<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR429290_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag Dalfsen 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dalfsen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-176666.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dindividuele%26zkd%3dAlleenInDeTitel%26dpr%3dAlle%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10%26_page%3d2%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=10&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad 15-12-2016, nr. 176666</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag Dalfsen 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, artikel 8, eerste lid, onder b en c, tweede lid en derde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">Gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>18-10-2016 nummer 513</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag Dalfsen 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dalfsen</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 oktober 2016,
                        nummer 513; </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b en c, van de Wet; </al><al>besluit vast te stellen de <vet>Verordening individuele inkomenstoeslag en
                            individuele studietoeslag Dalfsen 2017</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>wet: Participatiewet</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm: bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan, zoals bedoeld in artikel 5 onder c van de wet;</al></li><li nr="-"><al>inkomen: totaal van het inkomen, als bedoeld in artikel 32 van
                                    de wet en de algemene bijstand; </al></li><li nr="-"><al>vermogen: in aanmerking te nemen vermogen, als bedoeld in
                                    artikel 34 van de wet;</al></li><li nr="-"><al>peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                                    aanvraagt;</al></li><li nr="-"><al>referteperiode: ononderbroken periode van 24 maanden direct
                                    voorafgaand aan de peildatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verzoek, als bedoeld in artikel 36, eerste lid en 36b, eerste
                                lid van de wet, wordt ingediend middels een door het college
                                vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het naar het oordeel van het college noodzakelijk is, dient
                                belanghebbende naast de op het aanvraag formulier aangegeven
                                bewijsstukken, nadere informatie te verstrekken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Doelgroep individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon van 21 jaar of ouder maar jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd, die een langdurig laag inkomen en geen
                                vermogen heeft, en van wie gedurende de referteperiode het in
                                aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de
                                toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Belanghebbende heeft geen zicht op inkomensverbetering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vermogen in de maand, de 12<sup>e</sup> maand en de
                                24<sup>e</sup> maand voorafgaand aan de peildatum mag niet meer zijn
                                dan de vermogensgrens genoemd in artikel 34 tweede lid onder d en
                                derde lid van de wet</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bestaat recht op een gedeeltelijke
                                individuele inkomenstoeslag wanneer het inkomen op de peildatum
                                hoger is dan 110% van de bijstandsnorm maar op jaarbasis niet meer
                                bedraagt dan de van toepassing zijnde individuele
                                inkomenstoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Uitsluitingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er bestaat geen recht op een inkomenstoeslag als belanghebbende of
                                diens partner op de peildatum of in de twaalf maanden voorafgaande
                                de peildatum een inkomen geniet of heeft genoten op grond van de Wet
                                op de Studiefinanciering of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage
                                en Schoolkosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het recht op een inkomenstoeslag voor 1 jaar
                                uitsluiten als belanghebbende of diens partner in de referteperiode
                                een verlaging op grond van de wet, de Afstemmingsverordening, IOAW
                                en IOAZ is opgelegd wegens het niet nakomen van de (niet)
                                geüniformeerde arbeidsverplichtingen of wegens een tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorzieningen in het bestaan.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan het recht op een inkomenstoeslag voor 1 jaar
                                uitsluiten als belanghebbende of diens partner in de referteperiode
                                buiten Nederland heeft verbleven en dit verblijf per kalenderjaar
                                langer was dan de periode genoemd in artikel 13, eerste lid e of
                                vierde lid onder a van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 378,-- voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>€ 486,-- voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>€ 540,-- voor gehuwden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking tot het eerste lid wordt de individuele inkomenstoeslag
                                voor de belanghebbende(n) als bedoeld in artikel 3, vierde lid,
                                verminderd met het verschil op jaarbasis tussen het inkomen op de
                                peildatum en 110% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                wet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                                individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie
                                op de peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd met het percentage waarmee
                                de alimentatie jaarlijks per 1 januari van rechtswege wordt verhoogd
                                en worden hierbij naar boven afgerond op € 1,-</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>individuele studietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doelgroep individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij
                            de arbeidsinschakeling kan een aanvraag indienen voor een individuele
                            studietoeslag. Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat de
                            belanghebbende op de datum van aan aanvraag aan de volgende voorwaarden
                            voldoet. Belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>is 18 jaar of ouder; </al></li><li nr="b."><al>heeft recht op studiefinanciering op grond van de Wet
                                    studiefinanciering 2000 of heeft recht op een tegemoetkoming op
                                    grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                    onderwijsbijdrage en schoolkosten; </al></li><li nr="c."><al>heeft geen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet, en
