<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR427717_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Westerveld 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Westerveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-170127.html">Gemeenteblad, 5-12-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Westerveld 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet IOAW, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">Wet IOAZ, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-10-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016- 00103</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Westerveld
            2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Westerveld</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 juli 2016; </al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8,
                        eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de Participatiewet, artikel
                        35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen; </al><al/><al>overwegende dat bij verordening regels dienen te worden
                        vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>ter verlaging van de bijstand ingevolge de Participatiewet
                                en,</al></li><li nr="-"><al>ter weigering en verlaging van de uitkering ingevolge de IOAW en
                                IOAZ;</al><al/></li></lijst><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al><vet>Maatregelen</vet><vet>verordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
                    </vet><vet>Westerveld</vet><vet> 201</vet><vet>6</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Westerveld;</al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad van Westerveld;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="e."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="f."><al>benadelingsbedrag: netto algemene en/of bijzondere bijstand
                                        waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep
                                        wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan;</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm:</al><lijst><li nr="i."><al>toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel
                                                5, onderdeel c, van de wet, of,</al></li><li nr="ii."><al>toepasselijke grondslag van de uitkering als bedoeld
                                                in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ
                                                voor zover sprake is van een uitkering op grond van
                                                de IOAW of IOAZ; </al></li></lijst></li><li nr="h."><al>uitkering: uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>maatregel;</al><lijst><li nr="i."><al>het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel
                                                9a, twaalfde lid en artikel 18, tweede, vijfde en
                                                zesde lid, van de wet of,</al></li><li nr="ii."><al>het verlagen van de uitkering als bedoeld in de
                                                artikelen 20, tweede lid, en 38, twaalfde lid, van
                                                de IOAW of de artikelen 20, eerste lid, en 38,
                                                twaalfde lid, van de IOAZ of</al></li><li nr="iii."><al>het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering
                                                als bedoeld in artikel 20, eerste lid, IOAW of
                                                artikel 20, tweede lid, IOAZ;</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op
                                indien de belanghebbende naar het oordeel van het college:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
                                van de wet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van
                                artikel 17, eerste lid, niet of onvoldoende nakomt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid,
                                IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de
                                uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende nakomt,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de IOAW/IOAZ;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid
                                als bedoeld in artikel 20, eerste lid, IOAW of artikel 20, tweede
                                lid, IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op
                                de bijzondere bijstand als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of </al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 4 en 5 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de
                                Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 4 en 5 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand en/of verleende individuele
                                inkomenstoeslag’. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel; </al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de bijstand of uitkering wordt
                                    verlaagd of geweigerd; en </al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid, of </al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of </al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond
                                van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk
                                op de hoogte gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand waarin de maatregelwaardige gedraging wordt
                                geconstateerd, doch niet eerder dan de gedraging heeft
                                plaatsgevonden dan wel het recht op bijstand bestaat. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toepassing van het eerste lid niet (meer) mogelijk is, wordt
                                de maatregel opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand waarin het besluit tot het opleggen van een maatregel
                                aan een belanghebbende is bekendgemaakt, of zoveel later als er die
                                kalendermaand recht op bijstand bestaat. Daarbij wordt uitgegaan van
                                de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm,
                                tenzij de verordening anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de
                                periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden wanneer een
                                maatregel zowel overeenkomstig het eerste als tweede lid niet (meer)
                                mogelijk is, omdat de bijstand en/of uitkering is beëindigd of
                                ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>tweede categorie: </al><lijst><li nr="1e."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="2e."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de
                                            Participatiewet, voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet; </al></li><li nr="3e."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="4e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="5e."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="6e."><al>geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                            verplichting om ingeschreven te staan bij vijf
                                            uitzendbureaus;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet
                                    voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de
                            IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie; </al></li><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1e."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor
                                            zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
                                        </al></li><li nr="3e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                            artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="4e."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAZ;</al></li><li nr="5e."><al>geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                            verplichting om ingeschreven te staan bij vijf
                                            uitzendbureaus;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1e."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen; </al></li><li nr="2e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3e."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.
