<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42326_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuws, d.d. 24-12-2008 , pagina 7.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, artikel 4;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de expertisecentra, artikel 4;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08/71</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>leerlingenvervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2002a”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen
                        2002a”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>Wet op het primair onderwijs, artikel 4;</al></li><li nr="2."><al>Wet op de expertisecentra, artikel 4;</al></li><li nr="3."><al>Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4.</al></li></lijst><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen.</al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>01-01-2009</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>18-12-2008</al><al>Diemer Nieuws</al><al>d.d. 24-12-2008,</al><al>pagina 7.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>nr. 08-71</al><al/><al/><al><vet>Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2009</vet></al><al/><al>Nr.: 08-71</al><al>De gemeenteraad van Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 4
                        november 2008;</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2009.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Titel 1. Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>school:</al><lijst><li nr="-"><al>een basisschool of speciale school voor basisonderwijs
                                            als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs (Stb.
                                            1998, 495);</al></li><li nr="-"><al>een school voor speciaal onderwijs of speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                                            onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra
                                            (Stb. 1998, 496);</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de
                                            Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>ouders: de ouders, voogden of verzorgers van de leerling;</al></li><li nr="c."><al>leerling: een leerling van een school als bedoeld onder a;</al></li><li nr="d."><al>gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c, die door
                                    een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet,
                                    of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
                                    maken;</al></li><li nr="e."><al>woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk
                                    verblijft;</al></li><li nr="f."><al>afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs
                                    de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                    weg;</al></li><li nr="g."><al>vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer
                                    tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat
                                    plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de
                                    schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap
                                    van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                                    maakt;</al></li><li nr="h."><al>openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                                    volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus,
                                    veerdienst of auto;</al></li><li nr="i."><al>aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer,
                                    taxi, treintaxi of bustaxi;</al></li><li nr="j."><al>eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, bromfiets of
                                    fiets;</al></li><li nr="k."><al>reistijd: de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van
                                    de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids,
                                    minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling het
                                    schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt
                                    dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt
                                    tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids, een
                                    eventuele wachttijd, en de aankomst bij de woning;</al></li><li nr="l."><al>toegankelijke school:</al><lijst><li nr="-"><al>voor wat betreft basisscholen en speciale scholen voor
                                            basisonderwijs: de basisschool van de verlangde
                                            godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel
                                            de openbare school of de speciale school voor
                                            basisonderwijs waarop de leerling is aangewezen van de
                                            verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                                            dan wel de openbare school;</al></li><li nr="-"><al>voor wat betreft scholen voor (voortgezet) speciaal
                                            onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs: de
                                            school van de soort waarop de leerling is aangewezen van
                                            de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                                            richting dan wel de openbare school van de soort waarop
                                            de leerling is aangewezen;</al></li></lijst></li><li nr="m."><al>inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                                    (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van
                                    de ouders in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                                    schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt
                                    gevraagd.</al></li><li nr="n."><al>opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de
                                    leerling gebruik kan maken van het vervoer;</al></li><li nr="o."><al>commissie voor de begeleiding: de commissie die is ingesteld
                                    door het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1
                                    van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een instelling, of
                                    de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als bedoeld
                                    in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde
                                    instellingen, die hetzelfde expertisecentrum
                                    instandhouden.;</al></li><li nr="p."><al>vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van
                                    de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de
                                    leerling en zo nodig diens begeleider, of bekostiging van de
                                    goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling
                                    en zo nodig diens begeleider, of aanbieding van aangepast
                                    vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.</al></li><li nr="q."><al>permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="r."><al>samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in
                                    artikel 18 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>regionale verwijzingscommissie: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 10 g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                                    artikel 10h , derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="u."><al>ambulante begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van
                                    een school of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op
                                    de expertisecentra van leerlingen die zijn geplaatst op een
                                    basisschool of leerlingen die zijn geplaatst op een school voor
                                    voortgezet onderwijs en die naar het oordeel van het bevoegd
                                    gezag zonder die begeleiding zouden zijn aangewezen op het
                                    speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs;</al></li><li nr="v."><al>commissie voor de indicatiestelling: de commissie als bedoeld in
                                    artikel 28 c van de Wet op de expertisecentra.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                                vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag voor
                                        1 juni is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de door de ouders verzochte datum als het een
                                        aanvraag gedurende het schooljaar betreft, met dien
                                        verstande dat de datum waarop bekostiging wordt verstrekt
                                        niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door
                                        het college.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al><al> Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            bekostiging betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 2. Bepalingen omtrent het vervoer van de (niet-gehandicapte)
                            leerlingen van scholen voor primair onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en:</al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale
                                    school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de
                                    basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of</al></li><li nr="b."><al>een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a.
                                    bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die
                                    school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen
                                    dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs,
                                    bedoeld onder a..</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanente commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                                begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van 1 begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, en</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school
                                    of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                    aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                    vervoer kan worden teruggebracht, of:</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel
                                    van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken
                                    van het vervoer per fiets.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 3. Bepalingen omtrent het vervoer van de leerlingen van scholen
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a.</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                                cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                            verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een leerling
                            op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of slechts
                            gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het advies van de
                            commissie voor de begeleiding of het advies van andere deskundigen te
                            betrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, en</al><lijst><li nr="a."><al>de gehandicapte leerling, naar het oordeel van het college
                                        niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van openbaar
                                        vervoer gebruik te maken, of:</al></li><li nr="b."><al>de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of:</al></li><li nr="c."><al>de leerling, naar het oordeel van burgemeester en
                                        wethouders, is aangewezen op het openbaar vervoer onder
                                        begeleiding, doch waarvan door de ouders ten behoeve van het
                                        college genoegzaam wordt aangetoond dat het begeleiden van
                                        de leerling door de ouders of anderen onmogelijk is, dan wel
                                        tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden en een
                                        andere oplossing niet mogelijk is;</al></li><li nr="d."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                        indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de
                                        kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in
                                        het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de
                                afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                                toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15,
                                indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals
                                bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 4. Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer
                                aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 5. Eigen bijdrage en bekostiging naar financiële
                            draagkracht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of
                                een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen
                                tezamen meer bedraagt dan euro 22.050,-, wordt slechts bekostiging
                                verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van die leerling de
                                kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde
                                afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale
                                school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een
                                eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer
                                over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de
                                ouders meer bedraagt dan euro 22.050,-.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste
                                lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bedrag van euro 22.050,-, genoemd in het eerste en tweede lid,
                                wordt met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de
                                wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen
                                werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 450,-. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van euro 22.050,-.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                    toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km
                                    bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een
                                    van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk
                                    bedrag.</al></li><li nr="2."><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te
                                    kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de
                                    afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                    school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de
                                    ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage
                                    tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                    bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin
                                    en zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde
                                    verzamelinkomen van de ouders in de zin van de Wet op de
                                    inkomstenbelasting 2001.</al></li></lijst><al>Zij bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Inkomen in euro’s</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Eigen bijdragen in euro’s</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0 – 29.500</al></entry><entry colname="col2"><al>Nihil</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29.500 – 35.500</al></entry><entry colname="col2"><al>115</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35.500 – 41.000</al></entry><entry colname="col2"><al>475</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41.000 – 46.500</al></entry><entry colname="col2"><al>890</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46.500 – 53.000</al></entry><entry colname="col2"><al>1.300</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53.000 – 58.500</al></entry><entry colname="col2"><al>1.715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58.500 en verder</al></entry><entry colname="col2"><al>Voor elke extra € 4.500: € 420 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="4."><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang
                                    van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                    indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                    ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar,
                                    en rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 500,-.</al></li><li nr="5."><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid,
                                    worden met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de
                                    wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle
                                    huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan
                                    ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                    rekenkundig afgerond op een veelvoud van euro 5,-.</al></li><li nr="6."><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                    ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 6. Bepalingen omtrent het vervoer van gehandicapte leerlingen
                            van scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college
                                bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten aanzien van een
                                leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het
                                college artikel 9 in acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van een
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indien</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling, naar het oordeel van het college gehandicapt
                                        is. Ten aanzien van een leerling van een speciale school
                                        voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in acht.
                                        Of:</al></li><li nr="b."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                                        school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                        reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                                        reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                                        of:</al></li><li nr="c."><al>aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25
                                        en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college al dan niet onder begeleiding
                                        gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan wel
                                        zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                        bromfiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer
                                        met begeleiding, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging
                                        op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens
                                        het bepaalde in het vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de
                                        auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien
                                        aanspraak zou bestaan op bekostiging van de kosten van
                                        aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan een
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 7. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente
                            commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale
                            verwijzingscommissie of andere deskundigen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De “Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen 2002 a” wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het schooljaar
                                2001/2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd
                                verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een
                                bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend
                                met een leefvervoervoorziening, blijft, indien de ouders dat wensen,
                                zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een
                                gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in
                                schooljaar 2001-2002 bezocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een
                                vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet
                                onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een
                                opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en
                                naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002
                                bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km
                                bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in
                                het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand
                                aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking hebbende
                                geschillen, blijven de regelingen zoals luidend voorafgaand aan de
                                inwerkingtreding van deze verordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Diemen 2009”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Diemen in zijn openbare
                        vergadering van 18 december 2008. </ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening leerlingenvervoer gemeente Diemen
                        2009</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In artikel 1 van de verordening is een aantal begrippen nader gedefinieerd,
                        die regelmatig gebruikt worden in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad a School</titel></kop><al>• <cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief> :De Wet op het
                        primair onderwijs (WPO), die op 1 augustus 1998 in werking is getreden,
                        voorziet in de samenvoeging van het basisonderwijs en het onderwijs voor
                        kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende
                        kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet.
                        De scholen voor lom, mlk en iobk heten onder de WPO ‘speciale scholen voor
                        basisonderwijs’. </al><al>• <cursief>School voor voortgezet onderwijs</cursief>: Onder een school voor
                        voortgezet onderwijs als bedoeld in de WVO, vallen het voorbereidend
                        wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs
                        (havo)en het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), waar
                        praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs deel van uit maken.</al><al>• <cursief>Speciaal onderwijs (WEC)</cursief>: De Wet op de expertisecentra
                        (WEC) omvat al het overig speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Het
                        gaat om onderwijs voor doven, slechthorenden, kinderen met ernstige
                        spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapten, lichamelijk gehandicapten,
                        kinderen opgenomen in het ziekenhuis, langdurig zieken, zeer moeilijk
                        lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig
                        gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten. </al><al> De WEC onderscheidt de volgende clusters:</al><al> o Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig
                        gehandicapte kinderen met deze handicap;</al><al> o Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en
                        kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte
                        kinderen met een van deze handicaps;</al><al> o Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke kinderen met een lichamelijke
                        handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende
                        kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze
                        handicaps;</al><al> o Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een
                        lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in
                        scholen verbonden aan pedologische instituten.</al><al>• <cursief>Particuliere scholen</cursief>: Aanspraak op leerlingenvervoer
                        kan zowel naar rijksbekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de
                        particuliere school een onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de
                        particuliere school een ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is.
                        Momenteel zijn het individuele leerplichtambtenaren die beslissen of een
                        particuliere school voldoende lijkt op bekostigde scholen. Op rijksniveau
                        bestaat het voornemen dit centraal te gaan bepalen. In 2007 is daarom een
                        wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling gegeven bij de Eerste en
                        Tweede Kamer. De wetswijziging beoogt onder andere aanscherping van de
                        criteria waaraan particuliere scholen moeten voldoen. De Raad van State
                        heeft echter negatief geoordeeld over dit wetsvoorstel en de minister en de
                        staatssecretaris zijn om opheldering gevraagd. Het is niet duidelijk of (en
                        wanneer) het wetsvoorstel doorgang zal vinden.</al><al>• <cursief>Andere onderwijsvormen</cursief>: Het vervoer naar het middelbaar
                        beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs
                        valt onder geen enkele omstandigheid onder het leerlingenvervoer.
                        Gehandicapte leerlingen die een dergelijke opleiding volgen, kunnen zich tot
                        het UWV wenden voor een eventuele vergoeding.</al><al>• <cursief>Hoogbegaafde leerling</cursief>: Wanneer voor een hoogbegaafde
                        leerling het reguliere onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling
                        dientengevolge een school voor gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan
                        behoeft de gemeente volgens de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                        State geen bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer toe te
                        kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon voortgezet onderwijs
                        geen school is in de zin van de WEC (uitspraak van 9 november 1995, nr. H
                        01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een uitspraak van 23 april 1998, nr.
