<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR425005_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden van de gemeente Stichtse Vecht 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 10-4-2017, 57815</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/2016-07-01#TiteldeelII_HoofdstukVI_Artikel95">De artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97, 99 en 147 van de Gemeentewet.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">De artikelen 22, eerste lid, 23, eerste lid, 27a, vijfde lid van het Rechtspositiebesluit wethouders.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">De artikelen (2), (4), 7a, vierde lid, 13, tweede lid (en 15) van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-04-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-04-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>1e wijziging (invoegen artikel 8)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SV212</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De voorliggende Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden vervangt de verordening die op 19 mei 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. De nieuwe modelverordening van de VNG is gevolgd, waarbij de artikelen over de dienstauto en het gebruik van een creditcard niet zijn overgenomen. De artikelen over computer en internetverbinding zijn aangepast aan het iPad gebruik in Stichtse Vecht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden van de gemeente
            Stichtse Vecht 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Stichtse Vecht,</al><al>Gelet op:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, 97,
                                99 en 147 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste lid, 27a, vijfde lid van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen (2), (4), 7a, vierlid, 13, tweede lid (en 15) van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden;</al></li><li nr="-"><al>de bespreking in de commissie Bestuur en Financiën van 11 oktober
                                2016;</al></li></lijst><al/><al>besluit</al><al/><al>vast te stellen de</al><al><vet>Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                                    van de gemeente Stichtse Vecht 2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie : commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83
                                    of 84 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel e, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raads- en commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan commissieleden wordt een vergoeding voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies toegekend die
                                gelijk is aan het voor de van toepassing zijnde inwonersklasse
                                vastgestelde bedrag in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads-
                                en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die
                                zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als
                                rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die
                                grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor reis- en verblijfkosten als bedoeld in de
                                artikelen 96, eerste lid, en 97 van de Gemeentewet is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor wat betreft de reiskosten gelijk aan het overeenkomstig
                                        in artikel 4, onderdeel a en b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde;</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft de verblijfkosten gelijk aan het
                                        overeenkomstig in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reiskosten worden voor ten hoogste één vergadering per dag
                                vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raads- of commissieleden die willen deelnemen aan
                                niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de
                                vervulling van de functie van raads- of commissielid, dienen daartoe
                                vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier beslist op de aanvraag op basis van bewijsstukken,
                                overeenkomstig het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In voorkomende gevallen beslissen de fractievoorzitters van alle in
                                de raad vertegenwoordigde politieke groeperingen op basis van
                                meerderheid van stemmen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Notebook of Pocket PC (m.n. iPad) en accessoires</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt voor de uitoefening van het raadslidmaatschap op
                            aanvraag een maandelijkse vergoeding verstrekt van € 16,67 netto, voor
                            de kosten van de aanschaf van een Notebook of Pocket PC (m.n. iPad) met
                            bijbehorend hoesje en pen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Notebook of Pocket PC (m.n. iPad) en accessoires</titel></kop><al>Aan het commissielid wordt op aanvraag een vergoeding verstrekt van
                            maximaal € 600,00 netto, voor de kosten van de aanschaf van een Notebook
                            of Pocket PC (m.n. iPad) met bijbehorend hoesje en pen. Per fractie
                            worden er maximaal 3 Notebooks of Pocket PC’s (m.n. iPads) vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 13a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden vallen onder de algemene aansprakelijkheidsverzekering
                                van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Raadsleden zijn uit hoofde van hun functie naast lid 1 verzekerd
                                voor rechtsbijstand</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premies van de in lid 1 en 2 genoemde verzekeringen komen ten
                                laste van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>Wethouders hebben aanspraak op een vergoeding van de kosten
                            woon-werkverkeer, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van
                            Rechtspositiebesluit wethouders, overeenkomstig artikel 3 van de
                            Regeling rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zakelijke reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>Wethouders hebben aanspraak op een vergoeding van de reis- en
                            verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt,
                            bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van het
                            Rechtspositiebesluit wethouders binnen en buiten het grondgebied van de
                            gemeente, overeenkomstig artikel 4 van de Regeling rechtspositie
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Notebook of Pocket PC (m.n. iPad) en accessoires</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van het wethouderschap op
