<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR421667_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2016, 004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-09-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/5/4, zaaknr. 31503</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die hierin
                                niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>2.a.</lidnr><al>de wet: de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere
                                en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstand verlening
                                zelfstandigen 2004 (Bbz 2004);</al><lijst><li nr="b."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het
                                        Samenwerkingsverband van de gemeenten Simpelveld, Nuth en
                                        Voerendaal;</al></li><li nr="c."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de Pw, alsmede een
                                        uitkering op grond van de IOAW, de IOAZ en de Bbz.</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                        artikel 5 onderdeel c Pw of, voorzover sprake is van een
                                        IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering als
                                        bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ,
                                        artikel 10 Bbz 2004.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering
                                als bedoeld in deartikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde
                                en zesde lid, van de Pw, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld:</al><al>a. de reden van de verlaging;</al><lijst><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt
                                        verlaagd, en</al></li><li nr="d."><al>als dit van toepassing is, de reden om af te wijken van de
                                        standaardverlaging en de wijze waarop het verzuim kan worden
                                        hersteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin debelanghebbende de gedraging wordt verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                            gelegenheidgesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al>2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><al>a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al>b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
                            naar voren te brengen enzich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan;</al><al>c.het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                            van de ernst van degedraging of de mate van verwijtbaarheid, of</al><al>d.belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><al>1. Het dagelijks bestuur ziet af van een verlaging als:</al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al><al>b. de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door het
                            dagelijks bestuurheeft plaatsgevonden.</al><al>2.Het dagelijks bestuur kan afzien van een verlaging als het daarvoor
                            dringende redenenaanwezig acht.</al><al>3.Als het dagelijks bestuur afziet van een verlaging op grond van
                            dringende redenen, wordteen belanghebbende hiervan schriftelijk op de
                            hoogte gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><al>1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand
                            die is verleend mettoepassing van artikel 12 van de Pw over de
                            kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen
                            van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                            bijstandsnorm.</al><al>2.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de
                            uitkering over deperiode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of
                            over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een
                            verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de
                            uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al><al>3.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd
                            als gevolg van debeëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de
                            verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd,
                            alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel
                            4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE NIET GEÜNIFORMEERDE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING
                            TOT ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Gedragingen Pw</titel></kop><al>Gedragingen bestaande uit het schenden van de in de artikelen 9, 9a, 55
                            of</al><al>57 van de Pw genoemde verplichtingen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><al>a.<vet>De eerste categorie:</vet></al><al>Het zich niet laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al><al>b.<vet>De tweede categorie:</vet></al><al><vet>1°</vet>. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak zoals bedoeld in artikel
                            44a van de Pw;</al><al><vet>2°</vet>. Het onvoldoende nakomen van verplichtingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 9, eerste lid of 55 van de Pw, voor zover het gaat om
                            een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurendevier weken na een
                            melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Pw, voor
                            zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid
                            van de Pw;</al><al><vet>3°</vet>. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Pw niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot hetintrekken van de
                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, zoals
                            bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Pw.</al><al><vet>4°</vet>. Het niet voldoen aan de verplichting tot medewerking
                            zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw, waaronder:</al><lijst><li nr="a."><al>Het niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een
                                    aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met
                                    arbeidsinschakeling of re-integratie;</al></li><li nr="b."><al>Het niet overleggen van de gevraagde documenten zoals bedoeld in
                                    artikel 18b van de Pw;</al></li><li nr="c."><al>Het de eerste keer niet, dan wel niet tijdig voldoen aan een
                                    oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in
                                    verband met het afnemen van de taaltoets zoals bedoeld in
                                    artikel18b, tweede lid, van de Pw;</al></li></lijst><al><vet>5°</vet>. Het niet of onvoldoende voldoen aan een verplichting
                            zoals in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Pw;</al><al><vet>6°</vet>. Het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting
                            zoals bedoeld in artikel 55 en 57 van de Pw;</al><al>c.<vet>derde categorie:</vet></al><al><vet>1°</vet>. Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                            arbeid te verkrijgen voor zover dit niet gezien kan worden als een
                            gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw;</al><al><vet>2° </vet>Het voor de tweede keer niet, dan wel niet tijdig voldoen
                            aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in
                            verband met het afnemen van de taaltoets zoals bedoeld inartikel 18b,
                            tiende lid van de Pw;</al><al>d.<vet>vierde categorie:</vet></al><al>Het voor de derde en daarop volgende keren niet, dan wel niet tijdig
                            voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te
                            verschijnen in verband met het afnemen van de taaltoets zoalsbedoeld in
                            artikel 18b, elfde lid van de Pw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de
                            IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><al>a.<vet>eerste categorie:</vet></al><al>Het zich niet tijdig laten registeren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV);</al><al>b.<vet>tweede categorie:</vet></al><al><vet>1°</vet>. Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al><al><vet>2°</vet>. Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                            dagelijks bestuur aangeboden voorziening zoals bedoeld in de artikelen
                            36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of
