<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR424048_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Diemen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 27 oktober 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Diemen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 5.4, eerste lid, en artikel 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Diemen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><onderstreept>Onderwerp: </onderstreept></vet></al><al/><al/><al>De gemeenteraad van Diemen in vergadering bijeen,</al><lijst><li nr="-"><al>overwegende dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke
                                diensten die in hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een
                                gezonde en veilige fysieke leefomgeving met oog voor de
                                maatschappelijke functies daarvan, waar die zorg gestalte krijgt in
                                de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het
                                omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave gesteld zien om in
                                landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en handhaving te
                                bevorderen, te borgen en te beoordelen en dat het met het oog daarop
                                wenselijk is om regels vast te stellen, in onderlinge afstemming op
                                het niveau van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, door de
                                deelnemende gemeenten en provincies; </al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in
                                ieder geval de in landelijke samenwerking opgestelde
                                kwaliteitscriteria 2.1 zijn die op basis van technische en
                                maatschappelijke ontwikkelingen indien daartoe aanleiding is met
                                betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden aangepast;
                            </al></li></lijst><al>Gehoord Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;</al><al>Gelet op de voordracht van het college d.d. </al><al><vet>Gelet op</vet></al><al>de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al><vet>Besluit</vet></al><al><vet>vast te stellen:</vet></al><al><vet>de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                            omgevingsrecht </vet><vet>gemeente Diemen.</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder: </al><lijst><li nr="-"><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is
                                    bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is; </al></li><li nr="-"><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen
                                    bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende
                                    kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en
                                    handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van
                                    organisaties die met de uitvoering en handhaving van de
                                    betrokken wetten zijn belast; </al></li><li nr="-"><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders.
                        </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                            leefomgeving. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering
                                en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door
                                hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit
                                omgevingsrecht gestelde doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving
                                van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval
                                betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li><li nr="c."><al>de financiën.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, in opdracht
                                van burgemeester en wethouders, zijn de kwaliteitscriteria van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                opgave.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht
                                    gemeente Diemen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten tijdens de gemeenteraadsvergadering van ,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college
                    van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting
                    beschrijft kort de achtergrond en aanleiding van deze verordening, licht de
                    reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de
                    verordening. </al><tussenkop>1. Achtergrond en aanleiding </tussenkop><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de
                    uitvoering van het omgevingsrecht. De verbeterpunten zijn terug te brengen tot
                    drie hoofdpunten: </al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                            bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                    gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Zo
                    is er nu onder meer een landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn er
                    kwaliteitscriteria 2.1 voor de uitvoering van de Wabo in brede samenwerking
                    tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld en is er een
                    landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht uitgebracht. </al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet Vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving (Wet VTH) zijn door de VNG en het IPO nieuwe afspraken gemaakt met
                    het kabinet. De wet VTH is geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op
                    vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de
                    besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal plaatsvindt door
                    de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is de afspraak met het
                    kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden gerealiseerd en
                    behouden. Afgesproken is dat de VNG in samenwerking met het IPO op basis van de
                    kwaliteitscriteria 2.1. (een) modelverordening(en) zal opstellen, die door alle
                    gemeenteraden en provinciale staten kan worden vastgesteld. </al><al>De onderhavige door de gemeenteraad vast te stellen verordening volgt deze
                    modelverordening, die voor gemeenten en provincies gelijkluidend door VNG en IPO
                    is opgesteld.</al><tussenkop>2. Reikwijdte: een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit</tussenkop><al>Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en
                    provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat
                    alle taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de betrokken wetten, onderwerp van
                    de verordening vormen. Het gaat dan om thuistaken, die het college “in eigen
                    huis” verricht en de basistaken die krachtens de wet in opdracht van het college
                    door omgevingsdiensten worden verricht. Behalve milieutaken betreft het dus ook
                    uitdrukkelijk de zogenaamde "BRIKS-taken" (inzake bouw-, reclame-, inrit-, kap-
                    en sloopvergunningen). </al><al>Deze reikwijdte vloeit voort uit het gegeven dat waar de zorg voor een gezonde
                    en veilige leefomgeving gestalte krijgt via vergunningverlening, het toezicht en
                    de handhaving, de regeling van de kwaliteit van deze verrichtingen niet dient te
                    berusten op een kunstmatig onderscheid naar de plaats waar een taak wordt
                    verricht, of op een opsplitsing van de omgevingsvergunning, het toezicht of de
                    handhaving. </al><al>Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden bestaan in
                    het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en
                    deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens niet
                    alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor
                    omgevingsdiensten en voor verschillende Rijksdiensten. De eisen die deze
                    verordening aan de organisaties van gemeentebesturen en provinciebesturen en in
                    hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van
                    de Kwaliteitscriteria 2.1 waarvoor een dynamische begripsbepaling is opgenomen
                    in artikel 1 van de verordening en die door de betrokken organisaties toegepast
                    dienen te worden volgens de regel “<cursief>comply or explain</cursief>” (zie
                    daarover verder artikelsgewijs toelichting bij artikel 5). </al><al>Deze verordening stelt eensluidende regels. In alle gevallen zal het college van
                    burgemeester en wethouders, als bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste
                    lid, van het Besluit omgevingsrecht beleid moeten voeren over de kwaliteit. Deze
                    verordening geeft aan waarover de doelen van dit beleid ten minste moeten gaan.