                            aanvraag een maandelijkse vergoeding verstrekt van € 16,67 netto, voor
                            de kosten van de aanschaf van een Notebook of Pocket PC (m.n. iPad) met
                            bijbehorend hoesje en pen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Mobiele communicatieapparatuur</titel></kop><al>De wethouders aan wie mobiele communicatieapparatuur in bruikleen ter
                            beschikking wordt gesteld tekenen hiervoor een bruikleenovereenkomst met
                            de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verhuis-, reis- en pensionkosten en tegemoetkoming dubbele
                                woonlasten bij benoeming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                                beschikken hebben aanspraak op een vergoeding van reis- en
                                pensionkosten, dubbele woonlasten en verhuiskosten, bedoeld in
                                artikel 22, eerste lid, onderdeel a en b, van Rechtspositiebesluit
                                wethouders, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en 4a van de Regeling
                                rechtspositie wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                                beschikken hebben aanspraak op een vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid,
                                        onderdeel a, van het Rechtspositiebesluit wethouders,
                                        overeenkomstig artikel 1 en 4a van de Regeling rechtspositie
                                        wethouders, en</al></li><li nr="b."><al>dubbele woonlasten en verhuiskosten, bedoeld in artikel 22,
                                        eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders, overeenkomstig artikel 2 en 4a van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 28a van het Rechtspositiebesluit wethouders. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaling vaste vergoedingen</titel></kop><al>De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor
                            wethouders op grond van het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                            onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in
                            maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis
                            tenzij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het
                            Rechtspositiebesluit wethouders of de Regeling rechtspositie wethouders
                            anders bepalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Betaling en declaratie van onkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betaling van kosten die op grond van deze verordening voor
                                vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen vindt plaats
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een
                                        rechtstreekse aan de gemeente toegezonden factuur of</al></li><li nr="b."><al>betaling vooruit uit eigen middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit
                                artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en
                                bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen twee
                                maanden na factuurdatum of betaling door</al><lijst><li nr="a."><al>raads- en commissieleden ingediend bij de griffier.</al></li><li nr="b."><al>wethouders ingediend bij de gemeentesecretaris.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden van de
                            gemeente Stichtse Vecht 2015, vastgesteld op 19 mei 2015, wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 16 november 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden van de gemeente Stichtse Vecht
                            2016.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>15 november 2016</ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><titel>Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden van de
                            gemeente Stichtse Vecht 2016</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Wettelijke regelingen</titel></kop><al>In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen
                        geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke
                        ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                        rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden alsmede de financiële
                        voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en
                        ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het
                        Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden. In de Regeling rechtspositie wethouders zijn de
                        (onkosten)vergoedingen voor wethouders nog nader uitgewerkt. </al><al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders
                        die bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet, Rechtspositiebesluit of
                        Regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze
                        verordening. Dit betreft de vergoedingen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>de raadsvergoeding voor raadsleden, de commissievergoeding voor
                                commissieleden en de bezoldiging van wethouders</al></li><li nr="2."><al>de vaste maandelijkse netto onkostenvergoedingen voor raadsleden en
                                wethouders;</al></li><li nr="3."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de
                                vertrouwenscommissie als bedoeld in artikel 61 Gemeentewet, leden
                                van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa Gemeentewet, dan
                                wel van onderzoekscommissie zoals bedoeld in artikel 115a, derde lid
                                Gemeentewet;</al></li><li nr="4."><al>de toelage van het fractievoorzitterschap;</al></li><li nr="5."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij een
                                WW, BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA / WAO) hebben;</al></li><li nr="6."><al>de gevolgen bij overgang naar een lagere klasse in verband met
                                vermindering van aantal inwoners;</al></li><li nr="7."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval;</al></li><li nr="8."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                                gemeenteraad;</al></li><li nr="9."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte;</al></li><li nr="10."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten;</al></li><li nr="11."><al>de voorzieningen voor raads- en commissieleden en wethouders met een
                                fysieke beperking;</al></li><li nr="12."><al>de bezoldiging van de wethouders;</al></li><li nr="13."><al>de voorzieningen in verband met bewaken en beveiligen;</al></li><li nr="14."><al>de contributie voor beroepsverenigingen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</titel></kop><al>In de verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie
                        van wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die
                        niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag
                        hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. </al><al>Bij de laatste harmoniseringsoperatie, zie de circulaire van het Ministerie
                        van BZK d.d. 27 juni 2014, betreffende de rechtspositiebesluiten voor
                        decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen
                        imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij
                        is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen,
                        tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale
                        politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast
                        te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor
                        gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke
                        regelingen af te wijken. </al><al>Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke
                        ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 44
                        Gemeentewet is bepaald dat buiten hetgeen bij of krachtens de wet is
                        toegekend wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten
                        laste van de gemeente mogen ontvangen. Dit betekent dat de rechtspositionele
                        aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                        respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                        Regeling rechtspositie wethouders en deze verordening. Gewezen wethouders
                        ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene
                        pensioenwet politieke ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 Gemeentewet is voor raads- en
                        commissieleden opgenomen in artikel 99 Gemeentewet. In artikel 99
                        Gemeentewet is bepaald dat bij of krachtens de wet is toegekend, ontvangen
                        de leden van de raad, van een door de raad, het college of de burgemeester
                        ingestelde commissie als zodanig geen andere vergoedingen en
                        tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Het tweede lid van dat artikel
                        voegt daaraan toe dat bij of krachtens de wet dan wel bij verordening van de
                        raad aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                        vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de
                        goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al></divisie><divisie><kop><titel>De arbeidsverhoudingen</titel></kop><al>Raadsleden en commissieleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente.
                        De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor
                        zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                        werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de
                        Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen
                        dienstbetrekking met de gemeente is vallen raads- en commissieleden niet
                        onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de
                        Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren
                        voor de loonbelasting als voorheffing door te kiezen voor het fictief
                        werknemerschap. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is
                        niet van toepassing op raads- en commissieleden.</al><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in
                        openbare dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de
                        bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet
                        van toepassing op wethouders. De aanstelling in openbare dienst houdt voor
                        de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een
                        arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent
                        dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting 1964
                        vallen. Toch vallen wethouders niet onder de werking van
                        werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en
                        Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). In plaats daarvan voorziet
                        de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). De
                        werkloosheidsuitkering na aftreden, invaliditeitsuitkering, pensioenopbouw
                        en het (aanvullende) ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders
                        geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). </al></divisie><divisie><kop><titel>De loon- en inkomstenbelasting</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Opting-in-regeling</titel></kop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                        gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                        ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                        ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                        gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                        Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk
                        wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de
                        ingehouden loonheffing van de raadsvergoeding af aan de Belastingdienst.
                        Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt
                        hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                        zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen
                        premies sociale zekerheid ingehouden. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                        administratie bij te houden. De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van
                        commissieleden de toepassing van de opting-in-regeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>Fiscale standaardpositie</titel></kop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raads- of
                        commissielid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                        werkzaamheid geniet (standaardregeling). In dat geval is het (gedeeltelijke)
                        winstregime van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten
                        verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering
                        brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling dienen de
                        netto-onkostenvergoeding wel te verantwoorden in de inkomstenbelasting,
                        tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de
                        vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.