                            deartikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van
                            de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                            of tot voortijdige beëindiging daarvan;</al><al><vet>3°</vet>. Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van
                            de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZniet te
                            willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken of het niet verlenen
                            van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als
                            bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de</al><al>IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ;</al><al><vet>4°</vet>. Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting zoals
                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel
                            37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ;</al><al>c.<vet>derde categorie:</vet></al><al><vet>1°</vet>. Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                            arbeid te verkrijgen;</al><al><vet>2°</vet>. Het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                            dagelijks bestuur aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling
                            als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                            e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                            onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen
                            doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.</al><al><vet>d. vierde categorie</vet></al><al><vet>1°</vet>. Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid;</al><al><vet>2°</vet>. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een gedraging van de eerste categorie volgt een waarschuwing
                                mits het een eerste gedraging betreft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel in geval van gedragingen in de zin van artikel 6 en 7
                                van deze verordening bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een tweede
                                        gedraging van de eerste categorie binnen 12 maanden na de
                                        waarschuwing zoals bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen
                                        van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen
                                        van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen
                                        van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN GEUNIFORMEERDE VERPLCITHINGEN MET BETREKKING TOT DE
                            ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting zoals bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                maatregel 100% van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>1 maand, bij een eerste verwijtbare gedraging</al></li><li nr="b."><al>2 maanden in geval van recidive</al></li><li nr="c."><al>3 maanden in geval van een herhaalde recidive</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 9, wordt toegepast over
                            de maand van oplegging van de maatregel. Als bijzondere omstandigheden
                            dit rechtvaardigen kan deze periode worden verlengd met twee maanden.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                            lid, van de Pw wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde verlaging wordt vastgesteld op twintig
                            procent van de vantoepassing zijnde bijstandsnorm voor de duur van het
                            aantal maanden dat geen beroep op een uitkering nodig zou zijn geweest. </al><al>3.De in het tweede lid bedoelde verlaging kan voor maximaal 36 maanden
                            worden opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verlies van een voorliggende voorziening door toepassing van een
                                bestuurlijke boete</titel></kop><al>In afwijking van het in artikel 9 van deze verordening bepaalde wordt,
                            indien een belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                            toereikende voorliggende voorziening omdat deze volledig wordt verrekend
                            met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden
                            van de inlichtingenplicht, een maatregel van 100% gedurende 3 maanden
                            gerekend vanaf de start van de volledige verrekening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Als de belanghebbende zich niet houdt aan de verplichting zich te
                            onthouden van ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van de
                            wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun
                            werkzaamheden wordt de bijstandsnorm gedurende 1 maand verlaagd met
                            100%.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SAMENLOOP EN RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>1.Als sprake is van één gedraging die een schending oplevert van
                            meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Pw
                            genoemde verplichtingen, wordt één maatregelopgelegd. Voor de
                            vaststelling van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van
                            de gedraging waarvoor de hoogste maatregel kan worden opgelegd.</al><al>2. Als sprake is van meerdere gedragingen die een schending opleveren
                            van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                            de Pw genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een
                            afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden zo veel als
                            mogelijk gelijktijdig uitgevoerd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                            gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                            belanghebbende niet verantwoord of mogelijk is.</al><al>3. Mocht de cumulatie van maatregelen zoals bedoeld in het tweede lid
                            van dit artikel leiden tot een maatregel die hoger is dan 100% in een
                            maand, dan wordt het meerdere uitgevoerd in de daaropvolgende
                            maand(en).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive</titel></kop><al>1.Als de belanghebbende zich binnen 12 maanden na het begaan van een
                            gedraging genoemdin de artikelen 6,7,11,12,13 van deze verordening
                            opnieuw schuldig maakt aan eenzelfdeverwijtbare gedraging of een
                            maatregel van dezelfde categorie, wordt de duur van de op te leggen
                            maatregel verdubbeld. </al><al>2.Als de belanghebbende zich binnen 12 maanden na het begaan van een
                            tweede gedragingzoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel opnieuw
                            schuldig maakt aan eenzelfde gedraging of een gedraging van dezelfde
                            categorie, wordt de hoogte van de maatregel en de duur van de maatregel
                            individueel vastgesteld, rekening houdend met de ernst van de gedraging,
                            de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden. </al><al>3.De maatregel zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel is in
                            ieder geval van dezelfde hoogteen duur als de maatregel zoals bedoeld in
                            het eerste lid van dit artikel.</al><al>4.Ingeval van een derde en volgende gedraging zoals bedoel in het eerste
                            lid van dit artikel kanhet dagelijks bestuur in voorkomende gevallen
                            gebruik maken van de mogelijkheid tot individuele afstemming waarbij
                            zowel het percentage als de duur van de maatregel individueel beoordeeld
                            en vastgesteld wordt rekening houdend met de ernst van de gedraging, </al><al>de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>BLIJVENDE OF TIJDELIJKE WEIGERING IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of
                            artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk wordt
                            geweigerd en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, wordt
                            geen maatregel opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering</titel></kop><al>1. De uitkering kan tijdelijk worden geweigerd naar de mate waarin de
                            belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
