<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42334_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, d.d. 24-12-2008,pagina 7</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, artikel 102.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08-70</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        gemeente Diemen”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><al>1.Wet op het primair onderwijs, artikel 102.</al><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>01-01-2009</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>18-12-2008</al><al>Diemer Nieuws</al><al>d.d. 24-12-2008,</al><al>pagina 7.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>nr. 08-70</al><al/><al/><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen
                            2009</vet></al><al/><al>Nr.: 08-70</al><al>De gemeenteraad van Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 4
                        november 2008;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen d.d. 2 september 2008;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen 2009.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>minister : de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag : bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die
                                    geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school : school voor basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>school voor basisonderwijs : een basisschool als bedoeld in van
                                    de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="e."><al>nevenvestiging : deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al>voorziening : een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma : het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht : het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager : het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag : verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik : voorziening in de huisvesting die,
                                    volgens de uitkomst</al><al> bestemde voorziening van de prognose als bedoeld in van deze
                                    verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik : voorziening in de huisvesting die,
                                    volgens de uitkomst</al><al> bestemde voorziening van de prognose als bedoeld in bijlage II
                                    van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk
                                    is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw : schoolgebouw dat door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal : verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte : ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad : een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur : het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte : de akte als bedoeld in artikel 110, eerste
                                    lid van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten : de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht : de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>algehele aanpassing binnenzijde schoolgebouw aan de
                                            eigentijdse onderwijskundige voorzieningen;</al></li><li nr="4."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="5."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="6."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog
                                            niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege
                                            in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="9."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs
                                    bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in
                                    bijlage I;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1
                            tot en met 6 kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a sub 1, 2, 6, 7 en 8.</al><al> Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a sub 3, 4, 5 en 8. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1.</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij dit naar oordeel van het college niet
                                            noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1
                                            tot en met 5;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                    gebouw;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs,
                                    of;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>herstel van een constructiefout.</al><lijst><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    stelt het college de aanvraag buiten behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                    verstrekt, stelt het college de aanvraag buiten
                                    behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2.</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens
                                    in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3.</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al><al> Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                            komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van
                                            de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                            uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover
                                            het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11,
                                            eerste lid, toereikend zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V en artikel 4 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4.</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven
                                    tijdstip.</al><al> Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al><al> De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                    betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij
                                    zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij dit naar oordeel van burgemeester en
                                            wethouders niet noodzakelijk is;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2.</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de
                                    beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn
                                    toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking
                                    door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel
                                    een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering. Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van zes weken geldt. Hiervoor moet worden gelezen zes
                                weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                    aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                    afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                    vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1.</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29:</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                    basisonderwijs en uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                    meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van
                                    bijlage IV, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante
                                    meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van
                                    bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal
                                    vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in
                                    bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de
                                    daar gevestigde school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte en de som van
                                    het aantal klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed
                                    minder is dan 40 klokuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in IV, deel C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2.</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3.</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen,
                            vastgesteld door de Raad op 19 december 2006, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Diemen 2009.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2009.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2008.</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE I: CRITERIA VOOR BEOORDELING VAN AANGEVRAAGDE
                        VOORZIENINGEN</titel></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al>DEEL A. Lesgebouwen</al><al><vet><cursief>1. School voor basisonderwijs</cursief></vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                            noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard.
                            Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na
                            overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al><vet><cursief>1.1. Nieuwbouw</cursief></vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al><cursief>1e</cursief>. het feit dat de te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend
                                    gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                                    vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al><cursief> 2e</cursief>. het feit dat de te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk
                                    gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.2. Vervangende bouw</cursief></vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b."><al><cursief>1e</cursief>. het feit dat de te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor blijvend
                                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                                    vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al><cursief> 2e</cursief>. het feit dat de te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks
                                    ter beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                    herschikkingoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                    ordening noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is
                            dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van
                            sloopkosten plaats.</al><al><vet><cursief>1.3. Uitbreiding</cursief></vet></al><al><vet><cursief>1.3.1. Uitbreiding algemeen</cursief></vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                                    van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de
                                    in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt,
                                    en</al></li><li nr="b."><al><cursief>1e</cursief>. het feit dat de prognose, die voldoet aan
                                    de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                                    vijftien aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik
                                    bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                                    verwacht of</al><al><cursief> 2e</cursief>. het feit dat de prognose, die voldoet
                                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                    minste vier aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden
                                    verwacht of</al><al><cursief> 3e</cursief>. het feit dat de laatste teldatum voor
                                    het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen
                                    aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest
                                    en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.3.2. Algehele aanpassing binnenzijde
                                gebouw</cursief></vet></al><al>De noodzaak voor algehele aanpassing van de binnenzijde van het gebouw
                            blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat het schoolgebouw minimaal 20 jaar oud is of</al></li><li nr="a2."><al>in de laatste 20 jaar geen inpandige aanpassing heeft
                                    plaatsgevonden en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                    vereisten uit Bijlage II, aantoont dat ten minste 15 jaar
                                    gebruik zal worden gemaakt van het betreffende gebouw.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.4 Ingebruikneming van een bestaand
                                gebouw</cursief></vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>1e</cursief>. het feit dat de minister de
                                    desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                                    aanmerking brengt of</al><al><cursief> 2e</cursief>. het feit dat het huidige gebouw voor
                                    vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b."><al><cursief>1e</cursief>. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                                    of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                                    deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al><al><cursief> 2e</cursief>. de te huisvesten leerlingen aanwezig
                                    zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                                    deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                    aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of
                                    uitbreiding.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.5. Verplaatsing bestaande
                            noodlokalen</cursief></vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit
                            dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit
                                    bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten
                                    minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende
                                    noodlokalen op een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed
                                    kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de
                                    kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde
                                    aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van
                                    het college.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.6. Terrein</cursief></vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                            verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                            uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                            toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                            voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al><vet><cursief>1.7. Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                    meubilair</cursief></vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                            blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening
                            in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                            huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1
                            januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al><vet><cursief>1.8. Medegebruik</cursief></vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                            leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op
                            grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                            vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in
                            bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al><vet><cursief>1.9. Aanpassing</cursief></vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de
                                    eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen
                                    afstoten;</al></li><li nr="c."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="d."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="e."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                    aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li></lijst><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                            van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria,
                            zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet
                            aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl
                            deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            te verwezenlijken zijn.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                            kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                            leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                            binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende
                            ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs
                            aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen.</al><al><cursief>Ad d</cursief></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op
                            korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><cursief>Ad e</cursief></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is.</al><al><cursief>Ad f</cursief></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                            gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de
                            betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het
                            aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om
                            zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
                            onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                            kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                            zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om
                            de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                            betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                            het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                            verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                            goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet><cursief>1.10. Onderhoud</cursief></vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven
                                    in het overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                                    (inclusief hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen
                                    voor centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                            bijlage II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor
                            de school nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in
                            aanmerking indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                                    bijlage II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de
                                    school nodig is; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                                    medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.11. Herstel van constructiefouten</cursief></vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                            rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                            constructiefout.</al><al><vet><cursief>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                    omstandigheden</cursief></vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL B. Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>1.1. Nieuwbouw</tussenkop><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.2. Vervangende bouw</tussenkop><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.3. Uitbreiding</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><tussenkop>1.4. Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>1e</cursief>. het feit dat de minister de school voor het eerst
                            voor bekostiging in aanmerking brengt of</al><al><cursief> 2e.</cursief> het feit dat het huidige gebouw voor vervanging,
                            conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college e
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><tussenkop>1.5. Terrein</tussenkop><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><tussenkop>1.6. Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.7. Eerste inrichting meubilair</tussenkop><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>1.8. Medegebruik</tussenkop><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad 5</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><tussenkop>1.10. Onderhoud</tussenkop><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                            overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><tussenkop>1.11. Herstel constructiefouten</tussenkop><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><tussenkop>1.12. Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>I-1</tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Onderhoud PO'</tussenkop><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatieactiviteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                            (renovatieactiviteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatieactiviteit).</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE II. CRITERIA VOOR OPSTELLING EN TOETSING
                    LEERLINGPROGNOSES</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE III. CRITERIA VOOR OPPERVLAKTE EN INDELING</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al>DEEL A. De bepaling van de capaciteit</al><al><vet><cursief>1. School voor basisonderwijs</cursief></vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                            onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming
                            met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de
                            met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                            beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                            onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang)
                            en recreatieve doeleinden.</al><al><vet><cursief>1.1. Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de
                                    T en B-dislocaties met een permanente of tijdelijke
                                    bouwaard</cursief></vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw
                            is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                            'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van
                            de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>Basisschool</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in
                            het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw
                            met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                            worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                            het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de
                            capaciteitsbepaling.</al><al><vet><cursief>1.2. Dislocaties, gebouwen met een permanente of
                                    tijdelijke bouwaard</cursief></vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen
                            geldt het gestelde onder 1.1.</al><al><vet><cursief>1.3. Rangorde hoofdgebouwen en
                            dislocaties</cursief></vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                            gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                            daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                            rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw
                            (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of
                            meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld.
                            Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie
                            van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de
                            rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten
                            worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
                            hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                            staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te
                            dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt
                            nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met
                            een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                            capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                            beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de
                            overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de
                            bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van
                            de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan
                            krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor
                            omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande
                            tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college,
                            het college anders beslist.</al><al><vet><cursief>1.4. Terrein</cursief></vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                            kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt.