                                        </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9,
                                wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen
                                        van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen
                                        van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit
                                dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan
                                af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid,
                                belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde
                                verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan
                                wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van
                                honderd procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie
                                maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Medewerkingsplicht in het kader van de Wet taaleis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt een maatregel op van 20% van de bijstandsnorm
                                gedurende zes maanden, indien belanghebbende niet of in onvoldoende
                                mate zijn medewerking verleent als bedoeld in artikel 17 lid 2
                                Participatiewet, waardoor het college niet kan vaststellen of
                                belanghebbende voldoet aan de Wet taaleis WWB (artikel 18b
                                Participatiewet).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder het niet of onvoldoende medewerking verlenen als bedoeld in
                                het eerste lid verstaat het college in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet op een aangegeven plaats en tijd verschijnen in
                                        verband met een onderzoek in het kader van de Wet taaleis
                                        WWB en;</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan de uitvoering van de taaltoets in het
                                        kader van de Wet taaleis WWB.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is 40% van de bijstandsnorm gedurende zes
                                maanden, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit, waarbij een maatregel op grond van het
                                eerste lid is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is 100% van de bijstandsnorm voor
                                onbepaalde tijd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                na bekendmaking van een besluit, waarbij een maatregel op grond van
                                het derde lid is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                verwijtbare gedraging. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Tijdelijk of blijvend weigeren van uitkeringen ingevolge de IOAW of
                            IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
                                belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of
                                in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
                                artikel 8 IOAW of artikel 8 IOAZ zou hebben kunnen verwerven indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake
                                        een verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de
                                uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag
                                van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de
                                eerste zin van het eerste lid, indien het eindigen van de
                                dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden
                                verweten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><al>Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
                            belanghebbende met het verrichten van arbeid inkomen zou hebben kunnen
                            verwerven als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW of artikel 8
                            IOAZ indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    verkrijgt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
                                bedraagt de maatregel honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                                één maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                bijstandsnorm gedurende twee maanden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Beleidsregels inkeerregeling</titel></kop><al>Het college stelt beleidsregels vast waarin het de inkeerregeling, als
                            bedoeld in artikel 18, elfde lid, van de wet, nader invult. Op basis van
                            deze beleidsregels heroverweegt het college de op grond van artikel 18,
                            vijfde, zesde, zevende of achtste lid van de wet opgelegde maatregel,
                            indien belanghebbende het college daarom verzoekt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag, tenzij het benadelingsbedrag niet kan worden
                                vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm gedurende
                                één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger
                                zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel,
                                in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag
                                doch niet lager dan 20% van de bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid
                                wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd opnieuw een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                als bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als
                                bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
                                        tot stand te brengen;</al></li><li nr="b."><al>het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;</al></li><li nr="c."><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="d."><al>onder bedeling bij echtscheiding;</al></li><li nr="e."><al>te late of geen aanvaarding van een voorliggende
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                        uitkering;</al></li><li nr="g."><al>het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende
                                        voorziening omdat een bestuurlijke boete daarmee is
                                        verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet
                                        vanwege recidive;</al></li><li nr="h."><al>bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
                                        toegekende alimentatie;</al></li><li nr="i."><al>het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet
                                        verplichte basisverzekering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet,
                                wordt een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende
                                één maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW
                                of IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel g, van de
                                IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel g, van de IOAZ, wordt een
                                maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende één
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt
                                gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en tweede
                                lid wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting
                                als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                                nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden
                                        met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
                                    </al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        vermindering van de bijstand; </al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde
                                budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57, sub a, van de
                                Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel
                                opgelegd van 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                als bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid,
                                belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde
                                verwijtbare gedraging, dan wordt door het college aan belanghebbende
                                een maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm
                                gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel
                                wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is
                                gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen
                                worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende niet verantwoord is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een
                                in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen
                                maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke
                                boete wordt opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                                zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste
                                lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een
                                bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging
                                een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze
                            weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een
                            verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die
                            gedraging achterwege. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 en de
                            Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013 worden ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westerveld 2016.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>22 september 2016. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet</tussenkop><al/><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, legt het een maatregel op. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke maatregel. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    maatregel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een maatregel afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening moet de duur
                    van de maatregel worden vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet).</al><al/><al>Is afgezien van een maatregel wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een maatregel, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al/><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte
                    of duur bij te stellen.</al><al/><al>Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie
                    van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van
                    schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet).</al><al/><al> Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid,
                    van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas
                    wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt.</al><al/><al>Een maatregel krachtens de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze maatregel en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet
                    op grond waarvan een maatregel kan worden opgelegd. </al><al/><al>In andere gevallen waarin een maatregel wordt opgelegd krachtens de
                    maatregelenverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    maatregel en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><al/><al><cursief>Verrekenen van de maatregel</cursief></al><al/><al>Het college heeft de mogelijkheid bij een maatregel wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting, de maatregel over drie maanden te spreiden.
                    Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee
                    volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag
                    van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de
                    Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling.</al><al/><al> In de verordening is er voor gekozen geen gebruik te maken van deze bepaling.
