<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR422662_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Roermond</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, nr. 143355</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Roermond</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 5.4, lid 1, art. 5.5, art. 5.7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/04/01</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Roermond</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Roermond</al><al/><al>overwegende dat gemeenten, provincies en de omgevingsdiensten c.q. regionale
                        uitvoeringsdiensten die in hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een
                        gezonde en veilige fysieke leefomgeving met oog voor de maatschappelijke
                        functies daarvan, waar die zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening,
                        het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht, voor de gezamenlijke
                        opgave gesteld zien om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering
                        en handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen en dat het met het
                        oog daarop wenselijk is om regels vast te stellen, in onderlinge afstemming
                        op het niveau van de RUD Limburg-Noord door de deelnemende gemeenten en de
                        provincie Limburg;</al><al>overwegende dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in ieder
                        geval de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria 2.1 zijn
                        die op basis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen indien
                        daartoe aanleiding is met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen
                        worden aangepast;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 september
                        2016,</al><al>raadsvoorstelnummer 2016/047/1;</al><al>gezien het advies van de commissie Ruimte van 28 september 2016;</al><al>gelet op artikel 5.4, eerste lid, en artikel 5.5 en artikel 5.7 van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en
                        handhaving omgevingsrecht gemeente Roermond.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is
                                    bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al></li><li nr="-"><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen
                                    bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende
                                    kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en
                                    handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van
                                    organisaties die met de uitvoering en handhaving van de
                                    betrokken wetten zijn belast.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en
                            wethouders.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                            leefomgeving.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de
                                    uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht
                                    van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het
                                    Besluit omgevingsrecht, gestelde doelen.</al></li><li nr="2."><al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en
                                    handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben
                                    in ieder geval betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li><li nr="c."><al>de financiën.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of
                                    in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de
                                    kwaliteitscriteria van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                    wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                    nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                    opgave.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij
                                    is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht
                                    gemeente Roermond.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de raad van de gemeente
                        Roermond in zijn openbare vergadering d.d. 13 oktober 2016.
                        (raadsbesluitnummer 2016/047/2)</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.Vervuurt</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.J.D. Donders - de Leest</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>TOELICHTING</al><al>ALGEMEEN</al><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het
                            college van burgemeester en wethouders uitgevoerde vergunningverlening,
                            toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel
                            van deze toelichting beschrijft kort de achtergrond en aanleiding van
                            deze verordening, licht de reikwijdte daarvan toe en schetst de
                            hoofdlijnen van de inhoud van de verordening.</al><al/><al>1<vet>.Achtergrond en aanleiding</vet></al><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren
                            van de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over
                            de verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008)
                            waarin het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de
                            commissie Mans, Oosting, Lodders, d’Hondt en de invoering van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De verbeterpunten zijn terug
                            te brengen tot drie hoofdpunten:</al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                                    bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                            gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze
                            punten. Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29
                            september 2009). Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma
                            uitvoering met ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu
                            onder meer een landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn de
                            kwaliteitscriteria 2.1 voor de uitvoering van de Wabo in brede
                            samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                            en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en
                            strafrecht<sup>1</sup>. Een deel van de afspraken uit 2009 is verankerd
                            in de voorgestelde wijziging van de Wabo (Kamerstukken II 2014/15, 33
                            872, nr. 2).</al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het
                            IPO nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is
                            geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en
                            decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de
                            besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal
                            plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is
                            de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet
                            worden gerealiseerd en behouden. Afgesproken is dat de VNG in
                            samenwerking met het IPO op basis van de kwaliteitscriteria 2.1. (een)
                            modelverordening(en) zal opstellen, die door alle gemeenteraden en
                            provinciale staten kan worden vastgesteld.</al><al>De hierbij door de gemeenteraad vast te stellen verordening volgt deze
                            modelverordening, die voor gemeenten en provincies gelijkluidend door
                            VNG en IPO is opgesteld.</al><al/><al><vet>2.Reikwijdte</vet>: een brede verantwoordelijkheid voor
                            kwaliteit</al><al>Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van
                            gemeenten en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als
                            vertrekpunt wordt genomen dat alle taken van [het college van
                            burgemeester en wethouders op grond van de Wabo en de betrokken wetten,
                            onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om thuistaken, die het
                            college “in eigen huis” verricht, de basistaken die krachtens de wet in
                            opdracht van het college door omgevingsdiensten worden verricht [en de
                            plustaken, die het college naast de basistaken heeft belegd bij de
                            omgevingsdienst]. Behalve milieutaken betreft het dus ook uitdrukkelijk
                            de zogenaamde "BRIKS-taken" (inzake bouw-, reclame-, inrit-, kap- en
                            sloopvergunningen).</al><al>Deze reikwijdte vloeit voort uit het gegeven dat waar de zorg voor een
                            gezonde en veilige leefomgeving gestalte krijgt via vergunningverlening,
                            het toezicht en de handhaving, de regeling van de kwaliteit van deze
                            verrichtingen niet dient te berusten op een kunstmatig onderscheid naar
                            de plaats waar een taak wordt verricht, of op een opsplitsing van de
                            omgevingsvergunning, het toezicht of de handhaving. In de praktijk
                            blijkt dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving afhankelijk is
                            van de wijze waarop alle betrokken partijen bij de vergunningverlening,
                            het toezicht en de handhaving zich daarvoor inzetten door samenwerking.