                            De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                            registratie van het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van
                            het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel
                            van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet><cursief>1.5. Inventaris</cursief></vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle
                            scholen voor (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                            voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte
                            van de school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                            aanwezige inventaris.</al><al><vet><cursief>1.6. Gymnastiekruimten</cursief></vet></al><al><vet><cursief>1.6.1. Gymnastiekruimte</cursief></vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt
                            40 klokuren.</al><al><vet><cursief>1.6.2. Terrein</cursief></vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                            Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                            gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                            lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al><vet><cursief>1.6.3. Inventaris</cursief></vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2009 wordt geacht voldoende te
                            zijn.</al><al>DEEL B. Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al><vet><cursief>1. School voor basisonderwijs</cursief></vet></al><al><vet><cursief>1.1. Lesgebouwen</cursief></vet></al><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom
                            bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de
                            huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen
                            BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                            Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als
                            een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een
                            toeslag in verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de
                            formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig
                            afgerond op hele vierkante meters.</al><al>, en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                            waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                            vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van
                                    alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter
                                    grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen,
                                    waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De
                                    uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal;</al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van
                                    het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom
                                    vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al><vet><cursief>1.2. Gymnastiekruimten</cursief></vet></al><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal
                            klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                            formatieplaatsen, zoals bepaald in de Verordening financiële en
                            materiële gelijkstelling gemeente Diemen 2009.</al><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                            gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                            accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald
                            door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar
                            waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de
                            school zal zijn ingeschreven.</al><al><vet><cursief>1.3. Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding
                                    van) eerste aanschaf onderwijsleerpakket en
                                meubilair.</cursief></vet></al><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende
                            componenten:</al><lijst><li nr="a."><al>onderwijsleerpakket</al></li><li nr="b."><al>meubilair</al></li></lijst><al><cursief>a.</cursief><cursief> onderwijsleerpakket</cursief></al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel
                            uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt
                            voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande
                            formule:</al><al>G = (A + B + C + D) / 179 + E</al><al>De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals
                            opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in
                            bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al><cursief>b.</cursief><cursief> meubilair</cursief></al><al>Ten behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van
                            de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het
                            aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:</al><al>G = (A + B + C) / 179</al><al>De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals
                            opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in
                            bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al>DEEL C. De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening
                            is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de
                            financiële consequenties vast te stellen.</al><al><vet><cursief>1. School voor basisonderwijs</cursief></vet></al><al><vet><cursief>1.1. Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen</cursief></vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                            noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter
                            brutovloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                            genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                            bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                            hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                            zal blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                            beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals
                            beschreven in deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                            genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan.
                            Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                            hierboven genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien
                            jaar zal blijven bestaan.</al><al><vet><cursief>1.2. Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk
                                    gebruik bestemde voorzieningen</cursief></vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te
                            realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                            III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel
                            uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en
                            meubilair wordt bepaald door de omvang in m2 bruto-vloeroppervlakte van
                            de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                            zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel
                            van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al><vet><cursief>1.3. Gymnastiekruimten</cursief></vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                            wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven
                            in onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                            voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                            onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                            maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het
                            terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                            om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte
                            te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                            meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                            gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf
                            van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de
                            gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                            herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval
                            van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al> DEEL D. Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</al><al><vet><cursief>1. School voor basisonderwijs</cursief></vet></al><lijst><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                    gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li></lijst><al><vet><cursief>2. Gymnastiekruimten</cursief></vet></al><lijst><li nr="-"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="-"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                            was-/douchegelegenheid.</al></li></lijst><tussenkop>III-1</tussenkop><tussenkop>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'</tussenkop><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs volgens NEN 2580, met de volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="-"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="-"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE IV. FINANCIERING NORMERING 2008 </tussenkop><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="-"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief.</al><al>DEEL A. Vergoeding op basis van normbedragen</al><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                            is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze
                            vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van
                            2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven
                            normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het
                            programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                            uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten
                            van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht.</al><al>Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al><al><vet><cursief>1. School voor basisonderwijs</cursief></vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                                    (paragraaf 1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve
                            van de vergoedingen voor 2007. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2007 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2008
                            (2,75% voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en
                            2,5% voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek).
                            De systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in
                            hoofdstuk 4.</al><al><vet><cursief>1.1. Nieuwbouw (permanente bouwaard)</cursief></vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                            kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                    vervangende bouw;</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding
                            van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen
                            zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente
                            bouwaard).</al><al><cursief>Kosten voor terreinen</cursief></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                            gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na
                            aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het
                            schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht, zullen de
                            kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma.
                            Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten
                            behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                            wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                            bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de
                            gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                            minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar
                            bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude
                            gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de
                            kosten voor terreinen.</al><al><cursief>Bouwkosten</cursief></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                            inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                            startbedrag, waarin inbegrepen een aantal m2 en een bedrag per m2 voor
                            de overige m2 bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                            bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 736.297,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.260,01</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw op dezelfde plaats</cursief></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                            desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                            verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen,
                            is gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type
                            huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35,05</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>1.2. Uitbreiding (permanente
                            bouwaard)</cursief></vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                            brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering
                            weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de
                            financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf
                            1.1).</al><al><cursief>Kosten voor terrein</cursief></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                            uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van
                            de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij
                            nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al><cursief>Bouwkosten</cursief></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra
                            aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding
                            bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze
                            vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                            bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.823,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 60 tot 115 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.882,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.436,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw op dezelfde plaats</cursief></al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                            bouwaard).</al><al><vet><cursief>1.3. Tijdelijke voorziening</cursief></vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                            behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                            onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of
                            uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een
                            bestaande tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op
                            realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een
                            voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt
                            ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het
                            aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan
                            geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                            nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al><cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                hoofdlocatie</cursief></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                            bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de
                            toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige
                            aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 41.930,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.953,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.030,44</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke
                            voorzieningen</cursief></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                            bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en
                            de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of
                                                groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.569,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2
                                                bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.713,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.079,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            gebouwen</cursief></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                            gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en
                            huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis
                            van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                            kosten)</al><al>1.3.a. Algehele aanpassing binnenzijde schoolgebouw</al><al>Aan de hand van de levensduur van het schoolgebouw wordt op basis van
                            een bedrag per m2 brutovloeroppervlakte een vergoeding verstrekt voor
                            het aanpassen van het schoolgebouw aan de onderwijskundige eisen van het
                            jaar van aanvraag. Het beschikbaar te stellen bedrag wordt bepaald op
                            basis van feitelijke kosten.</al><al><vet><cursief>1.4. Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                                    meubilair</cursief></vet></al><al><cursief>Basisschool</cursief></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                            tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna
                            opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven
                            aantal m2. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de
                            hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met
                            en zonder uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                            volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 34.311,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>1.5. Aanpassing</cursief></vet></al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie
                            deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al><vet><cursief>1.6. Gymnastiek</cursief></vet></al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al><cursief>Nieuwbouw</cursief></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal
                            voor een basisschool met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt
                            € 774.035,26 (op het schoolterrein) respectievelijk € 789.690,58 (op
                            afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van
                            fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                            grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven
                            afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.568,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.462,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.143,12</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding</cursief></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie
                            aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                            een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft
                            van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een
                            oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de
                            bedragen voor een basisschool er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 179.837,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 218.616,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk
                            is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde
                            paallengte.</al><al> De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>112-120m2</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>121-150m2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.969,91</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.715,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.072,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.086,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.736,85</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.671,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>OLP/meubilair</cursief></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                            gymnastiekzaal bedraagt voor een basisschool € 45.966,89.</al><al><vet><cursief>2. Indexering</cursief></vet></al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil
                            van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke
                            prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte
                            prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de
                            vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma
                            bekendgemaakt.</al><al><cursief>Werkelijke prijsontwikkeling</cursief></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                            prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat
                            elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks
                            na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als
                            prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het
                            CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 (inclusief
                            btw)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS
                            over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van
                            het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen
                            en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als
                            prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer
                            'Consumentenindex van alle huishoudens' (NR-reeks), gepubliceerd in de
                            'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het
                            lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al>Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100'
                            over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar
                            zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én
                            het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al><cursief>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                                programma</cursief></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het
                            programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te
                            maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het
                            programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij
                            vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te
                            stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als
                            prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenning) 'bruto
                            investeringen door bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de
                            derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen
                            en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als
                            prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële
                            overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                            september.</al><al> DEEL B. Vergoeding op basis van feitelijke kosten</al><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen
                            worden vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden
                            vergoed op basis van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde
                            huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel 4, 3e lid laatste volzin,
                            worden vergoed op basis van feitelijke kosten, dient aan de in dit deel
                            van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden voldaan.</al><al><vet><cursief>Europese aanbesteding</cursief></vet></al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag
                            uitkomt, worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de
                            richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze
                            richtlijnen gelden vanaf de volgende bedragen:</al><al>-211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al><al>- 5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken.</al><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen
                            onder de definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of
                            onderwijsleerpakket valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en
                            terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing.</al><al><vet><cursief>Opdrachten onder het Europees
                                drempelbedrag</cursief></vet></al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen,
                            zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van
                            toepassing.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken
                            gemaakt over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt
                            dat op basis van het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op
                            welke wijze een opdracht wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg
                            anders beslist.</al><al>DEEL C. Bepaling medegebruikstarieven</al><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs betaalt voor het
                            onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een
                            vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep
                            bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                            groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals
                            jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                            en Wetenschap.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>BIJLAGE V. CRITERIA VOOR DE URGENTIE VAN DE AANGEVRAAGDE
                    VOORZIENINGEN</tussenkop><tussenkop>1. Volgorde van hoofdprioriteiten</tussenkop><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1.</tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><tussenkop>Ad 2.</tussenkop><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><tussenkop>Ad 3.</tussenkop><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><tussenkop>Ad 4.</tussenkop><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><tussenkop>2. Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</tussenkop><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al><tussenkop>2.1. Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                    bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><tussenkop>2.2. Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een
                    adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><tussenkop>2.3. Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                    aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><tussenkop>2.4. Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                    gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                    aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                    onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><al>1.Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de
                    gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                    onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting
                    in de verordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke beslissingen
                    over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen, criteria etc. toe.
                    Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke behandeling. Als
                    concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum voor aanvragen en
                    de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle schoolbesturen dezelfde
                    zijn.</al><al>Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen
                    om onder de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager' alle
                    schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van
                    de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen
                    onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder
                    onderwijs.</al><al>De aanduiding ‘‘op het grondgebied van de gemeente’’ is overigens niet bedoeld
                    om scholen uit te sluiten die weliswaar voor een gemeente zijn opgenomen op een
                    plan van scholen, maar nog niet daadwerkelijk op het grondgebied van die
                    gemeente zijn gevestigd. Een dergelijke uitleg zou er toe leiden dat de
                    stichting van nieuwe scholen onmogelijk zou worden.</al><tussenkop>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</tussenkop><al>De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd,
                    maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen.
