<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42847_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening winterswijk 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winterswijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Winterswijkse Weekkrant, 20-04-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>ASV Winterswijk 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, titel 4.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010, nr. II-13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Nadere regels subsidie Winterswijk 2010, in werking getreden op 15-12-2010</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening winterswijk 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2010, nr. II-13.</al><al/><al>De raad van de gemeente Winterswijk;</al><al/><al>overwegende dat: </al><al>het wenselijk is het subsidieproces eenvoudiger in te richten en de
                        regeldruk te verminderen;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al/><al>gelezen het voorstel van van 15 februari 2010, nr. II-13;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING WINTERSWIJK 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><al>a. gemeente: de gemeente Winterswijk;</al><al>b. raad: de gemeenteraad van Winterwijk;</al><al>c. college: college van burgemeester en wethouders van Winterswijk;</al><al>d. Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al><al>e. activiteitensubsidie: subsidie per kalenderjaar of schooljaar voor
                            structurele, activiteiten van een subsidie-ontvanger; </al><al>f. projectsubsidie: subsidie voor een in tijd begrensde activiteit van
                            een subsidie-ontvanger;</al><al>g. schooljaar: jaar, lopend van zomervakantie tot zomervakantie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op subsidies voor activiteiten op
                                het gebied van </al><al>a. kunst en cultuur;</al><al>b. jeugd;</al><al>c. volksgezondheid;</al><al>d. maatschappelijke ondersteuning;</al><al>e. sport;</al><al>f. citymarketing, recreatie en toerisme;</al><al>g. ruimtelijke ordening, monumentenzorg en stedelijke
                                vernieuwing;</al><al>h. onderwijs en kinderopvang;</al><al>i. milieu.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenteraad kan subsidieverordeningen vaststellen waarin is
                                bepaald dat deze verordening niet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op deze verordening, nadere regels
                                stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan per beleidsterrein genoemd in artikel 2, eerste lid
                                of per activiteit binnen een beleidsterrein een subsidieplafond
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt per subsidieplafond de wijze van verdeling van het
                                beschikbare subsidiebudget vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte subsidie</titel></kop><al>Het college stelt per activiteit de wijze van berekening van de hoogte
                            van de subsidie vast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afdeling 4.2.8 Awb</titel></kop><al>Wanneer het college op grond van artikel 4:58 Awb afdeling 4.2.8 Awb van
                            toepassing verklaart, zijn de bepalingen uit deze subsidieverordening
                            niet van toepassing voor zover zij afwijken van het bepaalde in afdeling
                            4.2.8 Awb.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvraag activiteitensubsidie van € 2.500,- of meer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om verlening van een activiteitensubsidie van €
                                    2.500,- of meer wordt bij het college ingediend voor 1 juni
                                    voorafgaand aan het kalenderjaar op een door het college
                                    vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de activiteitensubsidie als bedoeld in het eerste lid
                                    per schooljaar wordt verstrekt, wordt de aanvraag ingediend voor
                                    1 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop de subsidie
                                    betrekking heeft, op een door het college vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
                                    genoemde termijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan vrijstelling verlenen van gebruik van het
                                    vastgestelde formulier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Over te leggen gegevens activiteitensubsidie van € 2.500,- of
                                    meer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag als bedoeld in artikel 7 worden in ieder geval
                                    overgelegd: </al><al>a. een activiteitenplan met een overzicht van de activiteiten
                                    waarvoor subsidie wordt gevraagd, de daarmee nagestreefde
                                    doelstellingen en voor zover van toepassing per activiteit de
                                    daarvoor benodigde personele en materiële middelen; </al><al>b. een begroting met toelichting; </al><al>c. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de
                                    subsidie-aanvrager eigenaar of huurder is van een onroerende
                                    zaak, voor zover de subsidie uitsluitend aan een eigenaar of
                                    huurder kan worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een eerste aanvraag worden, voor zover aanwezig, tevens de
                                    volgende stukken overgelegd: </al><al>a. de oprichtings- of stichtingsakte; </al><al>b. een exemplaar van de statuten en huishoudelijk reglement; </al><al>c. een overzicht van de financiële situatie op het moment van de
                                    aanvraag, indien mogelijk in de vorm van een jaarverslag of
                                    jaarrekening over het voorafgaande boekjaar;</al><al>d. een uittreksel van de Kamer van Koophandel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De stukken als bedoeld in lid 2 van dit artikel worden eveneens
                                    overgelegd als deze gewijzigd worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan binnen een door hem te bepalen termijn
                                    overlegging van andere stukken of anderszins verstrekking van
                                    nadere informatie verlangen, indien dit ter beoordeling van de
                                    aanvraag nodig geacht wordt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat een of meer van de in dit artikel
                                    genoemde stukken niet overgelegd behoeven te worden, indien
                                    daarmee geen aantoonbaar belang is gediend of indien dit
                                    redelijkerwijs niet van de aanvrager verlangd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Aanvraag activiteitensubsidie van minder dan €
                                    2.500,-</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om verlening van een activiteitensubsidie van
                                    minder dan € 2.500,- wordt bij het college ingediend voor 1 juni
                                    voorafgaand aan het kalenderjaar op een door het college
                                    vastgesteld formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de activiteitensubsidie als bedoeld in het eerste lid
                                    betrekking heeft op een schooljaar, wordt de aanvraag ingediend
                                    voor 1 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop de subsidie
                                    betrekking heeft, op een door het college vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan besluiten dat op een aanvraag om een
                                    activiteitensubsidie van minder dan € 2.500,-, de bepalingen van
                                    toepassing zijn die gelden voor activiteitensubsidies van €
                                    2.500,- of meer, om te voorkomen dat voor de subsidiëring van
                                    een bepaalde activiteit verschillende eisen van toepassing
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
                                    genoemde termijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan vrijstelling verlenen van gebruik van het
                                    vastgestelde formulier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Over te leggen gegevens activiteitensubsidie van minder dan €
                                    2.500,-</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag als bedoeld in artikel 9 worden in ieder geval
                                    overgelegd: a. een globaal activiteitenplan; b. een overzicht
                                    van de kosten en opbrengsten van de activiteiten met
                                    toelichting; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een eerste aanvraag worden, voor zover aanwezig, tevens de
                                    volgende stukken overgelegd: a. een exemplaar van de statuten en
                                    huishoudelijk reglement; b. een uittreksel van de Kamer van
                                    Koophandel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De stukken als bedoeld in lid 2 van dit artikel worden eveneens
                                    overgelegd als deze gewijzigd worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan binnen een door hem te bepalen termijn
                                    overlegging van andere stukken of anderszins verstrekking van
                                    nadere informatie verlangen, indien dit ter beoordeling van de
                                    aanvraag nodig geacht wordt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Aanvraag subsidie compensatie huur sportaccommodaties</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid en artikel 9,
                                eerste lid van deze verordening wordt een aanvraag om een subsidie
                                ter compensatie van de huur van een sportaccommodatie ingediend
                                uiterlijk op 31 december van het jaar waarop de subsidie betrekking
                                heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanvraag projectsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om verlening van een projectsubsidie wordt ten
                                    minste twaalf weken voor aanvang van de activiteit ingediend op
                                    een door het college vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een projectsubsidie ten behoeve van het
                                    onderhoud van monumenten of ter verbetering van de gevel van een
                                    winkel- of horecapand wordt ten minste vier weken voor aanvang
                                    van de activiteit ingediend op een door het college vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag om een projectsubsidie voor de materiaalkosten van
                                    het afkoppelen van hemelwater wordt ten minste acht weken voor
                                    aanvang van de activiteit ingediend op een door het college
                                    vastgesteld formulier. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
                                    genoemde termijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan vrijstelling verlenen van gebruik van het
                                    vastgestelde formulier.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij een aanvraag als bedoeld in dit artikel worden de gegevens
                                    zoals genoemd in artikel 8 overgelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beslistermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist uiterlijk 1 januari van het jaar waarop de
                                    subsidie betrekking heeft op een aanvraag om verlening van een
                                    activiteitensubsidie van € 2.500,- of meer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de activiteitensubsidie als bedoeld in het eerste lid
                                    per schooljaar wordt verstrekt, beslist het college uiterlijk 1
                                    juli van het schooljaar waarop de subsidieaanvraag betrekking
