<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR429264_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Heerhugowaard 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Publicatie via www.officielebekendmakingen.nl d.d. 27 december 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Heerhugowaard 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 212 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-07-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging van de verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2016108</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Heerhugowaard 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB2016108</al><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 november
                        2016</al><al/><al>artikel 212 van de Gemeentewet</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>de Financiële verordening 2017 vast te stellen. De ingangsdatum van de
                        verordening is1 januari 2017.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Programma-indeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een
                                    programma-indeling voor die raadsperiode vast.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op basis van
                                    de door het college aan de programma’s toegewezen taakvelden de
                                    onderverdeling van de programma’s in thema’s
                                        vast<cursief>.</cursief></al></li><li nr="3."><al>De raad stelt per programma de beleidsindicatoren vast voor het
                                    meten van en het afleggen van verantwoording over de
                                    gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid.Deze
                                    indicatoren zijn op eigen voorstel of op voorstel van het
                                    college. Het voorstel bevat ten minste de verplichte
                                    beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a,
                                    van het Besluit begroting en verantwoording provincies en
                                    gemeenten.</al></li></lijst><al>4.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke
                            onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de
                            begroting en jaarstukken kaders wil stellen en wil worden
                            geïnformeerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting begroting en jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de
                                programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het
                                overzicht van de overhead de baten en lasten per taakveld
                                weergegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting en de
                                daarin opgenomen meerjarenramingen wordt van de nieuwe investeringen
                                per jaar per investeringssoort het benodigde investeringsvolume
                                weergegeven, de afschrijvingstermijn en –vorm en de geraamde
                                kapitaallasten per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in
                                aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht
                                gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de
                                begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de
                                grondexploitatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt uiterlijk 15 mei aan de raad een nota aan met een
                                voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting
                                voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad
                                stelt deze nota uiterlijk 15 juli vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de begroting wordt een post onvoorzien van € 1,40 per inwoner
                                opgenomen. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast voor
                                prijsontwikkelingen overeenkomstig de in lid 1 van dit artikel
                                bedoelde financiële kaders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Autorisatie begroting en investeringskredieten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de
                                    baten en de lasten per programma.</al></li><li nr="2."><al>Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe
                                    investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor
                                    autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De
                                    overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling
                                    met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. Dit
                                    is van overeenkomstige toepassing op investeringsbudgetten,
                                    waarvan de raad bij de vaststelling van de begroting het totale
                                    volume van het investeringsbudget en de daaraan verbonden
                                    kapitaallasten (jaarlijkse afschrijving en rente)
                                    autoriseert.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voorziet dat een geautoriseerd budget of
                                    investeringskrediet met meer dan € 100.000 dreigt te worden
                                    overschreden, dan wordt dit door het college via de
                                    eerstvolgende vergadering van de desbetreffende raadscommissie
                                    aan de raad gemeld.De raad geeft aan of hij een voorstel wil
                                    voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het taakveld,
                                    voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of
                                    voor het bijstellen van het beleid. </al></li><li nr="4."><al>Bij de behandeling van de tussenrapportage in de raad bedoeld in
                                    artikel 5 lid 1 doet het college voorstellen voor het wijzigen
                                    van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de
                                    geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het
                                    beleid.</al></li><li nr="5."><al>Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met
                                    het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het
                                    college voorafgaand aan het aangaan van de verplichting een
                                    voorstel tot het voteren van een krediet en de bijbehorende
                                    dekking aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 1
                                    miljoen informeert het college de raad in het voorstel over het
                                    effect van de investering op de schuldpositie van de
                                    gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van een tussentijdse
                                rapportage over de realisatie van de begroting van de gemeente over
                                de eerste acht maanden van het lopende boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussenrapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering en de
                                bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde
                                raming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar
                                        thema’s.</al></li><li nr="b."><al>het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen</al></li><li nr="c."><al>het overzicht van de overhead, de geraamde
                                        vennootschapsbelasting en het bedrag voor onvoorzien;</al></li><li nr="d."><al>het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit de
                                        onderdelen a,b en c;</al></li><li nr="e."><al>de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per
                                        programma; en</al></li><li nr="f."><al>het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de tussenrapportage worden afwijkingen op de oorspronkelijke
                                ramingen van de baten en de lasten van thema’s in de begroting
                                groter dan € 50.000 toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de tussenrapportage wordt van de investeringen en meerjarige
                                projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten
                                en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven en
                                afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen groter dan € 100.000