                    Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de gemeentelijke
                    organisaties en de omgevingsdiensten, waar het de VTH-taken betreft, in het
                    licht van die doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het dat het college van
                    B&amp;W, in het kader van het horizontale toezicht, verantwoording aflegt aan de
                    gemeenteraad over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door
                    het college van B&amp;W wordt gevoerd.</al><tussenkop>3. Samenhang met veiligheid</tussenkop><al>Onderwerpen die tot het bereik van de verordening behoren, kunnen onderdeel
                    blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving alleen.
                    De verordening belemmert bijvoorbeeld niet dat onderwerpen met betrekking tot
                    fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen komen in beoordelingen of rapportages
                    op andere domeinen, zoals dat van de openbare orde en veiligheid binnen
                    gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussen bijvoorbeeld de Wabo en de Drank- en
                    Horecawet, Bibob en andere bijzondere wetten. </al><al>De eensluidende regeling van de verordening betekent ook dat voor bijvoorbeeld
                    de BRZO-taken geen specifieke, aanvullende eisen worden gesteld ten opzichte van
                    de kwaliteitscriteria 2.1. Ook hier is het relevante kader breder dan de Wabo
                    alleen en vindt taakuitoefening plaats in samenwerking met andere bevoegde
                    gezagen. De criteria voor de Omgevingsdiensten met ’BRZO-taken’ zijn in
                    Nederland hetzelfde. In afstemming met de andere BRZO-bevoegde gezagen kunnen
                    aanvullende afspraken gemaakt worden.</al><tussenkop>4. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</tussenkop><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                    omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken door de
                    gemeente en in opdracht daarvan handelende (omgevingen)diensten. De verordening
                    drukt het commitment uit van de gemeenteraad aan kwaliteit. </al><al>De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambities voor kwaliteit aan
                    bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door procedurele of
                    inhoudelijke normering van vergunningverlening, toezicht en handhaving bijdragen
                    aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de Provinciewet, de
                    Wabo, de Wet milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet
                    gemeenschappelijke regelingen. Op basis van deze verordening wordt op het
                    benodigde niveau verbinding gemaakt met deze kaders. </al><al>Van deze kaders is de Wabo en daarop gebaseerde regelgeving de belangrijkste. Zo
                    bevat artikel 7.1 e.v. van het Besluit omgevingsrecht (Bor), procedurele regels
                    voor vergunning- en handhavingsbeleid door het Wabo-bevoegd gezag. Dit houdt in
                    dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot het stellen van doelen, het
                    identificeren van activiteiten ter uitvoering daaraan, de inrichting van de
                    uitvoeringsorganisatie, het monitoren en het rapporteren daarover. </al><al>In de praktijk zijn bovendien verschillende kaders gebruikelijk voor het
                    beoordelen van de kwaliteit door de omgevingsdienst, respectievelijk de eigen
                    diensten door burgemeester en wethouders en tot slot door de gemeenteraad.
                    Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd in artikel 1 en
                    artikel 5 van deze verordening, zie voor een toelichting het artikelsgewijs
                    deel) en andere standaarden en methoden die door het bevoegd gezag al veel
                    worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de
                    kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te
                    bevorderen.</al><al>Of dat het geval is, wordt jaarlijks beoordeeld door burgemeester en wethouders.
                    Hiervoor is input nodig van de omgevingsdienst en van de gemeentelijke
                    organisatie. Burgemeester en wethouders zullen dus beoordelen "of het goed gaat"
                    op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen voor in ieder geval de
                    dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten of de financiën.