                                    heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beschikt op een aanvraag om verlening van een
                                    projectsubsidie binnen acht weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid, beschikt het college op een
                                    aanvraag om een projectsubsidie voor de materiaalkosten van het
                                    afkoppelen van hemelwater uiterlijk vier weken na ontvangst van
                                    de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt een activiteitensubsidie van minder dan €
                                    2.500,- op grond van artikel 26, tweede lid, van deze
                                    verordening vast zonder voorafgaande verleningsbeschikking.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt een activiteitensubsidie ter compensatie van
                                    de huur van een sportaccommodatie op grond van artikel 26, derde
                                    lid, van deze verordening vast zonder voorafgaande
                                    verleningsbeschikking.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan de beslistermijn op een aanvraag om subsidie met
                                    maximaal vier weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Meerjarige subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van een periode waarvoor het college een
                                    activiteitensubsidie verleent, bedraagt maximaal vier jaar.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de subsidieverlening wordt aangegeven op welk bedrag de
                                    aanvrager jaarlijks recht heeft dan wel op welke wijze het
                                    toegekende bedrag jaarlijks berekend wordt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het college jaarlijks het subsidiebedrag aanpast, maakt
                                    het deze aanpassing aan de subsidieontvanger bekend voor 1
                                    januari van het jaar waarop het bedrag betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanvullende weigeringsgronden</titel></kop><al>De subsidie kan naast de in artikel 4:25, tweede lid Awb en artikel
                                4:35 Awb genoemde gronden geweigerd worden indien er gegronde reden
                                bestaat aan te nemen dat: </al><al>a. de activiteiten niet passen binnen het beleid van de
                                gemeente;</al><al>b. de activiteiten niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen
                                van de gemeente of diens bewoners;</al><al>c. de subsidie niet of in onvoldoende mate besteed zal worden voor
                                het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld dan wel
                                onvoldoende bij zal dragen aan de realisering van dat doel;</al><al>d. de subsidie-aanvrager handelt in strijd met de wet, het algemeen
                                belang of de openbare orde;</al><al>e. de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende
                                gelden kan beschikken, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit
                                middelen van derden, om de kosten van de activiteiten te
                                dekken;</al><al>f. de aanvrager onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheden
                                andere inkomsten te verkrijgen of de activiteiten op andere wijze
                                uit te voeren;</al><al>g. de activiteiten al in voldoende mate door anderen worden verzorgd
                                dan wel het doel dat met de voorgenomen activiteiten wordt beoogd al
                                in voldoende mate met behulp van andere activiteiten wordt
                                nagestreefd;</al><al>h. de subsidie-aanvrager niet voldoende samenwerkt met andere
                                instellingen die op hetzelfde beleidsterrein activiteiten
                                verzorgen;</al><al>i. er bij de inwoners van Winterswijk onvoldoende behoefte bestaat
                                aan de betreffende activiteit dan wel onvoldoende is onderzocht of
                                en welke behoefte er bestaat bij de inwoners van Winterswijk. </al><al>j. het verstrekken van subsidie zou leiden tot verboden staatssteun
                                dan wel indien het verstrekken van subsidie mogelijk leidt tot
                                verboden staatssteun.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Naast de verplichtingen als bedoeld in artikel 4:37 Awb en de
                                verplichtingen genoemd in deze verordening, kan het college bij
                                subsidieverlening andere doelgebonden verplichtingen als bedoeld in
                                artikel 4:38 Awb opleggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Toestemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij een activiteitensubsidie van € 2.500,- of
                                    meer de subsidie-ontvanger verplichten toestemming te vragen
                                    voor handelingen als genoemd in artikel 4:71, eerste lid
                                    Awb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4:71, tweede tot en met vierde lid, Awb zijn van
                                    overeenkomstige toepassing wanneer de verplichting als bedoeld
                                    in het eerste lid is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De subsidie-ontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk
                                over:</al><al>a. (het voornemen tot) wijziging, het niet verrichten of het
                                beëindigen van de gesubsidieerde activiteiten;</al><al>b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                verhouding met derden;</al><al>c. het (mogelijk) niet kunnen naleven van verplichtingen of voldoen
                                aan voorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Vergoeding bij vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot
                                    vermogensvorming is de subsidie-ontvanger daarvoor een
                                    vergoeding verschuldigd aan het college in de gevallen als
                                    bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan
                                    van de boekwaarde van de goederen en andere
                                    vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding
                                    verschuldigd is, met dien verstande dat in geval van ontvangst
                                    van een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van
                                    goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat aan de
                                    subsidieontvanger daartoe wordt uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het onroerende zaken betreft en geen schadevergoeding
                                    wordt ontvangen, wordt in afwijking van het bepaalde in het
                                    tweede lid de waarde van het onroerend goed bepaald door een
                                    onafhankelijke deskundige, die daartoe door het college in
                                    overeenstemming met de subsidie-ontvanger wordt aangewezen.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wordt de overeenstemming als bedoeld in het derde lid niet
                                    bereikt, dan wijst iedere partij een onafhankelijke deskundige
                                    aan, die gezamenlijk een derde onafhankelijke deskundige
                                    aanwijzen die vervolgens de waarde van het onroerend goed
                                    bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Dit artikel is niet van toepassing in die gevallen waarin de
                                    activiteiten door een derde partij worden voortgezet en de
                                    activa en passiva van de subsidieontvanger met toestemming van
                                    het college tegen boekwaarde aan de derde partij worden
                                    overgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Egalisatiereserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de subsidie-ontvanger verplichten een
                                    egalisatiereserve te vormen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de
                                    werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                                    verleend, komt ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de
                                    egalisatiereserve toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bestemmingsreserve</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de subsidieontvanger verplichten
                                    bestemmingsreserves te vormen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De mutaties van de bestemmingsreserves worden opgenomen in de
                                    begroting, de exploitatierekening en de balans van de
                                    subsidieontvanger. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorming en voeding van de bestemmingsreserves met subsidie
                                    van de gemeente op initiatief van de subsidieontvanger behoeft
                                    de goedkeuring van het college. Het tweede lid is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overige verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan de subsidie-ontvanger verplichten:</al><al>a. de activiteiten te laten uitvoeren door gekwalificeerde personen
                                of bedrijven;</al><al>b. verklaringen omtrent het gedrag over te leggen van medewerkers en
                                vrijwilligers die betrokken zijn bij de uitvoering van de
                                activiteiten;</al><al>c. bepaalde openingstijden of een minimale of maximale openingsduur
                                te hanteren;</al><al>d. overleg te voeren met het college en eventuele andere betrokkenen
                                over het bereiken van de doelstellingen die met de gesubsidieerde
                                activiteiten worden beoogd;</al><al>e. onroerende zaken ten behoeve waarvan een subsidie is verstrekt in
                                redelijke staat van onderhoud te houden;</al><al>f. de activiteiten waarvoor een projectsubsidie wordt verleend,
                                binnen een bepaalde tijd uit te voeren;</al><al>g. aanwijzingen op te volgen door of namens het college gegeven,
                                voor zover de aanwijzingen betrekking hebben op de uitvoering van de
                                onderhoudswerkzaamheden aan monumenten waarvoor een subsidie is
                                verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Niet-doelgebonden verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan niet-doelgebonden verplichtingen als bedoeld in
                                    artikel 4:39 Awb opleggen ten aanzien van:</al><al>a. de inschakeling van werkzoekenden met een beperking of in het
                                    kader van een re-integratietraject en leerlingen;</al><al>b. het vaststellen van een gedragsprotocol in geval van
                                    strafbare feiten of normoverschrijdend gedrag;</al><al>c. de bevordering van het milieu en duurzaamheid;</al><al>d. het bestrijden van discriminatie;</al><al>e. de bevordering van de toegankelijkheid van accommodaties voor
                                    mensen met een beperking;</al><al>f. het vermelden van de gemeente Winterswijk als
                                    (mede)subsidieverlener in pr- of andere communicatieve
                                    uitingen;</al><al>g. de bevordering van de emancipatie en/of participatie van
                                    bepaalde groepen op een bepaald terrein;</al><al>h. de bevordering van het democratisch functioneren van de
                                    subsidie-ontvanger;</al><al>i. de samenwerking met andere instellingen; </al><al>j. de hoogte van de tarieven voor, of bijdragen van deelnemers
                                    aan, gesubsidieerde activiteiten;</al><al>k. het meewerken aan een onderzoek dat wordt uitgevoerd door de
                                    Rekenkamer als bedoeld in artikel 81a Gemeentewet of door