                                toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De tussenrapportage wordt aan de raad ter kennisneming aangeboden
                                uiterlijk op 15 oktober van het boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college legt de raad een begrotingswijziging voor naar
                                aanleiding van de tussenrapportage uiterlijk in de maand december
                                van het lopende boekjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>Het college besluit niet over de aan- en verkoop van goederen, werken en
                            diensten groter dan € 1 miljoen, voor zover niet vallend binnen door de
                            raad vastgestelde kaders, dan nadat de raad is geïnformeerd over het
                            voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                            bedenkingen ter kennis van het college te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>EMU-saldo</titel></kop><al>Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het
                            collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel
                            3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben
                            overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de
                            begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het
                            college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Waardering en afschrijving vaste activa</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het kader voor het beleid en beheer voor de omgang met de vaste
                                activa van de gemeente wordt vastgelegd in een separate
                                activanota.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze activanota wordt door de gemeenteraad vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een
                                    voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een
                                    individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande
                                    vorderingen.</al></li><li nr="2."><al>Voor openstaande vorderingen betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende zaakbelastingen;</al></li><li nr="b."><al>belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten;</al></li><li nr="c."><al>parkeerbelasting;</al></li><li nr="d."><al>rioolheffing;</al></li><li nr="e."><al>afvalstoffenheffing; en</al></li><li nr="f."><al>bijstandsvertrekking,</al></li></lijst><al>wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan €
                                    25.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte
                                    van het historische percentage van oninbaarheid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jaarlijks gelijktijdig met de in artikel 3, lid 1
                                genoemde nota de geactualiseerde beleidsnota reserves en
                                voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en
                                behandelt:</al><lijst><li nr="a."><al>de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b."><al>de vorming en besteding van voorzieningen; en</al></li><li nr="c."><al>de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor
                                een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het specifieke doel van de reserve;</al></li><li nr="b."><al>de voeding van de reserve; en</al></li><li nr="c."><al>de maximale hoogte van de reserve; en</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beoordeelt jaarlijks de omvang van de reserves in
                                relatie tot het doel waarvoor deze gevormd is en doet aan de raad
                                voorstellen voor heroverweging indien de er sprake is van
                                onderuitputting van een bestemmingsreserve. De bestemmingsreserve
                                valt voor het gedeelte van de onderuitputting vrij en wordt aan de
                                algemene reserve toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen
                                waarmee kosten in rekeningen worden gebracht, en van goederen,
                                werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan
                                overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van
                                kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast
                                de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van
                                vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van
                                de in gebruik zijnde activa betrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en
                                onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van
                                de betrokken activa, de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde
                                activa. Voor de heffingen en rechten waarmee kosten in rekening
                                worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over
                                de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het
                                kwijtscheldingsbeleid betrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels
                                worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen
                                het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende
                                verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die
                                activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten
                                die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting,
                                binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de
                                belastingaangifte aan de kostprijs van de
                                vennootschapsbelasting-plichtige activiteiten toegerekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van
                                rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en
                                van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan
                                overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als
                                bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van
                                een aandeel in de totale overheadkosten. Dit aandeel wordt bepaald
                                door de totale kosten van de overhead te delen door de gewogen
                                directe formatie. Het overheadbedrag per gewogen directe fte wordt
                                toegerekend naar rato van de inzet van deze formatie benodigd voor
                                de werkzaamheden die ten grondslag liggen aan de uitvoering van
                                rechten en heffingen en van goederen, werken en diensten die worden
                                geleverd aan overheidsbedrijven en derden toegerekend</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor
                                de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het
                                eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het
                                percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen
                                gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de
                                rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende
                                leningen en kredieten en het rentepercentage van de rentevergoeding
                                over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig
                                het zevende en achtste lid. De uitkomst van dit percentage van de
                                omslagrente wordt op een half procent afgerond.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en
                                voorzieningen in de omslagrente voor de kostprijsberekening als
                                bedoeld in het zesde lid, wordt jaarlijks met de begroting
                                vastgesteld. De hoogte van het rentepercentage voor de
                                rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt bepaald aan
                                de hand van de bij de begroting geraamde rentekosten als percentage
                                van de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en
                                kredieten. De uitkomst van dit rentepercentage voor de
                                rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt op een half
                                procent afgerond.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Als het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en
