<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR425471_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad 2016, 107</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet art. 110 en 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapsbesluit hoofdstuk 6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2201</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt verordening zuiveringsheffing 2016</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa's 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van Hunze en Aa’s;</al><al>Op voordracht van het dagelijks bestuur van 10 oktober 2016;</al><al>Gelet op de artikelen 110 en 113 van de Waterschapswet en hoofdstuk 6, § 2,
                        van het Waterschapsbesluit;</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s 2017</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 8 van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                                afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al></li><li nr="c."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater
                                of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al></li><li nr="d."><al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;</al></li><li nr="g."><al>Hefpunt: openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke
                                regelingen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en
                                Wetterskip Fryslân. Hefpunt verzorgt voor de deelnemers de heffing
                                en invordering van de waterschapslasten;</al></li><li nr="h."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur
                                van Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel 124, vijfde
                                lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de invordering: de door het dagelijks
                                bestuur van Hefpunt aangewezen ambtenaar, als bedoeld in artikel
                                124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="j."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de
                                Drinkwaterwet;</al></li><li nr="k."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="l."><al>drinkwaterbedrijf: een drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="m."><al>afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de
                                Waterwet;</al></li><li nr="n."><al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="1."><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening 2017;</al></li><li nr="2."><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de
                            taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                            zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of
                            indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                            waterschap. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                    afvoert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                            heffingsplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                    huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing
                                    is aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                    bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                    gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel
                                    in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te
                                    verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen
                                    van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter
                                    beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als
                                    zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking
                                    is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene
                            bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de
                            beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                            onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><lijst><li nr="a."><al>aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de
                                    kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die
                                    verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die
                                    tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li><li nr="b."><al>aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot
                                    behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde
                                    een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                                    voorkomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid
                            voor woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimte als bedoeld in artikel 15 is
                            verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij
                            aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van
                            het heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd naar rato van het
                            aantal kalenderdagen dat er in het heffingsjaar nog overblijft. De dag
                            van inschrijving in de basisregistratie personen geldt in dat geval als
                            de datum waarop de heffingsplicht aanvangt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                            heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing naar rato van het
                            aantal kalenderdagen dat in het heffingsjaar nog overblijft. De dag vóór
                            die van uitschrijving uit de basisregistratie personen geldt in dat
                            geval als de datum waarop de heffingsplicht eindigt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening
                            van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing
                            indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het tweede en derde lid kunnen buiten toepassing worden gehouden indien
                            de heffingsplichtige verhuist binnen het gebied van het waterschap Hunze
                            &amp; Aa’s en vanuit deze nieuwe woonruimte eveneens afvoert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid
                            voor bedrijfsruimten</titel></kop><al> In afwijking van artikel 9 wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die
                        vanuit een bedrijfsruimte worden </al><al>afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                        heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die </al><al>vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                        vervuilingseenheid indien door de </al><al>heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of
                        minder bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                            en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                            afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde
                            wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                            stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                            zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                            stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                            verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                            zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                            kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De stoffen zilver, chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen, cadmium,
                            kwik, chloride, fosfor en sulfaat worden niet aan heffing
                            onderworpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                            wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse
                            verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening
                            geschieden met in achtneming van de in Bijlage I opgenomen
                            voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden
                            ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel
                            10.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van
                                    de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                    hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit
                                    het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                            beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van
                            het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.
