<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR424158_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling OP EFRO Proeftuinen C 2016 ronde 2</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Samenwerkingsverband Noord-Nederland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Drenthe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Fryslân</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.snn.eu/bekendmakingbesluiten/">Website Samenwerkingsverband Noord-Nederland</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>OP EFRO Proeftuinen C 2016 ronde 2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32013R1301&amp;from=NL">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-07-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Vaststelling uitvoeringsregeling OP EFRO Proeftuinen C 2016 ronde 2</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsregeling OP EFRO Proeftuinen C 2016 ronde 2</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland
                            zijnde Management Autoriteit Noord-Nederland;</vet></al><al/><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling
                        “investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening
                        (EG) nr. 1080/2006 (PbEU L 347);</al><al/><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de
                        Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het
                        Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                        Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het
                        Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad
                        (PbEU L 347);</al><al/><al>gelet op de uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de commissie van 7
                        maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU)
                        nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende
                        gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale
                        Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees
                        Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor
                        maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds
                        voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot
                        methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen
                        van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van
                        de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en
                        investeringsfondsen;</al><al/><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van
                        3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het
                        Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake
                        het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds,
                        het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en
                        het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen
                        inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal
                        Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en
                        visserij;</al><al/><al>gelet op de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                        waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van
                        het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (de Algemene
                        groepsvrijstellingsverordening);</al><al/><al>gelet op de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 821/2014 van de Commissie van
                        28 juli 2014 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening
                        (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft
                        gedetailleerde regelingen voor de overdracht en het beheer van
                        programmabijdragen, de verslaglegging over financieringsinstrumenten, de
                        technische kenmerken van voorlichtings- en communicatiemaatregelen voor
                        concrete acties, en het systeem voor de vastlegging en opslag van
                        gegevens;</al><al/><al>gelet op het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland;</al><al>gelet op de Uitvoeringswet EFRO;</al><al>gelet op de Regeling Europese EZ-subsidies;</al><al>gelet op de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al>de volgende uitvoeringsregeling vast te stellen ter afbakening van een deel
                        van het Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland: <vet>OP EFRO
                            Proeftuinen C 2016 ronde 2</vet>. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Verordening (EU) nr. 1303/2013</cursief>: Verordening (EU)
                                Nr. 1303/2013 van het Europese Parlement en de Raad, van 17 december
                                2013, houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees
                                Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                                Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                                plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken
                                en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor
                                regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds
                                en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot
                                intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Algemene Groepsvrijstellingsverordening</cursief>:
                                Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014
                                waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en
                                108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden
                                verklaard; </al></li><li nr="c."><al><cursief>REES</cursief>: Regeling van de Staatssecretaris van
                                Economische Zaken van 28 juni 2015, nr. WJZ / 15083650, houdende
                                vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese
                                structuur- en investeringsfondsen op het terrein van Economische
                                Zaken (Regeling Europese EZ-subsidies);</al></li><li nr="d."><al><cursief>Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Noord-Nederland (OP
                                    EFRO)</cursief>: het programma als bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 6, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 dat is
                                goedgekeurd door de Europese Commissie en geldt voor het landsdeel
                                Noord-Nederland (NUTS-regio NL1); </al></li><li nr="e."><al><cursief>RIS3</cursief>: Research &amp; Innovation Strategy for
                                Smart Specialization Noord-Nederland. Dit is het document waarin de
                                innovatiestrategie voor Noord-Nederland voor de periode 2014-2020 is
                                uiteengezet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>Maatschappelijke uitdagingen</cursief>: zoals beschreven in
                                hoofdstuk 3.2 van de RIS3 Noord-Nederland;</al></li><li nr="g."><al><cursief>SNN</cursief>: het Samenwerkingsverband
                                Noord-Nederland;</al></li><li nr="h."><al><cursief>DB SNN</cursief>: het dagelijks bestuur van het
                                Samenwerkingsverband Noord-Nederland;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Penvoerder</cursief>: de subsidieaanvrager, die zorgdraagt
                                en verantwoordelijk is voor de projectadministratie, aanvragen,
                                verzoeken en voortgangsrapportages indien er sprake is van twee of
                                meer aanvragers van subsidie die samenwerken; </al></li><li nr="j."><al><cursief>Het Verdrag</cursief>: het Verdrag betreffende de werking
                                van de Europese Unie;</al></li><li nr="k."><al><cursief>Onderneming</cursief>: een onderneming is een organisatie
                                die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen
                                aan het maatschappelijk productie- en of handelsproces met het
                                oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook
                                redelijkerwijs verwacht kan worden. Een onderneming kan
                                verschillende juridische vormen aannemen, mits deze geen
                                publiekrechtelijk lichaam is en niet voor meer dan tien procent
                                structureel wordt gefinancierd door overheidsbijdragen; </al></li><li nr="l."><al><cursief>MKB-ondernemingen</cursief>: ondernemingen die voldoen aan
                                de vastgestelde criteria in Bijlage I van de Algemene
                                Groepsvrijstellingsverordening</al></li><li nr="m."><al><cursief>Grote ondernemingen</cursief>: ondernemingen die niet
                                voldoen aan de criteria onder l genoemd;</al></li><li nr="n."><al><cursief>De-minimisverordening</cursief>: Verordening (EU) Nr.
                                1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de
                                toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende
                                de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Noord</cursief>-<cursief>Nederland:</cursief> De provincies
                                Fryslân, Groningen en Drenthe;</al></li><li nr="p."><al><cursief>Proeftuin: </cursief>Open innovatie-omgeving die over een
                                langere periode aan meerdere partijen ruimte biedt voor het testen
                                van technologische innovatie of marktinnovatie van nieuwe of
                                vernieuwde producten of diensten in een realistische omgeving.</al></li><li nr="q."><al><cursief>Innovatiecluster: </cursief>structuren of georganiseerde
                                groeperingen van onafhankelijke partijen die tot doel hebben
                                innovatieve activiteiten, die zich voornamelijk in TRL-niveau 5 t/m
                                7 bevinden, te stimuleren door het delen van faciliteiten en de
                                uitwisseling van kennis en deskundigheid te bevorderen, en door
                                daadwerkelijk bij te dragen aan technologieoverdracht, netwerking,
                                informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en
                                andere organisaties binnen het cluster.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Deelplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het deelplafond als bedoeld in artikel 5.2.2. van de REES voor
                            subsidieaanvragen die zijn ontvangen in de periode van donderdag 1
                            december 2016 tot en met maandag 2 oktober 2017 bedraagt €
                            1.750.000,-:</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het DB SNN verdeelt het in het eerste lid bedoelde bedrag op volgorde
                            van binnenkomst als bedoeld in artikel 5.2.7 van de REES. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit deelplafond staat open voor Specifieke doelstelling C “Meer
                            innovatie en valorisatie in het MKB”, zoals beschreven in sectie 1.1 en
                            secties 2.A.5 en 2.A.6.1 onder prioritaire as 1 van het OP EFRO binnen
                            de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen. In
                            aanvulling op deze secties geldt dat aanvragen voor proeftuinen alleen
                            in aanmerking komen als overtuigend uiteen is gezet op welke wijze de
                            door betrokken partijen verkregen kennis openlijk wordt gedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt tevens beschouwd als
                            een aanvraag voor Rijkscofinanciering op grond van artikel 5.3.1 van de
                            REES. De subsidie komt voor 75 procent ten laste van het
                            subsidieplafond, genoemd in artikel 5.3.2 van de REES en voor 25 procent
                            ten laste van het deelplafond, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Voor subsidie komt in aanmerking een activiteit die betrekking heeft
                        op:</al><al>Het opereren van een innovatiecluster waarin een proeftuin in
                        Noord-Nederland wordt opgezet, uitgebouwd of verbeterd of waarin
                        proeftuinen, waarvan tenminste één proeftuin in Noord-Nederland staat,
                        onderling met elkaar worden verbonden of de verbinding tussen proeftuinen,
                        waarvan tenminste één proeftuin in Noord-Nederland staat, onderling wordt
                        verbeterd, waarbij het innovatiecluster vooral gericht is op het versnellen
                        van de marktintroductie van nieuwe diensten of producten door
                        MKB-ondernemingen,</al><al>en waarbij geïnvesteerd kan worden in de proeftuin en verder alleen de
                        volgende activiteiten subsidiabel zijn: </al><lijst><li nr="i."><al>het aansturen van een innovatiecluster ter bevordering van
                                samenwerking, informatiedeling en het verschaffen of toeleiden van
                                gespecialiseerde en op maat gemaakte zakelijke
                                ondersteuningsdiensten voor zover dit betrekking heeft op de
                                proeftuin;</al></li><li nr="ii."><al>de marketing van de proeftuin om nieuwe ondernemingen of
                                organisaties aan te trekken en de zichtbaarheid te verhogen;</al></li><li nr="iii."><al>het beheer van de faciliteiten van de proeftuin, de organisatie van
                                opleidingsprogramma's, workshops en conferenties ter ondersteuning
                                van kennisdeling, netwerking en transnationale samenwerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanvraag onder twee deelplafonds</titel></kop><al>Als door dezelfde aanvrager een aanvraag wordt ingediend op basis van twee
                        tegelijk opengestelde deelplafonds en beide aanvragen voor beide plafonds
                        voor subsidie in aanmerking komen, wordt slechts op basis van één
                        doelstelling subsidie verstrekt, zijnde in eerste instantie D. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte en doelgroep van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt verstrekt aan de rechtspersoon die het innovatiecluster
                            opereert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt subsidie verstrekt ter hoogte van 40% van de totale
                            subsidiabele kosten, met uitzondering van projecten waarbij de totale
                            subsidiabele kosten hoger zijn dan € 5.000.000,- en dientengevolge de
                            subsidie hoger zou uitvallen dan het in lid 5 vermelde maximale bedrag.