                        H01.98.0221 bevestigd).</al><al>• <cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief>: Het Besluit trekkende
                        bevolking van de WBO (Stb. 465, 1985) bevat voorschriften voor scholen voor
                        kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden (zoals scholen voor
                        kinderen van kermisexploitanten, schippers of circusmedewerkers). De
                        voorzieningen ten behoeve van deze groepen zijn opgenomen in de WPO en de
                        betreffende scholen worden aangemerkt als basisscholen. Belangrijkste
                        overweging hiervoor is, dat de desbetreffende kinderen in principe
                        aangewezen zijn op het reguliere basisonderwijs. Van overwegende
                        orthopedagogische of didactische benadering is geen sprake. Dit betekent dat
                        de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken op
                        bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer
                        van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                        basisonderwijs (Titel 2 van de verordening). Een belangrijke uitzondering
                        vormen:</al><al> o leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van
                        kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B Besluit trekkende
                        bevolking);</al><al> o leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende kinderen (Titel C
                        Besluit trekkende bevolking).</al><al> Ouders van leerlingen die voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor
                        bekostiging van vervoer in aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer
                        van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek, vormen onderdeel van
                        de materiele instandhouding van die scholen.</al><al>• <cursief>Medische behandeling en zorg</cursief>: Gemeenten worden steeds
                        vaker geconfronteerd met aanvragen van ouders voor bekostiging van vervoer
                        naar instellingen waar kinderen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan niet
                        in combinatie met onderwijs. Gemeenten zijn hier in principe niet toe
                        verplicht. Het leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een
                        school op de schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het
                        dus om een onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving;
                        zorginstellingen, medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet
                        toe gerekend. Volgt een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan
                        het zijn dat ouders een (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente
                        kunnen krijgen. Ook dan moet het gaan om onderwijs in de zin van
                        onderwijswetgeving, dus moet de instelling die het onderwijs verzorgt een
                        “school” zijn. Hierbij geldt dat gemeenten vervoeren in aansluiting op het
                        begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids (artikel 1, onderdeel
                        f, van de verordening). Krijgen kinderen voor, tijdens of na schooltijd zorg
                        of behandelingen, dan zijn toch de schooltijden leidend voor het
                        leerlingenvervoer. </al></divisie><divisie><kop><titel>Ad b Ouders</titel></kop><al>In de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is het onderscheid dat in de WPO
                        en de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht niet overgenomen. De WPO
                        verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen. De WEC verstaat ook
                        de verzorgers daaronder. Op dit moment ligt er een wetswijziging van de WPO
                        bij de Raad van State dat dit onderscheid opheft: door deze wijziging zullen
                        ook verzorgers onder het begrip ‘ouders’ in de zin van de WPO vallen. </al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder
                        het begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening. </al><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de
                        zin van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager
                        een rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze
                        formeel niet onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de
                        bekostiging van instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van
                        de kosten van het dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en
                        vakantievervoer. In voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling
                        contact worden opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad c Leerling</titel></kop><al>In artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar
                        en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de
                        basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de
                        leeftijd van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel
                        39, eerste lid, WPO). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun
                        kind vier jaar is geworden eventueel aanspraak maken op bekostiging van de
                        vervoerkosten naar de basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De
                        toelatingsleeftijd voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in
                        artikel 39 van de WEC. </al><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op
                        een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de
                        leerplichtige leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders,
                        indien zij voldoen aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening
                        leerlingenvervoer, aanspraak maken op bekostiging van de
                        vervoerskosten.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op
                        een school voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van zo’n school,
                        er aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van titel 6 van de
                        verordening.</al><al><cursief>Illegale leerlingen</cursief></al><al>Het recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land verblijvende
                        leerlingen, is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter wereld
                        moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te nemen,
                        Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen
                        aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale kinderen die
                        voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit
                        af te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook
                        recht hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige
                        leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus
                        niet als een opsporingsambtenaar worden ingezet. </al><al><cursief>Asielzoekerskinderen</cursief></al><al>Voor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC) verblijven en naar school
                        toe gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer asielzoekers. Deze richtlijn
                        houdt in dat het AZC het vervoer betaalt van het AZC naar de school. Dit
                        betaalt het AZC uit de middelen die het via het Centraal Orgaan Opvang
                        Asielzoekers (COA) ontvangt. </al><al>Leerlingen die niet in een asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de
                        gemeentelijke regeling leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in
                        aanmerking komen voor het leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de
                        dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting.</al><al><cursief>Besluit trekkende bevolking</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals voor de
                        begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten die
                        een rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van
                        circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen
                        bezoeken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad d Gehandicapte leerling</titel></kop><al>Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke
                        handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt
                        aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de verordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Ad e Woning</titel></kop><al>Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling
                        structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats van
                        waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is het niet relevant in welke
                        gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.</al><al>Niet ter zake doet of de ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun
                        officiële verblijf hebben in de zin van de artikelen 10 en verder van Boek I
                        van het Burgerlijk wetboek. Dit betekent dat indien een leerling tijdelijk
                        in een andere gemeente verblijft in deze andere gemeente bekostiging van de
                        vervoerkosten van deze leerling aangevraagd moet worden (dit geldt overigens
                        niet indien het bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een vakantie
                        van de ouders tijdelijk elders verblijft). </al><al><cursief>Tijdelijk verblijf </cursief></al><al>Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in een andere
                        gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de
                        vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer
                        laat het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande
                        gemeentelijke kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee
                        kan brengen. Ook voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij
                        deelname aan het vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een
                        aantal weken later dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de
                        definitie van het begrip woning een structureel element.</al><al>In een voorkomend geval wordt als volgt gehandeld. Als vooraf vaststaat dat
                        een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes
                        weken) in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft
                        bezoeken, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de
                        oorspronkelijke gemeente (A).</al><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                        verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen
                        school blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling
                        naar school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal
                        uiteraard (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten
                        bestaan.</al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere
                        gemeente verblijft wordt de hoofdregel toegepast, namelijk dat in de
                        gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                        aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                        verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere
                        criteria bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de
                        oorspronkelijke gemeente.</al><al><cursief>Dagcentrum: twee woningen</cursief></al><al>Het uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer is, dat slechts het
                        vervoer van de woning naar de onderwijsinstelling en vice versa wordt
                        bekostigd. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning een school
                        bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale indicatie,
                        naar een dagcentrum (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum) reist, is de gemeente
                        derhalve niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te
                        bekostigen. </al><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf
                        aangemerkt kan worden, zal de gemeente ervan uitgaan dat het kind twee
                        woningen in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning
                        en het dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging. Het dagcentrum
                        wordt dan aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar
                        huis valt dan niet onder het leerlingenvervoer. </al><al><cursief>Gescheiden ouders: twee woningen</cursief></al><al>Een kind van gescheiden ouders kan twee woningen hebben in de zin van de
                        verordening. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van co-ouderschap, waarbij
                        het kind evenveel bij de ene als de andere ouder verblijft, kan gezegd
                        worden dat er sprake is van twee hoofdverblijven. Om aanspraak te maken op
                        bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders afzonderlijk, voor de
                        dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij
                        de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Waar de leerling staat
                        ingeschreven doet niet terzake; doorslaggevend is de feitelijke
                        verblijfplaats van de leerling. </al><al>De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk aan de eigen verordening
                        leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of er sprake is van een
                        woning in de zin van de verordening, of de school wel de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het komt voor dat
                        slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer bestaat,
                        doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. </al></divisie><divisie><kop><titel>Ad f Afstand</titel></kop><al>De afstand dient consequent te worden gemeten. Daarom wordt de meest actuele
                        routeplanner gehanteerd en zullen de ouders bij de aanvraag worden
                        geïnformeerd over de wijze waarop de afstand wordt gemeten.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de
                        weg op zich zelf beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart
                        1989, R03.87.2599; zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met
                        verwijzing naar een minder veilige alternatieve route.</al><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het
                        afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                        begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus
                        de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni
                        1995, nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).</al><al>De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van mening dat de route niet in
                        alle gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor gemotoriseerd verkeer
                        (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie jur. 1.7).</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad g Vervoer</titel></kop><al>Indien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de verordening te
                        worden opgenomen (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1,
                        onderdeel l). Ter verduidelijking is opgenomen dat het vervoer alleen
                        plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
                        aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van
                        bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen
                        voor het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te
                        jong is om het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de
                        structurele handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen
                        van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval
                        wel tijdens de schooltijd vervoerd te worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad h Openbaar vervoer</titel></kop><al>Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de
                        begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet
                        personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze Wet wordt onder
                        ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                        trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. De Wet
                        personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar
                        schema van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving
                        ‘openbaar vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad ki Reistijd</titel></kop><al>Onder ‘reistijd’ wordt in de verordening verstaan, de tijdspanne die ligt
                        tussen het verlaten van het huis en de aanvang van de schooldag, dan wel de
                        tijdspanne die ligt tussen het einde van de schooldag en de aankomst bij het
                        huis. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht of zij gebruikmaken van het
                        leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen
                        op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten
                        van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het begin van de
                        schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag wordt wel
                        meegerekend bij de totale reistijd. </al><al><cursief>Schooltijden </cursief></al><al>Vanaf I augustus 2006 hebben scholen in het primair en het speciaal
                        onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf
                        in te vullen. Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de
                        leerlingen in de eerste twee schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en
                        in de laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs ontvangen. Als
                        voorwaarde is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de
                        dag verdeeld moeten worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt
                        daarnaast nog dat het onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste
                        880 uren per schooljaar omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste
                        1000 uren per schooljaar. Het is mogelijk om voor alle groepen naast de
                        woensdagmiddag een tweede vrije middag in te voeren, of de verplichte
                        lesuren in vier dagen per week te verzorgen. Een school kan ook kiezen voor
                        een zesdaagse lesweek.</al><al>Voor de bepaling van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de
                        schoolgids die een school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de
                        nieuwe regelgeving gebruikmaakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de
                        gemeente dit honoreren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad l Toegankelijke school</titel></kop><al>De WPO kent het orgaan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl, artikel
                        23 WPO). Deze commissie beslist op aanvraag van de ouders of een leerling op
                        het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen.
                        Alleen als dit besluit positief is, kan een leerling op een speciale school
                        voor basisonderwijs worden opgenomen. Het college moet bij de beoordeling
                        van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Dit besluit
                        is overigens een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
                        In het kader van de operatie Weer samen naar school is afgesproken dat,
                        indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas bij een
                        basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de toegankelijke
                        school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is, en dat
                        derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden
                        bekostigd. De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot
                        het praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad m Inkomen</titel></kop><al>Om te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan worden
                        geheven, is het inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Ouders kunnen een
                        IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde
                        verzamelinkomen staat vermeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad o Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>De commissie voor de begeleiding is in de plaats gekomen voor de commissie
                        van onderzoek. De indicerende taken van de CvO zijn overgegaan naar de
                        regionale commissies van indicatiestelling (Cvi). De taken omtrent
                        toewijzing van (ambulante) begeleiding liggen bij de commissie voor de
                        begeleiding, verbonden aan een school.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad p Vervoersvoorziening</titel></kop><al>De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel
                        doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader
                        uitgewerkt. Er dient een keuze te worden gemaakt tussen één van de drie
                        weergegeven mogelijkheden: 1. een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de
                        door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en
                        zonodig diens begeleider, 2. de verstrekking van een abonnement of
                        strippenkaart voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of 3.
