<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR421728_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Binnenmaas 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Binnenmaas</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Binnenmaas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 26 oktober2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 16 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Binnenmaas 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Binnenmaas;</al><al/><al>gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gezien het advies van het Presidium;</al><al/><al>besluit vast te stellen het Reglement van orde voor vergaderingen en andere
                        werkzaamheden van de raad van de gemeente Binnenmaas 2016</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een
                                ontwerpverordening of ontwerpbeslissing;</al></li><li nr="·"><al>griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;</al></li><li nr="·"><al>initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening
                                of ander voorstel;</al></li><li nr="·"><al>motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt
                                uitgesproken;</al></li><li nr="·"><al>subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een
                                aanhangig amendement;</al></li><li nr="·"><al>voorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 2. Het presidium</al><lijst><li nr="1."><al>Er is een presidium dat bestaat uit de voorzitter en de
                                fractievoorzitters.</al></li><li nr="2."><al>Fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij
                                afwezigheid in het presidium vervangt.</al></li><li nr="3."><al>Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn
                                vergaderingen.</al></li><li nr="4."><al>Het presidium doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie
                                en het functioneren van de raad en de raadscommissies.</al></li><li nr="5."><al>Het presidium is tevens belast met de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden en vaststellen van voorlopige agenda’s voor
                                        raadsvergaderingen; </al></li><li nr="b."><al>het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de
                                        raadscommissies;</al></li><li nr="c."><al>het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17,
                                        tweede lid, van de Gemeentewet en het volgende lid.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>In aanvulling op de raadscommissievergaderingen als bedoeld in het
                                vijfde lid, onder b, vergadert een raadscommissie voorts als haar
                                voorzitter het nodig acht of als ten minste twee fracties
                                schriftelijk, met opgaaf van redenen, daarom verzoeken.</al></li><li nr="7."><al>De vergaderingen van het presidium zijn niet openbaar.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 3. De griffier</al><lijst><li nr="1."><al>De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van
                                het presidium en kan aanwezig zijn in
                                raadscommissievergaderingen.</al></li><li nr="2."><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een
                                door de raad aangewezen plaatsvervanger.</al></li><li nr="3."><al>De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen
                                in raadsvergaderingen deelnemen.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 4. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden</al><lijst><li nr="1."><al>Bij de toelating van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie
                                in bestaande uit drie raadsleden. </al></li><li nr="2."><al>Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende
                                stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies
                                uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden
                                tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een
                                minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.</al></li><li nr="3."><al>Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de
                                raadsverkiezingen.</al></li><li nr="4."><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden
                                op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, bedoeld
                                in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of
                                verklaring en belofte af te leggen.</al></li><li nr="5."><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                in afwijking van het voorgaande een nieuw benoemd raadslid op voor
                                de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 5. Benoeming wethouders</al><al>Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande
                        uit drie raadsleden. De commissie onderzoekt of benoeming van de kandidaat
                        voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en
                        vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet en brengt vervolgens
                        advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. </al><al/><al>Artikel 6. Fracties</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd.</al></li><li nr="2."><al>Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de
                                fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen
                                aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste
                                raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de
                                raad zal voeren.</al></li><li nr="3."><al>De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo
                                spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al>a.Indien: 1° één of meer leden van een fractie als zelfstandige
                                fractie gaan optreden of;</al></li></lijst><al>2° twee of meer fracties als één fractie gaan optreden of;</al><al>3° één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie; </al><al>wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        voorzitter.</al><lijst><li nr="b."><al>Indien het onder 4a onder 1 of 2 beschrevene zich, al dan niet
                                vrijwillig, voordoet, zal deze fractie worden aangeduid met de
                                achternaam van het betreffende raadslid dan wel de betreffende
                                raadsleden.</al></li><li nr="c."><al>Met de onder 4a beschreven, veranderde, situatie wordt rekening
                                gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na
                                de mededeling daarvan.</al><al/></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Raadsvergaderingen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1. Voorbereiding</al><al/><al>Artikel 7. Oproep en voorlopige agenda</al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter zendt – spoedeisende vergaderingen uitgezonderd - ten
                                minste 7 dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een
                                schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij
                                behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en
                                tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken.</al></li><li nr="2."><al>Als een aanvullende agenda als bedoeld in artikel 8, eerste lid,
                                wordt vastgesteld, wordt deze met de daarbij behorende stukken zo
                                spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de
                                raadsvergadering aan de leden gezonden.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 8. Aanvullende agenda; vaststellen agenda</al><lijst><li nr="1."><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een
                                schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda opstellen. De
                                daarbij behorende stukken worden openbaar gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Als omtrent de inhoud van stukken op grond van artikel 25, eerste of
                                tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven
                                deze stukken in afwijking van het eerste lid onder berusting van de
                                griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage.</al></li><li nr="3."><al>De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad
                                vastgesteld. </al><al/></li></lijst><al>Artikel 9. Ter inzage leggen van stukken</al><lijst><li nr="1."><al>Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een
                                voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van
                                de schriftelijke oproep op het gemeentehuis ter inzage gelegd. Als
                                na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage
                                worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de
                                raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving.</al></li><li nr="2."><al>Stukken die digitaal beschikbaar zijn worden op de website van de
                                gemeente geplaatst.</al></li><li nr="3."><al>Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid,
                                van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken
                                in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de
                                griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 10. Openbare kennisgeving</al><al>Raadsvergaderingen worden ten openbare kennis gebracht door aankondiging in