                            In dat laatste geval geldt de maximale subsidie als genoemd in lid
                            5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In aanvulling hierop geldt dat de hoogte van de subsidie kan worden
                            beperkt indien de regels van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening
                            daartoe nopen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie bedraagt minimaal € 200.000,- per project.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal € 2.000.000,- per project.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indienen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag kan worden ingediend bij het SNN via een daarvoor
                            ontwikkeld webportal dat bereikbaar is via www.snn.eu. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een
                            door SNN opgesteld volledig ingevuld aanvraagformulier, vergezeld van de
                            in het aanvraagformulier genoemde documenten. Hiervoor dienen door het
                            SNN verstrekte vaste formats te worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afwijzen van een subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub c van de REES wordt een aanvraag
                            afgewezen indien het project niet voldoende bijdraagt aan de
                            verwezenlijking van het gedeelte van het programma waarvoor het
                            deelplafond beschikbaar is gesteld. Indien niet minimaal 70 van de 100
                            punten worden gehaald, waarbij de verdeling van de punten is opgenomen
                            in artikel 10, draagt het project in ieder geval niet voldoende bij aan
                            de specifieke doelstelling binnen het programma zoals opgenomen in deze
                            uitvoeringsregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op grond van artikel 5.2.5 lid 1 sub e van de REES afgewezen indien de
                            managementautoriteit door toewijzing niet zou voldoen aan een van de
                            verplichtingen gesteld in artikel 125 van verordening 1303/2013. Dit
                            houdt onder andere in dat een aanvraag in ieder geval wordt afgewezen
                            indien: </al><lijst><li nr="-"><al>onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische of economische
                                    haalbaarheid van het project;</al></li><li nr="-"><al>door een aanvrager niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat het
                                    project financieel, ruimtelijk of anderszins, obstakelvrij is;
                                </al></li><li nr="-"><al>niet aannemelijk is dat het project fysiek kan zijn voltooid of
                                    dat alle projectactiviteiten volledig ten uitvoer kunnen worden
                                    gelegd binnen de projectperiode. Het project is volledig ten
                                    uitvoer gelegd als alle activiteiten die leiden tot outputs en
                                    resultaten volledig zijn uitgevoerd;</al></li><li nr="-"><al>de aanvraag minder dan 1 punt scoort op het criterium
                                    duurzaamheid, zoals beschreven in artikel 10, lid 1 sub e;</al></li><li nr="-"><al>tegen een aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als
                                    bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld
                                    in Verordening (EU) 651/2014 van 17 juni 2014.</al></li><li nr="-"><al>degene die het innovatiecluster opereert een natuurlijke persoon
                                    is. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Subsidiabele kosten</titel></kop><al>Als subsidiabele kosten komen in aanmerking:</al><lijst><li nr="1."><al>investeringen in immateriële en materiële activa van de
                                proeftuin.</al></li><li nr="2."><al>personeelskosten en administratieve kosten, met inbegrip van de
                                algemene kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op de
                                exploitatie in de aanloopfase van de proeftuin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Projectperiode en kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk drie jaar na afgifte van de verleningsbeschikking dient het
                            project fysiek te zijn voltooid en/of dienen alle projectactiviteiten
                            volledig ten uitvoer te zijn gelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Projectkosten zijn subsidiabel voor zover de verplichtingen die leiden
                            tot werkzaamheden zijn aangegaan na de datum van ontvangst van de
                            subsidieaanvraag door het SNN en de werkzaamheden die tot de kosten
                            leiden zijn verricht vóór de einddatum van het project. Daarbij dienen
                            de projectkosten betaald te zijn binnen de projectperiode of in de
                            daarop volgende periode waarin het verzoek tot definitieve vaststelling
                            van de subsidie vervaardigd en ingediend dient te worden. Dit met
                            uitzondering van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden
                            ten behoeve van het verzoek tot definitieve vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alleen projectkosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan en
                            noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project zijn
                            subsidiabel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In bepaalde gevallen kan de Bestuurscommissie Economische Zaken van het
                            SNN afwijken van de bepaling van lid 2 van dit artikel voor zover daar
                            aanleiding toe bestaat en de staatssteunregels daarvoor ruimte
                            bieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beoordelingscriteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd worden
                                beoordeeld op de volgende 5 beoordelingscriteria:</al><lijst><li nr="a."><al>Bijdrage aan de specifieke doelstelling C van het
                                        Operationeel Programma 2014-2020 Noord-Nederland: “Meer
                                        innovatie en valorisatie in het MKB binnen de in de RIS3
                                        geïdentificeerde maatschappelijke uitdagingen”</al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>De kwaliteit van de onderbouwing van de bijdrage aan de specifieke
                                doelstelling.</al></li><li nr="-"><al>In hoeverre de proeftuin gericht is op het faciliteren van de
                                fase(n) van de innovatieketen die zich bevinden in TRL-levels 5, 6
                                en 7. Dit naar analogie van het Technology Readiness Level (TRL)
                                model, zoals beschreven in sectie 1.1 van het OP EFRO.</al><lijst><li nr="b."><al>De mate van innovativiteit </al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>Welke (innovatieve) meerwaarde biedt deze proeftuin aan het
                                noordelijke eco-systeem? Hoe vernieuwend is de proeftuin? Gaat het
                                om een nieuwe proeftuin of een vernieuwing van een bestaande
                                proeftuin? Of hoe vernieuwend is de verbinding die wordt gemaakt of
                                verbeterd tussen proeftuinen? </al></li><li nr="-"><al>Hoe verhoudt de proeftuin zich tot (inter-)nationale ontwikkelingen
                                en sluit de proeftuin aan bij de ontwikkelingen in de markt? Bestaat
                                een dergelijke proeftuin, of een sterk vergelijkbare proeftuin, die
                                in de behoefte van het Noord-Nederlandse MKB voorziet, al?</al></li><li nr="-"><al>De mate waarin de proeftuin goede randvoorwaarden schept voor het
                                versnellen van de marktintroductie van nieuwe diensten/producten.