                    Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit
                    artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening.
                    Slechts op deze grond kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit
                    sluit ook aan op de in de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening
                    wordt geweigerd indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van
                    de wet (zie bijvoorbeeld artikel 100, eerste lid, onder a WPO).</al><al><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept>: het buitenschilderwerk van een
                    basisschool wordt volgens de opsomming van de onderhoudsactiviteiten (zie
                    bijlage I, overzicht 'Onderhoud PO') niet gerekend tot de
                    huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2, onder c. Reden
                    hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als voorziening in de
                    huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het buitenschilderwerk vormt
                    overigens een onderdeel van de vergoeding voor de materiële instandhouding,
                    welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk ontvangt.)</al><al>De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee een
                    limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot verruiming
                    van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot inperking.</al><al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                    huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt
                    onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al></li><li nr="2."><al>Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het
                            primair onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting
                            van minimaal 55 m2 brutovloeroppervlakte.</al></li><li nr="3."><al>Dit betreft aanpassingen aan de binnenzijde van het schoolgebouw.</al></li><li nr="4."><al>Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in
                            de wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met 'bestaand gebouw of een
                            gedeelte daarvan'. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat
                            geheel leegstaat als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming
                            worden de gebouwen bestemd voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke
                            leegstand in schoolgebouw waarvan een andere school gebruikt maakt is er
                            sprake van medegebruik.</al></li><li nr="5."><al>Vanwege de aard van een gebouw is verplaatsing beperkt tot noodlokalen
                            (men kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van
                            een permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw).</al></li><li nr="6."><al>Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding
                            van een onderwijsgebouw is geen automatisme, zoals voor de
                            decentralisatie in het primair onderwijs het geval was. Een toekenning
                            van terrein vindt nu alleen nog maar plaats wanneer de grond nodig is
                            voor de feitelijke realisering van de huisvestingsvoorziening.</al></li><li nr="7."><al>De handelwijze om bij fusies uit te gaan van de inbreng van het
                            bestaande meubilair en onderwijsleerpakket in de gefuseerde school
                            betekent een verscherping ten opzichte van het huidige
                            toekenningsbeleid, maar is in het kader van het bereiken van efficiency
                            en het leveren van maatwerk op lokaal niveau te rechtvaardigen. De
                            afwijkende terminologie voor het voortgezet onderwijs (leer- en
                            hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</al></li><li nr="8."><al>Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in
                            gebruik zijn bij primair onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het
                            gebruik van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is van een
                            school (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke
                            accommodatie).</al></li></lijst><tussenkop>Ad b en c</tussenkop><al>In bijlage I van de verordening is ter verduidelijking het overzicht, dat ook
                    onderdeel vormt van de toelichting op de wet, overgenomen. In dit overzicht is
                    aangegeven welke onderhoudsactiviteiten voor het primair onderwijs (overzicht
                    I-1) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen worden gebracht. Daarnaast
                    is in bijlage I verder de concrete inhoud van de begrippen aanpassing en
                    onderhoud aangegeven.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>Voor het begrip constructiefouten is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op
                    hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een directe
                    belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op grond van de
                    spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het herstel van de fout
                    wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen van plaatsing van
                    een voorziening op het programma de meeste geëigende procedure. In dat laatste
                    geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de financiële weigeringsgrond van
                    toepassing.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet
                    nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                    huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel
                    van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</al><al>De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een
                    gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van
                    deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma
                    of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn
                    voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                    spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld
                    glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</al><tussenkop>Artikel 3. Bouwvoorbereiding voorzieningen</tussenkop><al>De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en
                    vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom
                    verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de
                    voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een
                    facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht
                    daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van 'kenbaar bestuur',
                    waaronder het vooraf geven van duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is
                    ervoor gekozen om in de verordening een bepaling op te nemen waarmee de lokale
                    overheid aangeeft of, en zo ja ten aanzien van welke soort van
                    huisvestingsvoorzieningen, de gemeente de mogelijkheid van een
                    bouwvoorbereidingskrediet opent.</al><al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat
                    een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar
                    aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht
                    aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze
                    voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten het meeste
                    geld, in het kader van de bouwplanontwikkeling.</al><al>In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag- en besluitvormingsprocedure
                    voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een - ook in
                    tijd bezien - gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een
                    huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden
                    traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin van
                    de wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van
                    het huisvestingsprogramma kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 4. Vaststelling vergoeding voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de 'kapstok' op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld
                    voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                    huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programmavaststelling, de
                    spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de
                    in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van
                    de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar: een normatieve en
                    een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden. Ook hier is uit
                    oogpunt van 'kenbaar bestuur' ervoor gekozen om voorafgaande aan de indiening
                    van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per voorziening aan te geven
                    welke benadering ten aanzien van de vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de
                    verordening dient per voorziening de afweging te worden gemaakt welke benadering
                    van toepassing is. Deze afweging dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien
                    van de voorzieningen in de huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten
                    van bouwvoorbereiding. Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en
                    uit artikel 25, derde lid, onder h van de verordening. Bij de te maken afweging
                    is ervoor gekozen om voor niet of nauwelijks vooraf te normeren kosten van
                    bepaalde voorzieningen te kiezen voor een vergoedingswijze die gebaseerd is op
                    een individuele beoordeling van de feitelijke kosten (de zgn. offertelijn).</al><al>Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de
                    offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste
                    huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst
                    deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet
                    bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling
                    van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de
                    voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op
                    basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling
                    van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de aanvrager.</al><tussenkop>Artikel 5. Informatieverstrekking</tussenkop><al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze
                    bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te
                    verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van
                    de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel
                    112 WPO).</al><al>In artikel 5 staat beschreven hoe en welke informatie door het schoolbestuur aan
                    het college moet worden verstrekt. Er is voor gekozen om dit artikel een
                    algemene invulling te geven: afhankelijk van het moment en de situatie kan het
                    college het schoolbestuur verzoeken de benodigde informatie te verstrekken. Het
                    informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere terughoudendheid
                    bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken informatie ook een
                    aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke zorg voor de
                    huisvesting. Het opvragen van informatie waarbij een dergelijke functie niet kan
                    worden aangetoond, dient achterwege te blijven omdat het anders onnodige
                    administratieve lasten veroorzaakt .</al><tussenkop>Artikel 6. Indiening aanvraag</tussenkop><tussenkop>(Indienings)termijnen</tussenkop><al>De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat de gemeente
                    voldoende voorbereidingstijd heeft om te komen tot een zorgvuldige vaststelling
                    van het programma. In de verordening is een sanctie verbonden aan een te late
                    indiening van de aanvraag: deze aanvraag neemt het college niet in behandeling.
                    Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat het college de
                    aanvraag niet verder betrekt bij de voorbereiding van het programma en het
                    overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke voorstel daarover aan de
                    raad.</al><al>In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor
                    het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze
                    mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van
                    indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie
                    die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij
                    de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: <cursief>'Het
                        overzicht [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van
                        niet door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste
                        huisvestingsvoorzieningen van door de gemeente in stand gehouden scholen die
                        niet in het eerste jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het
                        overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe
                        voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de
                        aangevraagde voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de wet
                        en/of gemeentelijke verordening is. De enige reden dat bedoeld overzicht
                        dient te worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van scholen om te
                        kunnen inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een kans van slagen
                        heeft. Het is derhalve niet bedoeld als huisvestingsplan.' (TK 1995-1996, 24
                        455, nr.7).</cursief></al><al>Er is van af gezien om in de verordening (facultatieve) bepalingen op te nemen
                    in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen. Dit is
                    gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken over een
                    dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het kader van de
                    vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving
                    van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het
                    opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg.
                    Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke
                    bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige
                    basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke
                    kaders.</al><tussenkop>Aanvraagformulier</tussenkop><al>Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde wijze van indiening van
                    aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge
                    vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn wanneer
                    men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.</al><tussenkop>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                    behandelen onvolledige aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag
                    moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier, worden
                    deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                    afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden
                    overgelegd.</al><al>Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde
                    voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn enkele uitzonderingen van
                    toepassing. Het betreft de aanvragen 'sec' voor de eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is om de
                    capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor herstel
                    van constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere omstandigheden en
                    aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in bepaalde situaties de
                    prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld
                    worden aan de aanvraag voor vervanging van de dakbedekking van een (getalsmatig)
                    gezonde, levensvatbare basisschool. Daarom is een aanvullende bepaling opgenomen
                    in de verordening waarbij het college de mogelijkheid heeft om af te zien van
                    deze vereiste. </al><al>Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                    aanvullend gegeven. Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant
                    is om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het
                    gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. De bouwkundige
                    rapportage dient een tweeledig doel:</al><lijst><li nr="a."><al>vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud;</al></li><li nr="b."><al>vaststelling van de mate van urgentie.</al></li></lijst><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het
                    door het college </al><tussenkop>Lid 3-4</tussenkop><al>Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven aan
                    het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend gegevens
                    aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als
                    bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling te laten in
                    verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. De Awb kent nadere
                    bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet nemen. In de verordening
                    is er voor gekozen om de concrete uitwerking van de Awb in de verordening op te
                    nemen, door de duur van termijnen die het college kan hanteren in de verordening
                    vast te leggen.</al><al>De bevoegdheid die het college wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te
                    behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder
                    stadium kunnen worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van
                    de vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige
                    aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te
                    houden.</al><tussenkop>Géén hardheidsclausule</tussenkop><al>In de verordening is er van afgezien hier een hardheidsclausule op te nemen, die
                    het mogelijk maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de aanvrager af te
                    wijken van de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging maken of men een
                    dergelijke clausule, die een zekere mate van vrijheid toestaat bij het afwijken
                    van de algemene regels, wenselijk vindt. Het gevaar van een hardheidsclausule is
                    dat er (relatief) vaak een beroep op wordt gedaan. De behandeling vergroot de
                    uitvoeringslast van het bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare
                    tijd voor de (voorbereiding van de) besluitvorming. Daarnaast lijkt een
                    hardheidsclausule te veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid
                    om in klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te
                    dienen.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                    wettelijke teldatum van 1 oktober 'onverwijld' door te geven aan de gemeente.
