<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42263_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Marktverordening gemeente Diemen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemer Nieuwsd.d. 12-03-2009, p. 7.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening gemeente Diemen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikelen 147 lid 1 en 149.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-03-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-03-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09-14c</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>standplaatsen markt</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Reglement Marktcommissie en nadere regel, vastgesteld op 27 juli 2010</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de “Verordening op de warenmarkt voor de gemeente Diemen 2001”.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Marktverordening gemeente Diemen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Opmerkingen m.b.t. de regeling</vet></al><al/><al>Deze regeling vervangt de “Verordening op de warenmarkt voor de gemeente
                        Diemen 2001”.</al><al/><al/><al><vet>Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is
                            gebaseerd</vet></al><al/><al>1.Gemeentewet, artikelen 147 lid 1 en 149.</al><al/><al/><al><vet>Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde
                            regelgeving)</vet></al><al/><al>Geen. </al><al/><al/><al><vet>Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen</vet></al><al/><al/><al><vet>Datum</vet></al><al><vet>inwerkingtreding</vet></al><al>13-03-2009</al><al/><al><vet>Terugwerkende kracht t/m</vet></al><al/><al><vet>Betreft</vet></al><al>nieuwe regeling</al><al/><al><vet>Datum ondertekening</vet></al><al><vet>Bron bekendmaking</vet></al><al>05-03-2009</al><al>Diemer Nieuws</al><al>d.d. 12-03-2009, p. 7.</al><al/><al><vet>Kenmerk voorstel</vet></al><al>nr. 09-14c</al><al/><al/><al/><al><vet>Marktverordening Gemeente Diemen</vet></al><al/><al>Nr.: 09-14c</al><al>De raad van de gemeente Diemen;</al><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 13 januari 2009;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, alsmede artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>gezien het advies van de brandweer, de politie en de marktcommissie;</al><al>overwegende dat het wenselijk is regels te stellen voor een ordelijk verloop
                        van de weekmarkt;</al><al>B E S L U I T:</al><al>vast te stellen de Marktverordening gemeente Diemen</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt : de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al>standplaats : de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats : de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                    beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats : de standplaats die per marktdag ter beschikking
                                    wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als
                                    vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;</al></li><li nr="e."><al>standwerken : de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van één
                                    artikel;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats : de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken en niet breder is
                                    dan 04.00 meter;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder : degene aan wie door het college vergunning is
                                    verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>wachtlijst : de lijst van gegadigden voor een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="i."><al>anciënniteitlijst : de lijst van vergunninghouders van een vaste
                                    standplaats;</al></li><li nr="j."><al>marktmeester : de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats
                                        en als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al>een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd in het marktreglement nadere regels te stellen
                            betreffende het bepaalde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>BEPALINGEN OVER VERGUNNINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft
                            bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Diemen de
                                        vergunning wordt overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 6 genoemde vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het
                                marktreglement van de gemeente Diemen is overgeschreven, reeds
                                vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde
                                markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 7 kan het college een vergunning
                            voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan
                            wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen,
                            indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening (marktreglement)
                                    of de voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De “Verordening op de Warenmarkt gemeente Diemen 2001”, vastgesteld op
                            22 februari</al><al>2001, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens Verordening op
                                de Warenmarkt gemeente Diemen 2001 gelden als besluiten genomen
                                krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de Verordening op de
                                Warenmarkt gemeente Diemen 2001 is ingediend en voor het tijdstip
                                van inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de
                                aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Marktverordening gemeente
                            Diemen”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 5 maart 2009.</ondertekening><ondertekening> De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al/><al><vet>De totstandkoming van de modelmarktverordening 2008</vet></al><al/><al>De oorspronkelijke modelmarktverordening van de VNG is in mei 1998
                    totstandgekomen in samenwerking met het Centraal Overleg Marktaangelegenheden
                    (COM). In 2003 is de modelmarktverordening naar aanleiding van de dualisering