                                voorzieningen zoals berekend overeenkomstig het zevende lid een
                                percentage oplevert dat lager of gelijk is aan de rentecomponent
                                opgenomen in de kapitaallast van de activa dan is het
                                rentepercentage voor deze rentevergoeding gelijk aan het
                                rentepercentage dat voor de berekening van de kapitaallast van de
                                activa wordt gehanteerd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In afwijking van het zesde lid wordt bij een verstrekte lening voor
                                de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in
                                de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de
                                financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente
                                wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid worden bij
                                vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties
                                alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de
                                kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de
                                werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt
                                uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de
                                portefeuille leningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Prijzen economische activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de levering van goederen, diensten of werken aan
                                overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met
                                marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale
                                kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college
                                vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor
                                een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de
                                desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden worden tenminste de geraamde integrale
                                kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek
                                belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit,
                                waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan
                                overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding
                                van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte
                                middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college
                                vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang
                                van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld
                                in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale
                                kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>leveringen van goederen, diensten of werken en het
                                        verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere
                                        overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn
                                        bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die
                                        andere overheid;</al></li><li nr="b."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij
                                        wet opgedragen publiekrechtelijke taak;</al></li><li nr="c."><al>een bevoordeling van activiteiten in het kader van een
                                        toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor
                                        prijsvoorschriften gelden;</al></li><li nr="d."><al>een bevoordeling van sociale werkplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>een bevoordeling van onderwijsinstellingen;</al></li><li nr="f."><al>een bevoordeling van publieke media-instellingen; en</al></li><li nr="g."><al>een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de
                                        staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese
                                        Unie en daarmee verenigbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                                prijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van
                                de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de
                                afvalstoffenheffing, lijkbezorgingsrechten, marktgelden,
                                legestarieven, parkeergelden en eventueel als gevolg van wetgeving
                                nog in te voeren gemeentelijke heffingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad een nota aan met de kaders voor de prijzen
                                voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan
                                overheidsbedrijven en derden en voor de huren en erfpachten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren
                                en erfpachten anders dan de kaders uit de nota als bedoeld in lid 2
                                vooraf een besluit voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De besluiten voor het wijzigen van prijzen worden via ter inzage
                                legging voor de desbetreffende raadscommissies ter kennis van de
                                raad gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><al>In de op 18 februari 2014 – of nadien te wijzigen – vastgestelde
                            Treasurynota 2014 zijn de beleidsregels voor alle aspecten van de
                            financieringsfunctie opgenomen. De kaders die in ieder geval in de
                            Treasurynota worden opgenomen zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Uitzetten en aantrekken van middelen;</al></li><li nr="·"><al>Verbod op gebruik van financiële derivaten;</al></li><li nr="·"><al>Informatieplicht van het college bij overschrijding van de
                                    kasgeldlimiet en de renterisiconorm;</al></li><li nr="·"><al>Garantstellingen</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                            lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit
                            begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>de berekening van het rentepercentage voor de rentevergoeding
                                    over de reserves en de voorzieningen voor het bepalen van de
                                    kostprijzen, bedoeld in artikel 11, zevende en achtste lid;</al></li><li nr="b."><al>de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor
                                    het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 11, zesde
                                    lid; en</al></li><li nr="c."><al>de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde
                                    overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in
                                    rekening worden gebracht</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit
                            begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="b."><al>de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het
                                    verschuldigde rentepercentage;</al></li><li nr="c."><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                    komende vier jaar;</al></li><li nr="d."><al>de rentevisie voor de komende vier jaar; en</al></li><li nr="e."><al>de kasgeldlimiet, de renterisico norm, de financiële positie en
                                    financieringsstructuur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf
                                weerstandsvermogen naast de verplichte onderdelen op grond van het
                                Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder
                                geval op </al><lijst><li nr="a."><al>De netto schuld quote (schuldenlast van de gemeente ten
                                        opzichte van de eigen middelen);</al></li><li nr="b."><al>De solvabiliteitsratio (eigen vermogen als percentage van
                                        het balanstotaal);</al></li><li nr="c."><al>Het saldo van baten en lasten voor toevoegingen en
                                        onttrekkingen van reserves als percentage van de
                                        inkomsten;</al></li><li nr="d."><al>Kengetal grondexploitatie</al></li><li nr="e."><al>De onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting
                                        als percentage van de inkomsten;</al></li><li nr="f."><al>de risico’s van materieel belang en een inschatting van de
                                        kans dat deze risico’s zich voordoen. Indien deze risico’s
