<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR428630_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling melding vermoeden misstand en/of onregelmatigheid Almere 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Almere, nr. 566, 07-12-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling melding vermoeden misstand en/of onregelmatigheid Almere 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Ambtenarenwet, art. 125quinquies</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Huis voor de Klokkenluiders, art. 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">CAR-UWO, art. 15:2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-08-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Regeling melding vermoeden misstand en/of onregelmatigheid Almere
            2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al/><al>Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Almere;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 125quinquies van de Ambtenarenwet en
                        artikel 2 van de Wet Huis voor de Klokkenluiders; </al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 15:2 van de Collectieve
                        Arbeidsvoorwaardenregeling-Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO),
                        betreffende de vaststelling van een regeling voor het omgaan met
                        vermoedens van misstand en/of onregelmatigheden,</al><al/><al>gelet op het instemmingsbesluit van de Ondernemingsraad d.d. 4 juli
                        2016;</al><al/><al>BESLUIT</al><al/><al>vast te stellen de navolgende </al><al/><al><vet>Regeling Melding Vermoeden Misstand en/of onregelmatigheid Almere
                                2016</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ambtenaar: een ieder die werkzaam is of is geweest bij de
                                        gemeente Almere op grond van een aanstelling of een
                                        arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.</al></li><li nr="b."><al>adviseur: een persoon die uit hoofde van zijn functie een
                                        geheimhoudingsplicht heeft en die door een ambtenaar in
                                        vertrouwen wordt geraadpleegd over een vermoeden van een
                                        misstand;</al></li><li nr="c."><al>afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders: de
                                        afdeling advies van het Huis, bedoeld in artikel 3a, lid 2,
                                        Wet Huis voor Klokkenluiders.</al></li><li nr="d."><al>afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders: de
                                        afdeling onderzoek van het Huis, bedoeld in artikel 3a, lid
                                        3, Wet Huis voor Klokkenluiders.</al></li><li nr="e."><al>bevoegd gezag: het college van Burgemeester en
                                        Wethouders.</al></li><li nr="f."><al>externe derde: iedere organisatie of vertegenwoordiger van
                                        een organisatie die naar het redelijk oordeel van de melder
                                        in staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede
                                        misstand te kunnen oplossen of doen oplossen doen als
                                        bedoeld in artikel 20 lid 4.</al></li><li nr="g."><al>externe instantie: de instantie die naar het redelijk
                                        oordeel van de melder het meest in aanmerking komt om de
                                        externe melding van het vermoeden van een misstand te doen
                                        als bedoeld in artikel 20 lid 3.</al></li><li nr="h."><al>melder: de ambtenaar die een vermoeden van een misstand
                                        en/of onregelmatigheid meldt overeenkomstig hoofdstuk 2 van
                                        deze regeling. </al></li><li nr="i."><al>melding: de melding van een vermoeden van een misstand en/of
                                        onregelmatigheid.</al></li><li nr="j."><al>vermoeden van een misstand:het vermoeden van een
                                        ambtenaar dat binnen de organisatie waarin hij werkt of
                                        heeft gewerkt, of bij een andere organisatie indien hij door
                                        zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is
                                        gekomen, sprake is van een misstand voor zover:</al><lijst><li nr="1e."><al>het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die
                                                voortvloeien uit de kennis die de ambtenaar bij de
                                                gemeente Almere heeft opgedaan of voortvloeien uit
                                                de kennis die de ambtenaar heeft gekregen door zijn
                                                werkzaamheden bij een andere organisatie, en</al></li><li nr="2e."><al>het maatschappelijk belang in het geding is
                                                bij:</al><lijst><li nr="i."><al>de (dreigende) schending van een wettelijk
                                                  voorschrift, waaronder een (dreigend) strafbaar
                                                  feit,</al></li><li nr="ii."><al>een (dreigend) gevaar voor de
                                                  volksgezondheid,</al></li><li nr="iii."><al>een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van
                                                  personen,</al></li><li nr="iv."><al>een (dreigend) gevaar voor de aantasting van
                                                  het milieu,</al></li><li nr="v."><al>een (dreigend) gevaar voor het goed
                                                  functioneren van de organisatie als gevolg van een
                                                  onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten,</al></li><li nr="vi."><al>een (dreigende) schending van andere regels
                                                  dan een wettelijk voorschrift,</al></li><li nr="vii."><al>een (dreigende) verspilling van
                                                  overheidsgeld,</al></li><li nr="viii."><al>(een dreiging van) het bewust achterhouden,
                                                  vernietigen of manipuleren van informatie over de
                                                  onder i t/m vii hierboven genoemde feiten.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="k."><al>vermoeden van onregelmatigheid: het op redelijke gronden
                                        gebaseerde vermoeden van een onvolkomenheid of
                                        ongerechtigheid van algemene, operationele en/of financiële
                                        aard die plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van het
                                        bevoegd gezag. Het betreft onregelmatigheden die zodanig
                                        ernstig zijn dat die vallen buiten de reguliere
                                        werkprocessen en de verantwoordelijkheid van de
                                        (direct)leidinggevende overstijgen.</al></li><li nr="l."><al>Vertrouwenspersoon Integriteit : de functionaris als zodanig
                                        aangewezen door het bevoegd gezag.</al></li><li nr="m."><al>werkgever: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Almere.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt degene die anders dan op
                                basis van een ambtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar
                                burgerlijk recht werkzaam is bij de gemeente Almere gelijkgesteld
                                met een ambtenaar als bedoeld in lid 1 onder a.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Informatie, advies en ondersteuning voor de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar kan een adviseur in vertrouwen raadplegen over
                                        een vermoeden van een misstand. </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar kan de Vertrouwenspersoon Integriteit in
                                        vertrouwen verzoeken om informatie, advies en ondersteuning
                                        inzake het vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.
                                    </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar kan ook de afdeling advies van het Huis voor
                                        Klokkenluiders verzoeken om informatie, advies en
                                        ondersteuning inzake het vermoeden van een misstand.</al><al/></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Interne melding door ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar met een vermoeden van een misstand of
                                        onregelmatigheid binnen de organisatie kan daarvan melding
                                        doen bij zijn direct leidinggevende, diens leidinggevende of
                                        bij de Vertrouwenspersoon Integriteit.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar een redelijk vermoeden heeft dat de
                                        gemeentesecretaris bij de vermoede misstand of
                                        onregelmatigheid is betrokken, kan hij daarvan melding doen
                                        bij de burgemeester dan wel de Vertrouwenspersoon
                                        Integriteit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de melding wordt gedaan bij de Vertrouwenspersoon
                                        Integriteit, stuurt deze de melding, in overleg met de
                                        melder en met inachtneming van het bepaalde in artikel 12,
                                        door naar een leidinggevende bedoeld in het vorige lid,
                                        respectievelijk de burgemeester.</al><al/></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Interne melding door een werknemer van een andere organisatie</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Een werknemer van een andere organisatie die door zijn
                                        werkzaamheden met de gemeentelijke organisatie in aanraking
                                        is gekomen, en een vermoeden heeft van een misstand binnen
                                        de gemeentelijke organisatie, kan daarvan melding doen bij
                                        iedere leidinggevende die binnen de gemeentelijke
                                        organisatie hiërarchisch een gelijke of een hogere positie
                                        bekleedt dan hij, of bij de Vertrouwenspersoon Integriteit.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, lid 2 en 3, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Melding door een ex-ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr/><al>De ex-ambtenaar die een vermoeden van een misstand en/of
                                onregelmatigheid, waarvan hij kennis heeft gekregen in zijn
                                hoedanigheid van ambtenaar, wil melden doet dit binnen een periode
                                van twaalf maanden na zijn ontslag of beëindiging van zijn
                                werkzaamheden voor de gemeente Almere bij de Vertrouwenspersoon
                                Integriteit, die de melding doorstuurt naar de betrokken
                                leidinggevende. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bescherming van de melder tegen benadeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De melder zal niet worden benadeeld in verband met het te goeder
                                    trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand
                                    of onregelmatigheid bij de gemeente, een andere organisatie, een
                                    externe instantie of, onder de omstandigheden als bedoeld in
                                    artikel 20 lid 4, een externe derde.</al></li><li nr="2."><al>Onder benadeling als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval
                                    verstaan het nemen van een benadelende maatregel, zoals:</al><lijst><li nr="a."><al>het verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een
                                            tijdelijk dienstverband; </al></li><li nr="c."><al>het niet omzetten van een tijdelijk dienstverband in een
                                            vast dienstverband; </al></li><li nr="d."><al>het treffen van een disciplinaire maatregel; </al></li><li nr="e."><al>het opleggen van een onderzoeks-, spreek-, werkplek-
                                            en/of contactverbod aan de melder of collega’s van de
                                            melder,</al></li><li nr="f."><al>de opgelegde benoeming in een andere functie; </al></li><li nr="g."><al>het uitbreiden of beperken van de taken van de melder,
                                            anders dan op eigen verzoek;</al></li><li nr="h."><al>het verplaatsen of overplaatsen van de melder, anders
                                            dan op eigen verzoek;</al></li><li nr="i."><al>het weigeren van een verzoek tot het verplaatsen of
                                            overplaatsen van de melder; </al></li><li nr="j."><al>het wijzigen van de werkplek of het weigeren van een
                                            verzoek daartoe;</al></li><li nr="k."><al>het onthouden van salarisverhoging, incidentele
                                            beloning, bonus, of toekenning van vergoedingen; </al></li><li nr="l."><al>het onthouden van promotiekansen; </al></li><li nr="m."><al>het niet accepteren van een ziekmelding, of het de
                                            werknemer/ambtenaar als ziek geregistreerd laten.</al></li><li nr="n."><al>het afwijzen van een verlofaanvraag;</al></li><li nr="o."><al>het verlenen van verlof, anders dan op eigen
                                            verzoek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Van benadeling als bedoeld in lid 1 is ook sprake als een
                                    redelijke grond aanwezig is om de melder aan te spreken op zijn
                                    functioneren of een benadelende maatregel als bedoeld in lid 2
                                    jegens hem te nemen, maar de maatregel die de werkgever neemt
                                    niet in redelijke verhouding tot staat tot die grond.</al></li><li nr="4."><al>Indien de werkgever jegens de melder binnen afzienbare tijd na
                                    het doen van een melding overgaat tot het nemen van een
                                    benadelende maatregel als bedoeld in lid 2, motiveert hij waarom
                                    hij deze maatregel nodig acht en dat deze maatregel geen verband
                                    houdt met het te goeder trouw en naar behoren melden van een
                                    vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat leidinggevenden en
                                    collega’s van de melder zich onthouden van iedere vorm van
                                    benadeling in verband met het te goeder trouw en naar behoren
                                    melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid,
                                    die het professioneel of persoonlijk functioneren van de melder
                                    belemmert. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het pesten, negeren en uitsluiten van de melder;</al></li><li nr="b."><al>het maken van ongefundeerde of buitenproportionele
                                            verwijten ten aanzien van het functioneren van de
                                            melder;</al></li><li nr="c."><al>het feitelijk opleggen van een onderzoeks-, spreek-,
                                            werkplek- en/of contactverbod aan de melder of collega’s
                                            van de melder, op welke wijze dan ook geformuleerd;</al></li><li nr="d."><al>het intimideren van de melder door te dreigen met
                                            bepaalde maatregelen of gedragingen als hij zijn melding
                                            doorzet.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De ambtenaar heeft recht op juridische bijstand wanneer hij als
                                    gevolg van het te goede trouw en naar behoren melden van een
                                    vermoeden van een misstand en/of onregelmatigheid en/of
                                    onregelmatigheid nadelige gevolgen ondervindt in zijn
                                    rechtspositie, tijdens en/of na het volgen van deze regeling.