                    Allereerst omdat de duur van de maatregel voor het niet of onvoldoende nakomen
                    van geüniformeerde maatregelen in deze verordening is beperkt tot één maand. Op
                    grond van de vorige maatregelenverordening onder de Wet werk en bijstand werden
                    ook maatregelen van 100% gedurende één maand opgelegd, zonder deze over een
                    langere periode uit te smeren. Ten tweede wil de gemeente met de maatregel een
                    gedragsverandering teweegbrengen. Indien belanghebbende uit houding en
                    gedragingen ondubbelzinnig laat blijken dat hij de verplichtingen alsnog nakomt,
                    kan hij het college verzoeken de maatregel wegens schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichting te heroverwegen. In beleidsregels vult het
                    college deze zogenaamde inkeerregeling nader in.</al><al/><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</tussenkop><al/><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid op grond van de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) een maatregel op te
                    leggen of een uitkering te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de
                    IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden
                    in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</al><al/><al>De maatregelen op grond van deze verordening komen in de plaats van het tot 1
                    juli 2010 geldende maatregelenregime. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te
                    komen tot een zo veel</al><al>mogelijk analoog aan de Participatiewet toe te passen afstemmingsbeleid. Wel is
                    in afwijking van de Participatiewet de mogelijkheid gecreëerd om in een aantal
                    situaties de uitkering blijvend geheel te weigeren dan wel tijdelijk
                    gedeeltelijk. Op grond van de IOAW en IOAZ is dit mogelijk. Belanghebbenden bij
                    wie dit het geval is, kunnen eventueel een beroep doen op de Participatiewet. De
                    Participatiewet vormt het vangnet van sociale zekerheid.</al><al/><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al/><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van
                    een maatregel.</al><al/><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1. Begrippen Eerste lid</tussenkop><al/><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening. </al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De onderdelen a tot en met e behoeven geen nadere toelichting</al><al/><al> Onderdeel f <cursief>Benadelingsbedrag</cursief></al><al/><al>Het benadelingsbedrag is de netto algemene en/of bijzondere bijstand waarop
                    eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge
                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                    bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het
                    nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag
                    in het kader van de bestuurlijke boete.</al><al>Onderdeel g <cursief>Bijstandsnorm </cursief>Onder de ‘bijstandsnorm’
                    wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende
                    bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en
                    verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake
                    is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm
                    verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en
                    artikel 5 van de IOAZ.</al><al/><al>Onderdeel i <cursief>Maatregel</cursief> Het verlagen van de bijstand wordt, net
                    als het verlagen of weigeren van een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, in
                    deze verordening aangeduid als het opleggen van een maatregel.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Opleggen van een maatregel</tussenkop><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De Participatiewet verbindt aan het recht op
                    een bijstandsuitkering verschillende soorten verplichtingen, waaronder:</al><lijst><li nr="·"><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid,
                            Participatiewet).</al></li><li nr="·"><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9, eerste lid, onderdelen a
                            en b, Participatiewet).</al></li><li nr="·"><al>De plicht tot tegenprestatie (artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                            Participatiewet).</al></li><li nr="·"><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid, Participatiewet). </al></li><li nr="·"><al>De plicht zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met
                            de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het
                            verrichten van hun werkzaamheden.</al></li><li nr="·"><al>Daarnaast is het mogelijk om aanvullende verplichtingen op te leggen op
                            grond van de artikelen 55 en 57 van de
                            Participatiewetwet.</al><al/></li></lijst><al>Net als voor de Participatiewet verbinden de IOAW en IOAZ aan het recht op een
                    uitkering ook verschillende soorten verplichtingen, zoals de plicht tot
                    arbeidsinschakeling en de plicht tot tegenprestatie. </al><al>Het eerste lid bepaalt dat het college een maatregel oplegt, wanneer één van
                    deze verplichtingen niet wordt nagekomen. </al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al/><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting</al><al>betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste
                    (percentuele) verlaging van de</al><al>bijstandsnorm. </al><al/><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen opde individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling</al><al>brengt met zich mee dat het college bij elk op te leggen maatregel moet nagaan
                    of gelet op de individueleomstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                    afwijking van de hoogte en de duur van devoorgeschreven standaardmaatregel
                    geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel eenverzwaring als een
                    matiging betekenen.</al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd en zo ja welke,</al><al>telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al/></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt</al><al>verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt
                    verwezen naar de toelichting</al><al>bij artikel 6.</al><al/><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de</al><al>volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of</al></li><li nr="-"><al>andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen
                            financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld.</al><al/></li></lijst><al>Het tweede lid is gebaseerd op het individualiseringsbeginsel van artikel 18,
                    eerste lid, Participatiewet. In de ‘Nota naar aanleiding van het verslag:
                    Wijziging van de Wet werk en bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten
                    (Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten)’ benadrukt de
                    Regering op pagina 5 dat het individualiseringsbeginsel onverkort van toepassing
                    blijft bij het opleggen van maatregelen. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Berekeningsgrondslag </tussenkop><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al/><al>Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt berekend over de
                    bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij
                    een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag
                    als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al/><al>In dit lid is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een maatregel kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.</al><al/><al><vet>Artikel </vet><vet>4</vet><vet>. Het besluit tot opleggen van een
                        </vet><vet>maatregel</vet></al><al/><al>Het opleggen van een maatregel op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende</tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al/><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbendeverplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding vanbeschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb).</al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginselvoorgeschreven.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al/><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ookgenoemd in artikel 4:11 van de Awb.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al/><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel
                    20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het college
                    te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van
                    een maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet van een maatregel afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel b, van deze verordening dat het college geen maatregelen
                    oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.
