<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42863_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Winterswijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-09-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Winterswijkse Weekkrant, 05-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-02-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010, nr. VI-3.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Winterswijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2010, nr. VI-3.</al><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>overwegende dat: </al><al>binnenkort de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking zal
                        treden;</al><al>gemeentelijke verordeningen zoals de Bouwverordening Wabo-proof dienen te
                        zijn voordat de Wabo in werking treedt;</al><al>de vereniging van Nederlandse Gemeente (VNG) per brief van 22 april 2010 de
                        wijzigingen voor de Bouwverordening heeft doorgegeven naar aanleiding van de
                        Wabo; </al><al>het college van burgemeester en wethouders een voorstel heeft gedaan om een
                        nieuwe Bouwverordening vast te stellen (incl. 13<sup>e</sup> serie
                        wijzigingen) zoals aangegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
                        (VNG);</al><al/><al>gelezen het voorstel van van 14 juni 2010, nr. VI-3;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>1. de Bouwverordening vast te stellen conform bijgaand concept en in werking
                        te laten treden op het moment dat de Wabo geldt;</al><al>2. de Bouwverordening van de gemeente Winterswijk vastgesteld op 28 januari
                        2010 in te trekken zodra de Wabo in werking treedt. </al><al/><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in</al><al>zijn openbare vergadering gehouden op 24 juni 2010,</al><al/><al>de voorzitter, de griffier, </al><al/><al><vet>Behoort bij raadsbesluit 2010, VI-3, bijlage 1:</vet></al><al/><al>Bouwverordening gemeente Winterswijk</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1 Inleidende bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</label></kop><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>asbest</vet>: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter
                            a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ;</al><al><vet>Bevoegd gezag: </vet>bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                            artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                            bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                            wethouders.</al><al><vet>bouwbesluit</vet>: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                            artikel 2 van de Woningwet ;</al><al><vet>bouwtoezicht</vet>: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                            van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                            woningtoezicht;</al><al><vet>bouwwerk</vet>: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                            metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                            hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                            steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                            functioneren;</al><al><vet>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8</vet>: hetgeen
                            daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                            Asbestverwijderingsbesluit 2005 ;</al><al><vet>gebruiksoppervlakte</vet>: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                            het Bouwbesluit ;</al><al><vet>hoogte van de weg</vet>: de hoogte van de weg zoals die door of
                            namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al><vet>NEN</vet>: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven norm;</al><al><vet>NVN</vet>: </al><lijst><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                    bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                                    sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><al><vet>straatpeil</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                    grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de
                                    weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst><al><vet>weg</vet>: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                            wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers,
                            de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                            de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><al><vet>bouwwerk</vet>: een gedeelte van een bouwwerk</al><al><vet>gebouw</vet>: een gedeelte van een gebouw </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><al>a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>b. het gebied buiten de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2 De aanvraag omgevingsvergunning</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag omgevingsvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al>a. De resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht
                                    volgens NEN 5740, uitgave 2009.</al><al>b. (vervallen)</al><al>c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                    veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                    asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt
                                    het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707,
                                    uitgave 2003.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn waaruit
                                    blijkt dat geen sprake is van een ernstige
                                    bodemverontreiniging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit een
                                    historische toets uitgevoerd door het bevoegd gezag of uit een
                                    vooronderzoek conform NEN 5725 (uitgave 2009) blijkt dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 (uitgave 2009) niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan,
                                    indien uit een historische toets uitgevoerd door het bevoegd
                                    gezag of uit een vooronderzoek conform NEN 5725 (uitgave 2009)
                                    blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen
                                    verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740
                                    (uitgave 2009) niet rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om omgevingsvergunning </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om omgevingsvergunning woonwagens en standplaatsen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om omgevingsvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering omgevingsvergunningverlening </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende omgevingsvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al/><al>a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al><al>b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor de
                                activiteit bouwen is vereist; en</al><al>c. 1. dat de grond raakt, of 2.waarvan het bestaande,
                                niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht, kan
                                het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in Regeling
                                omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor
                                een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. </label></kop><lid><lidnr/><al>Brandblusvoorzieningen</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van
                                    ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de
                                    kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al>b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                    motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn
                                    voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><al>c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht (Bor) geen vergunning is vereist,
                                    voorzover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                                    tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.3 A Brandweeringang</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                    het Bouwbesluit;</al><al>b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                    begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><al>a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                    tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                    voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                    Bouwbesluit .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><al>a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>b. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is
                                    dan het straatpeil;</al><al>b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel
                                    2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op een voor de
                                    voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al><al>c. laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                    overschrijden;</al><al>d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                    galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                    overschrijden;</al><al>e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                    hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                    dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld
                                    zijn in;</al><al>f. overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                    bouwwerken;</al><al>g. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met
                                    het oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                                    aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>- 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een
                                    strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>- 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II behorende
                                bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al><al>e. andere bouwwerken voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. </label></kop><lid><lidnr/><al>Afschuining van straathoeken</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a. de gevallen genoemd in 2.5.7 en in die waarin de afwijking
                                    genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>b. in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                    afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                    bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c. in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><al>a. gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b. gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d. bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II behorende bij het Besluit
                                    omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al><al>e. gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                    woningen;</al><al>f. gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g. gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                    afwijking is gebaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><al>a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                    vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                    ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                    grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien
                                    meer dan één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen
                                    kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                    een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                    voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                    herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der
                                    onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                    gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al><al>c.in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                    rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                    bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter;</al><al>d. in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                    bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                    zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4
                                    van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                    tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                    het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                    voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e. in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                    afstand die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen,
                                    welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op
                                    geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen met
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><al>a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                pluimveeteelt daaronder begrepen;</al><al>b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al><al>c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht
                                geen vergunning is vereist;</al><al>d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II behorende bij
                                het Besluit omgevingsrecht;</al><al>e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f. antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al><al>b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al><al>e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II behorende bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al><al>h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al><al>i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al><al>j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II behorende bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen
                                en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><al>a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                    achtergevel, en</al><al>b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                    begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft
                                    van ten minste 5 meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten
                                    beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><al>a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                    indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                    bestemd is;</al><al>b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                    wordt voldaan:</al><al>1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                    tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg
                                    en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                    weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die
                                    zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                    afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen
                                    voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit
                                    voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                    beletsel vormen;</al><al>b. indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><al>a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                    dan 1 meter breed zijn;</al><al>b. niet toegankelijk zijn.</al><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><al/><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12, van bijlage II behorende bij het Besluit
                                omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.</al><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><al>a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                    van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                    hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al><al>b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                    van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                    ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok;</al><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                    tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de -
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>a. 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II behorende bij
                                het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht
                                ;</al><al>c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn
                                of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al><al>d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><al>a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al><al>b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien
                                de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al><al>d. agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><al>1. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat;</al><al>2. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18, van bijlage II behorende bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al><al>g. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                soortgelijke aard;</al><al>h. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al><al>i. dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet
                                voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                behoren;</al><al>j. draagconstructies voor een reclame;</al><al>k. vrijstaande schoorstenen;</al><al>l. bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><al>a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al><al>b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al><al>c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al><al>d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                ordening, en</al><al>e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste
                                    1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m
                                    bedragen;</al><al>b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                    een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                    lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij
                                    5,00 m bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><al>a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                    omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                    stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar
                                de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                    dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen;
                                    of</al><al>b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                    leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar
                                    de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is
                                    het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het kunnen
                                    koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                                    verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a. voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                    m2;</al><al>b. voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                    verhuurd;</al><al>c. voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                    of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel
                                    2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming</label></kop><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor
                                verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te
                                bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen;
                                of</al><al>b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                    de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                    openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit
                                    lid:</al><al>a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                    aanwezig is;</al><al>b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                    binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                    noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan
                                    wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;</al><al>b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                    afvalwater, faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                    gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te
                                    lozen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                    milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen
                                    in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                                    ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het
                                    openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of
                                    de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op
                                    een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of
                                    lucht mogelijk is:</al><al>a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen;</al><al>b. voor agrarische bedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                    openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                    bepalingen:</al><al>a.leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                    waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                    overstort;</al><al>b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                    waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder zonder overstort,
                                    een gierput of een rottingput met overstort;</al><al>c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                    afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                    rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                    water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                    afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                    rottingput.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b,
                                    indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                    bodem en lucht mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3 De melding</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking vergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><al>a. de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al>b. andere toestemmingen;</al><al>c. het bouwveiligheidsplan;</al><al>d. een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b van de
                            Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                            oplegging van een last onder dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><al>a. het straatpeil is aangegeven</al><al>b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                            uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het
                                bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te
                                noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld:</al><al>a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                                begrepen;</al><al>b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan
                                van proefpalen daaronder begrepen;</al><al>c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</label></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al><al>a. de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige
                                wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de
                                installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder
                                meer mogelijk is;</al><al>b. machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer
                                door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen
                                worden gesteld;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                                ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                                verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig:</al><al>a. uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>b. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>c. het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag
                                worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al><al>a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al><al>b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>d. overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het gereedkomen:</al><al>a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de
                                riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden
                                en vloeren beneden straatpeil;</al><al>b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies moet het
                                bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                                bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al><al>a. het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>b. het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>c. de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                                vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur
                                nog beneden 2 graden Celsius is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><al>a. drassigheid;</al><al>b. stank;</al><al>c. verontreiniging;</al><al>d. aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>e. aanwezigheid van begroeiing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van
                                    ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de
                                    kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al>b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                    motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn
                                    voorzien van de nodige kunstwerken; en</al><al>c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                    het Bouwbesluit;</al><al>b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                    gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><al>a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                    tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                    voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                    Bouwbesluit .</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen </label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en logiesgebouwen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar
                                de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><al>a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>a. woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan
                                gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van
                                gastoevoer nodig is;</al><al>b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>c. woningen die niet worden verhuurd;</al><al>d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al>a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                    aanwezig is;</al><al>b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen;</al><al>c. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al>d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                    bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                    ruime mestkelder aanwezig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen:</al><al>a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al><al>b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al>d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al>d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte / Reinheid.</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie</label></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>6 Brandveilig gebruik</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</label></kop><al> (vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>7 Overige gebruiksbepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </label></kop><al>Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een
                                woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</label></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><al>a. bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne</label></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.3.1 </label></kop><lid><lidnr/><al> (vervallen)</al><al>Opmerking:</al><al><cursief>Artikel</cursief><cursief>352 van de
                                        Bouwverordening 1987 is gehandhaafd. Dit artikel luidt als
                                        volgt:</cursief></al><al/><al><vet>Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                                        terreinen in afwijking van de bestemming</vet></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als
                                    uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 Woningwet
                                    1901, hetzij vóór, hetzij na de inwerkingtreding van de Wet op
                                    de ruimtelijke Ordening (WRO, Stbl. no 286 van 1962) geen
                                    voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van de in die
                                    plannen of voorschriften begrepen bouwwerken, open erven of
                                    terreinen en geen aanpassing aan de WRO heeft plaatsgevonden, is
                                    het verboden die bouwwerken, open erven, of terreinen te
                                    gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een
                                    wijze of tot een doel strijdig met de uit dat plan of die
                                    voorschriften voortvloeiende bestemming, nadat de bij het
                                    bestemmingsplan aangegeven bestemming is verwezenlijkt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken
                                    en hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming,
                                    die zij blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Niet van toepassing is het bepaalde in de leden 1 en 2 voor een
                                    gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen
                                    wijziging wordt gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in de leden 1
                                    en 2. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder</label></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><al>a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm, of stof wordt verspreid;</al><al>b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                het bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al>c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>8 Slopen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, woonwagens daaronder begrepen, te
                                    slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                    gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan
                                    aan het besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen slechts voorschriften over:</al><al>a. de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van
                                    het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een
                                    fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie
                                    overig afval;</al><al>d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van
                                    de gegevens als bedoeld in , tweede lid, letter c, voor zover
                                    deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld
                                    over het slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><al>a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en
                                ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                kan worden gewaarborgd;</al><al>b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd;</al><al>d. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke erfgoedverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al><al>d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van
                                de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de
                                werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien: </al><al>a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al><al>b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden
                                is gemaakt;</al><al>c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan
                                    in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                    slopen van:</al><al>a. geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit
                                    een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt;</al><al>b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                    vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                    woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                    niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                    worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de
                                    oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking
                                    of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt;</al><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                    omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in tweevoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van:</al><al>a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al><al>b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                van kassen;</al><al>c. rem- en frictiematerialen;</al><al>d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al><al>e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</label></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of
                                een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                    slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan
                                    een deskundig bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                    afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                    bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                    uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                    minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                    bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en
                                    tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op
                                    asbest, zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                    binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het
                                    bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de
                                    eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                    het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                    slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht
                                    hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                                    woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    omgevingsvergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding
                                    krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden
                                    gescheiden in de navolgende fracties:</al><al>a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                    afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                    afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                    9);</al><al>b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>d. met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>e. asfalt;</al><al>f. dakgrind;</al><al>g. overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>9 Welstand</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de Welstandscommissie/Commissie Ruimtelijke Kwaliteit</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan
                                het Gelders Genootschap tot bevordering en instandhouding van de
                                schoonheid van stad en land die uit haar midden personen voordraagt
                                als lid van de Welstandscommissie/ Commissie Ruimtelijke
                                Kwaliteit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de Welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de Welstandscommissie/ CRK</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vier leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de commissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                                bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de commissie en
                                hun plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en
                                wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn van
                                drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor
                                een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de commissie dat als bij deze verordening
                                is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden,
                                nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor
                            de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><al>- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota;</al><al>- de werkwijze van de commissie;</al><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al><al>- de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>- de bijzondere projecten.</al><al>De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van
                            het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                            aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft
                                verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                                gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                                deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet,
                                waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase
                                en de beraadslagingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                                bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                                bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                                verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd
                                gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                                daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><al>a. op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>10 Overige administratieve bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>11 Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</label></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</label></kop><al>(vervallen door gewijzigde bepaling 2.1.5 BVO)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</label></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een vergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van
                            de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond
                            van artikel 40 van de Woningwet danwel omgevingsvergunning op grond van
                            artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo eisen aan de bereikbaarheid van dat
                            gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Overgangsbepaling</label></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming anderszins,
                            die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze verordening van kracht
                            wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de
                            bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór
                            onderhavige wijziging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.7 Slotbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt:</al><al>a. de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d 28 januari
                                2010, en alle daarin aangebrachte wijzigingen met uitzondering van
                                artikel 352 van de bouwverordening vastgesteld d.d. 24 september
                                1987;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening'.</al><al/><al/><al/><al/><al><vet>Behoort bij raadsbesluit 2010, nr VI-3, bijlage 2:</vet></al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting bouwverordening gemeente Winterswijk</label></kop><divisie><kop><label>1 Inleidende bepalingen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>Asbest</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest:
                        de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet
                        (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                        (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                        (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                        zijn verwerkt.</al><al>Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al><cursief>Bevoegd gezag: </cursief></al><al>De begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ is opgenomen in de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en in de Woningwet. Daarom moet ook in de
                        bouwverordening het begrip ‘bevoegd gezag’ worden opgenomen. De Wabo
                        introduceert de omgevingsvergunning en schaft de bouwvergunning af. Het
                        Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab) alsmede het
                        Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        (Bblb) is ingetrokken. De indieningsvereisten zijn opgenomen in de Regeling
                        omgevingsrecht (Mor). De bouwvergunningvrije bouwwerken zijn in bijlage II
                        van het Besluit omgevingsrecht (Bor) opgenomen. Voor de toepasbaarheid van
                        de verordening worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                        ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ opgenomen. Uiteraard bestaat maar één
                        omgevingsvergunning, geen twee.</al><al>Bouwbesluit</al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                        geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                        het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn
                        de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                        opgenomen.</al><al>Bouwtoezicht</al><al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht
                        aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van
                        de Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet
                        bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en
                        handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken
                        en brengt geen verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is
                        naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele
                        bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden. Op
                        grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en
                        wethouders degenen aan die belast zijn met het bouw- en woningtoezicht.</al><al>Gebruiksoppervlakte</al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip
                        naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij
                        ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei
                        1992).</al><al>De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent
                        overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Model-bouwverordening.</al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                        Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager
                        om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                        gebruiksoppervlakten.</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                        jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe
                        MBV gehandhaafd.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                        bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel
                        1 van de Woningwet.</al><al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                        ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van
                        de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis
                        van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig
                        blijft.</al><al>Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                        rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                        meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel
                        43 van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige
                        bouwwerken als meldingplichtig zijn benoemd, zijn
                        bouwvergunningplichtig.</al><al>Deskundig bedrijf</al><al>‘Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing
                        van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is
                        van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                        Arbeidsomstandighedenbesluit.’</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen</label></kop><al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een
                        gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet
                        van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is
                        bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de
                        Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</label></kop><al>Algemeen</al><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van
                        kracht, die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied
                        buiten de bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of
                        meer bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften
                        van de bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het
                        gebied binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele
                        aanvulling op de voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen
                        de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege
                        de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of
                        dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de
                        desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele
                        aanvulling op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen.</al><al>Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van
                        de gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol
                        onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften
                        voor de toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het
                        is praktisch om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de
                        bouwverordening behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip 'bebouwde
                        kom', zoals dat voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening, lijkt niet gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige
                        begrenzing kan worden afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening
                        behorende, kaart kan tevens worden gebruikt om op overzichtelijke wijze de
                        eventuele gebieden aan te duiden die zijn vrijgesteld van
                        welstandstoezicht.</al><al>In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan
                        continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de
                        voorschriften voor de ligging van de rooilijnen en die voor de
                        maximumbouwhoogten. Daarom zijn in veel gemeenten de begrenzingen van de
                        bebouwde kom en die van het buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van
                        de bouwverordening 1965 naar de bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf
                        dat daardoor het begrip 'bebouwde kom' in de zin van de bouwverordening
                        meestal verschilt van het begrip 'bebouwde kom' in de zin van de
                        wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het Besluit op de
                        ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd.</al><al>Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens
                        belangrijker geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan
                        zonder uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van
                        een volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van
                        de bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de
                        werkingssfeer van het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien
                        verdwenen bij de komst van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name
                        ten aanzien van bestaande bestemmingsplannen die in het verleden onbewust
                        onvolledig blijken te zijn vastgesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>2 De aanvraag Omgevingsvergunning</label></kop><al>Algemeen</al><al>De Invoeringswet Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) brengt onder
                        meer wijziging in de Woningwet. Dit heeft gevolgen voor de bouwverordening.
