<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR420261_1</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR-UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Binnenmaas</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Binnenmaas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>CAR-UWO</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-09-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijzigingen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>CAR-UWO</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Versie: 01-09-2016</al><al>CAR-UWO</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        verstaan onder:</al><al>a.ambtenaar:</al><al> hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst
                        werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                        recht is aangegaan; </al><al>b.functie:</al><al> het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten conform
                        artikel 3:1; </al><al>c.pensioenwet:</al><al>de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december
                        1995; </al><al>d.pensioen:</al><al> een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP; </al><al>e.arbeidsduur:</al><al> de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode
                        gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al><al>f.arbeidsduur per dag:</al><al> de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is
                        vastgesteld; </al><al>g.formele arbeidsduur per week:</al><al> de arbeidsduur volgens de aanstelling; </al><al>h.feitelijke arbeidsduur per week:</al><al> de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                        vastgesteld; </al><lijst><li nr="i."><al>vervallen;</al></li><li nr="j."><al>arbeidsduur per jaar:</al></li></lijst><al> de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor
                        feestdagen; </al><al>k.dienstverband:</al><al>een aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al><al>l.overwerk:</al><al> werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de bijzondere werktijdenregeling
                        geldt, in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week; </al><al>m.werkdag:</al><al> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten; </al><al>n.werktijd:</al><al> de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de
                        ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al><al>o.uurloon:</al><al>1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledig dienstverband
                        herberekende - salaris van de ambtenaar per maand; </al><al>p.Zvw:</al><al> de Zorgverzekeringswet</al><al>q.CAR:</al><al> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten; </al><al>r.UWO:</al><al> Uitwerkingsovereenkomst; </al><lijst><li nr="s."><al>vervallen;</al></li><li nr="t."><al>vervallen;</al></li><li nr="u."><al>LOGA:</al></li></lijst><al> Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;</al><al>v.WAO:</al><al> de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; </al><al>w.arbeidsongeschiktheid:</al><al> arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al><al>x.WAO-uitkering:</al><al> een uitkering op grond van de WAO; </al><al>y.WIA:</al><al>Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; </al><al>z.IVA:</al><al> Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; </al><al>aa.IVA-uitkering:</al><al> de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van
                        de WIA; </al><al>bb.WGA:</al><al> Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; </al><al>cc.WGA-uitkering:</al><al> de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de
                        WIA; </al><al>dd.WAJONG:</al><al>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten; </al><al>ee.WAZ:</al><al>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;</al><al>ff.Wazo:</al><al>Wet arbeid en zorg; </al><al>gg.SUWI:</al><al> de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; </al><al>hh.uitvoeringsinstelling:</al><al> een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de
                        Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; </al><al>ii.pensioenreglement:</al><al> het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; </al><al>jj.WPA:</al><al> de Wet privatisering ABP; </al><lijst><li nr="kk."><al>vervallen;</al></li><li nr="ll."><al>vervallen;</al></li><li nr="mm."><al>volledig dienstverband:</al></li></lijst><al> een dienstverband waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de
                        formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband
                        bedraagt de arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele
                        arbeidsduur minder dan 36 uur per week </al><al>nn.ZW:</al><al> de Ziektewet; </al><al>oo.ZW-uitkering:</al><al> ziekengeld of uitkering krachtens de ZW; </al><al>pp.UWV:</al><al> het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk
                        5 van de wet SUWI. </al><al>qq.Salaris:</al><al> maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar
                        evenredigheid van diens formele arbeidsduur.</al><al>rr.Salaristoelagen:</al><al> de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de
                        functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige
                        dienst, de buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de
                        inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de
                        afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1
                        januari 2016 tot de bezoldiging gerekend. </al><al>ss.Functieschaal:</al><al> de salarisschaal die bij een functie hoort; </al><al>tt.Periodiek:</al><al> het maandbedrag in een salarisschaal; </al><al>uu.Salarisschaal:</al><al> een reeks maandbedragen als opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; </al><al>vv.Achterblijvende Partner:</al><al> weduwe, weduwnaar, geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                        ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met de overleden
                        ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven
                        door de gemeente beheerd.</al><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al>het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar
                                onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het
                                Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede
                                lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot
                                onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder
                                opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op
                                grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van
                                de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is
                                bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de
                                sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van
                        de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de
                        ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of
                        instemming vereist van de ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                        brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                        aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18
                        niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3,
                        7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3,
                        10d en 17 niet van toepassing. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in
                        het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter
                        draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                        te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 1:2:3 Vervallen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 1:2a Stageplaats</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek
                        een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.</al><al>Lid 2</al><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van
                        de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B,
                        2:4.</al><al>Lid 3</al><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur
                        afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.</al><al>Lid 4</al><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair
                        en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal
                        staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al><al>Lid 5</al><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al><al>Lid 6</al><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                        Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden
                        op basis van een werkervaringsovereenkomst. </al><al>Lid 2</al><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                        uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen
                        2:1A, 2:1B en 2:4.</al><al>Lid 3</al><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een
                        periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig
                        worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker,
                        waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt
                        voor adequate begeleiding.</al><al>Lid 5</al><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al><al>Lid 6</al><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                        Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salarisschaal A in
                        bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet
                        banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt
                        en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college vaststellen dat de
                        ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat
                        hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder
                        dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                        percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage
                        van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan is het salaris van
                        de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. </al><al>Lid 3</al><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel
                        3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de
                        toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de
                        vakantietoelage.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 6a:7,
                        eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage. </al><al>Lid 6</al><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de
                        eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag
                        naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor</al><al>Lid 7</al><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de
                        vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde
                        minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor</al><al>Lid 8</al><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de
                        levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag
                        naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.</al><al>Lid 9</al><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                        loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze
                        loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en
                        vergoedingen.</al><al>Artikel 1:3 Toepassing</al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten
                        aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet
                        regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet
                        die rechtstoestand niet is geregeld.</al><al>Lid 2</al><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de
                        uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen
                        ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een
                        besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed -
                        gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor
                        LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al><al>Artikel 1:3a Toepassing</al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al>Artikel 1:3:1 Toepassing</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling,
                        van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter
                        uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden
                        getroffen.</al><al>Lid 2</al><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige
                        lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het
                                LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van
                                gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a
                                aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem
                        geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of
                        uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de
                        vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op
                        een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in
                        het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis
                        gebracht.</al><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                        dragen.</al><al>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal
                        te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling</al><al>Lid 1</al><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor
                        nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden
                        verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies
                        kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de
                        hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet
                        overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                        functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd
                        overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                        regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het
                        bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing
                        worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of
                        functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in
                        een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken
                        ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor
                        de inrichting van de werkzaamheden. </al><al>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</al><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1 </al><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van
                        dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met
                        ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van
                        de gemeente.</al><al>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de
                        dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is
                        een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn
                        persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
                        kan worden opgedragen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                        ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen;</al></li><li nr="b."><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al>beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde
                                werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten
                                van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig
                                kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden
                                verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en
                        omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs
                        niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn
                        verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door
                        tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo
                        spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een
                        daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden
                        onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over
                        de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen
                        werkzaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                        gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek,
                        te allen tijde wordt gegarandeerd.</al><al>Lid 3</al><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het
                        bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet
                        justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al><al>Lid 4</al><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts
                        voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een
                        tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten
                        krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.</al><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
                        functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het
                        punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen
                        mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen
                        functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch
                        oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld
                        door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. </al><al>Lid 2</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                        gemeente.</al><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al><al>Lid 2</al><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde
                        tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een
                        periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de
                        laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor
                        onbepaalde tijd.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                        hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de
                        laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
                        aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende
                        werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of
                        geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid
                        redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de
                        aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van
                                niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48
                                maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b."><al>meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben
                                opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende
                        aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke
                        dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de
                        AOW-gerechtigde leeftijd.</al><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van
                        aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en
                                met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:</al></li><li nr="I."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="II."><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III."><al>voor een project met een eenmalig en uniek karakter;</al></li><li nr="IV."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische
                                opleiding of vorming;</al></li><li nr="V."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de
                                overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar
                        kosteloos meegedeeld.</al><al>Lid 3</al><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2
                        december 1993 geschiedt kosteloos.</al><al>Artikel 2:4:2 Vacatures</al><al>Lid 1</al><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van
                        de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde
                        bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige
                        toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d
                        genieten ten laste van de gemeente.</al><al>Artikel 2:4:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</al><al>Lid 1</al><al>Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar
                        burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van
                        werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.</al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt
                        en door beide partijen ondertekend.</al><al>Lid 3</al><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de
                        persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</al><al>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de
                        artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</al><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum
                        van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15
                        uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats
                        indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt
                        gewerkt.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang
                                van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt
                                te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden
                                zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk
                                de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke
                                werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien
                                afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te
                                nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder
                                de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht
                                zich schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft
                                gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een
                                omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht
                                alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan
                                genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de
                                oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</al><al>Lid 1</al><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van
                        de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in
                        artikel 2:5:2 .</al><al>Lid 2</al><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de oproepkracht geniet,
                        daaronder begrepen de vakantietoelage, worden uitgedrukt in een bedrag per
                        uur. </al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk
                        7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen
                        dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het
                        tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld
                        kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een
                        voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten
                        gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het
                        gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.</al><al>Artikel 2:5:5 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:6 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:7 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:8 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:9 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:10 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:5:11 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht</al><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel
                        2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                        aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden
                        na het einde van de laatste aanstelling.</al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld
                        als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per
                        week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 2</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld
                        als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                        zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 3</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als
                        ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college
                        verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats.</al><al>Lid 4</al><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een
                        arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft
                        bereikt.</al><al>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd
                        naar maximaal 40 uur per week.</al><al>Lid 2</al><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te
                                bepalen periode;</al></li><li nr="2."><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3."><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4."><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="5."><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid,
                                evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="6."><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a ,
                                eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="7."><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="8."><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college
                        dit vooraf aan de OR.</al><al>Lid 4</al><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het
                        gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40
                        uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.</al><al>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al> Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al><al> Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                        uitkeringen</al><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                        gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al><al>Lid 2</al><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                        functiewaarderingssysteem.</al><al>Lid 3</al><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een
                        functiewaarderingssysteem. </al><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                        uitkeringen</al><al>Lid 1</al><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris,
                        vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit
                        recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn
                        verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de
                        uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is
                        bepaald. </al><al>Paragraaf 2 Salaris</al><al> Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al><al> Artikel 3:4 Salarisverhoging</al><al> Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al><al> Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al><al> Artikel 3:7 Uitloopschaal</al><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn
                        functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het
                        salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de
                        functieschaal.</al><al>Lid 2</al><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet
                        aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en
                        bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal
                        dan de functieschaal worden vastgesteld.</al><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al><al>Lid 1</al><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek
                        toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaar functioneert voldoende;</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet
                                bereikt;</al></li><li nr="c."><al>er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn
                                laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging
                        aanvullende voorwaarden stellen.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging
                        toekennen.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor
                        de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum
                        vaststellen.</al><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al><al>Lid 1</al><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan
                        gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of
                        andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden
                        herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een
                        overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
                        artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager
                        maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
                        hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris
                        en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover
                        geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.</al><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft
                        vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. </al><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015
                        in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger
                        dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels
                        gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de
                        uitloopschaal. </al><al>Paragraaf 3 Salaristoelagen</al><al> Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al><al> Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al><al> Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al><al> Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al><al> Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al><al> Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al><al> Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al><al> Artikel 3:15 Garantietoelage</al><al> Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend
                        heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het
                        maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage
                        toekennen.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de
                        gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. </al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem
                        in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt
                        daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van
                        een ernstig tekort aan personeel.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld,
                        met een maximum van 3 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al><al>Lid 1</al><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te nemen met een
                        hogere functieschaal, wordt hem voor de periode van waarneming een
                        waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming
                        deel uitmaakt van de eigen functie.</al><al>Lid 2</al><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de toelage gelijk
                        aan het verschil tussen het salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris
                        dat hij zou genieten als hij bij de start van de waarneming in de hogere
                        schaal zou zijn ingedeeld. </al><al>Lid 3</al><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                        toegekend.</al><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                        (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een
                        percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: </al><al>§ maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur
                        en 22.00 uur: 20% </al><al>§ maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00 en
                        24.00 uur: 40% </al><al>§ zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al><al>§ zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen 0.00 en
                        24.00 uur: 65%</al><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het
                        uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op
                        één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1
                        genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al><al>Lid 3</al><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan
                        niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden
                        uitbetaald.</al><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die
                        door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel
                        4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage. </al><al>Lid 2</al><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><al>§ 50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten het
                        dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; </al><al>§ 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag; </al><al>§ 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op
                        de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft
                        geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                        beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. </al><al>Lid 2</al><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met
                        vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de
                        feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het
                        uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.</al><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen,
                        indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke
                        arbeid.</al><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager
                        salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.</al><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de
                        toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend
                        wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: </al><al>§ hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden gedurende
                        tenminste drie jaren heeft genoten én</al><al>§ met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is gemoeid
                        van tenminste 3% van zijn salaris.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><al>§ op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e)
                        van toepassing is, of </al><al>§ indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een sociaal
                        plan.</al><al>Lid 3</al><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage
                        bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar
                        25% van het af te bouwen bedrag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig
                        was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande
                        12 maanden.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie
                        aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de
                        afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. </al><al>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</al><al> Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al><al> Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al><al> Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al><al> Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al><al> Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                        prestaties</al><al> Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al><al> Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al><al> Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al><al> Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door
                        de dienst</al><al> Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                        zorgverzekering</al><al> Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering</al><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn
                        als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de
                        Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of
                        interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met
                        bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor
                        de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de
                        uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een
                        toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al><al>Lid 2</al><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,</al></li><li nr="b."><al>het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het
                                volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:</al></li></lijst><al>§ 100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00 en
                        24.00 uur; </al><al>§ 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; </al><al>§ 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een feestdag tussen
                        0.00 en 6.00 uur; </al><al>§ 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen
                        0.00 en 6.00 uur; </al><al>§ 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag
                        tussen 20.00 en 24.00 uur; </al><al>§ 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
                        tussen 6.00 en 20.00 uur.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg
                        mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van
                        de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de
                        ambtenaar wenst.</al><al>Lid 4</al><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan
                        bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het
                        uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede
                        lid onder b.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing
                        is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over
                        de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft
                        geen recht op een overwerkvergoeding.</al><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0 %
                        van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De
                        uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een
                        deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van
                        de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het
                        gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                        geweest.</al><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50
                        jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die
                        hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                        maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage berekend
                        over deze maand en de in deze maand toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50
                        jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van
                        jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen.</al><al>Lid 3</al><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4
                        CAR: </al><al>en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken van
                        de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage,
                        ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste
                        maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de maatgevende maand
                        aangemerkt. </al><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                        prestaties</al><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een
                        geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere
                        prestaties. </al><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor
                        reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van
                        het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse
                        tarief.</al><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
                        toekennen. </al><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt
                        de dag na het overlijden van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of
                        bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een
                        overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst genoten salaris
                        vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen</al><al>Lid 3</al><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan
                        wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen,
                        ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.</al><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door
                        de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is
                        van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende
                        partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat,
                        wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. </al><al>Lid 2</al><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de vakantietoelage en
                        de toegekende salaristoelagen, berekend over de 12 kalendermaanden
                        onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden. </al><al>Lid 3</al><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt
                        als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst,
                        bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor
                        het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het
                        tweede lid genoemde uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan
                        wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen,
                        ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. </al><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                        zorgverzekering</al><al>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en
                        Den Haag)</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4
                        bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren
                        Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten. </al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                        maand december uitbetaald. </al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                        ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. </al><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering</al><al>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten Amsterdam en
                        Den Haag)</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van
                        de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de
                        hoogste periodiek van schaal 6.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt
                        ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij
                        in dienst is geweest.</al><al>Lid 4</al><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december.
                        Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum
                        voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in
                        dienst is geweest. </al><al>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd) </al><al>(gereserveerd) </al><al>Paragraaf 6 Overgangsrecht </al><al>§ Overgangsrecht hoofdstuk 3</al><al>Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3</al><lijst><li nr="1."><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015
                                zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze
                                zijn toegekend.</al></li><li nr="2."><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden die op al het personeel binnen
                                een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn
                                opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of
                                rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1
                                januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze
                                omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                (jaarbedrag) deel 1.</al></li><li nr="3."><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale
                                bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en
                                dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1
                                januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van
                                het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante
                                factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald:</al></li></lijst><al>Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2. </al><lijst><li nr="a."><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen
                                volgens de bij overgang geldende regels voor
                                toelagen/vergoedingen</al></li><li nr="b."><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou ontvangen
                                volgens de nieuwe systematiek.</al><lijst><li nr="4."><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de
                                        toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                        loonontwikkelingen.</al></li><li nr="5."><al>Er zijn geen anticumulatiebepalingen.</al></li><li nr="6."><al>Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat
                                        een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand
                                        december.</al></li><li nr="7."><al>De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
                                        jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
                                        afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5
                                        jaar.</al></li><li nr="8."><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar
                                        eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato
                                        uitgekeerd.</al></li><li nr="9."><al>Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt
                                        de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="10."><al>Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                        effect.</al></li><li nr="11."><al>Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                        betaling in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="12."><al>Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die
                                        op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met
                                        bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief
                                        afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen
                                        vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk
                                        31 december 2020) recht zouden hebben op een
                                        ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                        vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van
                                        de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat
                                        hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van
                                        de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht
                                        vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.</al></li></lijst></li></lijst><al>4 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </al><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van
                        hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al><al>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </al><al> Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al><al>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                        dagvenster.</al><al>Lid 2</al><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00
                        uur.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken
                        over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de
                        ambtenaar, voor het komende jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a."><al>hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het
                                college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;</al></li><li nr="c."><al>de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50
                                uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt
                                afgeweken.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de
                        werktijden aangepast worden. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden
                        in relatie tot de planning van de werkzaamheden. </al><al>Lid 7</al><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd
                        voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast.
                        Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang
                        van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt
                        voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of
                        een uur vakantieverlof. </al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat
                        op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar
                        buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in
                        artikel 3:12. </al><al>Lid 9</al><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege
                        dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 10</al><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in
                        overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het
                        dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle
                        betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van
                        de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                        hoofdstuk. </al><al>Lid 11</al><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
                        verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de
                        afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
                        ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                        ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
                        buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12,
                        derde lid, is van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 12</al><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de
                        werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om
                        verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan
                        afwijken. </al><al>Lid 13</al><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
                        dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft
                        vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. </al><al>Artikel 4:2:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </al><al> Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al> Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><al> Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al><al> Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al><al> Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                        eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al><al>Artikel 4:3:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:3:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:3:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college
                        deze vast in een rooster. </al><al>Lid 4</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht
                        genomen: </al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend
                                gemaakt aan de ambtenaar.</al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op
                                een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken.</al></li></lijst><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het
                        dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts
                        mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk
                        gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke
                        feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig
                        mogelijk wordt beperkt. </al><al>Lid 3</al><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag
                        is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag,
                        de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide
                        Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit
                        artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook
                        voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende
                        feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop
                        de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap
                        behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert,
                        overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft
                        ingediend.</al><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                        arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere
                        regels stellen. </al><al>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al> Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters </al><al>Lid 1 </al><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die
                        bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit
                        artikel een werktijdenregeling vast. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor
                        dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. </al><al>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid </al><al> Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><al>a.opgebouwde verloftegoed:</al><al>het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid;</al><al>b.kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed:</al><al> het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per
                        verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van
                        uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al><al>Lid 2</al><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het
                        college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.
                        De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten
                        periode.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het
                        verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt
                        aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt
                        gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke
                        bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het
                        opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de
                        ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie
                        van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan
                        dit verzoek kan worden voldaan. </al><al>Lid 4</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                        opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn.
                        In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn
                        zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het
                        aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn
                        te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
                        uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 5</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt
                        de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het
                        resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is,
                        wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                        bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 6</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar
                        verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van
                        de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het
                        ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde
                        verloftegoed. </al><al>Lid 7</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het
                        resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. </al><al>Lid 8</al><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met
                        inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde
                        verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 9</al><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk
                        ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken
                        gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. </al><al>Lid 10</al><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald
                        naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. </al><al>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</al><al>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te
                        verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                        vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144
                        uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van
                        minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                        als minimum.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te
                        verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor
                        de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 4</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 5</al><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor
                        elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding
                        overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de
                        aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te
                        vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                        lid.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond
                        van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36
                        uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 4</al><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van
                        de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen
                        vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het
                        salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het
                        verzoek betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                        vakantietoelage of urenvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a,
                        zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als
                        bedoeld in artikel 4a:1, verlagen voor door het college vastgestelde
                        bestedingsmogelijkheden.</al><al>Lid 2</al><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in
                        het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. </al><al>5 Seniorenmaartregelen</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al><al>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5a is vervallen.</al><al>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</al><al>Artikel 6:1 Recht op vakantie</al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt
                        verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan
                        wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al><al>Artikel 6:2 Duur vakantie</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten
                        minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar
                        wettelijk verlof.</al><al>Lid 2</al><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                        verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te
                        mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van
                        50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste
                        lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Artikel 6:2:1 Nadere regels</al><al>Lid 1</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene
                        regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                        arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de
                        ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering
                        van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan
                        wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                        toepassing is.</al><al>Lid 4</al><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels
                        toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene,
                        bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke
                        mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in
                        artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                        ambtenaar rust. </al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere
                        regels vast.</al><al>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3
                        deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat
                        betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in
                        het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid
                        gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met
                        geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in
                        artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed-
                        en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al><al>Lid 3</al><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend,
                        alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden
                        gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die
                        beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                        ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van
                        de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                        redenen van afwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt
                        ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat
                        hij zijn functie vervult.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid
                        , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur
                        van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het
                        derde lid. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                        vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;</al></li><li nr="b."><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                        werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet
                        kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd
                        met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn
                        geweest.</al><al>Lid 5</al><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang
                        van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven.