                                </al></li><li nr="d."><al>is een persoon van wie is vastgesteld dat hij wegens een
                                    arbeidshandicap met voltijdse arbeid niet in staat is tot het
                                    verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                                    tot arbeidsparticipatie heeft;</al></li><li nr="e."><al>kan de studie vanwege de arbeidsbelemmering (nog) niet
                                    combineren met arbeidsparticipatie;</al></li><li nr="f."><al>ontvangt geen inkomsten anders dan studiefinanciering op grond
                                    van de wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="g."><al>kan geen beroep doen op een voorliggende voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum, hoogte en duur van de individuele
                                studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraagdatum is de ingangsdatum van de studietoeslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de toeslag bedraagt 15% van het bruto wettelijk
                                minimum (jeugd) maandloon dat voor hen geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De studietoeslag wordt verstrekt, zolang de belanghebbende recht
                                heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                                2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4
                                van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
                                aanvrager, tot een maximum van 4 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Eens in de 12 maanden vindt onderzoek plaats of de belanghebbende
                                nog behoort tot de doelgroep voor een individuele
                                studietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Wijzigingen doorgeven</titel></kop><al>Indien belanghebbende een individuele studietoeslag ontvangt, dient
                            belanghebbende te voldoen aan de inlichtingenverplichting, zoals
                            neergelegd in artikel 17, eerste lid van de wet, en wijziging in de
                            leefsituatie, het inkomen, vermogen en studie tijdig door te geven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag
                            Dalfsen 2015 wordt per 1 januari 2017 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                    inkomenstoeslag en individuele studietoeslag Dalfsen 2017.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Dalfsen in zijn openbare
                        vergadering van 28 november 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier</ondertekening><ondertekening>drs. H.C.P. Noten drs. J. Leegwater</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag en
                        individuele studietoeslag Dalfsen 2017 </titel></kop><tussenkop>Toelichting individuele inkomenstoeslag</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstandsnorm,
                    bedoeld ter voorziening in</al><al>de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van het component
                    reservering, in</al><al>beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig
                    op een minimuminkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na
                    verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid
                    het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en
                    bijstand (WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. </al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. De gemeenteraad is op grond van artikel 8, eerste lid
                    onder b van de wet verplicht regels te stellen met betrekking tot het verlenen
                    van individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de wet. Het
                    verlenen van de inkomenstoeslag is een discretionaire bevoegdheid van het
                    college. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan
                    verlenen als een persoon voldoet aan gestelde voorwaarden. </al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is een inkomensondersteunende maatregel voor
                    mensen met een laag inkomen en, gelet op hun individuele omstandigheden, geen
                    zicht hebben op inkomensverbetering. De regels moeten in ieder geval betrekking
                    hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop
                    invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’ (artikel
                    8, tweede lid van de wet).</al><al>Op grond van deze verordening is sprake van een laag inkomen bij een inkomen dat
                    niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het college houdt
                    daarbij rekening met kleine overschrijdingen van de genoemde inkomensgrens. En
                    is sprake van langdurig als dit inkomen 24 maanden direct voorafgaande de
                    peildatum zo laag is gebleven. </al><al>Bij de beoordeling van het criterium 'geen zicht op inkomensverbetering' moet
                    het college rekening houden met de individuele omstandigheden van de persoon. In
                    artikel 36, tweede lid van de wet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder
                    geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><al>Aangegeven kan worden welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele
                    inkomenstoeslag en in welke gevallen gesproken niet kan worden van zich hebben
                    op inkomensverbetering. Hierbij wordt gedacht aan personen aan wie in de
                    referteperiode een verlaging is opgelegd wegens een schending van een
                    arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><tussenkop>Toelichting individuele studietoeslag</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een regeling voor
                    arbeidsgehandicapte studenten: de individuele studietoeslag. Het betreft een
                    nieuwe vorm van aanvullende inkomensondersteuning voor bepaalde groepen
                    studerenden. Hiermee krijgt het college de mogelijkheid personen, van wie is
                    vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen, een
                    individuele studietoeslag te verstrekken als ze studeren. </al><al>De gemeenteraad dient in een verordening regels vast te stellen over het
                    verlenen van een individuele studietoeslag (artikel 8 eerste lid onderdeel c van
                    de wet). Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de
                    frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag.</al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het college (dit volgt uit artikel 36b eerste lid van de wet) en is bedoeld
                    voor arbeidsgehandicapte studenten.</al><tussenkop>Verbeteren positie arbeidsmarkt arbeidsgehandicapten </tussenkop><al>De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat het vooral voor personen
                    met een arbeidshandicap van belang is de positie op de arbeidsmarkt te
                    verbeteren middels het behalen van een diploma. Werkgevers zijn volgens de
                    wetgever vaak huiverig om personen met een arbeidshandicap in dienst te nemen.