                    van het gemeentebestuur herzien en dit heeft geleid tot de modelmarktverordening
                    2003.</al><al>In 2008 is in het kader van de algehele deregulering van de modelverordeningen
                    door de VNG besloten ook de modelmarktverordening 2003 te herzien. Dit model is
                    vervangen door aantal nieuwe modellen. Dit betreft allereerst de onderhavige
                    modelmarktverordening 2008 (I), waarin bepalingen voor het verkrijgen van een
                    vergunning voor een standplaats zijn opgenomen. De regeling voor onder meer de
                    toewijzing van een vaste standplaats, dagplaats en standwerkerplaats is
                    opgenomen in het modelmarktreglement 2008. In de modelmarktverordening 2008 (II)
                    is de mogelijkheid opgenomen dat een organisatie een markt gaat organiseren en
                    beheren. Alle modellen zijn in overleg met het Centraal Overleg
                    Marktaangelegenheden (COM) tot stand gekomen.</al><al><vet>Grondslag en belang verordening</vet></al><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de
                    burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de
                    raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.</al><al>Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeentewettelijke
                    bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om
                    jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen
                    (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). Naast de
                    bovengenoemde nieuwe modellen voor de marktverordeningen zijn analoog aan de
                    bevoegdheden van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet
                    ten behoeve van het college drie modelbesluiten beschikbaar, te weten:
                    Modelbesluit tot het instellen van een warenmarkt, Modelbesluit tot het
                    afschaffen van een warenmarkt en Modelbesluit tot het veranderen van een
                    warenmarkt. De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen.
                    Het gaat hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid,
                    beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de
                    (verkeers)veiligheid binnen de gemeente.</al><al><vet>Inhoud</vet></al><al>Hoofdstuk 1 van de modelmarktverordening bevat een aantal algemene bepalingen
                    die betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat een aantal
                    bepalingen die van belang is voor de vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening aan een rechtspersoon (een organisatie) die is belast met de
                    organisatie van de markt. Hoofdstuk 3 bevat de straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen.</al><al><vet>Jurisprudentiebundel Markten</vet></al><al>Alle in deze modelverordening vermelde uitspraken van vóór 1998 zijn
                    gepubliceerd in de jurisprudentiebundel Markten van maart/april 1998, ISBN 90
                    322 7130 X. De jurisprudentiebundel (jbMarkten) wordt als vindplaats genoemd
                    voorzover de uitspraken niet in andere juridische tijdschriften zijn
                    gepubliceerd. Is dat het geval, dan worden de vindplaatsen in deze tijdschriften
                    vermeld.</al><al><vet>Overige regelgeving ambulante handel</vet></al><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in onze Model-Algemene
                    plaatselijke verordening (APV). Artikel 2:25 van de Model APV (oud: artikel
                    2.2.2) bevat een vergunningstelsel voor evenementen. Onder evenementen vallen
                    bijvoorbeeld braderieën. Verder bevatten de afdelingen 2, 3, 4 en 5 van de
                    Model-APV bepalingen over collecteren, venten, standplaatsen en
                    snuffelmarkten.</al><al><vet>Samenloop met de algemene plaatselijke verordening (APV)</vet></al><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                    warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt opgenomen dat
                    geen vergunning wordt verleend indien op grond van de marktverordening
                    vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat ‘een met de
                    marktverordening conflicterende’ vergunning dient te worden verleend op grond
                    van een andere verordening, zoals de APV. Deze samenloop kan bijvoorbeeld spelen
                    bij de (losse) standplaatsvergunning (artikel 5:18 model-APV (oud: artikel
                    5.2.3)).</al><al><vet>Vrijhouden van het marktterrein</vet></al><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                    marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden weggesleept,
                    dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                    Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                    specialis).</al><al>Wanneer een gemeente niet beschikt over een Wegsleepverordening en het parkeren
                    van voertuigen op het marktterrein wel strafbaar is gesteld in de
                    Marktverordening, dan kan het desbetreffende voertuig met toepassing van
                    'normale' bestuursdwang worden verwijderd. De burgemeester kan op grond van
                    artikel 2:52 van de model-APV (oud: artikel 2.4.12) het marktterrein aanwijzen
                    als plaats waar het verboden is op de door hem aangewezen uren zich met een
                    fiets of bromfiets te bevinden.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                    schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met betrekking tot
                    het autovrij maken van het marktterrein.</al><al><vet>Toepassing</vet></al><al>In het geval een gemeente over meer dan één markt beschikt, is deze verordening
                    op elk van deze markten afzonderlijk van toepassing. Uiteraard dient dan de
                    tekst van de verordening hierop te worden aangepast.</al><al><vet>Instellen marktcommissie voor en door het college</vet></al><al>Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in
                    marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit
                    te werken. Afhankelijk van de gemeentelijke omstandigheden verdient een