                        aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                        verzorgen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad q Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><al>De WPO kent de permanente commissie leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de
                        pcl over de toelating van een leerling tot een speciale school voor
                        basisonderwijs dienen door het college bij de beoordeling van een aanvraag
                        voor leerlingenvervoer betrokken te worden, ingeval het college een
                        negatieve beschikking geeft op de gevraagde voorziening. Zie tevens de
                        toelichting bij onderdeel j.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad r Samenwerkingsverband</titel></kop><al>Op basis van de WPO moeten basisscholen en speciale scholen voor
                        basisonderwijs die samenwerken, een zodanige zorgstructuur inrichten, dat
                        voor elke leerling de benodigde zorg kan worden geboden. Artikel 18 van de
                        WPO geeft een regeling voor de samenwerkingsverbanden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad s Regionale verwijzigingscommissie </titel></kop><al>De regionale verwijzingscommissie heeft op grond van artikel 10g van de WVO
                        tot taak te beoordelen of een leerling tot het praktijkonderwijs toelaatbaar
                        is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad t Opdc</titel></kop><al>Opdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening
                        bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook onderwijs
                        gegeven worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor
                        voortgezet onderwijs.</al><al>Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak maken op
                        vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor
                        leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs
                        volgen aan een opdc en gedeeltelijk aan een school voor voortgezet
                        onderwijs, kunnen alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de
                        school voor voortgezet onderwijs.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad u Ambulante begeleiding</titel></kop><al>Een ambulante begeleider is verbonden aan een school voor speciaal onderwijs
                        en geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in het reguliere primair
                        en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante begeleider van
                        gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een aanvraag
                        leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de vervoersbehoefte
                        van die leerlingen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Ad v Commissie voor de indicatiestelling</titel></kop><al>Elk kind dat wordt aangemeld voor het speciaal onderwijs moet worden
                        geïndiceerd. De commissie voor de indicatiestelling beoordeelt aan de hand
                        van onafhankelijke landelijke criteria of een leerling in aanmerking komt
                        voor leerlinggebonden financiering en in welk cluster de leerling wordt
                        geplaatst.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                            vervoerskosten</titel></kop><al>In de verordening worden de aanspraken van de ouders op gehele of
                        gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen naar
                        scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en
                        (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer
                        zelf laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de
                        vervoerskosten in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit
                        vervoer gebruik maken. Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een
                        gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen
                        bijdrage te betalen aan het vervoer van hun leerlingen (artikel 2, tweede
                        lid, van de verordening). </al><al>De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders
                        van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor
                        basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de
                        afstand tussen de woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren
                        of nalatig zijn met betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen
                        bijdrage, leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan
                        wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot
                        stopzetting van het vervoer. Het behoeft geen betoog dat juist bij het
                        aangepast vervoer afspraken kunnen worden gemaakt met regiogemeenten om een
                        zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van aangepast vervoer te
                        organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot uitdrukking dat het
                        eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit
                        hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de
                        Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde
                        lid, van de verordening deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet
                        vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of
                        overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de
                        gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de
                        ouders.</al><al>In het vierde lid staat dat een leerling die meerderjarig en
                        handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan doen in
                        plaats van de ouders/verzorgers. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><al>Een van de uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is
                        dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college
                        bij de uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders
                        berustende keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde
                        artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt
                        tussen openbaar en bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd
                        in artikel 3. Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de
                        afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem
                        toegankelijke school. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de
                        school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste
                        voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. </al><al>Als toegankelijke school is aan te merken wat betreft het primair onderwijs:
                        de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting
                        dan wel de openbare school. Wat betreft (voortgezet) speciaal onderwijs
                        wordt hier nog een tweede criterium aan toegevoegd: de school van de soort
                        waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of
                        geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn schooltypen zoals
                        vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Op grond van de WPO
                        dient voor de speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer naar de
                        dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband te worden
                        bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de verordening.</al><al><cursief>Scholen met wachtlijsten</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat op een toegankelijke school wel ruimte voor de
                        leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Indien de
                        dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een
                        wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende
                        dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze
                        verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor
                        de dichtstbijzijnde school. </al><al>Indien de wachtlijst is opgelost - de gemeente dient naar de duur van de
                        wachtlijst te informeren - kan de bekostiging beperkt worden tot aan de
                        dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit
                        is ongeacht of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de
                        dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om hun kind naar
                        elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van het
                        leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de
                        dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt. </al><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging
                        afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van
                        (de aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat
                        de leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan
                        nog worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een
                        leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en
                        verder niet toegankelijk is. </al><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende
                        dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school
                        is dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een
                        dergelijk geval dient bekostiging van vervoer te worden verstrekt, naar deze
                        andere (dichtstbijzijnde) school. </al><al><cursief>Stagevervoer</cursief></al><al>Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de leerling
                        dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel
                        aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers aan te
                        merken als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De gemeente kan
                        scholen er op attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben
                        voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing
                        van leerlingen door bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van het
                        leerlingenvervoer.</al><al><cursief>Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’</cursief></al><al>Ten aanzien van hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig
                        geconfronteerd met aanvragen tot bekostiging van het vervoer naar scholen
                        die zich richten op dit type kinderen. </al><al>In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan over een zaak die
                        speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk verzoek af, omdat er
                        voldoende onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij gelegen zijn. Men vond
                        geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de gemeente was de
                        rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat dichter
                        bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat zelfs
                        als bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt
                        dat er aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder
                        weg gelegen school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school
                        voor de leerling wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke school is. De rechter vindt het dan wel mede op de weg van de
                        gemeente liggen om aan te geven welke dichterbij gelegen school geschikt is. </al><al><cursief>Onderwijsrichting</cursief></al><al>In de parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen
                        leerlingenvervoer is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het
                        onderwijs. Om alle twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging
                        in aanmerking komt maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling
                        voldoende begaanbare en veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                        school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is,
                        door middel van een Vierde nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in
                        de relevante artikelen expliciet opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de
                        dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij het vervoer
                        met betrekking tot een verder weg gelegen school voor de gemeente minder
                        kosten met zich mee zou brengen, en de ouders met het vervoer naar die
                        school instemmen.</al><al>Bovengenoemd uitgangspunt houdt in dat indien een leerling een school
                        bezoekt die, met voorbijgaan van een school van dezelfde gewenste richting,
                        verder van de woning van de leerling is verwijderd, de aanspraak in principe
                        beperkt blijft tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de
                        dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. </al><al>Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de
                        woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente
                        goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college
                        aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school
                        wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.</al><al>Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft geleid tot veel jurisprudentie.
                        Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij de vraag over het al dan
                        niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging tot het zogenoemde
                        ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het gaat om
                        stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder
                        onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken.</al><al>In het algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar
                        onderwijs, tot het klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder
                        onderwijs gerekend worden: scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen
                        voor protestants-christelijk onderwijs, scholen voor gereformeerd
                        (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december 1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen
                        voor reformatorisch onderwijs, scholen voor algemeen bijzonder onderwijs (KB
                        15 december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2). Daarnaast kunnen in het christelijk
                        onderwijs, wat betreft het leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden
                        onderscheiden: gereformeerde schoolvereniging, scholen met den bijbel,
                        christelijk-nationaal, hervormd. In jurisprudentie worden ook de zogenoemde
                        evangelische scholen als een afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97,
                        AB 1998, 28).</al><al>Daarnaast zijn ook de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te
                        merken. Gezien de statuten van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan
                        dat ook zij een eigen richting vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor
                        Hindoeïstische scholen. </al><al><cursief>Interconfessioneel onderwijs</cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan onderwijs dat is gebaseerd op verschillende
                        geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal ontstaan uit
                        de fusie van een protestante en</al><al>een katholieke school. Gezien de statuten van deze scholen wordt dit type
                        onderwijs niet</al><al>als aparte richting ten opzichte van andere confessionele scholen
                        aangemerkt. </al><al><cursief>‘Vrije scholen’</cursief></al><al>Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische wijsbegeerte
                        en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden een
                        bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het
                        onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18
                        juni 1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is in Nederland bekend
                        onder namen als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de Zonneschool.</al><al><cursief>Overige scholen</cursief></al><al>Niet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde onderwijskundige
                        methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld:
                        Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze
                        scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige inrichting van de
                        school en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. </al><al>Montessorischolen c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante
                        signatuur zijn. Dit betekent dat er in dezen geen verschil bestaat tussen
                        een ‘reguliere’ katholieke basisschool en een katholieke Montessorischool,
                        etc. Relatief nieuw zijn de zogenaamde ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn
                        particuliere scholen die sinds 2000 op verschillende plaatsen in Nederland
                        gestart zijn. In het algemeen worden deze scholen erkend als ’scholen’ in de
                        zin van de onderwijswetten. De identiteit van de school lijkt meer geënt op
                        de onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst of levensovertuiging. Er
                        is geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er sprake is van een
                        afzonderlijke richting.</al><al><cursief>Verklaring van bezwaar</cursief></al><al>Op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening dienen ouders, indien
                        een leerling een school voor basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan
                        bepaald in de verordening, terwijl zich dichterbij andere (openbare en
                        bijzondere) basisscholen bevinden, schriftelijk te verklaren, dat zij
                        overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de
                        richting van de dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. </al><al>Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen de richting van het
                        bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en niet tegen de
                        onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds de
                        totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                        onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                        onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden:
                        het college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde
                        richting inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze
                        gedragslijn in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk
                        geval neemt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat
                        niet de richting van het onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van
                        de ouders heeft bepaald, in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde
                        verklaring inzake hun bezwaar tegen de overige richtingen en het openbaar
                        onderwijs (ABRS, 10 april 1989, R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2
                        januari 1992, R03.89.0685/72-107; zie Jur. 5.7). </al><al><cursief>Speciaal onderwijs</cursief></al><al>Uiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat het
                        bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van
                        de soort waarop de leerling is aangewezen.</al><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraak heeft
                        bevestigd dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal
                        onderwijs een leerling is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt
                        uit de in artikel 2 van de WEC) onderscheiden soorten (ABRS, 2 januari 1992,
                        R03.88.4075 en R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die soorten is
                        geen nadere onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen
                        (...) scholen (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt
                        aangetoond - met name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij
                        gelegen school van de gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is
                        maar een verder gelegen school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op
                        deze verder gelegen school feitelijk is aangewezen, en is er voor het
                        college aanleiding te bezien of met toepassing van de hardheidsclausule het
                        vervoer naar de verder gelegen school dient te worden bekostigd.</al><al>Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering kunnen leerlingen die
                        geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs tevens kiezen voor het
                        regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet) speciaal onderwijs
                        gaan, titel 3 van de verordening, maken onverminderd aanspraak op
                        leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer moeilijk
                        opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                        instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt
                        dat zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de
                        commissie voor de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven.
                        Artikel 4, vijfde lid WEC bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor
                        de cvi een advies heeft afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde,
                        toegankelijke school. Dit geldt zolang de leerling woont in het gebied van
                        het regionaal expertisecentrum waar voornoemde commissie aan is
                        verbonden.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 1:</onderstreept></cursief> School A is een
                        rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer afstand van de woning
                        van de leerling. School B is een protestants-christelijke basisschool en
                        ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling. Indien de
                        ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen de
                        richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt
                        het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 2:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een school voor algemeen-bijzonder basisonderwijs op drie kilometer
                        afstand van de woning. De ouders besluiten dat de leerling naar een andere
                        basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op zes kilometer afstand van
                        de woning. In dit geval verstrekt het college geen bekostiging voor het
                        vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand (immers, het is niet
                        de dichtstbijzijnde toegankelijke school). </al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 3:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven kilometer afstand
                        van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe gereformeerde
                        (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de bekostiging van
                        de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het is immers
                        niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Aansluitend bij de
                        gangbare opvattingen is een overgangsperiode van circa twee jaren reëel
                        indien daarmee het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke
                        overgangsperiode vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de
                        school op zeven kilometer afstand van de woning. Indien de ouders beslissen
                        om de leerling eerder naar de dichterbij gelegen school te sturen, vervalt
                        de bekostiging op het moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. </al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 4:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand van de woning.
                        Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in dezelfde
                        gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde school
                        voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van
                        acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar
                        deze school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de
                        verder weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode
                        voor de hand te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het
                        belang van de leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het
                        resterende schooljaar. </al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 5:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een protestants-christelijke speciale school voor basisonderwijs op
                        zes kilometer afstand van de woning terwijl een rooms-katholieke speciale
                        school voor basisonderwijs en een protestants-christelijke ZMOK-school
                        dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk op twee kilometer en drie
                        kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de vervoerskosten in
                        aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben
                        tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke school (i.c. de
                        rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs). De
                        protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                        leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij
                        gelegen toegankelijke school.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 6:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer afstand van de woning.
                        Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool gehuisvest, terwijl
                        er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs aanwezig zijn.
                        Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de school op
                        zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk hebben
                        verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze
                        dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer
                        afstand is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                        school.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 7:</onderstreept></cursief> Op drie
                        kilometer afstand van de woning van de leerling is een reformatorische
                        basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische basisschool
                        op acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school
                        godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet
                        tot uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit
                        geval bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de school,
                        gelegen op een afstand van acht kilometer. </al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 8:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs op
                        twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling, omdat de
                        onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de leerling
                        dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                        vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op
                        een afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college
                        verstrekt geen vergoeding. </al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld 9:</onderstreept></cursief> Een leerling
                        bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs binnen het
                        samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is,
                        terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de
                        leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs
                        is. Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het
                        samenwerkingsverband (zie artikel 9 van de verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient de
                        aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen. Dit zou kunnen
                        vervallen als de gemeente op termijn bij de belastingdienst de
                        inkomensgegevens kan opvragen. </al><al>Bij de verstrekking van bekostiging dient het college de wijze en het
                        tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te
                        worden of:</al><al>• de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;</al><al>• de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis,
                        dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt;</al><al>• de bekostiging, in het geval er sprake is van aangepast vervoer,
                        rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Indien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te komen, dienen zij
                        hiertoe een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde wordt hiervoor
                        een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar gesteld. </al><al>In artikel 5 van de verordening zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent de
                        aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>De aanvraag kan in principe op twee tijdstippen plaatsvinden:</al><lijst><li nr="1."><al>indien het betreft een aanvraag voor het nieuwe schooljaar, dient de
                                aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat nieuwe schooljaar ingediend
                                te worden;</al></li><li nr="2."><al>indien het betreft een aanvraag gedurende het schooljaar, kan de
                                aanvraag gedurende het schooljaar worden ingediend.</al></li></lijst><al><cursief>Ad 1. Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe
                            schooljaar:</cursief></al><al>Veelal zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn
                        dat een leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken.