                        de plaatselijke huis-aan-huisblad en door plaatsing op de internetsite van
                        de gemeente. Eventuele aanvullende agendapunten worden tenminste op de
                        internetsite geplaatst. </al><al/><al>Paragraaf 2. Ter vergadering</al><al/><al>Artikel 11. Presentielijst</al><lijst><li nr="1."><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van
                                raadsvergaderingen.</al></li><li nr="2."><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de
                                presentielijst. Aan het einde van elke raadsvergadering wordt die
                                lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                vastgesteld.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 12. Aantal spreektermijnen</al><lijst><li nr="1."><al>Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten
                                hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al></li><li nr="2."><al>Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten.</al></li><li nr="3."><al>Raadsleden mogen in een termijn niet meer dan éénmaal het woord
                                voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></li><li nr="4."><al>Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een
                                amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel
                                heeft ingediend, ten aanzien van de beraadslaging over het door dat
                                raadslid ingediende.</al></li><li nr="5."><al>Bij de bepaling hoeveel malen een raadslid over hetzelfde onderwerp
                                of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het
                                spreken over een voorstel van orde.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 13. Deelname aan de beraadslaging door anderen</al><al>Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad op enig moment
                        besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.</al><al/><al>Artikel 14. Spreekrecht burgers</al><lijst><li nr="1."><al>Burgers kunnen in een vergadering het woord voeren (spreekrecht).
                            </al></li><li nr="2."><al>Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit binnen
                                een redelijke termijn voor de aanvang van de vergadering aan de
                                griffier onder vermelding van zijn naam, adres en telefoonnummer en
                                het onderwerp waarover het woord gevoerd wenst te worden.</al></li><li nr="3."><al>Het woord kan niet worden gevoerd over onderwerpen die op de agenda
                                staan tenzij deze nog niet eerder in de commissie aan de orde zijn
                                geweest. In dat geval krijgen zij de gelegenheid om voorafgaand aan
                                de behandeling van dat onderwerp het wordt te voeren.</al></li><li nr="4."><al>Personen die het woord willen voeren over onderwerpen die niet op de
                                agenda staan, krijgen bij de behandeling van het agendapunt
                                “spreekrecht” de gelegenheid om het woord te voeren.</al></li><li nr="5."><al>Regels voor de spreekrecht burgers:</al><lijst><li nr="a."><al>De totaal beschikbare spreektijd voor het spreekrecht
                                        bedraagt maximaal dertig minuten. </al></li><li nr="b."><al>Zij die zich als spreker hebben aangemeld, krijgen van de
                                        voorzitter gedurende maximaal 5 minuten het woord. </al></li><li nr="c."><al>Indien zich meer dan 6 sprekers hebben aangemeld, wordt de
                                        totaal beschikbare spreektijd naar evenredigheid verdeeld.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
                                verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de vergadering
                                toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen.
                                Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers
                                van de vergadering.</al></li><li nr="7."><al>De voorzitter of een raadslid doet een voorstel voor de behandeling
                                van de inbreng van de burger.</al></li><li nr="8."><al>De voorzitter kan iemand het spreekrecht weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij vreest, dat gezien het onderwerp, de belangen van derden
                                        zonder enig redelijk doel ernstig zullen worden
                                        geschaad;</al></li><li nr="b."><al>degene die zich aanmeldt, bij gebruikmaking van het
                                        spreekrecht binnen een onmiddellijk voorafgaande periode van
                                        één jaar de orde van de vergadering op ernstige wijze heeft
                                        verstoord, en de vrees bestaat dat hij zich opnieuw hieraan
                                        schuldig zal maken.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al>Het woord kan niet worden gevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>Over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar
                                        of beroep op de rechter openstaat of heeft opengestaan;</al></li><li nr="b."><al>Over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                                        persoenen;</al></li><li nr="c."><al>Indien een klacht op grond van artikel 9:1 van de Algemene
                                        Wet Bestuursrecht kan of kon worden ingediend.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 15. Voorstellen van orde</al><al>Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van
                        orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond
                        over.</al><al/><al>Paragraaf 3. Stemmingen</al><al/><al>Artikel 16. Stemverklaring</al><al/><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                        overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag toelichten.</al><al/><al>Artikel 17. Beslissing</al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een
                                onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders
                                beslist.</al></li><li nr="2."><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt,
                                formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen
                                beslissing.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 18. Stemming; procedure hoofdelijke stemming</al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit
                                niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder
                                stemming is aangenomen.</al></li><li nr="2."><al>Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen kunnen de in de
                                raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in de
                                besluitenlijst vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet
                                aan de stemming te hebben deelgenomen.</al></li><li nr="3."><al>Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de
                                voorzitter daarvan mededeling aan de raad.</al></li><li nr="4."><al>Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op
                                hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij
                                loting aangewezen raadslid. Vervolgens geschiedt de oproeping op
                                alfabetische volgorde.</al></li><li nr="5."><al>Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezig
                                raadsleden, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet
                                niet aan de stemming deel behoren te nemen, hun stem uit door 'voor'
                                of 'tegen' uit te spreken, zonder enige toevoeging.</al></li><li nr="6."><al>Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan
                                deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid heeft
                                gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan
                                deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft
                                gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen
                                verandering in de uitslag van de stemming.</al></li><li nr="7."><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee. Deze
                                doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 19. Volgorde stemming over amendementen en moties</al><lijst><li nr="1."><al>Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt
                                eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het voorstel
                                zoals het dan luidt in zijn geheel.</al></li><li nr="2."><al>Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het
                                subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat
                                betrekking heeft.</al></li><li nr="3."><al>Als meerdere amendementen of subamendementen op een aanhangig
                                voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede
                                lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement
                                gestemd.</al></li><li nr="4."><al>Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt
                                eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 20. Stemming over personen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij stemming over personen voor voordrachten of het opstellen van
                                voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter twee raadsleden