                    Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in
                    onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het college overgaat tot het
                    opleggen van een maatregel.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al/><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een maatregel voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een maatregel af te zien, omdat dit inherent is aan het opleggen van een
                    maatregel. </al><al/><al><cursief>Afzien </cursief><cursief>maatregel </cursief><cursief>ook mogelijk bij
                        geüniformeerde arbeidsverplichtingen </cursief></al><al/><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand
                    gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de
                    Participatiewet moet het college een op te leggen maatregel of een opgelegde
                    maatregel afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens
                    mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als - volgens het college -
                    dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op
                    grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op
                    een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al/><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al/><al> In het kader van het lik op stuk beleid, wil de gemeente zo snel mogelijk een
                    maatregel kunnen opleggen. Dit betekent dat, zodra geconstateerd wordt dat een
                    belanghebbende zijn verplichting verbonden aan zijn uitkering niet nakomt, hij
                    diezelfde maand nog een maatregel krijgt opgelegd. De ingangsdatum is dan de
                    eerste dag van die kalendermaand waarop dit geconstateerd wordt. Op de
                    ingangsdatum zijn twee uitzonderingen aangebracht</al><al/><al>1<sup>e</sup> uitzondering</al><al/><al>Vindt de gedraging op een latere datum plaats, dan is de ingangsdatum van de
                    maatregel gelijk aan de datum waarop de gedraging plaatsvond. Dit kan het beste
                    aan de hand van een voorbeeld verduidelijkt worden. Stel een belanghebbende
                    dient op 15 november gebruik te maken van een door het college aangebonden
                    re-integratievoorziening. Zonder opgaaf van redenen verschijnt belanghebbende
                    niet. Dezelfde dag ontvangt het college bericht dat belanghebbende zonder opgaaf
                    van redenen niet is verschenen. Een maatregel opleggen met ingang van 1 november
                    is in dergelijke situaties niet toegestaan. De maatregelwaardige gedraging vindt
                    immers op 15 november plaats. De ingangsdatum van de maatregel is dan 15
                    november.</al><al/><al> 2<sup>e</sup> uitzondering</al><al/><al>Ontvangt belanghebbenden nog geen bijstand vanaf de eerste dag van de
                    kalendermaand, dan kan hem niet eerder een maatregel opgelegd worden dan met
                    ingang van de ingangsdatum van de uitkering. Een voorbeeld ter illustratie.</al><al/><al>Een belanghebbende vraagt op 10 februari algemene bijstand aan en heeft ook
                    vanaf die datum recht op bijstand. Hij doet een beroep op bijstand omdat hij
                    door eigen toedoen werkloos is geraakt (verwijtbaar werkloos).</al><al/><al>Een maatregel opleggen met ingang van 1 februari is niet mogelijk. Vanaf die
                    datum heeft belanghebbende immers nog geen recht op bijstand. De ingangsdatum
                    van de maatregel zal dan op grond van het eerste lid gelijk zijn aan de
                    ingangsdatum van de uitkering.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al/><al>Is toepassing van het eerste lid niet mogelijk, dan kan de maatregel worden
                    opgelegd met ingang van de eerste van de maand waarin het maatregelbesluit
                    kenbaar is gemaakt aan de belanghebbende. Ter illustratie staat hieronder een
                    voorbeeld: Op 20 juli constateert het college dat belanghebbende over de
                    afgelopen drie maanden onvoldoende solliciteerde. In juli legt het college
                    echter niet meteen een maatregel op. De uitkering wordt vervolgens over deze
                    maand uitbetaald, waardoor geen maatregel met ingang van 1 juli 2015 kan worden
                    opgelegd. Indien de uitkering over de maand augustus nog niet is betaald, kan
                    het college in augustus de maatregel opleggen met ingang van 1 augustus. Dit op
                    grond van het tweede lid. </al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al/><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de maatregel met terugwerkende kracht worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de
                    IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet
                    altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken
                    en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. </al><al/><tussenkop>Artikel 8. Gedragingen Participatiewet</tussenkop><al/><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend. De
                    categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt
                    ernstiger geacht en leidt tot een hogere maatregel naarmate de gedraging meer
                    concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid. </al><al/><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al/><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 8
                    neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al><al/><al><onderstreept>Sub a</onderstreept></al><al/><al><cursief>Registratie