                                Bevinden de innovaties zich in het ontwikkelstadium?</al></li><li nr="-"><al>Worden cross-overs tussen bedrijven uit diverse sectoren bevorderd
                                middels deze proeftuin?</al><lijst><li nr="c."><al>De kwaliteit van de business case</al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>Hoe haalbaar is de realisatie van de proeftuin, wat zijn de
                                risico’s? Welke strategie is gekozen om deze risico’s te
                                beperken?</al></li><li nr="-"><al>Op welke wijze wordt (op termijn) een exploitatie van de proeftuin
                                geborgd? </al></li><li nr="-"><al>Hoe wordt gewaarborgd dat het niet gaat om een eenmalig
                                project/activiteit, maar om een proeftuin die aan meerdere
                                ondernemers, over een langere periode, ruimte biedt om hun product
                                te testen?</al></li><li nr="-"><al>Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat relevante stakeholders bij
                                de proeftuin betrokken zijn?</al></li><li nr="-"><al>Hoe wordt de gebruikersoriëntatie van de proeftuin gewaarborgd?</al></li><li nr="-"><al>Welke maatregelen worden genomen om de proeftuin laagdrempelig
                                toegankelijk te maken voor het MKB, waarbij het van belang kan zijn
                                waarborgen te hebben concurrentiegevoelige technieken te beschermen
                                en er tegelijkertijd sprake is van een open innovatie omgeving?</al></li><li nr="-"><al>De mate waarin de aanvrager bereidt is om de eigen bijdrage in dit
                                project te stoppen? De bereidheid om deze stap te zetten gekoppeld
                                aan de risico’s en perspectieven van de projectresultaten.</al><lijst><li nr="d."><al>De kwaliteit van de aanvraag</al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt met name gelet op de volgende elementen:</al><lijst><li nr="-"><al>De helderheid en eenduidigheid van de aanvraag. Zijn de
                                projectactiviteiten duidelijk te koppelen aan de begroting?</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop het project organisatorisch en subsidie-technisch in
                                elkaar steekt.</al><lijst><li nr="e."><al>Duurzaamheid;</al></li></lijst></li></lijst><al>Hierbij wordt getoetst of het project voldoet aan de waarborging van gelijke
                        kansen en voorkoming van discriminatie en of het project geen negatieve
                        effecten op het milieu kent.</al><al>Verder wordt gelet op de mate waarin het project een onderscheidende
                        bijdrage levert op het gebied van duurzaamheid. Elementen die een project
                        onderscheidend kunnen maken op het gebied van duurzaamheid kunnen zijn:</al><al>Ten aanzien van het aspect ‘people’:</al><lijst><li nr="-"><al>De investering die wordt gedaan en de resultaten die worden beoogd
                                in de opleiding en ontwikkeling van mensen;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan arbeidsvitaliteit, gezondheid en sociale mobiliteit
                                van mensen; </al></li><li nr="-"><al>De werkgelegenheid die wordt gegenereerd, bijvoorbeeld voor hoger
                                opgeleiden, lager opgeleiden en mensen met beperkingen, of een
                                afstand tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke impact.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ‘planet’:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijdrage aan CO2-reductie en reductie van overige
                                broeikasgassen;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan energiebesparing en/of de omschakeling naar schone
                                energie;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan het verminderen van grondstofgebruik en
                                watergebruik</al></li><li nr="-"><al>De omgang met afval en restmaterialen;</al></li><li nr="-"><al>De impact op het omringende ecosysteem en de omringende ruimte en
                                leefomgeving.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ‘profit’:</al><lijst><li nr="-"><al>De bijdrage aan regionale bewustwording, over de noodzaak van en het
                                streven naar een circulaire en inclusieve economie;</al></li><li nr="-"><al>De bijdrage aan de profilering van het bedrijf als een sociaal en
                                duurzaam /maatschappelijk verantwoorde onderneming;</al></li><li nr="-"><al>De manier waarop de onderneming zich maatschappelijk
                                verantwoordt.</al><lijst><li nr="2."><al>De criteria zoals genoemd onder lid 1 worden in eerste
                                        instantie kwalitatief beoordeeld waarbij verschillende
                                        gradaties mogelijk zijn: “goed”, “ruim voldoende”,
                                        “voldoende”, “matig” “neutraal” of “onvoldoende”. Deze
                                        beoordeling wordt omgezet in een puntenbeoordeling zoals
                                        genoemd onder lid 3.</al></li><li nr="3."><al>a. Voor criterium a zoals genoemd in lid 1 van dit artikel
                                        kunnen maximaal 30 punten </al></li></lijst></li></lijst><al>worden behaald met de volgende verdeling:</al><lijst><li nr="-"><al>goed = 30 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><lijst><li nr="b."><al>Voor de criteria b zoals genoemd in lid 1 van dit artikel
                                        kunnen maximaal 20 punten worden behaald met de volgende
                                        verdeling:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>goed = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><lijst><li nr="c."><al>Voor de criteria c zoals genoemd in lid 1 van dit artikel
                                        kunnen maximaal 25 punten worden behaald met de volgende
                                        verdeling:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>goed = 25 punten</al></li><li nr="-"><al>ruim voldoende = 20 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><lijst><li nr="d."><al>Voor criterium d zoals genoemd in lid 1 van dit artikel
                                        kunnen maximaal 10 punten worden behaald met de volgende
                                        verdeling:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>goed = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al><lijst><li nr="e."><al>Voor criterium e zoals genoemd in lid 1 van dit artikel
                                        kunnen maximaal 15 punten worden behaald met de volgende
                                        verdeling:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>goed = 15 punten</al></li><li nr="-"><al>voldoende = 10 punten</al></li><li nr="-"><al>matig = 5 punten</al></li><li nr="-"><al>neutraal = 1 punten</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende = 0 punten</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verplichtingen subsidieontvanger</titel></kop><al>In aanvulling op artikel 5.2.9 van de REES gelden voor de uitvoering van het
                        project de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>Toegang tot de panden, faciliteiten en activiteiten van het
                                innovatiecluster staat open voor meerdere gebruikers en wordt op
                                transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen
                                die ten minste 10 % van de investeringskosten van het
                                innovatiecluster hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang
                                krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden,
                                is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de
                                investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar
                                gesteld.</al></li><li nr="b."><al>De vergoedingen die voor het gebruik van de proeftuin en voor
                                deelname aan de activiteiten van het innovatiecluster worden
                                berekend, stemmen overeen met de marktprijs of weerspiegelen de
                                kosten ervan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Indicatoren</titel></kop><al>Het OP EFRO voor Noord-Nederland kent output- en resultaatindicatoren.</al><lijst><li nr="1."><al>Resultaatindicator R03 “omzetaandeel van nieuwe of vernieuwde
                                producten” is gekoppeld aan de specifieke doelstelling C. De
                                aanvrager dient de bijdrage aan de resultaatindicator bij de
                                aanvraag en in het verzoek tot vaststelling kwalitatief te
                                onderbouwen. Beoordeling is onderdeel van de inhoudelijke
                                beoordeling van de aanvraag en het eindafrekeningsverzoek.
                                Resultaatindicatoren gelden niet op projectniveau en worden niet
                                door de subsidieaanvrager gekwantificeerd.</al></li><li nr="2."><al>Outputindicatoren gelden op projectniveau. Het OP EFRO kent tabellen
                                met outputindicatoren, ‘Tabel 5’, die een kwantitatieve weergave
                                vormen van de in het OP EFRO, in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as
                                1, beschreven acties.</al></li><li nr="3."><al>De outputindicatoren voor deze uitvoeringsregeling zijn afkomstig
                                uit het OP EFRO en als bijlage II bij deze uitvoeringsregeling
                                gevoegd.</al><lijst><li nr="i."><al>De aanvrager dient uit de lijst in de bijlage al die
                                        outputindicatoren te selecteren die op het project van
                                        toepassing zijn. De aanvrager dient voor elke geselecteerde
                                        indicator een streefwaarde te bepalen voor het project. De
                                        streefwaarde is de waarde die beoogd wordt te zijn bereikt
                                        op het moment dat het project fysiek is afgerond of alle
                                        concrete acties volledig ten uitvoer zijn gelegd.</al></li><li nr="ii."><al>De keuze van de indicator en het bepalen van de streefwaarde
                                        dienen plaats te vinden op grond van de definities in
                                        bijlage II bij deze uitvoeringsregeling. De keuze van de
                                        indicator en de streefwaarde dienen in de aanvraag te worden
                                        gemotiveerd.</al></li><li nr="iii."><al>Het niet selecteren van relevante outputindicatoren of het
                                        niet leveren van (overtuigende) onderbouwingen kan leiden
                                        tot afwijzing van de aanvraag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Penvoerderschap en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle aanvragen, verzoeken en voortgangsrapportages in een project waar
                            een of meer subsidieaanvragers samenwerken dienen door de penvoerder
                            gedaan te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het SNN verricht betalingen enkel aan de penvoerder. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorschotten die door het SNN tijdens de looptijd van het project aan de
                            penvoerder worden verstrekt worden geacht op basis van de voorlopig
                            subsidiabel gestelde kosten te worden doorbetaald aan de
                            projectpartners. Projectpartners zijn individueel aansprakelijk voor de
                            door hen gerapporteerde kosten. Het SNN heeft de mogelijkheid om bij
                            individuele projectpartners teveel ontvangen subsidie terug te
                            vorderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een project een of meer subsidieaanvragers samenwerken dient
                            de samenwerking te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
                            De overeenkomst dient door alle partijen te worden ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien binnen een project andere dan bovengenoemde samenwerkende
                            ondernemingen direct van de subsidie profiteren, dan is de
                            verantwoordelijkheid van de penvoerder de namen van de betreffende
                            ondernemingen en de manier waarop deze profiteren vast te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Rapportage en bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient twee keer per jaar een voortgangsrapportage
                            in te dienen betreffende de financiële en inhoudelijke voortgang in de
                            realisatie van het project over de voorafgaande periode. Gerapporteerd
                            dient te worden volgens een daarvoor door het SNN verstrekt format.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorschot kan worden verstrekt indien voorafgaand aan of tegelijk
                            met het verzoek tot voorschot de voortgangsrapportage is ingediend, voor
                            zover voldaan is aan de voorwaarden en regelgeving en onder voorbehoud
                            van de beschikbaarheid van financiering door de Europese Commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het voorschot wordt evenredig bepaald op basis van de gemaakte en
                            betaalde kosten in de periode waarop de voortgangsrapportage betrekking
                            heeft. Om de hoogte van het voorschot te berekenen wordt dit bedrag
                            vermenigvuldigd met het percentage dat volgt uit het delen van de
                            toegekende subsidie door de totale subsidiabele kosten van het project.
