<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR423426_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning Waddinxveen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waddinxveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waddinxveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning Waddinxveen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV/16/00645</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING WADDINXVEEN 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Waddinxveen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30
                        augustus 2016; </al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al>gelezen het advies van de Participatie Adviesraad Sociaal Domein
                        Waddinxveen;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                        Waddinxveen 2016</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat,
                                    zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften,
                                    persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers,
                                    toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke
                                    ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet
                                    speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die
                                    algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                    vergelijkbare producten;</al></li><li nr="c."><al>andere voorziening: voorziening op basis van een andere wet dan
                                    de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijdrage in de kosten: de bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4
                                    van de wet;</al></li><li nr="e."><al>cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening
                                    of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is
                                    verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als
                                    bedoeld in artikel 2;</al></li><li nr="f."><al>cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met
                                    informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan
                                    het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het
                                    verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het
                                    gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg,
                                    zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="g."><al>melding: de mededeling aan het college door of namens een
                                    persoon dat deze behoefte heeft aan maatschappelijke
                                    ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen
                                    in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders,
                                    inwonende kinderen of andere huisgenoten;</al></li><li nr="i."><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="j."><al>ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente
                                    Waddinxveen;</al></li><li nr="k."><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en
                                    mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:</al><lijst><li nr="·"><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen
                                            kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van
                                            de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer,
                                            alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                                            maatregelen,</al></li><li nr="·"><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het
                                            daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en
                                            andere maatregelen,</al></li><li nr="·"><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li><li nr="l."><al>onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie
                                    werkdagen;</al></li><li nr="m."><al>persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden,
                                    bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g
                                    van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke
                                    ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;</al></li><li nr="n."><al>professionele aanbieder: een aanbieder die opgeleid en, indien
                                    van toepassing, geregistreerd is voor het verrichten van de
                                    werkzaamheden in het kader van het uitvoeren van de wet en
                                    voldoet aan de voor die werkzaamheden benodigde kwalificaties en
                                    vereisten;</al></li><li nr="o."><al>gesprek: het gesprek als bedoeld in artikel 5;</al></li><li nr="p."><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                    wet;</al></li><li nr="q."><al>voorliggende voorziening: een andere voorziening die
                                    vergelijkbaar is met een voorziening op grond van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015, waardoor geen voorziening
                                    op grond van deze verordening hoeft te worden verleend;</al></li><li nr="r."><al>voorziening in natura: een voorziening om de zelfredzaamheid of
                                    participatie van een ingezetene te verbeteren of te voorzien in
                                    de behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="s."><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het
                            Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan met toestemming door of namens een cliënt bij het
                            college worden gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft
                            het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening
                            in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na de melding wordt een afspraak gemaakt voor een
                            gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><al>Het college wijst de cliënt die een melding doet en diens mantelzorger(s) op
                        de mogelijkheid gratis gebruik te maken van cliëntondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over
                            de cliënt en zijn situatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige
                            gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het
                            onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                            krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter
                            inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in
                            overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een
                            persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op
                            te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de
                            gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt na de melding in een gesprek met de cliënt, zijn
                            vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger zo spoedig
                            mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of
                                    met algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                                    zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien
                                    in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen
                                    uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn
                                    zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn
                                    behoefte aan beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                    mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                    voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                    activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid
                                    of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking
                                    van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan
                                    beschermd wonen of opvang;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van samenwerking met
                                    zorgverzekeraars en zorgaanbieders zoals bedoeld in de
                                    Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke
                                    gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en
                                    inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde
                                    dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van
                                    zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen
                                    of opvang; </al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt zal zijn
                                    verschuldigd;</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                    waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht
                                    over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid,
                            aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het
                            onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek,
                            diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt
                            toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien
                            van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het gesprek verstrekt het college de cliënt een