                            Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het heffingsjaar
                            aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging
                            ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van één of meer van de in Bijlage I opgenomen
                                    voorschriften indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk
                                    is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                    a en b;</al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                                    bemonstering kunnen geschieden in afwijking van één of meer van
                                    de in Bijlage I opgenomen voorschriften, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan
                                    aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden
                                    afgeweken van de in Bijlage I opgenomen analysevoorschriften,
                                    indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                    nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet
                                    wordt beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en
                                    c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                            Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I waarvan wordt afgeweken;</al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                    c;</al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                    d;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge het
                            vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                            bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te
                            verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                            lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                            berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                            gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een
                            beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met
                            de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het
                            bepaalde in artikel 9, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen
                            bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                                    onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij
                                    ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe
                                    aangewezen etmalen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten
                                    worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een
                                    aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                    heffingsjaar;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor
                                    de beschikking wordt gegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                            verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                            afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                            beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                            intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van paragraaf
                            5 van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                            beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in het
                            tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                            zuurstofverbruik bedoeld in artikel 8 in belangrijke mate is beïnvloed
                            door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op
                            aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                            voorschriften welke zijn opgenomen in paragraaf 5 van bijlage I.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                            het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
                            bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie
                            van toepassing is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                            bemonstering en analyse;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                            beschikking wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, kan het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                            vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening
                            opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                            vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                            kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de
                            hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                            berekend volgens de formule a x b, waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                    bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                    water;</al></li><li nr="b."><al>de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                    Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                    vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                    ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                    bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                            worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin
                            en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar
                            belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te
                            stellen wijze.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als
                            bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de algemene
                            maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k, tweede lid, van de
                            Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                            zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                            aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden
                            met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen
                            lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de
                            voet van artikel 9, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de
                            heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                            heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met
                            toepassing van de tabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een
                            onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                            uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand
                            van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                            lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                            vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel
                            van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                            lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel
                            van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij
                            in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor
                            dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid
                            bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid van minder
                            dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van
                            één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid
                            gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 9 tot
                        en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op drie
                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                            door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één
                            vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één
                            bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9,eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de
                            stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel
                            van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                            een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of
                            kunststof gewassen te telen, gesteld op drie vervuilingseenheden per
                            hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en
                            per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                            vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste
                            lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel
                            een deel daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat
                            kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor een evenredig gedeelte aan de
                            heffing onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
                            bedrijfsruimte, berekend op basis van het eerste of tweede lid van
                            minder dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden,
                            en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één
                            vervuilingseenheid gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Schatting</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="1."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li><li nr="2."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 12, eerste of vijfde lid, 13, eerste lid, 15,
                                eerste lid, of 16, eerste lid, niet mogelijk is;</al></li><li nr="3."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 12, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                                heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als
                                bedoeld in dat artikel is gedaan:</al></li><li nr="4."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 9, 10 of 11 bedoelde toestemming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 75,93 per vervuilingseenheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op één aanslagbiljet kunnen meerdere soorten aanslagen worden verenigd,
                            de zogenaamde integrale aanslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                            aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag, vermeld op de beschikking inzake een bestuurlijke boete is
                            invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt dat als de
                            verschuldigde aanslagbedragen door middel van automatische incasso
                            kunnen worden afgeschreven, de aanslag moet worden betaald in tien
                            gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening
                            van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                            later.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Belastingbedragen van € 10,- of minder worden niet geheven. Hierbij
                            wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde
                            bedragen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Kwijtschelding voor woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er wordt geen kwijtschelding verleend, met uitzondering van de heffing
                            ter zake van woonruimten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verlenen van kwijtschelding worden voor de berekening van de
                            kosten van bestaan de percentages, vermeld in artikel 16 van de
                            Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, gesteld op 100.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s 2016, vastgesteld bij
                                besluit van 11 november 2015 wordt ingetrokken met ingang van de in
                                het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                                zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>De verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.</al></li><li nr="4."><al>De verordening wordt aangehaald als “Verordening zuiveringsheffing
                                Hunze en Aa’s 2017”.</al></li><li nr="5."><al>De in Bijlage I genoemde normbladen worden bekendgemaakt door
                                terinzagelegging bij het waterschapshuis van Hunze en Aa’s, Aquapark
                                5 te Veendam en bij de receptie van Hefpunt, Rozenburglaan 15 te
                                Groningen.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van Hunze en
                        Aa’s, gehouden op 9 november 2016 te Veendam.</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers, Alfred van Hall, </ondertekening><ondertekening>secretaris-directeur dijkgraaf </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing Hunze en Aa’s
                        2017</titel></kop><tussenkop>A. ALGEMEEN</tussenkop><al/><tussenkop>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</tussenkop><al>De financiering van de behartiging van de taak inzake het zuiveren van
                    afvalwater gebeurt uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de
                    bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de
                    Waterschapswet.</al><al>De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van
                    kosten).</al><al/><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de opbrengst van de
                    watersysteemheffing. </al><al>Ook het passieve waterkwaliteitsbeheer en het baggeren uit
                    waterkwaliteitsoogpunt horen tot de zorg voor het watersysteem. Voor directe
                    lozingen op oppervlaktewater blijft de verontreinigingsheffing bestaan. De
                    opbrengst komt ten goede aan de bekostiging van het beheer van het watersysteem.