                    werkzoekende</cursief></al><al>Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><tussenkop>Personen jonger dan 27 jaar.</tussenkop><al/><al>De eerste twee onderdelen hebben betrekking op personen jonger dan 27 jaar. Voor
                    hen gelden specifieke verplichtingen. Zo worden zij beoordeeld op hun
                    inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde
                    lid, van de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op
                    grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht
                    op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het
                    college onvoldoende, dan legt het college een maatregel op. De maatregel kan in
                    principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in
                    artikel 8 van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet
                    noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het
                    bijvoorbeeld gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de
                    melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten
                    van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd
                    opgenomen in de maatregelenverordening (zie artikel 8, sub b, ten tweede).</al><al/><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al/><al>Inlichtingenplicht Het niet verlenen van medewerking in het kader van de
                    inlichtingenplicht zal niet snel aanleiding geven tot een maatregel. Het
                    belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een
                    huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter
                    leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand of uitkering
                    omdat het recht op bijstand of uitkering niet kan worden vastgesteld. Een
                    maatregel is in dat geval niet aan de orde. In de praktijk betreft het echter
                    veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat
                    het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking
                    in het kader van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in de artikelen 17, tweede
                    lid, Participatiewet, 13, tweede lid, IOAW en 13, tweede lid, IOAZ niet als
                    maatregelwaardige gedraging op te nemen in deze verordening. </al><al/><al>Arbeidsinschakeling Het voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd
                    te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het voldoen aan
                    de medewerkingsplicht. Het niet daaraan voldoen is wel als maatregelwaardige
                    gedraging in de verordening opgenomen. Bij belanghebbenden die niet verschijnen
                    schort het college de bijstandsuitkering op. Vervolgens krijgen zij een
                    hersteltermijn met een herhaalde oproep. Verschijnen zij wederom niet, dan trekt
                    het college de bijstandsuitkering in (artikel 54 Participatiewet). Geven
                    belanghebbenden wel gehoor aan deze tweede oproep, dan legt het college een
                    maatregel op omdat belanghebbende niet verscheen naar aanleiding van de eerste
                    oproep (artikel 8, sub b, ten derde).</al><al/><tussenkop>Alleenstaande ouders</tussenkop><al/><al>Op verzoek krijgt de alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar van
                    het college een ontheffing van de verplichting zich actief op te stellen op de
                    arbeidsmarkt (artikel 9a, eerste lid, Participatiewet). Wel blijft de
                    alleenstaande ouder verplicht mee te werken aan een re-integratietraject. Dit
                    traject zal voor ouders zonder startkwalificatie veelal bestaan uit scholing
                    (artikel 9a, tiende lid, Participatiewet). Ouders met startkwalificatie kunnen
                    op verzoek in aanmerking komen voor een vervolgopleiding (artikel 9a, elfde lid,
                    Participatiewet). Colleges zijn verplicht een maatregel op te leggen als uit
                    houding en gedragingen van de alleenstaande ouder blijkt dat deze niet aan de
                    re-integratieplicht wil voldoen (artikel 9a, twaalfde lid, Participatiewet). Dit
                    moet dan wel bij verordening geregeld zijn (artikel 8 lid 1 onderdeel d
                    Participatiewet). Artikel 8 sub b ten vierde van de verordening regelt dit.</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie</cursief></al><al/><al>Indien een bijstandsgerechtigde niet naar vermogen meewerkt aan een door het
                    college opgedragen tegenprestatie, is sprake van een maatregelwaardige
                    gedraging. De bijstandsgerechtigde voldoet dan niet aan de verplichting van
                    artikel 9, eerste lid, onderdeel c Participatiewet. </al><al/><al><cursief>Niet ingeschreven staan bij vijf
                    uitzendbureaus</cursief></al><al/><al>In de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid en vijfde
                    lid, Participatiewet) is onder andere opgenomen dat de bijstandsgerechtigde die
                    van het college de verplichting opgedragen heeft gekregen om bij een
                    uitzendbureau ingeschreven te staan en daar niet aan voldoet, een maatregel
                    krijgt van 100% van de bijstandsnorm. De verplichting om bij één uitzendbureau
                    ingeschreven te staan, draagt naar het oordeel van het college onvoldoende bij
                    aan een actieve opstelling op de arbeidsmarkt. Het college legt daarom in