                        De bouwvergunning wordt omgevingsvergunning. </al><al>Omdat hoofdstuk 2 mede het toetsingskader vormt voor de omgevingsvergunning,
                        wordt dit hoofdstuk afgestemd op de Wabo.</al><al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                        2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                        1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                        ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning, door b&amp;w wordt
                        beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt gevraagd bij
                        het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie
                        en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager
                        -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden
                        waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                        b&amp;w aanleiding zijn de vergunning te weigeren. Het vragen van een advies
                        is facultatief. </al><al>Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht
                        geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd.
                        Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie
                        van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in
                        relatie tot de Woningwet (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob).</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                        (Stb. 1994, 1).</al><al>Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en
                        overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de
                        Awb opgenomen. Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.</al><al>Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld
                        door de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen
                        van een gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een
                        algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt
                        voorzien, van rechtswege op te gelden.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</label></kop><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot
                        doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel
                        2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel
                        is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een
                        bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de
                        relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit
                        omgevingsrecht, bijlage II.</al><al>Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003
                        vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles
                        beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de
                        bouwverordening.</al><al>In verband met de begripsomschrijving bevoegd gezag in de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht en de in verband daarmee gewijzigde Woningwet,
                        wordt in de bouwverordening ‘burgemeester en wethouders’ vervangen door
                        ‘bevoegd gezag’ en wordt ‘Besluit bouwwerken’ vervangen door ‘Besluit
                        omgevingsrecht, bijlage II’.</al><al>Het jaar van uitgave van NEN normen moet worden geactualiseerd. De genoemde
                        Protocollen zijn niet meer verkrijgbaar. Op grond van de artikelen 11
                        Woningwet en 2.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in de
                        bouwverordening het begrip ontheffing vervangen door het afwijken van een
                        voorschrift. Deze verandering geldt naast dit artikel ook voor een reeks
                        andere artikelen uit deze verordening.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                        onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                        wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                        onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien
                        het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de
                        locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het
                        vierde en vijfde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van
                        het verkennend onderzoek. </al><al>Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                        bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                        onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek,
                        verkennend onderzoek en nader onderzoek.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                        beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                        wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie. De
                        mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                        dienstverlening aan de burger worden aangeboden. Het bevoegd gezag maakt
                        bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen
                        van een omgevingsvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan
                        plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een
                        intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau
                        waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op
                        1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting
                        niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van
                        artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van
                        het bouwen dat naar aard en omvang gelijk te stellen is aan vergunningsvrij
                        bouwen als genoemd in het Besluit Omgevingsrecht. Daarbij kan bijvoorbeeld
                        worden gedacht aan het plaatsen van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan
                        een utiliteitsgebouw. De hoogte van een bouwwerk b.v. behoort bij de
                        beoordeling of een bodemonderzoek is vereist geen rol te spelen.</al><al>Lid 3</al><al>Het begrip 'bruikbare recente onderzoeksresultaten' houdt in dat het
                        uitgevoerde bodemonderzoek niet ouder is dan 5 jaar en dat het van voldoende
                        kwaliteit is. Bovendien moet uit het bodemonderzoek blijken dat geen sprake
                        is van een ernstige bodemverontreiniging. Overigens betekent het feit dat
                        geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging niet zondermeer dat er
                        geen risico’s zijn bij het (toekomstig) gebruik. Het bevoegd gezag behoudt
                        zich in dat geval het recht voor om de omgevingsvergunning onder voorwaarden
                        te verlenen.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                        klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                        categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend.
                        De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.</al><al>Voor deze categorie bouwwerken is ontheffing van bodemonderzoek mogelijk
                        indien uit een vooronderzoek conform NEN5725 (uitgave 2009) of uit de
                        historische toets uitgevoerd door de gemeente blijkt dat geen
                        bodemverontreiniging wordt verwacht (d.w.z. geen “verdachte” locaties). Uit
                        de vastgestelde bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt immers dat de
                        bodemkwaliteit buiten “verdachte” locaties geschikt is voor de
                        gebruiksfunctie wonen.</al><al>De historische toets heeft niet dezelfde status als een vooronderzoek
                        conform NEN5725 (uitgave 2009). In het beleid dat de gemeente heeft
                        opgesteld is omschreven wat de historische toets inhoudt. </al><al>Lid 5</al><al>Analoog aan lid 4 is ook voor andere bouwwerken ontheffing van
                        bodemonderzoek mogelijk indien uit een vooronderzoek conform NEN5725
                        (uitgave 2009) of uit de historische toets uitgevoerd door de gemeente
                        blijkt dat geen bodemverontreiniging wordt verwacht (d.w.z. geen “verdachte”
                        locaties). Uit de vastgestelde bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt
                        immers dat de bodemkwaliteit buiten “verdachte” locaties geschikt is voor de
                        gebruiksfunctie wonen.</al><al>De historische toets heeft niet dezelfde status als een vooronderzoek
                        conform NEN5725, uitgave 2009. In het beleid dat de gemeente heeft opgesteld
                        is omschreven wat de historische toets inhoudt. </al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                        voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van
                        deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                        gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                        overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek
                        tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</label></kop><al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV
                        opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van
                        uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor
                        het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was
                        in artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester
                        en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van
                        ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten ontbrak sinds 1
                        januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de fatale
                        beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april 2007
                        voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt dat
                        burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag aantekenen
                        en een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden.</al><al>Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet
                        op termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                        beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                        lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes
                        weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                        uitzonderingen.</al><al>Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op
                        een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld
                        in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is,
                        de termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of
                        tweede fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing
                        is; zie artikel 46 en 49 van de Woningwet.</al><al>Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken
                        betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de
                        Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het
                        bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het
                        verdagen van de beslissing daarop.</al><al>Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van
                        belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt
                        artikel 41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om
                        bouwvergunning. Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan
                        van een fictief verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen
                        maken ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de
                        uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen
                        kenbaar zijn.</al><al>Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn
                        van zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is
                        echter nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van
                        een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de
                        beslissing over een aanvraag om bouwvergunning. Bovenstaand verhaal is
                        achterhaald waneer de Wabo in werking treedt aangezien dan geen onderscheid
                        wordt gemaakt in licht- en reguliervergunningplichtige bouwwerken. Artikel
                        15,17 en 19 WRO zijn bij in werking treding van de Wet ruimtelijke ordening
                        per 1 juli 2008 reeds vervallen en komen nu in de Wabo gedeelteijk weer
                        terug (2.12 Wabo o.a.).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende bouwvergunning</label></kop><al>De van rechtswege verleende vergunning is geregeld in artikel 3.9 Wabo
                        waardoor dit artikel uit de Bouwverordening kan worden geschrapt. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</label></kop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</label></kop><al>Gemeente heeft een bodembeleid opgesteld dat gehanteerd wordt bij aanvragen
                        om omgevingsvergunning. Voor een toelichting hieromtrent wordt verwezen naar
                        dat beleid. Door inwerkingtreding van de Wabo wordt de term bouwvergunning
                        vervangen in de tekst door omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
                        Het onderscheid tussen licht- en regulier bouwvergunningplichtig vervalt
                        door het vervallen van het Bblb eveneens. In bijlage II van het Besluit
                        Omgevingsrecht (Bor) staan nieuwe vergunningvrije bouwactiviteiten vermeld.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</label></kop><al>Zie voor een toelichting het door gemeente opgestelde bodembeleid dat
                        gehanteerd wordt bij aanvragen om bouwvergunning. In verband met de in
                        werkingtreding van de Wabo is de term bouwvergunning vervangen door de term
                        omgevingsvergunning (voor bouwen). </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</label></kop><al>Algemeen</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de
                        Model-bouwverordening. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid
                        in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan
                        anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat
                        er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp
                        betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval.
                        Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval
                        bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                        stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                        bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><lijst><li nr="·"><al>a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of,</al></li><li nr="·"><al>b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening
                                ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                                of,</al></li><li nr="·"><al>c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met
                                de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                        bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                        laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                        MBV.</al><al>Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                        introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                        minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende
                        beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake
                        blijft van continuïteit van de stedenbouwkundige eisen in de
                        (model)bouwverordening sinds 1965.</al><al>De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften
                        zijn geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven geboden.
                        Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften
                        zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>- De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie
                                artikel 9 van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een
                                bestemmingsplan van kracht is, moet worden aangenomen, dat de
                                stedenbouwkundige voorschriften slechts rechtskracht hebben, voor
                                zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of ten dele van zijn
                                kracht beroofd wordt.Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet
                                heeft ten opzichte van het oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel
                                een verduidelijking ondergaan. De voorschriften van de
                                bouwverordening treden alleen terug, als het bestemmingsplan over
                                hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat of als het
                                bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van de
                                bouwverordening terugtreden.Uit jurisprudentie blijkt dat onder
                                bepaalde voorwaarden de conflictregel uit artikel 9 van de Woningwet
                                zodanig kan worden toegepast dat ook een toekomstig bestemmingsplan
                                de bepalingen van de bouwverordening opzij kan zetten. Indien met
                                toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                                geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden
                                bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt
                                van het van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde
                                daarvan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond
                                treden bij de toepassing van de conflictregel. In deze hoedanigheid
                                kan het toekomstige bestemmingsplan bepalingen uit de
                                bouwverordening terzijde schuiven. Een eerste vereiste hiervoor is
                                dat er sprake is van een ontwerpbestemmingsplan dat reeds een
                                voldoende concreet toetsingskader biedt en waarvan redelijkerwijs te
                                verwachten is dat het onherroepelijk zal worden. Een tweede vereiste
                                is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                                vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of
                                het bouwplan past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets
                                moet ook bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig
                                is met de bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de
                                orde komt. Als onder deze omstandigheden blijkt dat de
                                bouwverordening voorschriften geeft die niet overeenstemmen met het
                                toekomstige bestemmingsplan, dan blijven deze voorschriften bij de
                                toetsing van het concrete bouwplan buiten toepassing. Voor gebieden
                                waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie op voet
                                van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de
                                orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om
                                vrijstelling te verlenen van de verboden tot bouwen met
                                overschrijding van de voor- en achtergevelrooilijn en van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte, mits het
                                bouwplan past in het toekomstige bestemmingsplan. Ook hier geldt
                                daarbij de eis dat dit bestemmingsplan het stadium van 'intern
                                praatstuk' is gepasseerd, hetgeen in het betreffende artikel nader
                                is geconcretiseerd.(Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz. 671, Gst.
                                7022, 9, m.nt. De Gier. Zie tevens ARRS, 18 september 1986, AB
                                1987,135).</al></li><li nr="·"><al>- De tweedeling in bouwvergunningplichtig en vergunningvrij bouwen.
