<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42271_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Diemen 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Courant, d.d. 18-01-2006, 64e jaargang, editie 7, nr. 3, pagina 2</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Diemen 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Brandweerwet 1985, artikel 12.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-02-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-04-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>regels met betrekking tot het brandveilig gebruik van andere objecten dan bouwwerken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Brandbeveiligingsverordening”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Diemen 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Opmerkingen m.b.t. de regeling</titel></kop><structuurtekst><al>Deze regeling vervangt de “Brandbeveiligingsverordening”.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</titel></kop><structuurtekst><al>1.Brandweerwet 1985, artikel 12.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</titel></kop><structuurtekst><al>Geen </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</titel></kop><structuurtekst><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colwidth="25*"/><colspec colname="col5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Betreft</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>02-02-2006</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>nieuwe regeling</al></entry><entry colname="col4"><al>15-12-2005</al><al>Diemer Courant</al><al>d.d. 18-01-2006,</al><al>64<sup>e</sup> jaargang, editie 7, nr. 3, pagina
                                                2.</al></entry><entry colname="col5"><al>nr. 05-88</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen p. 3</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijving p. 3</al><al>Artikel 1.2 Werkingssfeer p. 3</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik p. 3</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning p. 3</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting p. 3</al><al>Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning p. 4</al><al>Artikel 2.1.3 Intrekken vergunning p. 4</al><al>Artikel 2.1.4 Verplicht aanwezige bescheiden p. 4</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en p. 4
                                brandgevaar</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen voor inrichtingen p. 4</al><al>Artikel 2.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben p. 5</al><al>Artikel 2.2.3 Opslag en verwerking stoffen p. 5</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van p. 5</titel></kop><structuurtekst><al><cursief> ongevallen bij brand</cursief></al><al>Artikel 2.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen p. 5</al><al>Artikel 2.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen p. 5</al><al>Artikel 2.3.4 Verrichten van werkzaamheden p. 5</al><al>Artikel 2.3.5 Verrichten van werkzaamheden p. 5</al><al>Artikel 2.3.6 Verboden handelingen met stoffen p. 6</al><al>Artikel 2.3.7 Melden van brand en broei p. 6</al><al>Artikel 2.3.8 Bossen, heidevelden, venen p. 6</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen p. 6</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving p. 6</al><al>Artikel 3.2 Strafbepaling p. 6</al><al>Artikel 3.3 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning p.
                            6</al><al>Artikel 3.4 Slotbepaling p. 7</al><al>TOELICHTING brandbeveiligingsverordening p. 8</al><al>Algemene toelichting p. 8</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen p. 9</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1.2 Werkingssfeer p. 9</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik p. 9</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk p. 9</al><al>Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning p. 9</al><al>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen p. 10</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen p. 10</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving p. 10</al><al>Artikel 3.2 Strafbepaling p. 10</al><al>BIJLAGE Tekstartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht p. 11</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Brandbeveiligingsverordening Diemen 2005</titel></kop><structuurtekst><al>Nr.: 05-88</al><al>De raad van de gemeente Diemen; </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                            de gemeente Diemen van 29 november 2005 nr. V26412 inzake de
                            vaststelling van een nieuwe brandbeveiligingsverordening;</al><al>gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de:</al><al>Brandbeveiligingsverordening Diemen 2005.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            Woningwet en de</al><al>bouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                        van burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te
                                        hebben of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                                zijn;</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen
                                                zullen worden opgeslagen;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het
                                                kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                                                verschaft;</al></li><li nr="d."><al>aan personen in het kader van de Wet op de
                                                bejaardenoorden huisvesting zal worden
                                                verschaft;</al></li><li nr="e."><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar,
                                                of aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk
                                                gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                                                verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning
                                        voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                        beperken en bestrijden van brand, het beperken van
                                        brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij
                                        brand.</al></li></lijst><al> 3. Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van
                                de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de
                                vergunning nieuwe voorschriften verbinden en gestelde voorschriften
                                wijzigen of intrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag
                                vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de
                                beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig
                                gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende
                                brandveilig gebruik kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan
                                        aan een voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken
                                        na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de
                                        datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien
                                        waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat
                                        bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                        langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                        grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                        van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                                        opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet
                                        mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van
                                        voorschriften dat belang voldoende te beschermen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn, en
                                moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de
                                naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening gemeente Diemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                                    begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening gemeente Diemen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                                    brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van
                                    de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij
                                    een inrichting aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het
                                            andere niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste
                                            lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de
                                            bouwverordening gemeente Diemen aangegeven maximum
                                            hoeveelheden niet overschrijdt;</al></li><li nr="b."><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                            stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning
                                            overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend;</al></li><li nr="c."><al>de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen
                                            of afleveren van vloeibare brandstoffen, dat voldoet aan
                                            de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag
                                            gas , huisbrand en stookolie;</al></li><li nr="d."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="e."><al>de brandstof in een verlichtings, een verwarmings of een
                                            ander warmte-ontwikkelend toestel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid
                                    volledig meegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de
                                in bijlage 6 van de bouwverordening gemeente Diemen aangegeven
                                wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                                onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                                worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen
                                als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992,
                                nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt.