                                    Deze juridische bijstand wordt gefinancierd door de gemeente
                                    Almere.</al></li><li nr="7."><al>De leidinggevende spreekt ambtenaren die zich schuldig maken aan
                                    benadeling van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing
                                    of een disciplinaire maatregel opleggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Bescherming van andere betrokkenen tegen benadeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De adviseur die in dienst is van de werkgever zal niet worden
                                    benadeeld vanwege het fungeren als adviseur van de melder.</al></li><li nr="2."><al>2.De Vertrouwenspersoon Integriteit zal niet worden benadeeld
                                    vanwege het uitoefenen van de in deze regeling beschreven
                                    taken.</al></li><li nr="3."><al>Personen, belast met het uitvoeren van onderzoek naar een
                                    vermoedelijke misstand, die in dienst zijn van de werkgever
                                    zullen niet worden benadeeld vanwege het uitoefenen van hun
                                    onderzoeksopdracht.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar die wordt gehoord in het kader van onderzoek naar
                                    een vermoedelijke misstand zal niet worden benadeeld in verband
                                    met het te goeder trouw afleggen van een verklaring, het
                                    verstrekken van documenten die naar zijn redelijk oordeel van
                                    belang zijn voor het onderzoek, dan wel het anderszins verlenen
                                    van medewerking aan het onderzoek.</al></li><li nr="5."><al>Op de in dit artikel bedoelde personen is artikel 6 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intern enextern onderzoek naar benadeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De melder die meent dat sprake is van benadeling in verband met
                                    het doen van een melding van een vermoeden van een misstand, kan
                                    de gemeentesecretaris verzoeken onderzoek te doen naar de wijze
                                    waarop er binnen de organisatie met hem wordt omgegaan.</al></li><li nr="2."><al>Een in artikel 7 bedoelde persoon die meent dat sprake is van
                                    benadeling in verband met het uitoefenen van zijn taak of
                                    opdracht respectievelijk het verlenen van medewerking aan het
                                    onderzoek, kan de gemeentesecretaris verzoeken onderzoek te doen
                                    naar de wijze waarop er binnen de organisatie met hem wordt
                                    omgegaan.</al></li><li nr="3."><al>Op de behandeling van de verzoeken bedoeld in de leden 1 en 2
                                    zijn de artikelen 16 tot en met 19 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De melder kan ook de afdeling onderzoek van het Huis voor
                                    Klokkenluiders verzoeken een onderzoek in te stellen naar de
                                    wijze waarop de werkgever zich jegens hem heeft gedragen naar
                                    aanleiding van de melding van een vermoeden van een
                                    misstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vertrouwelijke omgang met de melding en de identiteit van de melder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de informatie over de
                                    melding zodanig wordt bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen
                                    toegankelijk is voor diegenen die bij de behandeling van deze
                                    melding betrokken zijn.</al></li><li nr="2."><al>Al diegenen die bij de behandeling van een melding betrokken
                                    zijn maken de identiteit van de melder niet bekend zonder
                                    uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en gaan
                                    met de informatie over de melding vertrouwelijk om. </al></li><li nr="3."><al>Indien het vermoeden van een misstand of onregelmatigheid is
                                    gemeld via de Vertrouwenspersoon Integriteit en de melder geen
                                    toestemming heeft gegeven zijn identiteit bekend te maken, wordt
                                    alle correspondentie over de melding verstuurd aan de
                                    Vertrouwenspersoon Integriteit en stuurt de Vertrouwenspersoon
                                    Integriteit die onverwijld door aan de melder.</al></li><li nr="4."><al>Al diegenen die bij de behandeling van een melding betrokken
                                    zijn, maken de identiteit van de adviseur niet bekend zonder
                                    uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en de
                                    adviseur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De Vertrouwenspersoon Integriteit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag wijst een of meer Vertrouwenspersonen
                                    Integriteit aan.</al></li><li nr="2."><al>De Vertrouwenspersoon Integriteit heeft – naast het ontvangen
                                    van meldingen, als beschreven in artikel 3, 4 en 5 - tot taak: </al><lijst><li nr="a."><al>het in vertrouwen adviseren, informeren en begeleiden
                                            van en het bieden van nazorg aan ambtenaren die een
                                            vermoeden van een misstand of een onregelmatigheid
                                            hebben,</al></li><li nr="b."><al>het monitoren van gedane meldingen,</al></li><li nr="c."><al>het indien gewenst namens de melder (anoniem) doen van
                                            een melding,</al></li><li nr="d."><al>het registreren van: </al></li><li nr=""><lijst><li nr=" -"><al>de interne meldingen,</al></li><li nr="-"><al>meldingen van derden,</al></li><li nr="-"><al>de wijze van afdoening van de meldingen, </al></li><li nr="-"><al>de conclusies van het naar aanleiding van de
                                                  melding eventueel uitgevoerde onderzoek,</al></li><li nr="-"><al>de naar aanleiding van de melding eventueel
                                                  getroffen maatregelen, </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>het uitoefenen van een signaalfunctie naar
                                            leidinggevenden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De Vertrouwenspersoon Integriteit doet twee maal per jaar aan de
                                    gemeentesecretaris geanonimiseerd verslag. Dit verslag bevat in
                                    ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie over het aantal interne meldingen, meldingen
                                            van derden en een indicatie van de aard van de
                                            meldingen, de uitkomsten van de onderzoeken en de
                                            standpunten van de werkgever;</al></li><li nr="b."><al>algemene informatie over de ervaringen met het tegengaan
                                            van benadeling van de melder;</al></li><li nr="c."><al>informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar
                                            benadeling in verband met het doen van een melding van
                                            een vermoeden van een misstand en een indicatie van de
                                            uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de
                                            werkgever.</al></li><li nr="d."><al>De gemeentesecretaris rapporteert twee maal per jaar
                                            over dit verslag en ingekomen meldingen aan de
                                            burgemeester.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De Vertrouwenspersoon Integriteit is verplicht tot geheimhouding
                                    van hetgeen vertrouwelijk met hem is gedeeld. Indien de melding
                                    een strafbaar feit betreft, staat deze geheimhouding echter niet
                                    in de weg aan het informeren van de betrokken leidinggevenden
                                    en/of het bevoegd gezag. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Melding door derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien iemand, die niet werkzaam is bij de gemeente Almere,
                                    melding wil doen van een vermoeden van een misstand of een
                                    onregelmatigheid over een (ambtelijke) medewerker binnen de
                                    gemeentelijke organisatie, is daarop in beginsel hoofdstuk 9 van
                                    de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Met de behandeling van een melding bedoeld in lid 1 is belast de
                                    leidinggevende van de ambtenaar op wie de melding betrekking
                                    heeft. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in de artikelen 7, derde en vierde lid, 8, tweede
                                    en derde lid, en 9, eerste lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>Interne meldingsprocedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Leidinggevende belast met behandeling</titel></kop><lid><lidnr/><al>De leidinggevende van de melder is belast met de behandeling van de
                                melding, tenzij de melder een redelijk vermoeden heeft dat deze
                                leidinggevende anderszins direct of indirect betrokken is bij de
                                vermoedelijke misstand. In deze gevallen is de naast hogere
                                leidinggevende met de behandeling van de melding belast. </al><al>Indien de ambtenaar een redelijk vermoeden heeft dat de
                                gemeentesecretaris bij de vermoede misstand of onregelmatigheid is
                                betrokken, vindt de behandeling van de melding onder
                                verantwoordelijkheid van de burgemeester plaats door een door hem
                                aangewezen functionaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Informeren Vertrouwenspersoon Integriteit</titel></kop><al>De leidinggevende respectievelijk functionaris die overeenkomstig
                            artikel 12 met de behandeling van de melding is belast, voorziet de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit telkens van de feiten en gegevens als
                            bedoeld in artikel 10 lid 2. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vastlegging van de interne melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar de melding van een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid mondeling bij een leidinggevende doet of een
                                schriftelijke melding van een mondelinge toelichting voorziet,
                                draagt deze leidinggevende, in overleg met de melder, zorg voor een
                                schriftelijke vastlegging hiervan, en legt deze vastlegging ter
                                goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt
                                hiervan een afschrift.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar de melding van een vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid mondeling via de Vertrouwenspersoon Integriteit
                                doet of een schriftelijke melding van een mondelinge toelichting
                                voorziet, draagt deze Vertrouwenspersoon Integriteit, in overleg met
                                de melder, zorg voor een schriftelijke vastlegging hiervan, en legt
                                deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de
                                melder. De melder ontvangt hiervan een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Ontvangstbevestiging</titel></kop><al>De leidinggevende die overeenkomstig artikel 12 met de behandeling van
                            de melding is belast, bevestigt onverwijld namens het bevoegd gezag de