                                De stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                                bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het
                                hoofd worden gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in
                                van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten altijd
                                bouwvergunningplichtig zijn. De stedenbouwkundige voorschriften zijn
                                aangepast aan de Wabo en het Bor.</al></li><li nr="·"><al>- Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de
                                MBV parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van
                                parkeerartikelen is mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit
                                vooralsnog geen regeling ter zake zal bevatten.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29
                                is ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van
                                omwonenden beïnvloed worden. Tot en met de achtste serie wijzigingen
                                MBV gaf artikel 2.5.1 een begrenzing van die
                                ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar voor een onredelijke
                                benadeling van belangen van de omwonenden tegen te gaan. Deze
                                bepaling hield in dat</al><lijst><li nr="·"><al>a. een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige
                                        ligging mocht krijgen dat tot een bestaand deel ervan of een
                                        ander bouwwerk niet meer voldoende licht en lucht zou kunnen
                                        toetreden, dan wel dat de goede werking van schoorstenen en
                                        ventilatiekanalen zou worden belemmerd.</al></li><li nr="·"><al>b. bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning
                                        moest worden aangenomen dat alle om het bouwterrein liggende
                                        terreinen zijn bebouwd tot de hoogte en de oppervlakte die
                                        ten hoogste zonder vrijstelling of ontheffing mogelijk zijn
                                        krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening of enige
                                        andere verordening.</al></li><li nr="·"><al>c. Bij overschrijding van een of meer van de onder b
                                        bedoelde maxima door een bestaand bouwwerk in afwijking van
                                        het gestelde onder b moest worden uitgegaan van de
                                        werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.</al></li></lijst><al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de
                                hier bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou
                                veroorzaken, niet gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de
                                nieuwbouw kan immers met de eigenaar van het bestaande gebouw
                                overeenkomen dat op kosten van eerstgenoemde de nodige veranderingen
                                aan het bestaande pand worden aangebracht (bijvoorbeeld grotere of
                                andere ramen, mechanische gasafvoer e.d.).</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering
                                gemeentebestuur heeft de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer
                                de bevoegdheid om op grond van artikel 148 Gemeentewet bij
                                verordening beleidsregels (i.c. richtlijnen) vast te stellen,
                                waarmee andere bestuursorganen van de gemeente (i.c. B&amp;W)
                                rekening dienen te houden bij de uitoefening van bij of krachtens de
                                wet verleende bevoegdheden. Het belang van begrenzing van
                                ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks 2.5.2 tot en met 2.5.29
                                MBV blijft echter ook na 7 maart 2002 onverkort aanwezig. Titel 4.3
                                Awb omvat een algemene bevoegdheid voor bestuursorganen om voor
                                eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De inhoud van het
                                vervallen artikel 2.5.1 MBV kan aldus als beleidsregel bij besluit
                                van burgemeester en wethouders opnieuw worden vastgesteld en
                                bekendgemaakt. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de
                                gemeenteraad bijvoorbeeld in een beleidsnota de kaders aangeeft,
                                waarbinnen het college van b&amp;w zijn bevoegdheid dient uit te
                                oefenen. Zo'n beïnvloeding van het collegebeleid kan echter alleen
                                in politieke zin gehandhaafd worden!</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de
                                bouwverordening dan wel in een bestemmingsplan bij een bepaald
                                gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens
                                meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw,
                                waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt
                                vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Lid 1</al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het
                                verblijf van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en
                                brandweerauto's niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar
                                ook bepaalde bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals de tribunes van
                                sportvelden.</al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter
                                wordt bepaald, dan correspondeert deze met de maat, bij
                                overschrijding waarvan - ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet
                                1954 berust - een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht
                                in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10
                                meter verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de
                                voorkeur, omdat anders de lengte van de blusslangen te groot
                                wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een
                                verbindingsweg in de zin van het eerste lid, moet de
                                omgevingsvergunning worden geweigerd. Eventueel kan de
                                omgevingsvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen
                                pas mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die
                                aan de eisen voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan
                                betekenen dat de aanvrager eerst moet zorgen dat hij beschikt over
                                een toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het
                                aansluiten ervan op het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het
                                aanleggen van wegen door particulieren) is opgenomen in het
                                VNG-model voor de algemene plaatselijke verordening (APV). Eventueel
                                kan ook een privaatrechtelijke toestemming tot aansluiten vereist
                                zijn; een dergelijke toestemming tot uitwegen is - gelet op artikel
                                14 van de Wegenwet - niet nodig voor het aansluiten, c.q. uitwegen
                                op openbare wegen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het
                                kader van de achtste serie wijzigingen van de Model-bouwverordening
                                1992 (d.d. najaar 2002) is doorgevoerd, is de gepubliceerde
                                jurisprudentie van voordien niet meer toepasselijk (ABRS 25 januari
                                2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg Boxmeer).</al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het
                                gebruik door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar behoeven
                                te kunnen passeren. De eis voor het draagvermogen van de verharding
                                en een eventuele brug over een sloot of iets dergelijks is eveneens
                                afgestemd op het gebruik door genoemde gangbare vrachtauto's.</al><al>Lid 4</al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te
                                worden aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.</al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien
                                de plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik
                                beschikt.</al><al>Lid 5</al><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al><lijst><li nr="·"><al>a. aansluiting op het distributienet van de
                                        drinkwaterleiding;</al></li><li nr="·"><al>b. aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater
                                        zijnde;</al></li><li nr="·"><al>c. speciaal gegraven blusvijver;</al></li><li nr="·"><al>d. ander oppervlaktewater;</al></li><li nr="·"><al>e. waterput of bron.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>De onderhavige afwijking kan worden verleend voor gebouwen die door
                                hun aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus
                                ook geen opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben.
                                Voorbeelden: recreatiewoonverblijven die aan het water liggen en
                                over een aanlegsteiger beschikken, bergplaatsen voor materialen bij
                                waterstaatwerken, vrijstaande boerenschuren, schuilhutten e.d.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</label></kop><lijst><li nr="·"><al>de toelichting bij dit artikel vervalt doordat het Besluit
                                brandveiligheid gebruik bouwwerken (Stb. 2008,237) reeds voorziet
                                nin het bepaalde van 2.5.3A. Vanaf de inwerkingtreding van het
                                besluit per 1 november 2008 is de inhoud van rechtswege vervallen.
                            </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het
                                Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van
                                gebouwen voor al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde
                                bepalingen is tevens geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van een
                                gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone
                                waarin de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden
                                genoemd. Indien in gebieden van de gemeente waarvoor geen
                                bestemmingsplan geldt, wegen zouden voorkomen van meer dan 30 meter
                                breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient het de voorkeur om
                                het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a
                                bedoeld, aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="·"><al>- bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen
                                        op een afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as
                                        van de weg;</al></li><li nr="·"><al>- bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten
                                        minste 10 meter bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de
                                        as van de weg;</al></li><li nr="·"><al>- bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de
                                lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de
                                wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                                (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om
                                misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met
                                overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen. Het onderhavige
                                verbod geldt niet voor vergunningvrije bouwwerken. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II van het Bor. Door de verruiming van de categorie vergunningvrije
                                bouwwerken kan in toenemende mate samenloop ontstaan tussen
                                vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt
                                de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die ook
                                uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een
                                vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel
                                uitmaakt van een (meeromvattend) licht-, dan wel
                                regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                                echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter
                                op dat onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn.
                                In geval van samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder
                                dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen wordt aangetast
                                (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat bij een
                                eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                                aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de
                                aanvraag is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De voor dit
                                artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7 van
                                bijlage II van het Bor kent betreft een uitbreiding van het bebouwd
                                oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                                aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd
                                oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                                afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                                vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting
                                behoort. De bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als
                                veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van het Bor
                                kunnen worden beschouwd:</al><lijst><li nr="·"><al>1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                        straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                        0,20 m overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen,
                                        waaronder pilasters en gevellijsten, plinten, enigszins
                                        uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="·"><al>2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m
                                        boven straatpeil, mits zij de voorgevelrooilijn met niet
                                        meer dan 0,50 m overschrijden, bij voorbeeld
                                        gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                                        dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien
                                        uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder
                                        overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen
                                        burgemeester en wethouders dus in het algemeen overwegen
                                        daartegen repressief op te treden. Indien in een
                                        bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van
                                        rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar
                                        ter zake de artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de
                                        bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het
                                        aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                                        met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de
                                        voorbeelden) onder tussenvoeging van de woorden ', te
                                        weten:'.</al></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent
                                artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid van vrijstelling voor het geval,
                                dat er een bestemmingsplan in voorbereiding is.</al><al>Artikel 2.5.8 is afgestemd op artikel 2 van bijlage II behorende bij
                                het Bor. De vermelding van artikel 2 van bijlage II behorende bij
                                het Bor in artikel 2.5.8 is vooral van belang om het misverstand,
                                dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                                vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2 bijlage II behorende bij het
                                Bor, uit te sluiten.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om afwijking toe te staan voor op
                                het eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op bijlage II behorende bij het Bor. Zie
                                voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Lid 4, onder a</al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij
                                elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                                gevangenissen vallen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                                zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen,
                                die een ruim voorterrein vragen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                                achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die
                                elkaar dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen,
                                omdat artikel 2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de
                                lijn die - behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de
                                wegzijde (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                                (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om
                                misverstand te voorkomen - een direct verbod tot bouwen met
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens
                                opgevat worden als een - verboden - overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Zie de motivering onder artikel 2.5.6 en artikel 2.5.7. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Zie de motivering onder artikel 1.1 en 2.1.5 en onder artikel 2.5.7.
                                De terminologie wordt in overeenstemming gebracht met de Wabo. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                                'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het
                                ruimschoots voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van
                                het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling
                                wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen
                                de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                                aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens
                                het motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het
                                (gedeeltelijk) samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt
                                hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er
                                dus open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het
                                gebouw behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop'
                                beschikt, zou ontheffing van de voorgeschreven erfgrootte kunnen
                                worden verleend.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van
                                de bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere
                                oppervlakte dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar
                                zijn ten behoeve van het opheffen van onbevredigende situaties in
                                het gebouw waarvoor binnen het gebouw geen oplossing kan worden
                                gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het gebouw tegen
                                een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                                in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie
                                van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de
                                bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen
                                aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk
                                Wetboek, want in laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat
                                van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en
                                muren waarin vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten
                                worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                                dienstwoningen. Bij het hanteren van de afwijking dient bovendien
                                onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen, waarin het gaat om
                                een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen en een
                                bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen
                                voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de
                                afwijking minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke
                                open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen,
                                omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De
                                bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan
                                te plaatsen als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte
                                te realiseren. De afwijking kan worden verleend, indien de smalle
                                open ruimte voldoende, bij voorbeeld door een opening in de zijgevel
                                van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij het verlenen van
                                een afwijking als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard ook gelet
                                moeten worden op het bepaalde in artikel 2.5.1.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar
                                het recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de
                                eventuele beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht
                                nemen. Laatstgenoemde voorschriften spelen echter meestal slechts
                                een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in principe een
                                vergunningvrij bouwwerk, althans indien de vermelde beperkingen ten
                                aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere
                                erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en
                                behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                                bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening.
                                Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van
                                laatstgenoemd artikel afwijking toestaan voor het bouwen van
                                bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                                terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare
                                draairichting van beweegbare delen van erf- en
                                terreinafscheidingen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige
                                bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het
                                tweede lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                                hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor
                                aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                                hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een
                                omgevingsvergunning aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in
                                het gebied van een bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat
                                bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een andere regeling ter zake
                                bevatten; zie artikel 9 van de Woningwet 1991.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in
                                hoeverre het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen toelaatbaar is en zo ja, onder welke
                                voorwaarden, is het artikel geredigeerd als een verbod, waarvan
                                eventueel afwijking kan worden verleend. De aan een afwijking te
                                verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht zowel op
                                de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het
                                voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en
                                leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                                bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                                aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de
                                hoogspanningslijn of de hoofdtransportleiding. Krachtens
                                overeenkomst met de NV Nederlandse Gasunie zal de gemeente van
                                derden in elk geval het plegen van dergelijk overleg verlangen,
                                indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt gebouwd.
                                Voor hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen
                                praktische betekenis hebben, indien op het betrokken perceel een
                                recht van opstal is gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub
                                b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat geval heeft het
                                recht van opstal niet alleen betrekking op vergunningplichtige
                                bouwwerken, maar ook op vergunningvrije. Meestal betreft het dan
                                vrij te houden stroken van 2 x 30 meter, waarin echter onder
                                voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde bouwwerken, machines e.d.
                                is toegestaan.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                                voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot
                                de afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid
                                is aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige
                                bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening,
                                maar ook op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht.
