<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42355_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws d.d. 28-07-2011 p. 7</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-04-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-08-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-04-28</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wet maatschappelijke ondersteuning</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Diemen 2007”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Verordening maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Diemen 2007”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="2."><al>Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="3."><al>Gemeentewet.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>5-8-2011</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al>28-4-2011</al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>28-4-2011</al><al>Diemer Nieuws d.d. </al><al>28-7-2011, p. 7</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al/><al/><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 4</vet></al><al/><al>Artikel 1.1 Begripsbepalingen 4</al><al>Artikel 1.2 Recht op voorzieningen 7</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Vorm van verstrekking en eigen bijdrage 7</vet></al><al/><al>Artikel 2.1 Keuzevrijheid 7</al><al>Artikel 2.2 Voorziening in natura 8</al><al>Artikel 2.3 Persoonsgebonden budget 8</al><al>Artikel 2.4 Financiële tegemoetkoming 8</al><al>Artikel 2.5 Eigen bijdrage 9</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden 9</vet></al><al/><al>Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden 9</al><al>Artikel 3.2 Recht op hulp bij het huishouden 9</al><al>Artikel 3.3 Geen recht op hulp bij het huishouden 9</al><al>Artikel 3.4 Omvang van de hulp bij het huishouden 9</al><al>Artikel 3.5 Omvang van het persoonsgebonden budget 9</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen 10</vet></al><al/><al>Artikel 4.1 Typen woonvoorzieningen 10</al><al>Artikel 4.2 Vorm en hoogte woonvoorzieningen 10</al><al>Artikel 4.3 Primaat van verhuizing en recht op woonvoorzieningen 10</al><al>Artikel 4.4 Geen recht op een woonvoorziening 10</al><al>Artikel 4.5 Uitsluitingen 11</al><al>Artikel 4.6 Gereedmelding woonvoorzieningen 11</al><al>Artikel 4.7 Hoofdverblijf/Bezoekbaar maken 11</al><al>Artikel 4.8 Gemeenschappelijke ruimten 12</al><al>Artikel 4.9 Voorziening voor verhuizing en (her)inrichting 12</al><al>Artikel 4.10 Woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard en</al><al> Uitraasruimte 12</al><al>Artikel 4.11 Anti-speculatiebeding 12</al><al>Artikel 4.12 Woonwagen en woonschip 13</al><al>Artikel 4.13 Onderhoud, keuring en reparatie 13</al><al>Artikel 4.14 Tijdelijke huisvesting 13</al><al>Artikel 4.15 Huurderving 14</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Vervoersvoorzieningen 16</vet></al><al/><al>Artikel 5.1 Typen vervoersvoorzieningen 16</al><al>Artikel 5.2 Vorm en hoogte vervoersvoorzieningen 16</al><al>Artikel 5.3 Recht op een collectieve vervoersvoorziening 16</al><al>Artikel 5.4 Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening en recht op
                        een individuele vervoersvoorziening 16</al><al>Artikel 5.5 Inkomensgrenzen 17</al><al>Artikel 5.6 Omvang 17</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Rolstoelvoorzieningen 18</vet></al><al/><al>Artikel 6.1 Typen rolstoelvoorzieningen 18</al><al>Artikel 6.2 Vorm en hoogte rolstoelvoorzieningen 18</al><al>Artikel 6.3 Recht op een rolstoelvoorziening 18</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen 19</vet></al><al/><al>Artikel 7.1 Aanvraag 19</al><al>Artikel 7.2 Samenhangende afstemming 19</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 8. Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het
                            college 20</vet></al><al/><al/><al>Artikel 8.1 Inlichtingen, onderzoek en advies 20</al><al>Artikel 8.2 Wijzigingen in de situatie 20</al><al>Artikel 8.3 Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening
                        20</al><al>Artikel 8.4 Wijziging hoogte eigen bijdrage of eigen aandeel 21</al><al>Artikel 8.5 Terugvordering 21</al><al>Artikel 8.6 Eisen ten aanzien van de burgerparticipatie 21</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet>9.</vet><vet>Slotbepalingen 22</vet></al><al/><al>Artikel 9.1 Hardheidsclausule 22</al><al>Artikel 9.2 Beslissing in gevallen waarin de Verordening niet voorziet
                        22</al><al>Artikel 9.3 Indexering 22</al><al>Artikel 9.4 Citeerartikel; inwerkingtreding 22</al><al/><al/><al/><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009</vet></al><al/><al>Nr.: 08-72</al><al>De raad van de gemeente Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 oktober
                        2008;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van maatschappelijke
                        ondersteuning bij verordening te regelen;</al><al>gelet op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de Algemene wet
                        bestuursrecht en de Gemeentewet;</al><al>B E S L U I T:</al><al><vet>I</vet> In te trekken de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Diemen 2007;</al><al><vet>II</vet> gelijktijdig vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Diemen 2009</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet : Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).</al></li><li nr="b."><al>Besluit : Uitvoeringsbesluit maatschappelijke onder-
                                        steuning gemeente Diemen.</al></li><li nr="c."><al>College : het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Diemen.</al></li><li nr="d."><al>Wvg : Wet voorziening gehandicapten zoals die geldt tot aan
                                        de invoering van de wet.</al></li><li nr="e."><al>Compensatiebeginsel : de opdracht aan het college van
                                        burgemeester en wethouders om personen met beperkingen, door
                                        het treffen van voorzieningen, een zodanige uitgangspositie
                                        te verschaffen dat zij in aanvaardbare mate zelfredzaam zijn
                                        en in aanvaardbare mate in staat zijn tot maatschappelijke
                                        participatie.</al></li><li nr="f."><al>Persoon met beperkingen : een persoon die ten gevolge van
                                        ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische of
                                        psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt
                                        in de zelfredzaamheid en de maatschappelijke
                                        participatie.</al></li><li nr="g."><al>Mantelzorger : een persoon, die mantelzorg verleent als
                                        bedoeld in artikel 1 lid 1 onderdeel b van de wet.</al></li><li nr="h."><al>Zelfredzaamheid : het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk
                                        en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die
                                        maatschappelijke participatie mogelijk maken.</al></li><li nr="i."><al>Maatschappelijke participatie : deelname aan het normale
                                        maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                        huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in
                                        en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen
                                        dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale
                                        en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere
                                        mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden
                                        om op die manier deel te nemen aan het lokale
                                        maatschappelijke leven.</al></li><li nr="j."><al>Individuele voorziening : een voorziening die individueel
                                        wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen
                                        adequate oplossing biedt.</al></li><li nr="k."><al>Eigen bijdrage : een door het CAK vast te stellen bijdrage,
                                        die bij de verstrekking van een voorziening in natura of in
                                        de vorm van een persoonsgebonden budget voor rekening van de
                                        persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                                        komt.</al></li><li nr="l."><al>Eigen aandeel in de kosten : een door het college van
                                        burgemeester en wethouders vast te stellen eigen aandeel,
                                        dat bij de verstrekking van een financiële tegemoetkoming
                                        voor rekening van de persoon met beperkingen of diens
                                        wettelijke vertegenwoordiger komt.</al></li><li nr="m."><al>Voorziening in natura : een voorziening die in eigendom, in
                                        bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                        dienstverlening wordt verstrekt.</al></li><li nr="n."><al>Inkomen : onder inkomen wordt verstaan:</al><al>  Het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag van de
                                        persoon met beperkingen;</al><al>  Het gezamenlijk netto-inkomen inclusief vakantietoeslag
                                        van de persoon met beperkingen en diens echtgenoot, indien
                                        de persoon met beperkingen is gehuwd in de zin van artikel 1
                                        van de wet;</al><lijst><li nr="·"><al>Het (gezamenlijk) netto-inkomen inclusief
                                                vakantietoeslag van de wettelijk
                                                vertegenwoordiger(s) indien de persoon met
                                                beperkingen jonger is dan 18 jaar en niet gehuwd is
                                                in de zin van artikel 1 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="o."><al>Norminkomen : de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet
                                        Werk en Bijstand (WWB), omgerekend tot een bedrag per
                                        kalenderjaar, waarbij deze normen voor een belanghebbende
                                        van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een
                                        alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in
                                        een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met een
                                        toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 WWB, en de normen van
                                        een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde die in een
                                        inrichting verblijf, eerst zijn verhoogd met de bedragen,
                                        genoemd in artikel 23 lid 2 WWB.</al></li><li nr="p."><al>Persoonsgebonden budget : een geldbedrag waarmee de persoon
                                        met beperkingen een of meer aan hem te verlenen
                                        voorzieningen kan verwerven en waarop de in de wet, deze
                                        Verordening en het Besluit gestelde regels van toepassing
                                        zijn.</al></li><li nr="q."><al>Financiële tegemoetkoming : een tegemoetkoming in de kosten
                                        van een voorziening, waarop de in de wet, deze Verordening
                                        en het Besluit gestelde regels van toepassing zijn.</al></li><li nr="r."><al>Forfaitaire financiële : een financiële tegemoetkoming, die
                                        los van de</al><al> tegemoetkoming werkelijke kosten van een voorziening wordt
                                        verstrekt.</al></li><li nr="s."><al>Gemaximeerde financiële : een financiële tegemoetkoming die
                                        tot een</al><al> tegemoetkoming vastgesteld maximum wordt verstrekt.</al></li><li nr="t."><al>Algemeen gebruikelijk : naar geldende maatschappelijke
                                        normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon
                                        van een persoon als de persoon met beperkingen
                                        behorend.</al></li><li nr="u."><al>Meerkosten : kosten van een mogelijk krachtens de wet te
                                        verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten
                                        uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te
                                        beschouwen kosten van een dergelijke voorziening.</al></li><li nr="v."><al>Woonwagen : voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                        een standplaats en dat in zijn geheel kan worden
                                        verplaatst.</al></li><li nr="w."><al>Standplaats : een kavel, bestemd voor het plaatsten van een
                                        woonwagen en waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het
                                        leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instelling
                                        of gemeenten kunnen worden aangesloten.</al></li><li nr="x."><al>Woonschip : elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak
                                        wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of
                                        inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag-
                                        of nachtverblijf van een of meer personen.</al></li><li nr="y."><al>Ligplaats : een door de gemeente aangewezen ligplaats welke
                                        door een woonschip wordt ingenomen.</al></li><li nr="z."><al>Hoofdverblijf : de feitelijke woonplaats van de persoon met
                                        beperkingen.</al></li><li nr="aa."><al>Gemeenschappelijke ruimte : gedeelte(n) van een woongebouw,
                                        niet behorend tot de onderscheiden woningen, bestemd en
                                        noodzakelijk om de woning van de persoon met beperkingen
                                        vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken of waarvan
                                        de persoon met beperkingen gebruik moet kunnen maken.</al></li><li nr="bb."><al>Huisgenoot : iedere persoon met hetzelfde hoofdverblijf als
                                        de persoon met beperkingen, met uitzondering van de
                                        kamerhuurder en de kostganger.</al></li><li nr="cc."><al>Budgethouder : een persoon aan wie ingevolge deze
                                        Verordening of een hieraan voorafgaande Wmo-verordening een
                                        persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                        verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden
                                        budget verschuldigd is.</al></li><li nr="dd."><al>Uitraasruimte : een ruimte waarin een persoon met
                                        beperkingen die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd
                                        gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan
                                        komen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en
                                de Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2.</nr><titel>Recht op voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al><vet>Artikel 1.2 Recht op voorzieningen</vet></al><al>1. Recht op een voorziening bestaat slechts voor zover:</al><al>a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                    gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en
                                    om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en
                                    bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale
                                    verbanden aangaan te compenseren;</al><al>b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                    adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al><al>c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al><al>2. Geen voorziening wordt toegekend:</al><al>a. indien de voorziening voor een persoon als de persoon met
                                    beperkingen algemeen gebruikelijk is;</al><al>b. indien de persoon met beperkingen niet woonachtig is in de
                                    gemeente Diemen;</al><al>c. voor zover er aan de zijde van de persoon met beperkingen