                    marktcommissie meer of minder aanbeveling. Om het draagvlak te vergroten, zou
                    het college commissieleden kunnen laten verkiezen door de markthandelaren. Er
                    bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een marktcommissie. Wij
                    adviseren het college bij het besluit tot het instellen van een marktcommissie
                    gebruik te maken van de Modelverordening op de raadscommissies opgenomen in de
                    Handreiking Commissies in het dualistisch stelsel, een uitgave van de
                    Vernieuwingsimpuls Dualisme en lokale democratie.</al><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december
                    2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december 2006] De
                    Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als
                    doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te
                    heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten
                    de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet
                    afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9).</al><al>Ook voor gemeenten zal dit gevolgen hebben: zij moeten binnen 3 jaar door middel
                    van een screening nagaan of hun regelgeving in overeenstemming is met de
                    bepaling van de richtlijn en deze zonodig aanpassen. Voor de voorliggende
                    Modelmarktverordening heeft de VNG de screening gedaan.</al><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden
                    uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en
                    sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van
                    Jusititie. De modelmarktverordening 2008 (individuele vergunning) regelt de
                    warenmarkt; het gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model
                    geen bepalingen omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee
                    valt dit model buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet
                    verder te worden gescreend.</al><al><vet>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</vet></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de
                    markt dient een gemeente hier rekening mee te houden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                        gehanteerd, gedefinieerd. Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen.
                        Door gebruik van het woord ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’
                        bij de begripsomschrijving van marktmeester onder j kan een niet-ambtenaar
                        ook tot marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                        niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                        mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><al>De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als
                        aandachtspunten in het modelbesluit opgenomen, zodat iedere gemeente de
                        gewenste uitwerking kan geven aan de bepalingen. Hierbij verdient het
                        aanbeveling dat gemeenten hiertoe de Handreiking veiligheid markten als
                        basis hanteren. Deze handreiking is een uitgave die tot stand is gekomen met
                        behulp van de HBD, CVAH en de VNG, en opgesteld door het onderzoeks- en
                        adviesbureau SGBO in 2008. De handreiking geeft richtlijnen voor maatregelen
                        voor zowel gemeenten als ondernemers.</al><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal
                        standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk
                        maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is in principe
                        onbeperkt, tenzij het gaat om een gespecialiseerde markt. Bij de opstelling
                        en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt
                        rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt is
                        het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere
                        verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld.
                        Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging voor
                        de ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de instantkraam, de verrijdbare
                        kraam en de verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de
                        standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde
                        materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een
                        beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt
                        dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig
                        is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt
                        optreden. Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker voor de consument.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- ABRS 4 december 2002, nr. 200200350/1/H3, JG 03.00 , m.nt. M. Geertsema.
                        Het besluit van het college tot toevoeging van een artikelgroep of branche
                        op de markt is een algemeen verbindend voorschrift (a.v.v.). Het betreft
                        hier de wijziging van een gemeentelijke, bindende regeling, met externe
                        werking en een algemeen karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef
                        en onder a, van de Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat.</al><al>- Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht - Bloemenmarkt Amsterdam - 14
                        augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh. De Mededingingswet is niet van
                        toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot het behartigen van
                        een algemeen (publiek) belang van niet-economische aard en dat kan worden
                        herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en bevoegdheden van het
                        betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit terrein geen
                        ondernemer.</al><al>- Vz. Rb. Maastricht, 14 november 2003, LJN: AN8555, AWB03/1497.