                    De wetgever verwacht dat de drempel om een contract aan te bieden lager is als
                    een werkgever ziet dat iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het
                    verstrekken van een studietoeslag krijgen personen met een arbeidshandicap een
                    extra steun in de rug. Voor personen met een arbeidshandicap is de drempel om te
                    lenen een stuk hoger, omdat de kans op een baan later kleiner is. Een
                    studietoeslag stimuleert personen om toch de stap te zetten om naar school te
                    gaan of een studie te gaan volgen. Het afronden van een studie versterkt de
                    positie op de arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat
                    iemand gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. </al><tussenkop>Financiële compensatie</tussenkop><al>Daarnaast biedt een studietoeslag een financiële compensatie voor het feit dat
                    het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.
                    Uit de Memorie van Antwoord<noot id="d4271e485"><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al>Eerste kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33161,E, pagina 29</noot.al></noot><sup/> blijkt dat vereiste voor de individuele studietoeslag is dat een
                    student niet in staat is met voltijdse arbeid het WML te verdienen. Dit leidt
                    ertoe dat studenten die per uur wel het WML kunnen verdienen hier niet voor in
                    aanmerking komen. </al><al>Bijna zeven op de 10 studerenden hebben een bijbaantje naast hun studie.
                    Gemiddeld verdienen studenten € 354 per maand, met de leeftijd nemen de
                    inkomsten uit de bijbaan toe (gemiddeld van € 241 per maand voor studerenden van
                    19 jaar of jonger, tot € 570 voor studenten van 24 jaar of ouder. (Bron: Nibud
                    studentenonderzoek 2011-2012.) Als studenten door een handicap/beperking geen
                    bijbaantje kunnen nemen, is het redelijk een financiële compensatie te
                    bieden.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>In de verordening kunnen regels worden gesteld aan wie een individuele
                    studietoeslag kan worden verstrekt. Artikel 36b, eerste lid geeft de voorwaarden
                    waaraan voldaan moet worden om voor een individuele studietoeslag in aanmerking
                    te komen.</al><al>De voorwaarde dat een belanghebbende recht moet hebben op studiefinanciering of
                    een WTOS-tegemoetkoming, moet niet zodanig worden geïnterpreteerd dat
                    belanghebbende ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet
                    ontvangen. Het is voldoende dat hij recht heeft op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming. Of recht hierop bestaat is afhankelijk van de gekozen opleiding,
                    de leeftijd en het inkomen van een belanghebbende.</al><tussenkop>TOT SLOT</tussenkop><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de wet zijn niet van toepassing bij verlening
                    van de individuele</al><al>Inkomenstoeslag (artikel 36, vijfde lid van de wet) en de individuele
                    studietoeslag (artikel 36b, tweede lid van de wet). </al><al>Artikel 12: de individuele toeslagen kunnen niet worden verhaald op de ouders,
                    indien de aanvrager jonger is dan 21 jaar.</al><al>Artikel 43: de individuele toeslagen worden op aanvraag verleend (artikel 36,
                    eerste lid en 36b, eerste lid van de wet) en kunnen niet ambtshalve worden
                    toegekend. </al><al>Artikel 49: individuele toeslagen kan niet als lening worden verstrekt als
                    belanghebbende met de toeslag schulden wil aflossen</al><al>Artikel 52: de individuele toeslagen kunnen niet worden verstrekt in de vorm van
                    een voorschot.</al><tussenkop>Herziening en terugvordering </tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag of individuele studietoeslag, die ten gevolge van
                    een herzienings- of intrekkingsbesluit ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
                    verleend kan worden teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid van de
                    wet of artikel 58, tweede lid, onderdeel a van de wet. Terugvordering kan echter
                    ook plaatsvinden in geval belanghebbende achteraf over middelen kan beschikken
                    over de periode waarop de individuele inkomenstoeslag of individuele
                    studietoeslag betrekking heeft of ingeval de individuele inkomenstoeslag of
                    individuele studietoeslag abusievelijk was verleend.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag en
                    individuele studietoeslag Dalfsen 2017 </tussenkop><al>Enkel die bepalingen die een nadere toelichting behoeven, worden hier
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de wet, Algemene wet bestuursrecht (Awb) of
                    de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze
                    zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de wet. In
                    afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op
                    individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere
                    bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien
                    individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet
                    nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag
                    buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. </al><tussenkop>Vermogen</tussenkop><al>Met vermogen wordt bedoeld het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet.