                        Ook continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de
                        aanvang van het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke
                        gevallen bepaalt artikel 5, tweede lid, van de verordening dat de ouders,
                        die in aanmerking wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten,
                        voor 1 juni voorafgaande aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de
                        gemeente moeten indienen. </al><al>Deze datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                        aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het
                        schooljaar gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in
                        verband met de - in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de
                        commissie van onderzoek. </al><al>Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het
                        college op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het
                        nieuwe schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te
                        geven. De aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en
                        voorzien te zijn van de noodzakelijke bijlagen. </al><al>Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is gekozen om de eventueel te
                        verwachten stormloop van aanvragen in de zomervakantie te kunnen verwerken. </al><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de verordening kan het
                        voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de
                        gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een
                        vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of
                        andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                        situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten
                        hoogste vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de
                        modelverordening). Uiterlijk een dag voor het verstrijken van de tweede
                        termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te
                        zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende soelaas
                        biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van de
                        commissie van onderzoek, is het van belang dat er toch een beschikking wordt
                        afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de hand een beschikking te
                        geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie van onderzoek af te
                        wachten. Dit is dan ook geregeld in artikel 16, derde lid. </al><al>Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt
                        (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van de verordening
                        zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een
                        genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13 van de
                        Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te
                        worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht
                        weken geen beschikking heeft gegeven. </al><al>Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van
                        vier weken) overschreden worden, dan kunnen de aanvragers op basis van
                        artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In het
                        onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden
                        (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt
                        niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel
                        6:12, derde lid).</al><al><cursief>Ad 2. Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht
                            weken:</cursief></al><al>In gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe
                        schooljaar om welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het
                        in de meeste gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het
                        nieuwe schooljaar af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag -
                        weliswaar ingediend voor 1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld
                        (tenzij de gecorrigeerde aanvraag ook voor 1 juni bij de gemeente binnen
                        is).</al><al>Wanneer de aanvraag onjuist of onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de
                        aanvraag moeten aanvullen of corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is
                        bepaald dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag
                        met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn
                        ongebruikt is verstreken. Is er sprake van een bovengenoemde situatie dan is
                        artikel 5, vierde lid, van de verordening van toepassing. Hierin wordt
                        bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van het formulier een
                        beslissing neemt, nadat ouders in voorkomend geval in de gelegenheid zijn
                        gesteld de aanvraag met ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al>Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het schooljaar een
                        aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien in de loop
                        van het schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld van
                        basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van
                        het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat
                        bezoeken.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        van 6 maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van
                        een verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de
                        ouders wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te
                        dienen mag van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk
                        binnen een week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een
                        aanvraag bij de nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de
                        nieuwe woongemeente niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode
                        vanaf een week na de mededeling van de oude woongemeente tot aan de
                        uiteindelijke indiening van de aanvraag bij de nieuwe woongemeente te
                        bekostigen.</al><al>Ook ten aanzien van de aanvraagprocedures geldt echter dat de
                        afwikkelingstermijnen niet haalbaar kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor
                        geldt dan ook de verdaging van de termijn met vier weken. Dezelfde criteria
                        en sancties gelden als onder ad 1 zijn gesteld.</al><al>Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of beroep
                        een positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van
                        welke datum de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld
                        worden dat het college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het
                        geval een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de
                        ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de eerste
                        schooldag van het nieuwe schooljaar (artikel 5, zesde lid, onder a).
                        Hieronder dient dan de werkelijke start van het schooljaar verstaan te
                        worden en niet de wettelijke aanvangsdatum. De bekostiging gaat uiteraard
                        pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk plaatsvindt. </al><al><cursief>Geen bekostiging met terugwerkende kracht</cursief></al><al>Indien de aanvraag gedurende het schooljaar aan het college wordt gericht
                        zal de ingangsdatum van de bekostiging in principe samenvallen met de in het
                        aanvraagformulier verzochte datum van ingang, <onderstreept>echter niet voor
                            de datum waarop de aanvraag wordt gedaan</onderstreept> (artikel 5,
                        zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor zich dat de
                        gemeente haar burgers in algemene zin dient te informeren omtrent eventuele
                        rechten op bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al><cursief>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag</cursief></al><al>Zoals reeds eerder is opgemerkt geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in
                        het algemeen de bevoegdheid om het gebruik van aanvraagformulieren voor te
                        schrijven. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt
                        opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                        aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Onder
                        gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen
                        (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een medische
                        verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                        belasting, verklaring van overwegende bezwaren en evt. andere
                        bewijsstukken.</al><al>Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze gegevens te
                        overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste beoordeling
                        van de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een juiste
                        beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip
                        ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van
                        invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het
                        college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. </al><al>Indien het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te
                        worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in
                        de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college
                        te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren.
                        Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te
                        maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid,
                        van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid van de Awb, dient in een
                        voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag
                        niet in behandeling wordt genomen.</al><al>Uit een beschikking van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                        van de Raad van State (9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1)
                        wordt duidelijk dat gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet
                        louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld
                        aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken
                        wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is. De voorzitter overweegt het
                        volgende: ‘Wij stellen voorop dat, hoewel is gebleken dat het
                        aanvraagformulier voor de in geding zijnde reiskostenbekostiging onjuist dan
                        wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk bedoeling van verzoeker, gezien de
                        aanvragen van de voorafgaande jaren, duidelijk is. Derhalve beschouwen wij
                        de aanvraag als zijnde correct gedaan.’ Bij het in behandeling nemen van
                        aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op de kennelijke bedoeling van
                        de aanvrager zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken
                        is.</al><al><cursief>Verdagen</cursief></al><al>Het vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de
                        beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een
                        bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin
                        van de Awb. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke
                        beslissing dient te motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing
                        aan de belanghebbende bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de
                        Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><al>Lid 1: Artikel 6, eerste lid, van de verordening regelt dat ouders verplicht
                        zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn
                        op de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke
                        wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.</al><al>Gegevens die van invloed kunnen zijn op de bekostiging zijn onder
                        andere:</al><lijst><li nr="-"><al>wijziging van de reistijd, in verband met verandering in
                                bijvoorbeeld het openbaar vervoer;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in het woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld
                                verhuizing;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de gezinssamenstelling;</al></li><li nr="-"><al>wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het al dan niet
                                begeleiden van leerlingen;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van het adres van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van de schooltijden van de school;</al></li><li nr="-"><al>wijziging van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar
                                voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="-"><al>toekenning van bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van
                                andere wet en regelgeving.</al></li></lijst><al><cursief>Lid 2:</cursief> Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt
                        het college de verstrekte bekostiging in en verstrekt het college al dan
                        niet opnieuw bekostiging van de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van
                        de modelverordening). Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging
                        heeft gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in het inkomen van ouders van
                        leerlingen die een school voor basisonderwijs of speciale school voor
                        basisonderwijs volgen heeft in principe geen invloed op de bekostiging van
                        de vervoerskosten voor het desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van
                        een structurele wijziging in het inkomen van de ouders die voor hen ernstig
                        nadelig is, kan het college vooruitlopend op het volgende schooljaar de
                        bekostiging aanpassen. Indien het college, zonder hiervan door de ouders
                        onverwijld op de hoogte te zijn gesteld, zelf wijzigingen vaststelt die van
                        invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan het zijn dat ouders ten onrechte
                        bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al><cursief>Lid 4:</cursief> Artikel 6, vierde lid, van de verordening biedt in
                        dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging
                        terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te
                        verstrekken bekostiging. Ook in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat
                        de wijziging is vastgesteld de bekostiging kan vervallen en eventueel
                        opnieuw wordt verstrekt. De beslissing dient aan de aanvrager bekend te
                        worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Aangezien in de verordening het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als
                        een van de volumebeperkende middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan
                        niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding, is gekozen voor
                        een peildatum van de leeftijd van de leerling. </al><al>In de verordening (artikel 7) is dan ook gekozen voor een peildatum die
                        geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen is voor de peildatum van 1
                        augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze datum samenvalt met de
                        wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt in dat indien de
                        leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het
                        kader van de verordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt
                        aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar).
                        Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor het gehele schooljaar te worden
                        afgegeven.</al><al>Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                        leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder
                        in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO,
                        WEC of WVO school volstaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>Indien kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een
                        andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de
                        kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken
                        van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de
                        verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor vergoedingen die
                        worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet tegemoetkoming
                        onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande kinderen in
                        het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is opgebouwd uit
                        verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en is niet
                        puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden
                        afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school
                            voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 3 van de verordening. Voor alle
                        onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4
                        van de WPO bepaalt voor speciale scholen voor basisonderwijs echter dat het
                        vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband dient te
                        worden bekostigd. Dat zal veelal wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke school van zijn soort te zijn omdat buiten het
                        samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale school kan zijn. Deze
                        regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk opvang binnen het
                        eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de regeling voor
                        basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor
                        leerlingenvervoer rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling
                        en de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In
                        artikel 9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig
                        is. Dit is op grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde
                        toegankelijke basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van
                        toepassing. Daarnaast geldt als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van
                        de verordening bij toepassing van onderdeel b ook hier het vereiste van
                        schriftelijke instemming van de ouders.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><al>In de WPO wordt aan de permanente commissie leerlingenzorg (pcl) de taak
                        opgedragen om een besluit te nemen over de toelating van een leerling tot
                        een speciale school voor basisonderwijs. Het college moet bij de beoordeling
                        van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit besluit uitgaan. Daarnaast
                        kunnen door het samenwerkingsverband aan de pcl adviestaken worden
                        opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het advies van de
                        commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies betreft, is
                        het college daaraan echter niet gebonden. Om de bestuurslast beperkt te
                        houden is bepaald, dat het advies van de pcl alleen moet worden betrokken,
                        als het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening
                        geeft.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                            fiets</titel></kop><al>Artikel 11 van de verordening bepaalt dat de ouders van leerlingen die een
                        school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                        bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten
                        van het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de
                        woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer
                        dan zes kilometer bedraagt.</al><al>Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een fietsvergoeding wordt
                        verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan
                        niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij
                        dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de leerling, de
                        eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te wijken route
                        en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor bijvoorbeeld de
                        maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige maanden
                        bekostiging voor ander passend vervoer.</al><al>In artikel 11 van de verordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om
                        ouders aanspraak te kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten.
                        Hierbij geldt als uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar
                        vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets’.</al></divisie><divisie><kop><titel>Afstandscriterium</titel></kop><al>De artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de gemeentelijke regeling
                        kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de
                        afstand. In de verordening is deze afstand nader ingevuld door het stellen
                        van een kilometergrens. Als afstandscriterium wordt in de verordening zes
                        kilometer gehanteerd. In artikel 4, zevende lid, van de WPO is deze afstand
                        als bovengrens vastgelegd.</al><al>In de uitspraak van 27 december 1989 (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State duidelijkheid verschaft
                        over de wijze waarop de afstand tussen school en woning bepaald moet worden.
                        Als er een klein verschil (minder dan enkele honderden meters) bestaat
                        tussen de meting van de afstand door de ouders en de gemeente, dan kan niet
                        volstaan worden met het meten van de afstand door een auto-dagteller. In dit
                        geval dient een methode gebruikt te worden waardoor de exacte afstand kan
                        worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het gebruik van een geijkte
                        teller, of een recente versie van een routeplanner of navigatiesysteem. </al><al>Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                        State in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de afstand
                        niet mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s
                        morgens) en de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg
                        onder de in de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de
                        terugweg daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de
                        afdeling veeleer in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen
                        de heen- dan wel de terugreis - wordt verstrekt.</al><al>Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van
                        de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en
                        artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor
                        de hand liggend onderscheid in afstand voor jongere en oudere kinderen is
                        niet mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><titel>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginsel</titel></kop><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor basisonderwijs heeft de
                        gemeente naast de vaststelling van een afstandsgrens en leeftijdsgrens nog
                        twee andere volumebeperkende maatregelen ter beschikking ter regulering van
                        de vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en het toepassen van het
                        draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van leerlingen naar
                        speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een drempelbedrag geheven
                        worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel niet mogelijk. Zie
                        verder de toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingen</al><al>Artikel 11 e.v. en artikel 15 e.v. van de verordening bepalen dat het
                        college bekostiging verstrekt in de kosten van leerlingenvervoer, indien de
                        afstand van de woning van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de
                        leerling toegankelijke school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal voortgezet onderwijs of
                        (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.</al><al>Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst
                        de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als
                        school in de zin van de verordening leerlingenvervoer dienen te worden
                        beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen door met name
                        de schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door deze
                        operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen
                        omgevormd tot nevenvestigingen.</al><al>Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan aansluiting worden gezocht
                        bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiële instandhouding in het
                        primair onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid, artikel 11 en artikel
                        15, eerste lid van de verordening leerlingenvervoer. Als uitgangspunt geldt
                        dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht als school
                        kan worden beschouwd in de zin van de verordening.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:</al><al><cursief>1.</cursief><cursief> Nevenvestiging in het
                            basisonderwijs:</cursief> Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO
                        (artikel 1) beschouwd als een deel van de school op de plaats waar voor de
                        vorming van de nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De
                        eigen wettelijke positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting
                        in een afzonderlijke normstelling voor de instandhouding, in een
                        afzonderlijke regeling voor de rijksbekostiging van de huisvesting (los van
                        de plaatsingscapaciteit van de hoofdvestiging) en in de verplichting om voor
                        de nevenvestiging een afzonderlijke leerlingadministratie bij te
                        houden.</al><al>Gelet op het voorgaande uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt
                        het voor de hand een nevenvestiging als een school in de zin van de
                        verordening te beschouwen.</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> Dislocaties in het primair
                            onderwijs</cursief>: Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor genoemde
                        uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de verordening worden
                        beschouwd.</al><al><cursief>3.</cursief><cursief> Bekostiging</cursief>: Het college verstrekt
                        bekostiging indien de leerling de dichtstbijzijnde toegankelijke
                        onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de criteria van de
                        verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt voldaan. Met
                        een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een nevenvestiging of
                        dislocatie bedoeld.</al><al>Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat indien een leerling een dislocatie
                        bezoekt die minder ver van de woning is gelegen dan de kilometergrens van
                        artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de verordening, het college niet
                        gehouden is bekostiging te verstrekken voor de kosten van het
                        leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de hoofdvestiging van de
                        school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de kilometergrens.</al><al>Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van
                        leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen
                        onderwijslocatie van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die
                        verder weg van de woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11
                        respectievelijk artikel 15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze
                        kilometergrens is gelegen.</al><al><cursief>4. Toegankelijkheid</cursief>: De bekostigingsplicht van het
                        college tot de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan
                        van specifiek belang zijn indien de leerling een school bezoekt met een
                        nevenvestiging of een dislocatie.</al><al>Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het bevoegd
                        gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging en
                        de nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum
                        verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbij gelegen locatie een dislocatie
                        is waar slechts onderwijs voor de onderbouw wordt verzorgd, is deze locatie
                        voor een leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder
                        gelegen dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als
                        dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige
                        voorwaarden wordt voldaan bekostigt het college het vervoer daarheen.</al><al><cursief>Verbouwing van de school</cursief></al><al>Indien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie
                        opgevangen worden, dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle
                        leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet de verordening
                        leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont worden toegepast. Voor
                        leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6 van de
                        verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken
                        of er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer. </al><al>Voor leerlingen die niet in het leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag
                        worden ingediend. De gemeente gaat deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt
                        (onder meer) gekeken of wordt voldaan aan de afstandsgrens en of het om de
                        dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort en de richting gaat.