                                tot stembureau.</al></li><li nr="2."><al>Aanwezige raadsleden zijn verplicht een door het stembureau
                                verstrekt stembriefje in te leveren, tenzij zij overeenkomstig
                                artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te
                                nemen.</al></li><li nr="3."><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen,
                                voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het
                                stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op
                                één briefje.</al></li><li nr="4."><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de
                                raad op voorstel van het stembureau.</al><al/></li></lijst><al>Paragraaf 4. Verslaglegging; ingekomen stukken</al><al/><al>Artikel 21. Verslag en besluitenlijst</al><lijst><li nr="1."><al>De griffier draagt zorg voor videoverslagen en besluitenlijsten van
                                raadsvergaderingen.</al></li><li nr="2."><al>Een besluitenlijst bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de
                                        raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de
                                        overige personen die het woord gevoerd hebben;</al></li><li nr="b."><al>een aantekening van welke raadsleden afwezig waren;</al></li><li nr="c."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn
                                        geweest;</al></li><li nr="d."><al>een overzicht van het verloop van elke stemming, met
                                        vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de
                                        raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van
                                        de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de
                                        Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het
                                        uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al></li><li nr="e."><al>de tekst van de ter vergadering ingediende
                                        initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,
                                        amendementen en subamendementen;</al></li><li nr="f."><al>bij het desbetreffende agendapunt, de naam en de
                                        hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het
                                        bepaalde in artikel 13 door de raad is toegestaan deel te
                                        nemen aan de beraadslagingen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een conceptbesluitenlijst wordt aan de raadsleden verzonden.</al></li><li nr="4."><al>Vastgestelde besluitenlijst worden ondertekend door de voorzitter en
                                griffier.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen
                                niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de
                                raadsvergadering openbaar gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke
                                wijze.</al></li><li nr="6."><al>Als videoverslagen en besluitenlijsten elektronisch beschikbaar
                                zijn, worden ze op de website van de gemeente geplaatst.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 22. Ingekomen stukken</al><lijst><li nr="1."><al>Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst die aan
                                de raadsleden wordt toegezonden en ter inzage wordt gelegd.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze van afdoening
                                van de ingekomen stukken vast.</al><al/></li></lijst><al>Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen</al><al/><al>Artikel 23. Toepassing reglement op besloten vergaderingen</al><al>Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige
                        toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de
                        vergadering.</al><al/><al>Artikel 24. Beknopt verslag besloten vergadering</al><lijst><li nr="1."><al>Concept beknopte verslagen en -besluitenlijsten van besloten
                                raadsvergaderingen worden niet verspreid, maar uitsluitend voor de
                                raadsleden ter inzage gelegd bij de griffier.</al></li><li nr="2."><al>Deze verslagen en besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een
                                besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze
                                vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar
                                maken van het vastgestelde beknopte verslag en de besluitenlijst.
                            </al></li><li nr="3."><al>De vastgestelde beknopte verslagen en besluitenlijsten worden door
                                de voorzitter en de griffier ondertekend.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 25. Opheffing geheimhouding</al><al>Als de raad op grond van de artikelen 25, derde en vierde lid, 55, tweede en
                        derde lid, of 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de
                        geheimhouding op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft
                        opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het
                        desbetreffende orgaan overleg gevoerd.</al><al/><al>Paragraaf 6. Toehoorders en pers</al><al/><al>Artikel 26. Toehoorders en pers</al><lijst><li nr="1."><al>Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare
                                raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde
                                plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere
                                wijze verstoren van de orde is hen verboden.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 27. Geluid- en beeldregistraties</al><al>Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties
                        willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich
                        naar diens aanwijzingen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheden, instrumenten raadsleden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 28. Amendementen en subamendementen</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten
                                van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben
                                in bij de voorzitter. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de voorzitter
                                oordeelt dat mondelinge indiening volstaat. </al></li><li nr="2."><al>Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is
                                mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is
                                afgerond.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 29. Moties</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter.</al></li><li nr="2."><al>De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de
                                beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking
                                heeft.</al></li><li nr="3."><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen
                                zijn behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming daarover door de raad is afgerond.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 30. Initiatiefvoorstel</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de
                                voorzitter .</al></li><li nr="2."><al>Deze voorstellen worden op de agenda van de eerstvolgende
                                raadsvergadering geplaatst, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor
                                reeds verzonden is. In dat geval wordt het voorstel op de agenda van
                                de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 31. Collegevoorstel</al><lijst><li nr="1."><al>Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de
                                voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden
                                ingetrokken zonder toestemming van de raad.</al></li><li nr="2."><al>Als de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug aan het college dient te worden
                                gezonden, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw
                                geagendeerd wordt.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 32. Interpellatie</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie
                                schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval
                                de te stellen vragen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. </al></li><li nr="3."><al>Als het verzoek ten minste 48 uur voor aanvang van een
                                raadsvergadering is ingediend of in naar het oordeel van de
                                voorzitter spoedeisende gevallen, wordt over het verzoek tijdens de
                                eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens
                                de daaropvolgende raadsvergadering.</al></li><li nr="4."><al>De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige
                                raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal,
                                tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 33. Schriftelijke vragen</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de
                                burgemeester in bij de griffier. Daarbij wordt aangegeven of er een
                                voorkeur voor schriftelijke of mondelinge beantwoording
                                bestaat.</al></li><li nr="2."><al>De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                overige raadsleden en het college of de burgemeester.</al></li><li nr="3."><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn ingediend.