                        Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling kunnen bij de
                        aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming
                        van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen
                        op hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). Het bruteren van
                        vergoedingen is niet langer van toepassing op raads- en commissieleden die
                        hebben gekozen voor de standaardregeling. Voor raadsleden die hebben gekozen
                        voor de standaardregeling is de werkkostenregeling immers niet van
                        toepassing. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                        grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een
                        opgave IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden
                        gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan
                        ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de
                        gemeente. </al></divisie><divisie><kop><titel>Eenmalige keuze per zittingsperiode</titel></kop><al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het
                        raadslid financieel ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de
                        loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en
                        geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                        als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                        Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode
                        te gebeuren, maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                        periode.</al></divisie><divisie><kop><titel>De vergoedingensystematiek</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt hoeven bestuurders niet het eigen
                        inkomen aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                        belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling
                        terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze
                        functionele uitgaven uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente deze
                        uitgaven vervolgens terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten
                        zo veel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het
                        de voorkeur de functionele uitgaven direct in rekening te brengen bij de
                        gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal
                        echter behoefte blijven bestaan. De mogelijkheden voor declaratie zijn nader
                        geregeld in deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Controle en verantwoording</titel></kop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                        publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                        inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                        voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van
                        het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er
                        onnodige discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen
                        of voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                        belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                        zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de
                        functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                        financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan
                        bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. In hoofdstuk
                        IV van deze verordening is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                        beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke
                        procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele
                        uitgaven, declaratie van vooruitbetaalde kosten. Daarnaast moeten in de
                        bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                        computer-, rand- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld
                        voor de uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een
                        gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. </al></divisie><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel van deze verordening wordt verwezen naar een aantal
                            begripsbepalingen uit de Rechtspositiebesluiten<vet>. </vet>Speciale
                            aandacht verdient een lid van de commissie, die niet tevens lid is van
                            de gemeenteraad of een ambtenaar die als zodanig tot lid van een
                            commissie is benoemd overeenkomstig artikel 1 onder e
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Wat betreft de genoemde
                            ambtenaren in deze bepaling lijkt de wetgever te doelen op de situatie
                            dat ambtenaren van de griffie of gemeente raadscommissies organiseren,
                            bijwonen en/of ondersteunen. Zij maken geen aanspraak op een vergoeding
                            voor het bijwonen van commissievergaderingen. Deze werkzaamheden maken
                            voor hen immers deel uit van hun ‘gewone’ werkzaamheden uit hoofde van
                            hun aanstelling op grond van de Ambtenarenwet, waarvoor zij reeds loon
                            ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                            commissies die zijn ingesteld op basis van artikel 82 t/m 84 Gemeentewet
                            geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in
                            de commissie zitten (uitgezonderd in artikel 96 Gemeentewet).
                            Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren (op grond van artikel 1
                            rechtspositiebesluit raads- en commissieleden), en medewerkers en
                            bestuurders van door de gesubsidieerde organisaties die in die