                            ontvangst ervan. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van
                            een misstand en/of onregelmatigheid en de datum waarop de melder het
                            vermoeden heeft gemeld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Behandeling van de interne melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leidinggevende stelt een onderzoek in naar het gemelde vermoeden
                                van een misstand of onregelmatigheid, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het vermoeden niet gebaseerd is op redelijke gronden, </al></li><li nr="b."><al>op voorhand duidelijk is dat het gemelde geen betrekking
                                        heeft op een vermoeden van een misstand of
                                        onregelmatigheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de leidinggevende besluit geen onderzoek in te stellen,
                                informeert hij de melder daar binnen twee weken na de interne
                                melding schriftelijk over. Daarbij wordt tevens aangegeven op welke
                                van de in lid 1 genoemde grond of gronden dit besluit is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leidinggevende beoordeelt of aangifte moet worden gedaan van een
                                strafbaar feit dan wel melding moet worden gedaan bij een instantie
                                die is belast met het toezicht op de naleving van een wettelijk
                                voorschrift. Indien aangifte en/of melding wordt gedaan wordt de
                                melder hiervan op de hoogte gesteld, tenzij hiertegen ernstige
                                bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leidinggevende draagt het onderzoek op aan onderzoekers die
                                onafhankelijk en onpartijdig zijn, en laat het onderzoek in ieder
                                geval niet uitvoeren door personen die mogelijk betrokken zijn of
                                zijn geweest bij de vermoede misstand of onregelmatigheid. Indien de
                                leidinggevende het onderzoek wil laten uitvoeren door een externe
                                deskundige is daarvoor de instemming van de gemeentesecretaris
                                vereist.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een onderzoek wordt ingesteld, stelt de leidinggevende de
                                melder daarvan onverwijld schriftelijk op de hoogte, onder
                                vermelding van de persoon die met de uitvoering van het onderzoek
                                wordt belast. De leidinggevende stuurt de melder daarbij een
                                afschrift van de onderzoeksopdracht, tenzij hiertegen ernstige
                                bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leidinggevende informeert de persoon of personen op wie de
                                melding betrekking heeft over de melding en, indien daartoe wordt
                                besloten, over het besluit tot het doen van aangifte en/of melding
                                bedoeld in lid 3, tenzij het onderzoeks-, opsporings-, of
                                handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De uitvoering van het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekers stellen de melder in de gelegenheid te worden
                                gehoord. De onderzoekers dragen zorg voor een schriftelijke
                                vastlegging hiervan, en leggen deze vastlegging ter goedkeuring en
                                ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt hiervan een
                                afschrift.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekers kunnen ook anderen horen. De onderzoekers dragen
                                zorg voor een schriftelijke vastlegging hiervan, en leggen deze
                                vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan degene die
                                gehoord is. Degene die gehoord is ontvangt hiervan een afschrift.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekers kunnen binnen de organisatie van de werkgever alle
                                documenten inzien en opvragen die zij voor het doen van het
                                onderzoek redelijkerwijs nodig achten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ambtenaren mogen de onderzoekers alle documenten verstrekken waarvan
                                zij het redelijkerwijs nodig achten dat de onderzoekers daar in het
                                kader van het onderzoek kennis van nemen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekers stellen een concept onderzoeksrapport op en stellen
                                de melder in de gelegenheid daar opmerkingen bij te maken, tenzij
                                hiertegen ernstige bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekers stellen vervolgens het onderzoeksrapport vast. Zij
                                sturen de melder hiervan een afschrift, tenzij hiertegen ernstige
                                bezwaren bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Standpunt van de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leidinggevende stelt de melder binnen acht weken na ontvangst van
                                de melding schriftelijk op de hoogte van het inhoudelijk standpunt
                                met betrekking tot het gemelde vermoeden van een misstand of
                                onregelmatigheid. Daarbij wordt tevens aangegeven tot welke stappen
                                de melding heeft geleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien duidelijk wordt dat het standpunt niet binnen de gestelde
                                termijn kan worden gegeven, informeert de leidinggevende de melder
                                daar schriftelijk over. Daarbij wordt aangegeven binnen welke
                                termijn de melder het standpunt tegemoet kan zien. Indien de totale
                                termijn daardoor meer dan twaalf weken bedraagt, wordt daarbij
                                tevens aangegeven waarom een langere termijn noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na afronding van het onderzoek beoordeelt de leidinggevende of
                                aangifte moet worden gedaan van een strafbaar feit dan wel melding
                                moet worden gedaan bij een instantie die is belast met het toezicht
                                op de naleving van een wettelijk voorschrift. Indien ingevolge
                                artikel 15 lid 3 aangifte of melding reeds heeft plaatsgevonden,
                                wordt het onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever ter
                                beschikking gesteld van de betrokken instantie. De melder wordt
                                daarvan op de hoogte gesteld, tenzij hiertegen ernstige bezwaren
                                bestaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, wordt of
                                worden in overeenkomstige zin geïnformeerd als de melder op grond
                                van lid 1 t/m 3, tenzij het onderzoeks-, opsporings-, of
                                handhavingsbelang daardoor kan worden geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hoor en wederhoor ten aanzien van onderzoeksrapport en standpunt
                                werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leidinggevende stelt de melder in de gelegenheid op het
                                    onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever te
                                    reageren.</al></li><li nr="2."><al>Indien de melder in reactie op het onderzoeksrapport of het
                                    standpunt van de werkgever onderbouwd aangeeft dat het vermoeden
                                    van een misstand of onregelmatigheid naar zijn mening niet
                                    daadwerkelijk of niet deugdelijk is onderzocht of dat in het
                                    onderzoeksrapport of het standpunt van de werkgever naar zijn
                                    mening sprake is van wezenlijke onjuistheden, beoordeelt de
                                    leidinggevende op basis van de reactie van de melder of nieuw of
                                    aanvullend onderzoek noodzakelijk is en stelt hij de melder
                                    gemotiveerd van zijn beslissing in kennis. Op een eventueel
                                    nieuw of aanvullend onderzoek zijn de artikelen 16 tot en met 19
                                    van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="3."><al>Indien aangifte of melding is gedaan ingevolge artikel 16 lid 3
                                    of artikel 18 lid 3 wordt de reactie van de melder en
                                    beoordeling daarvan door de werkgever ter beschikking gesteld
                                    van de betrokken instantie. De melder wordt daarvan op de hoogte
                                    gesteld, tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>Externe meldingsprocedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Externe melding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na het doen van een interne melding van een vermoeden van een
                                    misstand, kan de melder een externe melding doen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de melder het niet eens is met het standpunt als bedoeld
                                            in artikel 18 en, in voorkomend geval, de beoordeling
                                            van de reactie bedoeld in artikel 19 lid 2, en van
                                            oordeel is dat het vermoeden ten onrechte terzijde is
                                            gelegd;</al></li><li nr="b."><al>de melder geen standpunt heeft ontvangen binnen de
                                            termijn als bedoeld in artikel 18 lid 1 of lid 2.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De melder kan direct een externe melding doen van een vermoeden
                                    van een misstand indien het eerst doen van een interne melding
                                    in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd. Dat is in
                                    ieder geval aan de orde indien dit uit enig wettelijk
                                    voorschrift voortvloeit of sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend
                                            maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding
                                            noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="b."><al>een redelijk vermoeden dat de hoogste verantwoordelijke
                                            binnen de organisatie van de werkgever bij de vermoede
                                            misstand betrokken is; </al></li><li nr="c."><al>een situatie waarin de melder in redelijkheid kan vrezen
                                            voor tegenmaatregelen in verband met het doen van een
                                            interne melding;</al></li><li nr="d."><al>een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of
                                            vernietiging van bewijsmateriaal;</al></li><li nr="e."><al>een eerdere melding overeenkomstig de procedure van
                                            dezelfde misstand, die de misstand niet heeft
                                            weggenomen;</al></li><li nr="f."><al>een plicht tot directe externe melding. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De melder kan de externe melding doen bij een externe instantie
                                    die daarvoor naar het redelijk oordeel van de melder het meest
                                    in aanmerking komt. Onder externe instantie wordt in ieder geval
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een instantie die is belast met de opsporing van
                                            strafbare feiten;</al></li><li nr="b."><al>een instantie die is belast met het toezicht op de
                                            naleving van het bepaalde bij of krachtens enig