                        Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet
                        verleend vakantie-uur.</al><al>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</al><al>Lid 1</al><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de
                        vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten
                        vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde
                        van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of
                        het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel
                        6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de
                        vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al><al>Artikel 6:2:5 Intrekking</al><al>Lid 1</al><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van
                        dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de
                        ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot,
                        worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen
                        bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke
                        schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al><al>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</al><al>Lid 1</al><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is
                        verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of
                                nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste
                                oefening,</al></li></lijst><al>wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij
                        het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                        daartegen verzetten. </al><al>Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet
                        genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal
                        uren. </al><al>Lid 2</al><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als
                        niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij,
                        ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest
                        zijn functie te vervullen.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de
                        ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan
                        anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal
                        uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk
                        anders is beslist.</al><al>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit dienstverband</al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn
                        dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden
                        toegekend.</al><al>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</al><al>Lid 1</al><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet
                        is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat
                        kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen
                        redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen,
                        of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk
                        in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in
                        lid 1 genoemde termijn verlengen.</al><al>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</al><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk
                        niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat
                        kalenderjaar.</al><al>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover
                        hij als zodanig salaris en de toegekende salaristoelage(n) heeft ontvangen.
                        Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn functie gaat vervullen
                        dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                        vakantietoelage over die maand.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de ambtenaar
                        in die maand geldende salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n), met
                        dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald
                        dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage,
                        welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar
                        evenredigheid wordt verminderd.</al><al>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</al><al>Lid 1</al><al>De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar
                        uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van
                        het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige
                        zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><lijst><li nr="a."><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van
                                toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk
                                is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren
                                militaire dienst;</al></li><li nr="b."><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan
                                voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of
                                te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet
                                gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst
                                gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd,
                                dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                                vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of
                                tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger
                                is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem
                                van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis
                                van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd
                        gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van
                        schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelagen
                        wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat
                        bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en
                        vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander
                        kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen
                        aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het
                        college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een
                        op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt
                        opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                        aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</al><al>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of
                        geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het
                        huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</al><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof,
                        heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van
                        50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet
                        in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het
                        langdurend zorgverlof plaats.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen
                        wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang
                        van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet
                        wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend
                        zorgverlof. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen
                        en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van
                        de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie
                        beëindigd. </al><al>Lid 6</al><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                        geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling genoemd in het eerste
                        lid.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                        vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met
                        ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer
                        plaats op basis van het volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n). </al><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel:</al><lijst><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);</al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                        Personeel (CCOOP);</al></li><li nr="3."><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij
                                        overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren:</al></li></lijst><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a
                        genoemde centrales van overheidspersoneel. </al><al>Lid 2</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het
                        college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van
                                ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke
                                ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren,
                                voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van
                                een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor
                                iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee
                                afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                verleend;</al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is
                                van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen
                                indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van
                                groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke
                                groepsraad;</al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                                organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten,
                                indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                vergadering deelneemt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het
                        college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof
                        met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend: </al><al>a.om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als
                        bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten
                        vereniging is aangewezen.</al><al>§ om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien
                        binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk
                        binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van
                        deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging
                        te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar; </al><al>§ als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een
                        organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een
                        organisatie met meer dan 400 medewerkers; </al><al>§ als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een
                        organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een
                        organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per
                        vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een
                        arbeidsvoorwaardenadviseur</al><al>b.voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist
                        deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die
                        vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten hoogste
                        43,2 uren per twee kalenderjaren.</al><al>Lid 4</al><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid
                        verminderd. </al><al>Lid 5</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                        ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste
                        244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8
                        uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel,
                                genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een
                                vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is
                                aangesloten.</al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                                eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of
                                sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid
                        verminderd. </al><al>Lid 6</al><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de
                        ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het
                        eerste lid, onder b. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
                        ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is
                        aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid,
                        buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die
                        commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven
                        commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald,
                        geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                        waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al><al>Lid 8</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen,
                        waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid,
                        op een lager aantal uren kan worden gesteld. </al><al>Artikel 6:4:2a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per
                        kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz. </al><al>Lid 2</al><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder
                        dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de
                        helft voor de rekening van de ambtenaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de
                        verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie
                        bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</al><al>Lid 1</al><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                        Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in
                        artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste
                        vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                        artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding
                        gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met
                        het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                        vaststellen.</al><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere
                        redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4.
                        Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</al><al>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van
                        een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen
                        voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee
                        jaren.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies
                        en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof
                        wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof,
                        heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt
                        vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over
                        13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                        percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die
                        wordt gesalarieerd volgens:</al><al>schaal 1: 90%;</al><al>schaal 2: 85%;</al><al>schaal 3: 80%;</al><al>schaal 4: 70%;</al><al>schaal 5: 60%;</al><al>schaal 6 en hoger: 50%.</al><al>Lid 3</al><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald
                        ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan
                        hieromtrent nadere regels stellen. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is
                        artikel 6:9 niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek
                        indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een
                        zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee
                        in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                        opgeschort.</al><al>Artikel 6:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen</al><al>Lid 1</al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                        ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                        overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                        kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                        mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al><al>Artikel 6:5:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                        geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling, die tijdens dit
                        ouderschapsverlof wordt uitbetaald. </al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes
                        maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid,
                        of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te
                        betalen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in
                        artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een
                                andere gemeente;</al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan
                                doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot
                                of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende
                                oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie
                        maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan
                        hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5
                        heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug
                        te betalen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich
                        tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid
                        bepaalde.</al><al>Artikel 6:5:6 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al>Artikel 6:5a Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6:5a:1 Vervallen</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 6:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in
                        mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste
                        lid recht heeft. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling
                        van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. </al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en
                        dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
                        pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van
                        zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering
                        gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht
                        heeft.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof,
                        verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de
                        Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en
                        dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. </al><al>Lid 5</al><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3,
                        niet op.</al><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                        levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het
                        college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van
                        tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                        onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode
                        van onbetaald verlof. </al><al>Lid 3</al><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                        voorwaarden.</al><al>Lid 4</al><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of
                        op een deel daarvan. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste
                        ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt
                        ingediend.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na
                        ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de
                        beslissing van het college.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                        verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al><al>Lid 8</al><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds
                        worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</al><al>Lid 9</al><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een
                        periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie
                        jaren.</al><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof. </al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen,
                        tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd
                        verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                        vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al><al>Lid 4</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies
                        en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof
                        wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van
                        de vijftiende kalenderdag. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende
                        gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof
                        voorafgaand aan pensionering. </al><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. </al><al>6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.gemeentelijke levensloopregeling:</al><al> een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                        1964;</al><al>b.instelling:</al><al> een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld
                        in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al><al>c.levenslooprekening:</al><al> een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening,
                        waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al><al>d.levensloopverzekering:</al><al> een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de
                        inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al><al>e.levenslooptegoed:</al><al> het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                        kapitaal.</al><al>Artikel 6a:2 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 6a:4.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit
                        levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de
                        voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.</al><al>Artikel 6a:5 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                        bronnen.</al><al>Artikel 6a:6 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, heeft recht op een
                        levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar
                        geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledig
                        dienstverband minimaal €400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag
                        naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan
                        ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht
                        hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor
                        zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20
                        jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld
                        in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet
                        worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing
                        is.</al><al>Lid 4</al><al>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>Lid 5</al><al>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van
                        de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het
                        gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                        geweest.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid,
                        tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van
                        het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 6a:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname
                        van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt
                        de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het
                        college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed.
                        Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b
                        van toepassing is. </al><al>Artikel 6a:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</al><al>Paragraaf 1 Definities</al><al> Artikel 7:1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.passende arbeid:</al><al> alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is
                        berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of
                        sociale aard niet van hem kan worden gevergd;</al><al>b.werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:</al><al> loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan
                        wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van
                        aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al><al>c.scholing in het kader van de reïntegratie:</al><al>scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid
                        waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel
                        7:9, derde lid;</al><al>d.arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</al><al> arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate
                        haar oorzaak vindt in:</al><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; </al><al>§ de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden
                        waaronder deze moesten worden verricht of;</al><al>§ in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen
                        werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden
                        moesten worden verricht;</al><al>e.restverdiencapaciteit:</al><al> het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden
                        en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;</al><al>f.arbodienst:</al><al>een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
                        Arbeidsomstandighedenwet;</al><al>g.inactieve:</al><al>de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke
                        uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct
                        voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente;</al><al>h.postactieve:</al><al> de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag,
                        ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand
                        aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of
                        inactieve was;</al><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><al> Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                        onderzoek</al><al> Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al><al> Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al><al> Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al><al> Artikel 7:2:4 Vervallen</al><al> Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al><al> Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al><al> Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</al><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                        deskundige(n).</al><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                        overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een
                        arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college
                        te stellen regels.</al><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                        consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn
                        arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een
                        geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding
                                bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de
                                ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten
                                einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te
                                wijzen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
                        te onderwerpen.</al><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al><al>Lid 1</al><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige
                        lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel
                        van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij
                        de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn
                        werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst
                        gesteld. </al><al>Lid 2</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats
                        indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke
                        toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere
                        werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In
                        dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                        toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een
                        verhindering wegens ziekte.</al><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat,
                        verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor
                        maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn
                        gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de
                        bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk
                        in kennis gesteld.</al><al>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</al><al> Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al><al> Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                        onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al><al> Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                        dienst</al><al> Artikel 7:6 Vervallen</al><al> Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al> Artikel 7:8 Nadere regels</al><al> Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al><al> Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al><al> Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                        artikel 2:7a</al><al>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als
                        rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
                        gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes
                        maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de
                        zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden
                        gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op
                        doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot
                        het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken
                        verstaan.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij: </al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de
                        doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten minste
                        50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden
                        in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader
                        van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht
                        op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende
                        salaristoelagen waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt
                        als maximum het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in
                        het eerste lid. </al><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend
                        naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al><al>Lid 10</al><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als
                        gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en
                        met het vierde lid, op. </al><al>Lid 11</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden
                        van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval
                        de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak.</al><al>Lid 12</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelagenzoals
                        genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de
                        ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie. </al><al>Lid 13</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op
                        beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al><al>Lid 14</al><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale
                        ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van
                        de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald</al><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                        onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft
                        recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een
                        hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien
                        hij niet ziek zou zijn geweest. </al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt,
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering
                        verleend. </al><al>Lid 2</al><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met
                        een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de
                        ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de
                        ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een
                        bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                        ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit
                        percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt
                        bij een arbeidsongeschiktheid van: </al><al>80% of meer: 95% </al><al>65 tot 80% 68,875%</al><al> 55 tot 65% 57% </al><al>45 tot 55% 47,5% </al><al>35 tot 45% 38% </al><al>Lid 3</al><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste
                                lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit
                        artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen
                        in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling
                        ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar
                        vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college
                        noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                        verzorging.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de
                        vaststelling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                        ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. </al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                        artikel 2:7a</al><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan
                        voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald,
                        worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur
                        overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode
                        waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting
                        voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor
                        de formele arbeidsduur.</al><al>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</al><al> Artikel 7:9 Verplichtingen college</al><al> Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                        ziekte</al><al> Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                        reïntegratie</al><al> Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al><al> Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al><al> Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al><al> Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</al><al> Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al><al> Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al><al> Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al><al> Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al> Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen
                        en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar,
                        die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                        arbeid of passende arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen
                        de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is,
                        bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid
                        buiten de openbare dienst van de gemeente.</al><al>Lid 3</al><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt
                        het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als
                        bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                        medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                        bijgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met
                        betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding
                        van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen
                        daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij
                        in acht te nemen procedures.</al><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                        ziekte</al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 7:10:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:10:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:10:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:10:4 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                        reïntegratie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan
                                door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in
                                artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                        vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te
                        verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de
                        gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de
                        arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de
                        vragen:</al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder
                                a;</al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet
                                houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het
                                verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
                                uitgezonderd;</al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                                belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van
                                het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het
                                behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                arbeidsgeschiktheid;</al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden
                                hervat.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch
                        onderzoek. </al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12,
                                sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de
                                verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft veroorzaakt,
                                tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand
                                geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige
                                keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste
                                informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
                                gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat
                                tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen
                                bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar
                                aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld
                        in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen
                                van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen
                                medische onderzoek na te komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft
                                nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te
                                blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van
                                de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van
                                voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige
                                aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt
                                aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of
                                vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door
                                een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;</al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door
                                de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
                                geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft
                                in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang
                                van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of
                                derden;</al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien
                                zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst
                                als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te verstrekken
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) vindt wel
                        plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen
                        verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
                        7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens
                        plichtsverzuim.</al><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld
                        in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen
                                maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die
                                erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen
                                passende arbeid te verrichten;</al></li><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van
                                een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder
                                b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op
                                grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), als
                        genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van
                        zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag,
                        genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven,
                        bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet
                        uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele
                        aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen
                        gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en
                        7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog
                        aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second
                        opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd
                        inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld
                        wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al><al>Lid 1</al><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar
                        opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;</al></li><li nr="b."><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat
                                dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al>bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11,
                        tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze
                        definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de
                        aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is
                        in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het
                        tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                        restverdiencapaciteit benut.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80%
                        arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24
                        maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid
                        50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een
                        andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder
                        andere voorwaarden.</al><al>Lid 6</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van
                        zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de
                        periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7,
                        niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
                        oorzaak.</al><al>Lid 8</al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die
                        nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                        vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen
                        vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder
                        bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden. </al><al>Lid 2</al><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het
                        advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al><al>Lid 3</al><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien
                        de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig verhinderd is geweest zijn
                        functie te vervullen.</al><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit passende arbeid
                        of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie.</al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn
                        functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de
                        arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn
                        reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid
                        voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid
                        in mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar
                        de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een
                        herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook,
                        die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                        lid.</al><al>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</al><al> Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al><al> Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al><al> Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA</al><al> Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al><al> Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al><al> Artikel 7:23:1 Vervallen</al><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag
                        van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond
                        van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde
                        termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de
                        periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                        wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk
                        wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op
                        grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar
                        uitbetaald. </al><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op
                        een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het
                        vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering,
                        wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag
                        waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht
                        heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met
                        volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                        minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGAuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde
                        van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in
                        mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt
                        gedaan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA
                        gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                        de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt
                        voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden
                        verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                        IVA-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het
                        recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit
                        redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                        uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor
                        vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag
                        plaatsvond.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                        IVA-uitkering.</al><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft
                        op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</al><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 6 Ziektekosten</al><al> Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al><al> Artikel 7:24a Zorgverzekering</al><al> Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al><al> Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al><al> Artikel 7:25b Vervallen</al><al> Artikel 7:25:1 Vervallen</al><al> Artikel 7:25:2 Vervallen</al><al> Artikel 7:25:3 Vervallen</al><al> Artikel 7:25:4 Vervallen</al><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de
                        Zorgverzekeringswet</al><al>Artikel 7:24a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25b Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Overige bepalingen</al><al> Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al><al> Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al><al> Artikel 7:28 Overgangsartikel</al><al> Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al><al> Artikel 7:28a Overgangsartikel</al><al> Artikel 7:28b Overgangsartikel</al><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000
                        recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en
                        waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van
                        dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het
                        moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met
                        ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op
                        grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met
                        terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt
                        toegekend.</al><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c,
                        zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1
                        januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                        vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende
                        gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om
                        zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                        wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
                        betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de
                        ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden
                        80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke
                        functie.</al><al>Lid 3</al><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar
                        ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend
                        geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen,
                        herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
                        verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                        niveau is vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan
                        leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare
                        arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid
                        verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd
                        met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al><al>Lid 5</al><al>De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65
                                jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5,
                        7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december
                        2005, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht
                        heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14,
                        7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van
                        toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel
                        7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                        zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 . </al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste
                        dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1
                        januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de
                        loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de
                        ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot
                        en met het vierde lid.</al><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold
                        op 31 december 2005 , van toepassing. </al><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni
                        2008, van toepassing.</al><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals
                        dat gold op 30 november 2008.</al><al>8 Ontslag</al><al>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een
                        ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al><al>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een
                        datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum
                        waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid
                        worden afgeweken.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of
                        indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf
                        kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden
                        aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake
                        de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al><al>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij
                        de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                        instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al><al>Artikel 8:2:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd </al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente,
                        alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid
                        3 wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij
                        wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13
                        weken.</al><al>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn
                        functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel
                        waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens
                        verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel
                        wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag
                        verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al><al>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de
                        betrokken ambtenaren medegedeeld. </al><al>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een
                                WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een
                                IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend. </al><al>Lid 3</al><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er
                        sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                        ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag. </al><al>Lid 6</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie
                        tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 9</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij
                        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                        zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-
                        of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 10</al><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd: </al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;</al></li><li nr="b."><al>het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar
                                binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als
                                bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de
                        ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.</al><al>Lid 5</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 6</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                        functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld,
                        indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                        of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                        zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
                        in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 9</al><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt
                        verlengd</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 10</al><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als
                        bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf
                        24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel
                        mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde,
                        zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al><al>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke
                        grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door
                                het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid
                                te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe
                                het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede
                                lid, van de WIA;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste
                        lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV
                        in.</al><al>Artikel 8:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van
                        ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan
                                gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                geldt;</al></li><li nr="b."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                functie zou uitsluiten;</al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
                                uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan
                                worden gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet
                        eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het ontslag
                        voor het eerst aanwezig was.</al><al>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij
                        het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige
                        artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                        vermeld.</al><al>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is
                        ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige
                        functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve
                        dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al><al>Artikel 8:10 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:10:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                        rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de
                        datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de
                        tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan,
                        is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op
                        de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de
                        eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat
                        opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding
                        geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag
                        worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is
                        vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan,
                        kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend,
                        indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al><al>Lid 5</al><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet
                        plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn
                        overschreden.</al><al>Lid 6</al><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                        tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</al><al>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</al><al>Lid 1</al><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een
                        opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft
                                geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                                urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                korter dan zes maanden heeft geduurd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht
                        ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                        vakorganisaties</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><al>a.wet:</al><al>Wet op de ondernemingsraden; </al><al>b.ondernemingsraad:</al><al> de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet; </al><al>c.ambtenaar:</al><al> de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet. </al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als
                                bedoeld in artikel 9 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                de wet;</al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een ondernemingsraad;</al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de
                        ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                        vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een
                        daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er
                        toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en
                        de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op
                        grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het
                        ontslag toestemt. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                        toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die
                        secretaris. </al><al>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het
                        college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf
                                mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het
                                Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf
                                wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang
                                van de dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding
                                heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                schorsing.</al></li></lijst><al>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c ,
                        kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een derde gedeelte
                        worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere
                        vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag ,
                        plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid. </al><al>Lid 2</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a , kan tot
                        de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het
                        ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens
                        het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt
                        de doorbetaling geheel gestaakt. </al><al>Lid 3</al><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de
                        schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een
                        bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor
                        pensioen.</al><al>Lid 4</al><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de
                        toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing
                        niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook
                        indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt
                        besloten. </al><al>Lid 5</al><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende
                        salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing
                        bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</al><al>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</al><al>Lid 2</al><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met
                        vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving
                        of aanduiding van die datum.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                        ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op
                        verzoek van de ambtenaar vermeld.</al><al>Artikel 8:16:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur</al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt
                        teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit
                        te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk,
                        behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel
                        7:16.</al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben
                        op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al><al>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1
                        juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold
                        op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van
                        toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9 is vervallen.</al><al>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie</al><al>Artikel 9a:1 Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in
                        dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 .</al><al>Artikel 9a:2 Definities</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.bezwarende functie:</al><al> een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket
                        of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                        gezondheidsklachten;</al><al>b.de tweede loopbaan:</al><al> iedere functie binnen de organisatie van de gemeente of buiten de
                        organisatie van de gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op
                        de bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in
                        het loopbaanplan.</al><al>Artikel 9a:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                        functie.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar
                        mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie
                        een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de gemeentelijke
                        dienst.</al><al>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                        bepalingen.</al><al>Lid 2</al><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de
                        afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                        vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding
                        en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar
                        gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te
                        beginnen.</al><al> Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig
                        zijn om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te
                        leiden tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern
                        erkend worden.</al><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het
                        opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.</al><al>Lid 4</al><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld.</al><al>Lid 5</al><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd,
                        geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al><al>Lid 6</al><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het
                        college als met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Lid 7</al><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd
                        verlof en eventuele verdere medewerking van het college die de ambtenaar in
                        staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 8</al><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan
                        opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.</al><al>Lid 9</al><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten
                        en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit
                                plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te
                                volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:6 Terugbetaling</al><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het
                        college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten
                        dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te
                        betalen.</al><al>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan binnen of
                        buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief plaats.</al><al>Lid 2</al><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        aanpassing van de aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.</al><al>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan,
                        niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende
                        functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden,
                        wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag
                        verleend.</al><al>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                        wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college zijn
                                verplichtingen uit het loopbaanplan niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en de
                                ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende
                        functie door te werken.</al><al>Lid 2</al><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                        wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch
                        geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure,
                        bedoeld in artikel 9a:10.</al><al>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie
                        door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren
                        dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is geweest.</al><al>Lid 3</al><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                        overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                        overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld,
                        stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al><al>Lid 5</al><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100%
                        van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.</al><al>Lid 6</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur
                        van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Lid 7</al><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan
                        de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom van:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b,</al></li><li nr="b."><al>de vakantieuitkering,</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering,</al></li><li nr="d."><al>de functioneringstoelage,</al></li><li nr="e."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend,
                                berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande
                                aan het begin van de tweede loopbaan.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke
                        uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel
                        c, werkt die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                        genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c door in de oude
                        bezoldiging</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging van de
                        feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede
                        lid, onderdeel c bij uitruil in het kader van de uitwisseling van
                        arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk 4a niet door in de oude bezoldiging. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede loopbaan
                        begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil
                        tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet
                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                        gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                        waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende
                        bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage de oude bezoldiging
                        overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van
                        de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de
                        bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een
                        percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en
                        eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De
                        afbouwtoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al>het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al>het derde jaar 50%;</al></li><li nr="d."><al>het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 7</al><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee
                        het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de
                        nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de afbouwtoelage de oude
                        bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                        generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de
                        gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil
                        tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de
                        ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld. </al><al>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al> Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst;
                                en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                                college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld, op
                                grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                                2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan wel
                                naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap
                                tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie
                        waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond
                        waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag
                        werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><al> Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al><al> Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al><al> Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al> Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al> Artikel 9b:8 Vervallen</al><al> Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:4</al><al> Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:4</al><al> Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al> Artikel 9b:13 Vervallen</al><al> Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al> Artikel 9b:15 Vervallen</al><al> Artikel 9b:16 Vervallen</al><al> Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al> Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al> Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte</al><al> Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al> Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.bezoldiging:</al><al> de optelsom van</al><lijst><li nr="I."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b,</al></li><li nr="II."><al>de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV."><al>de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="VI."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met
                                uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van
                                artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met
                                uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25,
                                na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals
                                deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien
                                verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot
                                een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                                genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging
                                door in de bezoldiging.</al></li><li nr="b."><al>bezwarende functie:</al></li></lijst><al> een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket
                        of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                        gezondheidsklachten; </al><al>c.dienstjaren voor brandweerpersoneel:</al><al> de jaren in dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren
                        werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit
                        een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag
                        en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin
                        daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men niet
                        tegelijkertijd een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over
                        het aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te
                        maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet; </al><al>d.dienstjaren voor ambulancepersoneel:</al><al>de jaren werkzaam bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam
                        bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de
                        particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder
                        bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf
                        op functioneel leeftijdsontslag; </al><al>e.niet-bezwarende functie:</al><al> een functie die niet valt onder de definitie van onderdeel b; </al><al>f.tweede loopbaan:</al><al> iedere functie binnen de organisatie van de gemeente of buiten de
                        organisatie van de gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op
                        de bezwarende functie; </al><al>g.onbezoldigd volledig verlof:</al><al> verlof voor de formele arbeidsduur per week, zonder behoud van
                        bezoldiging.</al><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand volgend
                        op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging.</al><al> Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de datum
                        bedoeld in de eerste volzin in plaats van het volledig buitengewoon verlof
                        als hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een bonus
                                wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar geldende
                                jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                                bonus;</al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen
                                doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt
                                verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in
                                het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                        werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief
                        voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling
                        van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid bedoelde
                        datum het college door middel van een verzoek bekend naar welke variant zijn
                        voorkeur uitgaat. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a en b moet
                        medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het derde lid, de in het eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later
                        laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is
                        dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                        functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover het
                        dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat de bonus van
                        artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd
                        die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij
                        geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                        optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere
                        keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 gebruik
                        maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van
                        dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan
                        salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode €
                        500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig
                        kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag
                        naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                        december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                        vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                        waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de
                        reeds ontvangen vergoeding.</al><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt
                        geen pensioen opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                        vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en
                        onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk
                        artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                        volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                        bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                        bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de
                        laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:4.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee de
                        keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:18 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de
                        gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter
                        hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe
                        totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe
                        bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met
                        zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt
                        in een functie met een lager totaal inkomen buiten de organisatie van de
                        gemeente, maken het college en de ambtenaar afspraken over een financiële
                        regeling.</al><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                        of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal
                        de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking gesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het tweede lid, het in
                        het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment
                        van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                        wordt berekend tot het moment van uittreden.</al><al>Lid 4</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 5</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van
                        de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><al>leeftijd factor leeftijd factor leeftijd factor </al><al>18 0,277 33 0,432 48 0,673</al><al>19 0,286 34 0,445 49 0,693</al><al>20 0,294 35 0,458 50 0,714</al><al>21 0,303 36 0,472 51 0,735</al><al>22 0,312 37 0,486 52 0,757</al><al>23 0,321 38 0,501 53 0,780</al><al>24 0,331 39 0,516 54 0,804</al><al>25 0,341 40 0,531 55 0,828</al><al>26 0,351 41 0,547 56 0,852</al><al>27 0,362 42 0,564 57 0,878</al><al>28 0,373 43 0,580 58 0,904</al><al>29 0,384 44 0,598 59 0,931</al><al>30 0,395 45 0,616 60 0,959</al><al>31 0,407 46 0,634 61 0,988</al><al>32 0,419 47 0,653 62 1,018</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><al>§ die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de
                        bezwarende functie wordt ontslagen en</al><al>§ op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,</al><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december
                        2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een
                        WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><al> Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al><al> Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                        loopbaan gestart wordt</al><al> Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</al><al> Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al><al> Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voorde ambtenaar
                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                        bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al><al> Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:28</al><al> Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        9b:28</al><al> Artikel 9b:32 Vervallen</al><al> Artikel 9b:33 Vervallen</al><al> Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        artikel 9b:28</al><al> Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al> Artikel 9b:36 Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al> Artikel 9b:37 Vervallen</al><al> Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al> Artikel 9b:39 Vervallen</al><al> Artikel 9b:40 Vervallen</al><al> Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al> Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al> Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren
                        na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al> Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                        1 januari 2006</al><al> Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                        1 januari 2006</al><al> Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder
                        dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</al><al> Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                        loopbaan gestart wordt</al><al>Lid 1</al><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder toepassing van
                        artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de ambtenaar in
                        het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken maken.</al><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                        hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van toepassing, met
                        inachtneming van de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede loopbaan eerst
                        gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie van de gemeente. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure voor
                        erkenning verworven competenties zijn competenties laten erkennen.</al><al>Lid 5</al><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan heeft de
                        ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover redelijk, van een
                        extern loopbaanadvies.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie
                        aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt, in afwijking van
                        artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een garantietoelage ter hoogte
                        van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                        bezoldiging. </al><al>Lid 7</al><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                        afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het kader van
                        de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente een functie
                        aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de voor hem
                        geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van 90% van de voor
                        de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                        vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt
                        voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van een volledige betrekking
                        werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                        bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt ziek gemeld. Op
                        hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde moment later laten
                        ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Artikel 9b:27 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                        van toepassing.</al><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                        bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft, wordt
                        vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij een bepaalde
                        leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling
                        van een bepaald percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                        leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                        januari 2006. De leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig
                        buitengewoon verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment
                        wordt betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al>5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75%</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78%</al></li><li nr="c."><al>15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die periode,
                        waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het vijfde
                        lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:28</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        9b:28</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                        opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                        ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        artikel 9b:28</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel
                        9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:26
                        van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                        vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede
                        de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                        bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:26 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:26.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                        verlof verleend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren
                        na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                        1 januari 2006</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing. </al><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende dienstjaren heeft op het
                        moment van storting, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra
                        Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de
                        leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                        heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het eerste lid gedeeld door
                        20 en vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren dat de ambtenaar heeft op
                        de leeftijd van 53 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de bezwarende
                        functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van 59 jaar of tot een
                        moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                        deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op uitbetaling. De
                        leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op
                        31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar overgemaakt.</al><al>Lid 5</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het vierde lid, het in
                        het eerste lid genoemde of, indien van toepassing, het in het tweede lid
                        genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen, gestort op het moment van uittreden,
                        waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                        leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend
                        tot het moment van uittreden. </al><al>Lid 6</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 7</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 8</al><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als bedoeld
                        in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaren na 59 jaar.</al><al>Lid 9</al><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het
                        een functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60
                        jaar was verbonden. </al><al>Lid 10</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                        20 dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk
                        van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><al>leeftijd factor leeftijd factor leeftijd factor </al><al>18 0,277 33 0,432 48 0,673</al><al>19 0,286 34 0,445 49 0,693</al><al>20 0,294 35 0,458 50 0,714</al><al>21 0,303 36 0,472 51 0,735</al><al>22 0,312 37 0,486 52 0,757</al><al>23 0,321 38 0,501 53 0,780</al><al>24 0,331 39 0,516 54 0,804</al><al>25 0,341 40 0,531 55 0,828</al><al>26 0,351 41 0,547 56 0,852</al><al>27 0,362 42 0,564 57 0,878</al><al>28 0,373 43 0,580 58 0,904</al><al>29 0,384 44 0,598 59 0,931</al><al>30 0,395 45 0,616 60 0,959</al><al>31 0,407 46 0,634 61 0,988</al><al>32 0,419 47 0,653 62 1,018</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><al>§ die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de
                        bezwarende functie wordt ontslagen en</al><al>§ op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,</al><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 4 Vervallen</al><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 zijn vervallen.</al><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al><al> Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006, in een niet bezwarende functie</al><al> Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende
                        functie</al><al> Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al><al> Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                        9b:52</al><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                        functie.</al><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006, in een niet bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren
                        of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet bezwarende functie
                        bekleed heeft, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                        levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over
                        het jaar dat de functie werd bekleed.</al><al>Lid 2</al><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die direct
                        voorafgaan aan 1 januari 2006.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen als
                        bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 9b:52 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9b:52a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9b:53 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><al> Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al><al> Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al><al> Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof</al><al> Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al><al> Artikel 9b:58 Vervallen</al><al> Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:56</al><al> Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al> Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al> Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar</al><al> Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 – als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO-uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel 9b:22,
                        artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen
                        doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 6</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op volledig buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 7</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zesde
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met vijfde lid.</al><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:56</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:56 </al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56, inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:56 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:56.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig buitengewoon
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar</al><al>Lid 1 </al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing.</al><al>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december
                        2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><al> Artikel 9b:65 Werkingssfeer</al><al> Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al><al> Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al><al> Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al><al> Artikel 9b:69 Vervallen</al><al> Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:67</al><al> Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:67</al><al> Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al> Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al> Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</al><al> Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor
                        een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                        ontvangen.</al><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel 9b:45a
                        en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen doorbetaling van 70% van
                        zijn bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20 dienstjaren zijn
                        bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof als bedoeld in het
                        eerste lid verleend naar rato van het aantal dienstjaren, dat op dat moment
                        is bereikt.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid naar rato van aantal
                        dienstjaren op dat moment met een maximum van 20 dienstjaren.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zevende
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met zesde lid.</al><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:67</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:67</al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:67 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:67.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof, bedoeld
                        in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50 jaar valt
                        en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
                        raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot en met
                        9b:73 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing. </al><al>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een
                        betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al><al>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of
                        die geboren is voor 1950, maar...</al><al>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                        gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                        geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                        geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006
                        werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald.</al><al>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31 december
                        2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag
                        zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof verleend met behoud van de
                        volledige bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar FLO-ontslag
                        zou zijn verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk totdat
                        het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al><al>Artikel 9d:3 Slotbepaling</al><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                        buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging,
                        worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b
                        gebracht.</al><al>Artikel 9d:4 Slotbepaling</al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op
                        de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al><al>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</al><al>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van
                        hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al><al>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><al>a.gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht:</al><al>een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                        1964;</al><al>b.instelling:</al><al>een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld
                        in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al><al>c.levenslooprekening:</al><al>een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening,
                        waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al><al>d.levensloopverzekering:</al><al> een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de
                        inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al><al>e.levenslooptegoed:</al><al> het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                        kapitaal;</al><al>f.netto spaarverzekering:</al><al>de bij Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering
                        met als productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de ambtenaar
                        wordt gestort;</al><al>g.netto spaarverzekeringstegoed:</al><al>het tegoed op de netto spaarverzekering;</al><al>h.Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance:</al><al>het product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het FLO-overgangsrecht,
                        dat bestaat uit een levensloopverzekering en een netto
                        spaarverzekering.</al><al>Lid 2</al><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al>moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                en,</al></li><li nr="b."><al>de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in te
                                leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                                dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al>niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:3 Doel</al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde
                        voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet
                        op de loonbelasting 1964.</al><al>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 9e:5.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien
                        van dit levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn
                        deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht niet
                        deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de
                        loonbelasting 1964. </al><al>Artikel 9e:6 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste bedrag van de inleg per
                        jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde
                        bronnen. </al><al>Artikel 9e:7 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                        volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al>het salaris</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                        op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van ingang van het
                        onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                        140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.</al><al>De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1.</al><al>Lid 7</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2.</al><al>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid,
                        en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren of meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                        bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van
                        het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60 jaar. </al><al>Lid 6</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt. </al><al>Lid 7</al><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog geen 20
                        dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in een tegoed naar
                        rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk
                        60-jarige leeftijd is bereikt. </al><al>Lid 8</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 9</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1. </al><al>Lid 10</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2. </al><al>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt
                        daarnaast: </al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede lid,
                        wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond
                        van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang
                        van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste
                        lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde lid, wiens
                        deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van
                        artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van
                        onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid,
                        of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 4</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het tweede
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 5</al><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt,
                        voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige leeftijd naar rato van het
                        aantal dienstjaren op het moment van ontslag. </al><al>Lid 6</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                voorafgaand aan het moment van ontslag;</al></li><li nr="b."><al>er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele
                                maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in
                        artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 8</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1. </al><al>Lid 9</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2. </al><al>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                        ambtenaar</al><al>§ die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de
                        bezwarende functie wordt ontslagen en</al><al>§ op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, </al><al>geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot afkoop.</al><al>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde
                        voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het
                        afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in
                        Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al><al>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</al><al>Lid 1</al><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode
                                van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en
                                zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet
                                op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                        tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil
                        beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast
                        hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Lid 3</al><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval
                        van beëindiging van het dienstverband. </al><al>Lid 4</al><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                        afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp
                        van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k
                        Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van
                        de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders. </al><al>10 Wachtgeld</al><al>Artikel 10:1 Betrokkene</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5
                                van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling
                                        ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8
                                van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven
                                aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel
                                8:8, tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het
                        eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op
                        grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem
                        schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Artikel 10:2 Lichamen</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</al><al> Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                        rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen
                        worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                        doelvermogens.</al><al>Artikel 10:3 Diensttijd</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd':</al><al> de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                        overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van
                        de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek,
                        bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn
                        verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar
                                daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van
                                artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en
                                met vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld
                                ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in
                        aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:5 Bezoldiging</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging':</al><al> de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals
                        deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden,
                        vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze
                        regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld
                        met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het
                                bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in
                                hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op
                        wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld
                        wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de
                        duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van
                        de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld
                        indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c,
                        op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is
                        verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden
                        vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                        de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel
                        11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                        wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou
                        zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van
                        het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                        wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt
                        vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</al><al>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                        ontslag ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
                                per week werkzaam is geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><al>§ 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al>§ 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al>§ 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al>§ 1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al>§ 2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al>§ 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al>§ 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al><al>§ 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van: </al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
                                tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                        perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn
                        huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid
                                volledig; en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid, of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakantie.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen.</al><al> In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd
                        een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                        moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere
                        wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere
                        verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het
                        wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                        voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk
                                aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande
                        lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is
                        vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een
                        uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid
                        van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op
                        basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij
                        de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                        toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur
                        wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                        uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid,
                        in mindering gebracht.</al><al>Lid 4</al><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde
                        van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
                        minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en
                        diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop
                        van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                        verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij de
                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval,
                        dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging
                        reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd,
                        voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In
                        dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                        verlenging, buiten aanmerking</al><al>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op
                        een vervolgwachtgeld. </al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid,
                                heeft bereikt en</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een
                                vervolgwachtgeld.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                        vervolgwachtgeld een jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar. </al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                        artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                        bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend
                        recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                        beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige
                        volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie
                        uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een
                        wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
                        10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                        vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip
                        gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
                        zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de
                        in de vorige volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld
                        van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld. </al><al>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van
                        die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de
                        Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in
                        de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld
                        daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene
                        recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                        wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd
                        naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                        berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in
                        de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de
                        verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van
                        het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende
                        het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van
                        de bezoldiging.</al><al>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Artikel 10:12 Verplichtingen</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen
                        die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                        verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in
                        het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het
                        verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden
                        overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van
                        artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig
                        ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Lid 7</al><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe
                        te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke
                        inlichtingen geven.</al><al>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 10:14 Verhuiskosten</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
                        de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
                        daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 10:15 Vermindering</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot
                        het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                        gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt,
                        wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel
                        10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                        ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op
                        wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin
                        van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als
                        volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag
                        waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                        wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                        betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al><al> In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening
                        op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                        verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval
                        vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een
                        wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf met inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld
                        de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een
                        bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                        wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag
                        aan overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of
                        dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle
                        evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                        eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        10:15, derde en vierde lid.</al><al>Artikel 10:17 Verlenging</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
                        een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
                        vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
                        betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
                        van het wachtgeld toegevoegd.</al><al>Artikel 10:18 Opschorting</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
                        laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking
                        waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering
                        van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde
                        van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 10:19 Samenloop</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><al>65% tot 80% : 80%; </al><al>55% tot 65% : 60%;</al><al>45% tot 55% : 50%;</al><al>35% tot 45% : 40%;</al><al>25% tot 35% : 30%;</al><al>15% tot 25% : 20%;</al><al>minder dan 15%: 0%.</al><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde
                        wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                        wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
                        overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in
                        mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de termijn
                        waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover
                        het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</al><al>Artikel 10:20 Betaling</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 10:21 Afkoop</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
                        wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en
                                tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde
                                of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld;</al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo
                                deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid,
                        niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen
                        met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                        zijn gegaan. </al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                        op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan wie in dat geval
                        een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend. </al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst. </al><al>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt;</al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene;</al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid,
                                bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                                wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel
                                die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor
                                hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te
                                aanvaarden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht
                        verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met
                        dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend
                        aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen
                        vanaf de datum van ontslag. </al><al>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                        nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk
                        aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie
                        maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                        geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                        natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook
                        zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers,
                        zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een
                        vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie
                        maanden. Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                        naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering,
                        berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag
                        aangevuld.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling
                        zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30
                        juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met
                        ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                        de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de
                        duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende
                        wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling
                        wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld,
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de
                        wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling
                        wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de
                        uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in
                        de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is
                        gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1
                        augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een
                        overgangsuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat
                        de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in
                        direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en
                        wordt in maandelijkse termijnen betaald.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan
                        70% van de bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al><al>Lid 5</al><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd
                        in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:29 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</al><al>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al> Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.werkloosheid:</al><al> werkloosheid in de zin van artikel 16 van de Werkloosheidswet;</al><al>b.betrokkene:</al><al> de ambtenaar die werkloos geworden is;</al><al>c.dagloon:</al><al> het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, zonder de maximering van het
                        dagloon, als bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels
                        werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering
                        sociale verzekeringen;</al><al>d.bovenwettelijke uitkering:</al><al> de aanspraken die de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                        aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de
                        aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                        uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in
                        artikel 10a:9, lid 3.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</al><al> Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                        suppletie</al><al> Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al> Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al> Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al> Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al> Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al> Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al> Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al><al> Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al><al> Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al><al> Artikel 10a:10 Anticumulatie</al><al> Artikel 10a:11 Scholing</al><al> Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al><al> Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al><al> Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al><al> Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al><al> Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                        suppletie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering,
                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                        aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                        op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
                        aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
                        inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