                                    degene(n) die op grond van artikel 81 oa Gemeentewet belast is
                                    of zijn met de uitoefening van de rekenkamerfunctie;</al><al>l. het bewaren van de zondagsrust en rust op algemeen erkende
                                    feestdagen;</al><al>m. de brandveiligheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan tevens bij de subsidieverlening verplichtingen
                                    opleggen indien regelingen van het Rijk dan wel van de provincie
                                    deze voorschrijven of noodzakelijk maken in verband met de
                                    verantwoording die de gemeente over de besteding van gelden
                                    jegens het Rijk of de provincie moet afleggen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Aanvraag subsidievaststelling van een
                                activiteitensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij bij de subsidieverlening een andere termijn is gesteld, wordt
                                de aanvraag van de vaststelling van een activiteitensubsidie van €
                                2500,- of meer ingediend voor 1 juni van het jaar volgende op het
                                jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd. Hierbij wordt gebruik
                                gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij bij de subsidieverlening een andere termijn is gesteld, wordt
                                de aanvraag van de vaststelling van een per schooljaar te
                                verstrekken subsidie ingediend voor 1 februari van het jaar volgende
                                op het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid gaat in ieder geval vergezeld van:</al><al>a.een financieel verslag met een adequate toelichting;</al><al>b.een activiteitenverslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, na indiening van een gemotiveerd verzoek daartoe,
                                toestemming verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en
                                tweede lid de aanvraag tot subsidievaststelling op een latere datum
                                in te dienen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verzoek als bedoeld in het vierde lid, moet minimaal drie weken
                                voor afloop van de termijn als bedoeld in het eerste lid, zijn
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan vrijstelling verlenen van een of meer onderdelen van
                                het derde lid, indien naleving daarvan redelijkerwijs niet verlangd
                                kan worden of indien daarmee geen aantoonbaar belang is
                                gediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag subsidievaststelling van een projectsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie wordt binnen
                                een termijn van acht weken na afloop van het project waarvoor
                                subsidie is verleend, ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag als bedoeld in dit artikel worden de gegevens zoals
                                genoemd in artikel 24, derde lid, overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Beschikking tot subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag tot subsidievaststelling binnen
                                twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt een activiteitensubsidie van minder dan € 2.500,-
                                vast voor 1 januari van het jaar waarop de subsidie betrekking
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een activiteitensubsidie ter compensatie van de
                                huur van een sportaccommodatie vast voor 15 februari van het jaar
                                volgend op het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Accountantsverklaring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de subsidieverlening € 35.000,- of meer per jaar bedraagt,
                                overlegt de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van
                                de subsidie een originele accountantsverklaring.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer aan de subsidie-ontvanger door een bestuursorgaan van de
                                gemeente meerdere subsidies zijn verleend voor hetzelfde tijdvak en
                                de subsidieverlening in totaal € 35.000,- of meer bedraagt, is het
                                eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de subsidieverlening tevens een subsidie in de huurkosten
                                van accommodatie bevat en de subsidie na aftrek van dit deel van de
                                subsidie minder dan € 35.000,- bedraagt, is de subsidie-ontvanger
                                niet verplicht een accountantsverklaring als bedoeld in het eerste
                                lid over te leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De accountantsverklaring als bedoeld in het eerste lid geeft de
                                uitslag weer van het onderzoek van de accountant:</al><al>a.of het financiële verslag voldoet aan bij of krachtens de wet
                                gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij
                                dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar
                                is; en</al><al>b.of de aan de subsidie verbonden verplichtingen zijn
                                nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer geen accountantsverklaring hoeft te worden overgelegd,
                                overlegt de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van
                                de subsidie een verklaring van de kascommissie als bedoeld in
                                artikel 2:48, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer de
                                subsidie-ontvanger niet beschikt over een kascommissie, volstaat een
                                bestuursverklaring.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer de subsidie is verstrekt aan een natuurlijke persoon of een
                                groep van natuurlijke personen, hoeft geen verklaring te worden
                                overgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Verrekening subsidie ter compensatie verschuldigde huur
                                sportaccommodaties</titel></kop><al>De subsidie ter compensatie van de verschuldigde huur voor
                            sportaccommodaties wordt niet betaald overeenkomstig artikel 4:87 Awb,
                            doch verrekend met de verschuldigde huur over het betreffende
                            kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Toezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn
                                belast met het toezicht op de naleving van de aan de ontvanger van
                                die subsidie opgelegde verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de
                                artikelen 5:18 en 5:19 Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Hardheidsclausule</label></kop><al>Het college kan het bepaalde in deze verordening buiten toepassing laten
                            of daarvan afwijken, voor zover toepassing leidt tot een onbillijkheid
                            van overwegende aard.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op aanvragen om subsidie voor
                                activiteiten die worden uitgevoerd na 31 december 2010. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op subsidies die zijn verstrekt voor het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, is de Algemene
                                subsidieverordening Winterswijk 2006 van toepassing zoals deze
                                luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op subsidies die worden aangevraagd na het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening en betrekking hebben op een
                                activiteit die wordt uitgevoerd voor 1 januari 2011, is de Algemene
                                subsidieverordening Winterswijk 2006 van toepassing zoals deze
                                luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening Winterswijk 2006, de Subsidieverordening
                            Beeldkwaliteitplan Centrumgebied Winterswijk, de subsidieverordening
                            onderhoud monumenten 1994, de Deelverordening subsidie
                            burgerinitiatieven, de Verordening regelende de subsidiëring van
                            godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op de
                            openbare en bijzondere scholen voor basisonderwijs en speciaal
                            basisonderwijs in de gemeente Winterswijk, Tijdelijke subsidieregeling
                            inzameling oud papier, Verordening regeling oud papier (vastgesteld 20
                            december 2001), Verordening regeling oud papier (vastgesteld 4 maart
                            2004), de Subsidieregeling onderhoudskosten wind- en waterradmolens en
                            de subsidieverordening Achterhoek Bespaart 2009 worden ingetrokken.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "ASV Winterswijk 2010".</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in</ondertekening><ondertekening>zijn openbare vergadering gehouden op 25 februari 2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage bij raadsbesluit 2010, nr. II-13 d.d. 25 februari 2010</titel></kop><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al><cursief>Aanleiding</cursief></al><al>Het gemeentebestuur van Winterswijk wil het subsidieproces eenvoudiger
                    inrichten, het aantal regels terugbrengen en de (administratieve) lasten voor de
                    subsidie-aanvragers zoveel mogelijk beperken. De nieuwe verordening voorziet
                    hierin vooral door:</al><al>1. subsidies van minder dan € 2.500,- direct vast te stellen, zonder
                    voorafgaande subsidieverlening;</al><al>2. het college de bevoegdheid te geven meerjarige subsidies te verstrekken;</al><al>3. de gegevens die de aanvrager moet inleveren zoveel mogelijk te beperken;</al><al>4. het aantal verschillende subsidiesoorten terug te brengen van vijf tot twee,
                    waardoor voor de aanvrager duidelijker wordt welke subsidie hij aanvraagt en met
                    minder regels kan worden volstaan; </al><al>5. onderwerpen die in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) uitputtend
                    zijn geregeld, niet ook nog eens in de verordening op te nemen.</al><al/><al><cursief>Uitgangspunten Algemene subsidieverordening gemeente Winterswijk 2010
                        (ASV Winterswijk 2010)</cursief></al><al>Aan de ASV Winterswijk 2010 liggen de volgende uitgangspunten ten
                    grondslag.</al><lijst><li nr=""><al>Duurzaam en gebruiksvriendelijk</al></li></lijst><al>De ASV Winterswijk 2010 moet de komende jaren een duidelijk kader bieden
                    waarbinnen subsidie-aanvragen worden behandeld. Een duurzame verordening
                    betekent dat de verordening vooral algemene bepalingen bevat, zodat veel
                    verschillende situaties eronder kunnen worden geschaard en niet om de haverklap
                    een wijziging van de verordening noodzakelijk is. De meer gedetailleerde
                    bepalingen over subsidiabele activiteiten, de berekening van het subsidiebedrag
                    en dergelijke worden neergelegd in beleidsregels in plaats van in
                    deelverordeningen. Deze beleidsregels worden door het college van burgemeester
                    en wethouders vastgesteld, dat zo nodig flexibel kan inspelen op noodzakelijke
                    aanpassingen.</al><lijst><li nr=""><al>Aansluitend op praktijk Winterswijk </al></li></lijst><al>Het subsidieproces zoals beschreven in de ASV Winterswijk 2010, sluit aan op het
                    feitelijke besluitvormingsproces zoals dat in de organisatie verloopt. Zo zijn
                    de indienings- en beslistermijnen afgestemd op de planning- en controlcyclus van
                    de gemeente Winterswijk. </al><lijst><li nr=""><al>In overeenstemming met hogere regelgeving zoals de Awb </al></li></lijst><al>Naast de ASV Winterswijk 2010 en de beleidsregels is ook de Awb van toepassing