                                Gezien de vaste fysische gegevenheden op het gebied van met name de
                                daglichttoetreding is dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de
                                maximumhoogten in de voor- en in de achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven
                                straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                                aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten
                                beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch
                                geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de
                                gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                                stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen
                                de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van
                                de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige
                                ordening is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor
                                enerzijds de bebouwde kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en
                                anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de
                                figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting behorende
                                bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij
                                voorbeeld een vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de
                                weg ligt. Veelal zal een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg
                                liggen om een beperkende invloed op de maximumhoogte van het
                                bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter niet
                                ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                                voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een
                                dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16). Zie motivering artikel
                                2.5.6.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20 en artikel 2.5.6.</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak
                                door de achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de
                                achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader
                                toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor de bouwhoogte in rekening te
                                brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat
                                bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn voor
                                twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de
                                plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie
                                figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied
                                of anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de
                                bouwhoogte in het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de
                                in het eerste t/m derde lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste
                                hoogte-diepteverhouding van het binnenterrein van gesloten
                                bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat krachtens het
                                bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                                van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                                genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="·"><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken
                                met die van het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de
                                strekking is onveranderd gebleven. Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel
                                tegenover een achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor
                                de - op die zijgevel aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan
                                het in overigens verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden
                                verantwoord zijn om afwijking te verlenen voor het laten optrekken
                                van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                                hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="·"><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                                gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                                binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die
                                elkaar in het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide
                                naar beneden lopen tot hun goot.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Ad a</al><al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op bijlage II behorende bij het Bor. De
                                redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                                onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij
                                bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze
                                onderdelen deel uitmaken van de aanvraag is het niet logisch om het
                                verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                                toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te
                                vernieuwen of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou
                                namelijk de vergroting van een bouwwerk betreffen. Voor de
                                vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24
                                onverkort van toepassing, zij het behoudens vrijstelling ingevolge
                                artikel 2.5.28, onder e.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte</label></kop><lijst><li nr="·"><al>zie artikel 1.1 en artikel 2.1.5 en artikel 2.5.6. </al><al>Ad e, onder 1</al><al>Deze afwijking zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw
                                betreft, dat aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van
                                vroegere voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de
                                afwijking kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                                afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                                enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake
                                afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten
                                het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een
                                bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte
                                aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                                voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor
                                bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de
                                stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                                bestemmingsplan. Een nieuwe tekst voor dit artikel blijkt nodig. Het
                                nieuwe artikel is afgestemd op artikel 2.12, eerste lid, sub 3 van
                                de Wabo. Voorheen was een verdagingstermijn opgenomen, thans dient
                                een verdagingsbesluit te zijn gebaseerd op artikel 3.9, tweede lid
                                Wabo.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><lijst><li nr="·"><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008
                                behoort het onderwerp parkeren te worden geregeld in de (nieuwe)
                                bestemmingsplannen. Als uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de
                                Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8, vijfde lid van de Woningwet
                                vervalt. </al><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                                Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een
                                nieuwe datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat
                                onder meer het ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft
                                bestaan, ook indien op grond van de nieuwe Wro een bestemmingsplan
                                wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in een regeling over het
                                parkeren. </al><al>Zie voor de gewijzigde terminologie ‘bevoegd gezag’ de motivering
                                onder artikel 1.1 en 2.1.5. De ontheffing is zoals elders in deze
                                verordening vervangen door afwijking. Deze afwijking wordt door het
                                bevoegd gezag toegestaan in de te verlenen omgevingsvergunning.</al><al>Wij gaan ervan uit dat aan de omgevingsvergunning en meer specifiek
                                aan deze afwijking financiële voorwaarden verbonden kunnen worden
                                strekkende tot het storten van geld in een parkeerfonds.</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                                overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom
                                per bouwvergunning te bepalen normstelling hangt af van onder meer
                                de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                                verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de
                                eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                                daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                                mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is
                                aansluiting wenselijk op het voorgestane verkeers- en
                                vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en
                                vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige
                                minimum aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort
                                voertuig en de bestemming van het gebouw, zie de uitgave
                                Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom
                                (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting Centrum
                                voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en
                                de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of
                                www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per
                                te verlenen omgevingsvergunning worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd,
                                per te verlenen vergunning een verantwoorde parkeernorm worden
                                bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                                praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                                vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling
                                om in een concrete omgevingsvergunning bij voorbeeld een afwijking
                                naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per
                                openbaar vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat
                                niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                                voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een
                                correcte naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende
                                parkeerplaatsen op eigen terrein aan te brengen zou immers
                                gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                                afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het
                                Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel
                                218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                                Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel
                                over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden
                                voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de
                                wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                                parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum
                                wordt voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw
                                fabrieksgebouw van een laad- en losperron (met een op het
                                fabrieksterrein gelegen, bijbehorende opstelstrook voor
                                vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot afwijking van de eis in het eerste lid om een
                                parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder
                                eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor verbouwingen van
                                winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde afwijking
                                worden verleend onder financiële voorwaarden.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van paragraaf 2.6. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud van paragraaf 2.6 en die van de hierbij behorende
                        bijlagen 10 tot en met 12 van rechtswege vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt
                        niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht
                        is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van
                        drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts
                        de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die
                        het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is
                        afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De
                        voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een
                        afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de
                        aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen
                        de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                        levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                        aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                        binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                        artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                        toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt
                        dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                        drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van
                        het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                        kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
                        Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>Lid 1</al><al>De aanduiding ‘woningen voor bejaarden’ in het eerste lid wordt vervangen
                        door een aanduiding van woningen waar op andere wijze dan op gas wordt
                        gekookt en voor verwarming geen individuele aansluiting nodig is.</al><al>Lid 2, onder b</al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                        eigenaar-bewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                        hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                        geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                        brandstof noodzakelijk acht.</al><al>Lid 2, onder c</al><al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of
                        blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien
                        een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op
                        aardgas.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming</label></kop><al>Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen
                        met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel
                        gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen
                        afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het
                        aardgasnet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><al>zie VNG ledenbrief 16 juli 2009, Lbr. 09/091. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><al>Alternatief 1</al><al>Lid 1, onder c</al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de bouwvergunning erop te
                        wijzen dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist is
                        ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren.</al><al>Lid 1, onder d</al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                        daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder faecaliën,
                        respectievelijk hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een
                        waterloop met behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo
                        goed mogelijke andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al>Lid 2</al><al>Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de
                        inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van
                        het milieu.</al><al>Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c.</al><al>Alternatief 2</al><al>Lid 2, onder b</al><al>De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze
                        af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een
                        op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening,
                        berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt
                        beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel
                        mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het
                        tegengaan van verdroging van het milieu.</al><al>Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse
                        kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                        infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een
                        daarmee gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke
                        voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1,
                        Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen
                        ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater binnen de
                        perceelsgrens, uitgave Stichting Bouwresearch (SBR), Rotterdam, september
                        2000 (telefoon 010-2065959).</al><al>De aanvrager dient van tevoren te (laten) onderzoeken welke van de genoemde
                        infiltratievoorzieningen, gelet op de ter plaatse aanwezige bodemgesteldheid
                        en grondwaterstand, voor zijn bouwplan geschikt is. Bij het ontwikkelen van
                        een bestemmingsplan of grootschalig bouwproject zal een dergelijk onderzoek
                        in de praktijk reeds in het kader van het vooronderzoek door de
                        projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen de uitkomsten van
                        gemeentewege beschikbaar worden gesteld.</al><al>Lid 3, onder b</al><al>Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                        wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                        infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen
                        worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de
                        perceelgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar
                        hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van
                        de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van
                        de terzake overgelegde of bij het bevoegd gezag aanwezige gegevens kan het
                        bevoegd gezag dan ook afwijking toestaan van de verplichting tot het
                        aanbrengen van een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de
                        grondwaterafvoer en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding
                        geven.</al><al>Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is
                        overigens van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput
                        (septic tank) daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden
                        aangesloten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en terreinen</label></kop><al>Lid 3</al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                        gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                        afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat
                        rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden
                        toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten
                        e.d. voorkomen.</al><al>Lid 4</al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                        praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                        onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                        verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, 'Binnenriolering in
                        woningen en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts
                        toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn
                        dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en
                        anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf
                        buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de
                        'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.</al><al>Lid 5</al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                        huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                        rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                        voorgeschreven.</al><al>Lid 6</al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                        NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                        overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband
                        daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al></divisie><divisie><kop><label>3 De melding</label></kop><al>vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3.1 De wijze van melden</label></kop><al>vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3.2 Welstandscriteria</label></kop><al>vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</label></kop><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij
                        als vergunningplichtig.</al><al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van kracht, waarin verplichtingen
                        in de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot
                        de voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder
                        meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf
                        of terrein. Overtreding van een verbod van artikel 7b Woningwet is per 1
                        april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 2, van de Wet op de
                        economische delicten (WED).</al><al>Structuur van de voorschriften</al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                        handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door
                        het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.2
                        tot en met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van
                        nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                        grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7
                        tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het
                        bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                        gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                        sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al>Handhaving van de voorschriften</al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van
                        artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de
                        algemene toelichting bij Hoofdstuk 11.</al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel
                        4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                        bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor
                        gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie
                        belast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</label></kop><al>Dit artikel vervalt, omdat de inhoud is geregeld in artikel 2.33 van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                        ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is
                        toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te
                        hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht
                        aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die
                        bescheiden is voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat
                        de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te
                        kennen.</al><al>Sub a</al><al>Onder het begrip 'bouwvergunning' in de zin van dit artikel vallen tevens de
                        bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet
                        strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd
                        bij de bouwwerkzaamheden.</al><al>Sub b</al><al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                        bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en vrijstellingen kunnen
                        betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen
                        van de rijks- of provinciale overheid.</al><al>Sub d</al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede
                        lid, sub b van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat voor
                        bouwen op grond van voornoemde besluiten geen omgevingsvergunning is
                        vereist.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</label></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</label></kop><al>De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen
                        voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen,
                        bij voorbeeld bij een verbouwing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                        tijdige controle.</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling
                        het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                        voorkoming van schade aan leidingen.</al><al>Lid 3</al><al>In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt
                        geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door
                        vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te
                        verlangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</label></kop><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het
                        bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het
                        oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de
                        kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te
                        verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die
                        bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde
                        werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de
                        vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke
                        controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de
                        controlerende instantie, c.q. de gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het
                        verrichten van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast
                        biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt
                        dit artikel van de bouwverordening toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</label></kop><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is
                        een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                        privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met
                        de MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de
                        bedoeling van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.</al><al>De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend.
                        Indien de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan
                        de in dit artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van
                        andere, niet in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden
                        toegezien. Gedacht kan worden aan een waterwingebied.</al><al>Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan:
                        zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van
                        het aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor
                        de vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van
                        grondwater staat in de Grondwaterwet en de provinciale
                        grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in
                        het algemeen een uitzondering op het vergunningvereiste voor het kortstondig
                        droog houden van een bouwput, mits nader in die verordeningen omschreven
                        beperkte hoeveelheden grondwater worden onttrokken. De lozing van het
                        opgepompte water kan aan een vergunningsvereiste of standaardvoorschriften
                        zijn gebonden ingevolge de Wet milieubeheer of de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</label></kop><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op
                        de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                        veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</al><al>Lid 1</al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen,
                        die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van
                        een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming
                        van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft
                        de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De
                        controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de
                        Arbeidsinspectie en bij het elektriciteitsbedrijf.</al><al>Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij
                        een aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen
                        in artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5
                        van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten regels over het indienen
                        van een bouwveiligheidsplan. Na inwerkingtreding van de Wabo volgt dit uit
                        artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Of er bij een vergunning een
                        bouwveiligheidsplan moet zijn en aan welke eisen dat plan moet voldoen, is
                        geregeld in het onderhavige artikel van de MBV. Voorzover de te nemen
                        maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken van de voorschriften in dit
                        artikel, gaan de bepalingen van het bouwveiligheidsplan voor.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                        schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                        gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</label></kop><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein
                        te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                        bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het
                        derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij
                        het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                        permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist
                        het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                        gewaarborgd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</label></kop><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder
                        voor de omgeving te voorkomen. Zie onder 'handhaving van de voorschriften',
                        in het algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is
                        gesteld ten aanzien van de arbeidsomstandigheden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.11 Bouwafval</label></kop><al>Algemeen</al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                        geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de
                        bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden
                        van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                        gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                        bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                        hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                        ander afval.</al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                        gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                        Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                        blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn.
                        verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te
                        blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is
                        gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden
                        gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze
                        gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van
                        klein chemisch afval van huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwol</al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                        ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                        stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter.</al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                        kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het
                        geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is
                        verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht
                        tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal
                        zijn.</al><al>d Overig afval</al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                        bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                        onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting
                        die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst
                        te nemen.</al><al>Wanneer is iets afval?</al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een
                        afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die
                        apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen
                        afval.</al><al>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden
                        als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande
                        scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen
                        veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande
                        scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een
                        verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding
                        gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het
                        voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die
                        bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in
                        het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als
                        sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                        overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                        overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is
                        tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q.
                        milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                        gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in
                        het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden
                        worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de
                        ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook
                        aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de
                        eventuele veranderingen daarin.</al><al>Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al>De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel om
                        het mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor
                        transport vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die
                        bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving
                        dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale
                        milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar
                        een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die
                        op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te
                        ontvangen.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                        bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1
                        april 1997 een stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval.
                        Particulieren die geringe hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen,
                        kunnen terecht bij sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal
                        ook op zaterdagmorgen.</al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                        waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel
                        over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                        toegelaten.</al><al>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan
                        de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering
                        op de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een
                        bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden
                        afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als
                        grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht.</al><al>Sorteerinrichting</al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is -
                        voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar
                        een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen
                        ongesorteerd te ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                        voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling
                        niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin
                        worden de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde
                        steenachtige materialen, ferro en non-ferro metalen, massief
                        niet-verduurzaamd hout, papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen
                        of delen daarvan en kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt
                        uitsortering voor de hand, hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een
                        sorteerinrichting.</al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij
                        een sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen
                        van gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging
                        voor Gips (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden
                        en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins
                        operationeel en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het
                        nietoperationeel zijn van een retoursysteem (stand van zaken medio 1997).
                        Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal slechts in
                        geringe mate in bouwafval voorkomen.</al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                        ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                        aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via
                        de Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen
                        zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor reclycing.</al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                        voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                        Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                        kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de
                        Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor
                        kitkokers, verfverpakking en snoerband (PP-materialen) is operationeel bij B
                        &amp; R Recycling BV te Middelharnis.</al><al>Mee terugnemen naar de werf</al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                        verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                        naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                        bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot
                        praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is
                        vereist op grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt
                        erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar
                        een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van
                        andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft onverkort van kracht, evenals
                        de plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen
                        aan een inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al>Enkele specifieke begrippen</al><al>Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de
                        aanwezigheid van een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1 lid 1 onder
                        sub e van de Wabo, voorzover deze vereist is. </al><al>Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in
                        te zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent.
                        Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem.
                        Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en
                        recyclingsystemen voor kunststoffen.</al><al>Lid 1</al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                        terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                        scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                        verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet
                        milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen
                        het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate vergunning op
                        grond van de Wet milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf
                        wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat
                        gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn
                        vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor
                        sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform
                        wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide
                        afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9) - in werking getreden op 1
                        mei 2002 - voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt
                        verwezen naar dit besluit.</al><al>De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA)
                        (Stb. 1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt
                        inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af
                        van het BAGA. Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval.
                        De Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de
                        publicatie 'Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst' van het
                        ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
                        september 2001. De in deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers
                        zijn gevaarlijke afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en
                        asbesthoudende materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit.</al><al>Vergunningvoorwaarden</al><al>Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                        uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                        genoemde fracties, voorwaarden aan de omgevingsvergunning te verbinden. Deze
                        voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de
                        verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit
                        kan bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                        gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in
                        één bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet
                        bij elkaar mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de
                        (tijdelijke) opslag op de bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de
                        inzamelaar c.q. vervoerder al de wijze van scheiden en verpakken van de
                        risicodragende stoffen. De bakken - sommige typen onderverdeeld in
                        compartimenten - zijn vaak eigendom van de inzamelaar/vervoerder. De
                        overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop afstemmen.</al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij
                        elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet
                        combineren met een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen,
                        lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.),
                        logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met
                        een ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling
                        bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op
                        hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</label></kop><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                        spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                        voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk
                        ingevolge artikel 7b Woningwet.</al><al>Lid 1</al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een
                        latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra
                        graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke
                        melding.</al><al>Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte
                        overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de
                        energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen
                        voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief
                        mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                        opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van
                        de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. Overigens
                        stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari 2007
                        een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                        samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij
                        zijn bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen.