                        </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de subsidieaanvrager in gebreke blijft met het indienen van een
                            deugdelijke voortgangsrapportage kan de subsidie ingetrokken of verlaagd
                            worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Realisatie indicatoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager dient tijdens de uitvoering van het project de realisatie
                            van de outputindicatoren te registreren. Aan de realisatiewaarden dienen
                            bewijsstukken ten grondslag te liggen, overeenkomstig de voorschriften
                            in bijlage II bij deze uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de realisatiewaarden van de outputindicatoren dient door de
                            aanvrager gedurende de uitvoering van het project in
                            voortgangsrapportages, en na afloop van het project in het eindverslag
                            te worden gerapporteerd. Rapportage dient plaats te vinden in een door
                            het SNN beschikbaar gesteld format. De aanvrager dient op aanvraag
                            bewijsstukken te overleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Realisatie van het project</titel></kop><al>Na afronding van de projectactiviteiten dient de subsidieaanvrager een
                        verklaring af te geven dat het project fysiek is afgerond of dat alle
                        projectactiviteiten volledig ten uitvoer zijn gelegd. De verklaring dient te
                        worden afgegeven in een door het SNN verstrekt format. De verklaring dient
                        bij het verzoek tot vaststelling te worden gevoegd of op verzoek van het SNN
                        eerder te worden overgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieaanvrager dient uiterlijk 13 weken na de einddatum van het
                            project een verzoek om definitieve vaststelling van de subsidie in bij
                            het SNN.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om definitieve vaststelling wordt ingediend volgens een
                            daarvoor door het SNN ter beschikking gesteld format, vergezeld van de
                            daarin genoemde documenten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie zal lager worden vastgesteld wanneer de gerealiseerde
                            subsidiabele kosten lager zijn dan begroot, waarbij het
                            subsidiepercentage wordt gehanteerd zoals aangegeven in artikel 5.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het SNN kan de betaling die volgt uit de vaststellingsbeschikking
                            opschorten indien de financiering van de Europese Commissie niet
                            beschikbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al>Deze uitvoeringsregeling wordt gepubliceerd en treedt in werking de dag na
                        publicatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als OP EFRO Proeftuinen C 2016
                        ronde 2</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage I:Toelichting op de uitvoeringsregeling</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage II: Outputindicatoren OP EFRO Proeftuinen C 2016 ronde 2</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I: Toelichting op de uitvoeringsregeling</titel></kop><tussenkop>Een algemene toelichting op deze uitvoeringsregeling is te vinden in het
                    Spoorboekje Innovatie-instrumentarium Noord-Nederland. Dit document is te vinden
                    op de SNN website.</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Op grond van de Verordening (EU) 1303/2013 is voor Noord-Nederland een
                    Operationeel Programma opgesteld. Dit OP EFRO geeft het kader weer voor de inzet
                    van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in
                    Noord-Nederland in de periode 2014-2020. Het OP EFRO voor Noord-Nederland is op
                    15 december 2014 goedgekeurd door de Europese Commissie. Deze
                    uitvoeringsregeling is bedoeld voor subsidieaanvragen op grond van een deel van
                    het OP EFRO. </al><al>In de verordening 1303/2013 die specifieke bepalingen geeft voor (onder andere)
                    het EFRO zijn voorwaarden en bepalingen voor EFRO-subsidies opgenomen. Op
                    nationaal niveau is de Regeling Europese EZ-subsidies (REES) vastgesteld die
                    naast de bepalingen van de Europese verordening ook bepalingen kent die van
                    toepassing zijn op projecten die ondersteuning ontvangen vanuit EFRO. In de REES
                    is de mogelijkheid gecreëerd voor de managementautoriteiten, waaronder het SNN
                    voor het OP EFRO voor Noord-Nederland, om aanvullende deelplafonds en
                    voorwaarden te stellen. Deze uitvoeringsregeling geeft daaraan invulling in de
                    vorm van een zogenoemde ‘call’, waarbij aanvragen op volgorde van ontvangst
                    worden beoordeeld en beschikt. Voor de bepaling of een project voor subsidie in
                    aanmerking komt zijn al deze bepalingen van belang.</al><al>Het OP EFRO richt zich op het stimuleren van innovatie binnen het innovatief
                    Midden- en Kleinbedrijf in Noord-Nederland. Binnen het OP EFRO zijn vier
                    zogeheten specifieke doelstellingen geformuleerd (A t/m D), waarvan deze
                    Proeftuinen C zich richt op specifieke doelstelling C van het OP: ‘Meer
                    innovatie en valorisatie in het MKB (binnen de in de RIS3 geïdentificeerde
                    maatschappelijke uitdagingen)’. In essentie stimuleert dit instrument (de opzet,
                    de verbetering en/of (de verbetering van) onderlinge verbondenheid van)
                    proeftuinfaciliteiten waarmee het innovatieve MKB proefopstellingen en
                    prototypes kan gaan testen in een real-life omgeving en zo de ontwikkeling van
                    de tekentafel naar een proefopstelling, een prototype en het testen sneller kan
                    maken. Proeftuinen C is analoog aan Proeftuinen D, met als verschil dat het bij
                    Proeftuinen D gaat om proeftuinen gericht op CO2-reductie. In de toelichting op
                    artikel 10 wordt een nadere duiding aan de beoordelingscriteria gegeven. Dit
                    geeft een aanvrager informatie over wat wordt verstaan met een ‘goede’
                    proeftuin.</al><al>De RIS3 is de ‘Research &amp; Innovation Strategy for Smart Specialization’, een
                    overkoepelende innovatiestrategie, die Noord-Nederland voor de periode 2014-2020
                    heeft opgesteld. De RIS3 is nader uitgewerkt in een Noordelijke Innovatieagenda
                    (NIA). De inventarisatie van proeftuinen in de NIA wordt als een van de
                    toetsstenen gebruikt.</al><al> Kenmerkend voor RIS3 en NIA is het uitgangspunt te werken aan grote
                    maatschappelijke vraagstukken, de maatschappelijke uitdagingen. Voor deze
                    uitvoeringsregeling worden aanvragers uitgedaagd om te komen met faciliteiten
                    die MKB-bedrijven in staat stellen te innoveren gericht op de vier
                    maatschappelijke uitdagingen uit de RIS3: uitdagingen die spelen binnen de
                    domeinen Gezondheid, demografie en welzijn; Voedselzekerheid, duurzame landbouw
                    en bio-economie; Zekere, schone en efficiënte energie; en Schone, veilige
                    watervoorziening. Deze domeinen moeten niet opgevat worden als een sectorale
                    afbakening. Bedrijven uit elke sector worden uitgenodigd te innoveren binnen
                    deze vier domeinen.</al><al>De innovatiepiramide, zoals opgenomen in het OP, deelt bedrijven in in vijf
                    categorieën: koplopers, ontwikkelaars, toepassers, volgers en niet-innovatieven.
                    Op grond van onderzoek waaruit blijkt dat Noord-Nederland relatief veel volgers
                    en relatief weinig toepassers en ontwikkelaars kent, is het OP erop gericht om
                    volgers toepassers te laten worden en toepassers ontwikkelaars te laten worden.
                    Dit krijgt in het OP EFRO vorm door de aandacht te richten op die criteria die
                    maken dat volgers volgers zijn en toepassers toepassers zijn. </al><al>In het TRL-model worden negen verschillende fases onderscheiden in het
                    innovatieproces, beginnend met fundamenteel onderzoek (TRL1), tot en met
                    marktintroductie van een nieuw product of nieuwe dienst (TRL9). Met de deze
                    uitvoeringsregeling wordt met name ingezet op het faciliteren van die stadia die
                    zich voorafgaand aan de marktintroductie bevinden: TRL 5 tot en met TRL 7:</al><al>• TRL5: Validatie van een prototype</al><al>• TRL6: Demonstratie van een prototype in een testomgeving</al><al>• TRL7: Demonstratie van een prototype in een operationele omgeving</al><al>In het OP EFRO is er voor gekozen te werken met gedeeltelijke openstelling van
                    loketten en verschillende subsidie-instrumenten. Gedeeltelijke openstelling van
                    het programma vloeit voort uit een strategie, waarbij gedurende de
                    programmaperiode tot een gelijkmatige en gerichte invulling van het programma
                    wordt gekomen. Hierbij worden keuzes ten aanzien van inhoud en instrumenten
                    optimaal afgestemd op de in het programma geformuleerde doelstellingen en te
                    ondersteunen initiatieven.</al><al> In elk geval een deel van het OP EFRO wordt opengesteld via zogenoemde tenders,
                    waarbij het loket voor indienen van aanvragen een specifieke periode open staat
                    en een vast sluitingsmoment kent. Ook kent het programma zogenoemde ‘calls’,
                    waarbij aanvragen op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode worden
                    beoordeeld. De onderhavige Proeftuinen C 2016 ronde 2 geeft de verdere invulling
                    aan genoemde manier van uitvoering van het programma.</al><al> Kenmerkend voor een zogenoemde ‘call’, die uitgaat van het molenaarsprincipe,
                    is dat aanvragen in de openstellingsperiode kunnen worden ingediend en na
                    compleetheid worden beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria
                    (zie ook de toelichting op artikel 10). Projecten die voldoen aan de minimale
                    vereisten, waaronder een score van minimaal 70 van de 100 punten, worden op
                    volgorde van ontvangst beschikt totdat het plafond van de uitvoeringsregeling is
                    bereikt. </al><al>Bij het uitvoeren van deze uitvoeringsregeling wordt gebruik gemaakt van een
                    deskundigencommissie. Deze bestaat uit externe deskundigen met expertise op het
                    gebied van onder meer innovatie, business-cases, duurzaamheid, arbeidsmarkt en
                    koolstofarme economie. Het werken met experts sluit aan bij de uitgangspunten
                    van de RIS3 en NIA, van een overheid die meer op afstand opereert.</al><al>De deskundigencommissie adviseert het Dagelijks Bestuur van het SNN (DB SNN)
                    over de subsidietoekenningen. Het DB SNN neemt vervolgens een besluit. Het
                    dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid mandateren aan de Bestuurscommissie
                    Economische Zaken van het SNN (BC EZ).</al><al>Een belangrijk punt dat samenhangt met de inschakeling van een
                    deskundigencommissie is het feit dat de beoordeling (advisering) bestaat uit
                    drie fasen. Eerst wordt een compleetheidstoets gedaan, daarna volgt op alle
                    aanvragen die compleet zijn een toets waarbij wordt beoordeeld of het project
                    voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria (de rankingscriteria)
                    voor subsidie in aanmerking te komen, dus of er geen sprake is van
                    afwijzingsgronden. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de maximaal
                    gevraagde subsidie en de uitvoeringsperiode. In deze fase wordt ook getoetst of
                    het project past binnen het opengestelde deel van het programma, dat wil zeggen
                    voldoende bijdraagt aan specifieke doelstelling C van het OP EFRO. Indien het
                    project aan deze criteria voldoet, dan wordt het in de derde fase voorgelegd aan
                    de deskundigencommissie.</al><al>De deskundigencommissie beoordeelt het project inhoudelijk op kwaliteit en geeft
                    advies ten aanzien van de ranking. Indien hiertoe aanleiding is kan een
                    afwijkende werkwijze worden gevolgd.</al><al> De beoordeling wordt uitgedrukt in kwalitatieve scores die verschillende
                    gradaties kennen: goed, ruim voldoende, voldoende, matig, neutraal en
                    onvoldoende. Uit toekenning van de kwalitatieve score volgt automatisch een
                    kwantitatieve score, die maximaal 100 punten kan zijn (zie art. 10 lid 2). </al><al>Het OP EFRO kent resultaat- en outputindicatoren. Resultaatindicatoren worden
                    niet op projectniveau geregistreerd. Resultaatindicatoren bevinden zich op een
                    hoger abstractieniveau: het niveau van de specifieke doelstellingen. Elke
                    specifieke doelstelling is gekoppeld aan één resultaatindicator.</al><al>Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt
                    gebracht. Outputindicatoren vormen feitelijk een weerspiegeling van de
                    projectactiviteiten.</al><al>Bij de aanvraag dient de keuze van outputindicatoren te worden gemotiveerd.