                            Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste schakel.</al><al>Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden
                            bestaan in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de
                            beschikbaarheid en deskundigheid van de betrokken organisaties betreft.
                            Dit geldt overigens niet alleen voor de diensten van gemeenten en
                            provincies, maar ook voor omgevingsdiensten en voor verschillende
                            Rijksdiensten. De eisen die deze verordening aan de organisaties van
                            gemeentebesturen en provinciebesturen en in hun opdracht de
                            omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van de
                            Kwaliteitscriteria 2.1 waarvoor een dynamische begripsbepaling is
                            opgenomen in artikel 1 van de verordening en die door de betrokken
                            organisaties toegepast dienen te worden volgens de regel “comply or
                            explain” (zie daarover verder artikelsgewijs toelichting bij artikel
                            5).</al><al>Deze verordening stelt eensluidende regels. In alle gevallen zal het
                            college van burgemeester en wethouders, als Wabo-bevoegd gezag, op grond
                            van artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht beleid
                            moeten voeren over de kwaliteit. Deze verordening regelt waarover de
                            doelen van dit beleid ten minste moeten gaan. Deze verordening regelt
                            bovendien dat de verrichtingen van de gemeentelijke organisaties en de
                            omgevingsdiensten, waar het de VTH-taken betreft, in het licht van die
                            doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het dat de gemeenteraad, in
                            het kader van het horizontale toezicht, inhoudelijk debat voert over de
                            hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door het college
                            wordt gevoerd.</al><al/><al>3.<vet>Samenhang met veiligheid</vet></al><al>Onderwerpen die tot het bereik van de verordening behoren, kunnen
                            onderdeel blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke
                            leefomgeving alleen. De verordening belemmert bijvoorbeeld niet dat
                            onderwerpen met betrekking tot fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen
                            komen in beoordelingen of rapportages op andere domeinen, zoals dat van
                            de openbare orde en veiligheid binnen gemeenten, waar raakvlakken
                            bestaan tussen bijvoorbeeld de Wabo en de Drank- en Horecawet, Bibob en
                            andere bijzondere wetten.</al><al>De eensluidende regeling van de verordening betekent ook dat voor
                            bijvoorbeeld Brzo geen specifieke, aanvullende eisen worden gesteld. Ook
                            hier is het relevante kader breder dan de Wabo alleen en vindt
                            taakuitoefening plaats in samenwerking met andere bevoegde gezagen. De
                            basis van de kwaliteitscriteria blijven ook hier de afspraken die in het
                            kader van het Programma Uitvoering met Ambitie (PUMA) zijn gemaakt. De
                            criteria voor de Omgevingsdiensten met ’Brzo-taken zijn in Nederland
                            hetzelfde. In afstemming met de andere Brzo-bevoegde gezagen kunnen
                            aanvullende afspraken gemaakt worden.</al><al/><al>4.<vet>Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</vet></al><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                            omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken door
                            de gemeente en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. De
                            verordening drukt de commitment uit van de gemeenteraden aan
                            kwaliteit.</al><al>De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambities voor kwaliteit aan
                            bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door
                            procedurele of inhoudelijke normering van vergunningverlening, toezicht
                            en handhaving bijdragen aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de
                            Gemeentewet, de Provinciewet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (Wabo), de Wet milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet
                            gemeenschappelijke regelingen. Op basis van deze verordening wordt op
                            het benodigde niveau verbinding gemaakt met deze kaders.</al><al>Van deze kaders is de Wabo en daarop gebaseerde regelgeving wellicht de
                            belangrijkste. Zo bevat artikel 7.1 e.v. van het Besluit omgevingsrecht
                            (Bor), procedurele regels voor handhavingsbeleid door het Wabo-bevoegd
                            gezag. Dit houdt in dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot
                            het stellen van doelen, het identificeren van activiteiten ter
                            uitvoering daaraan, de inrichting van de uitvoeringsorganisatie, het