                            schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                            (ondersteuningsplan).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat
                            een getekend exemplaar binnen 7 werkdagen wordt geretourneerd aan de
                            contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de
                            reden is waarom hij niet akkoord is. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                            maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende
                            verslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk
                            indienen bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag kan niet eerder worden ingediend nadat het in artikel 5
                            bedoelde onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is
                            uitgevoerd binnen de 6 weken als bedoeld in de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college
                            vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek aan als
                            aanvraag als dat op het verslag is aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het beoordelen van de aanvraag om een maatwerkvoorziening neemt het
                            college het verslag van het gesprek als uitgangspunt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: </al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                    participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                    beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                    kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                                    andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                    gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                    maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                    van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage
                                    aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                                    wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                                    mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of </al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                    samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                    problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al
                                    dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg
                                    van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar
                                    het oordeel van het college niet op eigen kracht, met
                                    gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                    personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van
                            het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het
                            voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en
                            aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                            gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                            samenleving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het
                            college de goedkoopst adequate voorziening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van
                            maatwerkvoorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
                        vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de hulpvraag om
                        een maatwerkvoorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in
                            ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="c."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet
                            een pgb. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                            gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening
                            noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan
                                    over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede
                                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                                    die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken,
                                    en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                    onderhoud en verzekering, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende
                                    situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tarief zoals vermeld in dit artikel, is een all-in tarief. Dat wil
                            zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie,
                            verzekering(en) en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van het pgb voor</al><lijst><li nr="a."><al>een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak
                                    die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak
                                    in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een
                                    tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop
                                    gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn
                                    waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met
                                    onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe
                                    voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd,
                                    rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen
                                    korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden, individuele begeleiding, dagbesteding
                                    en kortdurend verblijf bedraagt maximaal 75% ten opzichte van de
                                    maatwerkvoorziening in natura als de ondersteuning wordt
                                    geleverd door een professionele aanbieder en maximaal € 20,00
                                    per uur, dagdeel of etmaal als de ondersteuning wordt geleverd
                                    door iemand vanuit het sociale netwerk of een niet-professionele
                                    aanbieder. </al></li><li nr="c."><al>als uitzondering op sub b geldt dat het pgb voor hulp bij het
                                    huishouden bij inzet van het sociale netwerk of een
                                    niet-professionele aanbieder gelijk is aan het minimumloon +
                                    20%.</al></li><li nr="d."><al>vervoer naar dagbesteding bedraagt maximaal 75% ten opzichte van
                                    de maatwerkvoorziening in natura als de ondersteuning wordt
                                    geleverd door een professionele aanbieder. Als dit vervoer wordt
                                    geleverd door iemand vanuit het sociale netwerk dan bedraagt dit
                                    maximaal het tarief voor vervoer naar dagbesteding en geldt geen
                                    opslag voor een eventuele rolstoel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van
                            een pgb voor een specifieke maatwerkvoorziening wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan onder de volgende
                            voorwaarden een maatwerkvoorziening betrekken van een persoon die
                            behoort tot het sociaal netwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten
                                    vergelijkbaar met het bruto uurloon conform de Wet Minimumloon
                                    of maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende
                                    pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele
                                    zorgverleners;</al></li><li nr="b."><al>tussenpersonen of belangenbehartigers worden niet uit het pgb
                                    betaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college stelt nadere kwaliteitseisen op ten aanzien van de persoon
                            uit het sociaal netwerk die de ondersteuning levert en ten aanzien van
                            de ondersteuning die door de persoon uit het sociaal netwerk wordt
                            geleverd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een
                            maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening
                            gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt,
                            en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn
                            echtgenoot.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>door een aanbesteding; </al></li><li nr="b."><al>na een consultatie in de markt, of </al></li><li nr="c."><al>in overleg met de aanbieder. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs voor een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een
                            woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de
                            bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder
                            begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het
                            Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders
                            dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                            cliënt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de bijdrage
                            voor maatwerkvoorzieningen of pgb’s overeenkomstig artikel 3.1, tweede
                            lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt verlaagd, waarbij wordt
                            bepaald welke afwijkende bedragen, percentages en inkomensbedragen
                            worden gehanteerd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels omtrent de hoogte van de kostprijs.