                    Daarnaast zijn ook andere doelen mogelijk. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan
                    de veiligheid of de duurzaamheid (in de zin van natuur en milieukwaliteit) met
                    inbegrip van daarvoor geselecteerde indicatoren. </al><al>Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de
                    gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad vormen
                    immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit
                    van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van de leden van de
                    gemeenteraad zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het
                    beleid. De organisatorische kwesties van de bezetting behoort tot de competentie
                    van het management van de gemeentelijke organisatie. Daarbij zal ook het verband
                    gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de
                    hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente, zoals een
                    milieubeleidsplan, een structuurvisie of omgevingsvisies. De gemeenteraad oefent
                    invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren door burgemeester en
                    wethouders en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij
                    willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het college. In die zin
                    worden de kaders voor de beoordeling van de gemeenteraad overgelaten aan het
                    politieke debat over kwaliteit. </al><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                    competentie: </al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties, werken onder leiding van hun directie in
                            overeenstemming met de kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot
                            deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het
                            college van burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording
                            afleggen aan de raden.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegd bestuursorgaan belast met het stellen van
                            beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving, in overeenstemming met de procesregels van het Besluit
                            omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over
                            dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën. </al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op het college en
                            gebruikt waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun
                            toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                            continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                            onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al></li></lijst><tussenkop>5. Doelen voor kwaliteit en kwaliteitscriteria</tussenkop><al>Binnen een systeem van kwaliteit in het omgevingsrecht kan onderscheid gemaakt
                    worden tussen inputcriteria, throughputcriteria, outputcriteria en
                    outcomecriteria. Deze criteria zijn cyclisch met elkaar verbonden en hebben
                    allemaal invloed op elkaar. Om bij de laatste te beginnen: outcome-criteria
                    zeggen iets over de omgevingskwaliteit, de veiligheid en gezondheid van de
                    fysieke leefomgeving, etc. Het gaat om het maatschappelijke effect van beleid
                    (dus het maatschappelijke effect van de geleverde Wabo-diensten). Deze
                    criteria/doelstellingen moeten bepaald worden in samenspel tussen bestuur en
                    ambtelijke organisatie. Gemeenteraad en burgemeester en wethouders stellen
                    kaders, bijvoorbeeld op basis van het collegeakkoord of het handhavingsplan.
                    Outputcriteria zeggen iets over concrete prestaties die geleverd worden om het
                    beleidsdoel te realiseren. In dit geval gaat het om aan de samenleving geleverde
                    diensten, bijvoorbeeld het aantal vergunningen, het aantal toezichtsacties, het
                    aantal subsidies, voorlichtingen, etc. De throughputcriteria, ofwel
                    procescriteria, beschrijven de processen die moeten leiden tot producten op het
                    gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Inputcriteria gaan over
                    middelen, mensen en tijd. Voor outputcriteria en outcomecriteria zijn tot op
                    heden nog geen concrete voorbeelden beschikbaar in tegenstelling tot
                    throughputcriteria en inputcriteria die in de kwaliteitscriteria 2.1 zijn
                    beschreven. Het is aan elke organisatie zelf om output- en outcomecriteria te
                    bepalen. </al><al>Ervaringen uit pilots bij gemeenten heeft geleid tot onderstaande, niet
                    limitatieve lijst van onderwerpen waarop de doelen voor de kwaliteit het beste
                    bepaald kunnen worden:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Dienstverlening</cursief>: de manier waarop (in communicatie,
                            snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers,
                            omgeving klagers, etc.) omgaat.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Uitvoeringskwaliteit van producten en diensten</cursief>: de
                            mate waarin een product voldoet aan de juridische doelen (zoals
                            geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene
                            beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen.
                            Ook wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Financiën</cursief>: de inzet van middelen in relatie tot de
                            kwaliteit van de geleverde diensten/producten. </al></li></lijst><tussenkop>6. Impact van deze verordening: meer dan regels alleen</tussenkop><al>Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen en borgen
                    van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Blijvende
                    goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan regels alleen. Zo zullen de
                    bestaande kwaliteitscriteria 2.1 na verloop van tijd, gelet op wijzigingen in de
                    omringende wetgeving en met het oog op de brede reikwijdte die ze krijgen met
                    deze verordening, een levend instrument blijven. Dat betekent dat ze op termijn
                    in brede samenwerking met andere gemeenten en provincies en omgevingsdiensten
                    geactualiseerd moeten worden. Hetzelfde geldt voor de doelen en de daarvoor
                    gehanteerde indicatoren, die door bevoegde gezagen worden gebruikt. </al><tussenkop>7. Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en
                    handhaafbaarheid</tussenkop><al>Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage
                    en informatiestromen, op basis van het Besluit omgevingsrecht en de organieke
                    wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen maar vereist wel
                    extra input voor bestaande rapportages. Wel is het van groot belang dat een
                    tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de
                    mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de
                    politiek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad om ieders rol in de
                    kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande
                    competentieverdeling gericht op horizontaal toezicht. Van regeldruk voor burgers
                    en bedrijven is geen sprake.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een
                    begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo. </al><al>Als <cursief>betrokken wetten</cursief> worden aangemerkt de Wabo zelf, en de
                    wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, <cursief>voor zover bij of krachtens
                        die wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing
                        is</cursief>. Op de uitvoering of handhaving van een geheel andere wet,
                    zoals de Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van toepassing (wat
                    onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt gerapporteerd, zie
                    het algemeen deel van de toelichting). De wetten waarom het krachtens artikel
                    5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de
                    Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet
                    bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet
                    inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke
                    ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is
                        <cursief>kwaliteitscriteria</cursief>. De kwaliteitscriteria waar het hier
                    om gaat zijn - thans - de Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede
                    samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                    voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied
                    van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties.