                                            wettelijk voorschrift;</al></li><li nr="c."><al>een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden
                                            van een misstand kan worden gemeld, waaronder de
                                            afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders;een
                                            en ander onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 1
                                            onder d, van de Wet Huis voor Klokkenluiders.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Indien naar het redelijk oordeel van de melder het
                                    maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het belang van de
                                    werkgever bij geheimhouding, kan de melder de externe melding
                                    ook doen bij een externe derde die naar zijn redelijk oordeel in
                                    staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede misstand
                                    te kunnen opheffen of doen opheffen. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Publicatie, rapportage en verantwoording</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat deze regeling wordt
                                    gepubliceerd op het intranet en openbaar wordt gemaakt op de
                                    website van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester geeft twee maal per jaar een terugkoppeling aan
                                    het bevoegd gezag van het verslag, als bedoeld in artikel 10,
                                    lid 3. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag legt, middels een jaarlijks door de
                                    Vertrouwenspersoon Integriteit op te stellen verslag,
                                    gelijktijdig met de jaarrekening, verantwoording af aan de
                                    gemeenteraad over de uitvoering van het beleid aangaande het
                                    omgaan met het melden van vermoedens van misstanden en
                                    onregelmatigheden en de uitvoering van deze regeling en de
                                    gedragscode. Dit verslag zal vooraf worden afgestemd met de
                                    burgemeester, de gemeentesecretaris en de wethouder HRM. Het
                                    verslag bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>informatie over het in het afgelopen jaar gevoerde
                                            beleid aangaande het omgaan met het melden van
                                            vermoedens van misstanden en onregelmatigheden en het in
                                            het komende jaar te voeren beleid op dit vlak;</al></li><li nr="b."><al>informatie over het aantal meldingen en een indicatie
                                            van de aard van de meldingen, de uitkomsten van de
                                            onderzoeken en de standpunten van de werkgever;</al></li><li nr="c."><al>algemene informatie over de ervaringen met het tegengaan
                                            van benadeling van de melder;</al></li><li nr="d."><al>informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar
                                            benadeling in verband met het doen van een melding van
                                            een vermoeden van een misstand en een indicatie van de
                                            uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de
                                            werkgever.</al></li><li nr="e."><al>leereffecten en verbetermaatregelen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Na de verantwoording aan de gemeenteraad, ingevolge lid 3, wordt
                                    het verslag openbaar gemaakt. De gemeentesecretaris brengt het
                                    verslag, als bedoeld in lid 3, ter kennis van de
                                    dienstoverstijgende Ondernemingsraad.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Klokkenluidersregeling van de gemeente Almere, vastgesteld op
                                    5 oktober 2004, wordt ingetrokken. </al></li><li nr="2."><al>De Regeling Melding Vermoeden Misstand en/of onregelmatigheid
                                    Almere 2016 treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld op 30 augustus 2016,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>burgemeester en wethouders van Almere,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de burgemeester, de secretaris, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>F.M. Weerwind R. Wielinga</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de Regeling omgaan met melden vermoeden misstand of onregelmatigheid</label></kop><al/><divisie><kop><label>Artikel 1. Begripsbepalingen</label></kop><al><vet>Lid 1 onder a. Ambtenaar</vet></al><al>De definitie omvat niet alleen ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet
                            maar ook de medewerkers die op basis van een arbeidsovereenkomst
                            werkzaam zijn. De reikwijdte van de Regeling is in lid 2 verder
                            uitgebreid: zij die ‘anders dan op basis van een ambtelijke aanstelling
                            of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij de
                            gemeente Almere’ vallen ook onder de Regeling. Dus ook zzp’ers, uitzend-
                            en inhuurkrachten, stagiaires en vrijwilligers. </al><al>De regeling geldt dus ook voor medewerkers van een andere organisatie
                            die door hun werk met de gemeentelijke organisatie in aanraking zijn
                            gekomen. Dit kunnen uitzendkrachten of gedetacheerden zijn, maar
                            bijvoorbeeld ook consultants, werklieden, schoonmakers, etc. die
                            werkzaamheden in het Stadhuis verrichten. Daarnaast moet bij deze groep
                            worden gedacht aan werknemers van een andere organisatie die door
                            samenwerking met de gemeente op de hoogte zijn geraakt van een
                            vermoedelijk misstand bij de gemeente. Onder de groep werknemers van een
                            andere organisatie kunnen ook ambtenaren vallen.</al><al/><al><vet>Eigen werknemer en werknemer van andere organisatie</vet></al><al>4.In deze regeling wordt met werknemer telkens op beide typen werknemer
                            gedoeld. Alleen artikel 3 en 4 hebben specifiek betrekking op
                            respectievelijk een medewerker van de gemeente en een werknemer van een
                            andere organisatie. </al><al/><al><vet>Lid 1 onder b. Adviseur</vet></al><al>In de wet HvK is vastgelegd dat de werknemer de mogelijkheid heeft om
                            een adviseur in vertrouwen te raadplegen over een vermoeden van een
                            misstand. De adviseur moet een persoon zijn die een geheimhoudingsplicht
                            heeft. Hieronder vallen in ieder geval de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit, een adviseur van de afdeling advies van het Huis voor
                            Klokkenluiders, een advocaat, een jurist van een vakbond, een jurist van
                            een rechtsbijstandsverzekeraar en een bedrijfsarts.</al><al/><al>De rol van de adviseur is geregeld in artikel 2 lid 1. Bescherming tegen
                            benadeling van de adviseur die in dienst is van de werkgever is geregeld
                            in artikel 7 lid 1 en 5.</al><al/><al><vet>Lid 1 onder c. Afdeling advies van het Huis voor
                                Klokkenluiders</vet></al><al>De afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders is ingesteld bij wet
                            HvK. De dienstverlening van de afdeling advies van het Huis is
                            vertrouwelijk, onafhankelijk en gratis. </al><al/><al>De werknemer kan de afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders
                            verzoeken om informatie, advies en ondersteuning inzake het vermoeden
                            van een misstand (zie artikel 2 lid 3).</al><al/><al><vet>Lid 1 onder d. Afdeling onderzoek van het Huis voor
                                Klokkenluiders</vet></al><al>De melder kan de externe melding doen bij een externe instantie,
                            waaronder de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders (zie
                            artikel 20 lid 3 onder c). In de toelichting bij artikel 20 lid 3 wordt
                            op deze mogelijkheid ingegaan.</al><al/><al>De melder kan ook de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders
                            verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de werkgever
                            zich jegens hem heeft gedragen naar aanleiding van de melding van een
                            vermoeden van een misstand (zie artikel 15 lid 4). Zie verder de
                            toelichting bij artikel 15 lid 4.</al><al/><al><vet>Lid 1 onder f. Externe derde </vet></al><al>Onder omstandigheden kan de melder ook een derde, die geen externe
                            instantie is, op de hoogte brengen van het vermoeden van een misstand.
                            Zo’n externe derde kan bijvoorbeeld een minister, leden van de Tweede
                            Kamer of een maatschappelijke organisatie zijn en in het uiterste geval
                            kunnen dit de media zijn.</al><al/><al>De voorwaarden voor het zetten van deze stap en de rol van de externe
                            derde is geregeld in artikel 20 lid 4. Zie verder met name de
                            toelichting bij artikel 20 lid 4.</al><al/><al><vet>Lid 1 onder g. Externe instantie</vet></al><al>De melder kan de externe melding doen bij een externe instantie die
                            daarvoor het meest in aanmerking komt (artikel 20 lid 3). Onder externe
                            instantie wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een instantie die zich bezig houdt met de opsporing van
                                    strafbare feiten;</al></li><li nr="b."><al>een instantie die toezicht houdt op de naleving van wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="c."><al>een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden van een
                                    misstand kan worden gemeld, waaronder de afdeling onderzoek van
                                    het Huis voor Klokkenluiders.</al><al/></li></lijst><al>In de toelichting bij artikel 20 lid 3 wordt ingegaan op de mogelijkheid
                            voor de melder om de externe melding van een vermoeden van een misstand
                            bij de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders te doen.</al><al/><al><vet>Lid 1 onder j. Vermoeden van een misstand</vet></al><al>De wet HvK spreekt van een ‘vermoeden van een misstand’. Ten opzichte
                            van de definitie van vermoeden van een misstand in de wet HvK zijn in
                            deze modelregeling de navolgende toevoegingen gedaan:</al><lijst><li nr="-"><al>onder 2e sub i t/m viii is telkens (een variant van) het woord
                                    “(dreigend)” toegevoegd, en</al></li><li nr="-"><al>als vormen van misstanden zijn de beschrijvingen onder 2e sub vi
                                    t/m viii toegevoegd.</al></li></lijst><al>De toevoegingen sluiten aan bij veel bestaande modelregelingen,
                            waaronder de modelregeling van de Stichting van de Arbeid (STAR) en de
                            modelregeling van de gezamenlijke Branche Organisaties Zorg (BOZ).</al><al/><al>Vanuit het oogpunt van het voorkomen van het optreden van misstanden is
                            het wenselijk dat een werknemer/ambtenaar ook bij een dreigende misstand
                            al een interne melding kan doen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                            aan de situatie waarin de beslissing die tot het optreden van de
                            vermoede misstand zal leiden al wel is genomen maar deze beslissing nog
                            niet tot uitvoering is gekomen.</al><al/><al><onderstreept>Redelijke gronden</onderstreept></al><al>Het vermoeden van een misstand moet gebaseerd zijn op redelijke gronden.