                            hoedanigheid in de commissie zitting hebben. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bepaald op een vast bedrag per
                            inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. De Minister van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijksrelaties indexeert jaarlijks per 1 januari het bedrag zoals
                            dat is herzien aan de hand van het indexcijfer Cao lonen overheid.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de Gemeentewet
                            bieden de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat
                            in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend
                            dan het eerder bedoelde bedrag. Deze mogelijkheid is geregeld in het
                            vierde lid. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar
                            het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere inwonersklasse te
                            kiezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</titel></kop><al>Artikel 96, eerste lid van de Gemeentewet voorziet alleen voor
                            commissieleden, voor zover ze geen raadslid zijn in een vergoeding van
                            reis- en verblijfkosten voor reizen <cursief>binnen</cursief> het
                            grondgebied van de gemeente. Artikel 96 van de Gemeentewet voorziet niet
                            in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor raadsleden. Het is dan
                            ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als raadsleden van de
                            gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het grondgebied van
                            de gemeente</al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel
                            in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen
                                <cursief>buiten</cursief> het grondgebied van de gemeente ter
                            uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur. Onder reizen
                            “buiten de gemeentegrenzen” kunnen ook de buitenlandse dienstreizen
                            worden geschaard. De naar redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten
                            voor dienstreizen in het buitenland, die door of vanwege de gemeente
                            zijn georganiseerd komen ook voor vergoeding in aanmerking.</al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten is niet nader ingevuld en is een lokale aangelegenheid
                            per gemeente. Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                            verder geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting
                            worden gezocht bij de vergoedingsregelingen voor wethouders. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als
                            opbrengst moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de
                            geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden
                            opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden komt niet partij-politiek georiënteerde scholing in
                            verband met de vervulling van de functie van raads- of
                            commissielidmaatschap ten laste van de gemeente. Scholing door
                            partijpolitieke instellingen of groeperingen kunnen overigens
                                <onderstreept>niet</onderstreept> ten laste van de gemeente worden
                            gebracht. In dit artikel is de procedure verder uitgewerkt.</al><al>Gezien de aard en duur van het ambt kunnen raads- en commissieleden
                            opleidingen die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het ambt
                            of gericht zijn op de (verdere) loopbaan ten laste van de gemeente
                            worden gebracht. Scholing kan op meerdere wijze plaatsvinden. De
                            scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde
                            vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Bij
                            loopbaangerichte opleidingen staan reflecteren op persoonlijke
                            kwaliteiten en motieven voorop. Onder deze scholingskosten worden
                            verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten van het studiemateriaal,
                            examen- en diplomakosten en de aanschafkosten van verplicht gesteld
                            studiemateriaal, alsmede reis- en verblijfkosten in het kader van de
                            opleiding.</al><al>Artikel 13 lid 1 Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt de
                            mogelijkheid aan de raad om lokaal nadere regels voor scholing te
                            stellen. De raad kan bij verordening nadere regels stellen voor
                            scholingskosten en/of een maximumvergoeding per scholingsaanvraag/per
                            persoon. De griffier beoordeelt de aanvraag op basis van de aangeleverde
                            bewijsstukken. Hieronder kunnen o.a. kostenspecificaties en facturen
                            onder worden verstaan. In voorkomende gevallen van disputen of
                            tegenstrijdigheden beslissen de fractievoorzitters bij meerderheid van
                            stemmen. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al><cursief>Nota bene: Voor de wethouders is in artikel 28b
                                Rechtspositiebesluit wethouders de vergoeding van scholingskosten
                                geregeld. Volgens dit artikel dient het college van burgemeester en
                                wethouders zelfstandig een nadere regeling vast</cursief><cursief>
                                te </cursief><cursief>stellen voor scholingskosten.</cursief></al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 5, 6 en 10 Notebook of Pocket PC (m.n. iPad) en
                            accessoires)</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het
                        Rechtspositiebesluit wethouders is geregeld dat het raads- of commissielid,
                        respectievelijk de wethouder van de gemeente een notebook of pocket PC (m.n.