                        Maken ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan moeten zij samen met
                        de school bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten worden opgevangen.
                        Vaak regelen scholen vervoer tussen de oude en nieuwe locatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                            begeleider</titel></kop><al>In een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet mogelijk is
                        zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen andere
                        ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze
                        begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de
                        verordening is daaromtrent een regeling getroffen.</al><al>Uit artikel 12 blijkt:</al><lijst><li nr="-"><al>dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer
                                moet zijn om voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van
                                een begeleider in aanmerking te komen;</al></li><li nr="-"><al>dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders, indien de
                                leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling
                                gaat ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe
                                zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in
                                een incidenteel geval niet zo, dan kan op grond van artikel 29 van
                                de verordening een uitzondering hierop gemaakt worden.</al></li><li nr="-"><al>In dit verband is artikel 7 van de verordening van belang. Indien de
                                leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor
                                het hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt
                                ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen
                                jaar;</al></li><li nr="-"><al>dat door de ouders genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te
                                maken.</al></li><li nr="-"><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn indien:</al><al> o de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer
                                gebruik te maken;</al><al> o de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                                meerdere malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en
                                hij, gezien zijn leeftijd, te jong hiervoor is;</al><al> o de route van het uitstappunt van de bus naar de school
                                gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld
                                verkeersbrigadiers niet mogelijk is).</al></li></lijst><al>Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als mogelijk ondersteund te worden
                        door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over de routes van het openbaar
                        vervoer, psychologische verklaringen en medische verklaringen. In een aantal
                        gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk te geven is. In die
                        gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden door het college.
                        Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of zelfstandig
                        vervoer van de leerling niet mogelijk is.</al><al>Wie uiteindelijk als begeleider zal fungeren is in principe niet van belang.
                        Ongeacht wie de leerling begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten
                        plaats aan de ouders van de leerling. Indien een begeleider (al dan niet een
                        ouder) meer dan een leerling tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging
                        als ware er sprake van de begeleiding van een leerling. Met andere woorden,
                        indien bijvoorbeeld een ouder drie leerlingen begeleidt met het openbaar
                        vervoer, kan het niet zo zijn dat de bekostiging van de kosten van openbaar
                        vervoer ten behoeve van de begeleider drie maal plaatsvindt. Artikel 12,
                        tweede lid, van de verordening bepaalt dan ook dat de kosten van openbaar
                        vervoer ten behoeve van een begeleider voor bekostiging in aanmerking
                        komen.</al><al>In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr. R03.89.6924/106) van de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het om de vraag in hoeverre
                        leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding van andere (jongere)
                        leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de afdeling hierin
                        volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf jaar en ouder
                        enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een elfjarig
                        kind niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere
                        kinderen door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de
                        leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor
                        basisonderwijs bezoekt, dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen
                        te worden verleend. Deze uitzonderingen zijn in artikel 13 van de
                        verordening vastgelegd.</al><al>In veel gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer
                        zelf organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de
                        draagkracht zullen dan door de ouders aan het college betaald moeten worden,
                        in feite in ruil voor het aangeboden vervoer. </al><al><cursief>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                            uur</cursief></al><al>Indien de leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan
                        anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of
                        minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt
                        bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.</al><al>Overigens is het niet zo dat de ouders, indien zij op basis van het
                        criterium reistijd aanspraak op bekostiging van aangepast vervoer maken, van
                        het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of
                        minder wordt teruggebracht (in het geval dat het college het vervoer zelf
                        organiseert).</al><al>Indien een schoolbusje meer leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium
                        overschreden worden. Slechts van belang is dat via individuele meting de
                        conclusie wordt getrokken, dat de totale reisduur van die leerling met het
                        openbaar vervoer meer dan anderhalf uur bedraagt en deze met het aangepast
                        vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden
                        teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders aanspraak maken op
                        bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak
                        van 17 februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat
                        bij de reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet
                        worden. Op grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                        de Raad van State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) alsmede van 10
                        december 1992 (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de
                        reistijd per taxi tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de
                        exacte reistijd per openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992
                        (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden vermeden door uit te gaan van de
                        desbetreffende dienstregelingen.</al><al>In de verordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over
                        een maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de
                        Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039,
                        R03.88.6089 en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op
                        zichzelf in strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk
                        is, dat bij het ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op
                        basis van de kosten van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf
                        uur de vrijheid van ouders om voor hun kinderen een openbare dan wel een
                        bijzondere school van de door hen gewenste richting te kiezen, in
                        onaanvaardbare mate onder druk kan komen te staan van financiële
                        hindernissen.</al><al>Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders mag worden verwacht dat
                        indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij onderzoeken of
                        onverkort aan de in artikel 13, onder a, van de verordening weergegeven
                        reistijd dient te worden vastgehouden. De hardheidsclausule in de
                        gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid.</al><al>In een aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de
                        heenreis (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de
                        reistijd, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval
                        zijn indien bijvoorbeeld op de heenreis een stopbus en op de terugreis een
                        snelbus is ingezet, of indien de heenreis qua tijd niet aansluit bij de
                        aanvang van de school, maar dat dit bij de terugreis wel het geval is. In
                        dergelijke gevallen dient het college te besluiten, dat er bekostiging wordt
                        verstrekt wat betreft de heenreis, op basis van aangepast vervoer, en voor
                        wat betreft de terugreis op basis van openbaar vervoer.</al><al>Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van
                        vervoer te overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van
                        aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een
                        centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar
                        vervoer om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm van
                        combinatievervoer kan zijn dat de leerling eerst met de bus naar het station
                        gaat en vervolgens de trein neemt.</al><al>Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale opstapplaatsen
                        (zie artikel 1, onder l) kent.</al><al>In de uitspraak van 26 februari 1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5)
                        geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State enige
                        richtlijnen met betrekking tot centrale opstapplaatsen (buurtbussen).
                        Hierbij dienen de leerlingen van huis naar een opstapplaats te
                        lopen/fietsen/worden gebracht. Indien hiermee een reistijd is gemoeid van
                        ten hoogste dertig minuten, en indien de vertrektijden van de bus zodanig
                        zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden van de lessen dat er niet of
                        nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze constructie in beginsel
                        alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling. Wanneer de leerling gelet
                        op zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer van huis naar de
                        opstapplaats, acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf voor de
                        begeleiding zorg dragen. Hierbij dient te worden aangetekend dat in de
                        onderhavige casus de leerlingen die dichterbij de school woonden dan de
                        kilometergrens van vier kilometer gewend waren om in zijn algemeenheid
                        vergelijkbare afstanden af te leggen naar reguliere bushalten, aldus de
                        afdeling.</al><al><cursief>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreekt</cursief></al><al>In een aantal gemeenten komt het voor dat openbaar vervoer geheel ontbreekt
                        of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen
                        maken voor het vervoer van woning naar school of vice versa. In principe
                        kunnen de ouders dan aanspraak maken op bekostiging op basis van aangepast
                        vervoer. Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden overwegen:</al><lijst><li nr="-"><al>is een combinatie van vervoer haalbaar;</al></li><li nr="-"><al>de vervoersonderneming kan verzocht worden om wijzigingen aan te
                                brengen in de dienstregeling of de mate van het openbaar vervoer,
                                waardoor deze vervoervorm dienstbaar wordt voor het reizen van en
                                naar de school;</al></li><li nr="-"><al>het bevoegd gezag van de school kan verzocht worden de schooltijden
                                af te stemmen op de vervoertijden;</al></li><li nr="-"><al>contact kan worden opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het
                                betreffende gebied; deze kan eventueel een adviserende en
                                bemiddelende rol spelen;</al></li><li nr="-"><al>tevens kan nog bezien worden of het mogelijk is andersoortig vervoer
                                te organiseren tegen de kosten van openbaar vervoer.</al></li></lijst><al>Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere mogelijkheden niet
                        uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken op basis van
                        de kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken van het
                        door de gemeente verzorgde vervoer).</al><al>Overigens biedt artikel 13, onder b, van de verordening het college de
                        mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met
                        de fiets naar school te gaan. Hierbij spelen de volgende overwegingen een
                        belangrijke rol:</al><lijst><li nr="-"><al>is de leerling zelfstandig genoeg om met de fiets naar school te
                                gaan;</al></li><li nr="-"><al>is de route die de leerling af moet leggen, veilig met de fiets af
                                te leggen. Is dat het geval, dan vindt een fietsbekostiging plaats
                                (zie ook de toelichting op artikel 12).</al></li></lijst><al>In de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                        Raad van State van 4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een
                        bepaling in de gemeentelijke verordening, die inhoudt dat alleen dan
                        bekostiging wordt verleend op basis van de kosten van aangepast vervoer
                        indien openbaar vervoer ontbreekt, in strijd is met de wet. Ook op andere
                        gronden dan het ontbreken van openbaar vervoer kan voor ouders aanspraak
                        bestaan op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Een
                        zodanig geval kan zich voordoen indien de reistijd die met het gebruik van
                        het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang is en het alternatief van
                        aangepast vervoer niet.</al><al><cursief>Begeleiding door ouders</cursief></al><al>Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is,
                        dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door
                        bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen. In
                        noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel
                        29 van de verordening). Daarbij dient rekening te worden gehouden met de
                        uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over
                        dit onderwerp.</al><al>In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        van 5 februari 1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende
                        ouders aangepast vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten
                        in de begeleiding van hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij
                        motiveren deze onmogelijkheid naar het oordeel van de Afdeling
                        Bestuursrechtspraak niet voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het
                        aan de ouders is voldoende aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is
                        hun kind te begeleiden. In dit concrete geval eist de afdeling, gezien de
                        cursus die de moeder volgt, lesroosters of andersoortige verklaringen
                        waaruit de onmogelijkheid tot begeleiden blijkt. Voorts dienen de ouders
                        volgens de afdeling aan te tonen dat hun kind niet (gedeeltelijk) door
                        anderen kan worden begeleid.</al><al>De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2
                        december 1988 (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van
                        ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer
                        toe te staan gaat verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het
                        begeleiden van hun zoon tot gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje
                        tweeëneenhalf tot vier uur per dag, mede door haar afwijkende schooltijden,
                        zonder opvang moet doorbrengen. Opvang elders is volgens de ouders niet
                        mogelijk. De afdeling concludeert dat verzoeker voorshands niet overtuigend
                        heeft aangetoond dat de begeleiding van zijn zoon - bijvoorbeeld door in
                        onderling overleg met de ouders van medeleerlingen beurtelings de kinderen
                        naar en van school brengen - niet op een andere minder bezwaarlijke wijze
                        zou kunnen plaatsvinden.</al><al>Een soortgelijke uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin
                        ouders stellen dat begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote
                        problemen stelt, onder meer omdat een aantal van hen thuis nog
                        niet-schoolgaande kinderen heeft, die eveneens aandacht en verzorging
                        behoeven. De afdeling stelt in haar uitspraak d.d. 25 april 1989
                        (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat het voor appellanten
                        onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat gedurende de afwezigheid
                        van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de schoolkinderen door
                        anderen op de jongere kinderen wordt gepast. </al><al>Uit de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                        de Raad van State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding
                        door ouders blijkt het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak
                        bestaat op aangepast vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder
                        meer de begeleiding van haar kind in het openbaar vervoer tot een
                        onaanvaardbare belasting van het gezin leidt, aangezien enerzijds haar
                        tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek aan een oppas en anderzijds
                        de reistijd voor de begeleider onaanvaardbaar lang is. De Voorzitter bepaalt
                        dat, hoewel niet kan worden ontkend dat bij gebruik van het openbaar vervoer
                        de begeleiding van het kind veel tijd vergt, niet aangetoond is dat
                        begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden.