                        Raadpleeg, voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in
                        onvoldoende exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving
                        of neem contact op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem,
                        gemeenten@senternovem.nl of 030 239 35 33.</al><al>Lid 2</al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn
                        van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                        noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al>Lid 3</al><al>Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor bouwen niet
                        anders is gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</label></kop><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989,
                        (Voorschriften Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank Leeuwarden
                        van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot ingebruikneming van
                        een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw ingevoerd.</al><al>Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten
                        aanzien van het niet gereed melden.</al><al>Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in
                        gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of van bouwwerken waarin niet alle
                        noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht (ABRS 23
                        december 2009, LJN: BK7451).</al></divisie><divisie><kop><label>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</label></kop><al>Algemeen</al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden
                        voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden
                        afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het
                        alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen
                        redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de
                        artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om bouwvergunning. Op
                        die plek fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om bouwvergunning. De
                        bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een
                        open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</label></kop><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965.</al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld
                        sprake, indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze
                        verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of
                        van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan
                        ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de
                        lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het
                        verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt. Over de mogelijkheid van
                        aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965 gaat de uitspraak van
                        ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</label></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Bij het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom wegens strijd met artikel 7b, eerste lid, onder d, van de
                        Woningwet, juncto het onderhavige artikel 5.1.2, eerste en tweede lid, ware
                        rekening te houden met het bepaalde in artikel 12.3 van deze
                        bouwverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</label></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van paragraaf 5.2. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud van paragraaf 5.2 van rechtswege vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen</label></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in woongebouwen van bijzondere aard</label></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen</label></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen</label></kop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</label></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge
                        artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom vormen waarin het bevoegd gezag het
                        maken van een aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt vanuit een
                        pand waarin een binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde
                        artikelnummers van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen
                        wanneer toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit
                        ertoe leidt dat het college de aanwezigheid van een alternatieve voorziening
                        voor het betrekken van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een
                        doeltreffende welput, regenbak of watertank.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van
                        het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</label></kop><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</label></kop><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</label></kop><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet
                        dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang -
                        op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming - het afvalwater in de
                        bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven
                        voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde
                        voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een
                        regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming
                        prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de
                        bouwverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</label></kop><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.4.1 Preventie</label></kop><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                        geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een
                        bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007
                        rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een
                        besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing
                        van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de
                        eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is
                        bedoeld om excessen tegen te gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>6 Brandveilig gebruik</label></kop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van
                        gemeentelijke verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een algemene
                        maatregel van bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                        bepaalde van hoofdstuk 6. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                        november 2008 is de inhoud van hoofdstuk 6 en die van de hierbij behorende
                        bijlagen 2 tot en met 5 van rechtswege vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</label></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</label></kop><al>de toelichting bij dit artikel is komen te vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>7 Overige gebruiksbepalingen</label></kop><al>Algemeen</al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening
                        voorschriften bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens,
                        andere gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet
                        noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen
                        dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het
                        gebruik. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens en woonketen</label></kop><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet.
                        Zij zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit
                        vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een
                        gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te
                        realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn. Het genoemde doel
                        van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee dat de
                        normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt is om te
                        beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is voor een
                        bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te ontlenen aan
                        het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling op het
                        gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid van
                        huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de
                        normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van
                        de overbevolking te balanceren.</al><al>Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding
                        vormen tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn
                        bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen
                        luiden:</al><al>'Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met
                        dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten
                        minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.'</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                        woningen door toezichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze
                        artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten
                        of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor permanent bewoonde
                        kamerverhuurbedrijven, asielzoekerpensions e.d. is een regelmatiger toezicht
                        wenselijk en mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</label></kop><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden.
                        Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                        ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                        minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                        eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het
                        Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in
                        grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo
                        gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                        verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Zie voor het begrip 'gebruiksoppervlakte' artikel 1.1.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </label></kop><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde
                        in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het
                        verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het
                        Bouwbesluit.</al><al>Met de Invoeringswet Wabo worden de woonwagen en woonkeet uit de Woningwet
                        gehaald.</al><al>Het begrip woonwagen staat voortaan in artikel 1 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht. Het Bouwbesluit bevat de technische eisen voor een
                        woonwagen.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van gebruik</label></kop><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                        Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen
                        tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het
                        gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                        gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                        verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een
                        bouwvallig bouwwerk is gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de
                        artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking. De
                        mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een mededeling
                        van feitelijke aard.</al><al>De standplaats voor een woonwagen komt in artikel 8 Woningwet niet meer
                        voor. Daarom wordt in de bouwverordening standplaats verwijderd. Het staken
                        van het gebruik is gekoppeld aan de voorzieningen op een standplaats.
                        Aangezien de standplaats uit de regeling is verdwenen, vervalt artikel
                        7.2.3.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in afwijking van de bestemming</label></kop><al>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1</al><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de
                        Raad van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                        overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                        voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                        bepaling.</al><al>De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV.</al><al>Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet
                        van 1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de
                        bouwverordening te regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de
                        bouwverordening geen plaats meer is voor een op artikel 168 gemeentewet
                        gebaseerde bepaling. De opvolger van artikel 352 MBV moest dus worden
                        ondergebracht bij de opsomming van artikel 8 van de Woningwet.</al><al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak
                        tot het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                        gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel
                        7.3.1 verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te
                        repareren sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit.
                        Overeenkomstig eerdere jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal
                        ingetrokken artikel 352 MBV opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige
                        casus had de gemeente bij invoering van de nieuwe bouwverordening de oude
                        bouwverordening en dus ook artikel 352 ingetrokken.</al><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis
                        van een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een
                        identieke bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en
                        derhalve in deze kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt,
                        heeft het materieel geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele
                        benadering kan als nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere
                        mogelijk andersluidende uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen
                        aanwijzingen dat in de toekomst een ander oordeel is te verwachten. Derhalve
                        is artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV
                        niet is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft
                        op het moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is
                        ingetrokken.</al><al>Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                        toelichting die daarop betrekking heeft.</al><al>Artikel 352 MBV 1965</al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog
                        niet zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                        complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen,
                        c.q. voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de
                        in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de
                        toekomst kan het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een
                        bestemmingsplan worden geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware
                        een overgangsregeling. Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef
                        van het eerste lid bedoeld, in overeenstemming worden gebracht met de Wet op
                        de Ruimtelijke Ordening, treedt voor het gebied, dat in dat plan is
                        begrepen, artikel 352 buiten werking. De aanpassing van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet binnen vijf jaar na de
                        inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog steeds zijn niet
                        alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling vooralsnog
                        nodig blijft.</al><al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen
                        en kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een vergunning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.3.2 Hinder</label></kop><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965.</al><al>Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is
                        gebaseerd op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op
                        grond van de Woningwet.</al><al>Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van
                        schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene
                        plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een
                        APV is geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de
                        bouwverordening te worden opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere
                        overlapping van het onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar
                        artikel in de Model-APV (art. 4.4.1). Gelet op doel en strekking van de
                        bouwverordening zal artikel 7.3.2 voornamelijk toepassing kunnen vinden als
                        er een relatie kan worden gelegd met bouwen of bouwwerken. Voor open erven
                        en terreinen niet direct behorende tot een bouwwerk zal eerder de APV van
                        toepassing zijn. Daar bepaalde voor de omgeving hinder veroorzakende
                        activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in, op, aan of nabij een
                        bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening nodig.</al><al>Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het
                        plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen
                        van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio-
                        en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen,
                        voor zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                        stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal
                        (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                        verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich
                        in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van
                        asbestvezels of –stof te vrezen valt.</al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende
                        materialen die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een
                        erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat
                        de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze
                        asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het
                        erf of terrein en de aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit
                        ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van
                        verweren of slijtage. Een overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig
                        of is onvoldoende aantoonbaar.</al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                        of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                        artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                        artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                        maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                        rechtvaardigen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Besluit
                        omgevingsrecht voor diverse inrichtingen die geluid produceren een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder sub e van de Wabo
                        vereist.</al><al>Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                        inrichtingen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen
                        geldt het Activiteitenbesluit. </al><al>Met de 10e serie van wijzigingen van de MBV, ledenbrief van 15 december
                        2004,. Lbr. 04/161, is om systematische redenen het aspect brandveiligheid
                        uit artikel 7.3.2 gehaald en overgebracht naar een nieuw artikel 6.4.1 MBV.
                        In dat artikel stond in onderdeel a 'op voor de omgeving hinderlijke of
                        schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid'.</al><al>Op 1 november 2008 trad het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, Stb.
                        2008, 327, (Gebruiksbesluit) in werking. Gelet op artikel 122 Gemeentewet
                        zijn per die datum de artikelen uit de bouwverordening van rechtswege
                        vervallen. Gebleken is dat het Gebruiksbesluit geen voorschrift bevat over
                        het tegengaan van hinder tengevolge van rook, roet, walm of stof. Daarom
                        wordt het genoemde onderdeel a teruggeplaatst.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.4.1 Preventie</label></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                        reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                        excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze
                        bepaling onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 5 Watergebruik</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</label></kop><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de
                        beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 tot en
                        met 7.2.3.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 6 Installaties</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</label></kop><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar
                        of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden
                        en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan
                        over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als
                        een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                        gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is,
                        ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het
                        onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve
                        installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische
                        ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                        terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond
                        aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                        veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                        Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</al></divisie><divisie><kop><label>8 Slopen</label></kop><al>Algemeen</al><al>In verband met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt
                        de terminologie aangepast. Het begrip sloopvergunning wordt vervangen door
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Het hoofdstuk slopen dient ter
                        uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, letter d, van de
                        Woningwet, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit hoofdstuk is
                        een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de vergunning kunnen
                        voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het
                        voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening
                        is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk
                        hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op
                        het bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting
                        daarop verwijzen wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren van een
                        nieuwe beschikking, de omgevingsvergunning voor het slopen, is overwogen of
                        het mogelijk is in de bouwverordening het selectief slopen, het scheiden en
                        gescheiden afvoeren afdoende te regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op
                        de huidige stand van zaken en de toch zeer uiteenlopende sloopprojecten en
                        locaties bleek dit niet haalbaar. Bovendien is een omgevingsvergunning voor
                        het slopen voor het verwijderen van asbest - voor zover niet kan worden
                        volstaan met een melding - in het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                        voorgeschreven.</al><al>Asbest</al><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het
                        Asbestverwijderingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is
                        gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit
                        besluit bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van
                        bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor
                        zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking voor de
                        burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot regelgeving
                        in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de bouwverordening
                        zijn bindend voor de burger.</al><al>Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. In de
                        daarop volgende zin wordt het zinsdeel ‘de artikelen 2, 3, 4 en 9’ vervangen
                        door ‘de artikelen 10 en 11. Artikel 8, negende lid, van de Woningwet
                        bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de tijd heeft om dit deel van het
                        besluit - in casu de artikelen 2, 3, 4 en 9 - in de bouwverordening op te
                        nemen en dus uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht te doen zijn.</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota
                        van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een
                        selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van
                        de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te
                        raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al>Incident</al><al>Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit),
                        zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde
                        lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                        geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                        asbestbranden”.</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten
                        die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                        asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met
                        de bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al>Certificering</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>De instantie die zich bezig houdt met de certificering is: Stichting
                        Certificatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl,
                        fax: 0317-425725, website: www.ascert.nl.</al><al>Risicoklasse</al><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de omgevingsvergunning voor het
                        slopen.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al>Intensivering van de handhaving</al><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                        handhaving van de sloopvoorschriften.</al><al>De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving asbest van 12 februari
                        2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving van de voorschriften
                        over asbestverwijdering en de LOMprojecten over ketenhandhaving asbest.</al><al>De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland publiceert in de eerste
                        helft van 2007 de “Handreiking slopen. Vergunningverlening, controle en
                        handhaving”. Deze handreiking staat ook op de site van deze vereniging:
                        www.vereniging-bwt.nl</al><al>Medio 2007 verschijnt over de uitvoering van de voorschriften over
                        asbestverwijdering de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het
                        ministerie van VROM, de VROM-Inspectie, het ministerie van SZW /
                        Arbeidsinspectie, Infomil, de vereniging BWT Nederland, de VNG en het
                        LOM.</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                        omgevingsvergunning. Als gevolg hiervan wordt de sloopvergunning een
                        omgevingsvergunning voor het slopen en wanneer deze exclusief betrekking
                        heeft op asbest een omgevingsvergunning voor het slopen van asbest.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Omgevingsverguning voor het slopen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>De omgevingsvergunning voor het slopen is een beschikking. Ingevolge de
                        Algemene wet bestuursrecht moet een dergelijke vergunning op schrift zijn
                        gesteld.</al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische
                        basis. Tegen de beslissing tot het al dan niet verlenen van de vergunning is
                        bezwaar en beroep mogelijk op grond van de Awb.</al><al>Lid 1</al><al>Het eisen van een omgevingsvergunning heeft alleen zin wanneer deze
                        controleerbaar en handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle
                        andere belangen, zonder afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan
                        het milieubelang. Veel van wat behoort tot het normale onderhoud en het
                        aanbrengen van veranderingen van ondergeschikte betekenis behoeft niet te
                        worden onderworpen aan een omgevingsvergunning voor het slopen. Ook bij deze
                        activiteiten ontstaat sloopafval.</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                        afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                        asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in
                        artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van
                        niet-ingrijpende interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel
                        of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                        vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al>Lid 2</al><al>Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover
                        het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met
                        een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op
                        de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                        controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de
                        10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                        vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is
                        dit een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning.
                        Overigens verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin afvoeren naar een
                        puinbreker aanzienlijk minder kost dan storten op een stortplaats.</al><al>Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan los gestort sloopafval.</al><al>Lid 3</al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de omgevingsvergunning voor het slopen
                        voorschriften kunnen worden verbonden. Tevens beperkt dit lid de
                        mogelijkheid voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden tot de in
                        dit lid vermelde onderwerpen a tot en met d. Het vierde lid geeft ten
                        aanzien van de mogelijke voorschriften over het scheiden en gescheiden
                        houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere detaillering.</al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen
                        genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                        nabijgelegen bouwwerken</al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen
                        4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                        overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                        enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                        veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid
                        van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                        geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                        vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze
                        vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde
                        te worden opgenomen. Mede afhankelijk van de sloopmethode en de bebouwing en
                        aanwezigheid van mensen in de directe omgeving van het te slopen bouwwerk,
                        kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel belang is te bedenken dat het
                        hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid voor degenen die met de
                        sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van de
                        arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een
                        sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd en ingediend bij de
                        aanvraag. De regeling daarvoor staat in artikel 7.2 van de Regeling
                        omgevingsrecht.</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer
                        de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                        voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                        bodemonderzoek, worden voorschriften verbonden ter voorkoming van deze
                        strijdigheid.</al><al>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al>Het is de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen die kiest naar
                        welke bewerkings- of verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke
                        inzamelaar of transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen
                        hierbij de voorschriften van de omgevingsvergunning voor het slopen en
                        andere regels, bij voorbeeld die over het vervoer van gevaarlijk afval, in
                        acht te worden genomen. In de praktijk komt dit erop neer dat alleen mag
                        worden samengewerkt met vergunninghoudende inzamelaars en transporteurs voor
                        het gevaarlijk afval en alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en
                        verwerkingsinrichtingen die beschikken over een omgevingsvergunning
                        ingevolge artikel 2.1 lid 1 onder e van de Wabo. De voorschriften in de
                        omgevingsvergunning voor het slopen mogen geen 'gedwongen winkelnering'
                        inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor
                        dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                        voorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de hoeveelheid en
                        samenstelling van het te verwachten afval en van de acceptatievoorwaarden
                        van in de regio aanwezige bewerkings- en verwerkingsinrichtingen. Onder c is
                        de meest minimale scheiding vastgelegd die voortvloeit uit landelijke
                        regelgeving.</al><al>Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen,
                        asbest en overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende
                        fracties als voorwaarde in de omgevingsvergunning voor het slopen op te
                        nemen:</al><lijst><li nr="·"><al>- steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="·"><al>- bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="·"><al>- met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="·"><al>- asfalt;</al></li><li nr="·"><al>- dakgrind;</al></li><li nr="·"><al>- glas (vlakglas) voorzover een inzamelstructuur beschikbaar
                                is.</al></li></lijst><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                        bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in
                        artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                        gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                        sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                        omgevingsvergunning voor het slopen worden opgenomen is afhankelijk van de
                        gegevens over het te slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval
                        komen vrij en in welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het
                        plaatsen van containers) en voorts van de in de regio beschikbare
                        verwijderingstructuren, waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.