                    Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                    huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                    noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen
                    van de voorziening op het programma. </al><al>In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de
                    huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal
                    bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                    schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                    samenhangende 'ruimtebeslag' op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak
                    van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de
                    teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door het
                    college, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij
                    andere in de verordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het werken
                    met een fatale termijn.</al><al>Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt
                    geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening
                    wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de
                    leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid).
                    Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer
                    de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                    programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                    gehouden met deze mogelijkheid.</al><tussenkop>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</tussenkop><al>Dit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in
                    procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te
                    behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde
                    gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder
                    als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet naderhand nog
                    aanvragen worden toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                    begroting</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Deze bepaling is met name opgenomen om de tijdsbesteding voor de behandeling van
                    de aanvragen te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief verloop van
                    de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge
                    artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten
                    zal in eerste instantie worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling
                    in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college
                    indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde
                    begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de
                    begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft.</al><al>Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al
                    dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het
                    gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma.</al><tussenkop>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                    Onderwijsraad</tussenkop><al>De wet schrijft voor dat de gemeente slechts na overleg met het onderwijsveld
                    overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma. Met deze leden wordt
                    de in de wet opgenomen verplichting ingevuld.</al><al>Het overleg bevat tevens de hoorplicht van de aanvragers, in de zin van de Awb.
                    De aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, daarom moet gelegenheid worden
                    gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter
                    van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die aan het
                    overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar
                    eventueel op kunnen reageren.</al><tussenkop>Artikel 11. Tijdstip vaststelling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het vaststellen van de begroting is een verantwoordelijkheid van de
                    gemeenteraad. De enkele vaststelling van het voor bekostiging beschikbare budget
                    in het kader van de begrotingsbehandeling is niet aan te merken als een besluit,
                    bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar openstaat.</al><al>Het vaststellen van het programma, het overzicht en een eventueel budgetplafond
                    is een bevoegdheid van het college. het besluit een bekostigingsplafond in te
                    stellen is aan te merken is als een besluit van algemene strekking, niet zijnde
                    een wettelijk voorschrift. Tegen zo’n beslissing kan wel bezwaar en beroep
                    worden gemaakt.</al><al>Hoe de twee verantwoordelijkheden (of eigenlijk de resultaten ervan) worden
                    ‘gekoppeld’, is een intern gemeentelijke (organisatorische) zaak die niet hoeft
                    te worden vastgelegd in een verordening.</al><al>Het ligt voor de hand dat het college de voor uitvoering van een programma
                    benodigde gelden of een bekostigingsplafond voor een van de onderdelen van dat
                    programma laat vallen binnen het budget dat de gemeenteraad daarvoor beschikbaar
                    heeft gesteld.</al><al>Als vooraf duidelijk is dat de aanvragen blijven binnen het door de raad begrote
                    bedrag, kunnen programma en –overzicht eerder worden vastgesteld en weten alle
                    partijen eerder waar ze aan toe zijn.</al><al>Verder wordt hier de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen
                    vast te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden
                    aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen om bepaalde
                    onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                    integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens
                    kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van
                    middelen voor de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van
                    schoolgebouwen, die op lokaal niveau is overeengekomen.</al><al>Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen
                    kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te
                    leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate
                    onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen inzetten is
                    het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de indiening van
                    huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen duidelijkheid te bieden.
                    Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting voor bepaalde
                    huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en daarbij te waarborgen
                    dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de vaststelling van het
                    programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie met de volgorde van de
                    hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien.
                    Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde
                    nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden
                    aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de
                    volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste
                    intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de
                    beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria
                    moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</al><al>Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het
                    verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate
                    huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere
                    noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk
                    maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende
                    deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na
                    overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een
                    voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een
                    wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf
                    moet gaan met de schoolbesturen.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Uitgangspunt van de verordening is de koppeling aan de begrotingscyclus. Dat
                    leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het programma en het daaruit
                    voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter bescherming van de aanvragers
                    wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar gesteld.</al><al>Het spreekt voor zich dat het college geen programma hoeft vast te stellen,
                    indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is
                    ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 97 WPO).
                    Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van
                    een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op
                    het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend - en er dus ook geen
                    kunnen worden afgewezen.</al><tussenkop>Artikel 12. Inhoud programma</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft, namelijk de
                    inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot
                    uitdrukking dat het college het programma vaststelt als resultante van de
                    toetsing aan de in de wet limitatief omschreven weigeringsgronden (zie
                    bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van deze weigeringsgronden
                    wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de
                    nadere regels die het college stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede
                    volzin.</al><al>Zo zijn de 'beoordelingscriteria' een nadere invulling van de toets of de
                    aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening
                    betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening.</al><al>De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond
                    'dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
                    verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...'</al><al>De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten
                    aanzien van de weigeringsgrond '. dat de gewenste voorziening niet
                    gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover
                    de school reeds beschikt'.</al><al>De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de verordening
                    uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen. Artikel 12 vormt
                    daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval is, de kapstok
                    voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de bijlagen.</al><al>De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in tegenstelling tot
                    de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                    programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen
                    pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar
                    is.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen op
                    het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie (bijlage V)
                    daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover
                    consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het
                    conceptprogramma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de verordening), kan
                    het college aan de raad verzoeken om af te mogen wijken van de criteria zoals
                    geformuleerd in bijlage V.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De zinsnede 'voor zover van toepassing' kan ook op de vergoeding betrekking
                    hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een
                    bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in een
                    (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven plaats
                    te vinden.</al><al>Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit
                    niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt,
                    maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of
                    buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat
                    gepaard met het afstoten van een dislocatie.</al><al>Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op
                    normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de
                    opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te
                    worden gerealiseerd.</al><al>Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd
                    is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is
                    uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de
                    vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de
                    aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</al><tussenkop>Artikel 13. Inhoud overzicht</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van
                    de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening op het
                    programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen
                    die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op
                    het overzicht te staan.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al><tussenkop>Artikel 14. Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                    overzicht</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht worden
                    opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard
                    ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee weken is
                    gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van het
                    programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met het college. Ingevolge
                    artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan
                    degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben
                    gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan de
                    vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan alle
                    schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken
                    schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft
                    gebracht.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De wet bepaalt alleen iets over de terinzagelegging van het overzicht. Vanwege
                    de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het
                    totaal ter inzage te leggen.</al><tussenkop>Artikel 15. Overleg wijze van uitvoering</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de aanvrager
                    en het college een aantal praktische afspraken maken over aspecten die
                    samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke
                    afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                    uitvoeringstraject worden voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt
                    duidelijk moeten zijn wie als bouwheer optreedt. De wet (artikel 103 WPO) gaat
                    er weliswaar vanuit dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, maar biedt de
                    mogelijkheid dat het bevoegd gezag en het college overeenkomen dat de gemeente
                    de voorziening tot stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet
                    gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.</al><al>De termijn van vier weken waarbinnen het college met het betrokken schoolbestuur
                    in overleg treedt over de uitvoering vloeit direct voort uit de wetgeving
                    (artikel 95, lid 8 WPO).</al><al>De passage 'voor zover van toepassing' is opgenomen om niet alle voorkomende
                    varianten op het bouwheerschap en de eigendomssituatie te hoeven beschrijven.
                    Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te
                    worden gemaakt over het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                    desbetreffende begroting, eenvoudigweg omdat het college in het kader van
                    artikel 16, vierde lid heeft besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde
                    kan gelden voor de uitvoering van de toets of zich nieuwe feiten en
                    omstandigheden voordoen.</al><al>In het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de
                    besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze
                    en momenten waarop het college geïnformeerd wordt over de voortgang van de
                    uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de finale
                    verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij omvangrijke projecten -
                    ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een accountantsverklaring.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op de
                    feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit het
                    bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke
                    wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht
                    krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook
                    toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager,
                    voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het
                    bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de
                    aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer het college heeft ingestemd
                    met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van het college
                    eveneens gezien de aard van de voorziening niet vereist is (zie ook artikel 16,
                    lid 4).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de afspraken
                    over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd en ter
                    instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn
                    instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                    overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet
                    instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                    plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet
                    eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt dit ook
                    schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Hierin is bepaald dat het college de aanvrager uitsluitsel geeft wanneer de
                    bekostiging start, binnen vier weken nadat het overleg tot overeenstemming heeft
                    geleid, in geval in het overleg is medegedeeld dat de indiening van een bouwplan
                    en begroting achterwege kan blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke
                    voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel
                    16, vierde lid). Het zal daarbij in de regel voorzieningen betreffen waarvoor in
                    een eerder stadium al een offerte is overgelegd, die weinig of geen
                    voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
                    vervanging van de dakbedekking van een basisschool (onderdeel van de
                    huisvestingsvoorziening onderhoud).</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt dat het
                    overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in
                    overeenstemming tussen aanvrager en het college, dan is het college als
                    bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het
                    schoolbestuur. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om niet in
                    te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze mededeling is een
                    besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid
                    van bezwaar en beroep openstaat.</al><tussenkop>Artikel 16. Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                    omstandigheden; overlegging offertes</tussenkop><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke
                    bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van
                    een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt,
                    een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij
                    het college (zie bijvoorbeeld artikel 103 WPO). Tevens geeft de aanvrager
                    daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen.</al><al>Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van het
                    uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de
                    gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid
                    uiteraard niet van toepassing.</al><al>De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer het
                    een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde
                    benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal
                    getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet
                    overschrijden.</al><al>Met het oog op een goede voortgang van de uitvoering en de duidelijkheid
                    richting aanvrager is in het tweede lid voorzien in een fatale termijn (maximaal
                    beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de gemeente het bouwplan en de
                    begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting
                    stelt het college ook het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt.