                            Dat betekent dat de melder niet hoeft te bewijzen dat sprake is van een
                            misstand, maar hij moet zijn vermoeden wel enigszins kunnen onderbouwen.
                            Het vermoeden moet voldoende concreet zijn en zijn gebaseerd op eigen
                            waarneming of documenten (bijvoorbeeld e-mails, verslagen, brieven,
                            foto’s etc.). Verhalen van horen zeggen zijn bijvoorbeeld niet
                            voldoende.</al><al/><al><onderstreept>Maatschappelijk belang</onderstreept></al><al>Wanneer bij een misstand het maatschappelijk belang in het geding is,
                            kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd en zal van geval tot geval
                            moeten worden bekeken. Het gaat hier in principe om situaties die het
                            niveau van een of enkele persoonlijke gevallen overstijgen, bijvoorbeeld
                            doordat sprake is van een zekere mate van ernst of omvang of van een
                            structureel karakter.</al><al/><al>Ter illustratie een voorbeeld. Een diefstal van enkele zaken door één
                            individu is nog geen misstand waarbij het maatschappelijk belang in het
                            geding is. Het maatschappelijk belang kan echter wel in het geding komen
                            als het gaat om meerdere diefstallen of dure zaken, zeker als de
                            diefstallen worden gepleegd door werknemers/ambtenaren die juist tot
                            taak hebben die goederen te bewaken of als de diefstallen door de
                            leiding van het bedrijf worden gedoogd of de leiding zelf deelt in de
                            buit.</al><al/><al><vet>Lid 1 onder k. Vermoeden van een onregelmatigheid</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Ten opzichte van de wet HvK is de mogelijkheid toegevoegd om intern
                            melding te doen van een vermoeden van een onregelmatigheid. Deze
                            toevoeging is optioneel.</al><al/><al>Deze toevoeging is ontleend aan de bestaande modelregeling van de
                            gezamenlijke Branche Organisaties Zorg (BOZ). Zorgorganisaties zijn op
                            grond van artikel 3.1.5 van de Zorgbrede Governancecode verplicht ook de
                            mogelijkheid te bieden om melding te doen van een vermoeden van een
                            onregelmatigheid.</al><al/><al><onderstreept>Minder ernstig</onderstreept></al><al>Een onregelmatigheid is minder ernstig van aard dan een misstand. Bij
                            een onregelmatigheid gaat het om een onvolkomenheid of ongerechtigheid
                            die niet zo ernstig is dat daarbij het maatschappelijk belang in het
                            geding is.</al><al/><al><onderstreept>Reden voor toevoeging</onderstreept></al><al>De mogelijkheid intern melding te doen van een vermoeden van een
                            onregelmatigheid is toegevoegd:</al><lijst><li nr="-"><al>omdat het in het belang is van zowel werkgever als werknemers
                                    indien werknemers hier intern melding van kunnen doen, zodat de
                                    werkgever in staat wordt gesteld het betreffende probleem op te
                                    lossen; en</al></li><li nr="-"><al>omdat het in overeenstemming is met het recht op vrije
                                    meningsuiting op de werkvloer dat de werkgever een werknemer die
                                    intern melding wil doen van een vermoede onregelmatigheid daar
                                    de mogelijkheid toe biedt en hem beschermt tegen benadeling in
                                    zijn arbeidspositie.</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Geen externe melding mogelijk</onderstreept></al><al>Indien de melding alleen betrekking heeft op een vermoeden van een
                            onregelmatigheid en niet op een vermoeden van een misstand, voorziet
                            deze regeling niet in de mogelijkheid een externe melding te doen. De
                            reden hiervoor is dat bij enkel een vermoeden van een onregelmatigheid
                            het maatschappelijk belang niet in het geding is.</al><al/><al><onderstreept>Redelijke gronden</onderstreept></al><al>De definitie vereist onder meer dat het vermoeden gebaseerd is op
                            redelijke gronden. Zie verder de toelichting bij lid 1 onder j..</al><al/><al><vet>Lid 1 onder l. Vertrouwenspersoon Integriteit</vet></al><al>De Vertrouwenspersoon Integriteit is degene die is aangewezen om voor de
                            organisatie van de werkgever als vertrouwenspersoon te fungeren. Het
                            aanstellen van een Vertrouwenspersoon Integriteit is op grond van de wet
                            HvK niet verplicht. De Vertrouwenspersoon Integriteit kan een rol spelen
                            bij de advisering en ondersteuning van de werknemer/ambtenaar en bij het
                            doen van de melding.Bescherming tegen benadeling van de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit is geregeld in artikel 7 lid 2 en 6.</al><al/><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Deze bepaling is toegelicht bij lid 1 onder a.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Informatie, advies en ondersteuning voor de
                                ambtenaar</vet></al><al>Een medewerker die denkt dat sprake zou kunnen zijn van een misstand,
                            heeft de mogelijkheid dit te bespreken met een adviseur, de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit en de afdeling advies van het Huis voor
                            Klokkenluiders.</al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een adviseur is een persoon die uit hoofde van zijn functie een
                            geheimhoudingsplicht heeft en die door een werknemer/ambtenaar in
                            vertrouwen wordt geraadpleegd over een vermoeden van een misstand (zie
                            artikel 1 lid 1 onder b). Hieronder vallen in ieder geval de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit, een adviseur van de afdeling advies van
                            het Huis voor Klokkenluiders, een advocaat, een jurist van een vakbond,
                            een jurist van een rechtsbijstandsverzekeraar en een bedrijfsarts.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders is ingesteld bij wet
                            HvK. De dienstverlening van de afdeling advies van het Huis is
                            vertrouwelijk, onafhankelijk en gratis.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    3. Interne melding door ambtenaar</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling is in overeenstemming met de wet HvK (zie artikel 6 lid 1
                            onder e en f wet HvK) en biedt een eigen werknemer, afhankelijk van de
                            ernst en omvang van de vermoede misstand of onregelmatigheid en
                            afhankelijk van wie daarbij betrokken zijn, de mogelijkheid zelf af te
                            wegen bij wie van de genoemde functionarissen hij de melding het beste
                            kan doen.</al><al/><al>Aan het melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid
                            zijn geen formele vereisten verbonden. Het doen van een melding is
                            vormvrij en kan zowel mondeling als schriftelijk worden gedaan.
