<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR429914_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Almere met toelichting</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 572, 14-12-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Almere</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 5.4, eerste lid en 5.5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149 en 156, derde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV-68/2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN
            HANDHAVING OMGEVINGRECHT
                GEMEENTE ALMERE</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente
                    </vet><vet>Almere</vet><vet>,</vet></al><al/><al/><al>overwegende dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten
                        die in hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een gezonde en veilige
                        fysieke leefomgeving met oog voor de maatschappelijke functies daarvan,
                        waar die zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening, het toezicht en
                        de handhaving van het omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave
                        gesteld zien om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en
                        handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen; </al><al/><al>overwegende dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te
                        stellen, in onderlinge afstemming op het niveau van de Omgevingsdienst
                        Flevoland &amp; Gooi en Vechtstreek, door de deelnemende gemeenten
                        Almere, Blaricum, Dronten, Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Laren,
                        Lelystad, Noordoostpolder, Urk, Weesp, Wijdemeren, Zeewolde en
                        provincies Flevoland en Noord-Holland;</al><al/><al>overwegende dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in ieder
                        geval de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria
                        vergunningverlening, toezicht en handhaving 2.1 zijn, die op basis van
                        technische en maatschappelijke ontwikkelingen indien daartoe aanleiding
                        is met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden
                        aangepast;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en
                        wethoudersvan 4 oktober 2016; </al><al/><al>gelet op de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht en de artikelen 149 en 156, derde
                        lid, van de Gemeentewet;</al><al/><al>gehoord gedeputeerde staten van de provincie Flevoland;</al><al/><al><vet>BESLUITEN</vet>:</al><al/><al>Vast te stellen de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht
                        en handhaving omgevingsrecht gemeente Almere met toelichting:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is
                                    bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al></li><li nr="-"><al>kwaliteitscriteria: de door burgemeester en wethouders
                                    vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke
                                    samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar
                                    gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht
                                    en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van
                                    organisaties die met de uitvoering en handhaving van de
                                    betrokken wetten zijn belast;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten, door of in opdracht van burgemeester en
                            wethouders:</al><lijst><li nr="a."><al>voor wat betreft de taken als bedoeld in artikel 5.3, vierde
                                    lid, van de wet en de andere taken op grond van de betrokken
                                    wetten, die in opdracht van burgemeester en wethouders door een
                                    omgevingsdienst worden uitgevoerd, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft de taken op grond van de betrokken wetten, die
                                    niet door een omgevingsdienst worden uitgevoerd voor zover door
                                    burgemeester en wethouders nader bepaald.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                            leefomgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en
                            handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen
                            krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht
                            gestelde doelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen kwaliteitscriteria vast bij
                                nadere regels, voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de in artikel 2 onderdeel a genoemde taken, en </al></li><li nr="b."><al>de in artikel 2 onderdeel b genoemde taken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten als bedoeld
                                in artikel 2 zijn de kwaliteitscriteria van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                opgave.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij
                                    is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht
                                    gemeente Almere.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Almere van 24 november 2016,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.D. Pruim F.M. Weerwind</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BIJ DE VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN
                        HANDHAVING OMGEVINGSRECHT GEMEENTE ALMERE</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al/><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college
                    van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting
                    beschrijft de achtergrond en aanleiding van deze verordening en schetst de
                    hoofdlijnen van de inhoud van de verordening. </al><al/><tussenkop>1. Achtergrond en aanleiding </tussenkop><al/><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de
                    uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering
                    staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet
                    reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders,
                    d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De
                    verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten: </al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken;</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht;</al></li><li nr="3."><al>en de bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                            bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al/><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                    gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze
                    afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe
                    is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet,
                    dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van
                    omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria VTH 2.1 voor de uitvoering van de
                    Wabo in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld, bestuurlijk
                    vastgesteld (in juni 2012) en beschikbaar gesteld en is er een landelijke
                    handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht<sup/>.<noot id="d512e266"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Daarnaast is er een informatiesysteem voor toezicht en handhaving, zijn
                            de Brzo-taken gebundeld in zes omgevingsdiensten, is het
                            interbestuurlijk toezicht vernieuwd, zijn de taken van de provincies
                            naar de gemeenten gedecentraliseerd en is een nieuw vereenvoudigd
                            VTH-stelsel ontstaan.</noot.al></noot></al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe
                    afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is geschreven vanuit
                    een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat
                    een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering
                    decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin
                    is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden
                    gerealiseerd en behouden. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de
                    uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken
                    partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor
                    inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste
                    schakel.Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden
                    bestaan in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid
                    en deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. De eisen die deze
                    verordening aan de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt
                    van de Kwaliteitscriteria VTH 2.1 die door de betrokken organisaties toegepast
                    dienen te worden volgens de regel “<cursief>comply or explain</cursief>” (zie
                    daarover verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5).</al><al/><al>In alle gevallen zullen de colleges van burgemeester en wethouders en van
                    gedeputeerde staten, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste
                    lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) beleid moeten voeren over uitvoering
                    en handhaving. Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de
                    organisaties van gemeentelijke, provinciale en omgevingsdiensten, waar het de
                    VTH-taken betreft, in het licht van de in het beleid geformuleerde doelen worden
                    beoordeeld. Tot slot regelt het dat de gemeenteraad en provinciale staten, elk
                    in het kader van horizontale verantwoording, inhoudelijk debat voeren over de
                    hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door hun colleges wordt
                    gevoerd.</al><al/><al>Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage
                    en informatiestromen op basis van het Bor en de organieke wetgeving en
                    introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen. Het vereist wel extra input
                    over kwaliteit voor bestaande rapportages. Wel is het van groot belang dat een
                    tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de
                    mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de
                    politiek-bestuurlijke gemeenteraden en provinciale statenom ieders rol in
                    de kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande
                    competentieverdeling gericht op horizontale verantwoording.</al><al/><tussenkop>2. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</tussenkop><al/><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                    omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken bij
                    omgevingsdiensten en bij gemeenten. Met de verordening bindt de gemeenteraad het
                    college van burgemeester en wethouders, en de in opdracht van het college
                    handelende omgevingsdienst, aan een uniforme ambitie voor kwaliteit. Vertrekpunt
                    zijn de kwaliteitscriteria VTH (die zijn verankerd in artikel 1 en artikel 5,
                    zie ook de artikelsgewijze toelichting) en andere standaarden en methoden die
                    door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en
                    worden toegepast met als doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving te waarborgen en te bevorderen. Of dat het geval is, moet jaarlijks
                    worden beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders. Hiervoor is
                    input nodig van de omgevingsdienst en van de interne gemeentelijke organisatie.
                    Burgemeester en wethouders zullen dus beoordelen "of het goed gaat" op basis van
                    de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen.</al><al/><al>Uiteindelijk legt het college hierover verantwoording af in de gemeenteraad
                    (horizontale verantwoording). De gemeenteraad vormt immers ook een eigen oordeel
                    "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De
                    politiek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad zullen betrekking hebben
                    op de meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische
                    kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de diensten
                    behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische
                    plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente
                    of de provincie, zoals een milieubeleidsplan, een structuurvisie of
                    omgevingsvisies. De gemeenteraad oefent invloed uit op de formulering van doelen
                    en indicatoren door de colleges van burgemeester en wethouders en op de
                    bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in
                    de verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders voor
                    de beoordeling van de gemeenteraad overgelaten aan het politieke debat over
                    kwaliteit. </al><al/><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                    competentie: </al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de
                            kwaliteitscriteria VTH met betrekking tot deskundigheid en
                            beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan de colleges van
                            burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten die hiervoor
                            verantwoording afleggen aan de gemeenteraden en provinciale staten.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegde bestuursorgaan, belast met het stellen van
                            beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit
                            omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over
                            uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, dienstverlening en
                            financiën. </al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op “hun” college en
                            gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun
                            toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                            continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                            onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al></li></lijst><al/><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><al/><al/><tussenkop><vet>Artikel 1</vet></tussenkop><al>Als <cursief>betrokken wetten</cursief> worden aangemerkt de Wabo zelf, en de
                    wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die
                    wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. De wetten waar
                    het - thans - om gaat zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de
                    Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet
                    bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet
                    inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke
                    ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al><al/><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is
                        <cursief>kwaliteitscriteria</cursief>. De kwaliteitscriteria waar het hier
                    om gaat zijn de door burgemeester en wethouders vastgestelde kwaliteitscriteria
                    gegrond op de bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking
                    door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de
                    kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de
                    beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze
                    liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze
                    kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies
                    beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Als er sprake
                    is van een nieuwe/aangepaste set dan zal het college in het kader van
                    besluitvorming over de vaststelling ervan als nadere regel zorgdragen voor
                    afstemming op het niveau van de omgevingsdienst.</al><al/><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                    afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en handhaving”
                    is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in het Bor zoals dat
                    op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving”
                    betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle
                    taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld in