                    Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk
                    tijdstip vast te stellen (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer
                    de fatale termijn door het college wordt overschreden dan wordt het bouwplan en
                    de begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen op
                    het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven.</al><al>Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering van
                    het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het
                    programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de
                    aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van
                    wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in samenhang
                    met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat door de
                    aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het
                    verlenen van een bouwopdracht. De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de
                    uitvoering van aanvragen waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd,
                    waarbij de feitelijke kosten bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding.
                    Hierbij is geen sprake van een begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De
                    begroting is namelijk al bij de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft
                    toen alleen de functie gehad om te komen tot een bedrag ten behoeve van de
                    vaststelling van het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die
                    volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de
                    begroting.</al><tussenkop>Artikel 17. Aanvang bekostiging</tussenkop><al>Dit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in
                    bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale
                    regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete omstandigheden.
                    Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd aan zijn financiële
                    verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de aanvrager
                    gewaarborgd.</al><tussenkop>Artikel 18. Vervallen aanspraak op vergoeding</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling van de
                    volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten of een
                    toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald moet
                    worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen
                    twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke
                    bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term 'door de aanvrager' is opgenomen om duidelijk
                    te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn wordt
                    overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een
                    vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van het
                    verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te geven.</al><tussenkop>Artikelen 19-24. Spoedprocedure</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn nadere regels opgenomen over de
                    indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                    aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                    daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus
                    het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond
                    hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                    'ontsnappingsroute' kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou kunnen
                    worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig - op grond van artikel
                    6 van de verordening - een aanvraag in te dienen voor het programma of wanneer
                    een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de
                    financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een bevoegd gezag in de
                    verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de spoedprocedure, omdat
                    de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet kan worden gehanteerd door
                    de gemeente.</al><al>Een andere optie is dat een bevoegd gezag op 'twee paarden wedt', namelijk: voor
                    dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én
                    een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</al><al>Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de verordening spaak,
                    omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Er moet onomstotelijk
                    blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een
                    daadwerkelijke calamiteit in : een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens
                    de wetgever zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel
                    kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het
                    meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een
                    schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere
                    accommodatie moet doorgaan.</al><al>Toepassing van de verordening leidt er toe dat het moment tussen indiening van
                    een reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma,
                    aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de aanvragen
                    voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze kan worden
                    afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing
                    van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en op het
                    moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de
                    noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het
                    onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen
                    die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend
                    zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de
                    toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal
                    zijn.</al><al>In de bepalingen over de procedure rondom aanvragen met een spoedeisend karakter
                    wordt aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit
                    komt erop neer dat een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders
                    kan worden ingediend (artikel 19) en dat zij binnen een redelijke termijn
                    (artikel 4:13 Awb) een beschikking dient af te geven. Indien een beschikking
                    niet binnen een redelijke termijn kan worden gegeven, stelt het college de
                    aanvrager daarvan in kennis en wordt een redelijke termijn genoemd waarbinnen
                    hij de beschikking wel tegemoet kan zien (art. 4:14 Awb).</al><tussenkop>Artikel 19. Indiening aanvraag</tussenkop><al>Het college is verantwoordelijk voor de ontvangst, beoordeling, besluitvorming
                    en uitvoering van een aanvraag met een spoedeisend karakter. Artikel 4:4 van de
                    Awb bepaalt dat het orgaan dat beslissingsbevoegd is een formulier kan
                    vaststellen. Deze taak ligt derhalve eveneens bij het college.</al><tussenkop>Artikel 20. Inhoud aanvraag</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>In aanvulling op de basisgegevens die moeten worden overgelegd als het om een
                    reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het spoedeisende
                    karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen voortgang kan vinden)
                    te worden toegelicht.</al><al>Evenals bij een aanvraag voor het programma het geval is, kan ook bij de
                    aanvragen voor spoedeisende voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien
                    van welke gewenste voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet
                    vereist is. Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a
                    van de verordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                    vanzelfsprekend.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort
                    gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het gaat om het treffen van een
                    voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de school,
                    is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</al><tussenkop>Artikel 21. Tijdstip beslissingen</tussenkop><al>De procedure sluit aan op de bepalingen in artikel 4:13 en 4:14 van de Awb. In
                    beginsel beslist het college binnen vier weken op een aanvraag. Het tweede lid
                    geeft de mogelijkheid om op een later tijdstip te beslissen indien het niet
                    mogelijk is binnen vier weken te beslissen. Het college niet in de dient de
                    aanvrager hiervan op de hoogte te stellen en daarbij een redelijke termijn te
                    noemen waarbinnen wel een beschikking tegemoet kan worden gezien.</al><tussenkop>Artikel 22-24. Inhoud en uitvoering beschikking; vervallen aanspraak
                    vergoeding</tussenkop><al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met een
                    spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn gevolgd
                    die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van programma en
                    overzicht.</al><al>Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen weigeringsgronden
                    (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria worden toegepast
                    overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra dimensie die ten opzichte
                    van de 'reguliere lijn' aan deze toetsing wordt toegevoegd is het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de verordening tot
                    uiting dat het college niet de financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit komt
                    tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten
                    beschouwing blijven.</al><al>Het college geeft bij de beschikking aan voor welke datum een bouwopdracht moet
                    zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn
                    gesloten, dit is geen onderwerp meer van het gesprek dat zij voert over de
                    uitvoering van de toegekende aanvraag.</al><tussenkop>Artikelen 25-28. Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</tussenkop><al>Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van
                    bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het
                    programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de
                    indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan
                    om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en
                    die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is
                    daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een
                    bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden
                    voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde
                    aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling
                    van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de
                    zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook
                    de besteding zal plaatsvinden.</al><al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten,
                    die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding
                    worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan
                    daarbij gaan om kosten van: architect, adviseur constructie, adviseur
                    werktuigbouwkundige installatie en adviseur elektrotechnische installatie. In
                    bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen voor
                    bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de kostenbeheersing
                    of de bouwfysica.Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking
                    inhouden van de werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige
                    adviseurs.</al><al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting,
                    omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag
                    voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals
                    bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het
                    bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding
                    toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de
                    aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag
                    voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen.</al><al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                    gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                    bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in
                    procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering
                    is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de verordening. Dit betekent ook dat het
                    college het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke
                    verzoeken.</al><al>Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                    betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                    voorbereid, per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een
                    dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                    toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met
                    de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat
                    wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                    genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. Dit gebeurt omdat in de
                    normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage
                    IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen.</al><al>De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere
                    concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid inhoudende dat het
                    college een vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen
                    inzake de beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria
                    aangeduid, omwille van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27).
                    Daarbij is voorzien in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor
                    zich dat de noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd
                    aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en
                    effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de
                    bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de
                    plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een
                    aanvang mee worden gemaakt.</al><al>Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde
                    jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting
                    door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen
                    programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een
                    bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig
                    zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende
                    - met behulp van het krediet voorbereide - aanvraag voor plaatsing op het
                    programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor
                    de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen
                    in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting.</al><tussenkop>Artikelen 29-36. Medegebruik en verhuur</tussenkop><al>De artikelen 102 WPO geeft de opdracht aan de gemeenteraad om in de
                    huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de verhuur van
                    onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt de opdracht in
                    feite in het vastleggen van de wijze waarop het college met het recht tot het
                    vorderen van leegstaande ruimten omgaat. Dit vorderingsrecht kan betrekking
                    hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten
                    behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk
                    zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om
                    een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37 (tijdstip
                    beëindiging gebruik gebouwen) van toepassing.</al><al>Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel
                    het gebruik tijdens als na de schooltijden. Het recht van de gemeente om
                    leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet
                    door de gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de procedure - het
                    vorderen - vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in een gebouw van
                    een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet weg dat de
                    criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook gelden voor
                    gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.</al><al>Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve
                    van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor
                    medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college worden
                    verlangd dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien van
                    met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om eventuele
                    wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de vrijheid van
                    richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in het overleg
                    over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik
                    dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer
                    een praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben.</al><al>De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd
                    gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat
                    kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag zijn
                    die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien.</al><al><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept>: er komt een aanvraag binnen om de
                    uitbreiding van een basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen van
                    artikel 12 (regels voor de vaststelling van het programma) zijn van toepassing
                    op die aanvraag. In artikel 12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die
                    bijlage is gesteld dat de uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000
                    meter hemelsbreed sprake is van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden.
                    Binnen die afstand blijkt geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt
                    geconstateerd aan de hand van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt
                    geconstateerd dat de situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is
                    al door het bevoegd gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich
                    niet voordoet. Die constatering kan plaatsvinden aan de hand van de
                    gemeentelijke gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd
                    gezag immers melden dat er sprake is van medegebruik. Het college deelt in het
                    overleg als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij
                    voornemens zijn om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel 100, lid 1d
                    WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door middel van
                    medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over dat voornemen
                    wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd gezag dat de
                    aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd
                    zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg over het programma als
                    bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de aanvraag door toepassing te geven
                    aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en 32 (overleg en mededeling). De
                    beschikking voor het bevoegd gezag dat de uitbreiding heeft aangevraagd
                    (onderdeel van het programma) luidt als volgt: de aanvraag wordt afgewezen en in
                    plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw [.....] toegekend. Het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt krijgt op grond van artikel 32 een
                    vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is aangegeven dat er tegen de
                    vordering geen bezwaar bestaat.</al><al>Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet
                    regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van verhuur.</al><tussenkop>Artikel 29. Aanduiding omstandigheden</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot
                    vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6 of
                    19) om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school ook
                    een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de situatie dat er
                    bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds- of aanpassingsbehoefte,
                    terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De leden 1d en e regelen dat
                    er sprake dient te zijn van leegstand.</al><tussenkop>Artikel 30. Omschrijving leegstand</tussenkop><al>Door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage III, deel A) te
                    relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III,
                    deel B wordt bezien of er een overschot aan ruimte is</al><al>Er word uitgegaan van een genormeerde benadering: als het aantal vierkante
                    meters van een gebouw de drempelwaarde overschrijdt is er sprake van genormeerde
                    leegstand..</al><al>Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel voor
                    eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor wordt
                    verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het
                    vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor de
                    goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder het
                    vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een (rijks)vergoeding verstrekt.</al><al>In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten,
                    strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal)
                    heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder
                    de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde
                    leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze
                    bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><tussenkop>Lid 2a</tussenkop><al>Voor de beoordeling of er leegstand is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door
                    het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik
                    is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld. De
                    capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand op.