                            IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:</al><al>a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan wordengemaakt, of</al><al>b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon
                            zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden,
                            dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                            gevergd.</al><al>2. De uitkering kan blijvend worden geweigerd naar de mate waarin de
                            belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de
                            IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon:</al><al>a. nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of</al><al>b. door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekken verordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening 2015 wordt met terugwerkende kracht
                            ingetrokken per 1 september2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                                    september 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: `Afstemmingsverordening
                                    2016`.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten tijdens de openbare vergadering van de gemeenteraad, </ondertekening><ondertekening>gehouden in Voerendaal d.d. 13 oktober 2016.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><tussenkop>Rechten en plichten in de Pw</tussenkop><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Pw spreekt over het afstemmen van de bijstand en
                    de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en
                    middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                    vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                    verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Pw legt een directe
                    koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op
                    een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook
                    van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van
                    de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een
                    rol.</al><al>Wanneer het dagelijks bestuur tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de
                    uitkering. Er is dus <vet>geen sprake </vet>van een bevoegdheid, maar van een
                    verplichting.</al><al>Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het dagelijks
                    bestuur af van een dergelijke verlaging. Het dagelijks bestuur moet niettemin
                    bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke
                    omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het dagelijks
                    bestuur kan dan ook van een verlaging afzien als het dagelijks bestuur daartoe
                    zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><tussenkop>Geüniformeerde verplichtingen</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Pw
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze
                    verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd
                    procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening de duur van de
                    verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Pw).</al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid van de Pw of vanwege dringende redenen afgezien
                    van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de
                    betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Het dagelijks bestuur beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de
                    beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding
                    geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Pw). Bij een
                    dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.</al><al>Artikel 18, derde lid, van de Pw is naar oordeel van het ministerie van Sociale
                    Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een
                    van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Pw).
                    Ten aanzien van geüniformeerde</al><al>arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Pw van toepassing.
                    Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Pw is
                    dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom
                    vraagt.</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen2. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd.</al><al>Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als</al><al>sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende
                    beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete
                    worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast
                    is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Pw op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><al/><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</tussenkop><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid een uitkering op
                    grond van de IOAW of IOAZ te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de
                    aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt
                    (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet
                    vastgelegd worden in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van
                    de IOAZ).</al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een
                    boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen. </al><al/><tussenkop>Niet verlenen van medewerking</tussenkop><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling
                    valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk
                    betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te
                    verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van
                    de</al><al>inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking
                    zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw niet als verlagingswaardige
                    gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al/><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Pw), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij
                    een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging
                    van de bijstand. </al><al/><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><al>De Pw verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid
                    de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een afweging te maken van
                    situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije
                    voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk deze regels onder te
                    brengen in de afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft er echter voor
                    gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen omdat deze verordening
                    een gecombineerde Pw, IOAW en IOAZ afstemmingsverordening is. De regels over de
                    bevoegdheid om de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete zijn neergelegd in de verordening verrekening
                    bestuurlijke boete 2015. </al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Pw
                    geüniformeerde Arbeidsverplichtingen opgenomen.</al><al>Voor het schenden van deze verplichtingen geldt dat de bijstand in beginsel moet
                    worden verlaagd met 100% gedurende 1 tot 3 maanden. Bij een eerste gedraging is
                    dit 100% gedurende 1 maand, bij recidive 2 maanden en bij herhaalde recidive 3
                    maanden. Bij het schenden van de inlichtingenplicht wordt bij een eerste
                    gedraging de bestuurlijke boete verrekend tot de beslag vrije voet (10% van de
                    bijstandsnorm). Bij recidive staat het gemeenten vrij om de hoogte van de
                    verrekening te bepalen tot een maximaal van 100% van de bijstand gedurende 3
                    maanden. Om het schenden van de verplichtingen in het kader van
                    arbeidsinschakeling niet zwaarder te laten bestraffen dan fraude wordt de hoogte
                    van de maatregel voor zowel recidive bij het schenden van de inlichtingenplicht
                    en het zeer ernstig misdragen jegens ambtenaren 100% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm. De duur is vastgelegd in de verschillende verordeningen. </al><al/><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Pw, de IOAW, de IOAZ, Bbz 2004 de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al/><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie
                    van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm,
                    verminderd met eventuele verlagingen of verhogingen inclusief vakantietoeslag.