                            Meldingen kunnen door een ambtenaar niet anoniem worden gedaan. Als de
                            medewerker de melding mondeling doet of een schriftelijke melding van
                            een mondelinge toelichting voorziet, draagt de leidinggevende bij wie de
                            melding is gedaan, zorg voor een schriftelijke vastlegging daarvan
                            (artikel 14 lid 1).</al><al/><al>Indien de ambtenaar een redelijk vermoeden heeft dat de
                            gemeentesecretaris bij de vermoede misstand of onregelmatigheid is
                            betrokken, kan hij de melding doen bij de burgemeester.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 regelt de mogelijkheid voor een eigen werknemer/ambtenaar om de
                            interne melding via de Vertrouwenspersoon Integriteit te doen. De
                            Vertrouwenspersoon Integriteit fungeert dan als doorgeefluik, waardoor
                            de vertrouwelijke omgang met de identiteit van de melder extra zal zijn
                            gewaarborgd (zie verder artikel 9 lid 3). Dit brengt mee dat in dat
                            geval de Vertrouwenspersoon Integriteit via wie de melding is gedaan,
                            zorg draagt voor een schriftelijke vastlegging van een mondelinge
                            melding of een mondelinge toelichting daarbij (artikel 14 lid 2).</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    4. Interne melding door een werknemer van een andere
                                    organisatie</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling is in overeenstemming met de wet HvK. Uit de definitie van
                            ‘vermoeden van een misstand’ in de wet HvK volgt immers dat een
                            werknemer van een andere organisatie die door zijn werkzaamheden met de
                            organisatie van deze werkgever in aanraking is gekomen, ook een melding
                            van een vermoeden van een misstand bij deze werkgever moet kunnen
                            doen.</al><al/><al>Lid 1 biedt een werknemer van een andere organisatie, afhankelijk van de
                            ernst en omvang van de vermoede misstand en afhankelijk van wie daarbij
                            betrokken zijn, de mogelijkheid zelf af te wegen op welke plek en op
                            welk niveau binnen de organisatie van de werkgever hij de melding het
                            beste kan doen. Omdat de groep werknemers van een andere organisatie
                            zo’n brede groep is, is ervoor gekozen hen alleen de mogelijkheid te
                            bieden melding te doen van een vermoeden van een misstand. De
                            mogelijkheid om melding te doen van een vermoeden van een
                            onregelmatigheid is beperkt tot eigen werknemers van de werkgever.</al><al/><al>Zie verder de toelichting bij artikel 3 lid 1.</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 regelt de mogelijkheid voor een werknemer van een andere
                            organisatie om de interne melding via de Vertrouwenspersoon Integriteit
                            te doen. Zie verder de toelichting bij artikel 3 lid 2.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Bescherming van de melder tegen benadeling</vet></al><al>Het zorgen voor een goede bescherming van de melder tegen benadeling is
                            een van de basisvoorwaarden voor het goed en zorgvuldig omgaan met het
                            melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid. </al><al/><al>Van benadeling is sprake als de melder in verband met het doen van een
                            melding slechter wordt behandeld dan hij zou zijn behandeld als hij geen
                            melding had gedaan. Deze benadeling kan ook al plaatsvinden in de aan de
                            melding voorafgaande fase. Dit is de fase waarin de toekomstige melder
                            van de kwestie op de hoogte is geraakt en intern is begonnen daarover
                            vragen te stellen of zijn mening daarover kenbaar te maken.</al><al/><al>Bescherming tegen benadeling betekent niet alleen dat de werkgever zich
                            onthoudt van het nemen van benadelende maatregelen. De werkgever heeft
                            ook de verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat leidinggevenden en
                            collega’s de melder niet door bepaalde gedragingen feitelijk benadelen. </al><al/><al>De bescherming tegen benadeling is niet beperkt tot een bepaalde
                            periode. Waar het om gaat is dat de melder niet in verband met het doen
                            van een melding wordt benadeeld.</al><al/><al>Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de bescherming tegen benadeling
                            betrekking heeft op de eigen werknemer/ambtenaar in twee te
                            onderscheiden situaties.</al><lijst><li nr="-"><al>In de eerste situatie speelt de vermoede misstand zich af bij de
                                    eigen werkgever en doet de werknemer de melding bij deze
                                    werkgever.</al></li><li nr="-"><al>In de tweede situatie speelt de vermoede misstand zich af bij
                                    een andere organisatie waarmee de werknemer door zijn
                                    werkzaamheden met de organisatie van de werkgever in aanraking
                                    is gekomen. In dat geval kan de werknemer de melding bij die
                                    andere organisatie doen. De melding zelf zal dan door die andere
                                    organisatie worden behandeld. Ook dan geldt echter dat de eigen
                                    werkgever de melder niet mag benadelen als gevolg van het doen
                                    van een melding bij die andere organisatie.</al><al/></li></lijst><al>Daarnaast is de bescherming tegen benadeling van toepassing op de
                            werknemer van een andere organisatie die bij de gemeente Almere een
                            melding doet van een vermoeden van een misstand bij de gemeente (zie de
                            toelichting bij artikel 4 lid 1). De gemeente mag immers ook een
                            werknemer van een andere organisatie niet benadelen als gevolg van het
                            doen van een melding. In de praktijk is deze bescherming vooral van
                            belang voor de medewerker die voor zijn arbeidspositie van de gemeente
                            afhankelijk is, zoals de uitzendkracht en de gedetacheerde.</al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Lid 1 sluit aan bij de beschermingsbepaling in de wet HvK.</al><al/><al>In de wet HvK zijn bepalingen opgenomen tot bescherming tegen benadeling
                            van ambtenaren en werknemers in. Lid 1 is breder omdat het bescherming
                            tegen benadeling regelt voor alle melders, waaronder bijvoorbeeld ook
                            zzp’ers, stagiairs en vrijwilligers.</al><al/><al>De woorden “in verband met” in lid 1 brengen tot uitdrukking dat de
                            verplichting zich als een goed werkgever te gedragen meebrengt dat de
                            werkgever de werknemer ook in de aan de melding voorafgaande fase dient
                            te beschermen tegen benadeling.</al><al/><al>Lid 1 vereist, evenals de beschermingsbepaling in de wet HvK, dat de
                            werknemer de melding te goeder trouw en naar behoren doet. Hiermee wordt
                            bedoeld dat de melder de melding doet in overeenstemming met deze
                            regeling en dat de melder niet een valse of leugenachtige melding doet.
                            De melder behoeft niet aan te tonen dat hij te goeder trouw is.</al><al/><al>Ten opzichte van de beschermingsbepaling in de wet HvK is nog toegevoegd
                            dat bescherming tegen benadeling ook geldt bij het melden van een
                            vermoeden van een onregelmatigheid (zie de toelichting bij artikel 1 lid
                            1 onder k).</al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 geeft onder a t/m o voorbeelden van maatregelen waarbij sprake is
                            van benadeling als de werkgever deze neemt in verband met het te goeder
                            trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand of
                            onregelmatigheid. Deze opsomming is niet limitatief.</al><al/><al>Voor de volledigheid zij opgemerkt dat het door een leidinggevende nemen
                            van een maatregel als bedoeld in lid 2 rechtstreeks wordt toegerekend
                            aan de werkgever. Indien daarbij sprake is van benadeling levert dat
                            schending op van artikel 6 lid 1.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Lid 3 maakt duidelijk dat benadeling ook aan de orde is als een
                            redelijke grond aanwezig is om de melder aan te spreken op zijn
                            functioneren of een maatregel tegen hem te nemen, maar de werkgever in
                            verband met het doen van een melding een zwaardere maatregel neemt dan
                            redelijkerwijs gerechtvaardigd is, of de werkgever tegen de melder een
                            zwaardere maatregel neemt dan hij onder vergelijkbare omstandigheden
                            doet tegen anderen die geen melding hebben gedaan.</al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De in lid 4 opgenomen motiveringsplicht is een voorzorgsmaatregel die de
                            werkgever helpt om benadeling van de melder door zijn leidinggevenden te
                            voorkomen. Indien de voorgenomen maatregel geen verband houdt met het
                            doen van de melding, zal de leidinggevende zonder enig bezwaar kunnen
                            aangeven waarom het nemen van deze maatregel nodig is.</al><al/><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Lid 5 brengt tot uitdrukking dat de verplichting zich als een goed
                            werkgever te gedragen meebrengt dat de werkgever een zorgplicht heeft en
                            gehouden is de melder actief te beschermen tegen benadeling als gevolg
                            van feitelijke gedragingen van leidinggevenden en collega’s.</al><al/><al>Lid 5 geeft onder a t/m d voorbeelden van feitelijke gedragingen van
                            leidinggevenden en collega’s waarbij sprake is van benadeling.</al><al/><al>Lid 5 onder c doelt op de situatie waarin niet met zoveel woorden een
                            onderzoeks-, spreek-, werkplek- en/of contactverbod wordt opgelegd, maar
                            de leidinggevende bijvoorbeeld in een gesprek een daartoe strekkend
                            verzoek doet en dat vervolgens als een gemaakte afspraak aanmerkt.</al><al/><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Lid 6 brengt tot uitdrukking dat de verplichting zich als een goed
                            werkgever te gedragen meebrengt dat de werkgever, in voorkomend geval,
                            gehouden is actief handhavend op te treden. De werkgever zal daarbij
                            afhankelijk van de ernst van de benadeling en het aandeel van de
                            betreffende werknemer daarin moeten beoordelen welke wijze van optreden
                            afdoende zal zijn om de bescherming van de melder tegen benadeling
                            daadwerkelijk te effectueren.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 7. Bescherming van andere betrokkenen tegen
                                    benadeling</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1 t/m 3</vet></al><al>De leden 1 t/m 3 brengen tot uitdrukking dat de verplichting zich als
                            een goed werkgever te gedragen meebrengt dat de werkgever ook verplicht
                            is de adviseur die in dienst is van de werkgever, de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit en de onderzoekers die in dienst zijn van de werkgever te
                            beschermen tegen benadeling vanwege het uitoefenen van de aan hen
                            toebedeelde rol. Uiteraard zijn de hier bedoelde personen verplicht zich
                            daarbij als een goed werknemer te gedragen.</al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 5 brengt tot uitdrukking dat de verplichting zich als een goed
                            werkgever te gedragen meebrengt dat de werkgever ook verplicht is een
                            werknemer die gehoord is door de onderzoekers te beschermen tegen
                            benadeling in verband met het te goeder trouw afleggen van een
                            verklaring. Daarnaast is de werkgever ook verplicht een werknemer die
                            aan de onderzoekers documenten verstrekt waarvan hij redelijkerwijs
                            nodig kan achten dat de onderzoekers daar in het kader van het onderzoek
                            kennis van kunnen nemen, te beschermen tegen benadeling in verband
                            daarmee.</al><al/><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Lid 5 brengt tot uitdrukking dat de verplichting zich als een goed
                            werkgever te gedragen meebrengt dat de bescherming tegen benadeling
                            zoals geregeld in artikel 6 van overeenkomstige toepassing is op de in
                            artikel 7 genoemde personen.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    8. Intern en extern onderzoek naar benadeling
                                </onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Het zorgen voor een goede bescherming van de melder tegen benadeling is
                            een van de basisvoorwaarden voor het goed en zorgvuldig omgaan met het
                            melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid. Daar
                            hoort bij dat de melder die meent dat sprake is van benadeling, de
                            werkgever kan verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop er binnen
                            de organisatie met hem wordt omgegaan.</al><al>Ook de in artikel 7 bedoelde personen hebben aanspraak op bescherming
                            tegen benadeling. Dit vloeit voort uit de verplichting zich als een goed
                            werkgever te gedragen. Ook zij kunnen derhalve, als zij menen dat sprake
                            is van benadeling, de werkgever verzoeken onderzoek te doen naar de
                            wijze waarop er binnen de organisatie met hen wordt omgegaan.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet> verwijst voor de behandeling van dit verzoek naar de
                            bepalingen die gelden voor de behandeling van een interne melding van
                            een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.</al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Deze bepaling wijst op de mogelijkheid voor de melder om ook de afdeling
                            onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders te verzoeken om een onderzoek
                            in te stellen naar de wijze waarop de werkgever zich jegens hem heeft
                            gedragen. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 4 lid 1 onder b wet
                            HvK. Voor het doen van zo’n verzoek aan de afdeling onderzoek van het
                            Huis geldt niet de voorwaarde dat de melder een dergelijk verzoek eerst
                            intern moet hebben gedaan.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    9. Vertrouwelijke omgang met de identiteit van de
                                    melder</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als leidinggevenden en/of collega’s weten wie de melding heeft gedaan en
                            hem dit kwalijk nemen, kan dat leiden tot benadeling van de melder.