                    op subsidierelaties. Titel 4.2 Awb bevat een groot aantal subsidieregels. De ASV
                    mag niet met deze regels in strijd zijn. Ook is er voor gekozen geen bepalingen
                    uit de Awb op te nemen in de ASV Winterswijk 2010, omdat het de indruk kan
                    wekken dat andere bepalingen uit de Awb niet van toepassing zijn. </al><lijst><li nr=""><al>Eenvoudig en helder subsidieproces</al></li></lijst><al>Het subsidieproces is zo eenvoudig en simpel mogelijk gehouden, zodat bij de
                    uitvoering van de ASV Winterswijk 2010 zo min mogelijk onduidelijkheden ontstaan
                    voor zowel de subsidie-aanvrager als de behandelend ambtenaren. </al><lijst><li nr=""><al>Overeenkomstig Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving</al></li></lijst><al>Bij het opstellen van de verordening is rekening gehouden met de (niet
                    verplichte) Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving zoals opgesteld door de
                    Vereniging voor Nederlandse Gemeenten.</al><al/><al><cursief>Reikwijdte Algemene subsidieverordening gemeente Winterswijk 2010 (ASV
                        Winterswijk 2010)</cursief></al><al>De Awb verplicht gemeenten in subsidieverordeningen aan te geven voor welke
                    activiteiten een subsidie kan worden verkregen. Deze activiteiten zijn in
                    artikel 2 van de ASV Winterswijk 2010 benoemd. De binnen Winterswijk aanwezige
                    beleidsterreinen waarop subsidie wordt verstrekt zijn hierin opgenomen. Het gaat
                    om de volgende beleidsterreinen:</al><al>a. kunst en cultuur;</al><al>b. jeugd;</al><al>c. volksgezondheid;</al><al>d. maatschappelijke ondersteuning; </al><al>e. sport;</al><al>f. citymarketing, recreatie en toerisme;</al><al>g. ruimtelijke ordening, monumentenzorg en stedelijke vernieuwing;</al><al>h. onderwijs en kinderopvang;</al><al>i. milieu.</al><al/><al>Welke activiteiten binnen de genoemde programmaonderwerpen precies worden
                    gesubsidieerd, wordt uitgewerkt in nadere regels die op grond van artikel 3,
                    tweede lid door het college van burgemeester en wethouders kunnen worden
                    vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Inhoud en opbouw ASV Winterswijk 2010</cursief></al><al>De ASV Winterswijk 2010 bestaat uit 5 hoofdstukken die als volgt zijn
                    onderverdeeld.</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Hoofdstuk 2 Subsidieverlening</al><al>Hoofdstuk 3 Subsidievaststelling</al><al>Hoofdstuk 4 Overige bepalingen</al><al>Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen</al><al/><al>Hoofdstuk 1, de algemene bepalingen, omvat onder meer de begripsbepalingen, de
                    reikwijdte van de verordening, de toedeling van de bevoegdheid de verordening
                    uit te voeren, de bevoegdheid nadere regels te stellenen de subsidieplafonds. </al><al>De bepalingen over de indiening van aanvragen, beslistermijnen, verplichtingen
                    en weigeringsgronden zijn opgenomen in Hoofdstuk 2.De verordening gaat er in
                    beginsel van uit dat aan de subsidievaststelling een verlegingsbeschikking
                    vooraf gaat. In geval van activiteitensubsidies van minder dan € 2.500,- ligt
                    dat anders. In overeenstemming met de artikelen 4:29 en 4:43 Awb worden deze
                    activiteitensubsidies direct vastgesteld. </al><al>Rekening en verantwoording wordt afgelegd nadat de activiteiten zijn uitgevoerd,
                    in het kader van de subsidievaststelling. Op grond van de Awb moet iedere
                    subsidie worden vastgesteld. Bij de vaststelling wordt nagegaan of, en in welke
                    mate, de activiteiten zijn verricht en de verplichtingen zijn nagekomen. Als de
                    activiteiten zijn uitgevoerd overeenkomstig de verlening, dan wordt de subsidie
                    vastgesteld op het verleende bedrag. Is echter afgesproken dat er tien
                    toneelvoorstellingen worden gegeven en dat per voorstelling een subsidie van €
                    1.000,- wordt verleend, dan wordt de subsidie op € 8.000,- vastgesteld wanneer
                    er acht voorstellingen zijn geweest. Het is denkbaar dat de activiteiten
                    gedeeltelijk zijn uitgevoerd, maar dat het met de subsidie beoogde resultaat in
                    zijn geheel niet wordt bereikt. Een verbouwing van een sportaccommodatie wordt
                    bijvoorbeeld maar gedeeltelijk uitgevoerd, waardoor een accommodatie die voldoet
                    aan de eisen van deze tijd (het doel van de subsidie) nog steeds niet
                    gerealiseerd is. In dat geval kan een subsidie op nul worden vastgesteld. De
                    bepalingen omtrent vaststelling van de subsidie zijn neergelegd in Hoofdstuk
                    3.</al><al>Nadat de activiteiten hebben plaatsgevonden, wordt de subsidie betaald. Dat is
                    althans de systematiek waar de Awb in beginsel vanuit gaat. Aangezien het voor
                    veel organisaties niet haalbaar is de activiteiten voor te financieren, zullen
                    in veel gevallen voorschotten worden verleend. Artikel 4:95 Awb biedt hiertoe de
                    mogelijkheid. </al><al>Hoofdstuk 4, de overige bepalingen, geeft in aanvulling op artikel 4:50 van de
                    Awb gronden om een subsidie in te trekken of ten nadele van de subsidieontvanger
                    te wijzigen. Het bevat daarnaast een bepaling met betrekking tot het toezicht op
                    de naleving van de aan de ontvanger van een subsidie opgelegde verplichtingen.
                    Ook is een hardheidsclausule opgenomen. </al><al>Hoofdstuk 7 bevat de gebruikelijke slotbepalingen zoals de intrekking van de
                    bestaande subsidieverordening, een overgangsbepaling en dergelijke.</al><al/><al><cursief>Verhouding Algemene wet bestuursrecht</cursief></al><al>Titel 4.2 van de Awb bevat specifieke bepalingen die van toepassing zijn op
                    subsidies. De bepalingen uit de Awb gelden naast de ASV Winterswijk 2010.
                    Sommige bepalingen uit de Awb bieden de mogelijkheid eigen regels te stellen,
                    andere hebben een dwingend karakter. Zo ligt de definitie van een subsidie
                    bijvoorbeeld vast (artikel 4:21 Awb). Volgens deze bepaling wordt onder een
                    subsidie verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan
                    verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als
                    betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Iedere
                    financiële relatie van de gemeente die voldoet aan de kenmerken van de
                    definitie, is een subsidie. Ook wanneer die relatie wordt benoemd als opdracht
                    of overeenkomst. De Awb geeft een regeling voor de situaties waarin een subsidie
                    lager vastgesteld, ingetrokken, gewijzigd of beëindigd mag worden. Daarom zijn
                    over deze onderwerpen geen regels in de ASV Winterswijk 2010 opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Het artikel bevat een beperkt aantal begripsbepalingen. Binnen de gemeente
                    Winterswijk kunnen twee soorten subsidies worden verleend. </al><al>Activiteitensubsidies worden verleend voor structurele activiteiten die
                    gedurende het hele jaar plaatsvinden. Het gaat om activiteiten van bijvoorbeeld
                    de bibliotheek, de muziekschool, sportverenigingen, peuterspeelzalen. Die
                    verzorgen allemaal activiteiten die structureel zijn en vrijwel het hele jaar
                    doorlopen. De activiteitensubsidie kan worden verleend per kalenderjaar of per
                    schooljaar. Een aantal subsidieontvangers heeft een administratie ingericht op
                    basis van een schooljaar. Het college bepaalt voor welke activiteit het
                    kalenderjaar en voor welke activiteit het schooljaar wordt aangehouden. In de
                    verordening wordt onderscheid gemaakt tussen activiteitensubsidies van € 2.500,-
                    of meer en activiteitensubsidies van minder dan € 2.500,-. Aan de grotere
                    subsidies worden hogere eisen gesteld aan de aanvraag om subsidieverlening en
                    het afleggen van rekening en verantwoording. </al><al>Projectsubsidies worden verleend voor in tijd begrensde activiteiten van een
                    subsidieontvanger. Het kan gaan om een incidentele activiteit die maar één keer
                    wordt georganiseerd en om activiteiten de jaarlijks terugkeren. Voorbeelden van
                    projectsubsidies zijn subsidies voor evenementen, de viering van Koninginnedag
                    of voor een tentoonstelling.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Reikwijdte</vet></al><al>Artikel 4:23 van de Awb verplicht de gemeente een wettelijk voorschrift vast te
                    stellen waarin is geregeld voor welke activiteiten subsidie kan worden
                    verstrekt. Met het vaststellen van de ASV Winterswijk 2010 is aan deze
                    verplichting voldaan. </al><al>De verordening is van toepassing op subsidieaanvragen en -besluiten die
                    betrekking hebben op de genoemde beleidsterreinen, te weten: </al><al>a. kunst en cultuur;</al><al>b. jeugd;</al><al>c. volksgezondheid;</al><al>d. maatschappelijke ondersteuning; </al><al>e. sport;</al><al>f. citymarketing, recreatie en toerisme;</al><al>g. ruimtelijke ordening, monumentenzorg en stedelijke vernieuwing;</al><al>h. onderwijs en kinderopvang;</al><al>i. milieu.</al><al/><al>Dit betekent niet dat alle aanvragen om subsidie voor activiteiten op deze
                    beleidsterreinen ook toegekend zullen worden. Alleen de activiteiten die in
                    beleidsregels nader zijn omschreven kunnen worden gesubsidieerd.</al><al>De behoefte aan een specifieke subsidieverordening voor bepaalde activiteiten
                    kan zich voordoen. In dat geval biedt het derde lid de mogelijkheid een
                    subsidieverordening vast te stellen waarop de ASV Winterswijk 2010 niet van
                    toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Bevoegdheid college</vet></al><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en dus bevoegd alle
                    besluiten die nodig zijn ter uitvoering van de verordening te nemen. Het betreft
                    niet alleen het beslissen op aanvragen om subsidieverlening of vaststelling,
                    maar bijvoorbeeld ook het tussentijds intrekken, wijzigen of het beëindigen van
                    subsidierelaties. </al><al>In het tweede lid wordt de bevoegdheid nadere regels vast te stellen gedelegeerd
                    aan het college. Deze bevoegdheid is opgenomen omdat het college in de oude
                    situatie uitvoeringsvoorschriften kon vaststellen ten behoeve van
                    subsidieverstrekking voor het onderhouden van monumenten. Aangezien de ASV
                    algemene regels bevat, is er voor gekozen de bevoegdheid nadere regels vast te
                    stellen in algemene zin te delegeren. In de nadere regels zal onder meer worden
                    vastgelegd wat de subsidiabele activiteiten zijn, wie subsidie-ontvanger kunnen
                    zijn en op welke wijze de hoogte van het subsidiebedrag zal worden
                    vastgesteld.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4 Subsidieplafond</vet></al><al>Begrip subsidieplafond</al><al>Een subsidieplafond is het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste
                    beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald
                    wettelijk voorschrift. Het is de bedoeling dat per beleidsterrein of per
                    subsidiabele activiteit, een plafond wordt ingesteld. De raad stelt in haar
                    begroting de financiële kaders vast, waarbinnen het college moet opereren. De
                    bevoegdheid tot het vaststellen van de subsidieplafonds kan daarom bij het
                    college worden gelegd, zonder het budgetrecht van de raad te doorkruisen. De
                    vaststelling van een plafond moet bekend gemaakt worden overeenkomstig het
                    bepaalde in artikel 3:42 Awb; door kennisgeving van het besluit of van de
                    zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
                    Elektronische bekendmaking is toegestaan, mits dit in een gemeenteblad gebeurt.
