<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR428567_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 22-12-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerendezaakbelastingen 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 220</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 2016-12.19</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen en heffingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregel voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Over gebruikersbelasting en eigenarenbelasting</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van
            onroerendezaakbelastingen 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus
                            – Tricijn te Zwolle.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam "onroerendezaakbelastingen" worden voor binnen de
                                gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                                geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                        woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                        recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                        gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft
                                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te
                                        noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak
                                        in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als
                                        gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven
                                        (verder: de gebruik gever); de gebruik gever is bevoegd de
                                        belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                        volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                        die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene
                                        die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is
                                        bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genot hebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin
                                van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is
                                vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                                hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde
                                die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken
                                is vastgesteld voor die onroerende zaak, in hoofdzaak kan worden
                                toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning
                                dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet
                                van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                                heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                                toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en
                                20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
                                waarde, de waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                        cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede
                                        de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend
                                        wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                        ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                        kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                                        daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                        openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en
                                        ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                                        zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                        voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat
                                        voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                                        Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering
                                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                        heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die
                                        door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke
                                        zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                                        natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                                        per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                        beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                                        delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                        ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                        instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                        rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                        werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                        afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                        werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                        gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                        gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                        uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                        bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                        onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst
                                        voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer
                                        of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri's, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                        beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen
                                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering
                                        van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                                        woning.</al></li><li nr="n."><al>buitensportaccommodaties waarvan een
                                        vrijwilligersorganisatie genot hebbende of gebruiker is,
                                        exclusief kantines en voor verhuur inzetbare vergader- en
                                        multifunctionele ruimten en de bij deze ruimten behorende
                                        bergruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde
                                onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                                gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,2750%</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,1312%</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,3401%</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet opgelegd.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het
                                totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                                onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingaanslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten de aanslagen dan wel op één aanslagbiljet verenigde
                                    aanslagen worden betaald in één termijn welke vervalt twee
                                    maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 en in afwijking van het eerste en derde lid van dit
                                    artikel, dienen de aanslagen gemeentelijke heffingen dan wel op
                                    één aanslagbiljet verenigde aanslagen gemeentelijke heffingen
                                    met een totaalbedrag groter dan € 4.500,00 en waarvoor de
                                    belastingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te
                                    schrijven door middel van automatische incasso, te worden
                                    betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 en in afwijking van het eerste lid van dit artikel, dienen
                                    de aanslagen waarvoor de belastingschuldige een machtiging heeft
                                    afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische
                                    incasso, te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse
                                    termijnen als er na de dagtekening van het aanslagbiljet nog in
                                    het desbetreffende heffingsjaar volle dan wel gedeeltelijke
                                    kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het aantal
                                    maandelijkse termijnen niet minder dan zes bedraagt. De eerste
                                    termijn vervalt één maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                    later. </al></li><li nr="4."><al>Op het genoemde in lid 3 van dit artikel geldt als restrictie
                                    dat het bedrag per afschrijving op het totaalbedrag van het
                                    desbetreffende aanslagbiljet niet minder dan € 5,00
                                    bedraagt.</al></li><li nr="5."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het dagelijks bestuur van GBLT</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking
                            tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2016" van 7 december
                                2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                                datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van
                                toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum
                                hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van heffing is 1 januari 2017.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2017".</al></lid></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>