                            </al></li><li nr="4."><al>Als de vragen ten minste 48 uur voor aanvang van een
                                raadsvergadering zijn ingediend, vindt mondelinge beantwoording
                                plaats in de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij het college of
                                de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit
                                onmogelijk is, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn
                                beantwoording zal plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden
                                door tussenkomst van de griffier aan de raadsleden toegezonden.</al></li><li nr="6."><al>De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                                dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen over het door
                                de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 34. Inlichtingen</al><lijst><li nr="1."><al>Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de
                                artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet
                                schriftelijk in bij de griffier .</al></li><li nr="2."><al>De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter
                                kennis van de overige raadsleden en het college of de
                                burgemeester.</al></li><li nr="3."><al>De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad
                                verschaft, in ieder geval binnen tien dagen nadat het verzoek is
                                ingediend.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 35. Vragenhalfuur</al><lijst><li nr="1."><al>Aan het begin van elke raadsvergadering is er een vragenhalfuur,
                                tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. De
                                voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt.</al></li><li nr="2."><al>Raadsleden die tijdens het vragenhalfuur vragen wil stellen, melden
                                dit onder aanduiding van het onderwerp en ten minste 24 uur voor
                                aanvang van de raadsvergadering bij de voorzitter. </al></li><li nr="3."><al>De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen
                                tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                                vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de
                                overige raadsleden.</al></li><li nr="5."><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één
                                of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een
                                toelichting daarop te geven.</al></li><li nr="6."><al>Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                                vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
                                stellen.</al></li><li nr="7."><al>Vervolgens kan de voorzitter aan andere raadsleden het woord
                                verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of
                                de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.</al></li><li nr="8."><al>Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en
                                worden geen interrupties toegelaten.</al><al/></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 36. Uitleg reglement</al><al>In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de
                        toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                        voorzitter.</al><al/><al>Artikel 37. Intrekken oude reglement </al><al>Het ‘Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de
                        raad van de gemeente Binnenmaas 2015’ wordt ingetrokken.</al><al/><al>Artikel 38. Inwerkingtreding en citeertitel</al><lijst><li nr="1."><al>Dit reglement treedt in werking op 1 oktober 2016.</al></li><li nr="2."><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor
                                vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2016.</al><al/></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Binnenmaas in zijn
                        openbare vergadering van 29 september 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De plv. griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. ing M.A.P. Muijzer mr.drs. A.J. Borgdorf mpm</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting</al><al/><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</al><al/><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                        Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In
                        artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het
                        raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                        burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in
                        jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad
                        altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De
                        burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in
                        de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij
                        onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.</al><al/><al>Artikel 2. Het presidium</al><al>Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen
                        aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Diverse
                        gemeenten hebben dit takenpakket uitgebreid met meer inhoudelijke taken. De
                        VNG is van mening dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke
                        aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen omdat
                        anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan
                        wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet, die het primaat
                        immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de
                        Grondwet). </al><al>Het presidium als zodanig kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De
                        werkgeverscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de Gemeentewet,
                        bestaat immers enkel uit raadsleden (en dus niet, zoals het presidium, ook
                        de voorzitter van de raad). Het presidium heeft voornamelijk een procedurele
                        rol zoals hierboven aangegeven. In de handreiking ‘De (rechts)positie van de
                        griffie(r) in het decentrale bestuur’ is een modelbesluit voor het instellen
                        van een werkgeverscommissie opgenomen. </al><al> Het is wel mogelijk om de raadsleden van het presidium te benoemen in de
                        werkgeverscommissie en de vergaderingen van deze commissie te laten
                        aansluiten op de vergaderingen van het presidium, zodat er, indien nodig,
                        snel overlegd kan worden. </al><al>Men zou er voor kunnen kiezen de regie van enkele interne/organisatorische
                        kwesties bij het presidium neer te leggen. In artikel 2 is als aanvullende
                        taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad inzake de
                        organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies. Hieronder
                        vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement van
                        orde, het instrueren van de griffier en het bespreken van agenda-technische
                        zaken.</al><al>Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even
                        zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een
                        dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle
                        fracties bij de raadsvergaderingen vergroten.</al><al>De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig (artikel 4,
                        eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij
                        moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan
                        worden. De aanwezigheid van de secretaris kan ook gewenst zijn, omdat de
                        secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op
                        onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie.
