<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR428723_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Publicatie via www.officielebekendmakingen.nl d.d. 27 december 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 229 lid 1 aanhef en onderdeel b Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2016101/AVV16-009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordeningen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2017</vet></al><al/><al>Nr. RB2016101</al><al/><al>De raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8
                        november 2016 gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al>‘Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen
                        2017’</al><al>(Verordening onroerende-zaakbelastingen 2017)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1 Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor van binnen de
                        gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al>a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                        krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt,
                        verder te noemen: gebruikersbelasting;</al><al>b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is
                        gegeven (verder: de gebruiker) aangemerkt als gebruik door degene die dat
                        deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is
                        bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op gebruiker.</al><al>b het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                        gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                        beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                        heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                        wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al><al>3 Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>1 Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al>2 Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op
                        grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                        die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                        aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2 Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                        hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit al is gebeurd bij
                        de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al><al>a voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                        daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                        glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al><al>b glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                        van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a
                        bedoelde grond;</al><al>c onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst
                        of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                        levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>d één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                        Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                        genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met
                        uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al><al>e natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                        zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                        volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
                        het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al><al>f openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                        en ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al>g waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                        organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met
                        uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al>h werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                        en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                        zodanige werken die dienen als woning;</al><al>i werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                        dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die
                        niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.</al><al>j onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                        publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                        onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                        onderwijs;</al><al>k straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                        niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek,
                        ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                        banken, abri's, hekken en palen;</al><al>l plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                        of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                        als woning;</al><al>m begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van
                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><al>2 De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde
                        onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                        gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht.</al><al>3 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1 Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><al>a de gebruikersbelasting 0,24700%</al><al>b bij de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,12124%</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,28330%</al></li></lijst><al>2 Voor de belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats.</al><al>3 Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één
                        aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of
                        andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten
                        de aanslagen binnen twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet worden
                        betaald.</al><al>2 In afwijking van het eerste lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op
                        één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet één aanslag
                        bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,-- of minder is dan € 5.000,--
                        en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                        betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, moeten de aanslagen worden
                        betaald in 9 gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag
                        van de tweede maand volgend op die welke in de dagtekening van het
                        aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand
                        later.</al><al>3 De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                        leden gestelde termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de
                        heffing en invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>1 De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2016’ van 15 december 2015
                        wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                        ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                        de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van
                        bekendmaking. </al><al>3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.</al><al>4 Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                        onroerende-zaakbelastingen 2017'.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 december 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>