                        Het is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van
                        de aanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                        verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag wordt getoetst de
                        hergebruikmogelijkheden bij het beoordelende bevoegd gezag bekend zijn.
                        Hierbij moeten de volgende aspecten worden nagegaan:</al><lijst><li nr="·"><al>- wat kan worden hergebruikt;</al></li><li nr="·"><al>- wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al></li><li nr="·"><al>- kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al></li><li nr="·"><al>- aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te
                                voldoen;</al></li><li nr="·"><al>- wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers,
                                sorteerders en inzamelaars.</al></li></lijst><al>Achterin deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                        vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van
                        de omgevingsvergunning voor het slopen een handreiking voor een verdergaande
                        scheiding dan normaliter in de voorwaarden verplicht is gesteld om op de
                        slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een
                        verdergaande scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen
                        in zijn beschouwing betrekken.</al><al>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de
                        producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de
                        producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze
                        twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst
                        gesloten over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen
                        en deuren. Daartoe zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen
                        en herverwerken van alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en
                        deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                        volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                        kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene
                        die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                        kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                        ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan
                        hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al>Andere inzamelsystemen</al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product
                        en die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te
                        maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en
                        voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij
                        de leverancier en bij de brancheorganisatie.</al><al>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen
                        van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het slopen behoren te worden
                        ingediend bij de aanvraag. Artikel 7.2 van de Rgeling omgevingsrecht regelt
                        dit na inwerking treding van de Wabo. </al><al>Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening sinds
                        omstreeks 1996 een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers
                        op slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de
                        gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men
                        de desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke,
                        provinciale voorschriften terzake gelden.</al><al>In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                        blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                        zinvol. Zulke voorschriften stonden tot en met de derde serie wijzigingen
                        ook in de Model-bouwverordening 1992. Zij bestonden uit:</al><lijst><li nr="·"><al>a. een extra tekstelement in de opsomming van het derde lid,
                                luidende: x het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is
                                opgesteld op de sloopplaats, voorzover de toestemming, als bedoeld
                                in het vijfde lid, van toepassing is;</al></li><li nr="·"><al>b. een vijfde lid, luidende: 5 Het bewerken van het sloopafval op de
                                plaats waar dit afval vrijkomt, is niet toegestaan.</al></li></lijst><al>Op verzoek van de aanvrager kan, onder in de omgevingsvergunning voor slopen
                        te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats het beton
                        en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                        puinbreekinrichting.</al><al>Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15 januari 2004, Stb.
                        2004, 25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele brekers en is in
                        werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de in enkele
                        gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over mobiele
                        brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de plaats van
                        de lagere regeling.</al><al>Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                        toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid
                        daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en
                        sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten
                        hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en
                        sloopafval te bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties
                        dan die waarbij de breker is opgesteld. Interessant is de uitspraak ABRS 24
                        maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer en Teunissen. Een (mobiele)
                        puinbreekinstallatie is een bouwvergunningplichtig bouwwerk. De binnenplanse
                        vrijstelling afvalverwerking is hierop van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                        derde lid waarover in de omgevingsvergunning voorschriften worden gesteld.
                        Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                        bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk
                        afval zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag
                        ervan. De tweede zin verplicht het bevoegd gezag over het afzonderlijk
                        gereed maken voor de afvoer van het sloopproject van asbest en de termijn
                        waarbinnen dit moet gebeuren een voorschrift in de omgevingsvergunning voor
                        het slopen op te nemen. Deze verplichting staat in artikel 10, letter e, van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 5</al><al>Indien een tijdelijke omgevingsvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk
                        is verleend en daarin voorschriften zijn opgenomen over het slopen van het
                        tijdelijke bouwwerk – meestal in de zin van het uit elkaar nemen en opslaan
                        van de onderdelen van het bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt
                        opgebouwd - is daarvoor geen afzonderlijke omgevingsvergunning voor het
                        slopen nodig. De tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen dient de
                        nodige voorschriften te bevatten voor het slopen van het bouwwerk. Uit de
                        Memorie van Toelichting bij de Woningwet blijkt dat met name gedacht wordt
                        aan strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen
                        e.d.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.2 Aanvraag omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geregeld in hoofdstuk 4 van
                        het Besluit omgevingsrecht en de indieningsvereisten staan in artikel 7.2
                        van de Regeling omgevingsrecht. Daarom vervalt dit artikel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</label></kop><al>Zie de motivering onder artikel 8.1.2. Dit onderwerp wordt geheel beheerst
                        door de regelingen in de Awb, Wabo, Bor en Regeling omgevingsrecht
                        (Mor).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</label></kop><al>Zie de motivering onder artikel 8.1.2. Dit onderwerp wordt geregeld in de
                        artikelen 3.9 en 3.10 van de Wabo.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</label></kop><al>Artikel 8.1.5 is overbodig geworden, nu de Wabo met de omgevingsvergunning
                        voldoende voorziet in afstemming van bouwen en slopen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Zie de motivering bij artikel 8.1.1.</al><al>De Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing is per 1 juli 2008 vervallen. In de
                        Wro is de mogelijkheid opgenomen in een bestemmingsplan een sloopverbod met
                        sloopvergunning op te nemen. Krachtens overgangsrecht (Invoeringswet Wro)
                        blijven leefmilieuverordeningen nog enige tijd in stand, waardoor het
                        schrappen van de tekst nu niet aan de orde is. </al><al>Het niet beschikken over deze ‘planologische’ sloopvergunning, terwijl deze
                        volgens het bestemmingsplan nodig is, wordt een weigeringsgrond voor de
                        sloopvergunning uit de bouwverordening. De aanlegvergunning is onderdeel
                        geworden van de omgevingsvergunning. Coördinatie van aanlegactiviteiten en
                        sloopactiviteiten vindt plaats in het kader van de voorbereiding van de
                        omgevingsvergunning. Een afzonderlijke weigeringsgrond voor het niet hebben
                        van een aanlegvergunning vervalt. </al><al>Zowel de regeling over het aanleggen als de regeling over het slopen, indien
                        deze zijn opgenomen in een bestemmingsplan, zijn deel van de
                        omgevingsvergunning. Hierop zijn van toepassing de artikelen 2.1, eerste
                        lid, en 2.2, eerste lid, en de artikelen 2.10 tot en met 2.21 van de Wabo.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.1.7 Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Krachtens artikel 233, tweede lid, onder h, van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht blijft het toetsingskader in de verordening staan.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunnnig voor het slopen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</label></kop><al>Algemeen</al><al>Een melding valt niet onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een
                        melding maakt geen deel uit van een omgevingsvergunning. Het bestuursorgaan
                        blijft burgemeester en wethouders. De sloopmelding is geformuleerd als een
                        afwijking van de vergunningplicht. Dit betekent dat indien wordt gesloopt
                        zonder mededeling naar aanleiding van een melding, terwijl deze wel is
                        vereist, overtreding plaatsvindt van artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van
                        de bouwverordening.</al><al>Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling
                        van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en
                        vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.
                        Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet worden ingediend
                        bij het bevoegde bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders.
                        Ingevolge het zesde lid moet worden gebruik gemaakt van de door burgemeester
                        en wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is bepaald dat
                        aan de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden.</al><al>Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                        sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken
                        naar de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die
                        in de woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het
                        Ministerie van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM)
                        heeft een brochure uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis
                        van een ontvangen mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat
                        richtlijnen over de wijze waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het
                        is aan te raden deze brochure aan de burger uit te reiken bij het
                        verstrekken van de mededeling.</al><al>Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften
                        waaraan degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of
                        bedrijf – dus de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van
                        artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader
                        van de bescherming van mens en milieu tegen emissie van asbestvezels,
                        aanvullende regels te stellen voor de door particulieren toegestane
                        verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast artikel 7 en
                        naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens
                        de toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts
                        gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7
                        opgenomen voorschriften onvoldoende zijn.</al><al>Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden
                        open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten
                        afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal
                        tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het
                        grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het
                        aanbeveling dat de gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een
                        inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande
                        wijzen de particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al>Lid 1</al><al>Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                        verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                        bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                        woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning), de woonkeet en de
                        woonwagen alsmede de op het daarbij behorende erf staande bijgebouwen.</al><al>Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                        asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende
                        vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel.</al><al>Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en
                        bijgebouwen bij woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen
                        of woonkeet wel een omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. De
                        begripsbepaling voor woning in het tweede lid van artikel 1 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen oplossing, omdat onduidelijk
                        is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en omdat in de Woningwet het begrip
                        woning niet is omschreven. Voor zover bedoeld is met dit
                        Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in het beleid noch in
                        de uitvoering van de regels te brengen, mag worden geconcludeerd dat onder
                        woning mede wordt verstaan een woonwagen, een woonkeet en een logiesverblijf
                        zoals is genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV.</al><al>De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje
                        bij een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder
                        het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het
                        erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                        niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                        gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                        te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                        per kadastraal perceel bedraagt’.</al><al>Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                        letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is –
                        net als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit
                        wel mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een
                        wijziging is bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van
                        artikel 4: ‘De in het onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn
                        gebaseerd op de uitzonderingen die zijn opgenomen in de modelbouwverordening
                        van de VNG, die door het merendeel van de gemeenten in hun regelgeving zijn
                        overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans bij de implementatie van meergenoemd
                        derde lid in de model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een
                        woning gelijk te stellen bouwwerken ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’
                        gehandhaafd.</al><al>Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het
                        is beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest
                        van een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de
                        burger het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar
                        illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren,
                        dus bestaat kans dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de
                        voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en kan hij de
                        asbestplaten legaal inleveren.</al><al>Met de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet
                        meer toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te
                        gaan tot het verwijderen van:</al><lijst><li nr="·"><al>- gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                                betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken
                                zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te
                                leven. Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico
                                op blootstelling aan asbestvezels.</al></li><li nr="·"><al>- dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk
                                groot. Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels
                                vrij, hetgeen leidt tot een onaanvaardbaar risico op inademing van
                                asbestvezels en verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al></li></lijst><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>Lid 9</al><al>De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende
                        voorschriften' die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van
                        asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag
                        verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld
                        de voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden
                        aan de ophaaldienst voor grof huisvuil of die over het aanbieden van deze
                        afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al>Lid 10</al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen
                        mogen niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind
                        opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel
                        worden onderhouden door verven of coaten. </al><al>Lid 11</al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de
                        procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing
                        is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen
                        burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn
                        aanvraag binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan
                        te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden
                        (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op de sloopmelding.</al><al>Men zij erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                        termijnoverschrijding groot is.</al><al>Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij
                        artikel 3.1, achtste lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder omgevingsvergunning
                        voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als
                        bedoeld in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen
                        betrekking op andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk
                        aan een vergunning, ontheffing of melding zijn gebonden, zoals de
                        Monumentenwet of erfgoedverordening.</al><al>Sinds de inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook
                        het verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                        kassen als vergunningvrij genoemd. Voorheen werd de hier bedoelde kit ook
                        wel aangeduid als voegkit.</al><al>Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                        waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen,
                        voor zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                        rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                        bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig
                        asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die zich in
                        (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                        routinematig verwijderen met een beheersbaar risico.</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</label></kop><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De
                        artikelen 4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384
                        van de MBV 1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op
                        het slopen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</label></kop><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                        aanwezigheid van de omgevingsvergunning of een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het
                        slopen mag degene die de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan
                        de houder van de vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning
                        voor het slopen, indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift
                        van deze vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</label></kop><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van
                        asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden.
                        Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen
                        dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze situatie kan
                        zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor
                        alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een mededeling naar
                        aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste bestaande
                        technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit artikel
                        echter niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen</label></kop><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                        letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                        bevatten verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen.</al><al>Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                        slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                        asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                        Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar
                        staat op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                        bouwverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</label></kop><al>Lid 1</al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                        aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                        asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop
                        gerichte omgevingsvergunning voor het slopen of mededeling naar aanleiding
                        van een melding aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest
                        mag worden gesloopt.</al><al>Lid 2</al><al>De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven
                        tot tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.
                        Hetzelfde geldt voor de Arbeidsinspectie op grond van artikel 8.3.3, vierde
                        lid, indien tijdens het slopen tevens asbestverwijdering plaatsvindt.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de ontvangst van een melding van de
                        voltooiing van een sloopwerk bevestigen, bijv. door de melding af te
                        stempelen en van de ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een
                        administratieve handeling die niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is
                        gesloopt. De gemeente aanvaardt daarmee geen aansprakelijkheid voor
                        eventuele onvolkomenheden bij het slopen en het scheiden en gescheiden
                        houden van het sloopafval.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</label></kop><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de
                        voorschriften voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een beroep of
                        bedrijf.</al><al>Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen
                        gelden regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de
                        desbetreffende certificering.</al><al>Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                        handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                        bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                        regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM geen gebruik gemaakt en
                        is thans mei 2006 evenmin een aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd
                        alsnog te doen.</al><al>De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding
                        van asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de
                        minister op grond van het tweede lid van artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding
                        hogere en lagere regelgeving vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</label></kop><al>Vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 4 Vrij slopen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</label></kop><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht
                        tot het hebben van een omgevingsvergunning voor het slopen te koppelen aan
                        een ondergrens van 10 m3 sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval
                        dat minder dan 10 m3 bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden.</al><al>Voorheen bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe
                        relatie. Met ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992,
                        gepubliceerd in 1997, is dit niet meer het geval. De fracties waarin het
                        sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voorzover die stoffen
                        daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen die niet
                        mogen worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is asbest niet
                        opgenomen, omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder melding mag
                        worden verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet
                        voorzien. De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet
                        meer dan 10 m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al>Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl. 11e serie
                        wijz.</al><al>Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen</al><al>Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit</al><al>Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c</al><al>Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al><al>Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b</al><al>Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen</al><al>Art. 6 1.1 (Begripsbepaling)</al><al>Art. 7 H. 8, Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al><al>Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2</al><al>Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet</al><al>Art. 10, letter a 8.1.1</al><al>Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c</al><al>Art. 10, letter c 8.2.1</al><al>Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7</al><al>Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9</al><al>Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8</al><al>Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12</al><al>Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2</al><al>Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4</al><al>Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4</al><al>Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al></divisie><divisie><kop><label>9 Het welstandstoezicht</label></kop><al>Algemeen</al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                        betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al>In Winterswijk is in januari 2010 de naam die de welstandscommissie voert
                        gewijzigd in de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vanwege het brede
                        takenpakket dat de commissie uitvoert. De CRK adviseert het college van
                        burgemeester en wethouders over bouwplannen wat betreft redelijke eisen van
                        welstand. Daarnaast is in april 2010 voor het eerst een burgerlid benoemd in
                        de Winterswijkse Welstandscommissie ofwel Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                        situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                        stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een
                        dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen,
                        maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                        bouwverordening.</al><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>De werking van het begrip 'redelijke eisen van welstand' heeft met de
                        gewijzigde wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de
                        hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                        welstand kan het bevoegd gezag een vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op
                        aspecten van welstand en kan de commissie hierover adviseren. Ook
                        vergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen.