                        Overeenkomstig het derde lid kan de secretaris worden uitgenodigd. Als dit
                        een ‘staande’ uitnodiging wordt, dan kan overwogen worden zijn aanwezigheid
                        expliciet het reglement van orde te regelen.</al><al>Tevens gaat het presidium over de agendering van zaken in de raad. Het
                        presidium heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee
                        bezig houdt en zorgt voor de planning. In veel gemeenten wordt gewerkt met
                        jaaroverzichten waarbij specifieke vergadering lang van te voren bekend
                        zijn. Denk hierbij aan de begroting en jaarrekening. In het geval een
                        gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling zal in deze regeling
                        zijn opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van
                        de gemeente in de gemeenschappelijke regeling (artikelen 16 en 18 van de Wet
                        gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat het presidium de
                        vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad
                        voorafgaand aan een vergadering van het bestuur van de gemeenschappelijke
                        regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil
                        meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is
                        relevant voor het presidium zodat de raad tijdig noodzakelijke informatie
                        kan leveren. </al><al>Naast gemeenschappelijke regelingen kan een gemeenten ook vertegenwoordigd
                        zijn in ander organisaties (stichtingen, vennootschappen). Ook deze
                        vergadercycli kunnen voor het presidium aanleiding zijn om deze te agenderen
                        voor een raads- of commissievergadering. Zodat er informatie uitgewisseld
                        kan worden tussen de vertegenwoordiger van de gemeente en de raad.</al><al>Het is aan het presidium om de planning in te vullen maar ook om deze te
                        bewaken. </al><al>Het presidium stelt de agenda's van de raad voorlopig vast. De definitieve
                        vaststelling van de agenda van een raadscommissie en van de raad geschiedt
                        bij de aanvang van de betreffende vergadering.</al><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij
                        daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt
                        of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad
                        schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot
                        uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander
                        aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt met het presidium. Op deze wijze
                        houdt het presidium ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke
                        tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de
                        vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk
                        belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap
                        combineert met een andere (on)betaalde functie.</al><al/><al>Artikel 3. De griffier</al><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 van de
                        Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de
                        bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad
                        aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier
                        regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een
                        bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de Gemeentewet
                        (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met
                        betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.</al><al/><al>Artikel 4. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden</al><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                        benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit
                        benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                        benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2
                        van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt
                        worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet
                        aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de
                        volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen
                        die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn
                        woonplaats, geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken
                        waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid,
                        van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de
                        geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek
                        zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de Gemeentewet) betrokken
                        worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet
                        toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoekt
                        brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.</al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de
                        voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek
                        verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft
                        benoemd. </al><al>Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de
                        verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak
                        voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de
                        gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich
                        niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de
                        lijstverbindingen.</al><al> Dit lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de
                        raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor
                        het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over
                        het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het
                        vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op
                        basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op
                        basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de
                        verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang om
                        dat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de
                        stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide
                        eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus.
                        Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of
                        herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot
                        een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal
                        (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen
                        valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit
                        blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop
                        het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn.</al><al>Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van
                        zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling
                        van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na
                        een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de
                        raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De
                        voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling
                        kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de
                        raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van
                        de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                        raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                        vastgelegd.</al><al/><al>Artikel 5. Benoeming wethouders</al><al>Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                        vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de
                        wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de
                        Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld
                        worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De
                        formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de
                        vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en
                        41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een
                        commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit
                        artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de
                        raad wordt benoemd, de incomptabiliteiten en nevenfuncties dienen immers
                        opnieuw beoordeeld te worden.</al><al>Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets
                        plaatsvinden. De gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol.
                        Daarnaast kan een verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden gevraagd. De
                        raad kan aangeven dat zij deze procedure wil volgen bij de benoeming van
                        wethouders. De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers.
                        Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal.