                        </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast omtrent welke andere instantie dan
                            het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet,
                            de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en
                            geïnd </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag
                            redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing
                            had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in
                            aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                            zelfredzaamheid of participatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de cliënt geen ingezetene is; </al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                                    met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal
                                    netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met
                                    gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                    of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="c."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                    gebruikelijk is;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden
                                    beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht,
                                    bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid, en 2.3.6,
                                    vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van
                                    een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot
                                    zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                                    leefomgeving kan blijven;</al></li><li nr="h."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die
                                    de belanghebbende vóór het indienen van de aanvraag heeft
                                    gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor
                                    schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog
                                    valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als
                                    goedkoopste adequate voorziening aan te merken valt;</al></li><li nr="i."><al>voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of
                                    regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de
                                    voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of
                                    verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                    omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of
                                    tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de
                                    veroorzaakte kosten , of de eerder verstrekte voorziening niet
                                    langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                    maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verstrekt geen woonvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de
                                    woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                                    tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen,
                                    ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een
                                    voorziening voor verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                                    betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het
                                    verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen
                                    van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een
                                    opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke
                                    ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en
                                    inrichting;</al></li><li nr="d."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor
                                    geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de
                                    zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden
                                    voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen
                                    op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf
                                    schriftelijk toestemming is verleend door het college;</al></li><li nr="f."><al>als redelijkerwijs uitgegaan kan worden van renovatie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie en
                                    de eigen mogelijkheden van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg,
                                    specifiek de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de
                                    cliënt; </al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdere eisen die
                            worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking
                            tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten
                            en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                            deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande
                            het recht op een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit
                            genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken als het
                            college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander
                                    besluit zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten; </al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan voorwaarden van de
                                    maatwerkvoorziening of het pgb;</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien
                            blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft plaatsgevonden, kan het college geheel of gedeeltelijk de
                            geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening
                            of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan
                            op grond van artikel 2.4.1 van de wet een reeds uitbetaald pgb worden
                            teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al
                            dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                            geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                            aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                            heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan
                            de toezichthoudend ambtenaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                            onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het
                            college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden
                            van geweld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor
                            het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                            voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse waardering
                        voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in
                            artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of
                            chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                            houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken
                            ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regels in welke gevallen en in welke mate
                            een tegemoetkoming kan worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert
                            voor door derden te leveren diensten, rekening met in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert
                            voor door derden te leveren overige voorzieningen, rekening met in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van
                                    de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>aanmeten, levering en plaatsing van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>instructie over het gebruik van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>onderhoud van de voorziening;</al></li><li nr="·"><al>verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden
                                            (bijvoorbeeld sociale wijkteams).</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college handelt klachten af overeenkomstig de door de gemeente
                            gestelde klachtenregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie
                            subsidie is verleend door het college, hebben een regeling vastgesteld
                            voor de afhandeling van klachten van cliënten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie de
                            gemeente subsidie heeft verleend, hebben een cliëntenraad die belast is
                            met de behartiging van de van de gemeenschappelijke belangen van de
                            cliënten van de aanbieder. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden
                            waaraan een cliëntenraad moet voldoen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college op de
                            naleving van nadere regels door periodieke overleggen met de aanbieders
                            en de cliëntenraden, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen en belangenbehartigers bij het
                            beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                            geval cliënten of vertegenwoordigers van cliëntgroepen, bij de
                            voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                            overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde
                            inspraakverordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt genoemde in lid 1 vroegtijdig in de gelegenheid
                            voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning
                            te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen
                            en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat genoemde in lid 1 kunnen deelnemen aan
                            periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                            aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname
                            aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                            derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning Waddinxveen 2015 wordt
                            ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                            de Verordening maatschappelijke ondersteuning Waddinxveen 2015 totdat
                            het college een nieuw besluit heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning Waddinxveen 2015 maar waarop nog niet is beslist bij het
                            in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens
                            deze Verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning Waddinxveen 2016.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Waddinxveen in zijn openbare
                        vergadering van 5 oktober 2016 </ondertekening><ondertekening>de griffier, (mr. F.W. van der Dussen) de voorzitter, (drs. H.P.L.
                        Cremers)</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning
                        Waddinxveen 2016</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo
                    nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat
                    een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en
                    deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht
                    op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is
                    komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure
                    daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt
                    uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning
                    waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in
                    mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders.