                                    geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                    situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                    waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;</al><al>d. voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                                    voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt, tenzij
                                    het college uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven
                                    tot het maken van de kosten.</al><al>e. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder krachtens deze Verordening of krachtens een
                                    aan deze Verordening voorafgaande Wmo-verordening of
                                    WVG-verordening is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn
                                    van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder
                                    vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg
                                    van omstandigheden die niet aan de persoon met beperkingen of
                                    diens wettelijk vertegenwoordiger zijn toe te rekenen.</al><al>f. indien de aanvrager op grond van de Wet maatschappelijke
                                    ondersteuning artikel 1.2 lid 2 voldoende financiële capaciteit
                                    heeft om zelf deze voorziening aan te schaffen.</al><al>3. In afwijking van lid 1 onderdeel a. kan hulp bij het
                                    huishouden voor korte duur worden verstrekt.</al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                        Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
                                        ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van verstrekking en eigen bijdrage</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden:</al><lijst><li nr="a."><al>in natura;</al></li><li nr="b."><al>als een persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>als financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte
                                keuze tussen een voorziening in natura en een voorziening in de vorm
                                van een persoonsgebonden budget niet wordt geboden aan de hand van
                                de in het Besluit neergelegde criteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>In de beschikking tot toekenning van de voorziening in natura worden de
                            toepasselijke voorwaarden, de omvang, de looptijd en de wijze waarop de
                            verstrekking in natura plaatsvindt, opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zijn de volgende voorwaarden van
                                toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt op
                                        verzoek van de persoon met beperkingen of diens wettelijk
                                        vertegenwoordiger;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt indien
                                        daartegen geen overwegende bezwaren bestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beschikking tot toekenning van de voorziening waarvoor een
                                persoonsgebonden budget wordt verstrekt wordt aangegeven op welke
                                kosten het persoonsgebonden budget betrekking heeft en worden de
                                toepasselijke voorwaarden, de omvang, de looptijd en de wijze van
                                uitbetaling van het persoonsgebonden budget opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt, indien van toepassing, een programma van
                                eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te
                                voldoen.</al></lid><lid><lidnr/><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget
                                verstrekt is, dan wel in ieder geval in elk kalenderjaar, wordt aan
                                het college door de budgethouder verantwoording afgelegd over de
                                verkregen budgetten, door middel van:</al><al> a. de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; </al><al> b. een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening, of</al><al> c. een overzicht van de salarisadministratie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De budgethouder is verplicht om het persoonsgebonden budget te
                                besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt. Het college kan
                                nagaan of aan dit vereiste is voldaan.</al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                    Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
                                    ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot toekenning van de voorziening waarvoor een
                                financiële tegemoetkoming wordt verstrekt wordt aangegeven op welke
                                kosten de financiële tegemoetkoming betrekking heeft en worden de
                                toepasselijke voorwaarden, de omvang, de looptijd en de wijze van
                                uitbetaling van de financiële tegemoetkoming opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt, indien van toepassing, een programma van
                                eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                financiële tegemoetkoming te verwerven voorziening dient te
                                voldoen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het financiële
                                tegemoetkoming verstrekt is, dan wel na afloop van elk kalenderjaar,
                                wordt aan het college door de persoon met beperkingen of diens
                                wettelijk vertegenwoordiger, voor zover van toepassing,
                                verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger is
                                verplicht om het financiële tegemoetkoming te besteden aan het doel
                                waarvoor het is verstrekt. Het college kan nagaan of aan dit
                                vereiste is voldaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.</nr><titel>Eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr/><al>1. De persoon met beperkingen danwel diens wettelijk
                                vertegenwoordiger is voor de volgende voorzieningen een eigen
                                bijdrage verschuldigd:</al><al>a. hulp bij het huishouden;</al><al>b. woonvoorzieningen van bouwkundige of woontechnische aard aan een
                                eigen woning die het bedrag zoals vastgesteld in het Besluit te
                                boven gaan.</al><al>c. hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen (behalve rolstoel en
                                sportrolstoel).</al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                    Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
                                    ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.</nr><titel>Recht op hulp bij het huishouden</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 3.1 genoemde
                            voorzieningen in aanmerking worden gebracht, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                    chronisch psychische en psychosociale problemen het zelf
                                    uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken;
                                    of</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige mantelzorg niet (meer) adequaat kan worden geleverd
                                    en het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken
                                    onmogelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.</nr><titel>Geen recht op hulp bij het huishouden</titel></kop><al>Er bestaat geen recht op hulp bij het huishouden voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger
                                    niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen;</al></li><li nr="c."><al>het werkzaamheden betreft waarvoor voorzieningen aanwezig zijn
                                    waarvan het algemeen gebruikelijk is dat daarvan gebruik wordt
                                    gemaakt, zoals kinderopvang, buitenschoolse opvang, een
                                    oppascentrale, een maaltijdservice, een hondenuitlaatservice en
                                    een boodschappenbezorgdienst.</al></li><li nr="d."><al>één of meer huisgenoten van de persoon met beperkingen in staat
                                    zijn om huishoudelijke taken te verrichten, waarbij het Protocol
                                    Gebruikelijke zorg van het CIZ als uitgangspunt wordt
                                    gehanteerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden.</titel></kop><al/><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt berekend door
                            gebruik te maken van het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ.
                            Deze omvang wordt berekend in uren. </al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
                                ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget.</titel></kop><al>Het college stelt de bedragen vast die per klasse aan persoonsgebonden
                            budget worden</al><al>verleend voor hulp bij het huishouden en legt deze bedragen vast in het
                            Besluit. Het college kan deze bedragen indexeren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.</nr><titel>Typen woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden en</al><al>het normale gebruik van de woning, te verstrekken voorziening kan
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een voorziening voor verhuizing en (her)inrichting;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard;</al></li><li nr="c."><al>een woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                    niet-woontechnische aard;</al></li><li nr="d."><al>een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie van
                                    voorzieningen als genoemd in het Besluit;</al></li><li nr="e."><al>een voorziening voor tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>een voorziening voor huurderving;</al></li><li nr="g."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.</nr><titel>Vorm en hoogte woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel b, c en g worden
                                in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 4.1 onderdeel a, d, e en f
                                worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de te verstrekken financiële tegemoetkoming of het
                                persoonsgebonden budget is vastgelegd in het Besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.</nr><titel>Primaat van verhuizing en recht op woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als genoemd in
                                artikel 4.1 onderdeel a in aanmerking worden gebracht indien hij als
                                gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek,
                                inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen,
                                beperkingen ondervindt bij het voeren van een huishouden en/of het
                                normale gebruik van de woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als genoemd in
                                artikel 4.1 onderdeel b en c in aanmerking worden gebracht
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van
                                        ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en
                                        psychosociale problemen, beperkingen ondervindt bij het
                                        voeren van een huishouden en/of het normale gebruik van de
                                        woning; en</al></li><li nr="b."><al>de voorziening als genoemd in artikel 4.1 onderdeel a niet
                                        mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een voorziening als genoemd in
                                artikel 4.1 onderdeel g in aanmerking worden gebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op
                                        grond van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische
                                        of psychosociale problemen, aanwezige gedragsstoornis met
                                        ernstig ontremd gedrag en waarbij alleen het zich kunnen
                                        afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon
                                        tot rust kan komen; en</al></li><li nr="b."><al>de voorziening als genoemd in artikel 4.1 onderdeel a. niet
                                        mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in het Besluit bepalen in welke situaties het
                                primaat van verhuizing als bedoeld in lid 2 en 3 niet wordt
                                toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.</nr><titel>Geen toekenning van een woonvoorziening</titel></kop><al>Een woonvoorziening wordt niet toegekend als genoemd in artikel
                            4.1:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van
                                    de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op
                                    een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                    woningbouw;</al></li><li nr="c."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
                                    geen aanleiding bestaat/bestond en er geen andere belangrijke
                                    reden aanwezig is/was;</al></li><li nr="d."><al>de persoon met beperkingen niet verhuist/is verhuisd naar de
                                    voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
                                    geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk
                                    toestemming is verleend door het college;</al></li><li nr="e."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="f."><al>de persoon met beperkingen verhuist/verhuisd is vanuit of naar
                                    een woning die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
                                    worden of naar een AWBZ-instelling of een andere instelling
                                    gericht op het verstrekken van zorg;</al></li><li nr="g."><al>indien er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen
                                    de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of
                                    woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen
                                    bewoonde woning;</al></li><li nr="h."><al>indien de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                    toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
                                    ondervonden.</al><al>i. indien de woning ook na aanpassingen niet langdurig geschikt
                                    is voor de bewoner(s). </al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                        Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
                                        ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 4 zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>hotels/pensions;</al></li><li nr="b."><al>trekkerswoonwagens;</al></li><li nr="c."><al>AWBZ instellingen of andere instellingen gericht op het verlenen
                                    van zorg;</al></li><li nr="d."><al>vakantiewoningen/recreatiewoningen;</al></li><li nr="e."><al>tweede woningen;</al></li><li nr="f."><al>kamerverhuur; en</al></li><li nr="g."><al>specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor
                                    wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of
                                    voorzieningen die bij (nieuw) bouw of renovatie zonder
                                    noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.</nr><titel>Hoofdverblijf/Bezoekbaar maken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de persoon met
                                beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning
                                waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 en artikel 1.2 lid 2
                                onderdeel b. kan een voorziening voor het bezoekbaar maken van een
                                woning worden verleend indien de persoon met beperkingen zijn
                                hoofdverblijf heeft in AWBZ-instelling of een andere instelling
                                gericht op het verlenen van zorg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen
                                woning zich bevindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorziening als bedoeld in lid 2 wordt verleend onder de