                            Daarom is het van belang dat de identiteit van de melder zoveel als
                            mogelijk vertrouwelijk wordt behandeld. Concreet betekent dit dat de
                            groep personen die weet wie de melder is, niet groter zal mogen zijn dan
                            voor een goede uitvoering van deze regeling noodzakelijk is.</al><al/><al>Voor het buiten deze groep van personen bekend maken van de identiteit
                            van de melder is uitdrukkelijke schriftelijke instemming noodzakelijk.
                            In deze instemmingsverklaring zal specifiek moeten worden aangegeven aan
                            wie of aan welke groep van personen de identiteit van de melder bekend
                            mag worden gemaakt.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als de melding via de Vertrouwenspersoon Integriteit wordt gedaan en de
                            melder geen toestemming geeft zijn identiteit bekend te maken, zal
                            alleen de Vertrouwenspersoon Integriteit weten wie de melder is. Dit
                            wordt gewaarborgd door alle correspondentie over de melding via de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit te laten verlopen. </al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Vertrouwelijke behandeling van de identiteit van de adviseur is van
                            belang voor zowel de melder als de adviseur. Dat is de reden dat voor
                            het bekend maken van de identiteit van de adviseur de uitdrukkelijke
                            schriftelijke instemming van beiden noodzakelijk is. In deze
                            instemmingsverklaring zal specifiek moeten worden aangegeven aan wie of
                            aan welke groep van personen de identiteit van de adviseur bekend mag
                            worden gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 10. De Vertrouwenspersoon Integriteit</vet></al><al/><al>In het tweede en derde lid worden de taken van de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit beschreven. </al><al>Deze taken worden hieronder kort toegelicht.</al><al>– <vet><cursief>Adviseren: </cursief></vet>de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit adviseert ambtenaren of het bevoegd gezag over ethische- of
                            integriteitskwesties. De Vertrouwenspersoon Integriteit geeft ook uitleg
                            over de vigerende wet- en regelgeving en een eventuele gedragscode op
                            dit gebied. Het is belangrijk dat de Vertrouwenspersoon Integriteit zich
                            niet als moraalridder opstelt maar meer als sparringpartner en zo
                            mogelijk de ambtenaar op weg helpt bij het maken van een juiste
                            afweging.</al><al>Gaat het gesprek over mogelijke integriteitsschendingen of misstanden
                            door anderen dan adviseert de Vertrouwenspersoon Integriteit over de
                            mogelijkheden om een vermoeden te melden.</al><al>– <vet><cursief>Informeren: </cursief></vet>de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit informeert de ambtenaren over zijn rol en taken en hoe hij
                            te werk gaat, bijvoorbeeld via intranet of door zich te presenteren bij
                            de afdelingen. </al><al>– <vet><cursief>Begeleiden: </cursief></vet>de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit kan de melder begeleiden en ondersteunen bij het aankaarten
                            van vermoedens van niet-integer handelen bij het bevoegd gezag.</al><al>– <vet><cursief>Luisteren</cursief></vet>: de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit is aanspreekpunt en draagt zorg voor de eerste opvang voor
                            ambtenaren die vragen hebben op het gebied van integriteit.</al><al>– <vet><cursief>Meldpunt: </cursief></vet>Bij de Vertrouwenspersoon
                            Integriteit kan een vermoeden van een misstand vertrouwelijk worden
                            gemeld. Een en ander is geregeld in art 3, 4 en 5. </al><al>– <vet><cursief>Registreren en rapporteren: </cursief></vet>alle vragen
                            en meldingen die bij de Vertrouwenspersoon Integriteit binnen komen
                            worden op een uniforme wijze geregistreerd. Twee maal per jaar zal over
                            de aard, ernst en omvang van de meldingen op een gestandaardiseerde
                            wijze geanonimiseerd worden gerapporteerd aan de gemeentesecretaris. De
                            gemeentesecretaris zal, mede op basis van het geanonimiseerde verslag
                            van de Vertrouwenspersoon Integriteit, twee maal per jaar aan de
                            burgemeester rapporteren.</al><al>– <vet><cursief>Monitoren en nazorg verlenen</cursief></vet>: de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit verleent nazorg aan de melder. De melder
                            kan bij de Vertrouwenspersoon Integriteit terecht als hij naar
                            aanleiding van de melding nadelige gevolgen ondervindt voor zijn
                            functioneren. Tevens houdt de Vertrouwenspersoon Integriteit in de gaten
                            in hoeverre de betrokken melder tevreden is over de afwikkeling van de
                            aangekaarte problematiek, zowel door de Vertrouwenspersoon Integriteit
                            zelf als eventueel door anderen in de organisatie. Daar hoort ook bij
                            dat de Vertrouwenspersoon Integriteit de melder op de hoogte houdt van
                            de voortgang en eventueel de afhandeling. Van de monitorfunctie van de
                            Vertrouwenspersoon Integriteit gaat een positieve werking uit. Het
                            bevoegd gezag gaat wellicht zorgvuldiger om met het in behandeling nemen
                            van een melding, als hij weet dat een apart daartoe aangestelde
                            Vertrouwenspersoon Integriteit meekijkt.</al><al/><al>De Vertrouwenspersoon Integriteit fungeert in geval van een
                            vertrouwelijke melding ook als intermediair tussen de onderzoekers van
                            de melding en de melder als er verhelderende vragen ten aanzien van de
                            melding worden gesteld.</al><al>De Vertrouwenspersoon Integriteit kan geconfronteerd worden met
                            meldingen die niet tot zijn taak behoren, zoals arbeidsconflicten.
                            Arbeidsconflicten (zoal onenigheid over bevorderingen, interne vacatures
                            of arbeidsvoorwaarden) horen thuis bij de leidinggevende zelf, de OR of
                            de afdeling HRM. Hij zal de melder dan moeten doorverwijzen. Daarbij
                            moet de Vertrouwenspersoon Integriteit in de gaten houden dat de drempel
                            om zich tot een vertrouwenspersoon te wenden soms erg hoog is. De
                            Vertrouwenspersoon Integriteit moet de ambtenaar niet aan zijn lot
                            overlaten, maar bijvoorbeeld persoonlijk introduceren bij de juiste
                                persoon.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Melding door derden</vet></al><al>Indien een burger of een organisatie een melding doet over een door hem
                            vermoede misstand of onregelmatigheid, is dat in beginsel een klacht in
                            de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In hoofdstuk 9 van de
                            Awb is geregeld hoe die klacht wordt behandeld en is bepaald dat de
                            ombudsman kan worden benaderd indien de klager van oordeel is dat de
                            klacht niet naar behoren is behandeld. In lid 2 van artikel 11 is
                            aanvullend geregeld dat de leidinggevende van degene op wie de melding
                            betrekking heeft belast is met de behandeling daarvan. </al><al>Het derde lid regelt dat de beschermingsbepalingen van onderzoekers en
                            degenen die worden gehoord naar aanleiding van de melding ook in dit
                            geval van toepassing zijn. Hetzelfde geldt voor de bepaling dat het
                            bevoegd gezag er zorg voor draagt dat de informatie over de melding
                            zodanig wordt bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen toegankelijk is
                            voor diegenen die bij de behandeling van deze melding betrokken zijn. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    14. Vastlegging van de interne melding</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Zie voor de mogelijkheden om een interne melding te doen artikel 3 en 4.
                            Aan het melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid
                            zijn geen formele vereisten verbonden. Het doen van een melding is
                            vormvrij en kan zowel mondeling als schriftelijk worden gedaan.</al><al/><al>Lid 1 en 2 regelen dat de inhoud van de melding schriftelijk wordt
                            vastgelegd. Hiermee wordt voorkomen dat hier in een later stadium
                            verschil van inzicht over ontstaat.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 15.
                            Ontvangstbevestiging</onderstreept></vet></al><al/><al>Deze bepaling waarborgt dat de melder inhoudelijk op de hoogte wordt
                            gesteld van de ontvangst van de interne melding door de leidinggevende.
                            De melder heeft immers een gerechtvaardigd belang in staat te worden
                            gesteld om na te gaan of de melding goed en zorgvuldig wordt
                            behandeld.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Behandeling van de interne melding</vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand of
                            onregelmatigheid wordt in beginsel altijd een onderzoek ingesteld.
                            Hierop zijn twee uitzonderingen.</al><al/><al>De eerste uitzondering (onder a) is dat het vermoeden niet gebaseerd is
                            op redelijke gronden. Zie voor wat hieronder wordt verstaan de
                            toelichting bij artikel 1 lid 1 onder c. Hierin ligt tevens besloten dat
                            het vermoeden voldoende betrouwbaar en concreet moet zijn. Ook moet het
                            vermoeden redelijkerwijs ‘onderzoekbaar’ zijn. </al><al/><al>De tweede uitzondering (onder b) is de situatie dat reeds op voorhand,
                            dus zonder onderzoek te doen, duidelijk is dat de gemelde geen
                            betrekking heeft op een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.