                        Volgens artikel 13a van de Woningwet kan het bevoegd gezag de eigenaar van
                        een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van
                        welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria
                        hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met criteria
                        is geen welstandstoezicht meer mogelijk.</al><al>Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de samenstelling van en
                        de besluitvorming over de welstandsnota geldt een overgangstermijn van 18
                        maanden na 1 januari 2003. Tot het moment dat een gemeentelijke
                        welstandsnota van kracht wordt, blijft de zelfstandige werking van de in de
                        bouwverordening aangeduide 'redelijke eisen van welstand' in stand. Als er
                        op 1 juli 2004 geen door de gemeenteraad aangenomen welstandsnota ligt,
                        vervalt van rechtswege de mogelijkheid om bouwplannen te toetsen aan
                        redelijke eisen van welstand.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in
                        de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald
                        dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene
                        categorieën bouwwerken en standplaatsen en dat de criteria kunnen
                        verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk of standplaats is
                        gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van
                        de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                        verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien
                        van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in
                        een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het
                        kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                        architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de
                        toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend
                        welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid te
                        voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde.
                        In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een
                        terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist
                        alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke
                        kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                        gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende
                        gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                        vaststellingsprocedure (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling
                        door de raad) wordt gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                        toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                        afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk te
                        worden gemotiveerd.</al><al>Het werken met deelnota's ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk
                        wordt toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004
                        belangrijke consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een
                        welstandsnota wordt vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van
                        de gemeente waarin een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1
                        (oud) MBV niet meer gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet
                        van 18 oktober 2001 (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de
                        bij artikel 1.3 MBV behorende kaart.</al><al>De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij:</al><lijst><li nr="·"><al>- de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwen;</al></li><li nr="·"><al>- het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen
                                bij of krachtens de Woningwet danwel Wabo is bepaald.</al></li></lijst><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de
                        voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                        zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                        bestemmingsplan biedt.</al><al>De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                        (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en
                        het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven
                        als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                        artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie
                        heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven
                        bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                        en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                        Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In
                        artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd
                        dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                        advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee,
                        langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), en nu Wet ruimtelijke
                        ordening (Wro), aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan
                        gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende bebouwings- en
                        gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets
                        niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de
                        grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren
                        (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat
                        die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                        mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                        Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                        bestemmingsplan en welstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</label></kop><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                        welstandscommissie bij een aanvraag om (reguliere) bouwvergunning verplicht
                        indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is
                        aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De
                        commissie adviseert, burgemeester en wethouders beslissen.</al><al>In de herziene Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester
                        opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in
                        plaats van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat
                        geval dient de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de
                        functie van de stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet
                        nader uitgewerkt in de Model-bouwverordening, omdat de doelstellingen van
                        het vernieuwde welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere
                        transparantie rondom de welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de
                        figuur van de stadsbouwmeester niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt
                        de waardevolle collectieve oordeelsvorming bij de keuze van een
                        stadsbouwmeester, terwijl deze in kwesties van smaak, zoals deze meespelen
                        bij de welstandsadvisering, onontbeerlijk kan worden geacht. Voorts bieden
                        de Kamerstukken geen aanknopingspunten hoe de figuur van de stadsbouwmeester
                        verder aangekleed moet worden. Naar verwachting zal een zeer beperkt aantal
                        gemeenten kiezen voor een stadsbouwmeester.</al><al>In de welstandsnota kon voor de inwerkingtreding van de Wabo de gemeenteraad
                        evenwel vaststellen dat de welstandstoets voor de categorie
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet door de volledige
                        welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer gemandateerde leden
                        van de commissie als bedoeld in artikel 9.2 Model-bouwverordening dan wel
                        door burgemeester en wethouders.</al><al>De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale
                        dan wel provinciale welstandscommissies. Ook onder het nieuwe regime van de
                        Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen om voor de welstandsadvisering
                        gebruik te (blijven) maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het
                        resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                        samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale
                        welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                        welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                        artikel 9.2.</al><al>De figuur van regulier en van licht-vergunningplichtige bouwwerken vervalt
                        bij de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De
                        bouwvergunning wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen. De tekst van
                        sommige alternatieve artikelen moet hieraan worden aangepast. Andere
                        alternatieve artikelen vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</label></kop><al>Onafhankelijkheid</al><al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                        afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan
                        indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het
                        gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                        welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                        Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders aan de
                        welstandscommissie voor de eigen gemeente is in dit verband
                        uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de
                        eis dat in de welstandscommissie uitsluitend 'deskundigen' zitting kunnen
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al>Alternatief 1</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris is
                        geen lid van de welstandscommissie.</al><al>Alternatief 2</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar,
                        maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                        inwoners deelnemen.</al><al>De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                        welstandscommissie.</al><al>Alternatief 3</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                        wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                        rayonarchitect.</al><al>Alternatief 4</al><al>In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat
                        uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                        provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal
                        de rayonarchitect.</al><al>Alternatief 5</al><al>In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om
                        een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is vooralsnog niet
                        uitgewerkt in de MBV. Enerzijds omdat de doelstellingen van het vernieuwde
                        welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie rondom de
                        welstandsadvisering en openbaarheid met de figuur van de stadsbouwmeester
                        juist niet lijken te worden bereikt. De waardevolle collectieve
                        oordeelsvorming ontbreekt bovendien bij de keuze voor een stadsbouwmeester,
                        terwijl deze in kwesties van smaak, zoals deze meespelen bij de
                        welstandsadvisering, onontbeerlijk kan worden geacht. Anderzijds omdat naar
                        verwachting een zeer beperkt aantal gemeenten zal kiezen voor een
                        stadsbouwmeester.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</label></kop><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van
                        de leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een
                        eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in
                        de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt
                        beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen.
                        Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                        zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                        gevaar kan brengen. De leden en voorzitter van een welstandscommissie die op
                        1 januari 2003 ten minste drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen
                        nog ten hoogste drie jaar na die datum benoemd blijven in die
                        commissie.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure
                        voor (deskundige) leden op te nemen in de (Model)-verordening. Een reglement
                        van orde dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden
                        vastgesteld en toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter.
                        In een dergelijk reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een
                        benoemingsboekhouding te regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen
                        onbevoegd gegeven welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter
                        aan te kunnen tonen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</label></kop><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>In de afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                        welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder meer op het functioneren van
                        de welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies zijn
                        doorgaans aan de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de
                        welstandscommissies gedane inspanningen tot verbetering van deze negatieve
                        maatschappelijke beeldvorming, kan er nog steeds gesproken worden van een
                        onvoldoende maatschappelijk draagvlak voor de werkwijze van de
                        welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het aanscherpen van de
                        politieke verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders voor het
                        functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het algemeen gevoel om
                        de functie van de gemeenteraad als algemeen controleorgaan van burgemeester
                        en wethouders, voorzover het betreft hun verantwoordelijkheid voor het
                        welstandstoezicht te versterken. Enerzijds zijn er de algemene
                        uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen in de Wet Dualisering
                        gemeentebestuur om de controlefunctie van de gemeenteraad te versterken en
                        te verduidelijken. Anderzijds beoogt de nieuwe Woningwet te voorzien in het
                        verbeteren van de kwaliteit alsmede het transparanter maken van de
                        welstandsadvisering. Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te
                        signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft
                        kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter
                        verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het
                        vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                        welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de
                        Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                        welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                        welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                        artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent
                        de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In
                        dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="·"><al>- op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                                welstandsadviezen;</al></li><li nr="·"><al>- in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de
                                aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de
                                welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die
                                gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                                welstandscriteria;</al></li><li nr="·"><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="·"><al>- in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een
                                besluit hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                van een last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met
                                redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de
                                Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                                overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                        ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                        gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                        bevorderd.</al><al>In de Woningwet wordt per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor
                        burgemeester en wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.5 Termijn van advisering</label></kop><al>De figuur van licht- vergunningplichtige bouwwerken vervalt bij de
                        inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De tekst
                        moet hieraan worden aangepast.</al><al>Burgemeester en wethouders blijven bevoegd als orgaan waaraan het
                        welstandadvies is gericht. Daarom wordt in dit artikel ‘burgemeester en
                        wethouders’ niet vervangen door ‘bevoegd gezag’.Dit volgt uit artikel 2.26,
                        derde en vierde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel
                        6.2 van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De termijn van advisering over een ‘reguliere bouwvergunning’ betrof zes
                        weken. In verband met de verkorting van termijnen met de invoering van de
                        Wabo, moet de totale vergunningprocedure passen in acht weken. Daarom wordt
                        de termijn voor advisering door de welstandcommissie teruggebracht naar vier
                        weken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</label></kop><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                        welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                        hebben op de geagendeerde bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en
                        daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                        vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol
                        van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn bouwplan
                        toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan -
                        indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden
                        gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan
                        worden verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                        geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure geen 'recht van spreken' hebben omdat zij
                        geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                        vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet
                        dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om
                        zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                        dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                        voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                        waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht
                        voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat
                        meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt
                        uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat
                        zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg
                        kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure
                        vooroverleg stimulering verdient.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</label></kop><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        mandaat. </al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de
                        afdoening van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan
                        de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>De figuur van licht-vergunningplichtige bouwwerken vervalt bij de
                        inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De tekst van
                        sommige alternatieve artikelen is hieraan aangepast. Alternatief 2 vervalt
                        omdat dit geen meerwaarde meer heeft ten opzichte van alternatief 1 waarbij
                        slechts de voorzitter van de welstandscommissie of de secretaris mandaat
                        heeft om over bouwplannen te adviseren waarvan volgens hen de mening van de
                        commissie als bekend mag worden verondersteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</label></kop><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003
                        in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is
                        het niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de vergunning wordt ingediend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen</label></kop><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3
                        MBV.</al></divisie><divisie><kop><label>10 Overige administratieve bepalingen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</label></kop><al>Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de
                        woonvergunning overbodig geworden. Artikel 2.1, eerste lid, onder c van de
                        Wabo bepaalt dat gebruikssituaties die strijdig zijn met het bestemmingsplan
                        omgevingsvergunningplichtig zijn. Zodra bestaande gebouwen in strijd met het
                        bestemmingsplan voor bewoning in gebruik genomen worden, geldt derhalve het
                        vereiste van een omgevingsvergunning en kan in dat verband worden
                        gehandhaafd. Op grond van artikel 9.15, letter W van de Invoeringswet Wabo,
                        vervalt artikel 60 van de Woningwet. Daardoor wordt artikel 10.1 MBV
                        overbodig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</label></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</label></kop><al>Artikel 2.25, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                        (Wabo) bevat een regeling voor de wijziging van de tenaamstelling van
                        vergunningen. Hierdoor vervalt de regeling in de bouwverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</label></kop><al>De tekst van de toelichting komt te vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</label></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                        gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                        werken (UAV). Dit artikel maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag bij
                        toepassing van de voorschriften van de bouwverordening afwijken van een
                        daarin aangewezen NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich
                        daarbij houden aan de herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde
                        voorschrift. Bij een dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde
                        instantie immers in het algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen,
                        waarbij een commissie van deskundigen - onder meer afkomstig uit
                        gemeentelijke kring - wordt ingeschakeld, een voorafgaande publicatie van
                        een voorlopige editie plaatsvindt met bijgevoegd verzoek om commentaar enz.
                        Met het onderhavige voorschrift wordt bereikt dat niet onmiddellijk na het
                        verschijnen van een gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe uitgave van een
                        norm, voornorm, praktijkrichtlijn of ander voorschrift de bouwverordening
                        moet worden gewijzigd om de actuele versie van de aangewezen uitgave van
                        kracht te doen zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>11 Handhaving</label></kop><al>Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                        bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                        toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid
                        van de Woningwet.</al><al>Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de regeling van de
                        handhaving integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium voor bestaande
                        bouwwerk vormt niet langer een geïsoleerd deel van de Woningwet, maar sluit
                        beter aan op de voorschriften inzake het bouwen van bouwwerken. Qua
                        systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het generieke instrumentarium
                        van de Awb.</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                        bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                        bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                        opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 gaat nu voor alle bouwwerken
                        gelden (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                        systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor
                        bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                        standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een
                        open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het
                        uiterlijk van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is
                        met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                        vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de
                        Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen
                        zal hebben tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de
                        gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                        handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met
                        welke voorschriften van het Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een
                        gebouw, ander bouwwerk of standplaats in strijd is en met welke
                        voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die
                        standplaats weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                        gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                        kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de
                        Awb de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel
                        5:32, vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb
                        in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger
                        beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te
                        vragen).</al><al>Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                        toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                        sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                        mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van
                        artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden
                        tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen
                        van deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van
                        een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel
                        voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen
                        overeenkomstig artikel 5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met
                        bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er
                        immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                        toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten
                        worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                        uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR
                        2003, 893).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</label></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</label></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</label></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</label></kop><al>Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                        toezicht zijn voorts van belang:</al><lijst><li nr="·"><al>- Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de
                                bewoners, artikel 5:15 Awb.</al></li><li nr="·"><al>- In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich
                                kan doen vergezellen van de 'sterke arm'.</al></li><li nr="·"><al>- Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5
                                Ww.</al></li><li nr="·"><al>- Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op
                                het binnentreden.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</label></kop><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet
                        langer mogelijk.</al><al>Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende herkomst en
                        structuur zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk daarvan een
                        afzonderlijk overgangsartikel op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12.1 Strafbare feiten</label></kop><al>1.De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                        vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld
                        in artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in
                        artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).</al><al>Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                        gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft gekozen voor het onder
                        de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan overtredingen als bedoeld
                        veelal een financieel-economisch belang ten grondslag ligt. Door de indeling
                        in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt aangesloten bij de
                        strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten, die veelal een
                        vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de nodige ervaring is
                        opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht.
                        Voor deze indeling heeft de wetgever mede gekozen vanwege het (potentiële)
                        gevaar en de (potentieel) zeer ernstige gevolgen die het niet naleven van
                        deze voorschriften met zich mee kan brengen. Indien opzettelijk gepleegd,
                        zijn deze delicten misdrijven; indien niet opzettelijk gepleegd, zijn het
                        overtredingen.</al><al>Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel 132 van de Woningwet bepaalt dat
                        overtredingen van de oude bouwverordening worden afgedaan volgens de oude
                        Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet en artikel 394 oude MBV.</al><al>2.Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op
                        het bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift
                        gegeven krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over
                        voorschriften in een a.m.v.b. ter nakoming van internationale
                        verplichtingen. Overtreding van de verbodsbepaling is in artikel 110, tweede
                        lid van de Woningwet aangemerkt als een economisch delict in de zin van de
                        Wet op de Economische Delicten (WED).</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is een nakoming van een Europese
                        internationale verplichting. Artikel 11 van dit Besluit en artikel 12.1,
                        tweede lid van de MBV legt de relatie met het tweede lid van artikel 110 van
                        de Woningwet. Overtreding van de artikelen genoemd in het tweede lid van
                        artikel 12.1, voor zover deze betrekking hebben op het slopen van asbest, is
                        een economisch delict.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</label></kop><al>Vervallen: zie toelichting 2.1.5 BVO</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</label></kop><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                        situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen
                        en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties
                        - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                        voorschriften - lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan
                        de nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                        vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                        vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld.
