telt als deelname, daarnaast ook
                                        wanneer de MKB-er een actieve rol heeft in het project en
                                        een functionele relatie heeft met de begunstigde.</al><al>Ondernemingen kunnen alleen tellen indien bewijsvoering in
                                        de administratie van de (mede)begunstigde controleerbaar is
                                        opgenomen.</al><al>Wanneer een MKB-bedrijf meerdere malen deelneemt in een
                                        innovatietraject, wordt deze één keer geteld.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>