                    De wettelijke basis voor de belasting is in de Waterwet geregeld. De essentialia
                    van de belasting zijn niet veranderd en zij vertonen grote overeenkomst met de
                    zuiveringsheffing. Het kenmerkende verschil tussen de beide belastingen is dat
                    de zuiveringsheffing wordt geheven voor het afvoeren van stoffen op de riolering
                    of een zuiveringstechnisch werk, terwijl de verontreinigingsheffing is
                    verschuldigd voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam. </al><al/><tussenkop>B. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Considerans</tussenkop><al/><tussenkop>Bevoegdheid algemeen bestuur</tussenkop><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al/><tussenkop>Wettelijke grondslag</tussenkop><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing
                    ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van
                    het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld.</al><al/><tussenkop>Artikel 1, begripsbepalingen</tussenkop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij de
                    begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al><al/><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Waterschap Hunze en Aa’s heeft besloten om de stoffen zilver, chroom, koper,
                    lood, nikkel, zink, arseen, cadmium, kwik, chloride, fosfor en sulfaat niet aan
                    de heffing te onderwerpen. Het gaat hier dus alleen om het lozen van
                    zuurstofbindende stoffen.</al><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar.</al><al/><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijke rioolstelsel zoals dat wordt
                    bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al><al/><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het
                    zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater
                    (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke
                    riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel b, waarbij het begrip
                    riolering is gedefinieerd).</al><al/><tussenkop>Onderdeel d</tussenkop><al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                    zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al><al/><tussenkop>Onderdeel e</tussenkop><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al/><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al/><tussenkop>Onderdeel f</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof
                    ‘s-Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al/><tussenkop>Onderdeel g</tussenkop><al>Hefpunt is het samenwerkingsverband op het gebied van waterschapsbelastingen
                    voor de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân.
                    Vestigingsplaats is Groningen. Uitgangspunt is een zo doelmatig mogelijke
                    uitvoering van de heffing en invordering van de waterschapsbelastingen. In
                    (Bijlage 1 van) de gemeenschappelijke regeling Hefpunt is een groot aantal
                    wettelijke bevoegdheden betreffende waterschapsbelastingen overgedragen aan
                    Hefpunt. In dit verband zijn de door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    aangewezen heffingsambtenaar en invorderingsambtenaar in de onderdelen h en i
                    als zodanig ook voor waterschap Hunze en Aa’s van belang.</al><al/><tussenkop>Onderdeel h</tussenkop><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap, in casu van
                    Hefpunt. Die aanwijzing geschiedt bij een door het dagelijks bestuur van Hefpunt
                    te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van
                    uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze
                    functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe
                    (artikel 9 en verder).</al><al/><tussenkop>Onderdeel i</tussenkop><al>De ambtenaar van Hefpunt die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet
                    1990 uitoefent, wordt in de verordening de ambtenaar belast met de invordering
                    genoemd. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de invordering
                    van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van belasting is een
                    ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet noemt de ontvanger in artikel 123,
                    derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien van de heffingsambtenaar het geval
                    is, kan in geval samenwerking door waterschappen in een gemeenschappelijke
                    regeling en indien hierbij een openbaar lichaam is ingesteld, een ambtenaar van
                    dit openbaar lichaam, in casu Hefpunt als ambtenaar belast met de invordering
                    worden aangewezen. Dit volgt uit artikel 124, vijfde lid, onder b, van de
                    Waterschapswet. </al><al/><tussenkop>Onderdeel j</tussenkop><al>Hoewel de Drinkwaterwet een definitie van het begrip drinkwater geeft, moet hier
                    in het kader van deze verordening niet uitsluitend voor menselijke consumptie
                    geschikt water worden verstaan. Ook zaken als warm tapwater (vaak afkomstig van
                    stadsverwarmingsbedrijven) en “grijs” water voor het wassen van kleding vallen
                    hier onder. </al><al/><tussenkop>Onderdeel k</tussenkop><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al><al/><tussenkop>Onderdeel l</tussenkop><al>Een waterleidingbedrijf hoeft, zoals blijkt uit de begripsomschrijving in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Drinkwaterwet niet uitsluitend te
                    voorzien in het leveren van water. Dergelijke leveringen kunnen deel uitmaken
                    van een ruimer aanbod van producten, bijvoorbeeld elektrische energie, warmte of
                    aardgas.</al><al/><tussenkop>Artikel 2, bijlagen</tussenkop><al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de
                    hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de
                    vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g van de
                    Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van meting, bemonstering,
                    analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen 9, 10 en 11 van de
                    verordening.</al><al/><al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                    woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze
                    verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 12.</al><al/><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 3, belastbaar feit en heffingsplicht</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten die
                    zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is daarmee
                    primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter. </al><al/><al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct of
                    indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                    waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn, is het niet vereist
                    dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch werk daadwerkelijk bij