                        Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente bekostiging
                        ten behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet zelf
                        hoeft te begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder
                        gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede
                        kind onder de hoede van een oppas kunnen stellen.</al><al>Uit deze uitspraken blijkt onder meer dat de verklaring van de ouders, dat
                        er thuis kinderen zijn die verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan
                        zijn van begeleiding door de ouders op zich niet voldoende is. Van ouders
                        wordt in dit soort gevallen verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor
                        het (laten) begeleiden van hun kinderen en in voorkomend geval aantonen dat
                        die mogelijkheid niet aanwezig is. In feite zal de gemeente moeten afwegen
                        wat van ouders, die in aanmerking komen voor bekostiging van het
                        leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt ten aanzien van de begeleiding van
                        hun kinderen dan van ouders die niet voor die bekostiging in aanmerking
                        komen. </al><al><cursief><onderstreept>Een voorbeeld</onderstreept></cursief>: ouder A woont
                        op 5 kilometer van de school en ouder B op 7 kilometer, de gemeente hanteert
                        een afstandscriterium van zes kilometer. Beide ouders hebben thuis een kind
                        dat verzorging behoeft. Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor
                        leerlingenvervoer, zou mededelen zijn kind niet te kunnen begeleiden in
                        verband met de gezinssituatie dan doet zich de vraag voor of, op grond van
                        het feit dat er sprake is van een verschil in afstand van twee kilometer,
                        van ouder A wel en van ouder B niet verwacht kan worden dat hij zijn kind
                        zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing zoekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Artikel 14 van de verordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging van
                        het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen
                        zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel
                        (auto, bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van
                        fietsvervoer.</al><al>Of van bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van
                        het college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor
                        de gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld
                        geen sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een
                        aangepast vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen
                        reizen. Ook kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen
                        bij de beoordeling van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van
                        het vervoer per fiets.</al><al>De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging waar
                        de ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordeningvoor in
                        aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor openbaar vervoer;</al></li><li nr="b."><al>voor aangepast vervoer.</al></li></lijst><al><cursief>Ad a. Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van
                        openbaar vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van het
                        college zelf, dan keert het college bekostiging uit op basis van het
                        openbaar vervoer.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept></cursief>:</al><al>Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking voor
                        bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de
                        leerling zelf, met toestemming van het college. Het college dient nu na te
                        gaan wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling
                        gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het
                        college het meest goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens
                        past het college het eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar
                        vervoer per kilometer kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en
                        is mede afhankelijk van het Vervoersplan en de bepalingen omtrent de
                        zone-indeling die gelden voor die specifieke gemeente. Nadere informatie
                        hierover bij de plaatselijke of regionale vervoersondernemingen is daarom
                        noodzakelijk.</al><al><cursief>Ad b. Aangepast vervoer</cursief></al><al>Indien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten
                        van aangepast vervoer en zij met toestemming van het college de leerling
                        zelf vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De kilometervergoeding
                        is gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en de Reisregeling
                        binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot en met
                        vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de verordening
                        leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden bekostiging aan ouders
                        wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van een
                        kilometervergoeding afgeleid van de Reisregeling binnenland. De
                        kilometervergoeding betreft enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het
                        kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak bestaat op vier maal de
                        afstand woning-school. </al><al>Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de
                        leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.</al><al>Indien ouders twee of meer leerlingen vervoeren die aangepast vervoer
                        behoeven, mag uitgegaan worden van de rijafstand uitgaande van de woning van
                        de te vervoeren leerling die het verst van de school verwijderd woont.</al><al>In artikel 14, derde lid, van de verordening is bepaald, dat ouders
                        aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding, indien
                        zij meer dan 1 leerling tegelijk vervoeren en daarvoor van het college
                        toestemming hebben gekregen. Dit is ook het geval indien ouders in principe
                        slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                        vervoer. Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een eigen busje
                        vervoeren, kunnen het college bij wijze van uitzondering op grond van de
                        hardheidsclausule een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan
                        goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.</al><al>Ook in een dergelijk geval is toestemming van het college noodzakelijk.
                        Hierbij zal uiteraard rekening gehouden moeten worden met de kosten die
                        daarmee gepaard gaan.</al><al>Ten slotte bepaalt artikel 14, vijfde lid, van de verordening dat het
                        college bekostiging verstrekt op basis van het aantal kilometers
                        fietsvervoer, indien de leerling gebruik maakt van het vervoer per fiets.
                        Hiervan kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat
                                mag worden geacht als openbaar vervoer ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de ouders van de leerling dit wensen, bijvoorbeeld in het
                                kader van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het college
                                hiervoor toestemming geeft.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                            fiets</titel></kop><al>Voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                        basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                        bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van
                        oordeel is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere
                        deskundigen gehoord te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk
                        is, kan een andere wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht
                        worden, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>openbaar vervoer onder begeleiding;</al></li><li nr="-"><al>aangepast vervoer al dan niet verzorgd door het college;</al></li><li nr="-"><al>eigen vervoer;</al></li><li nr="-"><al>een combinatie van bovenstaande vervoersmogelijkheden.</al></li></lijst><al>In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één afstandsgrens
                        opgenomen, namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening te worden
                        gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de verordening. Dit artikel
                        bepaalt dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan zes kilometer,
                        toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap van de
                        leerling dat vereist.</al><al>Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het vervoer naar scholen
                        voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs geldt ook ten
                        aanzien van de bekostiging van het vervoer naar scholen voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs dat het college de voor de gemeente goedkoopst mogelijke
                        wijze van vervoer bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een strippenkaart,
                        een jaarabonnement of een maandabonnement of een kilometervergoeding voor de
                        (brom)fiets).</al><al>Het college kan op grond van het tweede lid bepalen dat bekostiging voor de
                        fiets wordt verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de
                        leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer
                        per fiets. Hierbij dient in overweging worden genomen: de leeftijd van de
                        leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te
                        leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsvergoeding voor
                        bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige
                        maanden bekostiging voor ander passend vervoer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15a.</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school cluster
                            4</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><al>Het college kan advies inwinnen bij de commissie voor de begeleiding en/of
                        de ambulante begeleider van een leerling. Als zij niet op de hoogte zijn van
                        de gesteldheid van de leerling waarvoor een aanvraag is binnengekomen, kan
                        advies worden ingewonnen bij de schooldirecteur. Deze moet een gemotiveerd
                        advies geven. </al><al>Van de mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan
                        winnen, kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het
                        college afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de
                        bijzondere handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn
                        bijvoorbeeld medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de
                        leerling, een kinderpsycholoog, en dergelijke.</al><al>Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld
                        ‘veilige route’ -, dan kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het
                        terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de
                        (verkeers)politie. Ook voor deze deskundigen geldt dat zij een
                        onafhankelijke positie innemen. </al><al><cursief>Advisering bij negatieve beschikking</cursief></al><al>Om de bestuurslast beperkt te houden, is bepaald dat alleen in het geval het
                        college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft, het
                        advies van genoemde commissies daarbij moet worden betrokken. Indien het
                        voor een gemeente duidelijk is dat het aangevraagde vervoer voor de leerling
                        passend is (bijvoorbeeld omdat het een herhalingsaanvraag betreft of omdat
                        de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt), behoeft het advies niet te
                        worden gevraagd. </al><al>Volgens de verordening vindt advisering plaats indien het college een
                        negatieve beschikking op de gevraagde voorziening geeft. Het kan dan
                        bijvoorbeeld gaan om:</al><lijst><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet
                                onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets
                                (artikel 15, tweede lid);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een
                                school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet zelfstandig
                                gebruik kan maken van het openbaar vervoer in verband met zijn
                                verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor
                                vervoer onder begeleiding noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid,
                                van de modelverordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling die een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn
                                verstandelijke of lichamelijke handicap al dan niet in staat is -
                                ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te
                                maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk is (artikel 18,
                                eerste lid, onder a, van de modelverordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de
                                afstand van de woning van de leerling naar de te bezoeken school
                                minder bedraagt dan de in de verordening aangegeven minimum
                                km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die
                                school zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de
                                modelverordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college over de vraag of een leerling, die een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan
                                maken van de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel
                                18, eerste lid, onder c, van de modelverordening);</al></li><li nr="-"><al>advisering aan het college indien het college wil afwijken van de
                                bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van de
                                modelverordening.</al></li></lijst><al>In de verordening hebben de commissies slechts adviserende taken als het
                        gestel van de leerling betreft (verstandelijk of lichamelijk). De commissies
                        hebben geen adviserende taak indien het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar
                                vervoer door middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden
                                tot 50% of minder (artikel 18, onder b, van de verordening);</al></li><li nr="b."><al>de vraag of openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, onder c, van de
                                verordening).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zichzelf dat de commissies het gemotiveerde advies aan het
                        college uitbrengen binnen een door het college te stellen termijn. Deze
                        commissies zijn een externe adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb.
                        Dit houdt in dat de algemene regels die in afdeling 3:3 van de Awb zijn
                        gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder andere dat het
                        bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het advies
                        wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie de
                        adviseur is die het advies heeft uitgebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een
                            begeleider</titel></kop><al>Indien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de verordening in
                        aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar
                        vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig van
                        het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens
                        in aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten
                        behoeve van een begeleider (artikel 17 van de modelverordening). Uit artikel
                        17 blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                                bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke
                                school, en de afstand van de woning naar de school voor speciaal
                                onderwijs moet meer dan zes kilometer bedragen;</al></li><li nr="b."><al>de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de ouders
                                genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke,
                                verstandelijke of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></li></lijst><al>Hiervan kan onder andere sprake zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>indien de handicap dan wel de leeftijd van de leerling begeleiding
                                noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="-"><al>indien de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of
                                meerdere malen over moet stappen op te gevaarlijke overstappunten en
                                dit gezien de leeftijd van de leerling onverantwoord is;</al></li><li nr="-"><al>indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school te
                                gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze
                                gevaarlijke punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers
                                etc.).</al></li></lijst><al>Voor dit ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende
                        bepaling voor het openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor
                        basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast
                        bij de ouders ligt. Ouders dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n)
                        te overleggen. Indien het college de aanvraag voor begeleiding afwijst,
                        dient daarbij het advies van de commissie voor de begeleiding of andere
                        deskundigen (bijvoorbeeld specialist, pedagoog en psycholoog) te worden
                        betrokken. Het advies betreft dan de vraag of de leerling, gezien zijn
                        handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de
                        fiets gebruik kan maken.</al><al>In principe is het niet van belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt.