                    Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt
                    onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel
                    5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Het besluit tot opleggen van een verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Het Dagelijks Bestuur is in beginsel niet verplicht belanghebbende in het kader
                    van het onderzoek te horen alvorens een verlaging kan worden toegepast. Het
                    betreft namelijk een beslissing ten aanzien van een financiële aanspraak en die
                    is op grond van artikel 4:12 van de Awb uitgezonderd van de hoorplicht bij de
                    voorbereiding van een besluit. Het kan echter de zorgvuldigheid van het besluit
                    ten goede komen als belanghebbende wel wordt gehoord. In deze verordening is er
                    voor gekozen om de hoorplicht wel op te nemen in het kader van de
                    zorgvuldigheid.</al><al>In het tweede lid wordt een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht genoemd. </al><al>De onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). De uitzondering bedoeld bij onderdeel c. laat ruimte ter
                    vergroting van de uitvoerbaarheid van het verlagingsbeleid. Wel wordt
                    nadrukkelijk gesteld dat bij het afzien van het horen van de belanghebbende
                    voldoende beargumenteerd moet worden waarom in dit specifieke geval hiervan
                    afgezien wordt.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Afzien van verlaging</tussenkop><tussenkop>Afzien van verlagen</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Pw, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid,
                    van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij
                    evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.<sup/> Het is aan het dagelijks bestuur
                    te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende
                    gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van
                    een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw van een verlaging
                    afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten
                    beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al/><tussenkop>Nadere toelichting als ervoor gekozen wordt geen verlaging op te leggen
                    voor gedragingen die langer dan drie jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer
                    dan drie jaar geleden hebben plaatsgevonden. Hiermee wordt aangesloten bij de
                    vervaltermijn zoals genoemd in artikel 5:45, tweede lid, van de Awb. Op grond
                    van dat artikellid vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke
                    boete drie jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een bestuurlijke
                    boete van € 340 of minder kan worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat
                    overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”)
                    nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen
                    nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat
                    een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de
                    vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><al/><tussenkop>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van
                    verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of
                    sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden
                    opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van
                    een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een
                    uitkering. </al><al/><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief></al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Pw moet het dagelijks
                    bestuur een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het dagelijks bestuur - dringende redenen daartoe
                    noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere
                    omstandigheden kan het dagelijks bestuur besluiten de maatregel op een lager
                    niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. </al><al/><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het dagelijks
                    bestuur afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is
                    van belang in verband met eventuele recidive (artikel 4, derde lid). Het
                    opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Ingangsdatum, tijdvak, berekeningsgrondslag van een</tussenkop><tussenkop>verlaging</tussenkop><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te
                    worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te
                    veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging
                    wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op
                    de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. </al><al>Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de
                    voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al/><tussenkop>Verlagen met terugwerkende kracht (tweede lid)</tussenkop><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast. Het
                    afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van
                    herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte
                    uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is
                    verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Pw,
                    respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden
                    teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd
                    mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en
                    teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke
                    datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging het
                    gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met
                    terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de
                    toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te
                    solliciteren.</al><al/><tussenkop>Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering (derde lid)</tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                    gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook
                    mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op
                    bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. Het dagelijks bestuur moet bij het
                    opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog
                    aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een
                    afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel
                    open.</al><al/><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm van de Pw. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan
                    de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de
                    IOAZ. De verordening biedt geen ruimte om een</al><al>verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Gedragingen Pw</tussenkop><al>De artikelen 6 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 6
                    worden schendingen van verplichtingen uit de Pw geformuleerd. De verwijtbare
                    gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn ondergebracht in categorieën. Aan
                    die categorieën wordt in artikel 8 een gewicht toegekend in de vorm van een
                    verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.