                    het waterschap berust. Dit is vooral van belang in situaties waar sprake is van
                    zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het afvalwater ontstaat in het gebied
                    van het ene waterschap en wordt afgevoerd naar een zuiveringstechnisch werk van
                    een ander waterschap. In een dergelijk geval is het ontvangende waterschap
                    bevoegd om degene die de stoffen heeft afgevoerd in de zuiveringsheffing te
                    betrekken. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres
                    aanslagen worden opgelegd door verschillende waterschappen.</al><al/><al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een
                    medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen, waarin onder andere
                    de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het waterschap waar
                    het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het ontvangende
                    zuiveringstechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad 11 december
                    1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al/><al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is
                    noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende
                    wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij
                    een koppeling gemaakt met het object van waaruit wordt afgevoerd.</al><al/><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels opstelt
                    op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                    beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de gebruikers als
                    willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag
                    kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor
                    de inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                    326).</al><al/><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                    dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat
                    een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij
                    één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    zuiveringsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten
                    doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze
                    kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag
                    terugvorderen bij de verhuurder.</al><al/><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92). In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als
                    gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                    aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve
                    van de bedrijfsruimte kan bedienen (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz.
                    478).</al><al/><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al><al/><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                    plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al><al/><al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, lid 2 onder b van de
                    Waterschapswet en welke is ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel)
                    afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon
                    worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het achterhalen van de
                    identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd mogelijk te zijn, evenals
                    het vaststellen van individuele vervuilingswaarden indien de stoffen van meer
                    dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling soelaas, omdat
                    degene die feitelijk afvoert (in het geval van een tankauto dus de vervoerder)
                    rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al><al/><al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                    tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van
                    afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het
                    afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze
                    bepaling.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><al/><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft.
                    Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al><al/><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen aan wie hij de
                    ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al/><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringstechnisch
                    werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Dit vierde lid
                    voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de gemeente, maar degene die via
                    de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is
                    alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten
                    waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.</al><al/><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing aan wordt
                    besteed.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Het waterschap heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om het
                    afvoeren vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de
                    zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet geen specifieke
                    vrijstellingsbepaling kent voor het afvoeren door het waterschap zelf, kan een
                    dergelijke vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van artikel 122l
                    van de Waterschapswet. </al><al/><tussenkop>Artikel 5, ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid voor woonruimten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten de
                    materiële belastingschuld door de </al><al>regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf</al><al>aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en dat
                    niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een
                    tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve
                    aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de
                    belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een
                    aantal uitspraken van de belastingrechter. Uit jurisprudentie valt af te leiden
                    dat om een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                    verordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="1."><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 5, eerste lid);</al></li><li nr="2."><al>een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                            geregeld in het derde en vierde lid van artikel 5 en voor
                            bedrijfsruimten in het kader van de uitoefening van een beroep of een
                            bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof is dit
                            geregeld in artikel 16,eerste, tweede en derde lid).</al></li></lijst><al>Indien in de verordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een waterschap in
                    het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van de Algemene
                    wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid.