                                        zich voor doen tussen de data van vaststelling van de
                                        begroting en jaarstukken, dan wordt dit in de
                                        tussenrapportage opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota Weerstandsvermogen en risicomanagement bevat de
                                beleidsregels met betrekking tot het weerstandsvermogen en de
                                risicobeheersing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de 4 jaar een
                                onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer
                                voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en
                                de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen,
                                kunstwerken, straatmeubilair, verlichting en
                                verkeersregelinstallaties. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de 4 jaar een
                                rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde
                                onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van
                                de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele
                                uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt de raad tenminste eens in de 4 jaar een
                                onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te
                                plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke
                                gebouwen. De raad stelt het plan vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><al>In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt
                            het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit
                            begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: </al><lijst><li nr="a."><al>de ontwikkeling van de personeelsformatie versus de vaststelde
                                    personeelsprognose;</al></li><li nr="b."><al>de ontwikkeling van het ziekteverzuim versus de jaarlijkse
                                    normeringen van personeel;</al></li><li nr="c."><al>de personeelskosten die ten laste komen van grondexploitaties en
                                    van investeringskredieten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt
                                het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit
                                begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval
                                op datgene wat in de Nota Grondbeleid 2008 daarover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt zonodig een actualisering van de Nota Grondbeleid
                                2008 aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt jaarlijks voor een Meerjarenprognose
                                grondexploitaties (MPG). Dat document wordt tegelijkertijd met het
                                document uit artikel 3 lid 1 aangeboden aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Financiële organisatie en financieel beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als geheel en in de clusters;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van
                                de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten,
                                enz.;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende
                                budgetten en investeringskredieten en voor het maken van
                                kostencalculaties;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot
                                de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de
                                maatschappelijke effecten van het gemeentelijk beleid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante
                                wet- en regelgeving; en</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                begroting en relevante wet- en regelgeving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt zorgt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    clusters;</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de interne regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    van de financieringsfunctie;</al></li><li nr="e."><al>de te maken afspraken met de clusters over de te leveren
                                    prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en
                                    frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten
                                    en uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al>de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de
                                    lasten en baten aan de taakvelden;</al></li><li nr="g."><al>het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
                                    aanbesteding van goederen, werken en diensten;</al></li><li nr="h."><al>het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de
                                    toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;
                                    en</al></li><li nr="i."><al>het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik
                                    en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en
                                    eigendommen,</al></li></lijst><al>opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt
                            voldaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de
                                jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de
                                Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de
                                balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de
                                Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid
                                van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen
                                tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie
                                en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van
                                de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden,
                                de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten,
                                de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van
                                crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en
                                bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in
                                de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de
                                tekortkomingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>De Financiële verordening gemeente Heerhugowaard 2014 wordt ingetrokken,
                            met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en
                            het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar
                            voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening
                                    gemeente Heerhugowaard 2017.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Heerhugowaard, 20 december 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij Financiële verordening 2017 gemeente
                        Heerhugowaard</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>De financiële verordening is een belangrijk instrument van de raad om invloed
                    uit te oefenen op het financiële proces. Met de verordening regelt de raad op
                    hoofdlijnen de spelregels voor het financieel beleid, de financiële organisatie
                    en het financieel beheer. Met de financiële verordening creëert de raad
                    waarborgen voor de kwaliteit van de financiële functie van de gemeente. Ook
                    geeft de verordening een nadere invulling aan de (financiële) verantwoording van
                    het college aan de raad. </al><al>De huidige financiële verordening dateert van 2014. Wijzigingen in het besluit
                    begroting en verantwoording (BBV) geven aanleiding om de verordening te
                    actualiseren. </al><al/><tussenkop>Toelichting op de artikelen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1. Programma-indeling</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de
                    jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere
                    raadsperiode door de raad vastgesteld. Het <cursief>Besluit begroting en
                        verantwoording provincies en gemeenten</cursief> (hierna: BBV) bepaalt in
                    aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden
                    toegewezen.</al><al>Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de
                    programma’s worden toebedeeld.</al><al>Het derde lid bepaalt dat de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt.