                    Streefwaarden dienen aannemelijk te worden gemaakt. Gedurende de uitvoering van
                    het project dienen realisatiewaarden van indicatoren met bewijsstukken te worden
                    gestaafd.</al><al>Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze uitvoeringsregeling
                    aan wordt gerefereerd. De herkomst van de definities is weergegeven waar dat van
                    toepassing is. </al><al>Onder f worden de maatschappelijke uitdagingen bedoeld zoals beschreven in de
                    RIS3. Deze vier maatschappelijke uitdagingen vormen het kader waarbinnen het OP
                    EFRO Noord-Nederland en daarmee deze uitvoeringsregeling worden uitgevoerd. Alle
                    projecten dienen een bijdrage te leveren aan het komen tot innovatieve
                    oplossingen voor één van de vier maatschappelijke uitdagingen die in de RIS3
                    zijn beschreven. Deze maatschappelijke uitdagingen bevinden zich op het gebied
                    van Gezondheid, demografie en welzijn, Voedselzekerheid, duurzame landbouw en
                    bio-economie, zeker, schone en efficiënte energie en schone, veilige
                    watervoorziening. </al><al>Verder is van belang op te merken dat een deel van de definities, gericht op
                    onderzoek en ontwikkeling, haar herkomst kent in de staatssteunregelgeving.
                    Aangezien deze regelgeving een belangrijk kader vormt voor subsidieverlening aan
                    projecten in het kader van deze tender, zijn deze voorwaarden expliciet in de
                    uitvoeringsregeling opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 2 Deelplafond</tussenkop><al>Dit artikel gaat in op de afbakening die specifiek voor deze uitvoeringsregeling
                    geldt. Het geeft aan welk onderdeel van het OP EFRO binnen dit deelplafond is
                    opengesteld. </al><al>Lid 1 legt de openstelling van het loket vast, alsmede ook het beschikbare
                    budget. Van belang is dat de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn op maandag 2
                    oktober 2017. </al><al>Lid 3 gaat over de inhoudelijke afbakening. Het OP EFRO voor Noord-Nederland
                    kent vier (inhoudelijke) specifieke doelstellingen: A t/m D. Deze
                    uitvoeringsregeling is gericht op specifieke doelstelling C “Meer innovatie en
                    valorisatie in het MKB binnen de in de RIS3 geïdentificeerde maatschappelijke
                    uitdagingen”. Het project dient aan te sluiten bij de algehele strategie van het
                    OP EFRO, omschreven in sectie 1.1, te passen binnen, en bij te dragen aan
                    specifieke doelstelling C, zoals beschreven in sectie 2.A.5 onder prioritaire as
                    1 van het OP EFRO en aan te sluiten bij de voor specifieke doelstelling C
                    beschreven maatregelen in sectie 2.A.6.1 onder prioritaire as 1 van het OP
                    EFRO.</al><al>Proeftuinen komen alleen in aanmerking als overtuigend uiteen is gezet op welke
                    wijze de door betrokken partijen verkregen kennis openlijk wordt gedeeld. Het
                    gaat daarbij alleen om de algemene kennis die door de proeftuinenfaciliteiten
                    worden gegenereerd, maar niet om de kennis met betrekking tot een specifieke
                    innovatie van een gebruiker van de proeftuinfaciliteit.</al><al>Lid 4 in combinatie met lid 1 geven aan dat het subsidieplafond in totaal €
                    7.000.000,- bedraagt. Dit bedrag bestaat voor 25% (€1.750.000,-) uit
                    EFRO-middelen en voor 75% (€ 5.250.000,-) rijkscofinanciering.</al><tussenkop>Artikel 3 Subsidiabele activiteiten</tussenkop><al>Hier is een vertaalslag gemaakt van artikel 27 van de Algemene
                    Groepsvrijstellingsverordening. Alleen activiteiten die passen binnen dit
                    artikel komen voor subsidie in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4 Aanvraag onder twee deelplafonds</tussenkop><al>Het is de bedoeling dat een aanvraag wordt ingediend bij de uitvoeringsregeling
                    waarbij deze het meeste aansluit. Indien een aanvraag toch voor twee tegelijk
                    openstaande uitvoeringsregelingen – in dit geval Proeftuinen C 2016 ronde 2 en
                    Proeftuinen D 2016 ronde 2 - ingediend wordt kan niet twee maal subsidie worden
                    ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 5 Hoogte en doelgroep van de subsidie</tussenkop><al>Ten aanzien van lid 1: de Proeftuinen C 2016 ronde 2 is primair gericht op de
                    partij die een proeftuin opereert, alleen deze partijen komen voor subsidie in
                    aanmerking. Dat kunnen meerdere organisaties zijn wanneer het gaat om meerdere
                    innovatieclusters die samenwerken.</al><al>Lid 2 stelt dat er een vast subsidiepercentage geldt van 40%. Op basis van de
                    leden 4 en 5 volgt vervolgens dat de minimale en maximale subsidie resp.