                                voorwaarde, dat de gemeente waar de persoon met beperkingen zijn
                                hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten
                                behoeve van de persoon met beperkingen reeds eerder een woning
                                bezoekbaar is gemaakt;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken van de woning wordt verstaan dat de persoon
                                met beperkingen één kamer en één toilet in de woning kan bereiken en
                                gebruiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8.</nr><titel>Gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><al>Het college kan uitsluitend de volgende voorzieningen verlenen aan
                            gemeenschappelijke ruimten, indien zonder (één van) deze voorzieningen
                            de woning voor de persoon met beperkingen ontoegankelijk blijft:</al><lijst><li nr="a."><al>het verbreden van toegangsdeuren;</al></li><li nr="b."><al>het aanbrengen van elektrische deuropeners;</al></li><li nr="c."><al>aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang
                                    van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken
                                    zijn met een rolstoel);</al></li><li nr="d."><al>drempelhulpen;</al></li><li nr="e."><al>het aanbrengen van een extra trapleuning bij een
                                    portiekwoning;</al></li><li nr="f."><al>een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het
                                    woongebouw.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                        Wijzigingsverordening Wmo 24-2-2011).</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9.</nr><titel>Voorziening voor verhuizing en (her)inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4.3 lid 1 kan het college een voorziening
                                als genoemd in artikel 4.1 onderdeel a. ook verstrekken aan een
                                persoon zonder beperkingen die op verzoek van het college een woning
                                heeft ontruimd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verleent geen voorziening als genoemd in artikel 4.1
                                onderdeel a. indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat
                                        wonen;</al></li><li nr="b."><al>de persoon met beperkingen verhuist van of naar een
                                        AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                        verlenen van zorg naar een zelfstandige woning.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                            Wijzigingsverordening Wmo 24-2-2011).</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na een periode van twee jaar vanaf de datum van de
                                toekenningsbeschikking vervalt het recht op uitbetaling van een
                                toegekende voorziening als genoemd in artikel 4.1 onderdeel a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10.</nr><titel>Woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard en
                                uitraasruimte</titel></kop><al>Het college verleent alleen dan een voorziening als genoemd in artikel
                            4.1 onderdeel b. en g. indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet reeds een begin met de werkzaamheden waarop de voorziening
                                    betrekking heeft is gemaakt zonder zijn schriftelijke
                                    toestemming;</al></li><li nr="b."><al>de door hem aangewezen personen toegang is verschaft tot de
                                    woning waar de voorziening wordt verricht;</al></li><li nr="c."><al>de in onderdeel b. genoemde personen inzicht wordt geboden in
                                    bescheiden en tekeningen welke betrekking hebben op de
                                    voorziening;</al></li><li nr="d."><al>de in onderdeel b. genoemde personen de gelegenheid wordt
                                    geboden tot het controleren van de voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11.</nr><titel>Anti-speculatiebeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze Verordening of krachtens een
                                aan deze Verordening voorafgaande Wmo-verordening of WVG-verordening
                                een persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening als bedoeld in
                                artikel 4.1 onderdeel b. en g. heeft ontvangen en die binnen een
                                periode van vijf jaar na de datum van gereedmelding van de
                                werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden om binnen een week na
                                het passeren van de akte het college hiervan schriftelijk op de
                                hoogte te stellen. Het persoonsgebonden budget kan door het college
                                (deels) worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De restitutie als bedoeld in het eerste lid bedraagt:</al><al>  voor het eerste jaar 100 % van het persoonsgebonden budget,</al><al>  voor het tweede jaar 80 % van het persoonsgebonden budget,</al><al>  voor het derde jaar 60 % van het persoonsgebonden budget,</al><al>  voor het vierde jaar 40 % van het persoonsgebonden budget,</al><al>  voor het vijfde jaar 20 % van het persoonsgebonden budget.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12.</nr><titel>Woonwagen en woonschip</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een woonvoorziening als genoemd in artikel 4.1 aan
                                een woonwagen of woonschip verlenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen danwel het
                                        woonschip nog minimaal 5 jaar is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats van de woonwagen niet binnen 5 jaar voor
                                        opheffing in aanmerking komt, danwel het woonschip nog
                                        minimaal 5 jaar op de ligplaats mag blijven liggen;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen danwel het woonschip ten tijde van de indiening
                                        van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente op
                                        de standplaats stond danwel een ligplaats innam;</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een
                                        bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan het college ook een woonvoorziening als
                                genoemd in artikel 4.1 verlenen, indien de technische levensduur van
                                de woonwagen of het woonschip minder dan 5 jaar is; de standplaats
                                van de woonwagen binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt of
                                het woonschip niet tenminste nog 5 jaar op de ligplaats mag liggen.
                                Het bedrag wordt in het Besluit nader vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13.</nr><titel>Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Het college kan een voorziening in de kosten van onderhoud, keuring en
                            reparatie als genoemd in artikel 4.1 onderdeel d. verlenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening is verleend in het kader van deze
                                    Verordening, een hieraan voorafgaande Wmo-verordening of
                                    WVG-verordening, het Besluit geldelijke steun huisvesting
                                    gehandicapten of de Regeling geldelijke steun huisvesting
                                    gehandicapten;</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening wordt genoemd in de lijst voorzieningen welke
                                    in het Besluit is opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoon met beperkingen ten tijde van het onderhoud, keuring
                                    of reparatie de woning als hoofdverblijf heeft en bewoont of het
                                    een woning betreft zoals bedoeld in artikel 4.7.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14.</nr><titel>Tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening verlenen in de kosten van tijdelijke
                                huisvesting die door de persoon met beperkingen of diens wettelijk
                                vertegenwoordiger moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn huidige woning;</al></li><li nr="b."><al>de door de persoon met beperkingen nog te betrekken
                                        woning;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening wordt uitsluitend verleend voor de periode
                                        dat de aan te passen woning tengevolge van het realiseren
                                        van een aanpassing niet bewoond kan worden en de persoon met
                                        beperkingen of diens wettelijke vertegenwoordiger als gevolg
                                        daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan alleen een voorziening in de kosten van tijdelijke
                                huisvesting verlenen indien de persoon met beperkingen of diens
                                wettelijk vertegenwoordiger redelijkerwijs niet kan voorkomen dat
                                hij deze dubbele woonlasten heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent de in lid 1 genoemde voorziening voor maximaal
                                3 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15.</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval van huurbeëindiging van een aangepaste woning, die voor meer
                                dan het bedrag dat in het Besluit wordt vastgesteld, is aangepast,
                                kan het college voor de duur van maximaal 6 maanden een voorziening
                                verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving van
                                huurinkomsten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De periode van zes maanden kan éénmalig met een periode van maximaal
                                drie maanden verlengd worden indien bekend is dat binnen deze drie
                                maanden een persoon met beperkingen de woning zal betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan slechts een voorziening als genoemd in lid 1
                                verlenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het leegkomen van de woning vooraf bij de gemeente is
                                        gemeld;</al></li><li nr="b."><al>de leegstand tenminste een maand duurt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Vervoersvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.</nr><titel>Typen vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al></li><li nr="c."><al>een open elektrische buitenwagen (scootmobiel uitsluitend voor
                                    vervoer buitenshuis);</al></li><li nr="d."><al>een (al dan niet elektrisch aangedreven) driewielfiets;</al></li><li nr="e."><al>een ander verplaatsingsmiddel;</al></li><li nr="f."><al>aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="g."><al>vergoeding voor gebruik van een taxi of een eigen auto;</al></li><li nr="h."><al>vergoeding voor gebruik van een rolstoeltaxi;</al></li><li nr="i."><al>vergoeding voor gebruik van een ander verplaatsingsmiddel;</al></li><li nr="j."><al>medisch noodzakelijke begeleiding tijdens collectief
                                    vervoer.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                        Wijzigingsverordening Wmo 24-2-2011).</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.</nr><titel>Vorm en hoogte vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 5.1 onderdeel a. wordt in natura
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel b. tot en met e.
                                worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzieningen genoemd in artikel 5.1 onderdeel f. tot en met j.
                                worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de te verstrekken financiële tegemoetkoming of het
                                persoonsgebonden budget is vastgelegd in het Besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.</nr><titel>Recht op een collectieve vervoersvoorziening</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening als genoemd
                            in artikel 5.1 onderdeel a. in aanmerking worden gebracht wanneer
                            aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, inclusief
                            chronisch psychische en psychosociale problemen,</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer; of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.</nr><titel>Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening en recht op
                                een individuele vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor een vervoersvoorziening als
                                genoemd in artikel 5.1 onderdeel b. tot en met i. in aanmerking
                                worden gebracht wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek,
                                        inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen,
                                        het gebruik en/of het bereiken van het openbaar vervoer
                                        onmogelijk maken</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van de collectieve vervoersvoorziening als
                                        bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. geen adequate oplossing
                                        is of niet mogelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in artikel 5.1 onderdeel b., c., e., g., h. en i. genoemde
                                voorzieningen geldt, in uitzondering op het gestelde in lid 1, dat
                                zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief
                                vervoerssysteem als bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. verstrekt
                                kunnen worden indien er sprake is van uiterst beperkte
                                mobiliteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor gebruik als
                                bedoeld in artikel 5.1 onderdeel g., h. en i. kan rekening worden
                                gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de persoon met
                                beperkingen en de mate waarin een collectief vervoerssysteem als
                                bedoeld in artikel 5.1 onderdeel a. in die vervoersbehoefte kan
                                voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.</nr><titel>Inkomensgrenzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het inkomen hoger is dan anderhalf maal het norminkomen,komt
                                de persoon met beperkingen niet in aanmerking voor een
                                vervoersvoorziening als genoemd in artikel 5.1 onderdeel a, b, e, g,
                                h en i.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het inkomen hoger is dan anderhalf maal het norminkomen,
                                terwijl uitsluitend gebruik kan worden gemaakt van een rolstoeltaxi,
                                wordt slechts het verschil tussen een financiële tegemoetkoming voor
                                het gebruik van een taxi als genoemd in artikel 5.1 onderdeel g. en
                                de financiële tegemoetkoming voor gebruik van een rolstoeltaxi als
                                genoemd in onderdeel h. vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.</nr><titel>Omvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van maximaal 1500 kilometer mogelijk maken.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                    Wijzigingsverordening Wmo 24-2-2011).</cursief></al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Rolstoelvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.</nr><titel>Typen rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening, te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen of buiten, dan wel een
                                    aanpassing daaraan;</al></li><li nr="b."><al>onderhoud, gebruik en reparatie van de in onderdeel a. genoemde
                                    rolstoel;</al></li><li nr="c."><al>noodzakelijke rolstoelaanpassingen;</al></li><li nr="d."><al>een sportvoorziening.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                        Wijzigingsverordening Wmo 24-2-2011).</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.</nr><titel>Vorm en hoogte rolstoelvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel a. tot en met c.