                    De zuiveringsheffing is echter een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de
                    heffingsplicht zich niet gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit
                    gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing.
                    Artikel 122 h, zesde lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de
                    heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde
                    aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn aangegeven op welke
                    wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld. In deze verordening is gekozen voor
                    de dagnauwkeurige variant.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Wanneer de heffingsplicht van een woonruimte in de loop van het jaar eindigt,
                    dan is de heffing op grond van artikel</al><al>122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens voor een evenredig deel
                    verschuldigd. </al><al/><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige voldoende gewaarborgd. Het staat het waterschap ook vrij om,
                    op grond van eigen gegevens, uit eigener beweging een dergelijke ontheffing te
                    verlenen zonder een aanvraag van de heffingsplichtige af te wachten.</al><al/><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Een uitzondering op de hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al/><tussenkop>zesde lid</tussenkop><al>Het zesde lid regelt dat wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere
                    woonruimte van waaruit eveneens wordt geloosd, zowel het tweede als het derde
                    lid niet van toepassing zijn. Dit zou anders resulteren in een vermindering van
                    een al opgelegde, en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en
                    een nieuwe aanslag voor de nieuwe woning. Dit wordt met het vierde lid
                    voorkomen. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Bij een dergelijke
                    verhuizing wordt geen rekening gehouden met wijzigingen in de
                    gezinssamenstelling (ook zonder verhuizing wordt daarmee ingevolge immers geen
                    rekening gehouden).</al><al/><tussenkop>Artikel 6, ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid voor bedrijfsruimten</tussenkop><al>Opgemerkt wordt dat voor het in artikel 6 beschreven forfait geen mogelijkheid
                    is opgenomen om de wijzigingen gedurende het jaar het forfait tijdsevenredig toe
                    te passen. Deze regeling is derhalve minder verfijnd dan het geval is bij het
                    woonruimteforfait en het forfait voor glastuinbouwbedrijven (zie artikel
                    16).</al><al/><tussenkop>Artikel 7, heffingsjaar</tussenkop><al>In artikel 7 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al><al/><tussenkop>Grondslag en heffingsmaatstaf</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 8, algemeen</tussenkop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die in
                    een kalenderjaar worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                    zuurstofbindende stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten
                    aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof
                    per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid.</al><al/><al>Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                    die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                    chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al/><tussenkop>Artikel 9, meting, bemonstering en analyse</tussenkop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                    vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen
                    ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het
                    afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al/><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="1."><al>algemene onderzoeksvoorschriften en definities;</al></li><li nr="2."><al>meting van afvalwater;</al></li><li nr="3."><al>bemonstering van afvalwater;</al></li><li nr="4."><al>behandeling en analysering van afvalmonsters (voorheen bijlage 1,
                            onderdeel A en B);</al></li><li nr="5."><al>berekeningsvoorschriften (voorheen bijlage 1, onderdeel C);</al></li><li nr="6."><al>rapportage onderzoeksresultaten;</al></li><li nr="7."><al>bijzondere situaties.</al><al/></li></lijst><al>De kosten van een onderzoek zijn voor rekening van de heffingsplichtige. Het
                    spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                    oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                    verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is
                    sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 10.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken. </al><al/><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan de ambtenaar belast met de heffing.
                    Ook ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het heffingsjaar valt
                    onder de meldingsplicht.</al><al/><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. </al><al>Dit mag hij:</al><lijst><li nr="1."><al>ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                            voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al></li><li nr="2."><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde
                            lid;</al></li><li nr="3."><al>op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                            de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                            beïnvloed.</al><al/></li></lijst><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><al/><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><al/><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><al/><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan een genomen beschikking ambtshalve
                    wijzigen of intrekken. Daarvoor is geen aanvraag van de heffingsplichtige nodig. </al><al/><tussenkop>Artikel 10, beperkte meting en bemonstering</tussenkop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen. In dit kader is tevens van belang
                    de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de
                    vervuilingswaarde van afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van
                    augustus 1998. </al><al/><tussenkop>Artikel 11, hoedanigheidscorrectie</tussenkop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor tenminste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie aangeduid.