                    Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze
                    bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten
                    op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter
                    alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de
                    toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan
                    niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten
                    ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de
                    artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en
                    2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="·"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; </al></li><li nr="·"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="·"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; </al></li><li nr="·"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="·"><al>ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is; </al></li><li nr="·"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="·"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="·"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6,
                    eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: </al><lijst><li nr="·"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="·"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid,
                    2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="·"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="·"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt
                            gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en
                            dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                            cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="·"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="·"><al>bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de
                            eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens
                            onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met
                            de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al></li><li nr="·"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële
                            draagkracht;</al></li><li nr="·"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al>Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met
                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 nadere regels te
                    stellen. </al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Het aantal definities in artikel 1 is ten opzichte van de wet beperkt
                    weergegeven aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities
                    kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een
                    aantal belangrijke of nieuwe wettelijke definities hieronder toegelicht.</al><al>·maatschappelijke ondersteuning: </al><al>1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de
                    toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een
                    beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en
                    bestrijden van huiselijk geweld, </al><al>2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een
                    beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel
                    mogelijk in de eigen leefomgeving,</al><al>3°. bieden van beschermd wonen en opvang;</al><lijst><li nr="·"><al>voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; </al></li><li nr="·"><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                            voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en
                            mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                            maatschappelijke ondersteuning; </al></li><li nr="·"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is
                            bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en
                            niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, voorbeeld is
                            een elektrische fiets;</al></li><li nr="·"><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
                            van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen:</al></li></lijst><al>1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in
                    een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke
                    vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,</al><al>2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke
                    vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,</al><al>3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al><lijst><li nr="·"><al>cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies
                            en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                            zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal
                            mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                            ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
                            wonen, werk en inkomen; </al></li><li nr="·"><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van
                            jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                            personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader
                            van een hulpverlenend beroep; </al></li><li nr="·"><al>gesprek: het mondeling contact na een melding waarin het college met
                            degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie
                            inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht,
                            met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen
                            uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende
                            voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene
                            voorzieningen, of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                            participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken
                            van beschermd wonen of opvang.</al></li><li nr="·"><al>persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen
                            worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                            maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt
                            van derden heeft betrokken. De Sociale VerzekeringsBank (SVB) draagt in
                            opdracht van het college zorg voor de betalingen aan derden.</al></li></lijst><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals:
                    ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een
                    besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). </al><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag </tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang.</al><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het
                    college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook
                    in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.
                    In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan
                    worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is
                    uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                    weken.</al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. </al><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer
                    per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
                    deze weg geopend is.</al><al>De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden
                    opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger,
                    partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. </al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                    ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die
                    op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden
                    doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de
                    Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van
                    artikel 8, tweede lid.</al><al>Na een melding wordt onderzoek gedaan dat in ieder geval bestaat uit een
                    gesprek.</al><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald
                    dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de
                    mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de
                    melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden
                    gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de
                    gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de
                    melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de
                    belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens
                    het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen
                    worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over
                    te leggen. </al><al>Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat
                    een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.</al><al>In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de
                    verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de
                    mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan
                    het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid. </al><tussenkop>Artikel 5. Gesprek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en
                    de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. </al><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
                    aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene
                    door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op
                    deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt
                    dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van
                    persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene,
                    aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie
                    verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is
                    vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker
                    essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al>In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het
                    verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning
                    effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf
                    vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In de wetsvoorstel Wmo
                    2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.</al><tussenkop>Artikel 6. Het ondersteuningsplan</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>De invulling van de verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden
                    voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de
                    cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in
                    staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in
                    beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente
                    inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en
                    draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de
                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het
                    onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen
                    zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat
                    geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe
                    onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
                    Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement)
                    voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte
                    afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is
                    in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien
                    een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd
                    aan het verslag.</al><al>Soms kan een ondersteuningsplan al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit
                    toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom
                    begint het eerste lid met de zinsnede “Zo spoedig mogelijk na het gesprek”. Het
                    kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt
                    wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan
                    meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking
                    heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek nuttig. Een korte termijn
                    is van belang voor de periode van 6 weken tussen melding en aanvraag.</al><tussenkop>Artikel 7. De aanvraag</tussenkop><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                    wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al>In het eerste lid is aangegeven dat de cliënt alleen (of een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger) een aanvraag kan indienen. Dit is
                    minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen.