                    artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1. Ten tweede
                    moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van
                    burgemeester en wethouders. </al><al>Op de taken die in opdracht van burgemeester en wethouders door een
                    omgevingsdienst worden uitgevoerd is de inhoud van deze verordening onverkort
                    van toepassing, conform artikel 5.4 van de Wabo. Op de taken die niet door een
                    omgevingsdienst worden uitgevoerd is de inhoud van deze verordening van
                    toepassing voor zover door burgemeester en wethouders bepaald. Daarmee wordt het
                    bevoegde bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld om een afweging te maken over
                    het kwaliteitsniveau van de betreffende taken. De verordening is dus van
                    toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken wetten door
                    burgemeester en wethouders zelf of in opdracht van burgemeester en wethouders
                    door een omgevingsdienst.</al><al> Uitvoering van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de
                    Wabo zelf door andere bevoegde gezagen, valt buiten het bereik van deze
                    verordening. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van
                    taken <cursief>door of </cursief><cursief>in</cursief><cursief> opdracht
                        van</cursief> het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door
                    gemeentelijke diensten en omgevingsdiensten. </al><al/><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad
                    en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het Bor, is de
                    jaarlijkse beoordeling van en rapportage over uitvoering en handhaving een taak
                    voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders. Bezien
                    vanuit de Gemeentewet is kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad. </al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze
                    verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het
                    Bor, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de gemeenteraad vooral
                    vanuit de hoofdlijnen betrokken is bij het beleid en zal toezien op de
                    continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. </al><al>De horizontale verantwoording van het college aan de gemeenteraad op het
                    uitvoerings- en handhavingsbeleid zal daarom plaatsvinden in het licht van het
                    strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke
                    leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en
                    structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang
                    voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht
                    werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                    meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze
                    rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke
                    wetgeving haar biedt en de kaders die zij op strategisch niveau voor de fysieke
                    leefomgeving in plannen en visies heeft vastgelegd. </al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het
                    college haar daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat
                    daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt
                    voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de
                    opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.</al><al/><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Bor verplicht het bevoegd gezag (lees:
                    burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren voor de uitvoering en
                    handhaving van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling (art. 5.3 Wabo) zag
                    voorheen op een doelmatige en programmatische handhaving, maar is op grond van
                    de wijziging van de Wabo en het Bor door het wetsvoorstel VTH, ook gaan gelden
                    voor uitvoering (vergunningverlening). Daarmee is sprake van een
                    uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats
                    dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst.
                    Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk open. Dit artikel
                    strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de procesverplichting om
                    kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de
                    kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                    geformuleerde regionale beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking
                    moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er
                    daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die
                    daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en
                    kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisatie. </al><al>Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de te
                    gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor het bevoegde
                    gezag, dat daarmee in de praktijk al ruime ervaring heeft.</al><al/><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria (zie ook de
                    toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is
                    opgenomen). Hiervoor wordt directief aan burgemeester en wethouders opgedragen
                    de kwaliteitscriteria vast te stellen in de juridische vorm van nadere regels.
                    Dit betekent dat het college allereerst de set kwaliteitscriteria VTH 2.1 wordt
                    geacht vast te stellen. Daarna zal het college als de landelijke set gewijzigd
                    wordt vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (overleg op landelijk
                    niveau tussen IPO, VNG en Rijk) die nieuwe of aangepaste set ook kunnen
                    vaststellen als nadere regels. Als er sprake is van een nieuwe/aangepaste set
                    dan zal het college in het kader van besluitvorming over de vaststelling ervan
                    als nadere regel zorgdragen voor afstemming op het niveau van de
                    omgevingsdienst.</al><al>Hierbij wordt aan het college overgelaten om voor de taken die niet door een
                    omgevingsdienst worden uitgevoerd (artikel 2, onderdeel b), kwaliteitscriteria
                    anders of in afwijking van de set kwaliteitscriteria VTH 2.1 vast te stellen,
                    omdat de lokale omstandigheden hierom vragen en waardoor deze beter passend zijn
                    voor de stad. Daarbij zijn dan de set kwaliteitscriteria VTH 2.1 het
                    uitgangspunt.</al><al/><al>Met dit artikel wordt beoogd te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de
                    uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt door in ieder
                    geval de omgevingsdienst. Voor de eigen taken is de overweging meegegeven of het
                    de kwaliteitscriteria worden. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en
                    met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van
                    belang is dat deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft
                    vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door het college zijn gesteld in
                    het uitvoerings- en handhavingsbeleid ook zonder meer in alle gevallen worden
                    gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn
                    van de goede verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van
                    de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan
                    de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht
                    die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond
                    van het Bor op te stellen documenten.</al><al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                    relevante taken worden toegepast, de kwaliteit per definitie te wensen zal
                    overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de
                    criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                    kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria VTH zijn derhalve een cruciaal
                    richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “<cursief>comply or
                        explain</cursief>”. </al><al/><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>