                                wordt in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                verleend. Een rolstoel in natura wordt in bruikleen verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel d. wordt in de vorm
                                van een financiële tegemoetkoming verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de te verstrekken financiële tegemoetkoming of het
                                persoonsgebonden budget is vastgelegd in het Besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.</nr><titel>Recht op een rolstoelvoorziening.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel a.
                                genoemde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                chronisch psychische en psychosociale problemen, dagelijks zittend
                                verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel c.
                                genoemde voorziening in aanmerking worden gebracht indien deze in
                                verband met de beperkingen noodzakelijk zijn om zich te kunnen
                                verplaatsen in en om de woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen kan voor de in artikel 6.1 onderdeel d.
                                genoemde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, inclusief
                                chronisch psychische en psychosociale problemen, het sporten zonder
                                sportvoorziening onmogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag dient schriftelijk te worden ingediend, bij voorkeur
                                door middel van een door het college ter beschikking gesteld
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Team Wmo van de
                                gemeente Diemen, op welke plaats zowel aanvragen voor voorzieningen
                                inzake de wet als ook aanvragen zorg inzake de AWBZ kunnen worden
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                                dient bij het indienen van de aanvraag desgevraagd een geldig
                                identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 lid 1 onderdeel 1˚ tot en
                                met 3˚ van de Wet op de identificatieplicht te overleggen.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                    Wijzigingsverordening Wmo 24-2-2011).</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit regels vast omtrent de wijze waarop de
                            verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd
                            op de situatie van de persoon</al><al>met beperkingen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het
                            college</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, de persoon met
                                beperkingen (indien van toepassing tezamen met diens wettelijk
                                vertegenwoordiger):</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        één of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten
                                        ondervragen en/of te laten onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt aan een door haar daartoe aangewezen
                                adviesinstantie te adviseren bij aanvragen inzake de wet
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gaat om een aanvraag voor een voorziening waarvan de
                                        kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                        Besluit te boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>het gaat om een aanvraag die een dermate complex karakter
                                        kent dat de afwikkeling anders niet verantwoord kan
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="c."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="d."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een volgende aanvraag voor een voorziening heeft het college de
                                bevoegdheid aan te geven dat opnieuw advies dient te worden
                                uitgebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger is
                                verplicht aan het college of de door hem aangewezen adviesinstantie
                                die gegevens te (doen) verschaffen die noodzakelijk zijn voor het
                                beoordelen van het recht op een voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze Verordening of een hieraan voorafgaande
                            Wmo-verordening of WVG-verordening een voorziening is verstrekt, is
                            verplicht aan het college terstond mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op de verstrekte voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Intrekking van een besluit tot verlening van een
                                voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking genomen op grond van deze
                                Verordening of een hieraan voorafgaande Wmo-verordening of
                                WVG-verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of
                                        verplichtingen gesteld bij of krachtens deze
                                        Verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat deze
                                        zodanig onjuist waren dat, indien de juiste gegevens bekend
                                        waren geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;</al></li><li nr="c."><al>ten gevolge van wijzigingen in de omstandigheden van de
                                        persoon de noodzaak van de voorziening is komen te
                                        vervallen, dan wel indien tengevolge daarvan de persoon met
                                        beperkingen in aanmerking dient te worden gebracht voor een
                                        andere voorziening;</al></li><li nr="d."><al>achteraf blijkt dat een aanspraak als bedoeld in artikel 2
                                        van de wet te gelde wordt of kan worden gemaakt;</al><al> e<cursief>.</cursief>de persoon met beperkingen
                                        of diens wettelijk vertegenwoordiger nalatig is de eigen
                                        bijdrage of het eigen aandeel als genoemd in artikel 1.1 lid
                                        1 onderdeel k. en l. te voldoen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beschikking tot het verlenen van een voorziening kan worden
                                ingetrokken, indien blijkt dat de financiële tegemoetkoming of het
                                persoonsgebonden budget niet binnen zes maanden na uitbetaling is
                                aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de financiële
                                tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget was verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.</nr><titel>Wijziging hoogte eigen bijdrage of eigen aandeel</titel></kop><al>Het college kan de hoogte van de eigen bijdrage of het eigen aandeel in
                            de kosten van een voorziening (laten) wijzigen indien de persoon met
                            beperkingen of diens wettelijke vertegenwoordiger onjuiste of
                            onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                            volledige gegevens tot een andere vaststelling van de hoogte van de
                            eigen bijdrage of het eigen aandeel in de kosten van de voorziening zou
                            hebben geleid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een besluit geheel of gedeeltelijk is ingetrokken kan een op
                                basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen of eigendom verstrekte
                                voorziening is ingetrokken kan deze voorziening dan wel de
                                aanschafwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al><al/><al>3. Ingeval bij controle van de verantwoording van het budget blijkt
                                dat het bedrag niet volledig is besteed, niet volgens de in de
                                beschikking gestelde voorwaarden is besteed of niet voldoende of
                                binnen redelijk vooraf gestelde termijn is verantwoord, kan een op
                                basis daarvan reeds uitbetaalde financiële vergoeding of
                                Persoonsgebonden Budget geheel of gedeeltelijk worden
                                teruggevorderd. </al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie
                                    Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke
                                    ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6.</nr><titel>Eisen ten aanzien van de burgerparticipatie</titel></kop><al>De gemeente regelt per Verordening, met inachtneming van artikel 150 van
                            de Gemeentewet, de burgerparticipatie. In de Verordening, regelende de
                            taak, samenstelling en werkwijze van de Cliëntenraad gemeente Diemen is
                            in ieder geval vastgelegd dat de reikwijdte van de burgerparticipatie
                            het beleid ten aanzien van de in deze Verordening genoemde voorzieningen
                            betreft. Over wijzigingen in de Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Diemen en de bijbehorende uitvoeringregelen zal tijdig
                            advies aan de cliëntenraad worden gevraagd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon met
                            beperkingen, diens wettelijk vertegenwoordiger of de woningeigenaar
                            afwijken van hetgeen bij of krachtens deze Verordening is bepaald,
                            indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.</nr><titel>Beslissing in gevallen waarin de Verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen de uitvoering van deze Verordening betreffende waarin deze
                            Verordening niet voorziet, beslist het college voor zover dit mogelijk
                            is binnen de door de Verordening aangeven grenzen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan de in het kader van deze Verordening en het op deze
                            Verordening berustende Besluit geldende bedragen verhogen of
                            verlagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4.</nr><titel>Citeerartikel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze Verordening kan worden aangehaald als: “Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning Diemen 2009”.</al></li><li nr="2."><al>Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2009.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2008</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><tussenkop>Inleiding.</tussenkop><al>Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels betreffende
                    maatschappelijke ondersteuning”, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), is
                    op 14 februari 2006 in de Tweede Kamer met alleen de stemmen van de
                    Socialistische Partij tegen aangenomen. Aan deze bijna unanieme stemming is een
                    behandeling voorafgegaan die de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is een wet die verdere invulling behoeft en uiteindelijk door
                    jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat het kernbegrip van
                    de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement aan de wet is
                    toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale begrip ontbreekt,
                    met het gevolg dat de toelichting op het amendement uitgangspunt is voor de
                    vormgeving van dit compensatiebeginsel. De verordening voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan de in de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen bij verordening.</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de WVG bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de Welzijnswet
                    vallen en na die datum onder de Wmo, worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen.</al><tussenkop>Algemene toelichting.</tussenkop><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen. Het
                    begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid en
                    Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><tussenkop>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te
                    worden.</tussenkop><tussenkop>[…]</tussenkop><tussenkop>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een verplichting
                    om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken (zorgplicht), maar
                    te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat (compensatieplicht), kan
                    onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht geldt. Om die reden is het
                    volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te nemen wanneer sprake is van
                    een gelijkwaardige uitgangspositie van burgers. Dat is immers het resultaat
                    waarop de gemeente, ook in rechte, kan worden aangesproken. Dit betekent dat
                    geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘zelfredzaamheid’ en
                    ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke activiteiten moet iemand
                    daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</tussenkop><tussenkop>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                    nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                    nemen voor de indicatiestelling.”</tussenkop><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><tussenkop>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in
                    met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel
                    ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in
                    ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                    van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                    kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                    bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere
                    mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.</tussenkop><tussenkop>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                    artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke
                    structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle
                    bepalingen over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van
                    burgers en cliënten daarbij.”</tussenkop><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1.1. Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4,
                    lid 1 van de wet aan, voor de onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie WVG-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    modelverordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de WVG;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in de verordening terug te vinden in de hoofdstukindeling. In
                    de Verordening is er voor gekozen om, vanwege de duidelijkheid en de praktische
                    uitvoerbaarheid, de concrete voorzieningen bij de betreffende onderdelen ook
                    daadwerkelijk te noemen. Dit is vergelijkbaar met de (oude)
                    WVG-verordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Lid 1 onderdeel a. Wet</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich, zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel b. Besluit</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel c. College</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel d. WVG</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel e. Compensatiebeginsel</tussenkop><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en
                    maatschappelijke participatie is gebruik gemaakt van de toelichting op het
                    amendement. De zinsnede “in aanvaardbare mate” is afgeleid van jurisprudentie
                    van de Centrale Raad van Beroep onder de WVG (zie o.a. CRvB 20-02-2002, 01/1115
                    WVG, CRvB 02-08-2005, 00/969 WVG en CRvB 01-02-2006, nr. 03/2988 WVG, maar ook
                    CRvB 19-09-2007, 06/1478 Zfw).</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel f. persoon met beperkingen</tussenkop><al>De persoon met beperkingen vormt de belangrijkste doelgroep van de wet. Vanuit
                    de WVG </al><al>is het onderdeel “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek”
                    toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een
                    objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de
                    WVG ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing. Aan deze
                    formulering is de nieuwe doelgroep “personen met chronisch psychische of
                    psychosociale problemen” toegevoegd, die in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 6
                    van de wet wordt genoemd. De persoon met beperkingen vormt de belangrijkste
                    doelgroep van de wet.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel g. mantelzorger</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1 lid 1 onderdeel b van
                    de wet). Hieronder wordt verstaan langdurige zorg die niet in het kader van een
                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit
                    diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                    sociale relatie en de gebruikelijke zorgt van huisgenoten elkaar
                    overstijgt.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel h. Zelfredzaamheid</tussenkop><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel i. maatschappelijke participatie</tussenkop><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de in onderdeel e. genoemde, ontleend
                    aan de toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het
                    compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel j. Individuele voorziening</tussenkop><al>In de begripsomschrijving wordt onderscheid gemaakt tussen een algemene en een
                    individuele voorziening. Een algemene voorziening is een voorziening die wordt
                    geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling
                    en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die
                    een persoon ondervindt. Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare
                    voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt.
                    Daarbij valt te denken aan een scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen
                    voorzieningen: scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als
                    klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten.