                        iPad) en accessoires in bruikleen krijgt verstrekt of een vergoeding
                        ontvangt voor de aanschaf of het gebruik van zijn eigen notebook of pocket
                        PC (m.n. iPad) en accessoires. De vergoeding is daarom niet in strijd met
                        artikel 99 van de Gemeentewet. Deze aanspraken kunnen echter alleen worden
                        verstrekt wanneer dat is vastgelegd in een verordening.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij
                        de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                        dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al>Voor commissieleden geldt voor de aanschaf een vergoeding achteraf van
                        maximaal € 600,00 netto. Hiervoor wordt aangesloten bij de procedure van
                        declaratie zoals vermeld in artikel 19 van deze verordening. Dit betekent
                        dat er binnen 2 maanden een declaratie wordt ingediend, via de griffie, bij
                        het team P&amp;O onder overleg van een bonnetje.</al><al>Per fractie worden er maximaal 3 Notebooks of Pocket PC’s (m.n. iPads)
                        vergoed, gerelateerd aan het aantal commissieleden.</al><al>Voor alle Notebooks of Pocket PC’s (m.n. iPads) wordt uitgegaan van een
                        afschrijvingstermijn van drie jaar.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelen 7 en 13 Werkkostenregeling</titel></kop><al>In verband met de werkkostenregeling is een aantal netto-vergoedingen en
                        verstrekkingen door de gemeente aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Ook
                        de vergoedingen en verstrekkingen die door de belastingdienst gezien worden
                        als gerichte vrijstelling of voor nihil waardering in aanmerking komen,
                        worden in eerste instantie wel aangewezen. Deze keuze is gemaakt om alle
                        onkosten van bestuurders gelijk onder de eindheffing te brengen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verzekering</titel></kop><al>Raadsleden kunnen een beroep doen op de algemene
                        aansprakelijkheidsverzekering van de gemeente, bijvoorbeeld voor juridische
                        ondersteuning. Een beroep op ondersteuning loopt via de griffier. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>en 10 Reiskosten woon/werk en zakelijke reis- en
                            verblijfkosten</titel></kop><al>Voor wethouders is een vergoeding voor het woon-werkverkeer geregeld
                        overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel 22 eerste lid sub a
                        Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 3 Regeling rechtspositie
                        wethouders. Voor wat betreft de reiskosten woon-werkverkeer bestaat
                        aanspraak op een volledige vergoeding van het openbaar vervoer (OV) of een
                        netto bedrag van</al><al> € 0,15 per kilometer, indien gebruik wordt gemaakt van de eigen
                        personenauto. </al><al>Voor wat betreft de zakelijke reis- en verblijfkosten bestaat aanspraak op
                        een vergoeding overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel 22
                        eerste lid sub b Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 4 Regeling
                        rechtspositie wethouders. Voor wat betreft gebruik van een eigen
                        personenauto voor dienstreizen ontvangen wethouders een bedrag van € 0,28
                        per kilometer (zie artikel 4, onderdeel b, en artikel 5a, onder 1, van de
                        Regeling rechtspositie wethouders). </al><al>Voor wat betreft dienstreizen gemaakt met het openbaar vervoer (OV) bestaat
                        aanspraak op volledige vergoeding. Op grond van artikel 1, vierde lid, van
                        de Regeling rechtspositie wethouders wordt onder openbaar vervoer (OV)
                        verstaan de kosten van voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een
                        dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of via een
                        geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel met een veerpont of een
                        veerboot. Gemaakte tol- en parkeerkosten worden niet genoemd in de regeling
                        en mogen daarom op grond van artikel 44 lid 3 Gemeentewet niet vergoed
                        worden. Verblijfkosten zijn zakelijk gebruikte maaltijden en kosten voor
                        overnachting.</al><al>De voor wethouders geregelde kilometervergoeding van reiskosten voor
                        woon/werkverkeer en de vergoeding van reis- en verblijfkosten voor
                        dienstreizen zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover de
                        kilometervergoedingen voor woon/werkverkeer of reis en verblijfkosten
                        fiscaal bovenmatig zijn, bestaat de mogelijkheid om het meerdere ten laste
                        van de vrije ruimte te brengen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Mobiele communicatieapparatuur</titel></kop><al>Als communicatieapparatuur zal in veel gevallen een mobiele telefoon
                        verstrekt worden.</al><al>Nadere voorwaarden betreffende de bruikleen worden in de
                        bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de wethouder vastgelegd. Het
                        model van die overeenkomst wordt door het college vastgesteld. Hierin kunnen
                        afspraken gemaakt worden over het privé gebruik en het verhalen van de
                        kosten daarvan op de wethouder. Hierbij ligt het voor de hand om in de
                        bruikleenovereenkomst ook te bepalen dat bij beëindiging van het
                        wethouderschap ook het gebruik van de communicatieapparatuur eindigt. Voor
                        het gebruik van de privé mobiele telefoon waarmee de zakelijke belkosten in
                        het abonnement gedeclareerd kunnen worden, is
                            <onderstreept>geen</onderstreept> grondslag opgenomen in het
                        Rechtspositiebesluit wethouders.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verhuis-, reis- en pensionkosten en tegemoetkoming dubbele woonlasten
                            bij benoeming</titel></kop><al>Voor wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                        ambtsgemeente beschikken kunnen een vergoeding van reis- en pensionkosten,
                        een verhuiskostenvergoeding en eventueel een tegemoetkoming dubbele
                        woonlasten ontvangen overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens artikel
                        22 eerste lid sub b Rechtspositiebesluit wethouders en de artikelen 1, 2 en
                        4a van de Regeling Rechtspositie wethouders. Voor wat betreft de
                        pensionkostenvergoeding bestaat aanspraak op een maximale vergoeding van 18%
                        van de maandelijkse bezoldiging tot maximaal drie jaar na benoemingsdatum.