                    principe vanaf datum melding belanghebbenden de verplichting op om bij minimaal
                    vijf uitzendbureaus ingeschreven te staan. Staat een belanghebbende wel bij
                    uitzendbureaus ingeschreven, maar bij minder dan vijf dan legt het college een
                    maatregel op van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Staat een
                    belanghebbende in het geheel niet bij een uitzendbureau ingeschreven dan legt
                    het college conform de geüniformeerde arbeidsverplichtingen een maatregel op van
                    100%. De duur van deze maatregel is in artikel 13 geregeld. </al><al/><tussenkop>Sub c</tussenkop><al/><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al/><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: een maatregel van honderd
                    procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten
                    minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de
                    Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 13.</al><al/><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 8,
                    sub c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                            noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                            kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 9. Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al/><al>De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 9
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend. in
                    de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht en leidt tot een hogere
                    maatregel naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet
                    aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><al><onderstreept>Sub a</onderstreept></al><al><cursief>Registratie werkzoekende</cursief></al><al>Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting</al><al/><tussenkop>Sub b</tussenkop><tussenkop>Niet meewerken aan een onderzoek naar mogelijkheden van
                    arbeidsinschakeling</tussenkop><al/><al>Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen
                    in verband met arbeidsinschakeling, is in de IOAW en IOAZ niet expliciet onder
                    het voldoen aan de medewerkingsplicht gebracht zoals in de Participatiewet. In
                    tegenstelling tot de Participatiewet is het dan ook niet mogelijk om een
                    uitkering ingevolge IOAW of IOAZ op te schorten en in te trekken indien
                    belanghebbende niet verschijnt. Veelal valt een dergelijke oproep samen met een
                    onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling en kan om die reden een
                    maatregel worden opgelegd. </al><al/><al><cursief>N</cursief><cursief>iet of onvoldoende gebruik maken van
                        re-integratievoorziening</cursief></al><al/><al>Artikel 9 maakt onderscheid tussen twee situaties. De situatie waarin de
                    gedraging niet leidt tot het geen doorgang vinden of beëindiging van de
                    voorziening en de situatie waarin dat wel het geval is. Het eerste is minder
                    verwijtbaar dan het laatste. Reden waarom de eerste situatie is ondergebracht in
                    de tweede categorie en de tweede situatie in de derde categorie. </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie</cursief></al><al/><al>Indien een uitkeringsgerechtigde niet naar vermogen meewerkt
                    aan een door het college opgedragen tegenprestatie, is sprake van een
                    maatregelwaardige gedraging. De uitkeringsgerechtigde voldoet dan niet aan de
                    verplichting van artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW respectievelijk
                    IOAZ.</al><al/><al><cursief>Niet ingeschreven staan bij vijf uitzendbureaus</cursief>.</al><al/><al>Het college verwacht van belanghebbenden een actieve opstelling richting
                    arbeidsmarkt. Het legt daarom in principe vanaf datum melding belanghebbenden de
                    verplichting op om bij minimaal vijf uitzendbureaus ingeschreven te staan. Doet
                    belanghebbende dat niet dan legt het college een maatregel op van 50% van de
                    bijstandsnorm gedurende een maand. </al><al/><tussenkop>Sub c</tussenkop><tussenkop>Het niet naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                    gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.</tussenkop><al/><al>Voor de hoogte van de maatregel sluit de verordening aan bij de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen geldend op grond van de Participatiewet. Zie toelichting
                    artikel 10. Voor het niet of onvoldoende gebruik maken van door het college
                    aangeboden voorzieningen wordt verwezen naar de toelichting op sub b. </al><al/><tussenkop>Artikel 10. Hoogte en duur van de verlaging </tussenkop><al/><al>Zie voor de maatregelwaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 8 en
                    9. </al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al/><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                    bijbehorende maatregelen geïntroduceerd. Zie artikel 18, vierde en vijfde lid,
                    van de Participatiewet. Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming
                    zoveel mogelijk aan te sluiten bij de forse maatregelen voor het schenden van
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en duidelijkheid.
                    Bovendien zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de
                    gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van deze verordening.