                    Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal uren
                    dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het aantal van
                    40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs die de
                    maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet dat scholen voor
                    primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen kunnen worden naar
                    een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan
                    alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende schoolsoort geldende
                    reële schooltijden.</al><tussenkop>Artikel 31. Nalaten vordering; volgorde van vorderen</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen.
                    Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen
                    reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe
                    leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden
                    toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale situatie
                    is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge
                    uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze
                    bepaling.</al><al>Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                    (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                    genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                    peuterspeelzaal.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een
                    reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot
                    een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                    onderwijsgebruik.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur dat ruimtegebrek heeft
                    bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken naar eventueel beschikbare ruimte
                    binnen een van de onder zijn beheer staande gebouwen. Indien deze aanwezig is,
                    zal het in de regel nog geen eens komen tot een aanvraag voor medegebruik bij de
                    gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan is de kans groot dat ingevolge lid 3a de
                    gemeente het bestuur verwijst naar een van zijn eigen gebouwen. Voor a geldt
                    echter ook dat het financiële consequenties kan hebben om niet als eerste optie
                    van de - qua oppervlakte en indeling - geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar
                    dat uit hoofde van een doelmatiger oplossing kan worden voorbijgegaan aan
                    aanwezige leegstand in een van de gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het
                    gestelde onder b is minder relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om
                    redenen van eenvoud is er echter voor gekozen geen aparte volgorde voor
                    gymnastiekruimten op te nemen. Bij de toepassing van lid 3c dient het openbaar
                    onderwijs in dit verband ook als een richting te worden aangemerkt.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                    rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 32. Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor
                    gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader van de
                    vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er
                    van medegebruik sprake kan zijn.</al><al>Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is
                    niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is
                    er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de
                    Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en
                    beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                    opschortende werking.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Om een bevoegd gezag waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven
                    desgewenst tijdig (organisatorische) maatregelen te nemen, is de termijn zo kort
                    mogelijk gehouden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg ook
                    al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De mededeling
                    dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking waarop de
                    rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van bezwaar en/of
                    beroep heeft geen opschortende werking.</al><al>De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen
                    te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er
                    overeenstemming over de vordering bestaat.</al><tussenkop>Leden 3 en 4</tussenkop><al>In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te
                    nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                    meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><tussenkop>Lid 5e</tussenkop><al>De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de
                    periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan
                    verlengd worden indien dat noodzakelijk is.</al><tussenkop>Artikel 33. Vergoeding</tussenkop><al>Voor het primair onderwijs is in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat
                    gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen
                    vergoeding doorbetaalt. Aangezien 'de ontvangen' vergoeding niet eenduidig te
                    definiëren valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van
                    de school - dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te
                    vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke wettelijke
                    bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg.</al><al>Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 34. Aanduiding omstandigheden</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 30.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat
                    het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt.</al><tussenkop>Artikel 35. Overleg en mededeling</tussenkop><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan
                    de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een
                    gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste instantie is
                    bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog meer
                    waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het
                    bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken worden
                    dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker
                    genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van
                    medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding
                    daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op
                    een vergoedingsbedrag in het kader van de programma's van eisen materiële
                    instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV,
                    deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                    voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.</al><al>Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt
                    van uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan
                    de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het
                    verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker,
                    voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door het college.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te
                    voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                    geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking,
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 36. Toestemming college</tussenkop><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de
                    toetsing door het college aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen
                    niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet
                    toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of
                    bedrijfsruimte. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met het onderwijs aan
                    de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter voor gekozen die
                    afweging aan het bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel de afweging of er
                    een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van
                    eventueel binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een
                    onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat
                    geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het college een
                    indicatie heeft dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het
                    onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededeelt. Dat geldt evenzeer als
                    het college voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik. Het bevoegd
                    gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan tot verhuur.
                    De risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij
                    voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van haar
                    vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag.</al><tussenkop>Artikel 37. Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</tussenkop><al>Het eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen is in de wet
                    gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld
                    artikel 110 en 163 WPO. </al><al>Artikel 102 WPO geeft aan de gemeente opdracht om in de verordening een termijn
                    op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten hoogste kan worden gebruikt
                    nadat, bij een gezamenlijke akte of door gedeputeerde staten, is bepaald dat de
                    school heeft opgehouden of zal ophouden het gebouw te gebruiken. Tevens moet de
                    gemeente een procedure vaststellen voor een eventueel op te maken staat van
                    onderhoud ingeval van beëindiging van het gebruik.</al><al>Artikel 37 van de verordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het
                    artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat
                    onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen
                    moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet
                    worden.</al><al>Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van het
                    gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van het
                    gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand gehouden
                    scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig onderhoud dus
                    niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.
                    Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel
                    het geval. Het volgen van eenzelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de
                    datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO. Aan dit artikel wordt
                    toepassing gegeven doordat het college en het bevoegd gezag in een gezamenlijke
                    akte verklaren dat het gebruik van het gebouw beëindigd wordt of, ingeval van
                    een geschil daarover, indien gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen
                    op verzoek van een van de partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn
                    van een beëindiging van het gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van
                    eerder genoemde artikelen. Van belang is dan echter wel dat de
                    eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag
                    als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het gebouw.</al><al>Als datum is gekozen de datum die in de akte, die bevoegd gezag en gemeente
                    opstellen, wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen
                    gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan
                    het einde van het schooljaar liggen.</al><al>Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren,
                    is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium constateert dat een
                    gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die constatering kan in de
                    regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van 1 oktober. Als er
                    sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan
                    mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de verordening. Direct
                    na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag, kan de
                    procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde van het
                    gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan
                    gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht. De beslissing van
                    gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb
                    van toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking
                    heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen
                    van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet
                    bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast
                    te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder
                    kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk
                    is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de
                    eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking. Ten
                    aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken
                    sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die
                    beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking
                    heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige
                    voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat, met
                    het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten
                    zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet
                    krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                    meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over
                    één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk
                    eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig
                    onderhoud.</al><al>Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                    eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig
                    worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te
                    rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud
                    achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen
                    dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van
                    het bevoegd gezag behoort.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor kan
                    het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een
                    derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over
                    de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. De positie van het college is in dit kader
                    vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een
                    inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet
                    worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd
                    gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben
                    op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er
                    geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van
                    de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing
                    plaatsvindt.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de staat
                    van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel of niet
                    mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft het bevoegd
                    gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te voeren. Er kan ook
                    overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig
                    onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien partijen geen overeenstemming
                    bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan bijvoorbeeld
                    arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen
                    neerleggen bij de uitkomst daarvan. Burgemeester en wethouders kan zich ook
                    wenden tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag
                    een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke
                    opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. Gelet op de
                    kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide partijen met zich
                    meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing
                    te bereiken.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden over
                    achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt.</al><tussenkop>Artikel 39. Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de verordening jaarlijks door de
                    raad moet worden gewijzigd, alleen om de in artikel 4 gehanteerde genormeerde
                    vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV, deel A, waar
                    deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de overige bijlagen -
                    onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren aan het
                    college wordt een dergelijke relatief zware procedure via de raad overbodig. Het
                    wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat aan
                    wijzigingen van de verordening, kan plaatsvinden door toezending van de
                    voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te
                    reageren.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE I.</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wet geeft in artikel 100 WPO expliciet aan op grond waarvan een voorziening
                    kan worden geweigerd. Voor toepassing van de weigeringsgronden dienen deze
                    artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat gebeurt in deze bijlage door per
                    voorziening de beoordelingscriteria te beschrijven. Ze hebben betrekking op de
                    aanwezigheid van leerlingen, prognoses, oppervlakten/capaciteit van gebouwen,
                    bouwkundige staat van een gebouw enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde
                    voorziening(en) - of van mogelijke alternatieve voorzieningen - voor de
                    desbetreffende school wordt vastgesteld op basis van de beoordelingscriteria. Na
                    toepassing van de beoordelingscriteria kan er antwoord worden gegeven op de
                    vraag: 'Is de voorziening noodzakelijk?'</al><al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                            gebruikt;</al></li><li nr="-"><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al></li><li nr="-"><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                            noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen.</al></li></lijst><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen.</al><al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij medegebruik, bij
                    constructiefouten en bij vervanging of herstel van schade in geval van
                    bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose, die
                    voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat
                    over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor een termijn
                    van minimaal vier jaren.</al><al>Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn
                    voor de prognose in elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf het gewenste jaar
                    van bekostiging.</al><al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de
                    verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                    ingebruikname van een bestaand gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en
                    dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan
                    de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In
                    alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven.</al><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van het college om gebruik te
                    maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt zich in
                    principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs. Bij medegebruik is geen langetermijnprognose nodig. Voor inzicht in
                    de periode van medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig alsmede
                    inzicht in de eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de
                    hoofdgebruiker.</al><al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                    leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over
                    (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                    vrijgelaten.</al><al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de
                    ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand.</al><al>De verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft -
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen.</al><al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden,
                    is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden
                    bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het
                    verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken - samenvallen
                    met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector.