                        ontleend.</al><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en
                        1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde
                        wijze.</al><al>Lid 2</al><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering wijzigt.</al><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering
                        bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de
                        Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                        berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>Lid 4</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag</al><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                        11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee
                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende 3,5
                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid,
                        is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                        rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en
                        vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde uitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                        op de aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2
                        gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                        Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een
                        aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                        vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben
                        gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou
                        hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt,
                        indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                        aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                        bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld
                        aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:11 Scholing</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering. </al><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en
                        dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld),
                        heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin
                        van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                        aanvulling van dat ziekengeld.</al><al>Lid 2</al><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen
                        een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou
                        zijn om arbeid te verrichten.</al><al>Lid 3</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op
                        de aanvulling op het ziekengeld.</al><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het
                        voor haar geldende dagloon.</al><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en
                        scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van
                        de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben
                        op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
                        wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad,
                        bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen
                        tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende
                        uitkering zou ontvangen.</al><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op
                        artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering
                        toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                        gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over
                        een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene
                        buiten Nederland woont en in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a
                        ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht
                        op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht
                        op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                        Nederland woont.</al><al>Lid 2</al><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte
                                of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te
                                aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld
                                in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het
                                enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde
                                wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
                                uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                WW-uitkering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft,
                        is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering
                        waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou
                        hebben gewoond. </al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens
                        ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van
                        zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid
                        gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de
                        maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan
                        de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende
                        uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in
                        Nederland had gewoond. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                        zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar
                        het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering
                        gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode. </al><al>Lid 6</al><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op
                        grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering
                        op grond van de Wet arbeid en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een
                        uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een
                        uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van
                        dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering
                        op grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                        wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op
                        grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan
                        wel niet of niet geheel is betaald. </al><al>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</al><al> Artikel 10a:14 Diensttijd</al><al> Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                        suppletie</al><al> Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al><al> Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al> Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op
                        wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al> Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al> Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al> Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al> Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al> Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al><al> Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al><al> Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al><al> Artikel 10a:23 Anticumulatie</al><al> Artikel 10a:24 Scholing</al><al> Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al><al> Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het ontslag
                        voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede
                        tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien
                        aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van
                        overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164)
                        het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten
                                laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                        suppletie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door
                        het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6
                        slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt
                        van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</al><al>Lid 4</al><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de
                        werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet is verstreken.</al><al>Lid 5</al><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op
                        de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                        aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de
                        verlengde uitkering is verstreken.</al><al>Lid 6</al><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                        toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                        werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
                        verstreken</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht
                        heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80%
                        of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur,
                        als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en
                        hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. </al><al>Lid 9</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze
                                is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en</al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene,
                        genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het
                        ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of
                        ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de dag
                        waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op
                        een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1
                        augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld
                                op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde
                                uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de
                        eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt,
                        heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de
                        kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft
                        bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in
                        mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in
                        mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang
                        een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid
                        nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in
                        mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende
                        uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
                        wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                        uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet
                        zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat
                        geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de
                        uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig
                        artikel 10a:16.</al><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
                        van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering
                        gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht
                        op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                        zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003,
                        Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:24 Scholing</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                        overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                        Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                        bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                        betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel
                        10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij
                        recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede, vijfde
                        en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al><al>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</al><al> Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al> Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al> Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al><al> Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al><al> Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al><al> Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al><al> Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al><al> Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al><al> Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en
                        recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
                        indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou
                        hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden
                        toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                        verhuizing.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde
                        tegemoetkoming in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                        aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met
                                tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk
                                vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met
                                een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het
                                arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de
                                nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze
                                standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet
                                bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde
                                ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de
                                uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding
                                verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als
                        vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</al><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt
                                en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan
                                90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met
                                inachtneming van het tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                        dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de
                        omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                        reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude
                        betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                        berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard
                        is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
                        overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32 van
                        de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde
                        reïntegratietoeslag.</al><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de
                        betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende
                        uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben
                        verkregen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het
                        eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op
                        een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</al><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden
                                het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te
                                boven zijn gegaan.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de
                        situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per
                        kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren
                                resteren.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking,
                        blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog
                        werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</al><al>Lid 4</al><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te
                        verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die
                        maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een
                        recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                        zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid,
                        onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</al><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot
                        90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde
                        lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking,
                        omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van
                        de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                                werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat
                                uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10
                        weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door
                        betrokkene te worden ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek
                        betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend,
                        wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door
                        het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde
                        rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                        10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                        werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een
                        besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een
                        reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</al><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                        maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog
                        recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard
                        en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou
                        hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                        nieuwe werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de
                        berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van
                        toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op
                        de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon
                        van de betrokkene.</al><al>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</al><al> Artikel 10a:35 Vervallen</al><al> Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al><al> Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al><al> Artikel 10a:38 Slotbepaling</al><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
                        het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                        vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                        maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)</al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet,
                        voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze
                        artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al><al>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid</al><al>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</al><al> Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al><al> Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
                        organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of
                        8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6
                        of 8:8 ontslagen is.</al><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.aanvullende uitkering:</al><al>uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;</al><al>b.grondslag:</al><al>het gemiddelde van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de
                        toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12
                        maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start
                        van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
                        eindejaarsuitkering. Deze wordt geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al><al>c.gemeentelijke sector:</al><al> de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing
                        hebben verklaard;</al><al>d.boventalligheid:</al><al>de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de
                        formatie na de reorganisatie;</al><al>e.na-wettelijke uitkering:</al><al> de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;</al><al>f.werkloosheid:</al><al>werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het
                        arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of
                        arbeidsovereenkomst bij de gemeente;</al><al>g.werkloosheidsuitkering:</al><al>uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit
                        de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al><al>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</al><al> Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Lid 1</al><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in
                        dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan
                        die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in
                        de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden
                        overgegaan van deze lokale afspraken.</al><al>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al> Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het
                        college een passende regeling.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het
                        college gehoord.</al><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de
                        paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor
                        zover dit redelijk en billijk is.</al><al>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                        onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</al><al> Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al><al> Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al><al> Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al><al> Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</al><al> Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</al><al> Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><al>a.re-integratiefase:</al><al>de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
                        afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de
                        ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven
                        met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al><al>b.re-integratieplan:</al><al> het plan van aanpak waarin de re-integratie-inspanningen van gemeente en de
                        ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de
                        ambtenaar te bevorderen; </al><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel
                        8:6.</al><al>Lid 3</al><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                        overhandiging van het besluit tot ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de
                        gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het
                        dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente,
                        waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van: </al><lijst><li nr="a."><al>2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar 8 maanden</al></li><li nr="c."><al>15 jaar of meer 12 maanden.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar
                        geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan
                        niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6
                        gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet
                        houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde
                        reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                        na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de
                        re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                        re-integratieplan.</al><al>Lid 2</al><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                        oorspronkelijke reintegratiefase.</al><al>Lid 3</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid
                        naar de mate waarin dat mogelijk is.</al><al>Lid 4</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het
                        reintegratieplan van kracht.</al><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12
                        maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald
                        verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de
                        reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn
                        re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur;
                                en</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt
                                op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al>tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden
                        waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn
                        neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de
                        re-integratiefase worden voortgezet.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na
                        aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college
                        gehoord. </al><al>Lid 3</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                        re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd
                        worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: </al><al>§ verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in
                        het reintegratieplan;</al><al>§ scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van
                        die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen
                        resultaten;</al><al>§ opstellen arbeidsmarktprofiel; </al><al>§ sollicitatieactiviteiten.</al><al>Lid 4</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de
                        verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de
                        activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk,
                        volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al><al>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</al><al>Toelichting</al><al>In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen voortvloeiende uit het
                        Cao-akkoord 2011-2012.</al><al> Algemene bepalingen</al><al> Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al><al> Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al><al> Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al><al> Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al><al> Inhoud Van werk naar werk-traject</al><al> Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al><al> Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al><al> Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al><al> Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</al><al> Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al><al> Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al><al> Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al><al> Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al><al> Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al><al> Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                        werk-contract</al><al> Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten</al><al> Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid
                        ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende
                        gemeente.</al><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                        werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot
                        verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</al><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde
                        ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van
                        werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op
                        plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of
                        aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</al><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
                        boventalligverklaring in werking is getreden.</al><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al><al>Lid 1 </al><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college
                        en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de
                        ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van
                        de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al><al>Lid 2</al><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
                        loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al><al>Lid 3</al><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het
                        Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die
                        datum afgerond.</al><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al><al>Lid 1 </al><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek
                        stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op. </al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen
                        die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan
                        verbonden termijnen.</al><al>Lid 3</al><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><al>§ het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur
                        daarvan; </al><al>§ het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al><al>§ de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject
                        verricht; </al><al>§ het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare
                        budget;</al><al>§ eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk
                        naar werk-onderzoek;</al><al>§ de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten
                        en andere inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze
                        tijd bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling; </al><al>§ het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen,
                        zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al><al>Lid 4</al><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een
                        bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten
                        die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.</al><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt
                        de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie
                        maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een
                        verslag opgemaakt.</al><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al
                        dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere
                        reden.</al><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al><al>Lid 1 </al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een
                        passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een
                        aangeboden functie buiten de gemeente weigert. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van
                        werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan
                        de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of
                        tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar
                        werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake
                        is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende
                        uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al><al>Lid 1 </al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de
                        start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere
                        reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een
                        maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden
                        in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht
                        genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies. </al><al>Lid 2</al><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van
                        het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op
                        korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of
                        geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.</al><al>Lid 3</al><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt
                        overgenomen.</al><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over
                        het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in
                        kennis van deze beslissing. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt
                        voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel
                        8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</al><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een
                        werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden
                        gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans
                        op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot,
                        kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze
                        verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan
                        niet meer dan één keer worden verleend. </al><al>Lid 2</al><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
                        werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
                        ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.</al><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract </al><al>Lid 1 </al><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet
                        houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract,
                        maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit
                        gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al><al>Lid 2</al><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid
                        in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract
                        vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor
                        de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de
                        andere partij kenbaar.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze
                        verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de
                        niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de
                        periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken
                        die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 4</al><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van
                        artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 5</al><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract
                        of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat,
                        kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.</al><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd
                        toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf. </al><al>Lid 2</al><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van
                        het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid,
                        voorleggen aan deze commissie.</al><al>Lid 3</al><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend
                        advies uit.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden
                        en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.</al><al>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</al><al> Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al><al> Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al><al> Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al><al> Artikel 10d:28 Sancties</al><al> Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al><al>Lid 1 </al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft
                                doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7
                                tweede en derde lid niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven
                                in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze
                                ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de
                        ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle
                        gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                        van zijn aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt
                        uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel
                        10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20%;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10%;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20%;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de
                        dag na de dag van ontslag.</al><al>Lid 2</al><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de
                        eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</al><al>Artikel 10d:28 Sancties</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de
                        werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond
                        van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het
                        college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of
                        gedeeltelijk te laten vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.</al><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</al><al> Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al><al> Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al><al> Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al><al> Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al><al> Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al><al> Artikel 10d:35 Afkoop</al><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een
                        na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering
                                voortduurt;</al></li><li nr="b."><al>hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente
                                overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag
                        gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de
                        hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van
                        de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                        werkloos is.</al><al>Lid 3</al><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband
                        met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag zoals
                        gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden. Het meerdere
                        wordt gekort op de na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a."><al>1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al>2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
                                jaar</al></li><li nr="c."><al>3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                        verstreken.</al><al>Lid 2</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag waarop de
                        ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
                        sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
                        informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek
                        van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke
                        uitkering. </al><al>Lid 2</al><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                        waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al><al>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                        arbeidsongeschiktheid</al><al> Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                        ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al><al> Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al> Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al> Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                        ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende
                        het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op
                        grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel
                        7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij
                        arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                        definitief is vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten
                        aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van
                        invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.</al><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>Lid 1</al><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                        totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al>Lid 2</al><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke uitkering
                        voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector
                                en</al></li><li nr="b."><al>ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 +
                                (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien
                                verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X
                                staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
                                factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                sector.</al></li></lijst><al>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met
                        op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al><al>11 Uitkeringsregeling ontslag</al><al>Artikel 11:1 Betrokkene</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan
                        wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin
                                hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan
                                vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van
                                kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met
                                uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek
                                is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te
                                wijten;</al></li></lijst><al>en die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
                        ontlenen.</al><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de
                        gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot
                        of geregistreerde partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende
                        oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al>Artikel 11:2 Lichamen</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</al><al> Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                        rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen
                        worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                        doelvermogens.</al><al>Artikel 11:3 Diensttijd</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd':</al><al> de aan het in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                        overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van
                        de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door
                        een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig
                        zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand
                                daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking
                                welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij
                                vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de
                                uitkering ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in
                        aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van
                        de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:5 Bezoldiging</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het
                        ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage
                        bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld
                        in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 11:6 Recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens
                        het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer
                                als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is
                                geweest, ingevolge artikel 11:7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar
                                onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7,
                                dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe
                                aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de
                        betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was
                        werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                        artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft
                        herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12
                        maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde
                        verhindering.</al><al>Lid 3</al><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen,
                        voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de
                        betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor
                        eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze
                        niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op
                        uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken,
                        waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.</al><al>Lid 5</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van
                        de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de
                        verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het
                        recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het
                        arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</al><al>Lid 7</al><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering,
                                berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
                                jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet
                                worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag
                                zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
                                betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn
                                omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                aanvaarden.</al></li></lijst><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering
                        met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                        percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt
                        vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur
                        van de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de
                        betrokkene.</al><al>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
                                per week werkzaam is geweest of;</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ</al></li></lijst><al>wordt de duur van de uitkering verlengd met:</al><al>• 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al>• 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al>• 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al>• 1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al>• 2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al>• 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al>• 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en</al><al>• 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en;</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
                                tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d;</al><al> worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een
                                gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking
                                genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden
                        behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                volledig, en;</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid of;</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakanties.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt
                        tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                        bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is
                        begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende
                        leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan
                        1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op
                        hele maanden.</al><al>Lid 3</al><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste
                        vastgesteld op 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten
                        minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd,
                        die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt,
                        wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend
                        aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                        verleend.</al><al>Artikel 11:9 Vervolguitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op
                        een vervolguitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste
                                lid, heeft bereikt en</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                vervolguitkering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                        vervolguitkering een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                        heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                        uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop
                        zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar
                        na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan
                        wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend
                        recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn
                        uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en
                        een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van
                        overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.</al><al>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens
                        67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere
                        verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 3</al><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de
                        percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten
                        verhoogd.</al><al>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Artikel 11:12 Verhuiskosten</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                        voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                        van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 11:13 Vermindering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een
                        vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                        samen de bezoldiging te boven gaan.</al><al> Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt,
                        wordt een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid,
                        niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is
                        verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering
                        doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
                        pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt
                        verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop
                        het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de
                        met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend
                        over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden
                        betrekking te hebben.</al><al> In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening
                        op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende uitkering wordt
                        verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een
                        wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de
                        oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een
                        bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                        wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag
                        aan overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al> De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten
                        of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al><al>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                        verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of
                        blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                        het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        11:13, het derde en vierde lid.</al><al>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel
                        11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een
                        tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                        geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn
                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige
                        pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                        overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering
                        een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie
                        maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                        gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een
                        van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel
                        uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is
                        arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die
                        verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze
                        over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De
                        bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1
                        januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:18 Samenloop</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
                        aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                        en met 11:15, opgeschort.</al><al>Artikel 11:19 Afkoop</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                        geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                        voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                        uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt
                        met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer
                        intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende
                        duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat,
                        tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                        aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens
                        enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid
                        begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar
                                zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever,
                                voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk
                                is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op
                                uitkering bestaat.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht
                        op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond
                                als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in
                                dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als
                                bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene
                        zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte
                        weken.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden,
                        verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld
                        in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het
                        derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag,
                        bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een
                        termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht
                        bij het college is ingekomen.</al><al>Artikel 11:21 Verplichtingen</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving
                        als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                        betrokkenen.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te
                        gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of
                        voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van
                        een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te
                        stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking
                        komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen
                        geven.</al><al>Artikel 11:22 Opschorting</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage
                        van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem
                        ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het
                        tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 11:23 Samenloop</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><al>65% tot 80% : 80%;</al><al>55% tot 65% : 60%;</al><al>45% tot 55% : 50%;</al><al>35% tot 45% : 40%;</al><al>25% tot 35% : 30%;</al><al>15% tot 25% : 20%;</al><al>minder dan 15% : 0%.</al><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
                        bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten
                        indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                        overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Artikel 11:24 Samenloop</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die
                        aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen
                        niet uitbetaald.</al><al>Artikel 11:25 Betaling</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 11:26 Verval van uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in
                                artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21,
                                tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het
                                college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in
                                evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid,
                                gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs
                                geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens
                                gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk
                                te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo
                                deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag
                                te verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid,
                        niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                        wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door
                        nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                        arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in
                        verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                        opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de
                        uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of
                        verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden
                        betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
                                waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene
                        recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de
                        duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de
                        hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de
                        resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal
                        zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1
                        augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991,
                        de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende
                        uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11,
                        eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus
                        1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen,
                        behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en
                        overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw
                        toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder
                        toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat
                        de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                        tweede lid.</al><al>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</al><al>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel
                        11:32 lid 1.)</al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn
                        vastgelegd in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 11:31 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 11:32 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000. </al><al>11a Suppletie</al><al>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><al>a.arbeidsongeschiktheid:</al><al> arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op
                        de arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al><al>b.arbeidsongeschiktheidsuitkering:</al><al> een periodieke uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                        voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al><al>c.WAO-uitkering:</al><al> uitkering op grond van de WAO;</al><al>d.betrokkene:</al><al> de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, aan wie op grond
                        van artikel 8:5 ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                        vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van dat
                        ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die
                        zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                        betrekkingen;</al><al>e.bestuursorgaan:</al><al> het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is
                        betrokkene ontslag te verlenen;</al><al>f.suppletie:</al><al> de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al><al>g.dagloon:</al><al> het dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
                        zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van
                        de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan
                        pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen
                        privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                        strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene
                        afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1,
                        tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene Dagloonregelen WAO;</al><al>h.berekeningsgrondslag van de suppletie:</al><al> het dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake
                        waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking
                        heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                        ontleend;</al><al>i.werkloosheidsuitkering:</al><al> een periodieke uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die
                        voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag
                        is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag
                        wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van
                        zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor
                        het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                        samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                        opvolgen.</al><al>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                        Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid.