                        In de regel zullen dit de ouders zijn. Het is echter ook denkbaar dat een
                        ander familielid, een oppas, buren, ouders van andere leerlingen, een kennis
                        of een klassenassistent de leerling begeleidt.</al><al>Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt te
                        worden met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                        groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                        begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de
                        verordening van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen
                        tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve
                        van een begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting
                        op artikel 12).</al><al>Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en streekvervoerbedrijven is een
                        regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer van de begeleider van een
                        gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in aanmerking komt, verstrekt
                        de NS hem een legitimatiebewijs. Het legitimatiebewijs is bestemd voor die
                        mensen die vanwege een lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap
                        niet of niet onder alle omstandigheden zelfstandig kunnen reizen. Het
                        legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft geldig op onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;</al></li><li nr="b."><al>alle buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het
                                streekvervoer;</al></li><li nr="c."><al>alle metro- en tramlijnen.</al></li></lijst><al>Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te horen dat afspraken
                        met de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen van de leerling
                        onder begeleiding van de conducteur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Ook voor het vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt
                        dat bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe
                        uitzondering is. Wel moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs gewaarborgd blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast,
                        noodzakelijk is, moet dit op passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel
                        18 van de verordening zijn deze waarborgen verankerd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Onderdeel a. De handicap van de leerling vereist aangepast
                            vervoer</titel></kop><al>Indien de gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder
                        begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het
                        college de kosten van het aangepast vervoer. Welke wijze van aangepast
                        vervoer bekostigd wordt, bepaalt het college. Een belangrijk criterium
                        hierbij is: op welke wijze kan het aangepast vervoer zo goedkoop en
                        efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder de bereikbaarheid van de
                        school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het door het college
                        georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Onderdeel b. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf
                            uur</titel></kop><al>Het college verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                        vervoer, indien de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar
                        school of terug meer dan ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd
                        met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer
                        kan worden teruggebracht. Ook hierbij geldt dat het advies van de commissie
                        voor de begeleiding niet gevraagd hoeft te worden. Zie verder de toelichting
                        op artikel 13 onder ad 1.</al></divisie><divisie><kop><titel>Onderdeel c. Openbaar vervoer ontbreekt</titel></kop><al>Artikel 18, eerste lid, onder c, van de verordening geeft een derde
                        mogelijkheid om aanspraak te maken op bekostiging op basis van de kosten van
                        aangepast vervoer. Dit lid bepaalt dat het college de kosten van het
                        aangepast vervoer bekostigt, indien openbaar vervoer ontbreekt. Tevens kan
                        het voorkomen dat het openbaar vervoer zo weinig frequent rijdt dat de
                        leerling daarvan geen gebruik kan maken. Echter, voordat het college beslist
                        dat bekostiging van het aangepast vervoer verleend wordt, kan het de
                        mogelijkheden onderzoeken zoals in de toelichting op artikel 13 is
                        uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de leerling gebruik kan maken
                        van het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het advies van de commissie
                        voor de begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen daarover
                        vragen.</al><al>Als de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of
                        driewieler of met behulp van een tandem naar school gaat (als er een
                        zogenaamde voorrijder aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA
                        bij het UWV een tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.</al><al>De hoogte van de bekostiging van aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk
                        van een eventueel drempelbedrag en een bijdrage afhankelijk van het inkomen
                        van de ouders (wat betreft het vervoer naar een school voor speciaal
                        voortgezet onderwijs).</al><al><cursief>Advisering</cursief></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, van de verordening dient het college
                        indien het de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk toekent het
                        advies te vragen aan de commissie voor de begeleiding. Deze zal dan moeten
                        beoordelen of de leerling, gezien zijn lichamelijke, zintuiglijke of
                        verstandelijke handicap, niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van
                        het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan het college het advies van
                        andere deskundigen inwinnen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Met name bij het bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                        kan het voorkomen dat de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te
                        laten vervoeren per auto. In artikel 19 van de verordening zijn hiervoor
                        nadere voorschriften gegeven.</al><al>a.<cursief>Openbaar vervoer</cursief></al><al>Indien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren
                        tegen een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college
                        noodzakelijk. Deze toestemming is opgenomen in de verordening, omdat het
                        college dient te bekijken of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de
                        goedkoopste is. Is dat het geval, dan kan het college desgewenst toestaan
                        dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging
                        die hier dan tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging waarop de
                        ouders in principe recht hebben.</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en
                        wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan
                        bekostigt het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept></cursief>: Ouders maken
                        aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer naar een
                        school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement zijn euro
                        500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het college,
                        zelf. De bekostiging is dan euro 500,- als ware er sprake van bekostiging
                        van de kosten van het openbaar vervoer.</al><al>b.Aangepast vervoer</al><al>Maken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                        vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het college, zelf
                        of laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college een
                        bedrag per kilometer.</al><al>Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling in Titel 2 van de
                        verordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid van de Reisregeling
                        binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt verwezen naar de
                        toelichting op artikel 14.</al><al>In artikel 19, derde lid, van de verordening is tevens bepaald dat, indien
                        het college de ouders desgewenst heeft toegestaan meer dan een leerling zelf
                        te vervoeren of te laten vervoeren, bekostiging op basis van een
                        kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien de ouders aanspraak maken
                        op bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.</al><al>Indien de ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de
                        fiets of de bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt
                        op basis van een fietsvergoeding dan wel op basis van een
                        bromfietsvergoeding.</al><al>Indien het college van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het
                        (brom)fietsvervoer kan het advies van de commissie voor de begeleiding of
                        andere deskundigen worden ingewonnen.</al><al>Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal onderwijs
                        bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de
                        bevordering van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding
                        per km fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per
                        kilometer bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de
                        Reisregeling binnenland.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten</titel></kop><al>Uitgangspunt van de verordening dat in principe voldaan dient te worden aan
                        het gestelde criterium in artikel 15 van de verordening(afstandsgrens), dat
                        is gebaseerd op artikel 4, zevende lid, van de WEC. Hierin is bepaald dat de
                        gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond
                        van de afstand tussen de woning en de school. Echter, artikel 4, zevende
                        lid, van de WEC bepaalt tevens dat gehandicapte leerlingen, die op ander
                        vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een passende wijze dienen
                        te worden vervoerd. In een aantal gevallen zal het voorkomen dat een
                        leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van minder dan zes
                        kilometer aangepast vervoer behoeft. Artikel 20 van de verordening voorziet
                        in een dergelijke voorziening.</al><al>Maakt de handicap van de leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de
                        school die dichterbij is gelegen dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch
                        in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerkosten. (Deze leerlingen
                        vallen dus niet onder titel 6 van de verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld
                        sprake zijn, indien door de aard van de handicap aangepast vervoer technisch
                        de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld rolstoel).</al><al>Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het bij de
                        beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                        van andere deskundigen te betrekken. </al><al>In het geval een WEC leerling gehandicapt is en recht heeft op aangepast
                        vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de bekostiging van eigen vervoer.
                        Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid. Artikel 19 is in dat geval
                        van overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer in dat het college
                        toestemming moet geven voor het eigen vervoer. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan
                            de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Artikel 21 van de verordening bepaalt dat het college desgewenst de kosten
                        van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt aan de in de gemeente
                        wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem
                        passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin
                        verblijft. Dit artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de
                                kosten van het weekeinde- en vakantievervoer.</al></li><li nr="2."><al>Het college bekostigt de kosten van het weekeinde- en
                                vakantievervoer, indien het verblijf van de leerling in een
                                internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het
                                volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.</al></li></lijst><al><cursief>Ad 1:</cursief> Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak
                        maken op bekostiging van het weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze
                        bekostiging verstrekt door het college van de gemeente waar de ouders
                        woonachtig zijn, en dus niet door het college van de gemeente waar de
                        leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft. Wellicht ten
                        overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van de gemeente waar de
                        leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het dagelijks vervoer
                        van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient te bekostigen,
                        indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.</al><al>Het komt wel eens voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt
                        gescheiden zijn en dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het
                        andere weekeinde naar zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in
                        een andere gemeente woont dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig
                        een aanvraag in te dienen bij de gemeente waar men woonachtig is. Het komt
                        nogal eens voor dat ouders het college vragen hun kind af en toe ook door de
                        week naar huis te vervoeren. Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen.
                        Het gaat hier immers om weekeinde- en vakantievervoer. Indien daartoe
                        aanleiding is, kan in voorkomend geval bezien worden of toepassing gegeven
                        dient te worden aan artikel 29 van de modelverordening.</al><al><cursief>Ad 2:</cursief> Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging
                        van het weekeinde- en vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het
                        internaat of pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend
                        (voortgezet) speciaal onderwijs. Woont de leerling niet meer bij zijn ouders
                        om sociale of medische redenen (denk aan uithuisplaatsing, crisisopvang),
                        dan wordt dit vervoer niet door de gemeente vergoed in het kader van het
                        leerlingenvervoer. </al><al>Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of
                        pleeggezin en het volgen van passend onderwijs. Dit betekent dat het college
                        geen bekostiging voor het weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de
                        leerling passend onderwijs kan volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het
                        ouderlijk huis bereikt kan worden. Tevens betekent dit dat het vervoer niet
                        wordt bekostigd van gemeentewege indien de leerling om medische of sociale
                        redenen in een internaat of pleeggezin verblijft. </al><al><cursief><onderstreept>Voorbeeld</onderstreept></cursief>: Een leerling is
                        aangewezen op onderwijs voor dove kinderen. Vanuit de ouderlijke woning is
                        dit onderwijs niet bereikbaar met dagelijks vervoer. Verblijf in een
                        internaat of een pleeggezin in de buurt van een geschikte school is daarom
                        noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente waar zij wonen een aanvraag
                        voor weekendvervoer indienen. </al><al>Of plaatsing op het internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft
                        plaatsgevonden dient door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De
                        gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat is
                        geplaatst (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995,
                        nr. R03.92.5415; zie Jur. 8.5).</al><al><cursief>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief></al><al>Weekeinde- en vakantievervoer geldt dus slechts voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs. Met andere woorden: voor het volgen van primair onderwijs wordt
                        geen weekeinde- of vakantievervoer bekostigd van en naar het internaat of
                        pleeggezin. Een belangrijke consequentie hiervan is dat leerlingen die in
                        een internaat of een pleeggezin verblijven - omdat hun ouders een trekkend
                        bestaan leiden - niet voor bekostiging van het weekeinde en vakantievervoer
                        in aanmerking komen. Het betreft hier een vijftal categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                                circusmedewerkers;</al></li><li nr="2."><al>ligplaatsscholen voor varende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>scholen voor kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="4."><al>afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van woonwagenbewoners;</al></li><li nr="5."><al>scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                                circusmedewerkers.</al></li></lijst><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die
                        in internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                        bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                        weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de verordeningnader is
                        geregeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoer</titel></kop><al>Welke wijze van vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven
                        in artikel 22. Dit artikel van de verordening bepaalt welke bekostiging
                        maximaal wordt verleend, namelijk ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>de reis van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders
                                en terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden niet vallen
                                binnen de schoolvakanties;</al></li><li nr="2."><al>de reis van het internaat of het pleeggezin naar de woning van de
                                ouders en terug in elke vakantie van twee of meer schooldagen, voor
                                zover deze vakantie is opgenomen in de schoolgids van de school die
                                de leerling bezoekt.</al></li></lijst><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                        waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de verordening aan dat de
                        bepalingen van Titel 3 van de verordening van overeenkomstige toepassing
                        zijn op de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en vakantievervoer,
                        met uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel 18, eerste
                        lid, onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de modelverordening.
                        Zie verder de toelichting bij deze artikelen.</al><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de verordening betekent dat:</al><lijst><li nr="1."><al>bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de
                                afstandscriteria van artikel 15 wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>het college tevens de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve
                                van een begeleider kan bekostigen, in het geval door de ouders ten
                                behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling,
                                gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap
                                of leeftijd, niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer
                                gebruik te maken (artikel 17, eerste lid).</al></li><li nr="3."><al>het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt,
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of
                                        lichamelijke handicap niet in staat is - ook niet onder
                                        begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken
                                        (artikel 18, eerste lid, onder a);</al></li><li nr="b."><al>openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het
                                        oordeel van het college van het (brom)fietsvervoer gebruik
                                        kan maken.</al><al> (Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de afstanden die
                                        overbrugd moeten worden, in principe geen gebruikgemaakt
                                        worden) (artikel 18, eerste lid, onder c).</al><al> Overigens geldt met name voor het weekeinde- en
                                        vakantievervoer dat een combinatie van vervoer in veel
                                        gevallen mogelijk is. Bijvoorbeeld een combinatie
                                        trein-taxi, etc.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren.
                                De bekostiging is dan afhankelijk van de bekostiging van het vervoer
                                waarop de ouders aanspraak zouden maken (artikel 19).</al></li></lijst><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de verordening uiteraard ook van
                        toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><al>De WPO, WEC en WVO bieden gemeenten de keuze een drempelbedrag bij ouders in
                        rekening te brengen. Het is dus niet verplicht. In de verordening wel
                        gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders
                        verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk
                        gemaakte) kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt
                            <onderstreept>per leerling</onderstreept> in rekening gebracht. Indien
                        een leerling slechts een deel van het schooljaar gebruik maakt van het
                        leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening
                        gebracht.</al><al>Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de
                        gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de
                        woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer.
                        Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar
                        vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. In de
                        verordening de kilometergrens voor alle onderwijssoorten op zes kilometer
                        gesteld (artikel 11, eerste lid, en artikel 15, eerste lid).</al><al>Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag; de kosten van het
                        openbaar vervoer dienen te worden bepaald op basis van de zone-indeling. Dit
                        betekent dat bij een aanvraag voor leerlingenvervoer moet worden nagegaan
                        hoeveel zones gereisd moet worden om de afstand tot aan de door de gemeente
                        vastgestelde kilometergrens te overbruggen. Het drempelbedrag bedraagt dan
                        de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal te reizen zones. Voor het
                        kalenderjaar 2009 gaat het bij één zone om een bedrag van €250,50 (de kosten
                        van een jeugdjaarkaart met één ster) en bij twee of drie zones om een bedrag
                        van €417,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2 sterren). Bij de
                        vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of
                        de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer
                        de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen openbaar
                        vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer
                        over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te
                        dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de meest gangbare, voor
                        de leerling toegankelijke route.</al><al>De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit leerlingen die een school
                        voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school
                        voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en waarvan de ouders een
                        gezamenlijk inkomen van meer dan € 22.050,- (geïndexeerd) hebben.</al><al>Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het
                        reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                        drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag
                        doet mag geen drempelbedrag gevraagd worden. </al><al><cursief>Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag
                            maximaliseren</cursief></al><al>Met name wanneer veel kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het
                        inkomen van de ouders relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig
                        grote financiële belasting ontstaan. In de verordening is er voor gekozen om
                        dergelijke uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde
                        drempelbedrag op grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel
                        in rekening te brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de
                        verordening te bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer,
                        bijvoorbeeld maximaal twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het
                        mogelijk om de inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de
                        wet genoemde ondergrens van € 22.050,-.</al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit
                        jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                        over de verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr.