                        Voor wat betreft de reiskosten van het pension naar het werk gaat het om een
                        volledige vergoeding van het openbaar vervoer (OV) of een netto bedrag van €
                        0,15 per kilometer, indien gebruik wordt gemaakt van de eigen personenauto.
                        Bovendien mag de wethouder eenmaal per week een (gezins)bezoek aan de oude
                        woning ten laste van de gemeente brengen. </al><al>Op grond van artikel 1, vierde lid, van de Regeling rechtspositie wethouders
                        wordt onder openbaar vervoer (OV) verstaan de kosten van voor een ieder
                        openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus,
                        trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel
                        met een veerpont of een veerboot.</al><al>Voor wat betreft de verhuiskostenvergoeding bestaat binnen drie jaar na
                        benoeming aanspraak op een volledige vergoeding van de kosten voor het
                        transport van de bagage en de inboedel. Andere direct uit de verhuizing
                        voortvloeiende kosten, waaronder begrepen de kosten van inrichting van de
                        woning en tijdelijke opslag worden vergoed tot een maximum van € 5.818,46.
                        De vergoedingen zijn tot maximaal € 7.750 onbelast, omdat zij in het deze
                        verordening Rechtspositiebesluit zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel
                        in de werkkostenregeling. Voor wat betreft een tegemoetkoming dubbele
                        woonlasten bestaat aanspraak op een tegemoetkoming met een maximale
                        vergoeding van 18% van de maandelijkse bezoldiging tot maximaal drie jaar na
                        benoemingsdatum.</al><al>De voor wethouders geregelde kilometervergoeding van reiskosten voor
                        verblijf naar werk zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Voor zover
                        de kilometervergoedingen voor reis en verblijfkosten fiscaal bovenmatig zijn
                        (meer dan € 0,19/km), bestaat de mogelijkheid om het meerdere ten laste van
                        de vrije ruimte te brengen.</al><al>De inhoud van de leden 1 en 2 lijkt hetzelfde maar het verschil zit in het
                        feit dat lid 1 de aanspraak regelt en lid 2 de (hoogte van de) voorziening.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Betaling en declaratie van onkosten</titel></kop><al>De betaling van kosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen en later
                        gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente
                        verstuurd, waarna de betaling rechtstreeks uit gemeentelijke middelen
                        geschiedt. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de
                        gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt
                        waarmee raads- en commissieleden en wethouders gemaakte onkosten kunnen
                        verantwoorden. Wethouders declareren hun kosten bij de gemeentesecretaris.
                        Raads- en commissieleden declareren hun kosten bij de griffier.</al><al>Betaling van functionele uitgaven door middel van een (gemeentelijk)
                        creditcard blijkt in de praktijk voor te komen. Mocht het college een
                        creditcard ter beschikking willen stellen aan haar wethouders dan dient men
                        hierover lokaal nog aanvullende afspraken en/of procedurevoorschriften voor
                        op te stellen en in de modelverordening opnemen. </al><al><vet>-.-.-.-.-.-.-.-.-</vet></al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>