                        Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde
                        arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
                        is.</al><al>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
                                leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:6 Suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor
                        de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:7 Suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel
                        11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop
                        de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24
                        maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde
                        periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en
                        het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft
                        geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode
                        gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                        van de suppletie. </al><al>Lid 2</al><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden
                        worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al><al>Artikel 11a:8 Suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie,
                        ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan,
                        een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde
                        uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de
                        suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                        dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering,
                        wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan
                        de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend,
                        naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die
                        kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op
                        een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                        zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                        laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de
                        arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van
                        die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van
                        twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                        WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin
                        toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                        van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel
                        geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk
                        onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste
                        van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de
                        strekking van dit artikel overeenkomt.</al><al>Artikel 11a:9 Suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie
                        inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan
                        bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie
                        verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 2</al><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het
                        eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie
                                is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel
                                11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die
                                dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene,
                                terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte
                                daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel
                                verband houden met het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene
                        afwijken van het tweede lid.</al><al>Artikel 11a:10 Suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
                        handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
                        werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan
                        wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                        uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:11 Suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                        suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan
                        de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van
                        drie maanden.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s)
                                indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of
                                geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen
                                ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het
                                bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                        geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of
                        gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
                        betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                        bestaat.</al><al>Lid 4</al><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts
                        sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
                        huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
                        huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al><al>Lid 5</al><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de
                        betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                        uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en
                        strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene
                        recht had.</al><al>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                        bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan
                        beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al><al>Lid 3</al><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch
                        uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft
                        vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand
                        achteraf.</al><al>Lid 4</al><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3
                        maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het
                        bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken
                        van de eerste volzin.</al><al>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen
                        voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de
                        hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te
                        betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in
                        artikel 11a:3.</al><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid
                        vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid
                        bestaat omtrent het recht op suppletie.</al><al>Lid 3</al><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een
                        suppletie.</al><al>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan
                        te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen
                        beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of
                        scholing in dagonderwijs.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een
                        voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of
                        scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht
                        op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al><al>Lid 3</al><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid,
                        worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking
                        tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde
                        opleiding of scholing.</al><al>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan
                        mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde
                        activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.</al><al>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot :</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel
                        11a:15.</al><al>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Lid 1</al><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector
                        gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K
                        4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                        zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog
                        niet is verstreken, heeft recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31
                        december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.</al><al>1 maand gedurende de eerste 27 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>2 maanden gedurende de eerste 26 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>3 maanden gedurende de eerste 25 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>4 maanden gedurende de eerste 24 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>5 maanden gedurende de eerste 22 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>6 maanden gedurende de eerste 21 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>7 maanden gedurende de eerste 20 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>8 maanden gedurende de eerste 19 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>9 maanden gedurende de eerste 18 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>10 maanden gedurende de eerste 17 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>11 maanden gedurende de eerste 16 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>12 maanden gedurende de eerste 15 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>13 maanden gedurende de eerste 14 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>14 maanden gedurende de eerste 13 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>15 maanden gedurende de eerste 12 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>16 maanden gedurende de eerste 11 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>17 maanden gedurende de eerste 10 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>18 maanden gedurende de eerste 9 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>19 maanden gedurende de eerste 9 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>20 maanden gedurende de eerste 8 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>21 maanden gedurende de eerste 7 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>22 maanden gedurende de eerste 6 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>23 maanden gedurende de eerste 5 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>24 maanden gedurende de eerste 4 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>25 maanden gedurende de eerste 3 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>26 maanden gedurende de eerste 2 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>27 maanden gedurende de eerste 1 maand 80% vervolgens 33 maanden 70%</al><al>28 maanden gedurende 33 maanden 70%</al><al>29 maanden gedurende 32 maanden 70%</al><al>30 maanden gedurende 31 maanden 70%</al><al>31 maanden gedurende 30 maanden 70%</al><al>32 maanden gedurende 29 maanden 70%</al><al>33 maanden gedurende 28 maanden 70%</al><al>34 maanden gedurende 27 maanden 70%</al><al>35 maanden gedurende 26 maanden 70%</al><al>36 maanden gedurende 25 maanden 70%</al><al>37 maanden gedurende 24 maanden 70%</al><al>38 maanden gedurende 23 maanden 70%</al><al>39 maanden gedurende 22 maanden 70%</al><al>40 maanden gedurende 21 maanden 70%</al><al>41 maanden gedurende 20 maanden 70%</al><al>42 maanden gedurende 19 maanden 70%</al><al>43 maanden gedurende 18 maanden 70%</al><al>44 maanden gedurende 17 maanden 70%</al><al>45 maanden gedurende 16 maanden 70%</al><al>46 maanden gedurende 15 maanden 70%</al><al>47 maanden gedurende 14 maanden 70%</al><al>48 maanden gedurende 13 maanden 70%</al><al>49 maanden gedurende 11 maanden 70%</al><al>50 maanden gedurende 10 maanden 70%</al><al>51 maanden gedurende 9 maanden 70%</al><al>52 maanden gedurende 8 maanden 70%</al><al>53 maanden gedurende 7 maanden 70%</al><al>54 maanden gedurende 6 maanden 70%</al><al>55 maanden gedurende 5 maanden 70%</al><al>56 maanden gedurende 4 maanden 70%</al><al>57 maanden gedurende 3 maanden 70%</al><al>58 maanden gedurende 2 maanden 70%</al><al>59 maanden gedurende 1 maand 70%</al><al>Lid 3</al><al>De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9,
                        11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als
                        bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van
                        het in dit artikel bepaalde.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
                        verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de
                        betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde
                        en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van
                        artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Lid 6</al><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                        herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond
                        op een hele maand.</al><al>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
                        1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                        arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
                        Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene
                        invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste
                        15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                        ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                        Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen
                        een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem
                        als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid,
                        van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                        eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                        neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen
                        zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                        gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                        doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding
                        van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie
                        artikel 11a:21)</al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al><al>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen,
                        met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                        WAO-uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is
                        ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de
                        ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al><al>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</al><al>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a.de commissie:</al><al> de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg;</al><al>b.de ambtenaren:</al><al> de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                        werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;</al><al>c.de organisaties:</al><al> de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van
                        overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot
                        het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten.</al><al>Lid 2</al><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de
                        toegelaten organisaties.</al><al>Lid 3</al><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van
                        Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en
                        Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere
                        Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) ,
                        dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze
                        centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                        worden.</al><al>Lid 4</al><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de
                        commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of
                        NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON.</al><al> Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet
                        vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in
                        overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de
                        samenstelling van de commissie.</al><al> Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht
                        met de hier geldende bepalingen.</al><al>Lid 5</al><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden
                        indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek
                        wordt in het georganiseerd overleg besproken.</al><al>Lid 6</al><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen
                        hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief
                        geacht worden.</al><al>Artikel 12:1:1 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld
                        in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer
                        vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan.</al><al> De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en
                        voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
                        zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie,
                        bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing
                        geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren
                        tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van
                        een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                        organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                        bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al><al>Artikel 12:1:2 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel
                        12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal der op 1 januari
                        van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al><al>Lid 2</al><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                        aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of
                        geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan het
                        college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of
                        plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk
                        een opvolger aangewezen.</al><al>Artikel 12:1:3 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al><al>Lid 2</al><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging
                        van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens
                        plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het
                        secretariaat ter beschikking.</al><al>Lid 3</al><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot
                        overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het
                        college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval
                        het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg
                        waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan
                        de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te
                        brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte
                        aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als
                        bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting
                        van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld
                                in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken
                                ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c."><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te
                        stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.</al><al>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang
                        voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                        volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                        overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het
                        College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de
                        centrales van overheidspersoneel.</al><al>Lid 2</al><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al>Lid 3</al><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet
                        worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.</al><al>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                        worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                        daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                        concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd
                        aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen
                        te doen aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid
                        van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort
                        het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het
                        voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.</al><al>Lid 3</al><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de
                        commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties
                        en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.</al><al>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te
                        wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald
                        onderwerp nodig wordt geacht.</al><al>Lid 2</al><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij
                        kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel
                        12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem
                        te bepalen tijdstippen.</al><al>Lid 2</al><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van
                        de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel
                        uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.</al><al>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering
                        opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen
                        onderwerpen.</al><al>Lid 2</al><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties
                        is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                        plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                        gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd.</al><al>Lid 3</al><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering
                        niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de
                        voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe
                        vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                        behandeld.</al><al>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
                        zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al>Lid 2</al><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering
                        laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Lid 3</al><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door
                        een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn
                        voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een
                        doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in
                        eigen kring te onderwerpen.</al><al>Lid 4</al><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de
                        inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze
                        geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad,
                        alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende
                        organisaties.</al><al>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                        tijd.</al><al>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging,
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.</al><al>Lid 2</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door
                        hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij
                        staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</al><al>Lid 3</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door
                        stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie
                        zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten
                        op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een
                        organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                        stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij
                        staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben
                        gestemd.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt
                        voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op
                        dat tijdstip.</al><al>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
                        in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn
                        slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies-
                        en arbitragecommissie.</al><al>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd
                                in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                        toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2,
                        eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                        ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
                        instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
                        oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
                        overleg.</al><al>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de
                        voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg.
                        De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is
                        uitgeschreven.</al><al>Lid 2</al><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het
                        overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering
                        nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de
                        inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden
                        gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                        ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping
                        van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al><al>Lid 3</al><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging
                        van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties,
                        als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.</al><al>Lid 4</al><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist
                        tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten
                        organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde
                        in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het
                        verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het
                        overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat
                        ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                        vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen
                        alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud
                        van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                        op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                        eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie.</al><al>Lid 2</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het
                        verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle
                        deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
                                en inhoud van het geschil.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</al><al>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1:</al><al>De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn overeengekomen dat
                        als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.</al><al>Lid 2</al><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de
                        bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                        verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de
                        bepalingen van deze regeling.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit
                        het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van
                        individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                        vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                        artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid,
                        11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24
                        en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus
                        1993.</al><al>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige dienstverband
                        heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1 januari 1997 naar
                        rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
                        het aantal uren van het dienstverband per 31 december 1996 en dit verzoek
                        niet is afgewezen.</al><al>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de
                        artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,
                        terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al>14 Medezeggenschap</al><al>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
                        het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                        zittingstermijnen.</al><al>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                        ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen
                        daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad
                        in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
                        personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de
                        WOR.</al><al>Artikel 14:1:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:3 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:4 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:5 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:6 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:7 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:8 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:9 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:10 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:11 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:12 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:13 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:14 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:15 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:16 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:17 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:18 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:19 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:20 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:21 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:22 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:23 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:24 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:25 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:26 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:27 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:28 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:29 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:30 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:31 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:32 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:33 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:34 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:35 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:36 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:37 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:38 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:39 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:40 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:41 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:42 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:1:43 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:2:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 14:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>15 Overige rechten en verplichtingen</al><al>Artikel 15:1 Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en
                        zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. </al><al>Artikel 15:1a Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de vervulling
                                van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken
                                of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die
                        ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere
                        arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
                        verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.</al><al>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen
                        wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of
                        voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover
                        deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al><al>Lid 2</al><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid
                        gedane opgaven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de
                        goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde
                        nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van
                        gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren
                        aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
                        openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al><al>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</al><al>Lid 1</al><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan
                        in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het
                        risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door
                        dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit
                        van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover
                        deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken. </al><al>Lid 3</al><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede
                        lid.</al><al>Lid 4</al><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te
                        bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede
                        vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan
                        aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar,
                        middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van
                        anderen.</al><al>Artikel 15:1:9 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met
                        15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al><al>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                        werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter
                        vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of
                        werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij
                        naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid
                        of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                        van de gemeente noodzakelijk is. </al><al>Lid 2</al><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo
                        spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1
                        tweede lid.</al><al>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college
                        wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
                        omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij
                        gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                        taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe
                        strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te
                        verzekeren.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                        aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                        veiligheidsregio’s.</al><al>Lid 3</al><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                        veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het
                        tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet
                        veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd
                        gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen
                        tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke
                        verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</al><al>Lid 5</al><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien
                        de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs
                        toelaten.</al><al>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van
                        door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of
                        nalatigheid is te wijten.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet vastgesteld dan nadat
                        de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te
                        verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                        maken.</al><al>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van
                        een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet
                        heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van
                        gelden en geldswaardige papieren.</al><al>Lid 2</al><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                        aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in
                        aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel
                        deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al><al>Lid 3</al><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven
                        gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer
                        niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn functie wordt
                        waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</al><al>Artikel 15:1:14 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te
                        stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                        uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en omtrent zijn
                        gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn
                        gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de wijze waarop
                        hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen,
                        waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of
                        de wijze waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                        verbeterd kan worden.</al><al>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de door het
                        college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven
                        kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is
                        de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college
                        toestemming is gegeven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of
                        andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen,
                        een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of
                        voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is
                        verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot
                        het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is
                        verleend.</al><al>Lid 4</al><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de
                        verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde
                        kleding.</al><al>Artikel 15:1:17 Standplaats</al><al>Lid 1</al><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden
                        opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</al><al>Lid 2</al><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name
                        genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                        werkzaamheden verricht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is
                        aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het
                        gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk
                        gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een
                        afwijkende regeling is vastgesteld.</al><al>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
                        ontzegd.</al><al>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een
                        persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet
                        publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn
                        functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen
                        en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                        staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het
                        gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij
                        verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is
                        verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is
                        gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven
                        aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
                        geneeskundig onderzoek.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het
                        bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn
                        volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 15:1:21 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting,
                        geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                        motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                        lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade
                        niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al><al>Lid 2</al><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                        motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                        motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn
                        functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                                verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt
                                ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                kilometer.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                        vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe
                        door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming
                        kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
                        door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
                        van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
                        gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van doorbetaling
                        verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
                        herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
                        jeugd. </al><al>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
                        onthouden of nadelen toegebracht.</al><al>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
                        te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al><al>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                        plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor
                        hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit
                        hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie
                        in de gemeentelijke organisatie.</al><al>Artikel 15:2 Klokkenluiders</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van
                        misstanden.</al><al>Lid 2</al><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die
                        misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen
                        niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de
                        gemeente benadeeld worden.</al><al>Artikel 15:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>16 Disciplinaire straffen</al><al>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                        overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding
                        geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag
                        of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege
                        disciplinair worden gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen
                        of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort
                        na te laten of te doen.</al><al>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</al><al>Lid 1</al><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                        disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde
                                werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale
                                vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren
                                per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden
                                opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                feestdagen;</al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren
                                waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per
                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                                overeenkomende met het salaris over een halve maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste
                                vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste
                                twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar
                                beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het
                                salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet
                                langer dan twee jaren;</al></li><li nr="h."><al>plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel
                                van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder
                                vermindering van salaris en de toegekende salaristoelage(n);</al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd door
                        het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in
                        artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer
                        zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het
                        opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                        plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander
                        ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                        eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al><al>Artikel 16:1:3 Verantwoording</al><al>Lid 1</al><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk
                        plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het
                        college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder
                        dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de
                        ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</al><al>Lid 2</al><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur
                        proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens
                        overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de
                        ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                        mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van
                        het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de
                        gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere
                        bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</al><al>Artikel 16:1:4 Verantwoording</al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al>Artikel 16:1:5 Verantwoording</al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                        strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al>17 Opleiding en ontwikkeling</al><al>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn duurzame
                        inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor diens positie op de interne
                        en externe arbeidsmarkt verbetert. </al><al>Lid 2</al><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de ambtenaar zich
                        door middel van scholing en het opdoen van werkervaring.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk loopbaanbeleid. </al><al>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</al><al>Lid 1 </al><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het verbeteren en
                        ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit. </al><al>Lid 2</al><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid en
                        onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                        organisatieverandering.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                        gemeentelijk loopbaanbeleid.</al><al>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-. </al><al>Lid 2</al><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan
                        heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling
                        op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op
                        vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden
                        voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                        ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde
                        activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching
                        en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                        arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de
                        organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een
                        reëel loopbaanperspectief.</al><al>Lid 5</al><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                        vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 6</al><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                        aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al><al>Lid 7</al><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                        loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig
                        een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een
                        aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 8</al><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de
                        overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het
                        resterende budget te vervallen.</al><al>Lid 9</al><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al><al>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</al><al>Lid 1</al><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen het college en
                        de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan de afspraken vast over de
                        loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar,
                        alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                        activiteiten.</al><al>Lid 2</al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                        opgesteld en door het college vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in de
                        doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het gemeentelijk
                        opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het college vastgestelde
                        opleidingsplan.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                        college vergoed.</al><al>Lid 5</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van de zijde
                        van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte
                        afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 6</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al><al>§ de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs te
                        maken kosten; </al><al>§ de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;</al><al>§ de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang; </al><al>§ de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken
                        of gestopt; </al><al>§ de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het
                        voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar; </al><al>§ de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding bij het
                        verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode na
                        afronding van de studie; </al><al>§ eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering
                        van de gemaakte afspraken. </al><al>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</al><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
                        een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al><al>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het functioneringsgesprek met
                        een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt het college zijn belasting en
                        belastbaarheid aan de orde. Zo nodig worden naar aanleiding hiervan
                        afspraken gemaakt over aanpassingen in het individuele takenpakket.</al><al>Artikel 17:7 Flankerend beleid</al><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                        beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                        Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al><al>18 Verplaatsingskosten</al><al>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><al>a.betrokkene:</al><al> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR;</al><al>b.woongebied:</al><al> een door het college aan te wijzen gebied aansluitend aan het grondgebied
                        van de gemeente;</al><al>c.standplaats:</al><al> de gemeente of het met name genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar
                        gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht; </al><al>d.gezinsleden:</al><al> de echtgenoot, geregistreerde partner van de betrokkene en de kinderen,
                        stief- en pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot,
                        geregistreerde partner voor zover zij samenwonen;</al><al>e.eigen huishouding voeren:</al><al> het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van
                        eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde
                        gezag;</al><al>f.berekeningsbasis:</al><al> het twaalfvoud van het salaris per maand inclusief eventuele
                        salaristoelage(n), dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel
                        niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het
                        berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantieuitkering en
                        in voorkomende gevallen vermeerderd met: </al><lijst><li nr="1."><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een
                                genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel
                                hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2."><al>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement;</al><lijst><li nr="g."><al>berekeningstijdstip:</al><al> 1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al><al> 2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de
                                        functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de
                                        functievervulling; </al><al> 3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de
                                        datum waarop de laatste salarisbetaling heeft
                                        plaatsgevonden;</al></li><li nr="h."><al>verplaatsen en verplaatsing:</al></li></lijst></li></lijst><al> veranderen onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                        betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al><al>i.verplaatsingskostenvergoeding:</al><al> tegemoetkoming in de kosten van een verplaatsing, dan wel van een
                        verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                        tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat de verhuizing
                        nog niet heeft plaatsgevonden;</al><al>j.dienstwoning:</al><al> de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in verband met de uitoefening
                        van zijn functie aangewezen woning.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om
                        in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel
                        15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie
                        binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die ten
                        gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren na
                        de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                        verhuiskosten terug te betalen.</al><al> Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde
                        gemeente of naar een van haar bedrijven of instellingen wordt niet als
                        ontslag op verzoek beschouwd.</al><al>Lid 3</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in verband
                        met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien hij
                        schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als
                        bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</al><al>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders dan in verband
                        met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of
                        verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op
                        verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor
                        vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te
                        wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren
                        nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                        verhuiskosten worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden
                        van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de
                        nagelaten gezinsleden.</al><al>Lid 4</al><al>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de
                        verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien
                        verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak
                        zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</al><al>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
                        wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee
                        jaar nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van
                        het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al><al>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de
                                inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe
                                woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van
                                breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te
                                maken kosten, met een maximum van € 310,51 per maand met dien
                                verstande dat de tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende
                                kosten, met een maximum van € 6.209,70.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding
                        voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover
                        bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een
                        tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of
                        slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de
                        achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd
                        in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten,
                        geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en
                        afzonderlijk opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor
                        beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen
                        een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een
                        andere werkgever die aanspraak geeft op een tegemoetkoming in verhuiskosten,
                        wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                        voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                        berekeningsbasis.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming
                        als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien bijzondere
                        omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een