                    De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, eenvoudige, aan het loket gemandateerde,
                    besluitvorming en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en
                    veel voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend
                    gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in
                    natura verstrekt worden en nooit als financiële tegemoetkoming of
                    persoonsgebonden budget. Op verzoek zal er aan de persoon met beperkingen of
                    diens wettelijk vertegenwoordiger wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is. De gemeente Diemen biedt op dit moment
                    (nog) geen algemene voorzieningen aan.</al><al>Algemene voorzieningen hebben voorrang op individuele voorzieningen. Waar
                    mogelijk zal eerst een algemene voorziening worden aangeboden. Indien dat niet
                    kan, zal waar nodig een individuele voorziening op grond van deze Verordening
                    worden verstrekt.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel k. eigen bijdrage</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage vloeit voort uit artikel
                    15 lid 1 van de wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat
                    daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van
                    Bestuur nadere regels worden gesteld. In het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die het college voor het vaststellen
                    van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan. Een eigen bijdrage is
                    alleen mogelijk bij een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, en
                    dus niet bij een financiële tegemoetkoming.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel l. eigen aandeel in de kosten</tussenkop><al>Artikel 19 lid 1 van de wet bepaalt dat de hoogte van de financiële
                    tegemoetkoming afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen van degene aan wie
                    maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot. Hierbij wordt
                    in de toelichting op artikel 19 van de wet gesproken over een “eigen aandeel in
                    de kosten van een voorziening”(TK 2004-2005, 30 131, nr. 3). Op grond van
                    artikel 19 lid 2 van de wet zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    nadere regels gesteld met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. In het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning is bepaald wat de ruimte is die gemeenten
                    hebben voor het vaststellen van een eigen aandeel.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel m. voorziening in natura</tussenkop><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van een financiële
                    tegemoetkoming of een pgb worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel n. inkomen</tussenkop><al>In dit onderdeel is geregeld wat in de gemeente onder inkomen wordt verstaan.
                    Het inkomen betreft een netto-inkomensbegrip. De wijze waarop het inkomen wordt
                    vastgesteld, is geregeld in het Besluit.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel o. norminkomen</tussenkop><al>Voor de definitie van het begrip norminkomen is aangesloten bij de normen die in
                    paragraaf 3.2 van de Wet Werk en Bijstand (WWB) worden gehanteerd. Een definitie
                    van het begrip norminkomen is van belang voor de inkomensgrenzen die gehanteerd
                    worden bij het beoordelen van een eventuele aanspraak op bepaalde
                    vervoersvoorzieningen. Omdat in de gemeente een netto-inkomensbegrip wordt
                    gehanteerd (zie lid 1 onderdeel n.), betreft het norminkomen eveneens een
                    netto-norm.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel p. persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de persoon met beperkingen of diens
                    wettelijk vertegenwoordiger onder door het college bepaalde voorwaarden mag
                    besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking
                    omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij
                    behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel q. financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. Er wordt onderscheid
                    gemaakt tussen een forfaitaire financiële tegemoetkoming en een gemaximeerde
                    financiële tegemoetkoming, zie onderdelen r. en s.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel r. forfaitaire financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Bij een forfaitaire financiële tegemoetkoming gaat het om een standaardbedrag
                    dat bij toekenning wordt vergoed, los van de werkelijke kosten.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel s. gemaximeerde financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Bij een gemaximeerde financiële tegemoetkoming gaat het om een bedrag dat op
                    declaratiebasis tot een bepaald maximum wordt vergoed.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel t. algemeen gebruikelijk</tussenkop><al>Evenals onder de WVG het geval was, is het ook onder de Wmo niet de bedoeling
                    dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de persoon met
                    beperkingen, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of
                    beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen
                    gebruikelijk beschouwd. In het algemeen kan een gevraagde voorziening als
                    algemeen gebruikelijk voor een persoon met beperkingen worden beschouwd indien
                    een persoon zonder beperkingen, die zich voor wat betreft leeftijd, inkomen,
                    etc. in een vergelijkbare positie bevindt, naar maatschappelijke maatstaf
                    redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben over een dergelijke
                    voorziening. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te
                    beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment
                    van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor
                    verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel
                    specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen
                    gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de
                    wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                    jurisprudentie in de Verordening opgenomen. Het gaat daarbij om
                    voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel; en</al></li><li nr="-"><al>die voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare
                            positie tot het normale aanschaffingspatroon kan worden gerekend.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels.</al><al/><al>In jurisprudentie zijn een aantal voorzieningen met name genoemd als algemeen
                    gebruikelijk te weten:</al><al>- electrische fiets</al><al>- fiets met trapondersteuner</al><al>- verhoogd toilet</al><al>- wandbeugels</al><al>- thermostatische kranen en hendelmengkranen</al><al>- auto met automatische koppeling en stuurbekrachtiging</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel u. meerkosten</tussenkop><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1 lid
                    1 onder g onderdeel 8 van de wet. Een met de persoon als de persoon met
                    beperkingen vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale
                    probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens
                    situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de
                    kosten die voor een persoon als de persoon met beperkingen niet algemeen
                    gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel v. woonwagen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel w. standplaats</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel x. woonschip</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel y. ligplaats</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel z. hoofdverblijf</tussenkop><al>In artikel 1 Wmo wordt het begrip hoofdverblijf gebruikt in de omschrijving van
                    het begrip gezamenlijke huishouding. Bovendien wordt het begrip hoofdverblijf in
                    de Verordening nog gebruikt om de doelgroep te beperken tot personen die hun
                    hoofdverblijf in de gemeente Diemen hebben (artikel 1.2 lid 2 onderdeel b.) en
                    in de definitie van het begrip huisgenoot (artikel 1 lid 1 onderdeel bb.).
                    Daarnaast is in artikel 4.7 Verordening nadrukkelijk bepaald dat een
                    woonvoorziening slechts wordt verleend indien de persoon met beperkingen zijn
                    hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt
                    getroffen. Over het begrip hoofdverblijf heeft zich uitgebreid jurisprudentie
                    gevormd. Uit de thans bekende jurisprudentie mag de conclusie worden getrokken
                    dat de gegevens uit de GBA bij de vaststelling van de hoofdverblijfplaats
                    belangrijk zijn, doch dat tegenbewijs met betrekking tot de feitelijke
                    woonplaats openstaat en door de rechter serieus meegewogen wordt in het
                    eindoordeel. De vraag of sprake is van hoofdverblijf in deze Verordening zal
                    worden beoordeeld aan de hand van deze jurisprudentie.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel aa. gemeenschappelijke ruimte</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel bb. huisgenoot</tussenkop><al>Iedereen met hetzelfde hoofdverblijf kan als huisgenoot worden aangemerkt, met
                    uitzondering van de kamerhuurder en de kostganger. Deze uitzondering geldt
                    alleen als er sprake is van een commerciële relatie tussen de
                    kamerhuurder/kostganger en woningeigenaar. Als er een familierelatie bestaat,
                    zal er over het algemeen niet snel sprake zijn van kamerverhuur of
                    kostgangerschap.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel cc. budgethouder</tussenkop><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel dd. uitraasruimte</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie Wijzigingsverordening
                        en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><tussenkop>Artikel 1.2. Recht op voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Lid 1 onderdeel a:</tussenkop><al>Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan,
                    in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een
                    terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties
                    waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk
                    is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van
                    de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus
                    redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de persoon met
                    beperkingen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de
                    prognose dat de belanghebbende na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of
                    aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak
                    uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes
                    van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak.
                    De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake
                    is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke
                    rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen
                    heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    Verordening in aanmerking komt. Belanghebbende kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel
                    gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is
                    verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal
                    van situatie tot situatie verschillen.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel b:</tussenkop><al>Voorzieningen die in het kader van deze Verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger als adequaat
                    beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het adequaat zijn van de
                    voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn, de kosten van de
                    voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet
                    adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld.
                    Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                    wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    goedkoopst adequate voorziening, mits de persoon met beperkingen of diens
                    wettelijk vertegenwoordiger bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te
                    betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot
                    sturen binnen het beleid.</al><tussenkop>Lid 1 onderdeel c:</tussenkop><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. Bij het verstrekken van
                    voorzieningen wordt met uitzondering van een verzoek tot hulp bij het huishouden
                    in principe alleen rekening gehouden met de persoon met beperkingen. Huisgenoten
                    en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een
                    uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de
                    hardheidsclausule.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel a:</tussenkop><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    persoon met beperkingen vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou
                    kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit
                    beginsel wordt al tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet-Rea, WVG) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die
                    is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel
                    1.1 onderdeel t. van deze Verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de persoon met
                    beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger een rol, bezien in relatie tot
                    de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die
                    financiële situatie van de persoon met beperkingen of diens wettelijk
                    vertegenwoordiger kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen
                    algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde
                    jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als
                    het inkomen van de persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                    - mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder
                    het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel b:</tussenkop><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de WVG, geen specifieke
                    bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in
                    de gemeente woonachtige personen. De staatssecretaris heeft wel aangegeven dat
                    het voor de hand ligt ervan uit te gaan dat de zorgplicht [red.
                    compensatieplicht] zich in beginsel uitstrekt tot inwonenden in de gemeente en
                    dat deze "doorloopt" als die persoon tijdelijk niet in de gemeente verblijft.