                        Branchebesluit is in beginsel niet appelabel. Het kan echter wel in het
                        kader van een beroep tegen een concreet, verzoekster rechtsreeks in haar
                        belang betreffend besluit beoordeeld worden. Branchering is niet
                        ongebruikelijk, zodat de gevolgen in beginsel tot het normale bedrijfsrisico
                        behoren.</al><al>- ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt.
                        H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.) Een besluit tot vaststelling van het
                        aantal standplaatsen op de markt, opstelling, indeling en afmetingen is als
                        algemeen verbindend voorschrift niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het
                        betreft hier niet een besluit waarin nader naar tijd, plaats of object de
                        toepasselijkheid van in de verordening reeds besloten liggende normen worden
                        bepaald, maar de vaststelling van zelfstandige normen. </al><al>- ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de wijziging van
                        het aantal standplaatsen per branche). De regels ten behoeve van een
                        brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De brancheverdeling
                        is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift. Op grond
                        van de Awb is bezwaar en beroep hiertegen uitgesloten.</al><al>- Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong, inzake het
                        weren van een markavan.</al><al>- ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de markt.
                        Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te worden
                        gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens afzonderlijke
                        gedeelten van het marktterrein kunnen worden aangewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>De marktverordening 2003 bevatte een vrij uitgebreide regeling van de markt.
                        Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op
                        hoofdlijnen vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat
                        regelen. Het college kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van
                        nadere regels vast te stellen. Met de herziening van het model in 2008 is er
                        voor gekozen om de modelverordening in te korten en een gedeelte van de
                        bepalingen over te hevelen naar een marktreglement. Op grond artikel 3 is
                        het college bevoegd deze nadere regels te stellen.</al><al><cursief>Beleidsregels versus nadere regels</cursief></al><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide
                        soorten regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels en
                        nadere regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van de
                        gekregen bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels stellen op grond
                        van art. 3 van de modelmarktverordening. Voor alle duidelijkheid:
                        beleidsregels zijn algemene regels omtrent de toepassing van bevoegdheden
                        (zie de definitie in art. 1:3, vierde lid, van de Algemene wet
                        bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene regels die te karakteriseren
                        zijn als algemeen verbindende voorschriften. Beleidsregels kennen een
                        inherente afwijkingsbevoegdheid in tegenstelling tot nadere regels. Op grond
                        van artikel 4:84 van de Awb dient een bestuursorgaan een uitzondering op een
                        beleidsregel te maken indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Dit
                        wordt de inherente afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel genoemd.
                        Hierdoor zijn beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen
                        verbindende voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                        mogelijk.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                        bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB (1994)
                        698 m.nt. R.M. van Male.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te
                        verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden
                        aangebracht. De in het eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de
                        vergunning of ontheffing is vereist, zijn de gemeentelijke belangen van
                        openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast,
                        regulering van het woon- en leefklimaat en de veiligheid binnen de gemeente.
                        Zie ook de inleiding bij deze toelichting onder Grondslag en belang
                        verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden
                        zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of
                        voor toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling
                        van artikel 11 is eveneens van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Bepalingen over vergunningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De
                        vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de
                        vergunning zijn verbonden (artikel 4). De vergunning is persoonlijk en niet
                        overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te
                        geschieden door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor is
                        verleend. Iedere andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een
                        uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de
                        kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet de
                        gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en dergelijke op
                        het marktterrein. (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten bladzijde 9).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting was het wenselijk de
                        indieningvereisten uit de modelmarktverordening 2003 eens nader onder de
                        loep te nemen. In dat kader zijn de voorheende geldende verplichtingen tot
                        het overleggen van de inschrijving in het handelsregister en de CRK-kaart
                        (registratiekaart van het Centraal Registratiekantoor (CRK) bij het
                        Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) komen te vervallen. Deze vereisten
                        veroorzaakten onnodig veel administratieve lasten voor de aanvrager, terwijl
                        het niet in verhouding stond tot het te dienen doel. Daarnaast dienden deze
                        inschrijvingen ook niet het doel, waarmee wordt beoogd markten te houden. De
                        inschrijvingen zien op economische aspecten en dit valt buiten de
                        huishouding van een gemeente. In plaats daarvan is nu slechts het vereiste
                        van een handelingsbekwaam natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van
                        18 jaren heeft bereikt. Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen
                        natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten en wordt voorkomen dat
                        rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de
                        koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk
                        mogelijke verdeling van alle marktstandplaatsen in Nederland bereikt.