                    Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze
                    kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies
                    beschikbaar worden gemaakt om de versie 2.1 op te volgen. Vanwege deze verdere
                    ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische
                    verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een
                    volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening
                    hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in
                    artikel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van
                    deze verordening.</al><al>Voor het begrip <cursief>omgevingsdienst</cursief> is aangesloten bij de
                    omgevingsdiensten waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo. </al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                    afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving van de betrokken wetten. “Uitvoering en handhaving” betekent dan
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot
                    uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                    van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1. Ten tweede moet het gaan
                    om de uitvoering of handhaving door of in opdracht vanburgemeester en
                    wethouders. De verordening is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering
                    van de betrokken wetten door burgemeester en wethouders zelf of, in opdracht van
                    het college door een omgevingsdienst of een private partij (maar vanwege het
                    college). Uitvoering van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of
                    van de Wabo zelf door andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en
                    andere gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde model
                    vaststellen, het waterschapsbestuur of de Minister van Infrastructuur en Milieu
                    of de Minister van Economische Zaken, valt buiten het bereik van deze
                    verordening. De uitvoering en handhaving van de Wet bescherming Antarctica of de
                    Kernenergiewet wordt bijvoorbeeld niet door de besturen van gemeenten of
                    provincies uitgeoefend en valt dus buiten deze verordening. Hetzelfde geldt
                    bijvoorbeeld voor de Waterwet voor zover die door het Rijk of door waterschappen
                    wordt uitgevoerd. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van
                    taken <cursief>door of in opdracht van</cursief> het bevoegd gezag wordt gedoeld
                    op de uitvoering door gemeentelijke diensten en regionale uitvoeringsdiensten. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad
                    en burgemeester en wethouders. Als gevolg van de systematiek van het Besluit
                    omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit
                    een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders.
                    Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de
                    gemeenteraad. </al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze
                    verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het
                    Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de
                    gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het beleid en
                    zullen toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. </al><al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale) uitvoerings- en
                    handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal daarom plaatsvinden in
                    het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de
                    fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en
                    structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang
                    voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht
                    werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                    meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze
                    rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke
                    wetgeving hen biedt en de kaders die zijn op strategisch niveau voor de fysieke
                    leefomgeving in plannen en visies hebben vastgelegd. </al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het
                    college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat
                    daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt
                    voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de
                    opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het bevoegd
                    gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren voor de
                    kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling
                    (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelmatige en programmatische handhaving,
                    maar zal op grond van de wijziging van de Wabo en het Bor door het wetsvoorstel
                    VTH, ook gaan gelden voor uitvoering (vergunningverlening). Er is dan sprake van
                    een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming
                    plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de
                    omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk
                    open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de
                    procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de
                    kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                    geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking
                    moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er
                    daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die
                    daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en
                    kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisaties. Het gaat dan in ieder
                    geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om
                    financiën.</al><al>In paragraaf 4 van deze toelichting is de herkomst van de in dit artikel
                    gehanteerde begrippen toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.1 en de opvolgers
                    daarvan (zie ook de toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor
                    kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe te regelen dat van die
                    kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik
                    gemaakt wordt voor wat betreft de taken die in opdracht van de gemeente worden
                    uitgevoerd en zoveel als mogelijk voor wat betreft de “thuistaken”. Het gaat
                    immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door
                    de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input
                    leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen
                    die door het college zijn gesteld op grond van artikel 3 ook zonder meer in alle
                    gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen
                    afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van
                    de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan
                    moeten worden aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke
                    mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages,
                    in de op grond van het Besluit omgevingsrecht op te stellen documenten.</al><al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                    relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensen zal
                    overlaten. In dit geval zal echter in rapportages gemotiveerd worden waarom de
                    criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                    kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.1 zijn derhalve een cruciaal
                    richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “<cursief>comply or
                        explain</cursief>”. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op de
                    aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in overgangsrecht te
                    voorzien.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>