                    Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet.</al><al>Bij het bepalen of leegstand geschikt is kan als uitgangspunt dienen dat
                    onderwijsruimte die niet gedurende de gehele werkweek in gebruik zijn bij de
                    school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden gebruikt door
                    scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting. Voor het primair
                    onderwijs is leegstand binnen het primair onderwijs per definitie geschikt. </al><al>Ruimte die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en
                    waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten telt niet mee voor de
                    mogelijkheden van medegebruik.. Hieronder vallen dus niet de zogenaamde
                    eigendoms- en huurscholen.</al><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.</al><al>Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden
                    bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt
                    voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                    meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het
                    vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden
                    gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van
                    ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor
                    onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of
                    wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden
                    gegeven.</al><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs hetzelfde. Voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die periode vijftien jaren.
                    Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier jaren of meer. Voor gebruik van
                    minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het bestaande gebouw,
                    bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts indien dit onmogelijk is, wordt
                    een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder uitbreiding in het
                    basisonderwijs een beoordelingscriterium opgenomen.</al><tussenkop>Deel A. Lesgebouwen</tussenkop><tussenkop>(vervangende) nieuwbouw</tussenkop><al>Vervangende bouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van een
                    gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en om
                    verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing voor
                    alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk zijn
                    geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door het college.</al><al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.</al><al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra
                    kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de
                    huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het aanvragende
                    schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie van het schoolbestuur worden
                    ingezet.</al><al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.</al><al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.</al><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Het speellokaal is voor het primair onderwijs als aparte voorziening verdwenen.
                    Wel is in de oppervlaktenormering rekening gehouden met deze vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. Het is aan het schoolbestuur om ervoor te kiezen deze
                    vierkante meters ook in te zetten als speellokaal. Daarbij zal het schoolbestuur
                    zich moeten realiseren dat er voor de leerlingen in deze leeftijdsgroep geen
                    automatische aanspraak bestaat op ruimte in een gymnastiekzaal.</al><al>Ingebruikneming</al><al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan
                    spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de kwaliteit een
                    belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen hiervoor is gesteld.
                    De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de noodzakelijke aanpassingen
                    nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor onderwijs geschikt is).
                    Indien de kosten samen met de (eventuele) verwervingskosten te hoog zijn (het
                    ministerie van OCenW hield daarvoor 70 procent van de kosten van nieuwbouw aan),
                    is de vraag gerechtvaardigd of vervangende bouw niet een betere optie is.
                    Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te besluiten (en daarmee af te
                    wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in verband met de locatie, het
                    (monumentale) gebouw of het ontbreken van alternatieve mogelijkheden voor
                    huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier - evenals bijvoorbeeld bij het
                    bijbouwen van noodlokalen - een onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven
                    worden bezien en gewaardeerd.</al><al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                    bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als:</al><lijst><li nr="-"><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                            ordening.</al></li></lijst><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                    schoolgebouw aan de orde is. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de
                    eventuele toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening mee
                    gehouden.</al><al>In de systematiek van de verordening is voor de huisvestingsvoorziening
                    'ingebruikneming' op basis van artikel 7, tweede lid, onder a, een prognose
                    vereist. De toetsing van een prognose komt dan ook tot uiting in de criteria
                    voor de beoordeling van aangevraagde voorziening tot ingebruikneming van een
                    bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld b1 en b2 van paragraaf 1.4).</al><tussenkop>Eerste inrichting</tussenkop><al>De aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair in het
                    primair onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting met dien verstande dat die voorziening een uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet hebben. Daarnaast geldt dat
                    er niet eerder (voor de betreffende vierkante meters) een vergoeding is gegeven
                    voor deze voorziening.Indien artikel 7, vierde lid, van de verordening ook van
                    toepassing is verklaard op eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair,
                    dan is de passage 'de laatste teldatum voorafgaande aan de indiening van de
                    aanvraag' vervangen door: 'de meest recente teldatum'.</al><tussenkop>Aanpassingen</tussenkop><al>Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen
                    aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke
                    vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op het
                    gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover niet in
                    overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke) vrijstelling is
                    verleend.</al><al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                    schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                    onder andere het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken
                    van het gebouw voor gehandicapten.</al><al>Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd om
                    het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun bewegingen
                    beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken tot
                    en met de entree (met name het realiseren van een hellingbaan) en het aanbrengen
                    van een traplift bij een meerlaags schoolgebouw.</al><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit
                    het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                    wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het onderwijs
                    aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                    integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="-"><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte
                            tot speellokaal inclusief berging;</al></li><li nr="-"><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li><li nr="-"><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li><li nr="-"><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li></lijst><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                    moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                    tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet- en
                    regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                    beoordelen.</al><tussenkop>Onderhoud</tussenkop><al>Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs. Ook
                    hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het onderhoud
                    noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd gezag in de
                    materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer volstaat.</al><al>Voordat onderhoud aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt toegekend, zal
                    worden nagegaan of de desbetreffende noodlokalen of gebouwen nog noodzakelijk
                    zijn voor in elk geval meer dan vier jaar. Indien de groepen uit de noodlokalen
                    elders in medegebruik kunnen worden ondergebracht, zal voor die optie worden
                    gekozen.</al><tussenkop>Herstel van constructiefout</tussenkop><al>Bij herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast
                    te stellen dat het gaat om een constructiefout. Voor het begrip constructiefout
                    is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op hierover gevormde jurisprudentie.
                    Uit artikel 2 van de verordening blijkt dat onder constructiefout wordt
                    verstaan: schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf en
                    kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                    onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                    wanprestatie</al><tussenkop>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                    omstandigheden</tussenkop><al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in geval
                    van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van
                    de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school
                    met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                    de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat het
                    onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren meer dan zes groepen
                    zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er verstandig aan
                    eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering overgaat.</al><tussenkop>Deel B</tussenkop><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                    gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                    traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                    (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                    aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden gerealiseerd.
                    Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende schoolbestuur voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die de gemeente daar op
                    korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van
                    de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan elke beslissing - nieuwbouw,
                    uitbreiding en ingebruikneming - bezien of niet door medegebruik de gevraagde
                    voorziening overbodig is. Overigens laat de praktijk zien dat - zeker in de
                    plattelandsgemeenten - eventueel vervoer naar een verder weg gelegen
                    gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. Uiteraard is hiervoor overleg
                    met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken
                    naar de klokuurnorm zoals het college die voor het primair onderwijs heeft
                    vastgesteld en naar het rooster.</al><al>Het maken van was- en kleedgelegenheden in gymnastiekruimten wordt niet als
                    uitbreiding gezien maar als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van
                    deze ruimtes fysiek meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg
                    heeft.</al><al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook
                    tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                    betrekking tot hygiëne).</al><al>Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                    worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                    grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE II.</tussenkop><al>In veel gevallen moet voor de beoordeling van een aanvraag voor een
                    huisvestingsvoorziening een prognose van leerlingenaantallen te worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. De verordening geeft het college de bevoegdheid nadere
                    regels vast te stellen. Als model is hiertoe in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt
                    Programma van eisen voor leerlingprognoses opgesteld. In dit programma van eisen
                    is tot op het niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                    prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                    beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                    onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee
                    tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school.</al><al>Het Programma van eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld, is
                    aan gemeenten gezonden als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het vaststellen
                    van dit programma van eisen geeft het college invulling aan de bepaling dat het
                    nadere regels kan stellen. Het programma van eisen dient onderwerp te zijn van
                    het op overeenstemming gericht overleg.</al><al>Door geen prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan de
                    markt overgelaten elke programmatuur in de praktijk voor het prognosticeren van
                    leerlingenaantallen wordt gebruikt.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE III.</tussenkop><tussenkop>Deel A. De bepaling van de capaciteit</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Capaciteit van de gebouwen</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting.</al><al>De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                    'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, verhuur aan een
                    kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost van
                    de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering
                    van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan
                    alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school (of
                    ingebruikname als gevolg van de grotere ruimtebehoefte door de
                    groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een verlaging van de capaciteit
                    wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij
                    eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele
                    verwijzing naar leegstaande lokalen elders.</al><tussenkop>Rangordebepaling</tussenkop><al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel
                    voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere
                    dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het college, na
                    overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al><tussenkop>Terrein</tussenkop><al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                    geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar
                    onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en
                    andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><tussenkop>Inventaris</tussenkop><al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Ten aanzien van de inventaris is bepaald dat
                    deze op 1-1-2009 wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor
                    nieuw te realiseren ruimte een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair kan worden toegekend.. Als in het verleden voor
                    meer vierkante meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt dat
                    vastgelegd.</al><tussenkop>Gymnastiekruimten</tussenkop><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het
                    basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26
                    klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een
                    andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van
                    de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><tussenkop>Deel B. Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt bezien
                    hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot
                    de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                    capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante meter
                    brutovloeroppervlakte.</al><al>Voor de scholen in het basisonderwijs gelden in de nieuwe situatie de volgende
                    waarden: een vaste voet van 200 m2 bvo en een bvo per leerling van 5,03 m2.
                    Daarnaast geldt een toeslag als een school (voldoende) ‘gewichtenleerlingen’
                    heeft.</al><al>De huisvestingscomponent van gewichtenkinderen wordt toegekend in de vorm van
                    een toeslag bovenop de m2 bvo per leerling die hoort bij reguliere
                    leerlingen.</al><al>Voor de bepaling van de toeslag worden in de nieuwe situatie de volgende stappen
                    doorlopen:</al><lijst><li nr="1."><al>De gewichtensom van de school wordt bepaald;</al></li><li nr="2."><al>Deze gewichtensom wordt verminderd met 6,0 % van het totaal aantal
                            ongewogen leerlingen;</al></li><li nr="3."><al>De gewichtensom wordt gemaximeerd op 80 % van het aantal ongewogen
                            leerlingen.</al></li></lijst><al>De toeslag op de ruimtebehoefte bedraagt 1,40 m2 bvo * (gecorrigeerde)
                    gewichtensom. Er wordt geen additionele vaste voet toegekend.</al><al>De aparte normen in de verordening voor het realiseren van een (eerste of
                    tweede) speellokaal in het reguliere basisonderwijs zijn komen te vervallen.