                        tegemoetkoming worden verleend van 3% van de berekeningsbasis.</al><al>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om in
                        of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel
                        15:1:17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt heeft
                        aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen
                        de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                        aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten.</al><al>Lid 2</al><al>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het
                        bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van
                        gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien,
                        aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een
                        pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een
                        tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de
                        plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het
                        oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag
                        worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij
                        niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                        tweede lid.</al><al>Lid 4</al><al>Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of voor
                        betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet
                        behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in
                        het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig
                        het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag
                        niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al><al>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde
                        lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het openbaar vervoer op basis van
                        het tarief van de tweede klasse.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is, voor dat deel
                        dat gebruik wordt gemaakt van de trein, gemaximeerd op het bedrag van €
                        3.984 per jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met het
                        ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station kan
                        reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in de plaats
                        daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een
                        tegemoetkoming van € 103,78 op jaarbasis.</al><al>Lid 4</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en vierde
                        lid, is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet door openbaar
                        vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen
                        groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden
                        niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,17 per kilometer met een
                        maximum van 20 kilometer enkele reis.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats van
                        tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen
                        gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de
                        tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al><al>Artikel 18:1:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer</al><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als
                        een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te
                        bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
                        de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per
                        openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan de betrokkene voor de gehele duur
                        van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De
                        hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede
                        lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont
                        90% en voor de overige betrokkenen 60% van de betaalde pensionkosten, voor
                        zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk
                        geoordeelde pensionkosten.</al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het bezoeken
                        van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van
                        het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van de laagste
                        klasse.</al><al>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7 en 18:1:9
                        wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden verleend. Het
                        bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene telkens voor niet
                        langer dan zes maanden verlengen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten bestaat
                        indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform
                        artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor
                        het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie
                        maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen vastgesteld
                        op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks
                        zonder declaratie worden uitbetaald met inachtneming van een korting op de
                        bedragen van 6%.</al><al>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</al><al>Lid 1</al><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum van
                        de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.</al><al>Lid 2</al><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden
                        daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag opgave van de kosten als
                        bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</al><al>Artikel 18:1:12 Voorschot</al><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                        tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</al><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
                        hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele gevallen, waarin deze
                        regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid
                        voorzien.</al><al>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</al><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                        op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004,
                        is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke
                        ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1
                        juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli
                        2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op
                        een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien
                        de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de
                        tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al><al>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al> Artikel 19:1 Werkingssfeer</al><al> Artikel 19:2 Begripsbepaling</al><al> Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al><al> Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al><al> Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al><al>Hoofdwerkgever:</al><al> de werkgever waarbij de vrijwilliger in loondienst is.</al><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                        rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel
                        12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd
                        overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit
                        hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke
                        regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te
                        leven.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn
                        vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                        regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
                        vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden
                        kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><al>§ de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg bedoeld in
                        artikel 19:3, eerste lid;</al><al>§ ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking
                        komt.</al><al>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</al><al> Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al><al> Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al><al> Artikel 19:7a Vervallen</al><al> Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al><al> Artikel 19:9 Bevordering</al><al> Artikel 19:10 Vervallen</al><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke
                        dienst voor een bepaalde periode.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van
                        proef.</al><al>Lid 3</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal
                        twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling
                        verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale
                        termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet
                        geslaagd is.</al><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking
                        komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s
                        daarvoor stelt.</al><al>Lid 2</al><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet
                        bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden
                                en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de
                                gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 19:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van
                        aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                vrijwilliger;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de
                                periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk
                                omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die
                                aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                        mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:9 Bevordering</al><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen
                        wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                        veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten
                        minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.</al><al>Artikel 19:10 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</al><al> Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al><al> Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                        indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het
                        college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college
                        zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het
                        college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard
                        van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger
                        informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen. </al><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                        indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer;</al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                brandweerwerkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de
                                brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier
                                rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d."><al>de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten
                                tijdens werktijd;</al></li><li nr="e."><al>ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.</al></li></lijst><al>Paragraaf 4 Vergoedingen</al><al> Artikel 19:13 Vergoeding</al><al> Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al><al> Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                        werkzaamheden</al><al> Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                        hulpverlening</al><al> Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al><al> Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al><al> Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al><al> Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al><al> Artikel 19:21 Opleidingskosten</al><al> Artikel 19:22 Gratificatie</al><al> Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al><al> Artikel 19:24 Salarismutaties</al><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                        overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                        CAR-UWO.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                        december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang
                        de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit
                        hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd
                        in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de
                        functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al><al>Lid 3</al><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding
                        van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.</al><al>Lid 4</al><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
                        beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of
                        andere hulpverlening.</al><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                        werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                        toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                        werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul
                        is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op
                        vergoeding. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                        hulpverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met
                        daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een
                        vergoeding.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie,
                        behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet
                        wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld
                        aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                        vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al><al>Lid 3</al><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die
                        uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd
                        heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft. </al><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden
                        voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding.</al><al> Deze vergoeding bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                                Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                                waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als
                                feestdag;</al></li><li nr="b."><al>per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van
                        kazerneringsdiensten.</al><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij
                        niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan
                        oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel
                        19:15 tot en met 19:18.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de
                        vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van
                        het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk
                        afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                        kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                        cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover
                        deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.</al><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen
                        van een gratificatie.</al><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                        gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA
                        worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum
                        van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel
                        19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat
                        betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige
                        vergoedingen op eurocenten.</al><al>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</al><al> Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al><al> Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al><al> Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al><al> Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al><al>Lid 1</al><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger.</al><al>Lid 2</al><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de
                        verzekering.</al><al>Lid 4</al><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger
                        gebracht.</al><al>Lid 5</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al><al>Lid 1</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische
                        kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn
                        rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het
                        college zich terzake heeft verzekerd. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid
                        genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan het college
                        in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere
                        kosten.</al><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een
                        aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.</al><al>Lid 2</al><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding
                        of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt
                        de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering.</al><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting
                        en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                        aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of
                        nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor
                        zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.</al><al>Paragraaf 6 Zwangerschap</al><al> Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij
                        het college.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van
                        borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve
                        brandweeractiviteiten.</al><al>Lid 3</al><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties
                        vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.</al><al>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger</al><al> Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al><al> Artikel 19:31 Verplichtingen</al><al> Artikel 19:32 Eed of belofte</al><al> Artikel 19:33 Verboden</al><al> Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al><al> Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al><al> Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al><al> Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de
                        brandweerdienst.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die
                        door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan
                        deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig
                        melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het
                        college.</al><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten
                        en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 19:33 Verboden</al><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of
                                namens het college;</al></li><li nr="b."><al>vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen,
                                te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming is
                                verleend door of namens het college;</al></li><li nr="c."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
                        Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve
                        van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college
                        toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden
                        worden verbonden.</al><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het college
                        voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college kosteloos in
                        bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze
                        bij het college in te leveren.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen
                        verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te
                        doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college
                        opdracht is gegeven.</al><al>Lid 4</al><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en
                        uitrustingsstukken. </al><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen
                                werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen
                                waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="b."><al>de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te
                                geven;</al></li><li nr="c."><al>dienstkleding te dragen voorzien van:</al></li><li nr="I."><al>andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang,
                                behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II."><al>insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen
                                daarvan door de staat of door het college toestemming is
                                verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade
                        toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te
                        vergoeden. </al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te
                        maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn
                        vergoeding. </al><al>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de
                        dienst</al><al> Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al><al> Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al><al> Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair
                        worden gestraft. </al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het
                        overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke
                        omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al><al>De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                19:14;</al></li><li nr="c."><al>schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de
                                vergoeding;</al></li><li nr="d."><al>ongevraagd ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem het
                                voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek
                                van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk
                                maakt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 9 Ontslag</al><al> Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al><al> Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al><al> Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                        verzoekt.</al><al>Lid 2</al><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand
                        en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het
                        verzoek.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden,
                        wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens
                        misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te
                        straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak
                        van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is
                        de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of wegens
                                verandering van de brandweerorganisatie;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht
                                moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te
                                vervullen;</al></li><li nr="c."><al>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;</al></li><li nr="d."><al>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;</al></li><li nr="e."><al>onder curatelestelling;</al></li><li nr="f."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="h."><al>een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het
                        ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel. </al><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al><al>Lid 1</al><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de
                        periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan
                        is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                        vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al><al>Lid 2</al><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een
                        van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al><al>Bijlagen</al><al>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer</al><al>Vergoedingentabellen</al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.</al><al>Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer </al><al>Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer</al><al>19a Keuringen brandweerpersoneel</al><al>Artikel 19a:1 Algemeen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is
                        aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en
                        manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de
                        brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al><al>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</al><al>Lid 1</al><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als
                        na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat
                        tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren
                        bestaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de
                        aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe
                        door het college zijn aangewezen.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. </al><al>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld
                        in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al><al>Lid 2</al><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de
                        CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of
                        minimaal een half jaar na indienstreding.</al><al>Lid 4</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b."><al>tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;</al></li><li nr="c."><al>ouder dan vijftig jaar eens per jaar.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie
                        zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen. </al><al>Lid 6</al><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de
                        medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het
                        totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere
                        gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al><al>Lid 7</al><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                        beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op
                        zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en
                        vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht
                        hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en
                        ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de
                        tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.</al><al>Artikel 19a:4 Fysieke test</al><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in
                        een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al><al>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling
                        voor kunsteducatie</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al> Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al><al> Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al><al> Artikel 19b:3 Functie-eisen</al><al> Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al><al> Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de kunsteducatie
                        in de functie van:</al><lijst><li nr="a."><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b."><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c."><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder instelling: een
                        onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt of ondersteunt. </al><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al><al>Lid 1</al><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in de functie
                        van docent en consulent in het bezit is van een diploma van een
                        HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied. </al><al>Lid 2</al><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover met de OR,
                        afwijken van het eerste lid.</al><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                        functioneringsgesprek gehouden.</al><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief contact is
                                met leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te kwalificeren zijn als
                                lesgebonden uren;</al></li><li nr="c."><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b zijn in te
                        delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b."><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                                instelling;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten
                                die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid op peil te houden;</al></li><li nr="d."><al>algemene werkzaamheden in het belang van de instelling.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa een regeling
                        vast waarin per discipline de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden
                        uren staat. In de regeling kan per discipline een afwijking op deze
                        verhouding en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling
                        van deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en de OR. </al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het derde lid,
                        voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de verhouding lesgebonden
                        versus niet-lesgebonden uren is. </al><al>Lid 5</al><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld in het vierde
                        lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar maximaal 65% van zijn
                        formele arbeidsduur aan lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele
                        arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren. </al><al>Paragraaf 2 Salariëring</al><al> Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al><al> Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al><al> Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al><al> Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al><al>Lid 1</al><al>In plaats van bijlage II en IIa, past het college de salaristabel, genoemd
                        in bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van de
                        ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is niet
                        van toepassing. De functie van </al><lijst><li nr="a."><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b."><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c."><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de invoering en de
                        waardering van junior- of seniorfuncties. Het college stelt hiervoor de
                        functiebeschrijving vast. </al><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al><al>Lid 1</al><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij reeds voldoet
                        aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring, opleiding of vaardigheden,
                        kan zijn salaris worden vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij
                        de functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de
                        salaristabel, genoemd in bijlage IV.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van aanloopbedragen en voor
                        de bevordering naar een bij de functie behorende salarisschaal.</al><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al><al>Lid 1</al><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen opgenomen. </al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald te zijn in
                        het maximum van de bij de functie behorende salarisschaal een periodieke
                        verhoging naar het eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke
                        verhoging iedere keer na twee jaar plaats. </al><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel recht op een
                        toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid verricht op zondag. </al><al>Lid 2</al><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van verlof en
                        bedraagt 25% van de uren.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de ambtenaar
                        verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of
                        aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 4</al><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de toelage, in
                        afwijking van het eerste lid, in geld verstrekt.</al><al>Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie</al><al> Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al><al> Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al><al> Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al><al> Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al><al> Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al><al> Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                        verplicht vrije periode</al><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de ambtenaar
                        met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar is
                                aangemerkt als verplicht vrije periode of</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen hebben
                                gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar rato.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije periodes en
                        eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met een maximum van 36 uur
                        per week. </al><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de ambtenaar
                        verplicht vrij is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende maximaal een
                        week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar voor werkzaamheden.</al><al>Lid 3</al><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de ondernemingsraad dan
                        wel de ambtenaar daarmee instemt.</al><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel 5.7 van de
                        Arbeidstijdenwet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel mogelijk
                        maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van een cursusjaar een
                        rooster van de in dat cursusjaar te werken uren. </al><al>Lid 3</al><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt het college
                        zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een maand, een aangepast
                        rooster.</al><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31 december 2008
                        een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per jaar, wordt de arbeidsduur
                        met ingang van 1 januari 2009 met 72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen
                        vinden plaats totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur
                        per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze
                        verhogingen naar rato. </al><al>Lid 2</al><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt voor deze
                        ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de ambtenaren, die in dienst
                        zijn van de instelling.</al><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</al><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel 8:3 indien
                        en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt door verhoging van
                        het aantal te werken uren als bedoeld in artikel 19b:13.</al><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                        verplicht vrije periode</al><al>Lid 1</al><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in artikel
                        19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de
                        ambtenaar met een volledige betrekking recht op compensatie van het
                        vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht op
                        compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof per jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek van de
                        ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten
                        en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid,
                        of aan artikel 6:2:6. </al><al>Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen</al><al> Artikel 19b:16 Overtolligheid</al><al> Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al><al> Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                        formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                        formele arbeidsduur</al><al> Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college of het
                        totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie overeenkomt met
                        de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren.</al><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al><al>Lid 1</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan, bedoeld in
                        artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende ontslagvolgorde
                        gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor in aanmerking
                                wensen te komen;</al></li><li nr="b."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing van het
                                afspiegelingsbeginsel in combinatie met anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het eerste lid,
                        onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren met dezelfde functies
                        uitgegaan van de volgende drie leeftijdsgroepen: </al><al>§ van 15 tot 30 jaar;</al><al>§ van 30 tot 45 jaar; en</al><al>§ van 45 jaar en ouder.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de ontslagvolgorde,
                        genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                        formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                        formele arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of,
                        bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                        van zijn formele arbeidsduur wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld in artikel
                        8:3, derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, is
                        artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op grond van
                        artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een zorgvuldig onderzoek niet
                        mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de
                        gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                        werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al><al>Lid 5</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van drie maanden
                        in acht genomen. </al><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><al>§ de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of, bij een formele
                        arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele
                        arbeidsduur wordt ontslagen</al><al>§ minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als bedoeld in de Wet
                        minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                artikel 8:3;</al></li><li nr="b."><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag in tenminste
                                26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                Werkloosheidswet werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c."><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren onmiddellijk
                                voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is
                                gelegen, in tenminste vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon
                                heeft ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht heeft.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de lengte van het
                        dienstverband bij de instelling. Bij een dienstverband van:</al><lijst><li nr="a."><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12 maanden;</al></li><li nr="c."><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18 maanden;</al></li><li nr="d."><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24 maanden.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon op de dag
                                voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd met het aantal verloren
                                arbeidsuren, en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd met het
                                aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de ambtenaar die
                        niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid onder c, maar wel aan de
                        overige voorwaarden in het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV
                        gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon
                        vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is verplicht
                        zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en zich beschikbaar te
                        stellen voor het aannemen van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij
                        alle informatie te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling
                        noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen kan het
                        college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn
                        ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV
                        beëindigd met het aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat.</al><al>Lid 8</al><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het zevende lid
                        geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens de werkzaamheden die tot
                        dat eindigen hebben geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht
                        op de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige
                        uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 9</al><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a."><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies, dat tot het
                                toekennen van een garantie-uitkering heeft geleid, een andere
                                uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                ambtenaar volledig gebruik maakt van het ABP Keuzepensioen;</al></li><li nr="c."><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt op een WAO-
                                of WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer.</al></li></lijst><al>20 Aanvullende regelingen hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel</al><al>Pragraaf 1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al> Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al> Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al> Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
                        werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst,
                        heeft aanspraak op een vergoeding.</al><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
                        spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin
                        de ambtenaar zich ter beschikking moest houden.</al><al> Het verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter
                        beschikking moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag,
                        tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de
                        dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag,
                        die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal uren
                        waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op
                        andere dagen.</al><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
                        het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                        vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                        voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                        zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                        Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven
                        door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
                        uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen
                        op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al><al>Paragraaf 2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters</al><al> Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters</al><al>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters</al><al>Lid 1 </al><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die bij een Veiligheidsregio,
                        onderdeel brandweer, werkzaam is in een dienstrooster, en die voor wat
                        betreft de vaststelling van zijn werktijden valt onder artikel 4:8. </al><al>Lid 2</al><al>De artikelen 3:11 en 3:18 zijn niet van toepassing op de ambtenaar genoemd
                        in het eerste lid. Voor deze ambtenaar zijn de lokale regels over vergoeding
                        van het verrichten van onregelmatige diensten en overwerk van toepassing,
                        zoals deze op 31 december 2015 lokaal golden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling verschuivingstoelage van
                        kracht was, dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing op
                        de ambtenaar genoemd in het eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling van kracht was die voorziet
                        in een functiegebonden toelage dan blijft deze regeling vanaf 1 januari 2016
                        van toepassing voor de ambtenaar genoemd in het eerste lid.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat de in de leden 2 tot en met 4
                        genoemde lokale regelingen in het lokale overleg gewijzigd kunnen
                        worden.</al><al>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen</al><al>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
                        persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk
                        duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen
                        blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college
                        nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
                        levenspartner worden aangemerkt.</al><al>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                        bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen
                        "levenspartner".</al><al>Artikel 21:1:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende voorziening.</al><al>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari 1998.</al><al>Lid 2</al><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel
                        gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het
                        geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die
                        tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                        regeling.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit
                        het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen
                        vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                        opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen
                        daarvan.</al><al>Bijlagen</al><al>Bijlage I Salarisverhoging</al><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen
                        schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                        behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                        zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                        werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen
                        of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996
                        een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                        grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                        genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering
                        wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder
                        dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van
                        het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ
                        250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                        minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar
                        ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                        verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd
                        van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de
                        eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van
                        € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                        procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in
                        de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen
                        die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente
                        ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van
                        0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de
                        medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de
                        factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee
                        eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De
                        eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de
                        hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en
                        werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a,
                        10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                        wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                        resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking.
                        Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50
                        euro.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        3,0%.</al><al>Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke
                        garantiesalarissen</al><al>Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1 januari
                        2016</al><al> Regelnummer Garantieschalen </al><al>33 3377</al><al>35 3501</al><al>37 3623</al><al>39 3733</al><al>41 3849</al><al>43 3970</al><al>45 4098</al><al>47 4222</al><al>49 4341</al><al>51 4461</al><al>53 4576</al><al>57 4818</al><al>59 4933</al><al>61 5053</al><al>63 5188</al><al>67 5487</al><al>69 5637</al><al>73 5935</al><al>75 6086</al><al>77 6258</al><al>79 6427</al><al>81 6595</al><al>83 6779</al><al>85 6977</al><al>87 7176</al><al>89 7375</al><al>91 7574</al><al>93 7772</al><al>95 7974</al><al>Bijlage IIa Salaristabel gemeenteambtenaren</al><al>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2016</al><al>periodiek Schaal </al><al> 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10</al><al>0 1492 1526 1565 1610 1656 1766 1982 2268 2517 2715</al><al>1 1526 1578 1630 1682 1736 1847 2065 2360 2625 2842</al><al>2 1564 1629 1694 1754 1814 1927 2149 2452 2732 2967</al><al>3 1601 1680 1759 1825 1893 2008 2232 2544 2839 3094</al><al>4 1638 1732 1823 1897 1973 2089 2316 2636 2946 3221</al><al>5 1676 1783 1888 1969 2051 2169 2399 2728 3053 3347</al><al>6 1713 1833 1953 2041 2130 2249 2483 2820 3161 3473</al><al>7 1750 1885 2017 2112 2209 2330 2567 2912 3268 3599</al><al>8 1788 1936 2082 2184 2288 2410 2651 3004 3376 3726</al><al>9 1825 1987 2146 2256 2368 2491 2734 3096 3483 3852</al><al>10 1862 2039 2211 2328 2446 2571 2818 3188 3590 3978</al><al>11 1899 2090 2276 2399 2525 2652 2901 3280 3697 4105</al><al>periodiek Schaal </al><al> 10A 11 11A 12 13 14 15 16 17 18</al><al>0 2993 3253 3580 3908 4363 4635 4984 5337 5905 6546</al><al>1 3123 3387 3715 4042 4495 4794 5168 5551 6136 6795</al><al>2 3252 3522 3849 4175 4627 4954 5352 5765 6368 7043</al><al>3 3382 3656 3983 4307 4758 5112 5536 5980 6599 7292</al><al>4 3511 3791 4117 4439 4890 5272 5720 6195 6830 7540</al><al>5 3641 3925 4249 4571 5022 5431 5904 6409 7062 7789</al><al>6 3770 4060 4381 4703 5154 5591 6089 6623 7293 8037</al><al>7 3900 4193 4513 4835 5286 5750 6273 6838 7524 8286</al><al>8 4029 4325 4645 4967 5418 5910 6457 7052 7756 8535</al><al>9 4158 4457 4777 5099 5550 6068 6641 7267 7987 8784</al><al>10 4284 4589 4909 5231 5682 6228 6825 7481 8218 9032</al><al>11 4412 4721 5041 5363 5814 6387 7010 7696 8450 9281</al><al>*Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid
                        geldt een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk
                        aan het wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan
                        120% van het wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden
                        geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op
                        1 januari vastgesteld door het LOGA en gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al><al>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2017, nieuwe structuur*</al><al>periodiek Schaal </al><al> 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10</al><al>0 1498 1533 1571 1616 1663 1773 1990 2277 2527 2726</al><al>1 1533 1584 1636 1688 1743 1854 2073 2370 2635 2853</al><al>2 1570 1636 1701 1791 1821 1935 2158 2462 2743 2979</al><al>3 1607 1687 1766 1832 1901 2016 2241 2554 2850 3106</al><al>4 1645 1739 1831 1904 1981 2097 2326 2646 2958 3233</al><al>5 1682 1790 1896 1977 2059 2178 2409 2739 3066 3360</al><al>6 1720 1841 1960 2049 2139 2258 2493 2832 3174 3487</al><al>7 1757 1892 2025 2121 2218 2339 2577 2924 3282 3614</al><al>8 1795 1944 2090 2193 2297 2420 2661 3016 3389 3741</al><al>9 1832 1995 2155 2265 2377 2501 2745 3108 3497 3868</al><al>10 1870 2047 2220 2337 2456 2582 2829 3201 3604 3994</al><al>11 1907 2098 2285 2409 2535 2662 2913 3293 3712 4121</al><al>periodiek Schaal </al><al> 10A 11 11A 12 13 14 15 16 17 18</al><al>0 3005 3266 3594 3923 4380 4653 5004 5358 5929 6572</al><al>1 3135 3401 3730 4058 4513 4813 5189 5573 6161 6822</al><al>2 3265 3536 3865 4192 4645 4973 5374 5788 6396 7071</al><al>3 3395 3671 3999 4325 4777 5133 5558 6004 6626 7321</al><al>4 3525 3806 4134 4457 4910 5293 5743 6219 6858 7570</al><al>5 3655 3941 4266 4590 5042 5453 5828 6435 7090 7820</al><al>6 3785 4076 4399 4722 5175 5613 6113 6650 7322 8070</al><al>7 3915 4210 4531 4854 5307 5773 6298 6865 7555 8320</al><al>8 4045 4342 4664 4987 5440 5933 6483 7080 7787 8569</al><al>9 4174 4475 4796 5119 5572 6093 6668 7296 8019 8819</al><al>10 4302 4607 4928 5252 5704 6253 6853 7511 8251 9068</al><al>11 4430 4740 5061 5384 5837 6413 7038 7726 8484 9318</al><al>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer per 1 januari 2016</al><al> jaarvergoeding uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. uurbedrag voor
                        brandbestrijding en hulpverlening uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al><lijst><li nr="1."><al>Aspirant manschap a 340 10,51 19,64 13,09</al></li><li nr="2."><al>Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager,
                                Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen 340 12,07 22,69
                                15,12</al></li><li nr="3."><al>Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap
                                A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2 340 13,39 25,11
                                16,74</al></li><li nr="4."><al>Bevelvoerder 510 16,77 31,53 21,02</al></li><li nr="5."><al>Officier van dienst 4019 0,00 40,19 0,00</al></li><li nr="6."><al>Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen 5771 0,00
                                57,71 0,00</al></li><li nr="7."><al>Commandant van dienst 8585 0,00 64,40 0,00</al></li></lijst><al>Bijlage IIc Gebruteerde Vergoedingsbedragen betreffende vrijwilligers bij de
                        gemeentelijke brandweer per 1 januari 2016 </al><al> jaarvergoeding uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. uurbedrag voor
                        brandbestrijding en hulpverlening uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al><lijst><li nr="1."><al>Aspirant manschap A 344 10,65 19,98 13,31</al></li><li nr="2."><al>Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener, Gaspakdrager,
                                Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke stoffen 344 12,30 23,15
                                15,43</al></li><li nr="3."><al>Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap A, manschap
                                A en ten minste twee specialisaties uit categorie 2 344 13,63 25,51
                                17,02</al></li><li nr="4."><al>Bevelvoerder 518 17,06 32,01 21,34</al></li><li nr="5."><al>Officier van dienst 4096 0,00 40,96 0,00</al></li><li nr="6."><al>Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen 5875 0,00
                                58,75 0,00</al></li><li nr="7."><al>Commandant van dienst 8746 0,00 65,55 0,00</al></li></lijst><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen
                        tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                        gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                        vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. </al><al>Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene
                        Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                        punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in
                        1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers
                        die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden
                        zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                        overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.</al><al>Bijlage III Hoorbepaling</al><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><al>Artikel 12:1</al><al>Lid 1</al><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                        plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
                        van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien
                        door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><al>Lid 2</al><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke
                        verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van
                        overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid
                        bedoeld.</al><al>Lid 3</al><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                        voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen
                        een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal
                        zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                        toegelaten. </al><al>Lid 4</al><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de
                        organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde
                        termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><al>Lid 5</al><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                        bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het
                        besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><al>Lid 6</al><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit
                        van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                        organisaties. </al><al>Bijlage IV Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 januari 2016 </al><al>ervaringsjaar/ periodiek 5 6 7 8 9 10</al><al>aanloopbedrag 1 1793 1830 1869 1918 2173 2541</al><al>aanloopbedrag 2 0 1918 1975 2043 2298 2660</al><al>aanloopbedrag 3 0 0 0 2173 2420 2787</al><al>0 1869 2043 2110 2298 2541 2854</al><al>1 1918 2110 2173 2359 2602 2929</al><al>2 1975 2173 2237 2420 2660 2999</al><al>3 2043 2237 2298 2479 2723 3058</al><al>4 2110 2298 2359 2541 2787 3124</al><al>5 2173 2359 2420 2602 2854 3191</al><al>6 2237 2420 2479 2660 2929 3253</al><al>7 2298 2479 2541 2723 2999 3311</al><al>8 2359 2541 2602 2787 3058 3369</al><al>9 2420 2602 2660 2854 3124 3427</al><al>10 2479 2660 2723 2929 3191 3487</al><al>11 0 2723 2787 2999 3253 3552</al><al>12 0 0 2854 3058 3311 3617</al><al>13 0 0 2929 3124 3369 3676</al><al>14 0 0 2999 3191 3427 3733</al><al>15 0 0 3058 3253 3487 3788</al><al>uitloopbedrag 1 2602 2854 3191 3427 3617 3906</al><al>uitloopbedrag 2 0 2999 3311 3617 3733 4028</al><al>uitloopbedrag 3 0 0 0 3733 3849 4158</al><al> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                        personeel in de kunsteducatie</al><al> Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend personeel in
                        de kunsteducatie</al><al>LOGA-partijen vinden dat bij de verhouding lesgebonden versus
                        niet-lesgebonden uren binnen de aanstelling lokaal maatwerk gewenst is.