                                1992, nr. 188), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het
                                gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten
                                voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van
                                brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of
                                            meer van de stoffen genoemd in de regeling Bouwbesluit
                                            brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel
                                            II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188),
                                            onder a tot met h;</al></li><li nr="b."><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen
                                            van brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                            veroorzaken;</al></li><li nr="c."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een
                                            brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengels uit een vat te
                                    doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen
                                    opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                    luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                                onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                    ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht -na een van burgemeester en wethouders ontvangen
                                    aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die
                                    burgemeester en wethouders in die brief geven tot het voorkomen
                                    van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan
                                    elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                            derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in hoofdstuk 2 van de
                                brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 30
                                september 1993, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing
                                omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond van
                                genoemde brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte
                                wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in hoofdstuk 2 van de
                                brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 30
                                september 1993 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                2.1.1, voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de
                                bouwverordening gemeente Diemen geldt als gebruiksvergunning als
                                bedoeld in artikel 6.1.1 van de bouwverordening gemeente
                                Diemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking twee weken na de dag waarop
                                    zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                                    30 september 1993 en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                    Brandbeveiligingsverordening Diemen 2005.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad voornoemd in de openbare raadsvergadering
                            van 15 december 2005.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>BIJLAGE Tekstartikelen uit de Algemene wet bestuursrecht</tussenkop><tussenkop>Tekst van enkele artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992,
                    315).</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:1</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het
                    geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beslissen.</al><tussenkop>Artikel 4:2</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de
                            beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                            beschikking kan krijgen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:3</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor
                            zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet
                            opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke
                            levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en
                            psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de
                            bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift
                            aangewezen gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te
                            worden overgelegd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:4</tussenkop><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het
                    indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier
                    vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.</al><tussenkop>Artikel 4:5</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift
                            voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte
                            gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de
                            aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het
                            bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
                            aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
                            gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of
                            bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor
                            de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de
                            beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de
                            aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft
                            gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag
                            met een vertaling aan te vullen.</al></li><li nr="3."><al>Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager
                            bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat
                            de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:6</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe
                            aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of
                            veranderde omstandigheden te vermelden.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden
                            vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel
                            4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende
                            beschikking.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:13</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk
                            voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn,
                            binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval
                            verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van
                            de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als
                            bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:14</tussenkop><al>Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn,
                    een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het
                    bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke
                    termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al><tussenkop>Artikel 4:15</tussenkop><al>De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de
                    dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de
                    aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Brandbeveiligingsverordening</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van inrichtingen.
                    De werkingssfeer is in artikel 12 van de Brandweerwet 1985 aangegeven: de
                    brandbeveiligingsverordening is van toepassing voor zover in hetgeen zij regelt
                    niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet.</al><al>Bouwwerken zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig
                    gebruik daarvan ingevolge de Woningwet 1991 verplicht in de bouwverordening
                    gemeente Diemen is opgenomen. Als gevolg hiervan is de
                    brandbeveiligingsverordening ingrijpend gewijzigd. De
                    brandbeveiligingsverordening kan slechts regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in andere wettelijke
                    regelingen. Rest derhalve thans die 'voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                    begrensde plaatsen', die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel
                    1). De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd in artikel 2.1.1 wordt voldaan. De verordening bevat geen voorschriften
                    over het aanvragen, het voorbereiden en het beslissen op een verzoek om een
                    vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Stb.