                    Dit kan zowel op voorstel van het college als van de raad. Wat de verplichte
                    beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) <cursief>Regeling
                        vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en
                        programmaverantwoording</cursief>, welke zijn grondslag vindt in artikel 25,
                    tweede lid, onder a, van het BBV.</al><al>Dit artikel bepaalt niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en
                    jaarstukken moeten worden herzien. </al><al>Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt
                    de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt,
                    geïnformeerd. Het vierde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een nieuwe
                    raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst.</al><al/><tussenkop>Artikel 2. Inrichting begroting en jaarstukken</tussenkop><al>In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de
                    inrichting van de begroting. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten
                    onder de programma’s in de begroting per thema worden weergegeven. </al><al>In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de
                    begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te
                    bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van
                    de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van
                    investeringskredieten mogelijk te maken.</al><al>Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen
                    van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie
                    inzichtelijk worden gemaakt.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Kaders begroting</tussenkop><al>Het eerste lid van het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het
                    opstellen van de begroting een nota, de zogenaamde Voorjaarsnota, vaststelt,
                    waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende
                    jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het
                    opstellen van de begroting en de meerjarenraming. </al><al>Artikel 8 van het BBV zegt, dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen
                    in het programmaplan. In het tweede lid van artikel 3 wordt een nadere invulling
                    aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor
                    onvoorzien vast te leggen. </al><al/><tussenkop>Artikel 4. Autorisatie begroting en investeringskredieten </tussenkop><al>Artikel 4 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de
                    begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de
                    Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt de beslissing
                    welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt.
                    Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de
                    Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan
                    slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn
                    gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). Autorisatie door de
                    raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s
                    (eerste lid). </al><al>Naast lopende uitgaven doet de gemeente investeringen. Ook uitgaven voor
                    investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van
                    deze investeringskredieten is bepaald dat deze bij de begrotingsbehandeling
                    worden meegenomen (tweede lid). De raad kan bij de begrotingsbehandeling
                    aangegeven, welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te
                    autoriseren. De raad kan de autorisatie van politiek belangrijke investeringen
                    combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het
                    investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op
                    de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf
                    nog niet. Het college is in dat geval nog niet bevoegd verplichtingen voor de
                    investering aan te gaan.</al><al>Het college dient dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en
                    investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten
                    bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het
                    budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld.</al><al>Het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van
                    beleid is onderdeel van de behandeling van de tussenrapportage (vijfde
                    lid).</al><al>Het vijfde lid van het artikel regelt de autorisatie van de
                    investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting. Dus voor
                    investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien. Daarbij
                    draagt dit lid aan het college op bij grote investeringen aan te geven wat het
                    effect is op de schuldpositie van de gemeente.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Tussentijdse rapportage</tussenkop><al>Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van
                    budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het
                    beleid. </al><al>Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage. Het
                    derde lid bepaalt, welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college
                    in de tussenrapportages moet toelichten. In het vierde lid wordt voor de
                    tussenrapportage het inzicht in de uitputting van investeringskredieten
                    geregeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Informatieplicht</tussenkop><al>In artikel 6 van de financiële verordening is een nadere invulling van de
                    informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een
                    uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel
                    verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad
                    inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de
                    uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft
                    voor de gemeente. </al><al>In artikel 6 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan
                    van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan
                    van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedrag van € 1 mil;joen
                    overschrijdt. </al><al>De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht
                    in andere gevallen.</al><al>Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke
                    rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is
                    uiteengezet. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. EMU-saldo</tussenkop><al>Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een
                    aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt
                    dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten
                    overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of
                    tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Ook kan het
                    zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa
                    leidt. </al><al>Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk
                    aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt
                    te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is
                    gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel
                    EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting
                    neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan
                    te maken.</al><al>In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente
                    van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle
                    gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de
                    gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat
                    de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving
                    van activa bevat. Heerhugowaard heeft hiervoor een aparte activanota. De raad
                    stelt deze activanota vast.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Voorziening voor oninbare vorderingen</tussenkop><al>Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen.