                    Voor de vraag wanneer iemand in een gemeente woont, is zowel de inschrijving in
                    de GBA als het feitelijk verblijf van belang (TK 2006-2007, 29 538, nr. 39). Dit
                    artikel is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die hun hoofdverblijf in
                    Diemen hebben, voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel c:</tussenkop><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze in onderdeel c. genoemde bepaling bedoeld.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel d: </tussenkop><al>In onderdeel d. wordt gedoeld op de situatie dat de persoon met beperkingen of
                    diens wettelijk vertegenwoordiger een voorziening aanvraagt nadat deze reeds
                    door de persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                    gerealiseerd of aangekocht is. Volgens de CRvB is het doel van een dergelijke
                    bepaling om het college niet in de positie te brengen dat de noodzaak,
                    adequaatheid en passendheid van aangevraagde voorziening niet meer kunnen worden
                    beoordeeld. Dit is niet zondermeer het geval als er in verband met een aanvraag
                    kosten zijn gemaakt al voordat een beslissing is genomen (CRvB 08-10-2003,nr
                    02/1128 WVG). Indien deze beoordeling ondanks de reeds gemaakt toch
                    plaatsvinden, mag zeker niet op grond van een dergelijke (imperatieve) bepaling
                    worden afgegeven. Uit deze jurisprudentie valt op te maken dat afwijzing op de
                    grond dat reeds kosten zijn gemaakt voordat het college een beslissing heeft
                    genomen slechts houdbaar is wanneer het college niet meer kan achterhalen of een
                    voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is om een aantoonbare beperkingen
                    te compenseren. In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de persoon
                    met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger snel moet beslissen omdat
                    de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of
                    andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de persoon met beperkingen of diens
                    wettelijk vertegenwoordiger voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Dit is bepaald in artikel 1.2
                    lid 4 van de Verordening. Het hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke
                    verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft
                    gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een
                    koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel e:</tussenkop><al>In onderdeel e. wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het de persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                    verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door
                    roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de persoon met
                    beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger geen schuld treft. Indien een
                    ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het
                    mogelijk is deze derde door de persoon met beperkingen of diens wettelijk
                    vertegenwoordiger hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten
                    te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere
                    dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde
                    van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze Verordening worden gedaan. Met een hieraan
                    voorafgaande Verordening wordt gedoeld op alle voorgaande Wmo- en
                    WVG-verordeningen.</al><tussenkop>Lid 3:</tussenkop><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Vorm van verstrekking en eigen
                    bijdrage</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1. Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om deze keuzevrijheid niet te bieden. Het college legt in het Besluit vast in
                    welke gevallen er sprake is van overwegende bezwaren. Naast deze keuzevrijheid
                    bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij
                    voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere aanbieders.</al><tussenkop>Artikel 2.2. Voorziening in natura</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van de
                    voorziening in natura in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang (vb. inclusief reparatie en onderhoud), de looptijd en de wijze van
                    verstrekking (eigendom, bruikleen, huur, dienstverlening). Daarnaast worden de
                    toepasselijke voorwaarden in de beschikking opgenomen. Daarbij is de
                    bruikleenovereenkomst, de huurovereenkomst of de dienstverleningsovereenkomst
                    van belang. Het tekenen van deze overeenkomst is een voorwaarde voor toekenning
                    van de voorziening.</al><tussenkop>Artikel 2.3. Persoonsgebonden budget</tussenkop><tussenkop>Lid 1:</tussenkop><al>In lid 1 zijn de voorwaarden opgenomen voor het verstrekken van een
                    persoonsgebonden budget. Deze wordt alleen verstrekt op verzoek van de persoon
                    met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger. Er wordt geen
                    persoonsgebonden budget verstrekt indien daartegen overwegende bezwaren bestaan.
                    Het college legt in het Besluit vast in welke gevallen er sprake is van
                    overwegende bezwaren (zie ook artikel 2.1 Verordening). In PGB-beleid zijn deze
                    regels nader uitgewerkt. </al><tussenkop>Lid 2:</tussenkop><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    onder andere om de toepasselijke voorwaarden, de omvang (de hoogte van het
                    budget) en de periode waarover het budget wordt toegekend. Het spreekt voor zich
                    dat dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><tussenkop>Lid 3:</tussenkop><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget.</al><al><vet>Lid 4 en 5</vet>:</al><al>Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    door de budgethouder verstrekt. De in onderdeel onder a. bedoelde factuur is
                    nodig in situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. In onderdeel b. is een
                    betalingsbewijs genoemd, wat van belang kan zijn in situaties waarin er geen
                    nota is, bijvoorbeeld bij een tweedehands aankoop bij een particulier of
                    uitbetaling aan een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het
                    huishouden heeft verleend. In onderdeel c. is genoemd een salarisadministratie;
                    die kan noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen
                    voor het verrichten van hulp bij het huishouden.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie Wijzigingsverordening
                        en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 2.4. Financiële tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Lid 1:</tussenkop><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van de financiële
                    tegemoetkoming in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat onder
                    andere om de toepasselijke voorwaarden, de omvang (de hoogte) en de periode
                    waarover de financiële tegemoetkoming wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat
                    dergelijke beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><tussenkop>Lid 2:</tussenkop><al>In lid 2 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het financiële
                    tegemoetkoming te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is
                    dus een belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan
                    kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende financiële
                    tegemoetkoming.</al><tussenkop>Lid 3 en 4:</tussenkop><al>Afhankelijk van de vraag waarvoor het financiële tegemoetkoming is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    opgevraagd bij de persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger.
                    De in onderdeel a. bedoelde factuur is nodig in situaties waarin voorzieningen
                    zijn aangeschaft bij een leverancier, bijvoorbeeld een rolstoel of een
                    scootermobiel. In onderdeel b. is een betalingsbewijs genoemd, wat van belang
                    kan zijn in situaties waarin er geen nota is, bijvoorbeeld bij een tweedehands
                    aankoop bij een particulier. Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is
                    het toegekende financiële tegemoetkoming terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd.</al><tussenkop>Artikel 2.5 Eigen bijdrage</tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 en
                    artkel 19 van de wet. De wijze waarop dit wordt uitgevoerd wordt door het
                    college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1. Vormen van hulp bij het huishouden</tussenkop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    Verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze Verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen”. Bij het interpreteren van het begrip “voeren
                    van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan hebben
                    aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem geschikte
                    woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de WVG bestaande woonvoorzieningen
                    onder dit begrip zijn gebracht.</al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze Verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in twee vormen als voorziening worden aangeboden. In
                    onderdeel a. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Hier gaat het
                    om een vorm van persoonlijke dienstverlening. In onderdeel b. is genoemd het
                    persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Met dit persoonsgebonden
                    budget moet de persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger zelf
                    hulp inhuren.</al><tussenkop>Artikel 3.2. Recht op hulp bij het huishouden</tussenkop><al>In artikel 3.2 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan maken
                    van een voorziening voor hulp bij het huishouden. In aanmerking komen in eerste
                    instantie personen met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of
                    gebrek, inclusief chronisch psychische of psychosociale problemen. Verder komen
                    in aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde ‘respijtzorg’, dat
                    wil zeggen dat de noodzaak aanwezig is om mantelzorgers te ontlasten. Nota bene:
                    het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                    mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die
                    de mantelzorg ontvangt is wel degelijk tijdelijk mogelijk.</al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie Wijzigingsverordening
                        en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><tussenkop>Artikel 3.3. Weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a:</tussenkop><al>In onderdeel a is de weigeringsgrond opgenomen ten aanzien van voorzieningen die
                    betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale
                    woningbouw. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan
                    iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning
                    van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden) rekening
                    te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor
                    bijvoorbeeld een inpandig zwembad. Het uitgangspunt is niveau sociale
                    woningbouw.</al><tussenkop>Onderdeel b:</tussenkop><al>In onderdeel b. is aangegeven dat geen hulp bij het huishouden wordt verstrekt
                    indien de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                    vakantiewoningen en tweede woningen.</al><tussenkop>Onderdeel c:</tussenkop><al>In onderdeel c. komt aan de orde dat hulp bij het huishouden wordt verstrekt
                    voor werkzaamheden waarvoor voorzieningen aanwezig zijn waarvan het algemeen
                    gebruikelijk is dat daarvan gebruik wordt gemaakt, zoals kinderopvang,
                    buitenschoolse opvang, een oppascentrale, een maaltijdservice, een
                    hondenuitlaatservice en een boodschappendienst. Voor het oordeel of het algemeen
                    gebruikelijk kan worden geacht dat van een voorziening gebruik wordt gemaakt is
                    bepalend of de voorziening daadwerkelijk beschikbaar is. Het is daarom altijd
                    noodzakelijk om te onderzoeken of de voorziening wel aanwezig is (Rechtbank
                    ’s-Hertogenbosch 11-08-2005, nr. 04/2917 AWBZ en Rechtbank Roermond 31-01-2005,
                    nr.</al><al>04/632 AWBZ).</al><tussenkop>Onderdeel d:</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre huisgenoten in staat zijn zelf de problemen op te
                    lossen. Deze ontwikkeling is al onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet
                    vanaf het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden
                    problemen door middel van dergelijke gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost,
                    is er geen aanspraak op hulp bij het huishouden. Het Protocol Gebruikelijke zorg
                    wordt hierbij als uitgangspunt gehanteerd.</al><tussenkop>Artikel 3.4. Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop><al>De omvang van de voorziening hulp bij het huishouden wordt berekend door gebruik
                    te mkaen van het protocol huishoudelijke verzorging van het Ciz. Dit is een
                    landelijk geaccepteerd instrument voor een gedegen onderbouweing van de
                    indicering. Deze omvang wordt berekend in uren. </al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie Wijzigingsverordening
                        en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 3.5. Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1. Typen woonvoorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel vermeldt de typen woonvoorzieningen die op grond van deze
                    verordening verleend kunnen worden.</al><tussenkop>Onderdeel a:</tussenkop><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt de afweging
                    tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard. Een woonvoorziening, en
                    dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de WVG-jurisprudentie van de
                    Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden
                    problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische
                    aspecten van de te verlaten woning zelf (zie artikel 4.4 onderdeel g. en h. van
                    deze Verordening). Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens,
                    overlast etcetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk
                    beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste
                    woningen in de gemeente.</al><tussenkop>Onderdeel b en c:</tussenkop><al>Een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard is een aanpassing van
                    de woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening van
                    niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard zal in de praktijk onder andere de
                    woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de
                    woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften.</al><tussenkop>Onderdeel d:</tussenkop><al>Bij onderhoud, keuring en reparatie moet worden gedacht aan voorzieningen die
                    (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan optreden waardoor
                    de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet langer kan worden
                    gegarandeerd. Er wordt hierbij voornamelijk gedacht aan liften, automatische
                    deuropeners en (elektrische) beweegbare keukens. Dit wordt uitgewerkt in het
                    besluit.</al><tussenkop>Onderdeel e:</tussenkop><al>Met tijdelijke huisvesting worden die gevallen bedoeld waarin de persoon met
                    beperkingen tijdens het aanbrengen van de voorziening niet in de woonruimte kan
                    blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woonruimte moet
                    uitwijken. Er kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een vergoeding in de
                    dubbele woonlasten worden verstrekt.</al><tussenkop>Onderdeel f:</tussenkop><al>Met een voorziening voor huurderving aan de eigenaar van de woning, kan worden
                    bevorderd dat de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor personen met
                    beperkingen.</al><tussenkop>Onderdeel g:</tussenkop><al>Omdat met de Wmo niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten
                    opzichte van de vervallen Wet voorzieningen te verbreden, noch om dat te
                    versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een uitraasruimte
                    is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de
                    WVG kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die
                    tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig
                    ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer
                    specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak
                    en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de
                    regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.</al><tussenkop>Artikel 4.2. Vorm en hoogte woonvoorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven in welke vorm de woonvoorzieningen worden
                    verstrekt. De hoogte van te verstrekken financiële tegemoetkomingen of
                    persoonsgebonden budgetten is vastgelegd in het Besluit.</al><tussenkop>Artikel 4.3. Primaat van verhuizing en recht op
                    woonvoorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om voor de diverse typen
                    woonvoorzieningen in aanmerking te komen.</al><tussenkop>Primaat van verhuizing</tussenkop><al>Al onder de WVG gold de regel dat bij een aanvraag voor een woonvoorziening
                    eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden.