                    Voor de wijze van aanvraag, onderzoeksmethode en frequentie voor aantonen van
                    het percentage T wordt verwezen naar de beleidsregel “Handreiking toepassing
                    hoedanigheidscorrectie afvalwater”.</al><al>Artikel 11 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage
                    I).</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van
                    de heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed. </al><al/><tussenkop>Artikel 12, tabel afvalwatercoëfficiënten </tussenkop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is ontleend aan artikel 122k, derde
                    lid, van de Waterschapswet. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel niet
                            leidt tot een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al></li><li nr="2."><al>er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                            vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><al/><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze
                    waarop dit gebeurt ligt vast in beleidsregels van Hefpunt.</al><al/><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 (Besluit van 12 december
                    2008, Stb. 609).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water.</al><al/><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                    vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al/><tussenkop>Artikel 13, belasting van tuinbouwkassen</tussenkop><al>Op basis van artikel 13 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de
                    wet opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al/><tussenkop>Artikel 14, totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 9 tot en met 13
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="1."><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al></li><li nr="2."><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                            afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al></li><li nr="3."><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                            geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                            afvalwatercoëfficiënt van toepassing is.</al><al/></li></lijst><al>De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt bijvoorbeeld de waarde
                    20,49 v.e. uiteindelijk 20,4 v.e. op het aanslagbiljet.</al><al/><tussenkop>Artikel 15, vervuilingswaarde van woonruimten</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt. </al><al/><al>Tweede lid</al><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn. In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37
                    361, geeft de Hoge Raad aan dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor
                    de heffingsplicht. Hoewel deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel
                    van de onroerende zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    zuiveringsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><al/><tussenkop>Artikel 16, vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een
                    bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte, bestemd om in het kader
                    van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand
                    van glas of kunststof gewassen te telen, wordt gesteld op drie
                    vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof
                    wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van
                    drie vervuilingseenheden.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid
                    bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel een deel
                    daarvan door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar
                    voor die bedrijfsruimte, voor een evenredig gedeelte aan de heffing
                    onderworpen.</al><al/><al>Derde lid</al><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de
                    bedrijfsruimte, berekend op basis van het eerste of tweede lid van minder dan
                    vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of
                    minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 17, schatting</tussenkop><al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                    in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de
                    vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld
                    indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering
                    en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming
                    is met de in de verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van stoffen
                    vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn
                    opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 9 (meting, bemonstering en
                    analyse) niet kan worden toegepast. Overigens sluit dit artikel niet uit dat er
                    ook andere omstandigheden kunnen zijn op grond </al><al>waarvan schatting kan plaatsvinden. </al><al/><tussenkop>Artikel 18, tarief</tussenkop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><al/><tussenkop>Artikel 19, wijze van heffing en termijnen van betaling</tussenkop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. In dit artikel is
                    gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. De opgenomen mogelijkheden zien
                    toe op de betalingswijzen en betalingstermijnen. </al><al/><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van aanslag. Dit
                    betekent dat het waterschap eerst zelf een aanslag moet opleggen aan de
                    heffingsplichtige. Voor aanslag kan worden gelezen: de schriftelijke
                    kennisgeving.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Op grond van het tweede lid is het mogelijk meerdere aanslagen op één
                    aanslagbiljet te verenigen. Vooral dient hierbij te worden gedacht aan de
                    combinatie van de ingezetenenheffing, de zuiveringsheffing en de omslag gebouwd
                    voor woonruimten.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de AWB in werking getreden. Hierbij is
                    bepaald dat voor bestuurrechtelijke geldschulden in beginsel een betaaltermijn
                    van zes weken geldt (art. 4:87 AWB). Deze regeling is in de plaats gekomen voor
                    de regeling die voorheen in artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                    was opgenomen (betaaltermijn van twee maanden). In beide gevallen mag en mocht
                    bij wettelijk voorschrift van deze regelingen worden afgeweken. In het derde lid
                    van de verordening is geregeld, dat in afwijking van de wettelijke regeling, een
                    belastingaanslag betaald moet worden twee maanden na de dagtekening van het
                    aanslagbiljet.</al><al/><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete is als gevolg van de verordening
                    invorderbaar twee maanden na de dagtekening van de aanslag.</al><al/><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Het vijfde lid van artikel 19 behelst een aparte regeling voor gevallen waarin
                    de belastingplichtige een machtiging tot automatisch incasso aan het waterschap
                    heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de belastingplichtige een ruimer
                    aantal betaaltermijnen worden gegund.</al><al/><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Deze bepaling is een weergave van wat in artikel 115a van de Waterschapswet is
                    bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een bij de
                    belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt opgelegd.