                    </al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al/><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van deverwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een</al><al>verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging
                    wordt de eerste gedragingverstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen
                    van een maatregel, ook indien de maatregel wegensdringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf</al><al>maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al/><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom schuldig
                    maakt aan eenverwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie binnen
                    de termijn van twaalf maanden, kan een</al><al>maatregel worden opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                    maximaal drie</al><al>maanden.</al><al/><tussenkop>Artikel 10a Medewerkingsplicht in het kader van de Wet taaleis </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 10a Medewerkingsplicht in het kader van de Wet taaleis </tussenkop><al/><al>De wetgever voegt de beheersing van de Nederlandse taal als extra verplichting
                    toe aan de voor bijstandsgerechtigden geldende verplichtingen (artikel 18b
                    Participatiewet). De taaleis is in de Participatiewet opgenomen, omdat
                    belanghebbenden die de Nederlandse taal voldoende beheersen sneller de
                    arbeidsmarkt kunnen betreden. Bijstandsgerechtigden die daar niet aan (willen)
                    voldoen, krijgen een maatregel. De hoogte daarvan is bij wet geregeld.</al><al/><al>Belanghebbenden voldoen aan de Wet taaleis WWB wanneer zij kunnen aantonen dat
                    zij:</al><lijst><li nr="§"><al>acht jaar Nederlandstalig onderwijs hebben genoten, </al></li><li nr="§"><al>een inburgeringsdiploma kunnen overleggen of, </al></li><li nr="§"><al>ander document waaruit blijk dat ze de Nederlandse taal voldoende
                            beheersen.</al></li></lijst><al>Aan belanghebbenden, die dat niet kunnen aantonen of die onvoldoende voortgang
                    hebben geboekt bij het verwerven van de vaardigheden van de Nederlandse taal,
                    kan het college pas een maatregel opleggen wanneer uit een taaltoets blijkt dat
                    zij de Nederlandse taal onvoldoende beheersen. Daarvoor is wel de medewerking
                    van belanghebbende nodig. Artikel 10b van de verordening is specifiek voor die
                    situaties bedoeld waarin belanghebbende geen medewerking verleent, waardoor het
                    college niet kan vaststellen of belanghebbende aan de Wet taaleis WWB
                    voldoet.</al><al/><al>Om te voorkomen dat niet meewerkende belanghebbenden geen maatregel opgelegd
                    kunnen krijgen, dient de Maatregelenverordening te worden aangepast. Daarbij is
                    tevens van belang dat hoogte en duur van de maatregel overeenkomen met die van
                    artikel 18b Participatiewet. Indien de hoogte en/of duur van de maatregel wegens
                    het niet meewerken een lagere sanctie oplevert dan die in de Wet taaleis WWB,
                    loont het om niet mee te werken aan de Wet taaleis WWB.</al><al/><al>Belanghebbenden bij wie middels de toets is vastgesteld, dat zij niet voldoen
                    aan de Wet taaleis WWB, maar die wel bereid zijn om de vaardigheden in de
                    Nederlandse taal te verwerven en daarmee ook beginnen, krijgen geen maatregel
                    opgelegd (artikel 18 lid 6 onder a Participatiewet). </al><al/><tussenkop>Artikel 11. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al/><al>In deze bepaling zijn de mogelijkheden uitgewerkt die de IOAW en IOAZ bieden om
                    de uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren.
                    Artikel 20, eerste lid, onderdelen a en b van de IOAW en artikel 20, tweede lid,
                    onderdelen a en b van de IOAW komen overeen met artikel 24, tweede lid, van de
                    Werkloosheidswet. In de Memorie van Toelichting (toelichting artikelsgewijs) op
                    de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 (kamerstuk 30 682) blijkt dat de
                    wetgever voor wat betreft deverwijtbaarheidstoets in de IOAW en IOAZ heeft
                    aangesloten bij de Werkloosheidswet. Het huidige artikel20 IOAW/IOAZ brengt daar
                    geen wijziging in.</al><al/><al>Als de uitkering volledig wordt geweigerd, kan de belanghebbende in wezen per
                    direct aankloppen vooreen aanvulling in het kader van de Participatiewet. Binnen
                    het kader van de Participatiewet zal dan moeten worden beoordeeld of
                    belanghebbende recht heeft op bijstand (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent de
                    Participatiewet een beperkte vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip)
                    en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook binnen de Participatiewet tot
                    een verlaging zou hebben geleid.</al><al/><al>De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat verloren is
                    gegaan.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al/><al>Dit lid komt overeen met de laatste zin van artikel 20, tweede lid, onderdeel b,
                    van de IOAZ en artikel20, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW zoals die tot 1
                    juli 2010 gold.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al/><al>In deze bepaling is de mogelijkheid die de IOAW en IOAZ biedt om de uitkering
                    (tijdelijk en/of blijvendgeheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                    uitgewerkt.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al/><al>De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat belanghebbende met
                    het verrichten van deze inkomsten had kunnen verwerven.</al><al/><tussenkop>Artikel 13. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13. Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al/><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode van één maand (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de
                    Participatiewet). </al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al/><al>Bij recidive als bedoeld in artikel 18, zesde lid,
                    Participatiewet verdubbelt het college de duur van de maatregel. De hoogte en
                    duur van de maatregel is in de wet geregeld voor die gevallen waarin
                    belanghebbende voor een derde maal binnen 12 maanden de geüniformeerde
                    arbeidsverplichting niet nakomt. </al><al/><tussenkop>Artikel 14. Beleidsregels inkeerregeling</tussenkop><al/><al>Op verzoek van de belanghebbende kan het college de maatregel herzien zodra uit
                    de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat
                    hij de verplichtingen, waarvoor een maatregel is opgelegd, alsnog nakomt. Het
                    moet dan wel gaan om een maatregel wegens schending van een van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet). Op basis van door het college vast te stellen beleidsregels,
                    wordt het verzoek beoordeeld. </al><al/><tussenkop>Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al/><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al/><al>Op grond van artikel 15 van deze verordening kan een maatregel worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de
                    uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.