                        Dit om te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer
                        eigentijdse eisen van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</label></kop><al>De gebruiksbepalingen voor bouwwerken van de brandbeveiligingsverordening
                        zijn in 1992 vervallen. Een overgangsbepaling voor vergunningen, die zijn
                        verleend op grond van de brandbeveiligingsverordening van voor 1992 is niet
                        meer relevant.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</label></kop><al>vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12.6 Slotbepaling</label></kop><al>Algemeen</al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                        artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                        zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het
                        besluit in het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde
                        verordening. Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van
                        artikel 140 van de Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen
                        op de gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen
                        plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                        bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter
                        een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                        burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                        inwerkingtreding van de verordening op een nader tijdstip te bepalen.</al><al>De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van
                        het arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                        Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige
                        mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk
                        na de bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan
                        de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente
                        ligt; zie artikel 95 van de Woningwet.</al><al>Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens)</al><al>Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in zijn
                        geheel op dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de
                        bouwverordening opgenomen te worden.</al><al>Alternatief 2 (gefaseerde inwerkingtreding)</al><al>De mogelijkheid bestaat om de bouwverordening gefaseerd in werking te laten
                        treden. Aangeraden wordt om hier zo min mogelijk gebruik van te maken. Met
                        betrekking tot een aantal onderwerpen kan het organisatorisch echter
                        wenselijk zijn om de artikelen omtrent deze onderwerpen op een later
                        tijdstip in werking te laten treden.</al><al>In beginsel komen twee onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen en de
                        sloopbepalingen (inclusief de bouwafvalbepaling).</al><al>Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding worden
                        uitgesteld.</al><al>De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.</al><al>Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de
                        inwerkingtreding van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven
                        toevoeging plaats te vinden.</al><al>Het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende artikelen dient te
                        zijner tijd bij raadsbesluit vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor
                        de diverse artikelen verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald
                        worden.</al><al>Indien de gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip
                        wil bepalen waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij
                        een bepaling ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen.</al><al>De inwerkingtreding van alle artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te
                        geschieden, zo bepaalt de Woningwet 1991.</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 1</label></kop><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al> Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder c) Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en
                        2.5.8) Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                        lid, onder a) Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11,
                        eerste lid, onder a) Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel
                        2.5.11, eerste lid, onder a) Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn
                        (artikel 2.5.11, eerste lid, onder b) Figuur 7 Ligging van de
                        achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder c) Figuur 8 Ligging
                        van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder c) Figuur 9
                        Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder d)
                        Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid,
                        onder e) Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                        achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge
                        artikel 2.5.11, lid 2) Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn
                        en daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en
                        2.5.25). Binnen de bebouwde kom Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en
                        achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20,
                        2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde kom Figuur 14 Bouwhoogte in
                        voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum bouwhoogte (artikelen
                        2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). Binnen grootstedelijke
                        delen van de bebouwde kom Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn
                        (artikelen 2.5.20, derde lid, eerste alinea) Figuur 16 Bouwhoogte in de
                        voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid, tweede alinea) Figuur 17
                        Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid, eerste
                        alinea) Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20,
                        tweede lid, tweede alinea) Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.22) </al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 2</label></kop><al> vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 3 </label></kop><al> vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 4</label></kop><al> vervallen</al></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 5</label></kop><al>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Activiteit samenhangende met
                                            sloopproject</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Sloopmethode</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bedreiging</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen
                                            van bal)</al></entry><entry colname="col2"><al>– onvoldoende afstand tot gebouwen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– overmatige trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op
                                            lengterichting met als gevolg breuk)</al></entry><entry colname="col2"><al>– stof bij instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– wegspatten dommekracht (hefboom)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                            stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen;
                                            o.a. explosieven.)</al></entry><entry colname="col2"><al>– rondvliegend puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– opslag e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– trillingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– verzakkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry colname="col2"><al>– vallend materiaal/onvoldoende afstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– omvallen kraan/maximum hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry colname="col2"><al>– kantelen trekapparatuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>– stapelen palen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige methoden:</al></entry><entry colname="col2"><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al
                                            dan niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien
                                            het bouwhek niet vergenoeg staat puin, gereedschap e.d.
                                            Buiten het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry colname="col2"><al>-aan- en afvoer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-op- en afbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-afbreken hijslast of delen daarvan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-omvallen kraan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject</al></entry><entry colname="col2"><al>-omvallen bouwdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-wegspattend/vallend puin en gereedschap</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopterrein</al></entry><entry colname="col2"><al>-afkalven, instorten bouwputten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-opslag van materialen en materieel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en -sleuven</al></entry><entry colname="col2"><al>-instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>-onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheidsaspecten reeds gedekt: p-bladen
                                            arbeidsinspectie en APV's</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 6</label></kop><al>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                        opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colwidth="29*"/><colspec colname="col4" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bedreigde functies en objecten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en object-
                                                gericht)</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Aanbevelingen</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belendingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry colname="col3"><al>– constructief scheiden</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen belending (in extremo: met de
                                            hand)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten/stempelen bouwputten- en sleuven</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– gecontroleerd bemalen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                            funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers</al></entry><entry colname="col3"><al>– trillingsarm slopen</al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stofarm slopen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– slopen op bepaalde dagen/tijden</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal,
                                            zoals asbest</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                                            gebouwen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                            verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft veiligheid Zie ook bouwkundige staat
                                            belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met
                                            betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid
                                            voor bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en
                                            aanbevelingen zie ’belendingen’</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft veiligheid en gezondheid Zie ook gebruikers
                                            belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school,
                                            ziekenhuis, e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat
                                            betreft bruikbaarheid Zie ook gebruiksfuncties
                                            belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Infrastructuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloopmethode</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende
                                            nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– stutten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (afdekken)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– omleggen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afsluiten</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verwijderen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                            e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                                            instantie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeerssituatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan Regelen
                                            in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                            gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers (valschermen)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– voetgangerstunnels</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weggedeelte met hekwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– (tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven leidingen
                                            trams en trolleys</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– uitstekers</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg verkeerscirculatieplan</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloop methode</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Spoorwegen</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met NS</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Scheepvaart</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS,
                                            provincie, waterschap, gemeente)</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere omstandigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders</al></entry><entry colname="col3"><al>– aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen</al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten wegen</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– ontruimen belendende percelen</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen</al></entry><entry colname="col3"><al>– extra afscheiding</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>– verscherpt toezicht</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 7</label></kop><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="·"><al>1. Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="·"><al>2. Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="·"><al>3. Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="·"><al>4. Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="·"><al>5. Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen,
                                materieel en hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="·"><al>6. Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met
                                betrekking tot externe veiligheid</al></li><li nr="·"><al>7. Betrokken instanties</al></li><li nr="·"><al>8. Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="·"><al>9. Instructies aan werknemers</al></li><li nr="·"><al>10. Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="·"><al>11. Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="·"><al>12. Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="·"><al>13. Logboek</al></li></lijst><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="·"><al>a. belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>tekening waarop staat aangegeven:</al><lijst><li nr="o"><al>- - de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="o"><al>- de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="o"><al>- de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="o"><al>- de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="o"><al>- de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="o"><al>- de situering van het sloopobject ten opzichte van
                                        aangrenzende wegen, bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="o"><al>- de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle
                                        sloopwerkzaamheden, het laden en lossen daaronder begrepen,
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="o"><al>- de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige
                                        leidingen;</al></li><li nr="o"><al>- de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze
                                        tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig
                                        bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>c. controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de
                                werken</al></li><li nr="·"><al>d. transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 8</label></kop><al>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>niveau I</vet><vet> minimumscheiding</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>niveau I-plus</vet><vet>
                                            minimumscheiding</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>niveau II</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>niveau III</vet><vet> maximumscheiding</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen</al></entry><entry colname="col3"><al>olieproducten overig gevaarlijk afval</al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie brandstofrestanten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>batterijen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>accu's</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>rookkanalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overig chemisch belast puin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>verontreinigde leidingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>oliehoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>coatings, kitten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bitumineuze materialen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zeefzand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tl-buizen/starters</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>halogeen lampen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col3"><al>asbestproducten golfplaat</al></entry><entry colname="col4"><al>spouwbladen brandwerende platen isolatiemateriaal
                                            producten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen</al></entry><entry colname="col2"><al>metalen</al></entry><entry colname="col3"><al>ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metalen trappen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>betonijzer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schroot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>tanks, silo's</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis,
                                            slabben)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>zink (regenpijp, dakgoot) koperbuis</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>elektriciteitskabels</al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col3"><al>beton</al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schuimbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gasbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>staalvezelbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hoge sterkte beton betonproducten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/bedekking (beton, keramiek, leisteen)</al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gebroken dakpannen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek</al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plavuizen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>anhydriet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipsvezelplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>asfaltpuin</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                            herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                            herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerdelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>trapelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakbeschot</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>regels/tengels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>pallets</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd/gelakt hout</al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>kozijnen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deuren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>parketvloeren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>multiplex</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vezelplaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>houtwolcementplaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bekistingmateriaal </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerplaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>plaatmateriaal niet elders genoemd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïimpregneerd hout</al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bielzen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>geïmpregneerd hout</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen </al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen </al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen</al></entry><entry colname="col3"><al>PVC </al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas </al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>draadglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>spiegelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dubbelglas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton </al></entry><entry colname="col4"><al>papier </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE/HDPE </al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandfolies</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS/EPS</al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>dakisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR</al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>PUR-producten niet elders genoemd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties</al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel</al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vloerbedekking </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen </al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend papier/karton met aanhangend vuil
                                            textiel met aanhangend vuil glas met kitresten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>composiet-materialen</al></entry><entry colname="col2"><al>beton met PS-platen sandwichtpanelen metselwerk met
                                            stucwerk </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>beton met stucwerk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>deurknoppen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabel</al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus
                        staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                        minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                        minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                        respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                        vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                        alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een
                        maximale scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht
                        wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                        verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                        onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                        betrekking tot scheiden.</al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                        hulpmiddel.</al><lijst><li nr="·"><al>- <cursief>Gevaarlijke afvalstoffen</cursief>; chemische en chemisch
                                belaste afvalstromen:</al></li><li nr="·"><al>Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke
                                afvalstoffen van toepassing (EURAL). Het scheiden van de
                                herbruikbare componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin
                                indien deze gescheiden worden op niveau III.</al></li><li nr="·"><al>- <cursief>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</cursief></al></li><li nr="·"><al>Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol.
                                Volstaan kan worden met het apart houden van asbest en
                                asbesthoudende producten in één afvalstroom, omdat asbest altijd
                                moet worden gestort.</al></li><li nr="·"><al>- <cursief>Overige afvalstromen</cursief></al></li><li nr="·"><al>Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien
                                hiermee een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor
                                hergebruik en waarvoor inzamel- en verwerkings- of
                                bewerkingscapaciteit bestaan.</al></li><li nr="·"><al>Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden
                                tot niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige
                                isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon
                                hout). Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding
                                op niveau II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt
                                hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel, kabels).</al></li><li nr="·"><al>- <cursief>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke</cursief> (c.q.
                                chemisch verontreinigde) <cursief>afvalstromen</cursief></al></li></lijst><al>In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze
                        categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                        sorteerinrichting.</al><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen
                        van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                        omgevingsvergunning voor het slopen.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig
                        zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                        voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                        regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende
                        afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                        tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                        onderwerp zijn in een voorschrift van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen. Toch verdient het aanbeveling alert te zijn op de afvoer van
                        (verontreinigde) grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en
                        locaties van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de
                        volgende publicaties worden geraadpleegd:</al><lijst><li nr="·"><al>- Vademecum voor afvalverwerkingsdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen
                                aan den Rijn, 1993)</al></li><li nr="·"><al>- SBR-brochure 230-b Bouw-afvalstoffengids, Rotterdam 1991.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Bijlage 9</label></kop><al>vervallen</al><al>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden
                        vorm voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe
                        product. Door slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de
                        loop der tijd afnemen.)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Product</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijk toegepast in</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Mate waarin het is toegepast</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Uiterlijk</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                            ‘wafelstructuur'</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating</al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij</al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats</al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                            geëmailleerde of gespoten coating</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak</al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal
                                            dunner dan betonnen bak</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard)</al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                            inpandige kasten</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms</al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien</al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien</al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast</al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer</al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms</al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                            zichtbaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels</al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens</al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd</al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="21*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord</al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in
                                            oude haarden en allesbranders</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig</al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk</al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds</al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks</al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board</al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                            trapbeschot</al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen</al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton</al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering</al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig</al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag</al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983</al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak</al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse
                                            onderlaag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabel</al><al>Herkennen van asbest</al><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld
                        of een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen
                        herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt
                        daarbij. Dit overzicht is niet volledig.</al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de
                        volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie
                        worden gegeven:</al><al>-Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie.</al><al>-Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen.</al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking
                        van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een
                        doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen
                        met een harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals
                        linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel
                        zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim).</al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop
                        van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                        losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                        cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                        gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT
                        aan de onderzijde van de plaat.</al><al>Jurisprudentie</al><al>JG 02.0008</al><al>JG 02.0026</al><al>JG 02.0048</al><al>JG 02.0112, art. 7-3-2-aanhef, art. 7-3-2-b-</al><al>JG 02.0113</al><al>JG 02.0161</al><al>JG 03.0009</al><al>JG 03.0011</al><al>JG 03.0029</al><al>JG 03.0046</al><al>JG 03.0065</al><al>JG 03.0066</al><al>JG 03.0134</al><al>JG 04.0033</al><al>JG 04.0045</al><al>JG 04.0059, art. 8-1-1-3, art.8-1-6</al><al>JG 04.0060, art.2-5-30-1</al><al>JG 04.0098</al><al>JG 04.0135</al><al>JG 04.0140</al><al>JG 05.0073</al><al>JG 05.0075</al><al>JG 05.0090</al><al>JG 05.0092</al><al>JG 05.0102</al><al>JG 05.0112</al><al>JG 06.0003</al><al>JG 06.0036</al><al>JG 06.0042</al><al>JG 06.0116</al><al>JG 07.0121</al><al>JG 07.0009</al><al>JG 07.0020</al><al>JG 07.0021</al><al>JG 07.0039</al><al>JG 07.0060</al><al>JG 07.0074</al><al>JG 08.0003</al><al>JG 08.0004</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>