                    Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de
                    formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis
                    van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. </al><al>Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier
                    hoeft niet in behandeling genomen te worden.</al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    opgenomen om een door verslag als aanvraag aan te merken als dit is
                    aangegeven.</al><tussenkop>Artikel 8.Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><tussenkop>Artikel 9. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. </al><al>Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of
                    afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de
                    adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. </al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</al><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Tweede, onder b, en derde
                    lid, onder c: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch
                    is afgeschreven.</al><al>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt
                    niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt
                    immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie
                    artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de
                    bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met
                    uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd
                    door het CAK.</al><tussenkop>Artikel 11. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de
                    motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de
                    aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement
                    Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren</al><al>Dit artikel geeft ook invulling aan de wet. Hierin staat dat in de verordening
                    in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt
                    vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van
                    toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de
                    gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een
                    percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen
                    van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de
                    mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb.
                    Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van
                    ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij
                    het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken
                    tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door
                    hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die
                    dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand
                    zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers-
                    of opvangvoorzieningen.</al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. </al><al>Ten aanzien van het zevende lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><tussenkop>Artikel 12. Regels voor bijdrage in de kosten </tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. </al><al>De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en
                    dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de
                    regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om bij
                    verordening te bepalen of te verwijzen of er een eigen bijdrage verschuldigd is,
                    welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening en
                    of daar een korting op van toepassing is. Bij het bieden van deze beleidsruimte
                    gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en
                    voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van
                    eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening
                    (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere
                    maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. </al><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een
                    bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de wet). De bijdrageregels in de verordening en nadere regels moeten passen
                    binnen de kaders die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</al><tussenkop>Artikel 13. Weigeringsgronden </tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen zodat onder een artikel samengevat wordt wat de
                    weigeringsgronden van een maatwerkvoorziening zijn.</al><al>De verwijzing bij f. naar artikel 2.3.5, 6e lid houdt in dat een
                    maatwerkvoorziening geweigerd kan worden indien de cliënt aanspraak heeft op
                    verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of diens opvolger, dan wel er redenen zijn
                    om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te
                    werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.</al><tussenkop>Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen.</al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is
                    verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het derde lid: een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een
                    voorziening treft. Als binnen drie maanden na het besluit tot het verstrekken
                    van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid
                    om het besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien
                    als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens
                    op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ </al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van het pgb, in eigendom en in bruikleen
                    verstrekte voorzieningen.</al><al>Het achtste lid regelt dat het college de besteding van het pgb nader kan
                    onderzoeken.</al><tussenkop>Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 14 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening dan wel nadere regels wordt
                    bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                    waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 18. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of
                    chronische problemen </tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is
                    opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan
                    personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen
                    die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                    wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de
                    participatie.</al><al>De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke
                    aanvraag is een beschikking en meer in het bijzonder een subsidiebeschikking. De
                    bepalingen in de Awb, onder andere over bezwaar en beroep en subsidies zijn
                    hierop van toepassing. </al><al>De tegemoetkoming kan een alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening of pgb.
                    Hiervoor is wel vereist dat de cliënt zelf kiest voor een tegemoetkoming.
                    Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een cliënt die een aanvraag doet voor
                    een maatwerkvoorziening of pgb en die tijdens het onderzoek naar de aanvraag de
                    keuze krijgt om een tegemoetkoming te ontvangen voor de door hem gewenste
                    voorziening. Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel
                    het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie
                    heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet
                    aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden
                    gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor
                    maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in
                    zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder
                    verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de
                    tegemoetkoming.</al><al>Op grond van het tweede lid kan het college bij besluit bepalen in welke
                    gevallen een tegemoetkoming wordt verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door
                    het vastleggen bij besluit is voor de burger op voorhand duidelijk op welke
                    tegemoetkoming hij recht heeft.</al><tussenkop>Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 20. Klachtenregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
                    In het eerste lid is een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. </al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor
                    de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente open.</al><tussenkop>Artikel 21. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap (cliëntenraad) dienen vast te stellen. De aanbieder is ten
                    aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een
                    medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de
                    wet).</al><al>Het college kan instrumenten vaststellen in nadere regels om te zorgen dat de
                    verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 22. Betrekken van ingezetenen en belangenbehartigers bij het
                    beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><tussenkop>Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. </al><tussenkop>Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>