                    Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze
                    voorziening. </al><al>De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de
                    jaarrekening de hoogte van de voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Het eerste lid bepaalt, dat het college jaarlijks een nota over de reserves en
                    voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de
                    raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. In het tweede
                    lid zijn de voorwaarden voor vorming van een bestemmingsreserve opgenomen. In de
                    verordening is een bepaling opgenomen dat bij bestemmingsreserves waar sprake is
                    van onderuitputting deze onderuitputting aan de algemene reserve wordt
                    toegevoegd (derde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 11.</tussenkop><tussenkop> Kostprijsberekening</tussenkop><al>Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening
                    in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het
                    gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                    milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij
                    overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten
                    en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de
                    opbouw van de kostprijs.</al><al>Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart
                    worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de
                    taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de
                    administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de
                    financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De
                    kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.</al><al>Het eerste lid van artikel 13 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen
                    extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe
                    kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd
                    vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die
                    voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen,
                    werken en diensten worden ingezet. </al><al>Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen
                    voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de
                    afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de
                    kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten
                    in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de
                    kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het
                    kwijtscheldingsbeleid meegenomen. </al><al>Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan
                    specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de
                    administratie worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over
                    de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. </al><al>Het vierde, vijfde en zesde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten
                    aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden
                    gebracht, en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die
                    worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden. </al><al>Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend
                    aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart
                    onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de
                    belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. </al><al>Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de
                    toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen
                    waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en
                    voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen,
                    werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden
                    geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze
                    plaatsvindt naar rato van de gewogen directe formatie benodigd voor de
                    werkzaamheden die ten grondslag liggen aan de uitvoering van rechten en
                    heffingen en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan
                    overheidsbedrijven en derden.</al><al>Het zesde lid van artikel 11 geeft de berekeningswijze van de omslagrente voor
                    het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen,
                    reserves en voorzieningen voor de financiering van activa. Het percentage van de
                    omslagrente wordt afgeleid van de bij de begroting geraamde rentekosten over het
                    vreemd vermogen als percentage van het aangetrokken vreemd vermogen voor de
                    financiering en het in het achtste en negende lid bepaalde rentepercentage voor
                    de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen.</al><al>Het zevende lid geeft de berekeningswijze van het rentepercentage voor de
                    rentevergoeding over de reserves en voorzieningen voor het berekenen van de
                    omslagrente van het zesde lid. Als de uitkomst van dit rentepercentage voor de
                    rentevergoeding voor reserves en voorzieningen onder het niveau van een
                    redelijke vergoeding voor de inzet van reserves en voorzieningen komt, dan geeft
                    het achtste lid een bodem voor deze rentecomponent in de omslagrente voor de
                    kostprijsberekening.</al><al>Het negende lid geeft voor de omslagrente voor de kostprijs van verstrekte
                    leningen een afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt gebaseerd op de rente
                    van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte lening. Die rente moet
                    worden verhoogd met een risico-opslag voor de kans dat de (een deel van) de
                    lening niet wordt terugbetaald (debiteurenrisico). Daarnaast moeten voor het
                    bepalen van die kostprijs ook de directe kosten zoals de afsluitkosten e.d.
                    worden meegenomen.</al><al>Het tiende lid van artikel 11 bepaalt tenslotte, dat in de kostprijs van
                    vennootschapsbelasting-plichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente
                    over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt
                    door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd. </al><al/><tussenkop>Artikel 12. Prijzen economische activiteiten</tussenkop><al>Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of
                    derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische
                    activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee
                    de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. </al><al>Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale
                    kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van
                    leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.</al><al>Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid
                    in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een
                    raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het
                    raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene
                    strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege
                    uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan
                    voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na
                    bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente
                    (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes
                    weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als
                    bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen
                    twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
                    van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de
                    belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.</al><al>Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor
                    de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van
                    leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze
                    uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en
                    prijzen </tussenkop><al>Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is
                    een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd
                    (artikel 156 van de Gemeentewet). Het eerste lid van artikel 13 bepaalt, dat de
                    raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing
                    jaarlijks vaststelt. </al><al>Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen,
                    diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 van de Gemeentewet, is een
                    privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college
                    (eerste lid, onder e, van artikel 160 van de Gemeentewet), maar hebben wel
                    invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de
                    raad. Het tweede lid bepaalt, dat het college aan de raad een nota aanbiedt met
                    daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor erfpacht.