                            Dat is het geval als op voorhand duidelijk is:</al><lijst><li nr="-"><al>dat met de gemelde gedragingen of gebeurtenissen niets mis is,
                                    of</al></li><li nr="-"><al>dat de gemelde gedragingen of gebeurtenissen niet ernstig genoeg
                                    zijn om als een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid
                                    te kunnen worden aangemerkt.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Een interne melding van een vermoeden van een misstand kan voor de
                            werkgever aanleiding zijn om aangifte te doen of een toezichthoudende
                            instantie van deze melding op de hoogte te brengen. Dit kan voortvloeien
                            uit een meldplicht, maar kan ook worden ingegeven door het openbaar
                            belang van de gemeente.</al><al>Lid 3 regelt dat deze beoordeling ook al in het stadium van het in
                            behandeling nemen van de melding wordt gemaakt. </al><al/><al><onderstreept>Ernstige bezwaren</onderstreept></al><al>De zinsnede “tenzij daartegen ernstige bezwaren bestaan” brengt tot
                            uitdrukking dat dit alleen in een uitzonderlijke situatie aan de orde
                            zal zijn. Bij de afweging of daar sprake van is, zal de werkgever moeten
                            meewegen:</al><lijst><li nr="-"><al>dat de melder een gerechtvaardigd belang heeft om na te kunnen
                                    gaan of de kennisgeving aan de externe instantie goed en
                                    zorgvuldig geschiedt, en</al></li><li nr="-"><al>dat de melder een geheimhoudingsplicht heeft tegenover de
                                    werkgever en de werkgever van de melder mag verwachten dat hij
                                    met alle gegevens en documenten die verband houden met de
                                    melding zorgvuldig omgaat.</al><al/></li></lijst><al>Indien desalniettemin tegen het zenden van een afschrift aan de melder
                            ernstige bezwaren bestaan, stuurt de werkgever de melder een
                            samenvatting waarin de informatie waartegen de ernstige bezwaren bestaan
                            wordt weggelaten.</al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien de melder aanwijzingen zou hebben dat de onderzoekers niet
                            onafhankelijk en onpartijdig zijn of zelfs betrokken zouden zijn of zijn
                            geweest bij de vermoede misstand of onregelmatigheid, kan hij de
                            leidinggevende daarvan op de hoogte stellen. De leidinggevende zal dan
                            moeten beoordelen of de onderzoekers aan de vereisten van lid 4
                            voldoen.</al><al/><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Zie voor de uitzonderlijke situatie dat er ernstige bezwaren bestaan de
                            toelichting bij lid 3.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    17. De uitvoering van het onderzoek</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 2 t/m 4</vet></al><al>Zie voor de bescherming van de medewerkers die bij het onderzoek
                            betrokken raken artikel 7 lid 3 en 4.</al><al/><al><vet>Lid 5 en 6</vet></al><al>Zie voor de uitzonderlijke situatie dat er ernstige bezwaren bestaan de
                            toelichting bij artikel 16 lid 3.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 18. Standpunt van de
                                werkgever</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>De in deze bepalingen neergelegde eerste termijn van in beginsel acht
                            weken voor het toezenden van een inhoudelijk standpunt aan de melder en
                            de verplichting om, als het langer dan twaalf weken gaat duren, aan te
                            geven waarom dit zo is, waarborgen dat de behandeling van de melding en
                            het onderzoek naar de vermoede misstand of onregelmatigheid voortvarend
                            wordt uitgevoerd.</al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 16 lid 3. Deze bepaling regelt dat deze
                            beoordeling ook na afronding van het onderzoek wordt gemaakt. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel
                                    20. Externe melding</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Lid 3 is in overeenstemming met de wet HvK (zie met name artikel 6 lid 1
                            onder d wet HvK). De bepaling geeft onder a t/m c voorbeelden van wat
                            onder een externe instantie wordt verstaan.</al><al/><al>Lid 3 onder c wijst onder meer op de mogelijkheid voor de melder om de
                            externe melding van een vermoeden van een misstand bij de afdeling
                            onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders te doen. Deze mogelijkheid is
                            geregeld in artikel 4 lid 1 onder a wet HvK.</al><al/><al>In artikel 6 lid 1 wet HvK zijn de vereisten voor het in behandeling
                            nemen van een externe melding bij de afdeling onderzoek van het Huis
                            geregeld. In artikel 6 lid 1 aanhef en onder d wet HvK is bepaald dat de
                            afdeling onderzoek van het Huis geen onderzoek instelt als deze oordeelt
                            dat “het vermoeden van de misstand ter beoordeling staat van
                            bestuursorganen of diensten die zijn belast met de opsporing van
                            strafbare feiten of met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                            of krachtens enig wettelijk voorschrift of een andere daartoe bevoegde
                            instantie waar het vermoeden van een misstand kan worden gemeld en het
                            bestuursorgaan, de dienst of de andere daartoe bevoegde instantie het
                            vermoeden van een misstand naar behoren behandelt of heeft
                            behandeld.”</al><al/><al>De afdeling onderzoek van het Huis heeft dus voor wat betreft de externe
                            melding van een vermoeden van een misstand een soort rest- en
                            achtervangersfunctie. De afdeling onderzoek van het Huis onderzoekt
                            externe meldingen als andere externe instanties niet bevoegd zijn, en
                            als zij de melding niet of niet naar behoren behandelen of hebben
                            behandeld.</al><al/><al>Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat de mogelijkheid tot het doen
                            van een externe melding van een vermoeden van een misstand bij de
                            afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders (artikel 14 lid 3
                            onder c) beperkt is tot een vermoeden van een misstand zoals
                            gedefinieerd in de wet HvK. De toevoegingen in de in deze modelregeling
                            gehanteerde definitie vallen daar niet onder. Zie voor wat ten opzichte
                            van de definitie in de wet HvK is toegevoegd de toelichting bij artikel
                            1 lid 1 onder c. Bij het doen van een externe melding bij een andere
                            externe derde of externe instantie spelen de beperkingen van de
                            definitie in de wet HvK niet.</al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Deze bepaling brengt tot uitdrukking dat de melder onder omstandigheden
                            ook een derde, die geen externe instantie is, op de hoogte kan brengen
                            van het vermoeden van een misstand. </al><al/><al>Deze bepaling is in overeenstemming met het recht op vrijheid van
                            meningsuiting tegenover de werkgever. Voorwaarde voor het doen van een
                            externe melding bij zo’n externe derde is dat voldaan is aan lid 1 of 2
                            en dat de melder een redelijke afweging maakt of het maatschappelijk
                            belang bij het doen van die externe melding zwaarder weegt dan het
                            belang van de werkgever bij geheimhouding.</al><al/><al>Bij zo’n externe derde kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een minister,
                            leden van de Tweede Kamer of een maatschappelijke organisatie. In het
                            uiterste geval kan de melder het recht hebben het vermoeden van een
                            misstand, bijvoorbeeld via de media, in de openbaarheid te brengen.
                            Voorwaarde voor het melden bij een externe derde is dat de melder dit op
                            proportionele wijze doet en de werkgever geen onnodige schade
                            berokkent.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 21. Publicatie, rapportage en
                                    verantwoording</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van de wet HvK is de werkgever verplicht aan de personen die
                            bij hem werken, een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken
                            van de procedure voor het omgaan met het melden van een vermoeden van
                            een misstand binnen zijn organisatie. </al><al/><al>Ex-werknemers, werknemers van de werkgever die anders dan uit
                            dienstbetrekking arbeid verrichten en werknemers van een andere
                            organisatie hebben echter meestal geen toegang (meer) tot het intranet
                            van de werkgever. Daarom schrijft deze regeling ook het openbaar maken
                            van de regeling op de website van de gemeente voor, naast officiële
                            bekendmaking in het Gemeenteblad. </al><al/><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>In artikel 10 lid 3 is bepaald dat de Vertrouwenspersoon Integriteit
                            twee maal per jaar aan de gemeentesecretaris verslag uitbrengt waarin in
                            elk geval wordt opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al>informatie over het aantal interne meldingen, meldingen van
                                    derden en een indicatie van de aard van de meldingen, de
                                    uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de
                                    werkgever;</al></li><li nr="b."><al>algemene informatie over de ervaringen met het tegengaan van
                                    benadeling van de melder;</al></li><li nr="c."><al>informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar
                                    benadeling in verband met het doen van een melding van een
                                    vermoeden van een misstand en een indicatie van de uitkomsten
                                    van de onderzoeken en de standpunten van de werkgever.</al></li></lijst><al>Dit verslag vormt een belangrijke basis voor het de terugkoppeling die
                            de burgemeester twee maal per jaar aan het bevoegd gezag geeft.</al><al>Het bevoegd gezag draagt zorg voor de jaarlijkse verantwoording aan de
                            gemeenteraad, middels een door de Vertrouwenspersoon Integriteit
                            jaarlijks op te stellen verslag. Om aan te sluiten bij de P&amp;C-cyclus
                            vindt deze verantwoording via een separaat verslag, gelijktijdig met de
                            jaarrekening, plaats. Het verslag zal voorafgaand aan de voorlegging aan
                            het bevoegd gezag, worden afgestemd met de burgemeester, de
                            gemeentesecretaris en de wethouder HRM.</al><al>Praktisch gezien zal de Vertrouwenspersoon Integriteit met het
                            voorbereiden en opstellen van dit verslag aan het bevoegd gezag zijn
                            belast.</al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>