                        Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren.</al><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                        geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid,
                        van de Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid
                        heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te
                        nemen en een nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als
                        raadslid is een risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot
                        wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden
                        goedgekeurd.</al><al/><al>Artikel 6. Fracties</al><al>De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In de
                        Gemeentewet in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan
                        van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op
                        fractie-ondersteuning). Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe
                        raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben
                        gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid
                        verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De
                        fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven
                        de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie
                        in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het
                        kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de
                        kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de
                        eerste vergadering de aanduiding mee.</al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad
                        verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de
                        samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie
                        dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn
                        lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als
                        zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande
                        fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van
                        twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het
                        gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen
                        is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.</al><al>Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op
                        persoonlijke titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de
                        voorzitter van het stembureau). Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27
                        van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid
                        van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen
                        overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen
                        andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen
                        met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele
                        volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De
                        volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van
                        fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.</al><al>Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan
                        ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die
                        daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen
                        of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te
                        veranderen. Het presidium is van mening dat de gemeenteraad in zijn
                        reglement van orde duidelijkheid moet creëren t.a.v. de naamgeving van een
                        nieuwe fractie. Het presidium heeft daarbij aangegeven aansluiting te willen
                        treffen bij de handelwijze van de Tweede Kamer bij het ontstaan van nieuwe
                        fracties dat afgesplitste Kamerleden voortaan met ‘lid’, met de betreffende
                        achternaam, of ‘groep’, met de betreffende achternamen worden aangeduid. In
                        afwijking daarvan wordt voorgesteld om voor de gemeenteraad van Binnenmaas
                        de aanduiding ‘fractie’ met daarachter de betreffende achternaam te
                        hanteren. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad
                        is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan
                        mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.</al><al>Dit betekent ook dat:</al><lijst><li nr="·"><al>kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die
                                lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële)
                                afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal
                                afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te
                                realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met
                                de Gemeentewet en de Kieswet;</al></li><li nr="·"><al>personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap
                                niet verliezen;</al></li><li nr="·"><al>als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de
                                verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te
                                weren.</al></li></lijst><al>Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse
                        praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en
                        –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het
                        presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in
                        raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door
                        burgerraadsleden.</al><al>Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft
                        afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene
                        oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).</al><al>De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit
                        artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe
                        fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook
                        gebeuren. Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan
                        hoofdstuk G van de Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze
                        registratie geweigerd wordt. </al><al/><al>Hoofdstuk 2. Raadsvergaderingen</al><al/><al>Paragraaf 1. Voorbereiding</al><al/><al>Artikel 7. Oproep en voorlopige agenda</al><al>In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester
                        de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de voorzitter een vastgesteld
                        aantal dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep stuurt,
                        waarin de vergadering wordt aangekondigd. Uiteraard is het mogelijk, indien
                        de raad dit wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te
                        versturen. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering.
                        Het eerste lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij
                        behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede
                        lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan
                        de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde
                        stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier
                        wordt melding van gemaakt op de stukken. </al><al/><al>Artikel 8. Aanvullende agenda; vaststellen agenda</al><al>De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het
                        versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 7. Dit is echter
                        een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het
                        niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te
                        stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie
                        kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een
                        aanvullende agenda en stukken rondsturen. </al><al>Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de
                        opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via
                        hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda
                        voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de
                        raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te
                        voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid
                        in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de
                        agenda.</al><al>Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld
                        het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de
                        stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet niet van
                        toepassing.</al><al/><al>Artikel 9. Ter inzage leggen van stukken</al><al>Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom
                        worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke
                        oproep ter inzage aangeboden.</al><al>Naast de fysieke terinzagelegging op het stadhuis, zullen de stukken
                        doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een
                        digitaal raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeentesite. </al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur
                        (Wob). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend
                        schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten
                        vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander
                        materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor
                        overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslag,
                        (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de
                        zin van de Wob. </al><al>Onder de stukken als bedoeld in het derde lid van dit artikel worden
                        verstaan: geheime stukken en de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken waarvan
                        in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende
                        nota’s, etc.). </al><al>Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige
                        geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt
                        aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan
                        worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar
                        bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom
                        worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de
                        raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. Op
                        verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen
                        verlenen.</al><al/><al>Artikel 10. Openbare kennisgeving</al><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                        tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                        aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
                        Awb). Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt
                        geplaatst. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan
                        dient er een grondslag te zijn, zie artikel 3:12 juncto 2:14 van de
                        Awb.</al><al/><al>Paragraaf 2. Ter vergadering</al><al/><al>Artikel 11. Presentielijst</al><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit
                        artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd.
                        De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te
                        stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het
                        stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de
                        Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft.
                        Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen
                        met de voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te
                        waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.</al><al/><al>Artikel 11. Aantal spreektermijnen</al><al>Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                        nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt
                        dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                        veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de
                        inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.</al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden.
                        Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een
                        korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.</al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke
                        termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan
                        de orde zijnde onderwerp (artikel 29).</al><al/><al>Artikel 13. Deelname aan de beraadslaging door anderen</al><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de
                        Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat
                        de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd
                        aan de beraadslaging mag deelnemen.</al><al>De raad kan op grond van artikel 4 bepalen dat de griffier, deelneemt aan de
                        beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het
                        woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van
                        artikel 21, eerste en tweede, lid van de Gemeentewet.</al><al/><al>Artikel 14. Spreekrecht burgers</al><al>Het geven van spreekrecht aan burgers is een manier om burgers meer te
                        betrekken bij de besluitvorming van de raad. Doordat de raadsvergadering het
                        sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor is begonnen
                        (ambtelijke organisatie, college, commissies) is er voor gekozen het
                        spreekrecht op te nemen in de commissieverordening. Op dit moment zijn de
                        fracties nog bezig hun mening te vormen. Een inspreekmogelijkheid tijdens de
                        raadsvergadering is doorgaans minder effectief (‘schijnspreekrecht’).</al><al>Daardoor kan het spreekrecht in de raadsvergadering ook alleen over
                        onderwerpen die niet al eerder in de commissievergadering aan de orde zijn
                        geweest. In veel gemeenten is er een mogelijkheid voor een burgerinitiatief.