                    Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een
                    uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst
                    adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de
                    verhuizing is onder de WVG in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele
                    duidelijke voorwaarden zijn gesteld. Het college kan besluiten om een financiële
                    tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en herinrichtingskosten, indien
                    verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper dan de reeds bewoonde
                    woonruimte aan te passen woning. Het college maakt de afweging of zij een
                    financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten willen geven of dat de woning van
                    persoon met beperkingen aangepast moet worden. Indien aangepaste of aanpasbare
                    woningen beschikbaar zijn kan uit doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven
                    worden aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte van de persoon
                    met beperkingen. Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening
                    wordt een afweging gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus het
                    aanpassen van de huidige woonruimte. Daarnaast moeten de financiële gevolgen van
                    de verhuizing voor de woonlasten voor de aanvrager binnen aanvaardbare
                    financiële grenzen vallen. Tevens moet bij de afweging verhuizen of aanpassen
                    rekening gehouden worden met de sociale omstandigheden waarin de persoon met
                    beperkingen zich bevindt zoals de aanwezigheid van mantelzorg. Verder moet
                    duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden
                    gerealiseerd binnen een uit het medisch advies blijkende medisch verantwoorde
                    termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad
                    om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                    goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante aspecten, nader
                    uitgewerkt in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de
                    situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen van het primaat
                    van de verhuizing in een concreet geval.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal
                    een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting kan worden
                    verstrekt: allereerst aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de
                    persoon met beperkingen die naar de vrijgemaakte woning verhuist. De
                    totaalkosten hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de afweging of er een
                    financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt zal worden dan wel een
                    woning aangepast moet worden.</al><al>Het primaat van verhuizing geldt ten aanzien van de voorziening van bouwkundige
                    of woontechnische aard, de voorziening van niet-bouwkundige of
                    niet-woontechnische aard en de uitraasruimte. In lid 4 is aangegeven dat het
                    college in het besluit kan bepalen in welke situaties het primaat van verhuizing
                    niet wordt toegepast.</al><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie Wijzigingsverordening
                        en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 4.4. Weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a:</tussenkop><al>Indien de ondervonden beperkingen voorvloeien uit de aard van de gebruikte
                    materialen dan wordt geen woonvoorziening verstrekt.</al><tussenkop>Onderdeel b:</tussenkop><al>Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een
                    minimuminkomen. Een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan
                    worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een
                    scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel
                    beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen
                    ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.</al><tussenkop>Onderdeel c:</tussenkop><al>In onderdeel c. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    het aanvaarden van werk elders.</al><tussenkop>Onderdeel d:</tussenkop><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 4.7 lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”.</al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><tussenkop>Onderdeel e:</tussenkop><al>In onderdeel e. wordt met name gedoeld op de voorziening voor verhuizing en
                    (her)inrichting; veel verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen,
                    ook los van de beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het
                    ouderlijk huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar
                    een kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en
                    kinderen reeds zelfstandig wonen.</al><tussenkop>Onderdeel f:</tussenkop><al>In dit onderdeel is onder meer bepaald dat geen woonvoorzieningen worden
                    verstrekt indien wordt verhuisd naar een woning die niet bestemd en/of geschikt
                    is het hele jaar door bewoond te worden. Hiermee wordt voorkomen dat een persoon
                    met beperkingen op korte termijn verhuist en vervolgens opnieuw een
                    woonvoorziening aanvraagt. Vervolgens is bepaald dat geen woonvoorzieningen
                    worden toegekend indien verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                    instelling die gericht is op het verstrekken van zorg. Hieronder vallen de
                    zogenaamde Focuswoningen. Uitgangspunt van deze bepaling is dat
                    AWBZ-instellingen en andere zorginstellingen worden geacht een adequate
                    woonsituatie te kunnen bieden aan personen met beperkingen. Daarom wordt bij
                    verhuizing naar een dergelijke instelling in principe geen woonvoorziening
                    toegekend.</al><tussenkop>Onderdeel g. en h:</tussenkop><al>Op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft, in het kader
                    van de WVG een nadere begrenzing van het begrip “medische noodzaak” bij
                    woonvoorzieningen plaatsgevonden. In diverse uitspraken werd door de CRvB
                    geconstateerd dat dit begrip in de praktijk een te ruime uitleg kreeg. Daarom
                    werd een aanvullend vereiste geformuleerd. Van beperkingen in de zin van de WVG
                    (artikel 1 lid 1 aanhef en onder c) is alleen dan sprake indien:</al><lijst><li nr="1."><al>een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar
                            objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer
                            bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte
                            bewoonde woning en;</al></li><li nr="2."><al>de beperkingen in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van
                            de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.</al></li></lijst><al>Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wvg geregelde
                    zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is deze jurisprudentie in onderdeel
                    g. en h. verwerkt.</al><al/><al><cursief>De tekst van dit artikel geldt per 28-4-2011 (zie Wijzigingsverordening
                        en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning 24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 4.5. Uitsluitingen</tussenkop><al>Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die in
                    het kader van de Wet op de huurtoeslag als zelfstandige woonruimte aangemerkt
                    kunnen worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen; deze komen
                    weinig voor en worden apart geregeld verder in dit hoofdstuk. Verder worden geen
                    woonvoorzieningen verstrekt ten behoeve van AWBZ-instellingen of andere
                    instellingen gericht op het verlenen van zorg. Een AWBZ-instelling dient
                    toegerust te zijn voor het verblijf van personen met beperkingen en wordt
                    derhalve geacht een adequate woonsituatie te kunnen bieden. Tot slot worden geen
                    woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor
                    ouderen of personen met beperkingen. Voorzieningen die in dergelijke gebouwen,
                    ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige
                    meerkosten kunnen worden meegenomen, worden eveneens niet verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 4.6. Gereedmelding woonvoorzieningen</tussenkop><al>Na gereedmelding van de werkzaamheden door belanghebbende of de verhuurder
                    moeten de uitgevoerde werkzaamheden worden gecontroleerd om vast te stellen, dat
                    uitvoering heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de beschikking en het
                    door adviseurs uitgebrachte advies.</al><tussenkop>Artikel 4.7. Hoofdverblijf/Bezoekbaar maken</tussenkop><al>In lid 1 is bepaald dat een woonvoorziening slechts wordt verleend ten aanzien
                    van de woning waar de persoon met beperkigen zijn hoofdverblijf heeft. Voor de
                    vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is met name het feitelijk verblijf
                    van belang. Zie voor wat betreft het bepalen van het hoofdverblijf de
                    toelichting op artikel 1 onderdeel z. Onder de Wvg waren bewoners van
                    AWBZ-instellingen uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een
                    bovenwettelijke uitzondering hierop werd door gemeenten gemaakt voor het
                    zogenaamde bezoekbaar maken van een woning voor bezoek aan ouders of andere
                    familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de verordening. Omdat met de
                    wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wvg geregelde zorgplicht in
                    te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in
                    de verordening opgenomen in artikel 4.7.</al><tussenkop>Artikel 4.8. Gemeenschappelijke ruimten</tussenkop><al>In dit artikel worden aan aantal voorzieningen genoemd die kunnen worden
                    verleend in gemeenschappelijke ruimten, indien zonder deze voorziening(en) de
                    woning voor de persoon met beperkingen ontoegankelijk blijft. Een traplift komt
                    in deze opsomming voor voorzieningen niet voor. Een traplift in een
                    gemeenschappelijk trappenhuis (van een wooncomplex) wordt niet geplaatst omdat
                    deze vaak andere gebruikers van de trap hindert, de voorziening gevoelig is voor
                    vandalisme en er bezwaren kunnen zijn i.v.m. de brandveiligheid. Om deze redenen
                    geven woningeigenaren doorgaans geen toestemming voor het plaatsen van een
                    traplift in een gemeenschappelijke ruimte. </al><al/><al><cursief>De tekst van deze toelichting geldt per 28-4-2011 (zie
                        Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning
                        24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 4.9. Voorziening voor verhuizing en (her)inrichting</tussenkop><tussenkop>Lid 1:</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad
                    aangepaste en geschikte woningen in de gemeente. Om zo doelmatig mogelijk met de
                    aangepaste en geschikte voorraad woningen om te kunnen gaan, kan het wenselijk
                    zijn dat indien de band tussen persoon met beperkingen en woning is verbroken (
                    bijvoorbeeld door overlijden van de persoon met beperkingen ) deze woning
                    opnieuw aan een andere persoon met beperkingen wordt toegewezen. In dat geval
                    zullen de achterblijvende huurders naar een andere woonruimte moeten verhuizen.