                        Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming
                        drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke
                        persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter
                        niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.</al><al>In het kader van deregulering is in 2008 ook het modelaanvraagformulier
                        gescreend op onnodige administratieve lasten. De VNG heeft samen met Egem
                        een digitaal aanvraagformulier ontwikkeld. Hiermee kan de aanvraag worden
                        vereenvoudigd. Het is wenselijk dat eventuele papieren formulieren voor wat
                        betreft de vraagstelling worden aangepast aan het Egem-formulier.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 91, inzake onderscheid natuurlijk
                        persoon/rechtspersoon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot
                        intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid
                        worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen
                        is niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning.</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder
                        voor de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste
                        standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen
                        zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke
                        verwijdering op grond van artikel 10.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van
                        standplaatsvergunning, mag het college deze vergunning intrekken wegens een
                        administratieve fout, mits hierbij algemene beginselen van behoorlijk
                        bestuur in acht worden genomen. In casu was de intrekking niet in strijd met
                        deze beginselen. (ABRS 12 december 2001, JB 2002, 27 m.nt. C.L.G.F.H.)</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor
                        een vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede
                        ‘Onverminderd het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de intrekking op
                        grond van artikel 7 een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een
                        sanctiebeleid vast te stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de
                        vergunning wordt geschorst dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden
                        af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. In onderdeel c wordt
                        ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een grond kan zijn voor
                        intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor de markt. De
                        uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29
                        juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S.
                        Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998,
                        vormt naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of
                        schorsingsgrond in het model op te nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak
                        dat ingevolge de Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam
                        een vergunning voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het
                        niet voldoen aan verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien
                        uit de voor die markt geldende heffingsverordening’. Het stond tussen
                        partijen vast dat Gonesh ten tijde van het nemen van de beslissing op
                        bezwaar reeds gedurende langere tijd niet aan zijn uit de geldende
                        heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan. Het
                        dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon
                        de aan Gonesh verleende vergunning derhalve intrekken. Het moge duidelijk
                        zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet lichtvaardig mag worden
                        gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor (notoire) ‘wanbetalers’.
                        Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze uitspraak zich naar ons
                        inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op basis van
                        publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook
                        mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke
                        betalingsverplichtingen (huur of pacht) blijft in deze uitspraak
                        onbeantwoord.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>- ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke tijdelijke
                        schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van Reglement warenmarkten
                        Den Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen gewaarschuwd. Opgelegde
                        sanctie is niet onevenredig zwaar. Schorsingsregime is niet onverbindend
                        wegens strijd met art. 156 Gemeentewet.</al><al>- Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195. Schorsing van
                        de marktvergunning in verband met vermeende bedreiging van een medewerker
                        van de Dienst Stadsbeheer. Van in een telefoongesprek gebruikte bedreiging
                        kan niet worden gezegd dat het belang van de openbare orde van de markt in
                        het geding was. In casu staat de schorsing niet in redelijke verhouding tot
                        de gedane uitlatingen.</al><al>- ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                        standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week is
                        een maatregel met een punitief karakter die door de rechter op zijn
                        evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat de
                        strafrechter betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot het
                        oordeel dat het bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen van een
                        maatregel mocht overgaan. De opgelegde maatregel moet zelfstandig op
                        evenredigheid worden beoordeeld. De Afdeling neemt voor dat oordeel mede in
                        aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak heeft bij het handhaven van
                        de rust en orde op de markt. Niet kan worden gezegd dat deze maatregel niet
                        in een redelijke verhouding staat tot het wangedrag. Het geven van slechts
                        een waarschuwing staat niet alleen niet in verhouding tot de ernst van de
                        overtreding, maar maakt ook de handhaving van de verordening illusoir.</al><al>- Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of te
                        schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8 van de
                        Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari 1994, JB
                        (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8 Awb.</al><al>- Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing kan
                        als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich mee dat ten
                        aanzien van de relevante feiten die aan de waarschuwingen ten grondslag
                        liggen hoge eisen worden gesteld, zoals een deugdelijk sanctiebeleid.</al><al>- ABRS 8 september 2004 , LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1. Waarschuwingen al
                        dan niet mondeling, gebaseerd op een op schrift gesteld en bekend gemaakt
                        sanctiesysteem, worden aangemerkt als besluiten in de zin van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste
                        standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de
                        hand bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang
                        gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10)