                    Maar ook wanneer het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld, kan een
                    maatregel worden opgelegd. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de
                    boedelscheiding die nog niet rond is.</al><al/><al><onderstreept>Tweede en derde lid</onderstreept></al><al/><al>De hoogte de maatregel is afhankelijk van het feit of sprake is van een
                    benadelingsbedrag. In artikel 1 van de verordening is het benadelingsbedrag
                    nader gedefinieerd. De duur van de maatregel is in beide gevallen één
                    maand.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al/><al>Dit lid is opgenomen om te voorkomen dat de maatregel niet in verhouding staat
                    tot het benadelingsbedrag. De maatregel bedraagt echter minimaal 20% van de
                    bijstandsnorm. Dat is ook het geval indien geen sprake is van een
                    benadelingsbedrag. </al><al/><al><onderstreept>Vijfde lid</onderstreept></al><al/><al>Bij recidive wordt de duur van de maatregel verlengd met één maand. </al><al/><al><onderstreept>Zesde lid</onderstreept></al><al/><al>In het zesde lid staat een aantal gedragingen dat in ieder geval tot een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid leidt. </al><al/><tussenkop>Bijstand in de vorm van een geldlening</tussenkop><al/><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college
                    tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit
                    volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als het
                    college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet
                    het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                    bijstandsgerechtigde.</al><al/><tussenkop>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al/><tussenkop>Eerste lid en tweede lid</tussenkop><al/><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de
                    uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ belaste personen en instanties
                    (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                    werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                    wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de
                    uitvoering van de Participatiewet, IOAW of IOAZ.Dat is anders als betrokkenen
                    elkaar buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                    toepassing.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer
                    ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel
                    9, zesde lid, van de Participatiewet artikel 37, eerste lid, onderdeel g, van de
                    IOAW en artikel 37, eerste lid, onderdeel g. van de IOAZ. Deze verplichting
                    staat dus op zichzelf.</al><al/><al> Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al/><tussenkop>IOAW en IOAZ </tussenkop><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige
                    misdraging'. Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband
                    bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                    vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers geen
                    afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen. Het recht
                    op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich zeer ernstig
                    misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere)
                    aan de uitkering verbonden verplichting.</al><al/><al>Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een belanghebbende zich zeer
                    ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                    verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is
                    binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al/><al/><al>Indien een belanghebbende zich binnen 12 maanden
                    opnieuw ernstig misdraagt, verdubbelt het college de duur van de maatregel.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al/><al>Dit lid omschrijft benoemt een aantal zeer ernstige misdragingen</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Niet nakomen van overige verplichtingen</tussenkop><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al/><al>De Participatiewet geeft het college de
                    bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel
                    bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en
                    beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand, en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al><al/></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van
                    de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het
                    voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op
                    de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                    altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de
                    bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit
                    artikel vastgestelde verlaging.</al><al/><al>Bij verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling kan gedacht worden aan:
                    Medische hulp zoeken Meewerken aan medisch onderzoek</al><al>Het volgen en afmaken van een agressie regulatietraining</al><al>Bij verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                    vorm van bijstand kan gedacht worden aan: Bestedingsverplichting bijzondere
                    bijstand (Dit houdt in dat de bijstand moet worden aangewend voor het doel
                    waarvoor zij wordt verstrekt) Verplichting tot het niet maken van nieuwe
                    schulden</al><al>Bij verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand
                    kan gedacht worden aan: De verplichting alimentatie te vorderen ten behoeve van
                    zichzelf en/of de kinderen.</al><al>De verplichting een voorlopige teruggaaf bij de belastingdienst in te dienen.
                    </al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al/><al>Indien belanghebbende niet in staat is om verantwoord om te gaan met zijn
                    bijstandsuitkering kan hij/zij verplicht worden mee te werken aan een
                    budgettering. </al><al/><al><onderstreept>Derde en vierde lid</onderstreept></al><al/><al>Hierin is de maatregel bij recidive geregeld. De budgetteringsplicht is niet
                    onder de reikwijdte van deze leden gebracht. Bij belanghebbende die
                    herhaaldelijk niet meewerken aan de budgetteringsplicht heeft het college nog de
                    mogelijkheid om de bijstand in natura te verlenen op grond van artikel 57, sub
                    b, Participatiewet. </al><al/><tussenkop>Artikel 18. Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Eerst lid</tussenkop><al/><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden </cursief></al><al/><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief></al><al/><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere
                    gedragingen die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn
                    genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of
                    in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval
                    wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze
                    verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet
                    verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate
                    van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol.
                    Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De
                    verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al/><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><tussenkop>Samenloop met een bestuurlijke boete</tussenkop><al/><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is.</al><al/><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al/><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college in dit geval
                    nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo
                    nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere
                    maatregelen (vierde lid).</al><al/><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al/><al>Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Artikel 19 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                    voorkomen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>