                        R03.87.7147; zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van
                        gemeenten om de ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de verplichte eigen
                        bijdrage van destijds f 200,-. De belangrijkste overweging in de uitspraak
                        van de afdeling luidt als volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt
                        noch artikel 24 van de verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de
                        Interimwet enig aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel
                        24 en artikel 4, dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid,
                        welke niet is beperkt tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle
                        bepalingen van de regeling (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders
                        hebben derhalve ten onrechte gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om
                        ook van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de verordening af te
                        wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de hardheidsclausule van (nu) artikel
                        29 van de verordening ook toegepast kan worden om in bijzondere
                        omstandigheden de ouders geen of slechts een deel van het drempelbedrag te
                        laten betalen.</al><al><cursief>Fietsvergoeding</cursief></al><al>Ten aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor leerlingen die in
                        aanmerking komen voor een fietsvergoeding het volgende. De fietsvergoeding
                        is in een aantal gevallen lager dan het door de ouders verschuldigde
                        drempelbedrag. Om te voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen fietsen
                        daarvan om deze reden afzien, is het raadzaam in dergelijke gevallen op
                        grond van de hardheidsclausule geen of slechts een deel van het
                        drempelbedrag in rekening te brengen. </al><al><cursief>Het begrip ‘inkomen’</cursief></al><al>Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd verzamelinkomen in de
                        zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het peiljaar. Als peiljaar
                        moet op grond van de wet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar
                        voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerkosten
                        wordt gevraagd. Ouders kunnen op verschillende manieren hun gecorrigeerd
                        verzamelinkomen aantonen. Vanuit het oogpunt van lastenvermindering voor de
                        burger is het wenselijk de wijze te kiezen die de minste lasten voor de
                        aanvrager oplevert. Wanneer de benodigde gegevens reeds bekend zijn bij de
                        sociale dienst omdat er tevens een uitkering wordt ontvangen, dient gebruik
                        te worden gemaakt van deze informatie. Daarnaast kan een gemeente gegevens
                        verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien de gemeente zelf geen inzage kan
                        verkrijgen in de inkomensgegevens kan de aanvrager een kopie van zijn
                        belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te tonen. Tenslotte kunnen
                        ouders een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst, waarop het
                        gecorrigeerde verzamelinkomen staat vermeld. </al><al>In de meeste gevallen zal ten behoeve van het peiljaar het gecorrigeerd
                        verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het gecorrigeerd verzamelinkomen van
                        het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging
                        wordt gevraagd nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het
                        desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In
                        een later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in het peiljaar
                        bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.</al><al>Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te
                        verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn
                        opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                        aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
                        Vervolgens kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><al>De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen is voor het peiljaar 2006
                        (dus ten behoeve van het schooljaar 2008-2009) vastgesteld op € 22.050,-,
                        wat betreft het innen van het drempelbedrag. Dit bedrag wordt jaarlijks
                        aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van
                        volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het
                        voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van € 450,-.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                        peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag
                        wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in
                        het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te
                        maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de modelverordening.
                        Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat
                        latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag
                        hoeven te betalen.</al><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de
                        regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet
                        studiefinanciering 2000 (WSF), als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel
                        is niet in de verordening opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel
                        29 van de verordening om een beleidsbevoegdheid van het college. Voorgaand
                        artikel vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het
                        betreffende artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het
                        college houdt dan zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een
                        andere oplossing te kiezen.</al><al><cursief>Pleegouders</cursief></al><al>Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden
                        aangemerkt (zie de toelichting bij artikel 1, onderdeel b). Zij kunnen dus
                        (als zij voldoen aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten
                        krijgen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (31 augustus
                        1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het redelijk dat
                        als de verzorgers pleegouders zijn, zij ook de financiële verplichtingen op
                        zich nemen die uit de eventuele honorering van een aanvraag tot bekostiging
                        van vervoerkosten naar school voortvloeien. De gemeente kan pleegouders dus
                        een eigen bijdrage in rekening brengen. </al><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij
                        een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten,
                        tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben
                        ingediend. </al><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het
                        algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de
                        gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging
                        voor het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis
                        van de Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun
                        aanvraag tot bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de
                        gemeente ook het drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen,
                        als hun inkomen boven de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de
                        eventuele bijdrage naar financiële draagkracht aan de gemeente moeten
                        voldoen. Eventueel kunnen zij deze kosten wel verhalen op de natuurlijke
                        ouders of voogden van de leerling.</al><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder worden aangemerkt. Zij kunnen
                        tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden
                        vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de
                        inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.) </al><al><cursief>Invordering drempelbedrag</cursief></al><al>Ten aanzien van de invordering van het drempelbedrag is het navolgende van
                        belang:</al><lijst><li nr="-"><al>In artikel 2, tweede lid, van de verordening onder meer bepaald:
                                ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige
                                volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging
                                vervallen.’Indien het college zelf het vervoer verzorgt of laat
                                verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het
                                drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Doen zij dit niet of
                                niet geheel dan vervalt de aanspraak.</al></li><li nr="-"><al>Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke
                                stellen en de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders
                                het drempelbedrag dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling
                                van een deurwaarder de bijdrage worden geïnd. Aangezien deze
                                procedure nogal omslachtig en duur is kan het, als er sprake is van
                                aangepast vervoer, raadzaam zijn het vervoer te stoppen. De ouders
                                blijven echter op grond van de Leerplichtwet verantwoordelijk voor
                                het schoolbezoek van hun kind. De praktijk leert dat een dergelijke
                                maatregel zeer effectief is.</al></li></lijst><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Inmiddels zijn er geen scholen voor speciaal voortgezet onderwijs meer. Wel
                        komt het voor dat leerlingen van voortgezet onderwijs die eerst naar dit
                        type onderwijs gingen op grond van de overgangsregeling genoemd in artikel
                        31, tweede lid, aanspraak maken op leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23
                        onverkort van toepassing.</al><al>Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht aan ouders van
                        sbo-leerlingen voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002 bekostiging
                        van het Gak (tegenwoordig: UWV) op basis van de Wet Rea ontving. Dit blijft
                        gelden gedurende de periode dat de leerling dezelfde school bezoekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><al>De artikel 4 van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid om van ouders wier
                        kinderen een school voor basisonderwijs bezoeken en van wie de school ten
                        minste twintig kilometer van de woning is verwijderd, een van de draagkracht
                        afhankelijke bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer. Deze
                        inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven (in tegenstelling tot
                        het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht) en kan dus
                        alleen bij het reguliere basisonderwijs worden gevraagd.</al><al>In artikel 24 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal
                        inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde
                        draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen
                        van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd
                        vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                        peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag
                        wordt ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in
                        het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te
                        maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de modelverordening.
                        Door het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat
                        latere peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag
                        hoeven te betalen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                            begeleiding</titel></kop><al>In titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het regulier
                        primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het
                        openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor
                        leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen
                        afstandscriterium. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die
                        verbonden is aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs,
                        advies vragen over passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting
                        artikel 1). Mocht een leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan
                        de gemeente het advies van de schooldirecteur of andere deskundigen vragen
                        (bijvoorbeeld een GGD arts).</al><al><vet>Voor leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder
                            titel 6 vallen geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op
                            vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het
                            samenwerkingsverband. Dit is geregeld in lid 1 van artikel
                        25.</vet></al><al><cursief>Structurele handicap</cursief></al><al>Indien in de verordening gesproken wordt van een handicap, wordt een
                        structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen
                        tijdelijke handicap. Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te
                        verzorgen om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een
                        gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In
                        sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een gedeelte. </al><al>Echter, het kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan
                        of een meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of
                        zij een groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of
                        krukken vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling
                        eventueel wel een beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6.
                        De gemeente geeft dan een beschikking af voor de duur van het herstel en/of
                        de revalidatie. Als de noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de
                        leerling geen recht meer op vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn
                        van drie maanden aan, voordat er eventueel sprake was van een
                        vervoersvergoeding op basis van de destijds geldende Wet Rea. Dit zou een
                        richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                                leerlingenvervoer</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de gemeente
                                bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis
                                van titel 6.</al></li></lijst><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een vervoersvoorziening kregen
                        naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs,
                        leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis van de
                        overgangsregeling (zie artikel 31) aanspraak blijven maken op die
                        voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Ten aanzien van gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar
                        vervoer kunnen reizen, maar die daartoe niet in staat zijn omdat het
                        openbaar vervoer in de regio ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op
                        artikel 13 ad 2. Leerlingen die een handicap hebben waardoor ze niet
                        zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, maken aanspraak op
                        aangepast vervoer indien het openbaar vervoer in de regio ontbreekt. Zij
                        zijn dan immers niet in staat om onder begeleiding met het openbaar vervoer
                        te reizen, omdat het niet aanwezig is. De gemeente heeft echter wel de
                        plicht om passend vervoer te verzorgen in zo’n geval, dus aangepast vervoer.
                        Daarom is in artikel 26 opgenomen dat indien de leerling op grond van
                        artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met begeleiding, terwijl openbaar
                        vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op aangepast
                        vervoer kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 25.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><al>Zie de toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide
                        toelichting te vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de
                        bekostiging gerelateerd aan de bekostiging waar ouders in principe op basis
                        van de verordeningvoor in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6
                        betekent dit ofwel bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding
                        (artikel 25) ofwel aangepast vervoer (artikel 26).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                            voorziet</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van
                        het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.</al><al>In de verordening de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                        leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete
                        gevallen voordoen, waarin de verordeningniet voorziet. Te denken valt onder
                        andere aan:</al><lijst><li nr="-"><al>varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus
                                openbaar vervoer);</al></li><li nr="-"><al>begeleiding tijdens groepsvervoer;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten;</al></li><li nr="-"><al>varianten in het gebruik van eigen vervoer.</al></li></lijst><al>Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordeningniet voorziet, is
                        in artikel 28 van de verordeningbepaald dat het college beslist. Hierbij
                        dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze
                        besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de verordening
                        gehandeld wordt.</al><al>Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in
                        eigen beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang
                        daarbij is dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente
                        blijft. Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het
                        vervoer gelden dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor
                        onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen
                        in de verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders
                        voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt
                        aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid,
                        van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC.</al><al>Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld
                        sprake zijn indien:</al><lijst><li nr="-"><al>een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in
                                aanmerking komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of
                                lichamelijke handicap - begeleid moet worden;</al></li><li nr="-"><al>leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken
                                van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor
                                niet in aanmerking komen;</al></li><li nr="-"><al>sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het
                                college een daarop geënte bekostiging wil betalen;</al></li><li nr="-"><al>sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke
                                dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen
                                toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast
                                daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten
                                van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school (Afdeling
                                Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992,
                                R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling
                                Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992,
                                R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1).</al></li></lijst><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                        State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van
                        de hardheidsclausule te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende
                                aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing
                                van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen.
                                De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle
                                feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals
                                bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (Afdeling
                                Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 1989, nr.
                                R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3).</al></li><li nr="b."><al>Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van
                                de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het
                                drempelbedrag van artikel 23 (Afdeling Bestuursrechtspraak van de
                                Raad van State van 2 april 1990 R03.87.7147/58-43; zie Jur.
                                9.4).</al></li></lijst><al>Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste -
                        precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd
                        met op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling
                        betrekking hebbende argumenten.</al><al>Tevens wordt in artikel 29 van de verordeningbepaald dat het college zo
                        nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale
                        verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een
                        verzoek afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een
                        verderaf gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de
                        leerling daar de noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij
                        anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging
                        van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling
                        (LJN AZ9034). Artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer definieert het
                        begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de hardheidsclausule
                        blijkt echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor schoolbezoek ten
                        behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt worden door
                        beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan opgenomen
                        worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt blijft
                        tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan eventueel
                        ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>In artikel 30 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                        ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling
                        vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>In het eerste lid wordt gesproken over een bruikleenauto of
                        leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te vragen bij en worden
                        verstrekt door het UWV en niet de gemeente. Met een ‘gelijkwaardige
                        voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen die in het schooljaar 2001-2002
                        op basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in het schooljaar 2002-2003
                        van de gemeente bekostiging openbaar vervoer of openbaar vervoer met
                        begeleiding mogen krijgen. Ook zal het vervoer in een busje door de wetgever
                        niet worden opgevat als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel mogen gemeenten
                        in gevallen waar dat praktisch mogelijk is, individuele taxiritten met
                        elkaar combineren. Dit zou bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee leerlingen
                        elk een individuele taxivoorziening naar dezelfde school ontvangen en de
                        twee ritten, zonder dat de leerlingen daar aantoonbaar nadeel van
                        ondervinden, kunnen worden gecombineerd.</al><al>Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar een
                        school die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de
                        betreffende leerling. In de Wet Rea werd dit criterium namelijk niet
                        gehanteerd.</al><al>In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar een
                        opdc. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1, onderdel r.</al><al>De aanspraak op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen
                        indien de leerling binnen de afstandsgrens komt te wonen.</al><al>De gemeente kan leerlingen die op basis van de overgangsregeling (artikel
                        31, lid 2) een vervoersvergoeding krijgen naar een school voor
                        praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs, een drempelbedrag of
                        een draagkrachtafhankelijke bijdrage opleggen. Daarom in dit artikel een
                        verwijzing naar titel 5 ‘Eigen bijdrage en bekostiging naar financiële
                        draagkracht’.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>