                    Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete
                    gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><tussenkop>Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen</tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het dagelijks bestuur moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Pw wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen van
                    de verplichtingen".</al><al>Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee
                    echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen
                    als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen. Om onduidelijkheid
                    hierover te voorkomen is daarom in artikel 6 neergelegd dat sprake is van een
                    verwijtbare gedraging bij het niet of onvoldoende nakomen van de
                    verplichtingen.</al><al/><tussenkop>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen (onderdeel c)</tussenkop><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet
                    naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit
                    het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                    Pw. In artikel 18, vierde lid, van de Pw staan de geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent
                    gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een
                    maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Pw). In deze
                    verordening is de duur vastgelegd in artikel 9.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel 6,
                    onder c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18,
                    vierde lid, van de Pw zoals:</al><al>-het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                    noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en -
                    het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door
                    kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Gedragingen IOAW en IOAZ</tussenkop><al>De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 7
                    worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De
                    verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 7, zijn ondergebracht in
                    categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 8 een gewicht toegekend in de
                    vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden
                    van betaalde arbeid.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Hoogte en duur van de verlaging</tussenkop><al>Zie voor de verlagingswaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 6 en
                    7. Er is gekozen voor een afstemmingsregime bij gedragingen zoals bedoeld in de
                    artikelen 6 en 7 dat afwijkt van de maatregel bij schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                    de Pw. Dit ondanks dat enkele van de in de artikelen 6 en 7 genoemde gedragingen
                    verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                    arbeidsverplichting</tussenkop><al>De eerste keer dat het dagelijks bestuur het verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de maatregel honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode namelijk 1 maand.</al><al>Bij het wederom verwijtbaar schenden van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                    (recidive), bedraagt de maatregel honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                    een bij deze verordening vastgestelde periode namelijk 2 maanden.</al><al>Bij tweede keer recidive (een derde schendig van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen 12 maanden na de tweede schending) bedraagt de
                    maatregel honderd procent voor de periode van 3 maanden (artikel 18 lid 7
                    Pw).</al><al>Bij de derde en volgende keer recidive (een vierde en volgende schending van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichting binnen 12 maanden na de derde schending)
                    bedraagt de maatregel telkens honderd procent voor de periode van 3 maanden
                    (artikel 18 lid 8 Pw)</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Verrekenen verlaging</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens
                    schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te
                    verrekenen. </al><al/><tussenkop>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: </al><lijst><li nr="·"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="·"><al>(dreigende) huisuitzetting; </al></li><li nr="·"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 11 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><al>Aan de wet ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie in
                    zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is,
                    kan men een beroep doen op bijstand. Dat betekent ook dat men volledig gebruik
                    zal moeten maken van de bestaande voorliggende voorzieningen.</al><al>Hiermee wordt o.a. bedoeld WW, maar ook wanneer een jongere (jongeren dan 27)
                    verwijtbaar met zijn studie stopt. </al><al>Op grond van artikel 8 van deze verordening kan een maatregel worden opgelegd
                    wegens een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><al>• het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al><al>• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening;</al><al>• het verwijtbaar stoppen met de studie</al><al>• of wanneer men het meer dan bescheiden vermogen op een onverantwoorde wijze
                    inteert</al><al>• of wanneer iemand een erfenis verwerpt</al><al>• zonder gegronde redenen de werkzaamheden als ZZP er beëindigd</al><al>• zonder gegronde redenen de eigen onderneming opheft </al><al/><tussenkop>Lid 2 en 3</tussenkop><al>Ook het op een onverantwoorde wijze interen op het meerdere dan het vrij te
                    laten eigen vermogen kan er toe leiden dat men (langer) een beroep op
                    bijstandsverlening zal moeten doen. Met onverantwoord interen bedoelen wij het
                    per maand meer uitgeven dan ongeveer 1.5 x de bijstandsnorm die geldt voor de
                    persoon. Dit geldt zeker in situaties waarin de cliënt kon verwachten dat hij,
                    als het vermogen (bijna) op zou zijn, een beroep zou moeten doen op
                    bijstandsverlening.</al><al>Voornoemde rekenmethode hanteert het dagelijks bestuur ook om vast te stellen
                    over hoeveel maanden de cliënt geen bijstand nodig zou hebben gehad, als hij
                    verantwoord met het geld om zou zijn gegaan. Voor iedere maand dat men daardoor
                    een beroep doet op bijstandsverlening geldt een verlaging van 20%, met een
                    maximum van 36 maanden.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Verlies van een voorliggende voorziening door toepassing van
                    een bestuurlijke boete</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2013 kan het voorkomen dat personen, die gebruik maken van een
                    voorliggende uitkering, op die uitkering gesanctioneerd worden in verband met
                    het niet nakomen van de inlichtingenverplichting op basis van de Wet
                    aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW wetgeving. Deze personen houden
                    weliswaar recht op die voorliggende uitkering, maar het recht komt niet tot
                    uitbetaling vanwege de sanctie of volledige verrekening van de bestuurlijke
                    boete. In deze situatie zullen deze mensen een beroep moeten en willen doen op
                    de Pw om in het bestaan te kunnen voorzien. Echter, ook de gemeente is gehouden
                    deze personen een maatregel op te leggen. Wel mag ISD Kompas de hoogte van die
                    maatregel vaststellen, alsmede de randvoorwaarden. ISD Kompas kiest er voor om,
                    in lijn met de verordening verrekening bestuurlijke boete, een maatregel op te
                    leggen van 100% voor die persoon geldende bijstandsuitkering voor de duur van 3