                    De raad stelt deze nota vast. </al><al>Het derde lid bepaalt, dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het
                    vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de
                    kaders uit de nota, vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden.
                    Wijzigingen die vallen binnen de kaders worden via ter inzage legging voor de
                    desbetreffende raadscommissies ter kennis van de raad gebracht.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Financieringsfunctie </tussenkop><al>In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden en
                    daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal
                    aanvullende kaders. </al><al>Deze kaders zijn reeds onderdeel van het Treasurystatuut 2014.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Lokale heffingen</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 10, welke informatie de paragraaf lokale heffingen
                    in elk geval moet bevatten. In dit artikel is als aanvullende informatievraag
                    gedefinieerd:</al><lijst><li nr="·"><al>de berekening van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de
                            reserves en de voorzieningen voor het bepalen van de kostprijzen,
                            bedoeld in artikel 11, zevende en achtste lid;</al></li><li nr="·"><al>de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het
                            bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 11, zesde lid; en</al></li><li nr="·"><al>de toerekening van de rente en de toerekening van de overheadkosten aan
                            de verschillende rechten, leges en heffingen.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 16. Financiering</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 16 dat de paragraaf betreffende de financiering in
                    ieder geval de beleidsvoornemens bevat ten aanzien van het risicobeheer van de
                    financieringsportefeuille. Overeenkomstig de financiële verordening 2014 is
                    opgenomen dat de raad in de paragraaf financiering ook wordt geïnformeerd over
                    de opbouw van de korte en lange schuldpositie, de liquiditeitsplanning en de
                    rentevisie voor de komende jaren. </al><al/><tussenkop>Artikel 17. Weerstandsvermogen &amp; risicobeheersing</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 11, welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen
                    en risicobeheersing in elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende
                    informatievraag voor deze paragraaf gedefinieerd:</al><lijst><li nr="·"><al>De netto schuld quote (schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de
                            eigen middelen);</al></li><li nr="·"><al>De solvabiliteitsratio (eigen vermogen als percentage van het
                            balanstotaal);</al></li><li nr="·"><al>Het saldo van baten en lasten voor toevoegingen en onttrekkingen van
                            reserves als percentage van de inkomsten;</al></li><li nr="·"><al>Kengetal grondexploitatie;</al></li><li nr="·"><al>De onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting als percentage
                            van de inkomsten;</al></li><li nr="a."><al>de risico’s van materieel belang en een inschatting van de kans dat deze
                            risico’s zich voordoen. Indien deze risico’s zich voor doen tussen de
                            data van vaststelling van de jaarstukken en begroting, dan wordt dit in
                            de tussenrapportage opgenomen.</al></li></lijst><al>Met deze aanvulling op de wettelijk verplichte financiële kengetallen sluit de
                    set financiële kengetallen aan met de kentallen waarop de Provincie de gemeente
                    jaarlijks toetst.</al><al/><tussenkop>Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud
                    kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. Daarnaast wordt voorgeschreven dat
                    het college tenminste eens in een nader bepaald aantal jaar de raad
                    onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud openbare ruimte, het onderhoud
                    riolering en het onderhoud gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het
                    toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 14, welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in
                    elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende informatievraag van de
                    raad voor deze paragraaf gedefinieerd. </al><al/><tussenkop>Artikel 20. Grondbeleid</tussenkop><al>In het BBV staat in artikel 16, welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk
                    geval moet bevatten. Het tweede lid bepaalt, dat het college indien daartoe
                    aanleiding bestaat aan de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de
                    raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Administratie</tussenkop><al>Onder artikel 22 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
                    gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens
                    systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de
                    vastlegging er van moeten voldoen. </al><al/><tussenkop>Artikel 23. Financiële organisatie</tussenkop><al>Artikel 23 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het
                    college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van
                    de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze
                    bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie.
                    Artikel 23 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie
                    het college beleid en interne regels moet stellen. </al><al/><tussenkop>Artikel 24. Interne controle</tussenkop><al>De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft
                    van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die
                    eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel
                    24 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of
                    vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de
                    administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
                    die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen,
                    rechtmatig (zijn) verlopen.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt
                    gecontroleerd of de administratie van materiele bezittingen zoals gebouwen,
                    voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen
                    zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen,
                    debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk
                    bezit. </al><al>Tenminste eens in 4 jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van
                    registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>