                        Daarom is in artikel 19b:5 vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van
                        de Wet op de ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin
                        per discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende soorten
                        werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren. </al><al>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</al><al>Tot 1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor
                        onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26 lesgebonden uren
                        en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari 2009 wordt deze vaste
                        maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor is dat een centraal
                        voorgeschreven verhouding geen recht kan doen aan verschillen per
                        discipline, per instelling of per onderwijzend personeelslid. Met een lokale
                        regeling kan wel ingespeeld worden op deze specifieke kenmerken. </al><al>Status sjabloon</al><al>In dit sjabloon worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                        niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In een
                        instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon genoemde
                        werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus niet in de lokale
                        regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook worden vastgesteld dat er
                        instellingsspecifieke werkzaamheden zijn die niet in het sjabloon voorkomen,
                        maar die wel in de lokale regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is
                        dus een handvat voor de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt
                        gehouden met</al><al>Opbouw Sjabloon</al><al>Schematisch is de opbouw van het sjabloon als volgt: </al><al>Categorieën van werkzaamheden </al><al>Dit sjabloon onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><al> De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld worden in
                        drie subcategorieën: </al><al> De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt: </al><al>§ de ervaring van de ambtenaar,</al><al>§ het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al><al>§ de discipline van de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1."><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2."><al>niet-lesgebonden uren.</al></li><li nr="2a."><al>Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren.</al></li></lijst><al>Deze subcategorie hangt direct samen met de lesgebonden uren. </al><al>2b.Algemene werkzaamheden</al><al>Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren. </al><al>2c.Variabele werkzaamheden</al><al>Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.</al><al>1.Lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen</al><al>Het gaat in deze categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                        jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te voeren les- of
                        cursuswerkzaamheden, al of niet te onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><al>§ Type lessen/cursussen: individuele lessen, combinatielessen, groepslessen,
                        klassikale lessen</al><al>§ Homogene ensembles</al><al>§ Heterogene ensembles</al><al>§ Koren</al><al>§ Orkesten</al><al>§ Regulier onderwijs</al><al>§ Speciaal onderwijs</al><al>2.Niet-lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen</al><al>Van sjabloon naar lokale regeling</al><al>Om een beeld te geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling
                        tot stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient dit voorbeeld niet
                        op te vatten als een door het LOGA gewenste verdeling van de verhouding
                        lesgebonden uren versus niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop
                        aan de hand van het sjabloon een lokale regeling kan worden opgesteld.</al><al>Binnen instelling X is onderwijzend personeel werkzaam in drie verschillende
                        disciplines:</al><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende verhouding lesgebonden
                        versus niet-lesgebonden uren: </al><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het onderwijzend personeel in
                        omvang zeer verschillend. Daarom wordt er in instelling X voor gekozen om
                        binnen de categorie niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een
                        uitsplitsing te maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing is als volgt: </al><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                        subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is ook mogelijk om elke
                        discipline een aparte verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                        subcategorieën te maken. </al><al>Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding per discipline</al><al>Er zijn individuele omstandigheden voorstelbaar waarin het onredelijk is
                        vast te houden aan de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per
                        discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden met:</al><al>In de lokale regeling kunnen individuele afwijkingsmogelijkheden op de
                        verhouding die per discipline is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden
                        waaraan voldaan moet worden voordat individuele afwijking is toegestaan,
                        dienen in de lokale regeling te worden opgenomen. Deze individuele
                        afwijkmogelijkheden bepalen tezamen met de verhouding lesgebonden versus
                        niet-lesgebonden uren die voor de discipline van de ambtenaar is vastgelegd,
                        welke verhouding voor de individuele ambtenaar geldt.</al><al>Voorbeeld: </al><al>Voor discipline D staat in de lokale regeling dat de verhouding 70%
                        lesgebonden uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de lokale regeling
                        is ook vastgelegd dat voor discipline D een individuele afwijkmogelijkheid
                        bestaat voor ambtenaren met minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren
                        krijgen ten koste van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden
                        uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren. </al><al>Het college stelt bij toepassing van de lokale regeling voor een ambtenaar
                        met discipline D en minder dan 3 jaar ervaring de verhouding vast op 65%
                        lesgebonden en 35% niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor
                        niet-lesgebonden uren wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven
                        aan subcategorie 2a. </al><al>Tot slot </al><al>Te overwegen valt om een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen
                        aan specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op voorhand te
                        plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden uit de eerder genoemde
                        (sub)categorieën hoeft dan eveneens niet specifiek tijd te worden
                        toegewezen; zij kunnen tot de vrij in te delen tijd worden gerekend.</al><al>2a.Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren</al><al>Het gaat in deze subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline in een
                        bepaalde verhouding tot het aantal lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van
                        het type instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze uren worden ook
                        wel “aanstellingsafhankelijke of leerling- of cursistafhankelijke uren”
                        genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al><al>§ Roosterwerkzaamheden </al><al>§ Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de lessen</al><al>§ Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten, leerlingvolgsysteem en
                        dergelijke</al><al>§ Administratieve afwikkeling van de lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                        presentielijsten)</al><al>§ Rapporten/studieverslagen voor van de leerlingen/cursisten </al><al>§ (Voortgangs)gesprekken met ouders/verzorgers/leerlingen</al><al>§ Bijhouden van de pedagogische, methodische en didactische
                        ontwikkelingen</al><al>§ Bijhouden van vakliteratuur</al><al>§ Onderhouden van de direct aan de lespraktijk verbonden artistieke
                        vaardigheden</al><al>§ Examens/toetsen</al><al>2b.Algemene werkzaamheden</al><al>Het gaat in deze subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het aantal
                        lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “organisatiegebonden uren”
                        genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al><al>§ Personeelsvergaderingen, afdelingsvergaderingen, sector- en
                        sectievergaderingen</al><al>§ Collegiaal overleg (intern en extern)</al><al>§ Voorbereiding en deelname aan open dagen</al><al>§ Functioneringsgesprekken, ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                        ontwikkelingsplan</al><al>§ Overleg over het jaarlijkse cursusboekje/studiegids </al><al>§ Zorg voor het instrumentarium van de instelling en (indien gebruik door de
                        werkgever verplicht is gesteld) van het eigen instrument/gereedschap</al><al>2c.Variabele werkzaamheden</al><al>Het gaat in deze subcategorie om specifieke werkzaamheden die losstaan van
                        het aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “persoonsgebonden
                        uren” genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al><al>§ Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling in relatie tot de lessen en
                        lesmaterialen</al><al>§ Materiële voorbereiding en nazorg van de lessen</al><al>§ Lidmaatschap van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging</al><al>§ Stagebegeleiding</al><al>§ Organisatie en voorbereiding van leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern
                        en/of extern)</al><al>§ Organisatie en voorbereiding van concerten speciaal voor onderwijzend
                        personeelsleden (intern en/of extern)</al><al>§ Organisatie en voorbereiding van exposities (intern en/of extern)</al><al>§ Organisatie en voorbereiding van instellingspresentaties (intern en/of
                        extern) </al><al>§ Deelname aan activiteiten en evenementen voor zover niet genoemd onder
                        subcategorie 2b.</al><al>§ Organiseren van kunstuitingen van cursisten, zoals voorspeelavonden en
                        tentoonstellingen</al><al>§ Begeleiden van een collega bij een voorspeelavond</al><al>§ Coördinatiewerkzaamheden</al><al>§ Algemene organisatiewerkzaamheden, bijvoorbeeld voor
                        nieuwsbrief/schoolkrant van de instelling</al><al>§ Adviseren van leerlingen ten aanzien van instrument- of
                        materiaalkeuzes</al><al>§ Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van de instelling</al><al>§ Bijdragen aan het jaarlijkse cursusboekje/studiegids</al><al>§ Opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de
                        eigen vakbekwaamheid op peil te houden</al><al>§ Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld beroepsverenigingen, vakgroepen,
                        mits de werkgever toestemming heeft verleend </al><al>§ Het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                        instelling voor kunsteducatie.</al><lijst><li nr="1."><al>Discipline A</al></li><li nr="2."><al>Discipline B</al></li><li nr="3."><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Discipline 1. Lesgebonden uren 2. Niet-lesgebonden uren</al><al>Discipline A 65% 35%</al><al>Discipline B 60% 40%</al><al>Discipline C 70% 30%</al><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de subcategorieën</al><al>Aanstellingsomvang 2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren 2b.
                        Algemene werkzaamheden 2c. Variabele werkzaamheden</al><al>Meer dan 27 uur per week 30% 30% 40%</al><al>18 tot en met 27 uur per week 35% 35% 30%</al><al>7,2 tot en met 18 uur per week 40% 40% 20%</al><al>tot en met 7,2 uur per week 47% 47% 6%</al><al>§ zeer veel of zeer weinig ervaring van het onderwijzend personeellid
                        of</al><al>§ het cursustype dat het onderwijzend personeelslid geeft (groepslessen
                        versus individuele lessen)</al><al>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                        kunsteducatie</al><al> Functiebeschrijvingen</al><lijst><li nr="1."><al>Consulent</al><lijst><li nr="A."><al>Beschrijving van de functie</al></li></lijst></li></lijst><al>Functiebenaming: consulent </al><al>Functie-eisen: HBO-niveau</al><al>Taken</al><lijst><li nr="1."><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                steunfunctie-activiteitenplan</al></li><li nr="2."><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten</al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en
                                programma’s</al><lijst><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Docent</al></li><li nr="3."><al>Balletbegeleider</al><lijst><li nr="B."><al>1 Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                        steunfunctie-activiteitenplan</al></li></lijst></li></lijst><al>Informeert en adviseert (potentiële) cliënten over de mogelijkheden van
                        steunfunctieactiviteiten. Overlegt met (de leiding van) potentiële cliënten
                        over wensen en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of begeleidingsplan op
                        of ondersteunt de cliënt daarbij. Overlegt waar nodig met externe
                        instanties.</al><al>B.2 Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten</al><al> Geeft informatie en adviezen over methoden en leermiddelen. Verzorgt
                        teamtrainingen en individuele begeleiding van docenten. Adviseert bij de
                        aanschaf van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf leermiddelen en
                        methodieken. Organiseert met de cliënt producties, tentoonstellingen en
                        andere evenementen. Begeleidt bij de opstelling van werkplannen. Bewaakt de
                        afspraken met betrekking tot begroting, planning en inzet.</al><al>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en
                        programma’s</al><al>Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                        kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling,
                        marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                        marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en andere instanties
                        over organisatie en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit in
                        projectbeschrijvingen. </al><al>A.Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: docent</al><al>Functie-eisen: HBO-niveau</al><al>Taken</al><lijst><li nr="1."><al>Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2."><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en
                                -programma’s</al></li><li nr="4."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al><lijst><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li><li nr="B."><al>1 Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten</al></li></lijst></li></lijst><al> Verzorgt het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met leiding en
                        collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan de inhoud van de
                        onderwijsactiviteiten. Zorgt voor les- en documentatiemateriaal.</al><al>B.2 Het geven van de onderwijsactiviteit</al><al>Bereidt de activiteit voor; stemt af op het niveau van de groep. Geeft de
                        onderwijsactiviteit; doet voor en stuurt bij. Zorgt voor variatie in
                        presentatie en lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en doelstelling
                        deelnemers. Bespreekt regelmatig de vorderingen met (ouders van) deelnemers
                        en evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel leerdoelstellingen bij.
                        Organiseert kunstuitingen van en voor deelnemers.</al><al>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en -programma’s</al><al>Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                        kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan marktanalyses, de ontwikkeling
                        van nieuw aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers
                        en andere instanties over organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                        voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al><al>B.4 Het verrichten van overige werkzaamheden</al><al>Woont diverse overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het vakgebied bij;
                        neemt deel aan na- en bijscholing. Levert bijdragen aan
                        evenementen/instellingsactiviteiten.</al><al>A.Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: Balletbegeleider</al><al>Functie-eisen: MBO-niveau</al><al>Taken</al><lijst><li nr="1."><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2."><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied</al></li><li nr="3."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al><lijst><li nr="B."><al>Beschrijving van de taken</al></li><li nr="B."><al>1 Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li></lijst></li></lijst><al>Begeleidt klassieke balletlessen en andere lesvormen op piano en andere
                        instrumenten. Zorgt waar nodig voor improvisatie en zorgt ervoor dat het
                        karakter van de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past gedurende de
                        oefening tempo en sfeer aan en legt andere accenten als de docent dit
                        aangeeft. Verzorgt de instrumentale begeleiding van uitvoeringen.</al><al>B.2 Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied</al><al> Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij. </al><al>B.3 Het verrichten van overige werkzaamheden</al><al>Voert periodiek overleg met de docent over het afstemmen van het spel op de
                        oefeningen en de samenwerking tussen docent en begeleider.</al><al>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige vorming</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar behorend tot
                        het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten en
                        Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage VI Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</al><al>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen,
                        screeningsinstrumenten en functionele tests bij de aanstellingskeuring
                        gebruikt dienen te worden. De uitwerking van onderstaande onderdelen en de
                        beoordeling hiervan is vastgelegd in de aanstellingskeuring zoals die is
                        ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op
                        www.vng.nl.</al><al>Bijzondere functie-eis: Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                        keuring:</al><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen Signaalvragen (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige diensten,</al><al>§ ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie, epilepsie</al><al>§ aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>§ aanwezigheid van claustrofobie</al><al>§ ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>§ gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar</al><al>§ huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                        aanwezigheid van:</al><al>§ hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>§ depressieve klachten (checklist)</al><al>§ angstklachten (checklist)</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie van:</al><al>§ hoogtevrees (laddertest)</al><al>2.Emotionele piekbelasting Signaalvragen (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                        aanwezigheid van:</al><al>§ posttraumatische stressklachten (checklist)</al><al>3.Energetische piekbelasting Signaalvragen (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>§ belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten (familiair voorkomen
                        HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                        aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ (ter regulering en niet
                        ter afkeuring):</al><al>§ te hoge BMI of buikvet</al><al>§ hoge bloeddruk</al><al>§ diabetes mellitus</al><al>§ afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk geeft van het
                        piek-anaerobe inspanningsvermogen.</al><al> (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al><al>4.Goed gezichtsvermogen Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>§ onvoldoende kleurenzicht</al><al>§ onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>§ onvoldoende gezichtsveld</al><al>5.Goed gehoorsvermogen Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen Signaalvraag (mondeling
                        of schriftelijk) naar:</al><al>§ overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>§ overgevoeligheid longen / huidige klachten luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie)</al><al>§ mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten Signaalvraag (mondeling of
                        schriftelijk) naar:</al><al>§ geldige inentingen</al><al>§ huidige aanwezigheid infectieziekten </al><al>(Hepatitis, Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al><al>8.Tillen/dragen Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ problemen met tillen</al><al>§ huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>§ problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test </al><al>(tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest) </al><al>9.Knielen/hurken Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test </al><al>(tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest) </al><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen Signaalvraag (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test (laddertest) </al><al>(brandweertraplooptest) </al><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug Signaalvraag (mondeling of
                        schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige rugklachten</al><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                        verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het
                        werk te kunnen aantonen: </al><al>§ longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al><al>§ audiogram afname </al><al>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen,
                        screeningsinstrumenten en functionele tests bij het Periodiek Preventief
                        Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De uitwerking van onderstaande
                        onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in het PPMO zoals die is
                        ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op
                        www.vng.nl.</al><al>Bijzondere functie-eis: Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                        keuring:</al><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen Signaalvragen (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>§ aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>§ aanwezigheid van claustrofobie</al><al>§ doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>§ gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds vorige keuring</al><al>§ huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                        aanwezigheid van:</al><al>§ hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>§ depressieve klachten (checklist)</al><al>§ angstklachten (checklist)</al><al>§ hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al><al>2.Emotionele piekbelasting Signaalvragen (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                        aanwezigheid van:</al><al>§ posttraumatische stressklachten (checklist)</al><al>Bijzondere functie-eis: Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                        worden in keuring:</al><al>3.Energetische piekbelasting Signaalvragen (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>§ belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten (familiair voorkomen
                        HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de huidige
                        aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ </al><al>(ter regulering en niet ter afkeuring):</al><al>§ te hoge BMI of buikvet</al><al>§ hoge bloeddruk</al><al>§ diabetes mellitus</al><al>§ afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk geeft van het
                        piek-anaerobe inspanningsvermogen. </al><al>(brandweertraplooptest) </al><al>4.Goed gezichtsvermogen Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens werk</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>§ onvoldoende kleurenzicht</al><al>§ onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>§ onvoldoende gezichtsveld</al><al>5.Goed gehoorsvermogen Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al><al>Bijzondere functie-eis: Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                        worden in keuring:</al><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen Signaalvraag (mondeling
                        of schriftelijk) naar:</al><al>§ overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>§ overgevoeligheid longen / huidige klachten luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige aanwezigheid van:</al><al>§ mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie)</al><al>§ mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten Signaalvraag (mondeling of
                        schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar voor anderen kunnen
                        opleveren</al><al>8.Tillen/dragen Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ problemen met tillen</al><al>§ huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>§ problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test </al><al>(tijdens brandbestrijdingstest) </al><al>9.Knielen/hurken Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test</al><al> (tijdens brandbestrijdingstest) </al><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen Signaalvraag (mondeling of schriftelijk)
                        naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test </al><al>(tijdens brandbestrijdingstest en brandweertraplooptest) </al><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug Signaalvraag (mondeling of
                        schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige rugklachten</al><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding Signaalvraag
                        (mondeling):</al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of gezondheidsklachten
                        opgelopen die van invloed (kunnen) zijn op de uitvoering van uw werk? </al><al>Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><lijst><li nr="1."><al>Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling, psychisch,
                                bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen, tumoren,
                                luchtwegen, huidaandoeningen)</al></li><li nr="2."><al>Ingeschat eigen werkvermogen nu</al></li><li nr="3."><al>Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de fysieke en
                                psychologische taakeisen</al></li><li nr="4."><al>doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen periode</al></li><li nr="5."><al>doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen periode met
                                acute oorsuizingen of tijdelijke gehoorsvermindering als gevolg</al></li><li nr="6."><al>doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen in afgelopen
                                periode</al></li></lijst><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om achteruitgang in
                        longfunctie of gehoor aan te kunnen tonen:</al><al>§ longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>§ audiogram afname </al><al>Toelichting CAR-UWO</al><al>1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Onderdeel a</al><al> Het eerste lid geeft onder a een begripsomschrijving van de term
                        "ambtenaar", zoals deze voor de toepassing van de CAR/UWO geldt. Uit de
                        gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is gezocht bij artikel 1, lid
                        1, van de Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip ambtenaar volgens de
                        Ambtenarenwet zijn de woorden "door of vanwege de gemeente". Hoewel de
                        burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is de CAR/UWO niet
                        op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd door de Kroon
                        en dus niet door of vanwege de gemeente. De rechtspositie van de
                        burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB.
                        van 15 juni 1994, Stb. 462). De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de
                        CAR/UWO of de Ambtenarenwet. Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie
                        geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in het
                        Rechtspositiebesluit wethouders (KB. van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er
                        tussen de wethouder en de gemeente geen gezagsverhouding werkgever/werknemer
                        bestaat, is er geen sprake van een dienstverband.</al><al>Onderdeel d</al><al> Hoewel de pensioenwet per 1 januari 1996 is vervallen en vervangen door een
                        privaat pensioenreglement, blijft niettemin de vermelding van de pensioenwet
                        noodzakelijk. Dit met het oog op bijvoorbeeld de vaststelling van voor
                        pensioengeldige tijd in het kader van de wachtgeldregeling (hoofdstuk 10 van
                        de CAR).</al><al>Onderdeel g en h</al><al> De feitelijke arbeidsduur per week kan afwijken van de formele arbeidsduur
                        per week. </al><al>Onderdeel j en k</al><al> Een volledig dienstverband heeft een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur
                        per jaar. In deze berekening zijn meegenomen het aantal werkdagen verminderd
                        met het aantal, niet jaarlijks op zaterdag of zondag vallende, feestdagen
                        per jaar, gecorrigeerd met de kans dat zij periodiek op een zaterdag of
                        zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7 dag per jaar. De in
                        aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld per jaar 5/7
                        dag), 2e paasdag (7/7), Koningsdag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                        pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7) De berekening is dan als
                        volgt: 365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2 uren (= 36 uren :
                        5) = 1836 uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijv.