                    Op grond van artikel 4:27, eerste lid, Awb worden de subsidieplafonds
                    vastgesteld voor aanvang van het tijdvak waarop zij van toepassing zijn.</al><al/><al>Bevoegdheid college</al><al>Het college stelt de subsidieplafonds vast, zo mogelijk overeenkomstig het
                    bedrag dat voor de betreffende activiteit of het betreffende programma op de
                    begroting beschikbaar is gesteld. Niet in alle gevallen zal een te subsidiëren
                    activiteit op de begroting zijn vermeld. Ook dan dient het college
                    vanzelfsprekend rekening te houden met de door de gemeenteraad beschikbaar
                    gestelde financiële middelen. Deze zijn dan echter niet direct te herleiden tot
                    één begrotingspost.</al><al/><al>Subsidieplafond niet altijd nodig</al><al>Het vaststellen van een subsidieplafond is niet verplicht en ook niet altijd
                    nodig. Een subsidieplafond beoogt te voorkomen dat de begroting van een
                    overheidsorganisatie moet worden overschreden, omdat het beroep dat op de
                    subsidieregeling wordt gedaan, de beschikbare financiële middelen overschrijdt.
                    Wanneer voorafgaand aan een subsidiejaar duidelijk is in welke omvang aanspraak
                    wordt gemaakt op de subsidieregeling en dit bedrag op de begroting beschikbaar
                    is gesteld, is het niet nodig een plafond in te stellen. Wanneer gedurende het
                    subsidiejaar nog aanvragen kunnen worden ingediend, is van tevoren niet
                    duidelijk hoeveel aanvragen zullen worden ingediend. In dat geval voorkomt een
                    subsidieplafond dat ook een subsidie moet worden verstrekt, terwijl er geen geld
                    meer beschikbaar is.</al><al/><al>Verdeelregels</al><al>Het college stelt per subsidieplafond de wijze van verdeling van het beschikbare
                    subsidiebudget vast, wanneer het totaal van de aanvragen dat bedrag
                    overschrijdt.</al><al>Tegelijkertijd met de bekendmaking van het subsidieplafond, wordt ook de wijze
                    vermeld waarop het beschikbare geld wordt verdeeld. Deze verdeelregels zijn niet
                    (altijd) hetzelfde als de weigeringsgronden of de eisen die worden gesteld om in
                    aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. De verdeelregels zijn de regels
                    die worden toegepast op het moment dat het totaal van de aanvragen dat voldoet
                    aan de eisen om in aanmerking te komen voor een subsidie, meer bedraagt dan aan
                    financiële middelen beschikbaar is gesteld bij de vaststelling van het
                    subsidieplafond. In dat geval moet het geld worden verdeeld over al die
                    aanvragen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Hoogte subsidie</vet></al><al>Volgens dit artikel stelt het college per activiteit de wijze van berekening van
                    de hoogte van de subsidie vast. Het college kan hiervoor beleidsregels
                    vaststellen, maar kan ook een vaste gedragslijn hanteren die in de praktijk
                    steeds wordt toegepast.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Afdeling 4.2.8 Awb</vet></al><al>Afdeling 4.2.8 van de Awb heeft betrekking op per boekjaar verstrekte subsidies
                    aan rechtspersonen en bevat regels over de aanvraag, subsidieverlening en
                    -vaststelling van dergelijke subsidies en de verplichtingen van de
                    subsidie-ontvanger. Wanneer het college op grond van artikel 4:58 van de Awb
                    afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing verklaart, zijn de bepalingen uit de
                    ASV Winterswijk 2010 niet van toepassing voor zover zij afwijken van het
                    bepaalde in die afdeling. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Subsidieaanvraag</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7 Aanvraag activiteitensubsidie van € 2.500,- of meer </vet></al><al>Het artikel regelt dat een aanvraag om verlening van een activiteitensubsidie
                    van € 2.500,- of meer voor 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar moet worden
                    ingediend. Indien sprake is van een subsidie die per schooljaar wordt verstrekt,
                    dient de aanvraag voor 1 mei voorafgaand aan het schooljaar te worden ingediend.
                    De gehanteerde termijn maakt het mogelijk om in de begroting rekening te houden
                    met de aangevraagde subsidiebedragen. Van de genoemde termijn bij
                    activiteitensubsidies per kalenderjaar kan het college in een individueel geval
                    ontheffing verlenen. </al><al>Teneinde de voor de beoordeling van een subsidieaanvraag benodigde informatie
                    volledig en gestructureerd te ontvangen, wordt gewerkt met standaardformulieren,
                    waarvan een aanvrager gebruik moet maken om een subsidieaanvraag in te kunnen
                    dienen. Het college stelt deze formulieren vast (artikel 4:4 Awb). Het college
                    kan per categorie subsidies vrijstelling verlenen van de verplichting een
                    vastgesteld formulier te gebruiken.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Over te leggen gegevens activiteitensubsidie van € 2.500,- of
                        meer </vet></al><al>De aanvrager van een subsidie verschaft de gegevens en bescheiden die voor de
                    beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                    beschikking kan krijgen. Dit is de algemene regel uit artikel 4:2 Awb. Artikel 8
                    ASV Winterswijk 2010 werkt deze bepaling uit door concreet te benoemen welke
                    gegevens moeten worden overgelegd bij het indienen van een aanvraag om een
                    activiteiten- of projectsubsidie, namelijk een activiteitenplan en een
                    begroting. In het activiteitenplan moet een overzicht van de te subsidiëren
                    activiteiten, de nagestreefde doelstellingen en een opsomming van benodigde
                    personele en materiële middelen opgenomen worden.</al><al>In geval van een eerste aanvraag zal een organisatie vaak nog niet bekend zijn
                    bij het gemeentebestuur. Het is daarom wenselijk in dat geval over extra
                    gegevens te beschikken om een goed oordeel te kunnen vormen over de vraag of de
                    organisatie in aanmerking komt voor subsidie. </al><al>Ook wijzigingen in gegevens dienen te worden gemeld. Zo wordt gezorgd dat het
                    college kan controleren of de aanvrager hiertoe (nog steeds) bevoegd is.</al><al>Ongeacht de vraag of het een eerste aanvraag om subsidie betreft, kan het
                    college overlegging van andere stukken of verstrekking van nadere informatie
                    verlangen, indien nodig ter beoordeling van de subsidieaanvraag. Om te voorkomen
                    dat overbodige informatie wordt gevraagd, kan het college ook bepalen dat
                    informatie niet hoeft te worden geleverd (vijfde lid).</al><al/><al><vet>Artikel 9 Aanvraag activiteitensubsidie van minder dan € 2.500,-</vet></al><al>Ook de aanvraag voor de verlening van een kleinere activiteitensubsidie moet
                    voor 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar worden ingediend door middel van
                    een standaardformulier. Indien sprake is van een subsidie die per schooljaar
                    wordt verstrekt, dient de aanvraag voor 1 mei voorafgaand aan het schooljaar te
                    worden ingediend. Net als bij artikel 7 ASV kan het college in individuele
                    gevallen ontheffing verlenen van de genoemde termijn bij activiteitensubsidies
                    per kalenderjaar en kan het college voor een bepaald soort subsidie vrijstelling
                    verlenen van de verplichting een vastgesteld formulier te gebruiken.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Over te leggen gegevens activiteitensubsidie van minder dan €
                        2.500,-</vet></al><al>Omdat het bedrag van de subsidie relatief laag is, hoeven minder gegevens te
                    worden overgelegd. Een subsidieaanvraag moet vergezeld gaan van een globaal
                    activiteitenplan en een overzicht van de kosten en eventuele opbrengsten van de
                    activiteiten. In geval van een eerste aanvraag zal een organisatie vaak nog niet
                    bekend zijn bij het gemeentebestuur. Het is daarom wenselijk in dat geval over
                    extra gegevens te beschikken om een goed oordeel te kunnen vormen over de vraag
                    of de organisatie in aanmerking komt voor subsidie. Ook wijzigingen in gegevens
                    dienen te worden gemeld. Zo wordt gezorgd dat het college kan controleren of de
                    aanvrager hiertoe (nog steeds) bevoegd is.</al><al>Het college kan overlegging van andere stukken of verstrekking van nadere
                    informatie verlangen, indien nodig ter beoordeling van de subsidieaanvraag. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Aanvraag subsidie compensatie huur sportaccommodaties</vet></al><al>Binnen de gemeente Winterswijk wordt de huur die sportverenigingen betalen voor
                    sportaccommodatie gecompenseerd via subsidie. Deze subsidie komt niet tot
                    uitbetaling, maar wordt verrekend met het huurbedrag dat de sportvereniging over
                    het betreffende jaar verschuldigd zou zijn aan de gemeente Winterswijk, De
                    aanvraag tot subsidie wordt, in afwijking van overige aanvragen tot
                    activiteitensubsidies, ingediend uiterlijk op 31 december van het jaar waarop de
                    subsidie betrekking heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Aanvraag projectsubsidie</vet></al><al>Voor de aanvraag om verlening van een projectsubsidie geldt in principe een
                    indieningstermijn van twaalf weken voorafgaand aan de activiteit. Ook een
                    aanvraag om een projectsubsidie moet worden gedaan op een standaardformulier,
                    tenzij het college besluit de aanvrager van deze verplichting te ontheffen. De
                    termijn van twaalf weken is te lang bij aanvragen ten aanzien van onderhoud van
                    monumenten of ter verbetering van de gevel van winkel- en horecapanden. Voor
                    deze aanvragen is een kortere termijn gehanteerd van vier weken. Hetzelfde geldt
                    voor aanvragen voor materiaalkosten van het afkoppelen van hemelwater. Voor deze
                    aanvragen is een termijn gehanteerd van acht weken, omdat dit soort aanvragen
                    korter van tevoren moet kunnen worden aangevraagd. Voor het overige worden de
                    gegevens zoals genoemd in artikel 8 overgelegd bij de aanvraag om een
                    projectsubsidie.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Subsidieverlening</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13 Beslistermijnen</vet></al><al>De beslistermijn voor een activiteitensubsidie van € 2.500,- of meer is
                    uiterlijk 1 januari van het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.