                        Burgers hebben daarmee het instrument van een initiatief om onderwerpen op
                        de agenda te plaatsen. Onderwerpen die burgers belangrijk vinden kunnen op
                        deze manier geagendeerd worden. </al><al>De burgers die wensen in te spreken moeten zich binnen een ‘redelijke
                        termijn’ voor de vergadering melden bij de griffier. </al><al>In het vierde lid is ervoor gekozen om een burger slechts één maal het woord
                        te geven en geen discussie te laten plaatsvinden. Afhankelijk van de lokale
                        situatie kan als richtlijn 5 minuten spreektijd per burger worden
                        aangehouden. Op voorstel van de voorzitter, die in eerste instantie voor een
                        ordentelijk verloop van de vergadering moet zorgen en dus moet kunnen
                        aanvoelen of een verkorting of verlenging van de spreektijd gewenst is, kan
                        van deze richtlijn worden afgeweken.</al><al>In het zevende en achtste lid worden nog nadere bepalingen geven waarover
                        niet ingesproken kan worden of wanneer een inspreker wordt geweigerd.</al><al>Op basis van artikel 13, derde lid, wordt het verslag toegezonden aan de
                        burgers die hebben ingesproken.</al><al>Artikel 15. Voorstellen van orde</al><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is
                        van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                        beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                        niet aangenomen, (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet
                        van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van
                        de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd
                        voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden
                        (artikel 30). </al><al/><al>Paragraaf 3. Stemmingen</al><al/><al>Artikel 16. Stemverklaring</al><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen
                        van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De
                        stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat
                        de stemming begint.</al><al/><al>Artikel 17. Beslissing</al><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een
                        onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De
                        voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen
                        stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32,
                        derde lid, van de Gemeentewet.</al><al/><al>Artikel 18. Stemming; procedure hoofdelijke stemming</al><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                        stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze
                        bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand
                        stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten
                        overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid, van de
                        Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen,
                        indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele
                        leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van
                        stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen
                        is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen
                        zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te
                        zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban
                        (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. </al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                        toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                        zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van
                        het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen
                        staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de
                        openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld
                        wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan
                        wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk
                        op grond van de Gemeentewet. </al><al>In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming.
                        Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen
                        aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                        vergadering. </al><al/><al>Artikel 19. Volgorde stemming over amendementen en moties</al><al>Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven
                        tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming
                        voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie
                        strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt
                        een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige
                        voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt
                        dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. </al><al/><al>Artikel 20. Stemming over personen</al><al>Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over
                        personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met elektronische
                        stemsystemen te werken maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van
                        een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco
                        stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje
                        (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een
                        schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco
                        stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij
                        de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk
                        is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet
                        worden verstaan, is in de wet niet geregeld.</al><al>Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder is er
                        sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De
                        beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel
                        tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen
                        tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt"
                        (artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Dat is
                        echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan
                        worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang. </al><al> Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het
                        stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen
                        (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit
                        geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan
                        de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter
                        benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere
                        naam dan hun eigen naam invullen.</al><al> De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de
                        raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de
                        kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de
                        volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:</al><lijst><li nr="·"><al>een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het
                                recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer
                                Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de
                                raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de
                                partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is
                                onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;</al></li><li nr="·"><al>een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak
                                over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet
                                gelijk aan een voordracht;</al></li></lijst><al>Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming
                        wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van
                        belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het
                        meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer
                        terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van
                        gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin
                        een eigen afweging te maken. </al><al/><al>Artikel 21. Verslag en besluitenlijst</al><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze
                        waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet
                        verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een
                        besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de
                        Gemeentewet). </al><al> Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep
                        verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. </al><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                        griffier aangewezen om het verslag op te stellen en deze, tezamen met de
                        voorzitter, te ondertekenen. </al><al>De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn moet worden
                        gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de
                        besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen
                        beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook
                        bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de
                        hand dat het verslag en de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website
                        toegankelijk worden gemaakt. Dit wordt weergeven in het zesde lid.</al><al>Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                        geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de
                        sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een
                        besluitenlijst.</al><al/><al>Artikel 22. Ingekomen stukken </al><al>Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan
                        en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming,
                        steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie,
                        doorsturen naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan
                        de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot
                        inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke
                        wijze te worden voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college
                        aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn
                        dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt op voorstel van het presidium de
                        wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. </al><al/><al>Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen</al><al>Artikel 23. Toepassing reglement op besloten vergaderingen </al><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                        toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                        onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                        stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                        verslag.</al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover
                        het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van
                        de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties
                        voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                        betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                        moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86
                        van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor
                        'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten
                        vergadering wordt.</al><al/><al>Artikel 24. Verslag besloten vergadering</al><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                        Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de
                        raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van
                        een besloten vergadering. Dit beknopte verslag ligt ter inzage bij de
                        griffier.</al><al/><al>Artikel 25. Opheffing geheimhouding</al><al>In de in het artikel aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid
                        geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se
                        aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel
                        86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester
                        geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de
                        raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad
                        verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet
                        toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een
                        overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe
                        van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan
                        geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een
                        commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden
                        van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de
                        raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                        eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de
                        helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                        bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan
                        het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met
                        de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag
                        waarom de raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te
                        bekrachtigen.</al><al/><al>Paragraaf 6. Toehoorders en pers</al><al/><al>Artikel 26. Toehoorders en pers</al><al>De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde
                        aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de
                        bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij
                        volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.</al><al/><al>Artikel 27. Geluid- en beeldregistraties</al><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                        radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard
                        niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening
                        gehouden worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden
                        daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing
                        te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden
                        gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd
                        mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij
                        geen probleem met beeldregistraties.</al><al>Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden</al><al/><al>Artikel 28. Amendementen en subamendementen</al><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet.