                    De vermogenstoets van artikel 36, eerste lid van de wet ziet op de gehele
                    referteperiode. Dit is echter niet altijd goed uitvoerbaar. Met name bij
                    personen die geen algemene bijstand ontvangen zal het niet eenvoudig zijn om
                    vast te stellen of op geen enkel moment in de referteperiode vermogen boven de
                    vermogensgrens is geweest. Derhalve kan om praktische redenen in beginsel worden
                    volstaan met enkel een vermogenstoets over de maand, de 12<sup>e</sup> maand en
                    de 24<sup>e</sup> maand direct voorafgaande aan de peildatum. Indien vaststaat
                    dat belanghebbende op enig moment in de referteperiode heeft beschikt over
                    vermogen boven de vermogensgrens, heeft belanghebbende geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1</al><al>van deze verordening). Het gaat daarbij om de datum waarop een persoon langdurig
                    een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft en, gelet op
                    de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft.
                    De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid van de Wet en de
                    jurisprudentie rondom artikel 44 van de wet.</al><al>Vóór 1 juli 2013 was het wél mogelijk de toen nog geldende langdurigheidstoeslag
                    met terugwerkende kracht te verlenen. Deze mogelijkheid is per 1 juli 2013
                    afgeschaft, zonder enige regeling van overgangsrecht. Belanghebbenden die gewend
                    waren met terugwerkende kracht aan te vragen, kunnen hierdoor in de problemen
                    komen. Mogelijk kan het ontbreken van enig overgangsrecht worden beschouwd als
                    een bijzondere omstandigheid die het (tijdelijk) verlenen van individuele
                    inkomenstoeslag met terugwerkende kracht rechtvaardigt. Jurisprudentie hierover
                    ontbreekt echter.</al><al>Voorts kan de peildatum niet liggen binnen 12 maanden nadat een individuele
                    inkomenstoeslag op een bepaalde peildatum is toegekend (artikel 36, derde lid
                    Wet).</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 24 maanden direct voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij
                    artikel 3 onder ‘Langdurig’.</al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen</al><al>de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele
                    inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als
                    alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel
                    van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele
                    inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk
                    als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, 10 van de
                    Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een
                    verzoek om een individuele inkomenstoeslag of een individuele studietoeslag
                    zoals bedoeld in artikel 36 respectievelijk 36b van de Wet.</al><al>Op grond van artikel 36 van de wet kan een verzoek worden ingediend om een
                    individuele inkomenstoeslag door personen van 21 jaar of ouder, doch jonger dan
                    de pensioen gerechtigde leeftijd.</al><al>Op grond van artikel 36b van de wet kan een verzoek worden ingediend om een
                    individuele studietoeslag door personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onderdeel a van de wet. </al><tussenkop>Artikel 3. Doelgroep individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’</al><al>wordt verstaan.</al><tussenkop>Langdurig</tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode direct voorafgaand aan
                    de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                    vastgesteld in artikel 1 van deze verordening op 24 maanden.</al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 110% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 110% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    wordt niet al te rigide beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage
                    inkomen moet worden genegeerd<noot id="d4271e588"><noot.nr> 2 </noot.nr><noot.al>CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en
                            CRvB 15-02-2011, nr. 08/5141WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532</noot.al></noot><sup/>.</al><al>Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de
                    toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan
                    is geen sprake meer van een</al><al>marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
                    individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een
                    incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen
                    bedragen van enkele eurocenten<sup/><noot id="d4271e601"><noot.nr> 3 </noot.nr><noot.al>CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB
                            31-07-2012, nr. 12/1825 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178</noot.al></noot>.</al><al>Gekozen is echter voor de volgende toepassing. Als het inkomen hoger is dan 110%
                    van de toepasselijke bijstandsnorm, dan wordt een individuele toeslag toch
                    toegekend als de overschrijding minder is dan de hoogte van de toeslag. De
                    overschrijding van de grens van 110% wordt op individuele inkomenstoeslag in
                    mindering gebracht. Het gaast om het inkomen over de 12 maanden direct
                    voorafgaande de peildatum.</al><tussenkop>Artikel 4. Uitsluitingsgronden</tussenkop><al>De uitsluitingsgronden betreffen situaties waarbij zicht op inkomensverbetering
                    is of situaties waarbij zich op inkomensverbetering door eigen toedoen is
                    verspeeld. Van de eerste situatie is sprake als belanghebbende recht heeft op
                    studiefinanciering. Van de tweede situatie is sprake als belanghebbende in de
                    referteperiode een verlaging is opgelegd op grond van de Afstemmingsverordening
                    Wet, IOAW en IOAZ voor het niet nakomen van arbeidsverplichtingen of voor het
                    tekortschietend besef voor de voorzieningen in het bestaan. In de derde situatie
                    wordt het zich op inkomensverbetering verspeeld geacht als belanghebbende langer
                    buiten Nederland is verbleven dan de periode genoemd in artikel 13 van de
                    wet.</al><al>Het college dient in de tweede en derde situatie te beoordelen of uitsluiting
                    van het recht op de individuele inkomenstoeslag passend is.</al><tussenkop>Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. Bij de hoogte van
                    de inkomenstoeslag is aansluiting gezocht bij de langdurigheidstoeslag.</al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag degehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Wet. Voldoet één van hen niet aan deze
                    voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag<noot id="d4271e623"><noot.nr> 4 </noot.nr><noot.al>CRvB 13-07-2010, nr 08/2345 WWB, ECLI:NL:CRvB:2010:BN2529</noot.al></noot>.<sup/></al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Wet, dan komt de rechthebbende partner wel in
                    aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner
                    die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Wet genoemde gronden
                    geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele
                    inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een
                    individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                    alleenstaande ouder zou gelden.</al><al>Dat is geregeld in het derde lid.</al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In het vijfde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk
                    te communiceren. Het indexeringspercentage wordt in december voor het jaar erop
                    bekend gemaakt. De genoemde bedragen in het eerste lid zijn de bedragen voor
                    2016.</al><tussenkop>Artikel 6. Doelgroep individuele studietoeslag</tussenkop><al>Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan</al><al>een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag. Artikel 36b lid 1 Wet
                    spreekt overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een
                    dergelijk verzoek – gelet op de</al><al>individuele omstandigheden van een belanghebbende - individuele inkomenstoeslag
                    verlenen.</al><al>Hiervoor is vereist dat belanghebbende op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="b."><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten ontvangt;</al></li><li nr="c."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van
                            de Wet;</al></li><li nr="d."><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij wegens een arbeidshandicap
                            met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het
                            wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                            heeft;</al></li><li nr="e."><al>de studie vanwege de arbeidsbelemmering (nog) niet kan combineren met
                            arbeidsparticipatie;</al></li><li nr="f."><al>geen inkomsten ontvangt anders dan studiefinanciering op grond van de
                            Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="g."><al>geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening.</al></li></lijst><al>De voorwaarden die tijdens de datum van aanvraag gelden, gelden ook voor de
                    voortzetting van het recht op de individuele studietoeslag. De bepaling onder d.