                        ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger
                        van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen
                        indien een vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met
                        een dagplaatshouder of standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin
                        genoemde gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te
                        sluiten van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. In de
                        beschikking tot uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat
                        (maximaal vier) en om welke concrete dagen. Het in onderdeel d genoemde kan
                        worden opgenomen ter bestraffing van niet-betalende dagplaatshouders of
                        standwerkers. Zie verder de toelichting onder artikel 8, onderdeel c.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten,
                        algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke
                        verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe
                        te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om
                        bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de
                        daarop gebaseerde voorschriften. In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de
                        Awb worden regels over de besluitvorming omtrent en de toepassing van
                        bestuursdwang (en dwangsom) gegeven. De in artikel 10 geregelde
                        onmiddellijke verwijdering is een vorm van bestuursdwang, waarbij de
                        spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde lid, van de Awb wordt
                        verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het toepassen van
                        bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid dient
                        uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt.
                        Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over
                        bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter
                        onmiddellijke handhaving van de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing
                        van artikel 10 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun
                        zienswijze (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11
                        Awb bepaalt dat dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in het
                        COM de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan te kunnen
                        pakken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Ten aanzien van de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                        overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of
                        verbodsnorm (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de in
                        deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde
                        op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de
                        organisatie betreft een administratieve afhandeling de voorkeur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al><cursief>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder
                            toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of
                            krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van
                            toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift. Een persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt
                            in beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden.
                            Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij
                            verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In dit
                            verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat
                            beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te
                            vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                            op de identificatieplicht.</cursief></al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen. Door
                        toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging als
                        opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in
                        strijd met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                        Immers, in artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van
                        Strafvordering, is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare
                        feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast de personen die
                            <cursief>bij </cursief>verordeningen zijn belast met het toezicht op de
                        naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de
                        personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun
                        aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere
                        regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder op grond van artikel
                        26 is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar.
                        De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt
                        zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van
                        het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en
                        betrouwbaarheid te voldoen en te zijn beëdigd door de
                        procureur-generaal.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de verordening
                        in werking treedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij noodzakelijk voor de
                        rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                        eerbiedigen. Indien de gemeente bestaande wachtlijsten en
                        anciënniteitslijsten heeft, dient hiervoor apart overgangsrecht te worden
                        gecreëerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt
                        met zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling uit
                        artikel 142 van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze bepaalt dat alle
                        verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij
                        een ander tijdstip daarvoor is aangewezen.</al><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                        inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                        vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval: <cursief>‘Deze verordening
                            treedt in werking op een door het college nader te bepalen tijdstip.’
                        </cursief>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op
                        overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op
                        dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het
                        gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139
                        Gemeentewet). Wel is van belang dat de gemeente gehouden is dit besluit mee
                        te delen aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen
                        (artikel 143 Gemeentewet).</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard
                        niet mogelijk aan de bepalingen van een strafvordering terugwerkende kracht
                        te verlenen.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is terecht
                        aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen ingevolge art.
                        8:2, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan voorafgaand
                        bezwaar openstaat. (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345 m.nt. L.D.)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                        onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>