                    maanden.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Pw</tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden verstaan:
                    elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het
                    ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of
                    het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van
                    schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van
                    pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien.
                    Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende
                    persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte
                    lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens
                    evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige
                    misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer</al><al>ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen
                    tegenover de met de uitvoering van de Pw belaste personen en instanties
                    (dagelijks bestuur, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van
                    hun werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                    wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van de
                    uitvoering van de Pw. Dat is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen
                    komen: dan is alleen het strafrecht van toepassing. Met ingang van 1 januari
                    2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een
                    Zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Pw.
                    Deze verplichting staat dus op zichzelf. </al><al>Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een
                    belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake
                    zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen
                    van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of
                    IOAZ.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Samenloop van gedragingen</tussenkop><tussenkop>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                    geschonden.</tussenkop><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Pw of in beide regelingen. In dat geval wordt één
                    verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging
                    wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al><al/><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen</cursief><cursief>worden geschonden.</cursief> Het
                    tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Pw of in beide regelingen. Dit wordt
                    'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een
                    afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe
                    gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen
                    factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden van een belanghebbende een rol. Daarvoor moet altijd gekeken
                    worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere
                    maanden uitgesmeerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Recidive en herhaalde recidive</tussenkop><tussenkop>Verdubbeling duur verlaging</tussenkop><al>Als binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van
                    een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt
                    de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd
                    procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden,
                    gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de
                    hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld
                    die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen –
                    op grond 18, tiende lid, van de Pw – is afgezien van het opleggen van een
                    verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid,
                    van de Pw is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de
                    afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is
                    het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen.
                    Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt de datum
                    waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.</al><al/><tussenkop>Verdubbeling hoogte verlaging</tussenkop><al>Als binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van
                    een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt
                    de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking</al><al>gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Dit wordt
                    individueel vastgesteld.</al><al>Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet
                    geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel
                    15, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot
                    uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor
                    toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van
                    dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                    vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast.</al><al/><tussenkop>Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting</tussenkop><al>Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting binnen 12 maanden nadat aan een belanghebbende een eerste
                    maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende 2
                    maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Pw gegeven
                    marges.</al><al>Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting, telkens binnen 12 maanden na oplegging van de vorige
                    maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel
                    18, zevende en achtste lid, van de Pw).</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</tussenkop><al>Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van
                    de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een
                    belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit
                    nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De
                    vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het
                    dagelijks bestuur zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van
                    de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het dagelijks
                    bestuur concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                    verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 13 van deze verordening is
                    derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of
                    IOAZ-uitkering</tussenkop><al>Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft
                    het dagelijks bestuur de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te
                    weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op
                    grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven,
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten
                            grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                            Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                            belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren
                            waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou
                            kunnen worden gevergd.</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;
                            of</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                            verkrijgt.</al></li></lijst><al>Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het dagelijks
                    bestuur de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af
                    voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die
                    valt onder c of d dan kan het dagelijks bestuur de uitkering blijvend weigeren.
                    Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>