                            monitoren en het rapporteren daarover. Deze regels gelden ook voor het
                            taakveld vergunningverlening.</al><al>In de praktijk zijn bovendien verschillende kaders gebruikelijk voor het
                            beoordelen van de kwaliteit door de omgevingsdienst (respectievelijk de
                            eigen diensten), door burgemeester en wethouders en tot slot door de
                            gemeenteraad. Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn
                            verankerd in artikel 1 en artikel 5, zie voor een toelichting het
                            artikelsgewijs deel) en andere standaarden en methoden die door het
                            bevoegde gezag al veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden
                            toegepast met als doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving te waarborgen en te bevorderen.</al><al>Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door burgemeester
                            en wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van
                            de interne gemeentelijke organisatie. Burgemeester en wethouders zullen
                            dus beoordelen "of het goed gaat" op basis van de door henzelf
                            geformuleerde beleidsdoelen voor in ieder geval de dienstverlening,
                            uitvoeringskwaliteit van producten en diensten of de financiën.
                            Daarnaast zijn ook andere doelen mogelijk. Gedacht kan bijvoorbeeld
                            worden aan de veiligheid of de duurzaamheid (in de zin van natuur en
                            milieukwaliteit) met inbegrip van daarvoor geselecteerde
                            indicatoren.</al><al>Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de
                            gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad
                            vormen immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van
                            de kwaliteit van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen
                            van de leden van de gemeenteraad zullen betrekking hebben op de
                            meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische
                            kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de
                            diensten behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden
                            tussen de strategische plannen en visies over de hoofdlijnen van het
                            omgevingsbeleid binnen de gemeente, zoals een milieubeleidsplan, een
                            structuurvisie of omgevingsvisies. De gemeenteraad oefent invloed uit op
                            de formulering van doelen en indicatoren door burgemeester en wethouders
                            en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij
                            willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het college. In
                            die zin worden de kaders voor de beoordeling van de gemeenteraad
                            overgelaten aan het politieke debat over kwaliteit.</al><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht
                            en handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit
                            ieders competentie:</al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties, werken onder leiding van hun directie
                                    overeenkomstig de kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot
                                    deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan
                                    het college van burgemeester en wethouders die hiervoor
                                    verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegde bestuursorganen belast met het
                                    stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving, overeenkomstig de
                                    procesregels van het Besluit omgevingsrecht en de Regeling
                                    omgevingsrecht, in ieder geval over dienstverlening,
                                    uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op het college
                                    en gebruikt waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan
                                    hun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                                    continuïteit van het beleid over de kwaliteit van VTH, als
                                    belangrijk onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde
                                    leefomgeving.</al></li></lijst><al>Doelen voor kwaliteit en kwaliteitscriteria</al><al>Binnen een systeem van kwaliteit in het omgevingsrecht kan onderscheid
                            gemaakt worden tussen inputcriteria, throughputcriteria, outputcriteria
                            en outcomecriteria. Deze criteria zijn cyclisch met elkaar verbonden en
                            hebben allemaal invloed op elkaar.</al><al>Outcome-criteria zeggen iets over de omgevingskwaliteit, de veiligheid
                            en gezondheid van de fysieke leefomgeving, etc. Het gaat om het
                            maatschappelijke effect van beleid (dus het maatschappelijke effect van
                            de geleverde Wabo-diensten). Deze criteria/doelstellingen moeten bepaald
                            worden in samenspel tussen bestuur en ambtelijke organisatie.