                    Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat
                    aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden opgelegd. De kosten
                    van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting in deze gevallen
                    immers al snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Indien het waterschap de voor de
                    belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt eerder boven
                    de genoemde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een (integrale)
                    aanslag worden opgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 20, kwijtschelding</tussenkop><al>In bepaalde gevallen kan een heffingsplichtige in aanmerking komen voor gehele
                    of gedeeltelijke kwijtschelding van de woningaanslag zuiveringsheffing. Het
                    waterschap hanteert hierbij een kwijtscheldingsnorm van 100%.</al><al/><tussenkop>Artikel 21, nadere regels</tussenkop><al>Artikel 21 is in de verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige
                    kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking
                    tot de heffing en de invordering van de zuiveringsheffing.</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                    waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de
                    volgende bevoegdheden:</al><lijst><li nr="1."><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="2."><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al></li><li nr="3."><al>het berekenen van invorderingsrente.</al><al/></li></lijst><al>Daarnaast heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 4:81 van de Algemene
                    wet bestuursrecht ook de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen. Artikel
                    10:22 geeft het dagelijks bestuur verder de bevoegdheid om per geval of in het
                    algemeen instructies te geven ter zake van de uitoefening van de toegedeelde
                    bevoegdheid.</al><al/><tussenkop>Artikel 22, inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De oude verordeningen blijven gelden voor de belastbare feiten die zich voor die
                    datum hebben voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden
                    opgelegd op basis van de oude verordening.</al><al/><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekend gemaakt. Dit geldt daarom ook voor
                    belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73 geschiedt
                    bekendmaking door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
                    geven waterschapsblad. Het waterschapsblad kan elektronisch worden uitgegeven.
                    Bij gebreke van een waterschapsblad geschiedt de bekendmaking door
                    terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op de secretarie van het
                    waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats en
                    door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel
                    74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen.</al><al>Voor een goed begrip van één en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie ook de toelichting op het derde lid van dit artikel.</al><al/><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is één van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar is niet beslist noodzakelijk, omdat bij gebreke daarvan die verordening
                    automatisch in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Als gevolg van het vierde lid van artikel 22 wordt de verordening voorzien van
                    een citeertitel.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Het vijfde lid regelt de wijze waarop de normbladen welke vermeld worden in de
                    verordening en haar bijlagen bekend worden gemaakt. </al><al>De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669)
                    beslist dat het normblad NEN waarnaar in een gemeentelijke legesverordening werd
                    verwezen, bekendgemaakt moest worden door</al><al>terinzagelegging op de wijze die in artikel 139, derde lid, Gemeentewet is
                    voorzien om bijlagen, en desgevraagd papieren afschriften van die normen te
                    verstrekken tegen betaling van bedragen die niet hoger zijn dan de tarieven die
                    de gemeente hanteert voor het verstrekken van papieren afschriften van besluiten
                    die algemeen verbindende voorschriften inhouden. </al><al>Het ontbreken van die bekendmaking kan tot gedeeltelijke onverbindendheid van de
                    verordening leiden en tot vernietiging van aanslagen.</al><al>De Unie van Waterschappen heeft vanwege het belang van de uitspraak voor de
                    waterschappen extern advies ingewonnen. Op basis hiervan adviseert de Unie de
                    NEN-normen genoemd in bijlage I van de verordening bekend te maken op de door de
                    Hoge Raad voorgeschreven wijze.</al><al/><al/><al/><al><vet>Bijlagen I en II: zie www.hunzeenaas.nl/Regelgeving/Verordeningen/bijlagen
                        verordeningen I en II</vet></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>