                    Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding kan als stimuleringsmaatregel
                    gezien worden. Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te
                    verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste woning. Als het
                    college de achterblijvende gezinsleden verzoekt om de woning vrij te maken
                    kunnen zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Er kunnen
                    verschillende redenen zijn op grond waarvan het college besluit om het vrijkomen
                    van een woning te stimuleren door het verstrekken van een
                    verhuiskostenvergoeding. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder
                    gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning. Een andere reden voor
                    het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen
                    wordt dat een woning voor meer dan een soortgelijk bedrag dient te worden
                    aangepast. Afhankelijk van de situatie kan het college in uitzonderlijke
                    gevallen de hoogte van de financiële tegemoetkoming laten afhangen van de
                    concrete situatie. Het instrument wordt immers als stimulans aangewend om de
                    medewerking van huurders te krijgen bij het vrijmaken van de woning voor een
                    persoon met beperkingen. Aan de vaststelling van de hoogte van de bedragen moet
                    een goede motivatie ten grondslag liggen om te voorkomen dat bepaalde bedragen
                    verworden tot ( hoge ) standaardbedragen. Een kanttekening die gemaakt moet
                    worden bij het bieden van een verhuiskostenvergoeding om een woning vrij te
                    maken, is dat dit middel alleen een stimulans is en geen garantie biedt dat de
                    woning daadwerkelijk vrij komt.</al><tussenkop>Lid 2:</tussenkop><al>In lid 2 is bepaald dat geen voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten
                    wordt verstrekt aan een persoon met beperkingen die voor het eerst zelfstandig
                    gaat wonen. De achterliggende gedachte van deze bepaling is dat iedereen, ook
                    personen zonder beperkingen, kosten moeten maken als ze voor het eerst
                    zelfstandig gaan wonen. Ook wordt geen voorziening voor verhuis- en
                    inrichtingskosten verstrekt indien wordt verhuisd van een AWBZ-instelling of een
                    andere instelling gericht op het verlenen van zorg naar een zelfstandige
                    woning.</al><tussenkop>Lid 3:</tussenkop><al>In lid 3 is bepaald dat het recht op uitbetaling van de toegekende voorziening
                    voor verhuizing en (her)inrichting vervalt na twee jaar vanaf de datum van de
                    toekenningsbeschikking, omdat de noodzaak na twee jaar vervalt. Indien de
                    medische situatie verandert, verandert ook de indicatie. </al><al/><al><cursief>De tekst van deze toelichting geldt per 28-4-2011 (zie
                        Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning
                        24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 4.10. Woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische
                    aard</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 4.11. Anti-speculatiebeding</tussenkop><al>De verordening Wvg bevatte een zogenaamde anti-speculatiebepaling. Deze bepaling
                    komt in deze verordening terug en heeft als doel het door de eigenaar laten
                    terugbetalen van een deel van de woonvoorziening die vóór de verkoop van de
                    woning is verleend. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in
                    een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een
                    afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze
                    bepaling (administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten. Voor
                    het berekenen van het terug te storten bedrag wordt als uitgangspunt genomen het
                    verstrekte persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>Artikel 4.12. Woonwagen en woonschip</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 4.13. Onderhoud, keuring en reparatie</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat een financiële tegemoetkoming voor onderhoud, keuring en
                    reparatie kan worden verleend ten aanzien van in het Besluit bepaalde
                    woonvoorzieningen die in het kader van de Wmo, de WVG dan wel de Regeling
                    Geldelijke steun Huisvesting gehandicapten zijn verstrekt. De hoogte van de te
                    verstrekken financiële tegemoetkoming is vastgelegd in het Besluit.</al><tussenkop>Artikel 4.14. Tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 4.15. Huurderving</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Vervoervoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1. Typen vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de diverse soorten vervoersvoorzieningen vermeld die op
                    grond van deze verordening kunnen worden verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 5.2. Vorm en hoogte vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven in welke vorm de vervoersvoorzieningen worden
                    verstrekt. De hoogte van te verstrekken financiële tegemoetkomingen of
                    persoonsgebonden budgetten is vastgelegd in het Besluit.</al><tussenkop>Artikel 5.3. Recht op een collectieve vervoersvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld wanneer een persoon met beperkingen in aanmerking kan
                    komen voor een vervoersvoorziening. Het algemene criterium is dat ten gevolge
                    van een beperking geen gebruik gemaakt kan worden van het openbaar vervoer. Deze
                    regel stamt uit de aan de Wvg voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk
                    beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een persoon met beperkingen
                    (de bekende 800-metergrens).</al><tussenkop>Artikel 5.4. Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening en recht
                    op een individuele vervoersvoorziening</tussenkop><tussenkop>Lid 1:</tussenkop><al>Artikel 5.4 geeft het primaat van de collectieve vervoersvoorziening aan boven
                    de individuele verstrekkingen zoals genoemd in artikel 5.1 onderdeel b. tot en
                    met i.</al><tussenkop>Lid 2:</tussenkop><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen die een
                    aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de
                    Centrale Raad van Beroep onder de vervallen WVG van bijzonder belang bij mensen
                    die slechts zeer beperkt mobiel zijn. Volgens de jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep onder de Wvg is er sprake van uiterst beperkte mobiliteit
                    wanneer een belanghebbende geen gebruik kan maken van (snor-, brom-, of
                    driewiel-)fiets en maximaal slechts 100 meter kan lopen. Voor deze categorie
                    mensen is alleen het collectief vervoer geen adequate voorziening en dient een
                    aanvullende voorziening te worden verstrekt. In lid 2 staat vermeld welke
                    voorzieningen in aanvulling op het collectief vervoer kunnen worden
                    verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 5.5. Inkomensgrenzen</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven welke vervoersvoorzieningen niet worden verstrekt
                    indien het inkomen hoger is dan anderhalf maal het norminkomen. De begrippen
                    inkomen en norminkomen zijn uitgewerkt in artikel 1 van de Verordening. In het
                    Besluit is bepaald hoe het inkomen dient te worden vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 5.6. Omvang</tussenkop><al>Onder de vervallen WVG was de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen
                    in het kader van het leven van alledag in de directe woon,- of leefomgeving; de
                    wet spreekt nu in artikel 4 lid 1 onderdeel c over “het zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de
                    WVG, maar aangezien met de wet niet is beoogd de reikwijdte van de WVG te
                    beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de
                    letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Op dit moment
                    (2006) betekent de directe woon- en leefomgeving in Diemen dat met het
                    (aanvullend) openbaar vervoer 5 zones gereisd kan worden. Vandaar dat in artikel
                    5.6, conform de onder de vervallen WVG gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan
                    van de eigen woon,- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale
                    zorgplicht, zoals die ook in de WVG-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de vervallen WVG in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van
                    voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000
                    kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met
                    de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de vervallen WVG uit te
                    breiden.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Rolstoelvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1. Typen rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>Onder de vervallen WVG waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie
                    voorzieningen opgenomen. In de wet is dat niet het geval, maar aangezien met
                    deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de voorafgaande
                    vervallen WVG te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd als
                    voorziening waarmee beperkingen bij het rijdend verplaatsen in en rond de woning
                    in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een rolstoel kan zowel
                    handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt
                    niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De
                    trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken
                    voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een
                    verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is
                    het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere
                    regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken
                    en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie
                    van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportvoorziening valt in het kader van deze Verordening onder de
                    rolstoelvoorzieningen. Onder de vervallen WVG was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de Verordening werd
                    verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 6.2. Vorm en hoogte rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven in welke vorm de rolstoelvoorzieningen worden
                    verstrekt. De hoogte van te verstrekken financiële tegemoetkomingen of
                    persoonsgebonden budgetten is vastgelegd in het Besluit.</al><tussenkop>Artikel 6.3. Recht op een rolstoelvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel zijn de voorwaarden voor de toekenning van een (sport)rolstoel en
                    rolstoelaanpassingen opgenomen.</al><al>Een persoon met beperkingen kan slechts voor een rolstoelvoorziening als bedoeld
                    in artikel 6.1 onderdeel a. in aanmerking kan komen als er een noodzaak bestaat
                    voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning. Een persoon met
                    beperkingen kan voor een sportvoorziening in aanmerking komen wanneer het
                    sporten zonder sportvoorziening niet mogelijk is.</al><al/><al><cursief>De tekst van deze toelichting geldt per 28-4-2011 (zie
                        Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning
                        24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 7. H et verkrijgen van voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1. Aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1:</tussenkop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger
                    noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend. Een persoon uit de
                    doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen
                    initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen. In dit artikel is
                    bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een daartoe beschikbaar
                    gesteld aanvraagformulier. Dit aanvraagformulier is vrij verkrijgbaar en zal op
                    termijn ook digitaal verkrijgbaar zijn. De aanvraag in het kader van de wet die
                    niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan echter niet
                    zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet bestuursrecht
                    bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de persoon met
                    beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger en een aanduiding van de
                    beschikking die gevraagd wordt, dient te bevatten en verder ondertekend moet
                    zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier, dat overigens niet is
                    ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                    daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                    verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al><tussenkop>Lid 2:</tussenkop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Team Wmo van de gemeente
                    Diemen.</al><tussenkop>Lid 3:</tussenkop><al>In lid 3 is geregeld dat de persoon met beperkingen of diens wettelijk
                    vertegenwoordiger bij het indienen van een aanvraag desgevraagd een geldig
                    identiteitsbewijs dient te overleggen. Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld
                    aan vreemdelingen een voorziening wordt toegekend. </al><al/><al><cursief>De tekst van deze toelichting geldt per 28-4-2011 (zie
                        Wijzigingsverordening en wijzingsbesluit maatschappelijke ondersteuning
                        24-2-2011).</cursief></al><al/><tussenkop>Artikel 7.2. Samenhangende afstemming.</tussenkop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    Verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de persoon met beperkingen. Deze
                    bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8.Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het
                    college</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1. Inlichtingen, onderzoek en advies</tussenkop><tussenkop>Lid 1:</tussenkop><al>Lid 1 onderdeel a. en b. van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het
                    college bevoegd is de persoon met beperkingen (indien van toepassing tezamen met
                    diens wettelijk vertegenwoordiger) op te roepen in persoon te verschijnen en te
                    ondervragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten
                    onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen.
                    Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. </al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In tegenstelling tot hetgeen
                    er was bepaald in de WVG is in de wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd
                    moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in
                    het kader van de wet advies uit te brengen. In de Verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt.</al><tussenkop>Lid 2:</tussenkop><al>Advies wordt gevraagd indien er sprake is van de in lid 2 genoemde gevallen. Een
                    afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder c., kan uiteraard alleen maar
                    op basis van een medisch advies. Met name wanneer de aard van de aandoening niet
                    echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige
                    aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is
                    wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot
                    invaliderende effecten voor de persoon met beperkingen en onnodige kosten voor
                    de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal
                    zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s. Tot slot
                    vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het zal
                    duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door deze
                    bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen
                    spelen.</al><tussenkop>Lid 4:</tussenkop><al>De bepaling in lid 4 spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 7.1 van deze Verordening, inzake het
                    gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door middel van
                    gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de gegevensverstrekking
                    worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de persoon met beperkingen of diens wettelijk
                    vertegenwoordiger echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke
                    gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag
                    volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten.</al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><tussenkop>Artikel 8.2. Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 8.3. Intrekking van een besluit tot verlening van een
                    voorziening</tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening ,
                    omdat de belanghebbende zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de
                    feiten.</al><tussenkop>Artikel 8.4. Wijziging hoogte eigen bijdrage of eigen aandeel</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 8.5. Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de Verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,00 en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de persoon met beperkingen of
                    diens wettelijk vertegenwoordiger sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze
                    dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen.
                    Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de
                    persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger in gebreke blijft
                    zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het
                    is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten
                    baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij
                    moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een
                    procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van
                    inschakeling van een deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                    binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget aan de aanschaf van de
                    voorziening voorafgaat. Bij bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen zal
                    dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de
                    bouwkundige of woontechnische aanpassing is uitgevoerd. Artikel 8.5 lid 1 juncto
                    artikel 8.4 lid 2 van de Verordening is dus niet van toepassing op bouwkundige
                    of woontechnische woonvoorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 8.6. Eisen ten aanzien van de burgerparticipatie</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9. Slotbepalingen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 9.1. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 9.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    persoon met beperkingen of diens wettelijk vertegenwoordiger kan afwijken van de
                    bepalingen bij of krachtens deze Verordening en dus niet van de in de wet zelf
                    genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen. Dit afwijken kan
                    alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken persoon met
                    beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de Verordening wordt
                    afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 9.2. Beslissing in gevallen waarin de Verordening niet
                    voorziet</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 9.3. Indexering</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling maakt het mogelijk voor het college om alle bedragen,
                    genoemd in de verordening en in het op de verordening gebaseerde Besluit, te
                    indexeren.</tussenkop><tussenkop>Artikel 9.4. Citeerartikel; inwerkingtreding</tussenkop><al>De bepaling behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>