                            Gemeenteraad en burgemeester en wethouders stellen kaders, bijvoorbeeld
                            op basis van het collegeakkoord of het handhavingsplan.</al><al>Outputcriteria zeggen iets over concrete prestaties die geleverd worden
                            om het beleidsdoel te realiseren. In dit geval gaat het om aan de
                            samenleving geleverde Wabo-diensten, bijvoorbeeld het aantal
                            vergunningen, het aantal toezichtsacties, het aantal subsidies,
                            voorlichtingen, etc. </al><al>De throughputcriteria, ofwel procescriteria, beschrijft de processen die
                            moeten leiden tot producten op het gebied van vergunningverlening,
                            toezicht en handhaving.</al><al>Inputcriteria gaan over middelen, mensen en tijd. Voor outputcriteria en
                            outcomecriteria zijn tot op heden nog geen concrete voorbeelden
                            beschikbaar in tegenstelling tot throughputcriteria en inputcriteria die
                            in kwaliteitscriteria 2.1 zijn beschreven. Het is aan elke organisatie
                            zelf om output- en outcomecriteria te bepalen. Ervaringen uit pilots die
                            in 2012 bij gemeenten zijn uitgevoerd hebben geleerd dat door een
                            samenspel tussen bestuur en ambtenaren er breed gedragen resultaten
                            kunnen ontstaan. In een aantal werksessies in 2010 met verschillende
                            partijen en twee jaar later in bovengenoemde pilots bij gemeenten, zijn
                            er wel onderwerpen bepaald waarop deze doelen het beste bepaald kunnen
                            worden. Deze lijst onderwerpen is uiteraard niet limitatief, maar is een
                            lijst waar men in bovengenoemde sessies op uit is gekomen:</al><lijst><li nr="-"><al>Dienstverlening: de manier waarop (in communicatie, snelheid,
                                    service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers,
                                    omgeving klagers, etc.) omgaat.</al></li><li nr="-"><al>Uitvoeringskwaliteit van producten en diensten: de mate waarin
                                    een product voldoet aan de juridische doelen (zoals geformuleerd
                                    in de relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen
                                    van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. Ook
                                    wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit.</al></li><li nr="-"><al>Financiën: de inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van
                                    de geleverde diensten/producten.</al></li></lijst><al>Bij de voorbereiding van de modelverordening is door het IPO en de VNG
                            voortgebouwd op de ervaringen uit de pilots.</al><al/><al>6.<vet>Impact van deze verordening: meer dan regels alleen</vet></al><al>Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen
                            en borgen van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving. Blijvende goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan
                            regels alleen. Zo zullen de bestaande kwaliteitscriteria 2.1 na verloop
                            van tijd, gelet op wijzigingen in de omringende wetgeving en met het oog
                            op de brede reikwijdte die ze krijgen met deze verordening, een levend
                            instrument blijven. Dat betekent dat ze op termijn in brede samenwerking
                            met andere gemeenten en provincies en omgevingsdiensten geactualiseerd
                            moeten worden. Hetzelfde geldt voor de doelen en de daarvoor gehanteerde
                            indicatoren, die door bevoegde gezagen worden gebruikt.</al><al>7.Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid</al><al>Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande
                            rapportage en informatiestromen, op basis van het Besluit omgevingsrecht
                            en de organieke wetgeving en introduceert geen nieuwe
                            rapportageverplichtingen maar vereist wel extra input voor bestaande
                            rapportages. Wel is het van groot belang dat een tijdige en transparante
                            uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de mogelijkheid
                            voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de
                            politiek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad om ieders rol in
                            de kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze
                            bestaande competentieverdeling gericht op horizontaal toezicht. Van
                            regeldruk voor burgers en bedrijven is geen sprake.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een
                            begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo.</al><al>Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten
                            bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die
                            wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. Op de
                            uitvoering of handhaving van een geheel andere wet, zoals bijvoorbeeld
                            de Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van toepassing (wat
                            onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt
                            gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelichting). De wetten
                            waarom het krachtens artikel 5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en
                            faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de
                            Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming
                            Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake
                            de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke
                            ordening, de Waterwet en de Woningwet.</al><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. De
                            kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende
                            Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de
                            bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de
                            kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied
                            van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste
                            organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in
                            de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren
                            verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt
                            om de versie 2.1 op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de
                            kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing
                            opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een
                            volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de
                            verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de
                            verankering in artikel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria
                            2.1 aan de basis van deze verordening.</al><al>Voor het begrip omgevingsdienst is aangesloten bij de omgevingsdiensten
                            waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo, zoals dat zal
                            komen te luiden wanneer wetsvoorstel 33 872 tot wijziging van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening,
                            toezicht en handhaving) tot wet is verheven<sup>2</sup>.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en
                            een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de
                            uitvoering of handhaving van de betrokken wetten. De terminologie
                            “uitvoering en handhaving” is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt
                            ook gehanteerd in het Besluit omgevingsrecht zoals dat op grond van het
                            wetsvoorstel zal worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving” betekent
                            dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle
                            taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld
                            in artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1.