                    Wanneer de subsidie per schooljaar wordt verstrekt, moet uiterlijk 1 juli worden
                    beslist op de aanvraag om subsidie. Bij het einde van het schooljaar voorafgaand
                    aan het jaar waarvoor de subsidie is aangevraagd, moet duidelijk zijn of een
                    subsidie is verleend.</al><al>Voor projectsubsidies geldt een beslistermijn van acht weken na ontvangst van de
                    aanvraag tot subsidieverlening. Bij een aanvraag voor de materiaalkosten van het
                    afkoppelen van hemelwater geldt een beslistermijn van vier weken. Het college
                    kan de beslistermijnen met maximaal vier weken verdagen. </al><al>Omdat een activiteitensubsidie van minder dan € 2.500,- en ter compensatie van
                    de huur van een sportaccommodatie wordt vastgesteld zonder voorafgaande
                    verleningsbeschikking verwijst het artikel naar artikel 24 van de ASV
                    Winterswijk 2010, waarin is bepaald dat het college binnen twaalf weken na
                    ontvangst van de aanvraag een subsidie vaststelt. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Meerjarige subsidies</vet></al><al>Meerjarige activiteitensubsidies worden voor maximaal vier jaar achtereen
                    verleend. Vervolgens zal de subsidieontvanger een nieuwe aanvraag moeten
                    indienen voor een volgende meerjarige subsidie. Bij de subsidieverlening wordt
                    aangegeven op welk bedrag de subsidie-ontvanger jaarlijks recht heeft dan wel op
                    welke wijze het bedrag jaarlijks berekend wordt. Is er sprake van een jaarlijkse
                    berekening dan maakt het college ieder jaar voor 1 januari het bedrag voor het
                    komende jaar bekend.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Aanvullende weigeringsgronden</vet></al><al>Artikel 4:25, tweede lid, en artikel 4:35 van de Awb noemen verschillende
                    gronden om subsidie te weigeren. Deze weigeringsgronden worden in artikel 15 van
                    de ASV Winterswijk 2010 aangevuld. Naast het feit dat de ASV Winterswijk 2010 of
                    beleidsregels de subsidiëring van bepaalde activiteiten mogelijk moeten maken,
                    moet ook aan een aantal andere randvoorwaarden voldaan zijn om in aanmerking te
                    komen voor de subsidie.</al><al>a. Het college verstrekt geen subsidie indien de activiteiten niet passen binnen
                    het beleid van de gemeente.</al><al>b. Subsidie is een beleidsinstrument dat wordt ingezet om bepaalde
                    doelstellingen van het gemeentebestuur te realiseren. Dit is alleen mogelijk
                    wanneer de activiteiten in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar
                    inwoners dan wel ten goede komen aan de gemeente of haar inwoners. </al><al>c. De subsidie moet worden besteed aan de activiteiten waarvoor zij verleend is.
                    Wanneer de subsidie naar verwachting geheel of gedeeltelijk zal worden aangewend
                    voor andere zaken, kan deze geweigerd worden.</al><al>d. De subsidie-aanvrager mag niet handelen in strijd met de wet, het algemeen
                    belang of de openbare orde. Wanneer het vermoeden bestaat dat de
                    subsidie-aanvrager wel in strijd hiermee zal handelen, kan de subsidie worden
                    geweigerd.</al><al>e. Wanneer een subsidieaanvraag in principe voor toewijzing in aanmerking komt,
                    maar de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt of dat de activiteiten
                    bijvoorbeeld met minder middelen dan voorgesteld kunnen worden uitgevoerd, kan
                    het college de subsidie weigeren. Ook kunnen er redenen zijn om aan te nemen dat
                    de activiteiten op een andere wijze kunnen worden georganiseerd, waardoor een
                    financieel beroep op de gemeente niet nodig is. De aanvrager huurt bijvoorbeeld
                    betaalde krachten in om de activiteiten uit te voeren, terwijl daarvoor een
                    beroep kan worden gedaan op de leden of op vrijwilligers. </al><al>f. Er kan een situatie bestaan waarin de aanvrager mogelijkheden heeft andere
                    inkomsten te verkrijgen, maar deze niet of niet voldoende benut. Te denken valt
                    aan contributie van leden, donaties, sponsors, subsidies van andere
                    bestuursorganen.</al><al>g. Tot subsidiëring hoeft niet te worden overgegaan, als in het beoogde doel of
                    de voorgenomen activiteiten al op andere wijze is voorzien.</al><al>h. De subsidie-aanvrager moet in voldoende mate samenwerken met andere
                    instellingen die op hetzelfde beleidsterrein activiteiten verzorgen. Hierbij
                    moet onder meer gedacht worden aan de ketensamenwerking door instellingen die
                    activiteiten op het gebied van maatschappelijke ondersteuning uitvoeren.</al><al>i. er bij de inwoners van Winterswijk onvoldoende behoefte bestaat aan de
                    betreffende activiteit dan wel onvoldoende is onderzocht of en welke behoefte er
                    bestaat bij de inwoners van Winterswijk. </al><al>j. het verstrekken van subsidie zou leiden tot verboden staatssteun dan wel
                    indien het verstrekken van subsidie mogelijk leidt tot verboden
                    staatssteun.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger</vet></al><al/><al><vet>Artikel 16 Nadere verplichtingen</vet></al><al>Alle verplichtingen die voor de subsidie-ontvanger gelden, moeten op het moment
                    van subsidieverlening bekend zijn. De verplichtingen kunnen worden opgenomen in
                    de subsidieverordening en in de subsidieverleningbeschikking. </al><al>De Awb onderscheidt drie soorten verplichtingen: de standaardverplichtingen
                    (artikel 4:37 Awb), de overige doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en
                    de niet-doelgebonden verplichtingen (artikel 4:39 Awb).</al><al>De standaardverplichtingen kunnen altijd bij de subsidieverlening worden
                    opgelegd. Dit zijn overigens ook altijd verplichtingen waarmee beoogd wordt het
                    doel van de subsidie te bereiken. De overige doelgebonden verplichtingen moet
                    een basis hebben in de subsidieverordening. De algemene basis hiervoor is
                    artikel 16. Op grond van dit artikel kan het college bij de subsidieverlening
                    altijd doelgebonden verplichtingen opleggen die nog niet in de verordening zijn
                    opgenomen. De artikelen 15 tot en met 20 betreffen ook doelgebonden
                    verplichtingen.</al><al/><al>Met niet-doelgebonden verplichtingen kan een bestuursorgaan een ander
                    beleidsdoel proberen te realiseren dan het doel dat met de subsidieverlening
                    wordt beoogd. Dat soort verplichtingen mag alleen worden opgelegd wanneer ze
                    iets zeggen over de wijze waarop of de middelen waarmee de activiteiten worden
                    verricht. De verordening moet aangeven over welke onderwerpen niet-doelgebonden
                    verplichtingen kunnen worden opgelegd. De onderwerpen zijn genoemd in artikel
                    21.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Toestemming</vet></al><al>Het artikel geeft het college de bevoegdheid om bij een activiteitensubsidie van
                    € 2.500,- of meer de subsidie-ontvanger te verplichten toestemming te vragen
                    voor de handelingen zoals opgenomen in artikel 4:71, eerste lid, van de Awb. Het
                    gaat om de volgende handelingen:</al><al>a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;</al><al>b. het wijzigen van de statuten;</al><al>c. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van
                    registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de
                    subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de
                    subsidiegelden;</al><al>d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of
                    bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien
                    deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie
                    dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;</al><al>e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van
                    geldlening;</al><al>f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidie-ontvanger zich verbindt
                    tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van
                    derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of
                    zich voor een derde sterk maakt;</al><al>g. het vormen van fondsen en reserveringen;</al><al>h. het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidie-ontvanger in
                    de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten
                    prestaties;</al><al>i. het ontbinden van de rechtspersoon;</al><al>j. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn
                    surséance van betaling.</al><al>Wanneer de subsidie-ontvanger verplicht wordt toestemming te vragen voor
                    genoemde handelingen, zijn het tweede tot en met vierde lid van artikel 4:71 Awb
                    van overeenkomstige toepassing. Daarin is geregeld dat binnen vier weken wordt
                    beslist op een aanvraag om toestemming. Deze termijn kan worden verlengd met
                    vier weken. De aanvrager moet schriftelijk op de hoogte worden gesteld van het
                    besluit de beslistermijn te verlengen. Wordt niet tijdig beslist, dan wordt deze
                    geacht te zijn verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Wijziging of beëindiging gesubsidieerde activiteiten</vet></al><al>Om te kunnen beoordelen of het wenselijk is een subsidie in te trekken of ten
                    nadele van de subsidieontvanger te wijzigen, is het noodzakelijk goed
                    geïnformeerd te blijven over belangrijke ontwikkelingen bij de