                    €200.000 en €2.000.000 bedraagt. </al><al>De aanvulling in lid 2 geeft aan dat indien een project meer totale subsidiabele
                    kosten kent dan €5.000.000 (zijnde het bedrag dat leidt tot het maximum van
                    €2.000.000 subsidie), het te verlenen maximum bedrag aan subsidie gehandhaafd
                    blijft op 2.000.000, maar het project feitelijk een lager subsidiepercentage dan
                    40 krijgt. </al><al>Ook een belangrijk deel van dit artikel vormt lid 3, waarin wordt aangegeven dat
                    als op grond van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening een lager
                    maximum(percentage aan) subsidie geldt, dat geldende (lagere) percentage wordt
                    aangehouden bij de subsidieverlening. De bepaling van de (maximale) steun wordt
                    per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages
                    kunnen verschillen tussen de projectpartners. Een innovatiecluster mag maximaal
                    7,5 miljoen euro aan staatssteun ontvangen. Dus alle steun die het
                    innovatiecluster ontvangt moet bij elkaar worden opgeteld, ongeacht wanneer het
                    innovatiecluster dat heeft gekregen, om te bepalen of het innovatiecluster nog
                    steun mag ontvangen. Bovendien mag maximaal 50% steun worden verleend op grond
                    van de AGVV (eventueel kan dit maximale steunpercentage 55% bedragen indien het
                    project zich begeeft in een zogenoemde steunkaart-gebied); voor het bepalen van
                    het steunpercentage wordt ook in dit geval alle steun bij elkaar opgeteld.</al><tussenkop>Artikel 6 Indienen van een subsidieaanvraag</tussenkop><al>Bij een aanvraag waarin exploitatiekosten zijn opgenomen dient uit de aanvraag
                    te blijken dat de exploitatiesubsidie als aanloopsubsidie noodzakelijk is en
                    dient tevens uit de business case te blijken hoe in de vervolgfinanciering wordt
                    voorzien.</al><tussenkop>Artikel 7 Afwijzen van een subsidieaanvraag</tussenkop><al>Op basis van artikel 5.2.5 van de REES is ter afbakening van het programma als
                    expliciete aanvullende afwijzingsgronden opgenomen dat allereerst geldt dat er
                    een minimaal puntenaantal van 70 (van de 100) punten is om voor
                    subsidieverlening in aanmerking te komen. Projecten die in de beoordeling minder
                    dan 70 punten behalen worden afgewezen. </al><al>Uit het tweede lid blijkt dat ook van belang is dat een project technisch en
                    economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een
                    project dient aldus obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te
                    kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijk formele, juridische en
                    financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg
                    staan.</al><al> De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het
                    project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van
                    vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te
                    worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich
                    bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager
                    aannemelijk gemaakt te worden. Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek
                    voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten)
                    volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen de periode die ligt tussen de
                    datum van indiening van de aanvraag en drie jaar na afgifte van de
                    verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven
                    uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen
                    leggen. </al><al>Op grond van artikel 12 kan de aanvraag ook worden afgewezen indien relevante
                    outputindicatoren niet zijn geselecteerd of deze niet zijn voorzien van een
                    (overtuigende) onderbouwing. </al><al>Een project moet minimaal voldoen aan het criterium duurzaamheid. Indien hiervan
                    sprake is ontvangt het project een score van minimaal ‘neutraal’ (1 punt).</al><al>Ook geldt dat een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat, of
                    die in financiële moeilijkheden verkeert, geen subsidie kan ontvangen. In het
                    aanvraagformulier worden vragen gesteld aan de aanvrager om vast te stellen of
                    er geen sprake is van een situatie van financiële moeilijkheden.</al><al>Tot slot geldt dat een aanvrager geen natuurlijk persoon kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 8 Subsidiabele kosten</tussenkop><al>De genoemde kosten zijn op basis van artikel 27 van de Algemene
                    Groepsvrijstellingsverordening, daarnaast dient voldaan te worden aan artikelen
                    1.3 t/m 1.5 van de REES, waarbij in artikel 1.5 als niet-subsidiabele kosten
                    worden vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>administratieve en financiële sancties en boetes;</al></li><li nr="b."><al>winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;</al></li><li nr="c."><al>fooien en geschenken;</al></li><li nr="d."><al>representatiekosten en -vergoedingen;</al></li><li nr="e."><al>kosten van personeelsactiviteiten;</al></li><li nr="f."><al>kosten van overboekingen en annuleringen;</al></li><li nr="g."><al>gratificaties en bonussen;</al></li><li nr="h."><al>kosten van outplacementtraject.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9 Projectperiode en kosten</tussenkop><al>In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen,
                    gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het
                    project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode
                    waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het moment waarop de
                    beschikking wordt afgegeven is afhankelijk van het moment waarop de aanvraag
                    wordt ingediend en beoordeeld kan worden door de Deskundigencommissie. Het
                    exacte moment waarop dit gebeurt is vooraf lastig aan te geven. Neem contact op
                    met het SNN indien u hierover meer informatie wenst.</al><al>Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de
                    opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de
                    opgegeven periode volledig kan worden afgerond. </al><al>Lid 2 gaat vervolgens in op de subsidiabele periode voor kosten. Hierbij geldt
                    dat een verplichting pas mag zijn aangegaan na indiening van het project bij SNN
                    en kosten moeten zijn gemaakt voor de einddatum van het project. Kosten moeten
                    zijn betaald vóór indiening van het verzoek tot definitieve vaststelling, met
                    uitzondering van de accountantskosten die eventueel zijn gemaakt voor het
                    afgeven van een verklaring bij de definitieve vaststelling. </al><tussenkop>Artikel 10 Beoordelingscriteria</tussenkop><al>Er zijn vijf (hoofd)categorieën, waarop een project gewogen wordt.</al><lijst><li nr="a."><al>Bijdrage aan de doelstellingen van het OP</al></li><li nr="b."><al>Mate van innovativiteit</al></li><li nr="c."><al>Kwaliteit van de business case</al></li><li nr="d."><al>Kwaliteit van de aanvraag</al></li><li nr="e."><al>Duurzame ontwikkeling</al></li><li nr="a."><al>Bijdrage aan de doelstellingen van het OP</al></li></lijst><al>Er wordt beoordeeld in welke mate het project bijdraagt aan specifieke
                    doelstelling C van het OP EFRO. De beoordeling op dit punt wordt nadrukkelijk
                    gekoppeld aan de kwalitatieve onderbouwing die in de aanvraag wordt gegeven. Bij
                    de beoordeling van de aansluiting van de projectactiviteiten bij de actie wordt
                    gekeken in welke mate de activiteiten corresponderen met de actie waar deze
                    uitvoeringsregeling op is gericht. De beoordeling is kwalitatief en gebaseerd op
                    de onderbouwing die in de aanvraag wordt gegeven. Daarbij wordt gekeken naar de
                    zogenoemde ‘value for money’; hoeveel levert dit project op in relatie tot het
                    gevraagde subsidiebedrag. Een aspect wat daarin mee gewogen kan worden is
                    hoeveel (Noordelijke MKB) bedrijven er met deze proeftuin worden bediend. Het
                    (Noordelijke) MKB hoeft niet vanaf de start direct een groot aandeel te hebben
                    in de bekostiging van de exploitatie. De proeftuin kan (mede) gedragen worden
                    door kennisinstellingen en grootbedrijven, maar bij de beoordeling wordt gekeken
                    hoe het MKB van deze proeftuin profijt heeft en dat het belang van het MKB
                    hierin centraal staat. Het MKB dient dus de voornaamste doelgroep (op termijn)
                    te zijn van de proeftuin. De echt concrete interesse van deze doelgroep kan/mag
                    ook pas op een later moment komen, maar de aanvrager moet dit in de aanvraag
                    aannemelijk maken. Ook de betrokkenheid van eindgebruikers wordt meegewogen in
                    de beoordeling ten aanzien van dit criteria.</al><al>Ook wordt beoordeeld in hoeverre de proeftuin gericht is op het faciliteren van
                    de fase(n) van de innovatieketen die zich bevinden in de TRL-levels 5, 6 en
                    7.Als hulpmiddel hierbij geldt het TRL-model. In algemene zin geldt dat hoe
                    lager (het zwaartepunt van) het project zich richt op de TRL-schaal, des te
                    lager het project wordt beoordeeld. Andersom geldt, hoe duidelijker het project
                    gericht is op valorisatie, des te hoger het project wordt beoordeeld. Het is van
                    belang dat de verhouding (valorisatie ten opzichte van niet-valorisatie) goed
                    moet zijn. Een (beperkt) deel onderzoek kan de volgende TRL-levels versterken en
                    ondersteunen. Maar de focus van de proeftuin moet wel op het faciliteren van
                    valorisatie liggen.</al><al>De weging van deze onderdelen leidt vervolgens tot één kwalitatief oordeel op
                    dit criterium. </al><lijst><li nr="b."><al>Mate van innovativiteit</al></li><li nr="c."><al>Kwaliteit van de business case</al></li></lijst><al>Deze beide criteria worden ook behandeld in <cursief>het Spoorboekje</cursief>. </al><al>Bij het onderdeel ‘mate van innovatie’ gaat het om de mate waarin de
                    projectactiviteiten gericht zijn op het faciliteren van valorisatie (innovaties
                    in het ontwikkelstadium) en dus niet op het doen van onderzoek. Een proeftuin