                    Hiermee sluit de verordening (weer) aan op het gewijzigde Bouwbesluit 2003.</al><al>De vierkante meters brutovloeroppervlakte (bvo) zijn echter niet verdwenen. In
                    de waarde van 5,03 m2 bvo per leerling zijn de vierkante meters voor het eerste
                    en tweede speellokaal verwerkt. Op deze manier wordt het schoolbesturen mogelijk
                    gemaakt om de hen ter beschikking staande vierkante meters bvo al dan niet in te
                    zetten als speellokaal.</al><al>De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor voorzieningen die minder of niet
                    afhankelijk zijn van het leerlingenaantal. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en
                    dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer en spreekkamer. Verder
                    de facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen.</al><tussenkop>Deel C. De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><tussenkop>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal
                    vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw
                    volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meter bvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik geldt in het primair
                    onderwijs een drempelwaarde van 55 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden
                    is, ontstaat aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen.</al><tussenkop>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meter bvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    vierkante meter bvo waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in
                    verhouding tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden
                    van medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden
                    verwezen.</al><al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik van voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen geldt in het primair onderwijs een drempelwaarde
                    van 40 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden is, ontstaat aanspraak op
                    een van de bovengenoemde voorzieningen.</al><tussenkop>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</tussenkop><al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al><al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is
                    rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting,
                    die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen. of omdat de capaciteit van het gebouw van een school voor
                    speciaal basisonderwijs moet worden vergroot voor het creëren van een extra
                    speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke wet-
                    en regelgeving kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. Als een
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                    installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een
                    gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging in
                    aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de
                    noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><tussenkop>Deel D. Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                    voorzieningen</tussenkop><al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                    nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    verordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat op
                    die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat het Bouwbesluit reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld
                    stelt.</al><al>Ook de minister van OCenW heeft, door middel van een Algemene maatregel van
                    bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen gesteld. Deze betreffen echter niet
                    de specifieke ruimten, maar het totale gebouw, dan wel alle bij een school in
                    gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het Uitvoeringsbesluit
                    voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Stb. 1997, 125).</al><al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de verordening alleen iets over de
                    oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten, met
                    name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE IV.</tussenkop><al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                    voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                    vergoedingsmethoden, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</al></li><li nr="-"><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</al></li></lijst><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                    medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</al><al>De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten is vastgelegd in artikel 4 van de verordening. </al><tussenkop>Deel A. Vergoeding op basis van normbedragen</tussenkop><tussenkop>Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereiding</tussenkop><al>In de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de verordening is een aantal regels
                    gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de
                    toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage
                    IV. Dit betekent dat, indien een genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze
                    vergoeding in mindering moet worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor
                    de uiteindelijke realisering van de voorziening. Het hiervoor genoemde
                    percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvrager de bouw
                    voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus inclusief de opstelling van
                    het bestek, bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting).</al><tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en
                    gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen.</al><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. Hiernaast
                    kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor de
                    inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal (in het geval van
                    een school voor speciaal basisonderwijs) en verhuiskosten. Kosten voor de
                    verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de
                    ligging sterk kunnen variëren.</al><tussenkop>Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>Een tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al><al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er extra kosten gemaakt moeten worden
                    voor het realiseren van voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer,
                    conciërgeruimte en dergelijke . Indien tijdelijke voorziening voor een kortere
                    periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een
                    investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de
                    huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een
                    bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke
                    huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><tussenkop>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. Deze normbedragen zijn
                    investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij uitbreiding wordt
                    het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding. Voor alle
                    duidelijkheid: het basisbedrag wordt dus niet bij elke uitbreiding
                    toegekend.</al><tussenkop>Gymnastiek</tussenkop><al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie en eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair. De bedragen voor de klokuurvergoeding (materiële
                    exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen'
                    gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie zijn
                    opgenomen in de modelbeleidsregel bekostiging gymnastiekruimte.</al><tussenkop>2. Indexering</tussenkop><al>Op grond van artikel 102, derde lid WPO is de gemeente verplicht normen vast te
                    stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de
                    toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal voorzieningen, zoals
                    aanpassing en onderhoud, zal worden bekostigd nadat een offerte is uitgebracht
                    en beoordeeld. Deze voorzieningen zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of
                    nauwelijks zinvol te normeren. Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen
                    op basis van normbedragen worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen
                    jaarlijks moeten worden aangepast aan het geldende prijspeil.</al><al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een
                    actueel prijspeil gebracht.</al><al>Ten behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan
                    van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde
                    MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze
                    methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de
                    voorzieningen vast.. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het
                    daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het gepubliceerde
                    prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk prijspeil, dus een
                    'terugcorrectie' met het MEV-cijfer.</al><al>De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan tegelijkertijd
                    plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het overzicht. Gezien het
                    tijdstip van vaststellen van het programma en het overzicht kan zonder problemen
                    ook het MEV-cijfer worden gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt
                    gemaakt op de derde dinsdag in september.</al><tussenkop>Deel B. Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>Voor een beperkt aantal voorzieningen is geen genormeerde vergoeding opgenomen.
                    Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke kosten te worden
                    vergoed. Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de
                    aanbestedingsregels, zoals vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit
                    geldt uiteraard niet voor aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze
                    voorzieningen worden de overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</al><tussenkop>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                    vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te
                    voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                    geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                    programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                    aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                    vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld
                    en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na
                    vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit
                    bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan
                    worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan
                    de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of
                    minderkosten ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen
                    invloed meer op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en
                    overzicht zijn geplaatst.</al><tussenkop>Aanbestedingsregels</tussenkop><al>Het schoolbestuur is bij de realisering van de diverse
                    onderwijshuisvestingsvoorzieningen bouwheer, tenzij schoolbestuur en college
                    anders overeenkomen. Dit vloeit voort uit artikel 103 van de Wet op het Primair
                    Onderwijs.</al><al>Hieruit vloeit voort dat als het schoolbestuur als bouwheer optreedt, het ook de
                    aanbesteding regelt en zich dient te houden aan de van toepassing zijnde
                    aanbestedingsregels.</al><tussenkop>Type voorziening van belang bij aanbesteding</tussenkop><al>Voor wat betreft de aanbesteding maakt de verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs onderscheid tussen onderwijshuisvestingsvoorzieningen die worden
                    vergoed op basis van normbedragen en voorzieningen die worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten (artikel 4 van de verordening).</al><tussenkop>Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding van dit type voorzieningen
                    wordt gebaseerd op de laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen
                    van offertes door middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige
                    wijze gebeurt. Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de
                    gemeente, met het oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen
                    stellen aan de te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager
                    en gemeente ingevolge artikel 15 van de (model-) verordening worden nadere
                    afspraken gemaakt over de te volgen aanbestedingsprocedure.</al><al>Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het vastgestelde gemeentelijk
                    beleid wordt bepaald op welke wijze een opdracht wordt aanbesteed, tenzij het
                    college na overleg anders beslist. Indien de omvang van een opdracht of contract
                    boven een bepaald drempelbedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                    overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG)
                    toegepast.</al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen uit het
                    Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.</al><tussenkop>Vergoeding op basis van normbedragen</tussenkop><al>Voor voorzieningen die op basis van een normbedrag worden vergoed, geldt het
                    gestelde in Bijlage IV, Deel B in mindere mate. De reden hiervoor is het feit
                    dat het normbedrag gezien moet worden als een voor het schoolbestuur
                    taakstellend budget, waarbinnen de voorziening moet worden gerealiseerd.
                    Daardoor is het financiële risico voor de gemeente beperkter.</al><al>Desondanks is het schoolbestuur voor wat betreft de besteding van het normbedrag
                    ook voor dit type voorzieningen gebonden aan de bepalingen in het eerder
                    genoemde Besluit overheidsaanbestedingen. Een schoolbestuur wordt namelijk
                    aangemerkt als een ‘publiekrechtelijke instelling’. De reden hiervoor is dat het
                    gaat om de inzet van publieke middelen.</al><al>Zowel voor voorzieningen die beschikbaar worden gesteld op basis van
                    normbedragen als voorzieningen op basis van feitelijke kosten gelden de van
                    toepassing zijnde aanbestedingsregelgeving. Voor de laatstgenoemde categorie
                    gaat de betrokkenheid van de gemeente verder omdat het financiële risico daar
                    groter is. Het is zaak om hierover in het uitvoeringsoverleg ingevolge artikel
                    15 van de verordening vooraf goede afspraken te maken.</al><tussenkop>Deel C. Bepaling medegebruikstarieven</tussenkop><al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien
                    medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een
                    aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de
                    eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de
                    hoogte van de vergoeding bepalen.</al><al>Het medegebruiktarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhankelijke
                    kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel voor
                    de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag vormgegeven in
                    het bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen ter beschikking wordt
                    gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor medegebruik in het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs.</al><al>Voor 2008 was de vergoeding € 4.285,- (zie PvE 2004, www.cfi.nl)</al><tussenkop>TOELICHTING BIJLAGE V.</tussenkop><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen - alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.</al><al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt het college
                    niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van het college zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</al><al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de
                    criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering
                    daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in
                    hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk.</al><al>De zorg voor adequate huisvesting betekent concreet dat het vastgestelde bedrag
                    voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al><lijst><li nr="a."><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/
                            nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk);</al></li><li nr="b."><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                            constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                            bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het
                            onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</al></li><li nr="c."><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                            vergoed.</al></li></lijst><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen.</al><al>In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen
                    niet nodeloos gecompliceerd te maken.</al><al>Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de
                    systematiek van de verordening te geschieden door een wijziging van de
                    urgentiecriteria, en dus door een wijziging van de verordening.</al><al>De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden
                    opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog
                    subprioriteiten worden onderscheiden.</al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt).</al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen.</al><al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                    onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een
                    volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere
                    mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor
                    (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet-lesgebouwen.</al><al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen vallen onder
                    hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het
                    schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er
                    sprake van een voorziening die spoedeisend is.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>