                    1992, 315). De artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de
                    vergunningaanvraag van toepassing. De voorschriften hebben onder andere
                    betrekking op: bij wie de aanvraag moet worden ingediend, welke gegevens
                    tenminste op de aanvraag moeten staan en wanneer de aanvraag in behandeling kan
                    worden genomen. De artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen
                    welke termijn een aanvraag om een vergunning moet worden afgewikkeld. De Awb
                    geeft geen vaste termijn in weken, maar geeft aan dat de aanvraag binnen een
                    redelijke termijn tot een beschikking moet leiden. Die redelijke termijn is in
                    ieder geval verstreken als niet binnen acht weken na het in ontvangst nemen van
                    de aanvraag een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld binnen
                    welke redelijke termijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt. Door het
                    hanteren van de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan afhankelijk van de
                    inhoud van de aanvraag aangegeven worden binnen welke termijn de aanvraag wordt
                    afgehandeld. Derhalve is in de verordening geen artikel opgenomen dat een vaste
                    termijn voor een vergunningaanvraag voorschrijft. De Awb is door het parlement
                    vastgesteld en zal naar verwachting tussen 1 juli 1993 en 1 januari 1994 in
                    werking treden. Omdat de tekst van de Awb inmiddels vastligt is het mogelijk de
                    voorschriften uit de Awb nu reeds te gebruiken. Het gebruik van de bovengenoemde
                    artikelen van de Awb bij de behandeling van een vergunningaanvraag vereist geen
                    afzonderlijk besluit van burgemeester en wethouders. Bij de eerste
                    vergunningaanvraag op basis van de verordening zal aangegeven moeten worden dat
                    bij de afwikkeling van de vergunningaanvraag de artikelen 4:1 tot en met 4:6 en
                    4:13 tot en met 4:15 van de Awb gebruikt worden. Op grond van algemene
                    beginselen van behoorlijk bestuur zijn burgemeester en wethouders vervolgens
                    gehouden de daarop volgende aanvragen eveneens met toepassing van de Awb
                    artikelen te behandelen. In een bij deze toelichting behorende bijlage is de
                    tekst van de bovenbedoelde artikelen opgenomen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.2 Werkingssfeer</tussenkop><al>De in artikel 1.1 bedoelde 'voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaatsen' is een ruime omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het
                    gebruik hiervan vindt immers regeling in de bouwverordening gemeente Diemen. In
                    dit verband ware te denken aan alle 'bouwwerken' die op het water drijven en los
                    met de wal verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende
                    restaurants. Deze zijn namelijk geen bouwwerken in de zin van de Woningwet 1991
                    en vallen derhalve niet onder de werking van het Bouwbesluit en de
                    bouwverordening gemeente Diemen. Er bestaat een in dit kader relevante uitspraak
                    van het Hof Arnhem d.d. 6 juni 1972, NJ 73, 209.</al><al>Daarin werd uitgemaakt 'dat een op het water drijvend bouwsel niet valt onder
                    het begrip "gebouw" en evenmin onder de definitie in de gemeentelijke
                    bouwverordening, omdat het niet in de geest van die verordening met de grond
                    verbonden is noch steun vindt in of op de grond'. Er was hier sprake van het
                    aanmeren middels twee lijnen aan in de grond geplaatste meerpalen, teneinde
                    afdrijven te voorkomen. Het valt te verwachten dat bij een 'minder losse
                    verbinding' de bouwsels onder de werking van de Woningwet zullen vallen.</al><al>Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals (feest)tenten
                    e.d.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 Brandveilig gebruik</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden,
                    zoals voorschriften met betrekking tot:</al><al>− Stoffering en versiering;</al><al>− Uitgangen en vluchtwegen;</al><al>− Installaties;</al><al>− Standbouw, podia, kramen e.d.;</al><al>− Verbrandingsmotoren;</al><al>− Verbod voor open vuur en vuurwerk;</al><al>− Bewaking en controle;</al><al>− Ventilatie en werkzaamheden;</al><al>− Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;</al><al>− Opstellingsplannen;</al><al>− Afval;</al><al>− Doorlopend toezicht;</al><al>− Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                    interne organisatie;</al><al>− Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een inrichting of
                    in een inrichting met het oog op de brandveiligheid.</al><al>Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde
                    bouwsels niet onder de werking van de Woningwet vallen.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning</tussenkop><al>Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond
                    voor een vergunning kunnen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de constructies - het Bouwbesluit en de bouwverordening gemeente
                            Diemen;</al></li><li nr="b."><al>voor het gebruik - de bijlagen van de bouwverordening gemeente Diemen en
                            van de toelichting op de bouwverordening gemeente Diemen.</al></li></lijst><al>De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid. Een
                    andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige inrichtingen
                    zijn de boeken die de NBF uitgeeft in de serie 'Een brandveilig gebouw .......'.
                    Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de
                    inrichtingen (tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen</tussenkop><al>Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig. In
                    artikel 2.2.1 vindt de brandveiligheid van niet vergunningsplichtige
                    inrichtingen regeling.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders wijzen in verband met de bij de gemeentelijke
                    organisatie verordening (ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken
                    in ieder geval de brandweer aan als de gemeentelijke dienst belast met het
                    toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening. In de toelichting
                    op de bouwverordening gemeente Diemen vermelden wij dat de brandweer de
                    deskundige dienst is om te adviseren over brandpreventie voorschriften. Tevens
                    kunnen ook andere personen met de naleving ervan worden belast, zoals
                    bijvoorbeeld van het bouw- en woningtoezicht. Het verdient in elk geval
                    aanbeveling bij de uitvoering van deze verordening en van andere verordeningen
                    een coördinatie tot stand te brengen. voor de opsporing van (onder meer) de in
                    de brandbeveiligingsverordening aangegeven strafbare feiten zijn door de
                    staatssecretaris van Binnenlandse Zaken uitsluitend aangewezen de commandanten
                    en het personeel van gemeentelijke brandweren in de rang van
                    adjuncthoofdbrandmeester of hoger. Beschikkingen van de staatssecretaris van 24
                    maart 1986, nr. EB 85/V4828 (Stb. 1986, 84) en van 5 december 1986, nr. EB
                    86/V2859 (Stb. 1986, 247).</al><tussenkop>Artikel 3.2 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet
                    1985 genoemde strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels
                    van de brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de
                    eerste of tweede categorie in de verordening gesteld worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>