                    met een hoge mate van innovativiteit betekent niet per definitie dat er sprake
                    moet zijn van dure nieuwe apparatuur, maar proeftuin dient aan de gebruikers wel
                    een duidelijke innovatieve meerwaarde te bieden. Hoe speelt deze proeftuin in op
                    de ontwikkelingen in de markt en wat is de huidige state-of-the-art? Op welke
                    wijze worden gebruikers ‘op voorsprong’ gebracht ten opzichte van partijen die
                    geen gebruik maken van de proeftuin? Creëert de proeftuin de juiste
                    randvoorwaarden voor valorisatie?</al><al>Bij de beoordeling van de meerwaarde van de proeftuin wordt onder andere gekeken
                    naar het belang en/of uitstraling voor/van de regio is die uitgaat van deze
                    proeftuin. En op welke wijze de aantrekkingskracht van (Noord-) Nederland wordt
                    vergroot en/of een ontmoetingsplaats voor (inter)nationale spelers wordt
                    gecreëerd door deze proeftuin(infrastructuur).</al><al>Tenslotte kan een proeftuin die concreet cross-overs tussen verschillende
                    sectoren mogelijk maakt een groter bereik en daarmee belang hebben voor de
                    bedrijven en de regio in vergelijking met een proeftuin waarbij er geen sprake
                    is van een cross-over. Wanneer dit grotere bereik en belang als gevolg van
                    cross-over er is wordt dit als een pluspunt gezien.</al><al>Bij het onderdeel ‘kwaliteit van de business case’ gaat het enerzijds om de
                    haalbaarheid binnen de projectperiode, dit betreft met name de investering om te
                    komen tot de proeftuinfaciliteit. Anderzijds gaat het om de haalbaarheid én
                    bijbehorende strategie om te komen tot een langdurige exploitatie. Hoe blijft de
                    proeftuin (op de langere termijn) bestaan op basis van voldoende inkomsten
                    (vanuit diensten of subsidies, etc.)? Wie dekt eventuele tekorten en in welke
                    mate zijn tekorten acceptabel? Het is erg belangrijk dat er sprake is van (een
                    zo concreet mogelijke) betrokkenheid van relevante stakeholders (waaronder
                    (grote) bedrijven en/of kennisinstellingen). Om succesvol te zijn als proeftuin
                    is ook een (concrete) gebruikers-oriëntatie van belang. Hoe is de betrokkenheid
                    van het MKB en eindgebruikers gewaarborgd? Welke inspanningen worden verricht om
                    het MKB te laten ‘aanhaken’ bij de benutting van de proeftuin? Zeker wanneer één
                    ‘trekkende’ partij achter de totstandkoming van de proeftuinfaciliteit zit,
                    dient de aanvrager deze punten des te beter uit te leggen. Tenslotte dient de
                    aanvrager aannemelijk te maken dat de proeftuinfaciliteit laagdrempelig
                    toegankelijk is voor het MKB. Ook voor dit punt geldt; zeker wanneer één grote
                    onderneming achter de totstandkoming van de proeftuinfaciliteit zit, dient de
                    aanvrager dit punt des te beter uit te leggen. Durft een MKB’er naar de
                    proeftuinfaciliteit te komen met zijn concurrentiegevoelige-technieken? Welke
                    waarborgen en garanties zijn hiervoor?</al><al>d.Kwaliteit aanvraag</al><al>Bij dit criterium gaat het om de kwaliteit van het projectplan: de helderheid en
                    eenduidigheid van de antwoorden in het aanvraagformulier en de beschrijving in
                    het projectplan. Hierbij is van belang dat de inhoud van de aanvraag ‘to the
                    point’ wordt toegelicht in het aanvraagformulier en er voor wezenlijke
                    onderdelen niet wordt verwezen naar andere documenten. In het projectplan dient
                    een duidelijke koppeling (met bedragen) gemaakt te worden met de (bedragen in
                    de) begroting en dient duidelijk gemaakt te worden welke projectpartner(s) welke
                    activiteiten uitvoeren (en bijhorende kosten maken).</al><al>Verder gaat het bij dit criterium om de vraag of het project organisatorisch en
                    subsidie-technisch goed in elkaar steekt. De kwaliteit van de onderbouwing op
                    welke wijze de projectactiviteiten passen binnen de staatssteunkaders en de
                    juistheid van de financiële uitgangspunten worden meegenomen in de beoordeling
                    van dit criteria.</al><al>e.Duurzaamheid</al><al>De beoordeling op duurzaamheid binnen het OP EFRO Noord-Nederland gebeurt in
                    twee stappen. De eerste stap is bedoeld om te beoordelen of een project voldoet
                    aan basisvereisten die de Europese Commissie heeft geformuleerd op het gebied
                    van duurzaamheid. Het gaat om vereisten op het gebied van milieu,
                    non-discriminatie en gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Uit Europese en
                    nationale richtlijnen volgt dat geen projecten mogen worden gesubsidieerd die
                    een negatief effect hebben op één van deze aspecten. Dat betekent dat een
                    project minimaal een neutraal effect dient te hebben op het milieu, dus geen
                    schadelijke effecten dient te genereren. Ook moet een project voldoen aan het
                    bieden van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en mag er op geen enkele wijze
                    discriminatie plaatsvinden. Aanvragers dienen in hun projectplan aan te geven op
                    welke wijze zij borgen dat het project voldoet aan deze voorwaarden. </al><al>Waar stap 1 gericht is op uitsluiting van niet-passende projecten, nodigen we in
                    stap 2 projecten uit om hun onderscheidende bijdrage aan duurzaamheid voor het
                    voetlicht te brengen en zo een hogere score op het criterium duurzaamheid te
                    realiseren. Hiervoor gebruiken we de aspecten van ‘people, planet en profit’.
                    Achterliggende gedachte hierbij is dat duurzaamheid meer is dan alleen milieu.
                    Duurzaamheid gaat ook over sociale en economische aspecten. Duurzame innovaties
                    zijn vooral ook sociale innovaties. </al><al>In jargon: bij de beoordeling op duurzaamheid gaat het om de bijdrage die
                    projecten leveren aan de totstandkoming van een circulaire en inclusieve
                    economie in Noord-Nederland. De bijdrage aan duurzaamheid komt bij dit soort
                    type aanvragen enerzijds voort uit de effecten de proeftuin zelf en komt
                    anderzijds voort uit de effecten van de valorisatie-trajecten uitgevoerd door de
                    gebruikers van de proeftuin.</al><al>Aanvragers mogen zelf bepalen welke van de drie aspecten zij willen uitwerken.
                    Dat mogen alle drie de aspecten zijn, wanneer zij van mening zijn dat ze op alle
                    drie een onderscheidende bijdrage leveren. Maar dat is niet verplicht, niet elk
                    element is voor elk project even relevant. Ook een onderscheidende bijdrage op
                    één van de aspecten kan leiden tot een maximale score op het
                    duurzaamheidscriterium. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de aard
                    en omvang van de projectactiviteiten en van de bedrijven.</al><tussenkop>Artikel 11 Verplichtingen subsidieontvanger</tussenkop><al>Dit artikel gaat in op de verplichtingen die gelden voor de organisatie die de
                    proeftuin opereert. Onder a wordt benoemd dat de proeftuin voor meerdere
                    partijen moet worden opengesteld (en dus niet enkel voor één partij) en dat de
                    openstelling van de proeftuin transparant en niet-discriminerend moet zijn. Dit
                    houdt feitelijk in dat de proeftuin voor alle geïnteresseerde partijen open moet
                    staan. Daarnaast geeft dit artikel aan dat er voor organisaties die voor meer
                    dan 10% bijdragen de mogelijkheid voor preferente toegang onder gunstigere
                    condities bestaat. </al><al>Onder b wordt aangegeven dat de vergoeding die wordt gevraagd voor het gebruik
                    van de proeftuin overeen moet komen met de marktprijs. </al><tussenkop>Artikel 12 Indicatoren</tussenkop><al>Het OP EFRO kent output- en resultaatindicatoren.</al><al>Resultaatindicatoren worden niet op projectniveau geregistreerd.
                    Resultaatindicatoren bevinden zich op een hoger abstractieniveau: het niveau van
                    de specifieke doelstellingen. Elke specifieke doelstelling is gekoppeld aan één
                    resultaatindicator. Voor specifieke doelstelling C gaat het om de indicator
                    ‘Omzetaandeel van nieuwe of vernieuwde producten’. De resultaatindicator vormt
                    feitelijk een gekwantificeerde weergave van de specifieke doelstelling, een doel
                    dat het SNN wenst te bereiken.</al><al>Outputindicatoren geven weer wat er (fysiek) binnen een project tot stand wordt
                    gebracht. Het gaat hierbij onder meer om het aantal ondernemingen dat binnen een
                    project wordt ondersteund, of het aantal samenwerkingsverbanden met
                    onderzoeksinstellingen, dat wordt gerealiseerd. Outputindicatoren vormen
                    feitelijk een weerspiegeling van de projectactiviteiten.</al><al>Het OP EFRO kent een lijst met outputindicatoren waaruit een subsidieaanvrager
                    de voor haar project relevante outputindicatoren dient te selecteren en de
                    bijbehorende streefwaarde dient te kwantificeren. De streefwaarden dienen te
                    worden onderbouwd.</al><tussenkop>Artikel 13 Penvoerderschap en administratie </tussenkop><al>Het is noodzakelijk dat indien in een project waarin meerdere organisaties
                    samenwerken, zoals aangegeven in lid 4, een samenwerkingsovereenkomst wordt
                    afgesloten. Deze dient bij voorkeur beschikbaar te zijn bij het indienen van een
                    aanvraag aangezien hierin onderlinge afspraken tussen de projectpartners worden
                    vastgelegd. Overlegging aan het SNN kan echter ook tot een nog nader vast te
                    leggen termijn na beschikken van het project geschieden. De partijen ontvangen
                    dan een beschikking onder ontbindende voorwaarde. Wanneer de
                    samenwerkingsovereenkomst niet is ontvangen binnen de te stellen termijn,
                    vervalt de beschikking, en daarmee het recht op subsidie. Aangezien
                    projectpartners een verbintenis aangaan bij het indienen van de aanvraag, heeft
                    het wel de voorkeur om een dergelijke overeenkomst zo snel mogelijk te sluiten. </al><al>Tot slot gaat lid 5 in op andere partijen die direct van de subsidie profiteren.