                    subsidieontvanger. Daarom is in dit artikel geregeld dat de subsidieontvanger
                    het college zo spoedig mogelijk informeert bij (het voornemen tot) het besluit
                    gesubsidieerde activiteiten te beëindigen of te wijzigen, of wanneer
                    verplichtingen of gestelde voorwaarden (mogelijk) niet kunnen worden nageleefd . </al><al/><al><vet>Artikel 19 Vergoeding bij vermogensvorming</vet></al><al>Artikel 4:41 van de Awb biedt de mogelijkheid in bepaalde gevallen een
                    vergoeding te vragen van met de subsidie behaald vermogensvoordeel, wanneer dit
                    in de verordening of bij de subsidieverlening is bepaald. De gemeente
                    Winterswijk hecht eraan dat de subsidies worden besteed aan activiteiten en niet
                    onnodig leiden tot vermogensvorming. Omdat het niet redelijk en doenlijk is
                    iedere vermogenstoename af te romen, is de vergoedingplicht aan enkele
                    beperkingen gebonden. Vast moet staan dat de vermogenstoename niet zou hebben
                    plaatsgevonden als de subsidie niet zou zijn verleend. Een vergoeding is
                    uitsluitend verschuldigd in de volgende situaties:</al><al>- de subsidie-ontvanger vervreemdt, bezwaart of wijzigt de bestemming van
                    goederen die voor de gesubsidieerde activiteiten zijn gebruikt of bestemd;</al><al>- de subsidie-ontvanger ontvangt een schadevergoeding voor verlies of
                    beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde
                    goederen;</al><al>- de gesubsidieerde activiteiten worden geheel of gedeeltelijk beëindigd;</al><al>- de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de
                    subsidie wordt beëindigd;</al><al>- de rechtspersoon die de subsidie ontvangt, wordt ontbonden.</al><al/><al>Het tweede en derde lid van artikel 19 bepalen op welke wijze de hoogte van de
                    te betalen vergoeding wordt berekend. Worden de activiteiten van de
                    subsidie-ontvanger voortgezet door een derde partij en worden de activa en
                    passiva tegen de boekwaarde overgedragen, dan is er geen aanleiding een
                    vergoeding voor vermogensvorming te eisen (vierde lid).</al><al/><al><vet>Artikel 20 Egalisatiereserve</vet></al><al>Met een egalisatiereserve kunnen tekorten in het ene jaar worden opgevangen met
                    overschotten in het andere jaar of andere jaren. De egalisatiereserve vormt mede
                    de weerstandscapaciteit van de subsidie-ontvanger. </al><al>Het college kan de subsidie-ontvanger verplichten een egalisatiereserve te
                    vormen, waarbij het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de
                    werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend ten
                    gunste of ten laste van reserve komen. Hierbij geldt dat de van de
                    egalisatiereserve genoten rente aan de egalisatiereserve wordt toegevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Bestemmingsreserve</vet></al><al>Bestemmingsreserves zijn reserves die worden gevormd met het oog op bepaalde
                    investeringen, die in een bepaald jaar voor een bepaalde doel zullen worden
                    gedaan. Het college kan de subsidie-ontvanger de verplichting opleggen een
                    bestemmingsreserve te vormen (lid 1). Deze dient te worden opgenomen in de
                    begroting, jaarrekening en balans van de subsidie-ontvanger (lid 2). Wanneer de
                    subsidie-ontvanger zelf initiatief neemt tot de vorming en voeding van
                    bestemmingsreserves met subsidie van de gemeente, is goedkeuring van het college
                    vereist. Ook in dat geval dient de bestemmingsreserve te worden opgenomen in de
                    begroting, jaarrekening en balans van de subsidie-ontvanger (lid 3).</al><al/><al><vet>Artikel 22 Overige verplichtingen</vet></al><al>Het artikel noemt een aantal onderwerpen waarover het college bij de
                    subsidieverlening eveneens verplichtingen kan opleggen.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Niet-doelgebonden verplichtingen</vet></al><al>Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die geen relatie hebben met
                    het doel waarvoor de subsidie wordt verstrekt, maar beogen andere
                    beleidsdoelstellingen te realiseren, alleen mogen worden opgelegd wanneer zij
                    een relatie hebben met de wijze waarop of de middelen waarmee de activiteiten
                    worden uitgevoerd. Op grond van artikel 21 kan het college de subsidieontvanger
                    verplichtingen opleggen ten aanzien van:</al><al>a. de inschakeling van werkzoekenden met een beperking of in het kader van een
                    re-integratietraject en leerlingen;</al><al>b. het vaststellen van een gedragsprotocol in geval van strafbare feiten of
                    normoverschrijdend gedrag;</al><al>c. de bevordering van het milieu;</al><al>d. het bestrijden van discriminatie;</al><al>e. de bevordering van de toegankelijkheid van accommodaties voor mensen met een
                    beperking;</al><al>f. het vermelden van de gemeente Winterswijk als (mede)subsidieverlener in pr-
                    of andere communicatieve uitingen;</al><al>g. de bevordering van de emancipatie en/of participatie van bepaalde groepen op
                    een bepaald terrein;</al><al>h. de bevordering van het democratisch functioneren van de
                    subsidieontvanger;</al><al>i. de samenwerking met andere instellingen; </al><al>j. de hoogte van de tarieven voor, of bijdragen van deelnemers aan,
                    gesubsidieerde activiteiten;</al><al>k. het meewerken aan een onderzoek dat wordt uitgevoerd door de Rekenkamer als
                    bedoeld in artikel 81a Gemeentewet of door degene(n) die op grond van artikel 81
                    oa Gemeentewet belast is of zijn met de uitoefening van de
                    rekenkamerfunctie;</al><al>l. het bewaren van de zondagsrust en rust op algemeen erkende feestdagen;</al><al>m. de brandveiligheid.</al><al>Onderdeel a komt voort uit het beleid van de gemeente Winterswijk om de kansen
                    op de arbeidsmarkt te vergroten van werkzoekenden met een beperking dan wel
                    werkzoekenden in het kader van een re-integratietraject dan wel leerlingen. </al><al>De onderdelen k tot en met m kwamen voor in diverse deelverordeningen en zijn
                    daarom in deze verordening opgenomen.</al><al>Het tweede lid regelt dat het college bij de subsidieverlening tevens
                    verplichtingen kan opleggen indien regelingen van het Rijk dan wel van de
                    provincie deze voorschrijven.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Subsidievaststelling</vet></al><al/><al><vet>Artikel 24 Aanvraag subsidievaststelling van een activiteitensubsidie van €
                        2.500 of meer</vet></al><al>De aanvraag tot vaststelling van een activiteitensubsidie van € 2.500 of meer
                    moet binnen vijf maanden na afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is
                    verstrekt worden ingediend. Net als bij de aanvraag om verlening van een
                    subsidie, wordt bij de aanvraag om vaststelling gewerkt met
                    standaardformulieren. Voor subsidies die per schooljaar worden verstrekt geldt
                    een indieningstermijn tot 1 februari (uitgaande van het einde van een schooljaar
                    op 31 augustus).</al><al>Het is van belang bij de subsidievaststelling te beschikken over de gegevens die
                    de uitgevoerde activiteiten, de inkomsten en uitgaven, alsmede de mate van
                    naleving van de verplichtingen in beeld brengen. Daarom moeten in het kader van
                    een aanvraag tot subsidievaststelling een financieel verslag en een
                    activiteitenverslag worden overgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Aanvraag subsidievaststelling van een projectsubsidie</vet></al><al>Aanvragen tot vaststelling van een projectsubsidie worden binnen acht weken na
                    afloop van het project ingediend.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Beschikking tot vaststelling van een subsidie </vet></al><al>Op aanvragen tot vaststelling van een activiteitensubsidie van € 2.500,- of meer
                    of een projectsubsidie beslist het college binnen 12 weken na ontvangst.</al><al>Zoals bij de toelichting op artikel 13 is aangegeven, wordt een
                    activiteitensubsidie van minder dan </al><al>€ 2.500.,- vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking. Op deze
                    aanvragen is artikel 26, tweede lid van toepassing en wordt dus beslist voor 1
                    januari (bij kalenderjaar) dan wel 1 juli (bij schooljaar) van het jaar waarop
                    de subsidie betrekking heeft. In artikel 13 is tevens vastgelegd dat bij een
                    subsidie ter compensatie van de huur van een sportaccommodatie zonder
                    voorafgaande verleningsbeschikking wordt vastgesteld. Op deze aanvragen is
                    artikel 26, derde lid van toepassing en wordt beslist voor 15 februari van het
                    jaar waarop de subsidie betrekking heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 27 Accountantsverklaring</vet></al><al>Wanneer de subsidieverlening € 35.000,- of meer per jaar bedraagt, overlegt de
                    subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een originele
                    accountantsverklaring (eerste lid).</al><al>Het is ook mogelijk dat door het verstrekken van meerdere subsidies aan
                    eenzelfde subsidieontvanger de subsidieverlening in totaal € 35.000,- of meer
                    bedraagt. Ook in dat geval moet de subsidieontvanger een originele
                    accountantsverklaring overleggen (tweede lid). De subsidies zijn in deze
                    situatie natuurlijk wel allemaal verleend door bestuursorganen van de gemeente
                    Winterswijk. Ook gaat het om subsidies die voor hetzelfde tijdvak zijn verleend.