                            Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in
                            opdracht van burgemeester en wethouders. De verordening is dus van
                            toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken wetten door
                            burgemeester en wethouders zelf of, in opdracht van het college door een
                            omgevingsdienst of een private partij (maar vanwege het college).
                            Uitvoering van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van
                            de Wabo zelf door andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en
                            andere gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde
                            model vaststellen, het waterschapsbestuur of de Minister van
                            Infrastructuur en Milieu of de Minister van Economische Zaken, valt
                            buiten het bereik van deze verordening. De uitvoering en handhaving van
                            de Wet bescherming Antarctica of de Kernenergiewet wordt bijvoorbeeld
                            niet door de besturen van gemeenten of provincies uitgeoefend en valt
                            dus buiten deze verordening. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de
                            Waterwet voor zover die door het Rijk of door waterschappen wordt
                            uitgevoerd. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving
                            van taken door of in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de
                            uitvoering door gemeentelijke diensten en regionale
                            uitvoeringsdiensten.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de
                            gemeenteraad en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van
                            het Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en
                            rapportage over kwaliteit een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil
                            zeggen: burgemeester en wethouders. Bezien vanuit de Gemeentewet, is
                            kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad. </al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling
                            van deze verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de
                            samenhang met het Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te
                            geven aan het feit dat de gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen
                            betrokken is bij het beleid en zal toezien op de continuïteit van de
                            kwaliteit over meerdere jaren.</al><al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale)
                            uitvoerings- en handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal
                            daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op
                            hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals
                            omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van
                            belang voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in
                            hun opdracht werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                            meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken
                            van deze rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die
                            de organieke wetgeving hen biedt en de kaders die zij op strategisch
                            niveau voor de fysieke leefomgeving in plannen en visies hebben
                            vastgelegd.</al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat
                            het college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat
                            stelt. Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van
                            belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet
                            gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten
                            voldoende gewaarborgd.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het
                            bevoegd gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren
                            voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van
                            deze bepaling (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelmatige en
                            programmatische handhaving, maar geldt op grond van een wijziging van de
                            Wabo en het Bor door de invoering van de wet VTH, ook voor uitvoering
                            (vergunningverlening). Er is nu sprake van een uitvoeringsbeleid en
                            handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden
                            tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk
                            beleid moet worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk open. Dit
                            artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de
                            procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen.</al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                            geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid
                            betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke
                            thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit
                            elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het
                            perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de
                            eigen organisaties. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening,
                            uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om financiën (andere
                            mogelijke onderwerpen zijn veiligheid en duurzaamheid).</al><al>In paragraaf 4 van deze toelichting is de herkomst van de in dit artikel
                            gehanteerde begrippen toegelicht.</al><al>Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over
                            de te gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor de
                            bevoegde gezagen, die daarmee in de praktijk al ruime ervaring
                            hebben.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.1 en de
                            opvolgers daarvan (zie ook de toelichting bij artikel 1, waarin een
                            begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe
                            te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van
                            VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om
                            criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door
                            de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante
                            input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie
                            dat de doelen die door het college zijn gesteld op grond van artikel 3
                            ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze
                            doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede
                            verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van de
                            kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden
                            aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke
                            mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse
                            rapportages, in de op grond van het Besluit omgevingsrecht op te stellen
                            documenten.</al><al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                            relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te
                            wensen zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten
                            worden waarom de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe
                            wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.1
                            zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg
                            uit, “comply or explain”.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet
                            op de aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in
                            overgangsrecht te voorzien.</al><al> Daarnaast is er een informatiesysteem voor toezicht en handhaving, zijn
                            de Brzo-taken gebundeld in zes omgevingsdiensten, is het
                            interbestuurlijk toezicht vernieuwd, zijn de taken van de provincies
                            naar de gemeenten gedecentraliseerd en is een nieuw vereenvoudigd
                            VTH-stelsel ontstaan.</al><al>2 Kamerstukken II 2014/15, 33 872 nr. 2, zoals bijgewerkt t/m nr. 11
                            (tweede Nota van Wijziging d.d. 29 april 2015).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>