                        Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels
                        staan dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad
                        verplicht een amendement te behandelen.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het
                        college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen.
                        Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid
                        aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen,
                        het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een
                        voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het
                        (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
                        uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging
                        noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel
                        12).</al><al/><al>Artikel 29. Moties</al><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                        gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan
                        gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke,
                        procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over
                        bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft
                        dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie
                        heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn
                        burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot
                        uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie
                        door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en
                        hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. </al><al> Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt
                        opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de
                        beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze
                        niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de
                        beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft. </al><al> Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp
                        vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen
                        de in artikel 30 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt
                        versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de
                        raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te
                        beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een
                        effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele
                        raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De
                        mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten
                        dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de
                        raad.</al><al>In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de
                        motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een
                        wethouder te hebben verloren. Het een wethouder niet toegestaan om na een
                        aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet
                        opstapt, dient de raad actie te ondernemen.</al><al/><al>Artikel 30. Initiatiefvoorstel</al><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen.
                        Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of
                        beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van
                        initiatief toegekend.</al><al>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het
                        tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke
                        wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt
                        ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan
                        gegeven.</al><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                        vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt.
                        Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken
                        over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten
                        is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen
                        toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij
                        het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening
                        van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en
                        individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan
                        de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.</al><al>De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor
                        verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een
                        initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel
                        moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de
                        voorzitter te zenden (art. 147a, eerste lid). De verdere wijze van
                        behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke
                        wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen
                        die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling
                        worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden,
                        hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. Wel kan de raad
                        voorzien in een zekere inhoudelijke toets. Daarbij kan worden gedacht aan
                        het beantwoorden van de vraag of het voorstel wel de uitoefening van een
                        raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid). </al><al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                        mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel
                        echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de
                        mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel
                        8, derde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen.</al><al>Het is aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel
                        verder wordt behandeld nu het op de agenda staat. </al><al/><al>Artikel 31. Collegevoorstel</al><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is
                        de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het
                        college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft
                        voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide
                        voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere
                        behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een
                        voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven.</al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een
                        ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor
                        een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals
                        voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld
                        verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te
                        onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een
                        verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is,
                        opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering
                        regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.</al><al/><al>Artikel 32. Interpellatie</al><al>Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                        interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                        gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering
                        over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de
                        burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                        controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                        raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor
                        een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het
                        individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan
                        heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone
                        meerderheid. </al><al/><al>Artikel 33. Schriftelijke vragen</al><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te
                        vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de
                        burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van
                        informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid
                        schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar
                        gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder
                        dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de
                        beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de
                        voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft
                        daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is
                        dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om
                        die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan
                        beslissen.</al><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid
                        gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het
                        antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de
                        beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij
                        het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp
                        of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.</al><al/><al>Artikel 34. Inlichtingen</al><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                        inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte
                        van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden
                        bevat de Gemeentewet ook behoorlijk</al><al>aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte
                        van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het
                        college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te
                        bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als
                        bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke
                        informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde
                        inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen
                        verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan
                        individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat
                        een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt
                        tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel
                        kan de raad via het Reglement van orde op grond van
                        doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop
                        het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda
                        en de vergaderorde. De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is
                        wettelijk objectief (‘is’) en algemeen omschreven. De wetgever beoogde
                        daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de
                        algemene regel zou moeten worden gebruikt. In de praktijk bestaan
                        verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en college met
                        elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken
                        en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven.
                        Vervolgens kent de gedualiseerde Gemeentewet thans een algemene actieve
                        inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen
                        beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft
                        voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent
                        nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier
                        liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse
                        laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat
                        raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het
                        college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt
                        dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van
                        meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor
                        met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke
                        inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, verplicht het college de raad
                        vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een
                        gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste
                        lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen
                        kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag
                        dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is
                        gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook
                        deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het
                        antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de
                        plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad
                        op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten.
                        Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere
                        vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de
                        weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de
                        artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden
                        beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van
                        inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.</al><al/><al>Artikel 35. Vragenhalfuur</al><al>Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de
                        Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht</al><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur.
                        Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot
                        het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer
                        vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden
                        en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten
                        goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel
                        om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale
                        politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de
                        mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan
                        de tand te voelen.</al><al>Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van
                        interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                        politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen
                        vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij
                        geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.</al><al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor
                        het door hen gevoerde bestuur. Het vragenhalfuur kan bijvoorbeeld
                        voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de
                        herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenhalfuur op een vast
                        tijdstip te houden.</al><al>In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege
                        het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen
                        geven op de vragen van raadsleden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>