                    Wanneer de subsidie een bijdrage in de huurkosten of de subsidie daadwerkelijk
                    aan de huurkosten is besteed. Daarom is geregeld dat de grens van € 35.000,-
                    wordt berekend na aftrek van dat deel van de subsidie dat bestemd is voor het
                    voldoen van de huur (derde lid).</al><al>De verklaring van de accountant omvat niet alleen de uitslag van het
                    gebruikelijke onderzoek of het financiële verslag voldoet aan de bij of
                    krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor
                    zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is.
                    De verklaring omvat ook de uitslag van het onderzoek naar de naleving van de aan
                    de subsidie verbonden verplichtingen (vierde lid). Bij de subsidieverlening
                    wordt een aanwijzing gegeven over reikwijdte en intensiteit van het onderzoek
                    van de accountant naar het naleven van de verplichtingen. In lid 5 is geregeld
                    dat een bestuursverklaring of een verklaring van de kascommissie als bedoeld in
                    artikel 2:48 Burgerlijke Wetboek wordt overgelegd, wanneer een
                    accountantsverklaring niet vereist is. Is de subsidie verleend aan natuurlijke
                    personen, dan hoeft geen verklaring te worden overgelegd. In dat geval zal de
                    natuurlijke persoon of groep van natuurlijke personen die de subsidie hebben
                    ontvangen zelf de stukken waarmee rekening en verantwoording wordt afgelegd
                    hebben opgesteld en voegt een verklaring hier niets aan toe.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Overige bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 28 Verrekening subsidie ter compensatie verschuldigde huur
                        sportaccommodaties</vet></al><al>Zoals ook blijkt uit de toelichting op artikel 12, is in artikel 28 vastgesteld
                    dat de subsidiebedragen niet tot uitbetaling komen, maar worden verrekend met de
                    verschuldigde huurpenningen over het betreffende kalenderjaar.</al><al/><al><vet>Artikel 29 Toezicht</vet></al><al>De verordening geeft het college de bevoegdheid toezichthouders als bedoeld in
                    hoofdstuk 5 Awb aan te wijzen. De toezichthouders zijn belast met het toezicht
                    op de naleving van de aan de ontvanger van die subsidie opgelegde
                    verplichtingen. De bepalingen over toezicht uit hoofdstuk 5 van de Awb, met
                    uitzondering van de artikelen 5:18 en 5:19, zijn van toepassing. De bevoegdheden
                    genoemd in deze artikelen betreffen het doen van onderzoek, opneming en
                    monsterneming, alsmede het onderzoeken van vervoersmiddelen. De toezichthouders
                    hoeven in dit kader niet over deze bevoegdheden te beschikken om hun taak goed
                    te kunnen uitoefenen.</al><al/><al>Toezicht moet worden onderscheiden van het afleggen van rekening en
                    verantwoording. Rekening en verantwoording wordt afgelegd na afloop van de
                    activiteiten, zodat de subsidie kan worden vastgesteld. Toezicht wordt gehouden
                    gedurende de activiteiten of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend. Het
                    stelt het college in staat om lopende de activiteiten te controleren of de
                    subsidie wordt besteed aan het doel waarvoor zij is bestemd en of de
                    verplichtingen die aan de subsidieontvanger zijn opgelegd, worden
                    nagekomen.</al><al/><al><vet>Artikel 30 Hardheidsclausule</vet></al><al>Wanneer de toepassing van het bepaalde in de verordening leidt tot een
                    onbillijkheid van overwegende aard, kan het college de verordening, of
                    onderdelen daarvan, buiten toepassing laten of daarvan afwijken.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 31 Overgangsrecht</vet></al><al>De ASV Winterswijk 2010 is van toepassing op aanvragen om subsidie die
                    betrekking hebben op activiteiten die worden uitgevoerd na 31 december 2010
                    (eerste lid). </al><al>Uit het oogpunt van rechtszekerheid blijft op subsidies die zijn verstrekt voor
                    het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, de Algemene
                    subsidieverordening Winterswijk 2006 van toepassing zoals deze luidde op de
                    datum van inwerkingtreding van deze verordening (tweede lid). Dat geldt ook voor
                    aanvragen om subsidie die na de inwerkingtreding van de ASV Winterswijk 2010
                    worden ingediend, maar betrekking hebben op een activiteit die voor 1 januari
                    2011 wordt uitgevoerd (lid 3).</al><al>Er gelden in de gemeente Winterswijk enkele bijzondere subsidieverordeningen.
                    Artikel 2, derde lid, van de ASV Winterswijk 2010 bepaalt dat de gemeenteraad
                    subsidieverordeningen kan vaststellen waarin is opgenomen dat de ASV Winterswijk
                    2010 niet van toepassing is. </al><al/><al><vet>Artikel 32 Inwerkingtreding</vet></al><al>De ASV Winterswijk 2010 treedt in werking op 1 maart 2010.</al><al/><al><vet>Artikel 33 Intrekking</vet></al><al>Naast de ASV Winterswijk 2006 bestaan er in de gemeente diverse bijzondere
                    subsidieverordeningen. In de nieuwe situatie wordt in beginsel niet gewerkt met
                    bijzondere subsidieverordeningen, maar gelden er naast de ASV 2010
                    beleidsregels. In verband hiermee worden de Algemene subsidieverordening
                    Winterswijk 2006 en alle bijzondere subsidieverordeningen ingetrokken, te weten: </al><al>- de Subsidieverordening Beeldkwaliteitplan Centrumgebied Winterswijk; </al><al>- de subsidieverordening onderhoud monumenten 1994; </al><al>- de Deelverordening subsidie burgerinitiatieven; </al><al>- de Verordening regelende de subsidiëring van godsdienstonderwijs en
                    levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op de openbare en bijzondere scholen voor
                    basisonderwijs en speciaal basisonderwijs in de gemeente Winterswijk; </al><al>- de Tijdelijke subsidieregeling inzameling oud papier; </al><al>- de Verordening regeling oud papier (vastgesteld 20 december 2001); </al><al>- de Verordening regeling oud papier (vastgesteld 4 maart 2004), - de
                    Subsidieregeling onderhoudskosten wind- en waterradmolens; </al><al>- de subsidieverordening Achterhoek Bespaart 2009.</al><al/><al><vet>Artikel 34 Citeertitel</vet></al><al>De titel waarmee de verordening wordt aangeduid is "ASV Winterswijk 2010".</al><al/><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>