                    sluit aan bij de doelgroepbepaling van het instrument loonkostensubsidie en
                    zorgt ervoor dat gemeenten geen apart beoordelingsinstrument hoeven te
                    ontwikkelingen. Dit draagt in grote mate bij aan de uitvoerbaarheid van de
                    studietoeslag.</al><al>Bij de bepaling onder g, geen beroep doen op een voorliggende voorzieningen, kan
                    gedacht worden aan de studieregeling van het UWV.</al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum, hoogte en duur van de individuele
                    studietoeslag</tussenkop><al>Aan een persoon die voldoet aan de voorwaarden voor een individuele
                    studietoeslag wordt deze vanaf de datum van aanvraag toegekend tot een maximum
                    van 4 jaar. Studies duren maximaal 4 jaar en als een persoon verder studeert is
                    dat een keus, die niet meer ondersteund wordt met een studietoeslag. </al><al>De toeslag bedraagt 15% van het wettelijk minimumloon dat voor de leeftijd van
                    belanghebbende in het betreffende jaar van toepassing is. Dat staat ongeveer
                    gelijk aan één dag per week werken in een bijbaan. Hoe hoger de leeftijd, hoe
                    hoger het bedrag dat betrokkenen ontvangen.</al><al>In onderstaande tabel zijn de bruto bedragen opgenomen per maand (1 januari
                    2016):</al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="14*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="14*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>19</al></entry><entry colname="col4"><al>20</al></entry><entry colname="col5"><al>21</al></entry><entry colname="col6"><al>22</al></entry><entry colname="col7"><al>23 en ouder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bruto WML in <cursief>euro’s</cursief> (2016)</al></entry><entry colname="col2"><al>693,70</al></entry><entry colname="col3"><al>800,40</al></entry><entry colname="col4"><al>937,65</al></entry><entry colname="col5"><al>1.105,35</al></entry><entry colname="col6"><al>1.295,90</al></entry><entry colname="col7"><al>1.59524,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15%</al></entry><entry colname="col2"><al>104,06</al></entry><entry colname="col3"><al>120,06</al></entry><entry colname="col4"><al>140,65</al></entry><entry colname="col5"><al>165,80</al></entry><entry colname="col6"><al>194,39</al></entry><entry colname="col7"><al>228,69</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    studietoeslag voor beiden kan gelden. Dit betekent dat als zij afzonderlijk aan
                    de voorwaarden voldoen, zij ook afzonderlijk in aanmerking komen voor de
                    toeslag.</al><al>Elk jaar dient te worden beoordeeld of een persoon nog behoord tot de doelgroep
                    voor een studietoeslag. Dit kan door te onderzoeken in Suwinet of belanghebbende
                    nog studiefinanciering ontvangt. </al><al>Het is onwenselijk dat de studietoeslag doorloopt, na het beëindigen van de
                    studie. Derhalve stopt de studietoeslag, zodra belanghebbende niet meer voldoet
                    aan de voorwaarden, bijvoorbeeld doordat de studie is beëindigd. </al><tussenkop>Artikel 8. Betaling individuele studietoeslag</tussenkop><al>De individuele studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. Daarbij wordt
                    aangesloten bij de betaling van algemene bijstand voor levensonderhoud.</al><tussenkop>Artikel 9. Wijzigingen doorgeven</tussenkop><al>Belanghebbende wordt in het toekenningsbesluit van een individuele studietoeslag
                    gewezen op de inlichtingenverplichting en ontvangt een wijzigingsformulier.</al><tussenkop>Artikel 10. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Behoeft geen bespreking.</al><tussenkop>Artikel 11. Intrekken oude verordening</tussenkop><al>Behoeft geen bespreking. </al><tussenkop>Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Behoeft geen bespreking.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>Hoofdstuk 1 algemene bepalingen </al><al>Artikel 1. Begrippen </al><al>Artikel 2 Indienen verzoek </al><al>HOOFDSTUK 2 INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG </al><al>Artikel 3. Doelgroep individuele inkomenstoeslag </al><al>Artikel 4. Uitsluitingsgronden </al><al>Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag </al><al>HOOFDSTUK 3 individuele studietoeslag </al><al>Artikel 6. Doelgroep individuele studietoeslag </al><al>Artikel 7. Ingangsdatum, hoogte en duur van de individuele
                                studietoeslag </al><al>Artikel 8. Betaling individuele studietoeslag </al><al>Artikel 9. Wijzigingen doorgeven </al><al>HOOFDSTUK 4 OVERIGE BEPALINGEN </al><al>Artikel 10. Hardheidsclausule </al><al>Artikel 11. Intrekken oude verordening </al><al>Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel </al><al/><al>Algemene toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag en
                            individuele studietoeslag Dalfsen 2017 </al></bijlage></regeling></body></cvdr>