                    Het is denkbaar dat ondernemingen worden ondersteund met subsidie zonder dat
                    vooraf inzichtelijk is welke dat zijn. In dat geval dient de penvoerder zorg te
                    dragen voor registratie tijdens de uitvoering van het project van de
                    organisaties die directe steun ontvangen. Deze administratie dient op verzoek
                    aan SNN inzichtelijk te worden gemaakt. De gegevens dienen in elk geval in de
                    voortgangsrapportages te worden gerapporteerd. </al><tussenkop>Artikel 14 Rapportage en bevoorschotting</tussenkop><al>Door projecten dient tweemaal per jaar (feitelijk elk half jaar) een rapportage
                    over de voortgang volgens een vooraf kenbaar gemaakt format worden ingediend bij
                    SNN (lid 1). De data waarop gerapporteerd moet worden wordt in de beschikking
                    vastgelegd. </al><al>Lid 2 geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat
                    tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt
                    gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte,
                    betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het
                    bedrag dat wordt uitbetaald (lid 3). Het SNN kan ten opzichte van het verzoek
                    kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van
                    mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of
                    deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op
                    basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren
                    voorschotbedrag bepaald. De betreffende kosten worden hiertoe vermenigvuldigd
                    met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie
                    gedeeld op de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een
                    voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de
                    betreffende kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de
                    subsidie. Dit betekent dat er sprake is van zogenoemde ‘voor-financiering’ door
                    de projectpartners.</al><al>Leden 4 en 5 geven vervolgens de mogelijkheid aan SNN om, indien financiering
                    niet beschikbaar is of de begunstigde niet aan de rapportageverplichtingen
                    voldoet, de subsidie in te trekken of te verlagen. </al><tussenkop>Artikel 15 Realisatie van indicatoren</tussenkop><al>Realisatiewaarden van de outputindicatoren dienen met bewijsstukken te worden
                    gestaafd. Bijlage II gaat in de op de specifieke voorschriften ten aanzien van
                    de bewijsvoering die per outputindicator gelden.</al><tussenkop>Artikel 16 Realisatie van het project</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat na realisatie van het project door de begunstigde een
                    verklaring moet worden opgesteld waarin de realisatie wordt vastgelegd. Deze
                    verklaring dient bij de eindafrekening te worden gevoegd, of eerder aan het SNN
                    te worden overgelegd wanneer daarom wordt verzocht. </al><tussenkop>Artikel 17 Vaststelling subsidie</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de begunstigde tot 13 weken na de einddatum van het
                    project de tijd heeft om een verzoek tot vaststelling van de subsidie in te
                    dienen. Hiertoe dient het format dat SNN hiervoor verstrekt te worden gebruikt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="60*"/><colspec colname="col4" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al><vet>Bijlage II Outputindicatoren OP EFRO ProeftuinenC 2016
                                            ronde 2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Code</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Naam</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Definitie &amp; toelichting</cursief></al></entry><entry colname="col4"><al><cursief>Bijzonderheden</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO01</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, in welke vorm dan ook en ongeacht of
                                        de steun staatssteun is of niet. </al><al>Een onderneming telt als “ondersteund” als deze actief en
                                        gericht iets uit het project ontvangt dat een substantiële
                                        waarde vertegenwoordigt (Euro’s, advies, begeleiding,
                                        matching etc.). Ondersteunde ondernemingen mogen maar één
                                        keer in de score van de indicator worden meegenomen. Indien
                                        een onderneming meerdere keren steun ontvangt, dan blijft de
                                        score voor de indicator "1". (Dit geldt ook voor de
                                        indicatoren CO02 en CO04.)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO02</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat subsidie ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma.</al><al>Er is sprake van een subsidie als een onderneming directe
                                        financiële steun ontvangt die niet hoeft te worden
                                        terugbetaald.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO02 is een 'subset' van CO01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO04</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat niet-financiële steun ontvangt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt vanuit het
                                        Operationeel Programma, waarbij de steun een andere vorm
                                        heeft dan een directe financiële overdracht. </al><al>Voor het scoren op deze indicator, "het wel of niet
                                        ontvangen van steun", gelden dezelfde criteria als bij
                                        indicator CO01.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO04 is een 'subset' van CO01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO06</al></entry><entry colname="col2"><al>De private bijdrage in de totale kosten van
                                        subsidieprojecten</al></entry><entry colname="col3"><al>De omvang van de private bijdrage (cofinanciering) in de
                                        totale subsidiabele projectkosten van subsidieprojecten
                                        waarbij steun wordt verleend aan ondernemingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>CO06 is gekoppeld aan CO02 en kan cijfermatig overlap
                                        vertonen met CO27.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO27</al></entry><entry colname="col2"><al>De private bijdrage in de totale kosten van innovatie- of
                                        onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten.</al></entry><entry colname="col3"><al>De omvang van de private bijdrage in de totale subsidiabele
                                        kosten van projecten op het terrein van innovatie of
                                        onderzoek en ontwikkeling. Bij de projecten kan het gaan om
                                        zowel subsidie- als niet subsidieprojecten.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO28</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren
                                        van producten die nieuw zijn voor de markt</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het
                                        ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de markt. Om
                                        op deze indicator te scoren is het niet noodzakelijk dat de
                                        producten, waarvan de introductie vanuit het project is
                                        ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben bereikt. Ook als
                                        er aan een onderneming steun is verleend waarbij de
                                        marktintroductie niet is geslaagd, telt deze onderneming mee
                                        in de indicator. Wanneer een onderneming meerdere producten
                                        introduceert wordt het nog steeds geteld als één
                                        onderneming. In het geval van samenwerkingsprojecten meet de
                                        indicator alle deelnemende ondernemingen.</al><al>Een product is nieuw voor de markt als er geen ander product
                                        op de markt wordt aangeboden dat dezelfde functionaliteit
                                        biedt, of wanneer de technologie die voor het nieuwe product
                                        gebruikt wordt fundamenteel verschilt van de technologie van
                                        bestaande producten. Onder producten worden ook
                                        niet-tastbare producten verstaan (incl. diensten).</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>CO29</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het introduceren
                                        van producten die nieuw zijn voor de onderneming</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal ondernemingen dat steun ontvangt bij het
                                        ontwikkelen van producten die nieuw zijn voor de
                                        onderneming. Om op deze indicator te scoren is het niet
                                        noodzakelijk dat de producten, waarvan de introductie vanuit
                                        het project is ondersteund, de markt daadwerkelijk hebben
                                        bereikt. Ook als er aan een onderneming steun is verleend
                                        waarbij de marktintroductie niet is geslaagd, telt deze
                                        onderneming mee in de indicator. Wanneer een onderneming
                                        meerdere producten introduceert wordt het nog steeds geteld
                                        als één onderneming. In het geval van samenwerkingsprojecten
                                        meet de indicator alle deelnemende ondernemingen waarvoor
                                        het product nieuw is.</al><al>Een product is ‘nieuw voor de onderneming’ wanneer de
                                        onderneming geen product produceert met dezelfde
                                        functionaliteiten, of wanneer de productietechnologie
                                        fundamenteel verschilt van de technologie van al bestaande
                                        geproduceerde producten. Producten kunnen tastbaar of niet
                                        tastbaar zijn (incl. diensten).</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS01</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven uit
                                        verschillende sectoren (cross-overs)</al></entry><entry colname="col3"><al>Het aantal projecten waarbij ondernemingen uit twee of meer
                                        sectoren samenwerken aan (een) innovatie(s).</al><al>Per project bedraagt de score op deze indicator '0' of
                                        '1'.</al><al>Samenwerkingsverbanden tellen wanneer het project bestaat
                                        uit minimaal twee bedrijven uit verschillende sectoren op
                                        basis van SBI-codering.</al><al>Een cross-over is een innovatie die het resultaat is van een
                                        gezamenlijke inspanning van ondernemingen uit twee of meer
                                        sectoren. Het kan gaan om een innovatie die nieuw is voor
                                        elk van de sectoren. Het kan ook gaan om een bestaand
                                        product, dienst of een lopende innovatie in een sector, die
                                        een innovatie oplevert voor een andere sector. </al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PS04</al></entry><entry colname="col2"><al>Aantal nieuwe of verbeterde proeftuinfaciliteiten (living
                                        labs)</al></entry><entry colname="col3"><al>Aantal nieuwe of verbeterde proeftuinfaciliteiten </al><al>Een proeftuin is een open innovatie-omgeving die over een
                                        langere periode aan meerdere ondernemers ruimte biedt voor
                                        het testen van technologische of marktinnovatie van nieuwe
                                        of vernieuwde producten of diensten die zich in het
                                        ontwikkelstadium bevinden, waarbij ten minste een
                                        eindgebruiker en</al><al>ondernemer betrokken zijn en welke zich kenmerkt door een
                                        realistische omgeving, waarbij de proeftuin een bijdrage
                                        levert aan het versnellen van de marktintroductie van nieuwe
                                        producten of diensten door MKB-ers.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>