                        bevrijdingsdag, Goede Vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de biddag
                        voor het gewas, carnavalsmaandag en/of -dinsdag, vrije dagen voor de
                        plaatselijke kermis etc.) moeten deze, op overeenkomstige wijze, in
                        mindering worden gebracht op de in dit lid genoemde maximale arbeidsduur. De
                        vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd met 7,2 uur bij een feestdag die
                        elk jaar op een andere dag van de week valt en 7,2 uur bij een feestdag die
                        elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet zijnde een zaterdag of
                        zondag.</al><al>Een volledig dienstverband kent een formele arbeidsduur van 36 uur per week.
                        De feitelijke arbeidsduur kan daarvan afwijken.</al><al>Onderdeel n</al><al> De arbeidsduur kan in de vorm van werktijden zowel geheel worden vastgelegd
                        als ook gedeeltelijk. Indien de werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd,
                        spreekt men bijvoorbeeld van bloktijden.</al><al>Onderdeel o</al><al> De berekening hiervoor luidt als volgt: 36 x 52 weken : 12 maanden = 156
                        uur per maand.</al><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar (T)</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel a</al><al> De rechtspositie van het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                        openbaar onderwijs is onder andere geregeld in het Rechtspositiebesluit
                        onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in de diverse
                        onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bij zonder onderwijs is op
                        arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de
                        CAR-UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als
                        werkgever op.</al><al>Onderdeel b</al><al> Het onderwijsondersteunend personeel is belanghebbende in de zin van het
                        Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als het rechtstreeks bij de school
                        is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een schoolschoonmaker bij de gemeente is
                        aangesteld, is de CAR-UWO onverkort van toepassing.</al><al>Onderdeel c</al><al>Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand, die als zodanig
                        optreedt, is geen ambtenaar in de zin van het CAR. Wanneer het gaat om een
                        ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente werkzaam is, geldt de
                        uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in nevenfunctie -
                        functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van de
                        burgerlijke stand.</al><al>Onderdeel d</al><al> Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren die conform artikel 231 van de
                        Gemeentewet zijn belast met de heffing en invordering van gemeentelijke
                        belastingen worden voor de toepassing van de CAR-UWO niet als ambtenaar
                        beschouwd.</al><al>Onderdeel f en g</al><al>Gemeenten kunnen voor de uitoefening van bepaalde taken toezichthouders
                        aanstellen. Een toezichthouder is volgens artikel 5:11 van de Awb: ‘Een
                        persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van
                        toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                        voorschrift’. Er zijn toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid en
                        toezichthouders met opsporingsbevoegdheid. Aan deze laatste groep wordt door
                        het Ministerie van Justitie een BOAakte verleend.</al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR-UWO
                        de mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die
                        volgens wet- en regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun
                        toezichthoudende werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te
                        stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit
                        artikel kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid
                        inhuren via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd
                        ambtenaar.</al><al>Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR-UWO krijgen gemeenten
                        de mogelijkheid om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen
                        als onbezoldigd ambtenaar zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt.
                        Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                        functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
                        hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in
                        bezoldigde dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies van
                        parkeercontroleur en APV-controleur zijn de twee uitzonderingen. Dit is
                        geregeld in een functielijst in de circulaire van het ministerie van
                        Justitie, Directoraat-Generaal Rechtshandhaving, Bureau Juridische en
                        Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2 december 2004, onderwerp:
                        functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar, kenmerk 5324449/504 en de
                        aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk 5402271/506/CBK.</al><al>Onderdeel h</al><al>Veelal laten gemeenten de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door
                        een gemeenschappelijke regeling. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen
                        om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te voeren en geïndiceerden voor
                        de sociale werkvoorziening zelf in dienst te nemen. In het kader van de wet
                        dienen geïndiceerden op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                        recht in dienst te worden genomen. Deze mensen vallen onder de CAO sociale
                        werkvoorziening. Op grond van onderdeel h, eerste zinsdeel, worden deze
                        personen uitgezonderd van de toepassing van de CAR-UWO. Hiermee wordt
                        voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen ontlenen aan de CAO
                        sociale werkvoorziening als aan de CAR-UWO. Uitzondering op de regel zijn
                        degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het kader van begeleid werken.
                        Zij vallen wel onder de CAR-UWO. Deze uitzondering is geregeld in het tweede
                        (en laatste zinsdeel) van onderdeel h.</al><al>Onderdeel i </al><al>Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één
                        arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De
                        directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de
                        inwerkingtreding van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft
                        geen rechtstreekse doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt
                        ook niet gerealiseerd door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van
                        de sector-Cao. Tussen alle bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat
                        de publieke diensten de sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele
                        regeling zullen vaststellen en daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                        Wetboek van overeenkomstige toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt
                        neergelegd in een apart en bindend convenant dat alle betrokken
                        ambulancediensten ondertekenen.</al><al>Lid 2</al><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid
                        kunnen worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR-UWO dient er
                        overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het
                        GO of met de OR besproken moet worden is afhankelijk van de lokale
                        bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR.</al><al>Lid 3</al><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR-UWO wordt beschouwd de vrijwilliger
                        bij de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is
                        geregeld in hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de
                        beroepsbrandweer is wel ambtenaar in de zin van de CAR-UWO.</al><al>Artikel 1:2a en 1:2b Stage-werkervaringsplaats (T)</al><al>De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief
                        werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in
                        het kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is
                        in dat geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener,
                        stagiaire en opleidingsinstituut.</al><al>Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van
                        ervaring centraal en niet het verdienen van geld . Dit neemt niet weg dat er
                        wel een redelijke onkostenvergoeding wordt betaald. Wat een redelijke
                        onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers wordt lokaal in overleg met
                        het bevoegde medezeggenschapsorgaan vastgesteld.</al><al>Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure
                        wijzen op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk
                        om als wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te
                        staan. In de praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet
                        hebben in de werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te
                        hebben op het eigen leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d.
                        moet de wep-er een zekere mate van vrijheid hebben.</al><al>In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van
                        de CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook
                        (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op
                        stagiaires en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld.
                        Zowel de stagiaire als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel
                        1:1.</al><al>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak (T)</al><al>Gemeenten kunnen ambtenaren aanstellen vanwege de Wet banenafspraak en
                        quotum arbeidsbeperkten. Onder deze wet vallen: (1) Mensen met een
                        WSW-indicatie; (2) Wajongers met arbeidsvermogen; (3) mensen met een
                        WIW-baan of ID-baan; (4) mensen die onder de Participatiewet vallen en die
                        door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om de
                        instroom van deze doelgroepen te bevorderen, maakt de CAR-UWO het mogelijk
                        om het salaris af te stemmen op de verdiencapaciteit of de loonwaarde. Deze
                        mogelijkheid is beperkt tot de ambtenaren die onder de wettelijke
                        omschrijving vallen van de doelgroepen (4) mensen die onder de
                        Participatiewet vallen, en (2) Wajongers met arbeidsvermogen.</al><al>1.De omschrijving van deze doelgroep staat in de Wet financiering sociale
                        verzekeringen, artikel 38b lid 1 sub a. In salarisschaal A is het salaris
                        bij periodiek 0 het wettelijk minimumloon en is het salaris bij periodiek 11
                        120% van het wettelijk minimumloon. De bedragen in schaal A worden, in
                        plaats van op de salarisontwikkeling in de Cao Gemeenten, geïndexeerd op de
                        ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op 1 januari
                        bijgesteld. De actuele schaalbedragen worden na goedkeuring door het LOGA
                        gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al><al>Artikel 1:3 Toepassing (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                        bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of groepen
                        ambtenaren.</al><al>Voor het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een
                        collegebesluit nodig. Omdat het hier een aangelegenheid betreft die de
                        rechtspositie van ambtenaren aangaat, dient het voornemen een categorie
                        ambtenaren van de werking van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale
                        georganiseerd overleg aan de orde te zijn geweest. Vervolgens kan een
                        collegebesluit niet genomen worden dan nadat partijen in het Landelijk
                        Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van dit voornemen in kennis
                        zijn gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat op grote schaal groepen
                        werknemers van de werking van de CAR/UWO worden uitgesloten. Op deze wijze
                        kan namelijk afbreuk worden gedaan aan de bindende werking van de
                        CAR/UWO.</al><al>Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet wenselijk is (een groep)
                        ambtenaren van de werking van de CAR/UWO - of gedeelten daarvan - uit te
                        zonderen, wordt besloten tot een verdere procedure. Het is de bedoeling dat
                        en afvaardiging van het LOGA in contact treedt niet het lokale bestuur om te
                        motieven voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens kunnen
                        LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren bestaan.
                        Ingeval het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een procedure in gang
                        zetten, die ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt
                        verklaard.</al><al>Artikel 1:3a Toepassing (T)</al><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a."><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                                griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b."><al>het maakt duidelijk dat de CAR-UWO van toepassing is op de griffier
                                en diens ambtenaren;</al></li><li nr="c."><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van de
                                rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR-UWO op de griffier en de
                        griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder de
                        begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In de
                        memorie van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld dat de
                        rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het
                        overige gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen onder de
                        algemene afspraken die de VNG met de bonden voor de sector gemeenten heeft
                        gemaakt. Dit geldt zowel voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de
                        ledenbrief van 30 mei 2002 geadviseerd om de lokale gemeentelijke
                        rechtspositie en de toekomstige wijzigingen daarin van toepassing te laten
                        verklaren op de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren. Dit dient
                        door de raad te gebeuren omdat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                        griffie.</al><al>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie.</al><al> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de uitvoering van rechtspositionele
                        bevoegdheden ten aanzien van de griffie een zaak van de raad. In de CAR-UWO
                        wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken over het
                        college als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de
                        griffie dient dus voor 'het college' te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                        wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met
                        de gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het uitvoeren van de
                        CAR-UWO en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van de griffier en de
                        op de griffie werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan
                        het college. Zoals gebruikelijk binnen de ambtelijke organisatie, zal het
                        college op zijn beurt een groot aantal bevoegdheden hebben gemandateerd aan
                        zijn ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en
                        mandaatbesluit. De bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie,
                        aanstelling, schorsing en ontslag leent zich in het kader van het dualisme
                        minder goed voor delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                        diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel is het
                        wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden, omdat deze in
                        verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan worden aan
                        beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk, verlofverlening, het
                        verplichten tot aanvaarding van een andere functie, het beoordelen, het
                        verplichten tot het volgen van een opleiding, het opleggen van een
                        disciplinaire maatregel en het vaststellen van een persoonlijk
                        ontwikkelingsplan. In het delegatiebesluit dient bepaald te worden welke
                        bevoegdheden door of namens de raad uitgevoerd worden, en dus niet
                        gedelegeerd worden aan het college. Tevens dient bepaald te worden wie
                        namens de raad de van delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden
                        uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier
                        gemandateerd worden. Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het
                        seniorenconvent, het raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester
                        zijn.</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies (T)</al><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht
                        worden aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare lokale
                        regelingen. Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling onbetaald
                        verlof, de bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO (T)</al><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                        bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                        netwerk. Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                        ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden
                        heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving van de
                        rechtspositieregeling.</al><al>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO (T)</al><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor
                        de lokale (uitvoerings)regels.</al><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen (T)</al><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is
                        het bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de griffier en
                        de griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de gemeenteraad voor te
                        dragen.</al><al>Artikel 1:5 Omvang van het dienstverband (T)</al><al>Bij het berekenen van de nieuwe omvang van een dienstverband of voor het
                        berekenen van verlof kunnen uren uitgerekend worden tot meerdere decimalen
                        achter de komma. Op grond van het bepaalde in artikel 1:5 moeten uren aan
                        het einde van de berekening worden afgerond tot op twee decimalen achter de
                        komma. Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen ontstaan die
                        ongewenste salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis kan het
                        hierbij gaan om tientallen euro’s. Onder de gangbare afbreekregel wordt
                        verstaan dat tot en met vier wordt afgerond naar beneden en vanaf vijf wordt
                        afgerond naar boven.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om voor hogere functies van artikel 2:4 af
                        te wijken. Dit betekent onder andere dat de termijn van 24 maanden niet van
                        toepassing is. Ook geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het
                        principe dat de vierde aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook
                        worden bepaald dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt
                        afgeweken van de salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling
                        bepalingen worden opgenomen die inhouden dat degene die een functie bekleedt
                        waarbij afwijkende afspraken worden gemaakt, niet behoort tot de kring van
                        rechthebbenden op de bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens
                        hoofdstuk 10d. Voordat een dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient
                        overeenstemming te zijn bereikt in het georganiseerd overleg over de
                        criteria aan de hand waarvan de functies worden aangewezen en over de
                        functies zelf.</al><al>Lid 2</al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                        tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden toegepast,
                        uiteraard onder de procedurele voorwaarden die in het eerste lid zijn
                        aangewezen. Deze mogelijkheid maakt het aantrekken van interim-personeel in
                        gemeentelijke dienst gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van
                        de limitatieve opsomming van ontslaggronden in hoofdstuk 8 en van de
                        bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d worden
                        afgeweken. Uiteraard dient elke afwijking van de CAR in ieder individueel
                        geval bij de aanstelling te worden vastgelegd, evenals de criteria op grond
                        waarvan de te verrichten prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden
                        waaronder deze dient te worden verricht.</al><al>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</al><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</al><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                        college, worden benoemd door het college. De griffier en de
                        griffiemedewerkers worden benoemd door de gemeenteraad.</al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst (T)</al><al>Lid 1 </al><al>Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt
                        geplaatst in het bericht van aanstelling op te nemen (Wet van 2 december
                        1993, Stb. 1993, 635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1 UWO. </al><al>Lid 3</al><al>In de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat
                        alle ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene
                        dienst hebben. De functie van de medewerker verandert niet als gevolg van
                        deze omzetting.</al><al>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst (T)</al><al>Lid 1</al><al>In elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe
                        functie passend is. Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als formaliteit
                        worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de
                        argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden. Het belang van de dienst
                        moet de reden zijn voor de aanwijzing van een andere betrekking. Het
                        dienstbelang is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of
                        naar het oordeel van het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of
                        er gemeten met objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is.</al><al>Lid 2</al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden
                        is een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking.
                        De voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen
                        geven zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet – in
                        tegenstelling tot het bepaalde in het eerste lid – al aanwezig worden geacht
                        als dat naar het oordeel van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal
                        slechts kunnen toetsen of het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel
                        is gekomen.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                        beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn
                        persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het
                        besluit niet op.</al><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid (T)</al><al>Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                        aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen bekwaamheids-
                        en geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het ware de keerzijde van
                        artikel 8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de bekwaamheids- en
                        geschiktheidseisen zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6
                        en 8:7, onderdeel a, kunnen toepassen.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten
                        werkzaamheden verrichten die een risico geven op besmetting met hepatitis B,
                        dan moet aan de werknemers, die dit risico lopen een inenting tegen
                        hepatitis B aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken
                        personeel. In het geval dat vaccinatie om principiële redenen wordt
                        geweigerd of vaccinatie niet leidt tot de gewenste bescherming, moet de
                        medewerker wel toestaan dat hij enkele malen per jaar gecontroleerd wordt.
                        Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich te laten inenten. Meer
                        informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie Iatrogene Hepatitis
                        B.</al><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar
                        uitzondering. Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een
                        aanstellingskeuring op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er aan de
                        vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische
                        geschiktheid moeten worden gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op
                        de medische keuringen, die sinds 1 januari 1998 van kracht is en ook voor de
                        overheid van toepassing is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg
                        met de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze
                        functies in een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling wordt
                        opgesteld, waarin criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan bepaald wordt
                        of voor een functie en aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de
                        ondernemingsraad (OR) op grond van artikel 27, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht omtrent deze regeling. De
                        lijst van functies die uit deze lijst voortvloeit hoeft in dat geval niet
                        aan de OR te worden voorgelegd. Wanneer er voor gekozen wordt om niet eerst
                        een regeling te ontwerpen, maar direct een lijst op te stellen, heeft de OR
                        instemmingsrecht wat betreft deze lijst. Het verdient aanbeveling de lijst
                        met functies waarvoor een aanstellingskeuring geldt openbaar te maken en in
                        sollicitatieprocedures met betrekking tot dergelijke functies al in het
                        beginstadium aan te geven dat de keuring deel uitmaakt van de
                        sollicitatieprocedure.</al><al>Het ligt voor de hand dat de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de
                        geneeskundigen van de Arbo-dienst waarbij de gemeente is aangesloten.</al><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling (T)</al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                        tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of
                        onbepaalde tijd plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve
                        opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden.
                        Alleen bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een
                        aanstellingsgrond genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer
                        aanwezig zijn van de aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling
                        voor onbepaalde tijd ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij
                        een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een
                        aanstellingsgrond te noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling
                        is de reden van beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke
                        aanstellingen bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen
                        dat mag worden gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege
                        wordt omgezet in een vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de
                        wijzigingen in het BW als gevolg van het van kracht worden van de
                        betreffende bepalingen in de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015
                        (stb.2014, 216)</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin
                        de materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude
                        lid 4 komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was
                        geregeld. De reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de
                        maximale aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde
                        tijd is vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de
                        ‘aanstelling bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien zijn betekenis
                        verloren. Onder het huidige artikel 2:4 kunnen nieuwe medewerkers nog steeds
                        ‘op proef’ worden aangesteld.</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een
                        eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en
                        waarvoor van de gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de
                        kennis in huis heeft.</al><al>Zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, zijn de ketenbepalingen in
                        artikel 2:4 niet van toepassing op aanstellingen in verband met een
                        beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Het met ingang van 1 juli 2015 geldende
                        vierde lid regelt de arbeidsrechtelijke gevolgen van opeenvolgende
                        dienstverbanden die een medewerker heeft met verschillende werkgevers (zoals
                        uitzendbureaus, payroll bedrijven of detacheringsbureaus), waarbij deze
                        medewerker binnen dezelfde organisatie feitelijk of in hoofdzaak dezelfde
                        werkzaamheden blijft verrichten, voor rekening komen van de (opvolgende)
                        werkgever bij overschrijding van de grenzen genoemd in het tweede of derde
                        lid. E.e.a. heeft – behoudens voorafgaande detachering in dezelfde functie -
                        geen betrekking op de situatie waarin een ambtenaar bij gemeente A uit
                        dienst gaat om vervolgens bij gemeente B in dienst te treden.</al><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling (T)</al><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten. De
                        Wet van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de
                        Europese Gemeenschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn
                        arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) stelt regels
                        terzake. In deze wet wordt bepaald dal de overheidswerkgever verplicht is de
                        werknemer een schriftelijke opgave te doen van:</al><al>§ de identiteit van de werkgever;</al><al>§ de naam en woonplaats van de werknemer;</al><al>§ de functie van de werknemer;</al><al>§ de datum van indiensttreding;</al><al>§ de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien deze voor
                        bepaalde duur wordt aangegaan;</al><al>§ de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                        aanspraak;</al><al>§ de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen ontslag-
                        respectievelijk opzegtermijnen;</al><al>§ het salaris en de termijn van uitbetaling;</al><al>§ de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al><al>§ het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift, houdende
                        regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover.
                        Het derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald
                        dat wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur kosteloos aan de
                        werknemer wordt medegedeeld.</al><al>De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het algemeen
                        een aanstelling in algemene dienst niet in de weg. Gedetailleerde
                        functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                        aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                        aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van aanstelling) is
                        namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie
                        ook artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in artikel 2:4:1, eerste
                        lid, onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat voor
                        deze categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de CAR
                        niet van toepassing zijn. Het aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen
                        voor de rechtspositie van deze medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst (T)</al><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                        tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een arbeidsovereenkomst
                        uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst naar
                        burgerlijk recht aan te gaan in het geval van oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een werkgever
                        geen onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de medewerker in
                        tijdelijke dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij dit objectief
                        gerechtvaardigd is (legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit). Voor
                        de beoordeling bij de vraag of er sprake is van gelijke behandeling is een
                        vergelijkbare medewerker in vaste dienst het ijkpunt. Met een vergelijkbare
                        medewerker in vaste dienst wordt de medewerker bedoeld die in dezelfde
                        organisatie, hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een
                        soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met
                        kwalificaties en bekwaamheden.</al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in
                        artikel 125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van
                        toepassing op arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van de
                        Ambtenarenwet van overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers met
                        wie de gemeente een tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten.</al><al>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst (T)</al><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met
                        2:4:2 van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen uit
                        artikel 2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder meer
                        dat het bij de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is geweest
                        van een opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan
                        wel van een combinatie daarvan.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</al><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                        minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren wordt per
                        kwartaal bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één maand ertoe
                        kunnen leiden dat in de volgende maand (binnen datzelfde kwartaal) minder
                        dan 15 uur hoeft te worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur
                        is gewerkt als over de dan minder dan 15 uur is gewerkt hoeft slechts 15 uur
                        te worden uitbetaald. Slechts wanneer over een kwartaal meer dan 15 uur per
                        maand gemiddeld is gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de
                        LOGA-brief van 6 mei 1994, kenmerk ARZ/403483.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst (T)</al><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                        werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar dit
                        artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid - om de
                        andere essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer maken
                        tot een arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen verplichtingen op zich en
                        verkrijgen rechten ten opzichte van elkaar. In onderdeel f is aangegeven dat
                        ingeval de oproepkracht herhaalde malen weigert aan een oproep door de
                        werkgever gehoor te geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan
                        leiden tot ontslag op grond van artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij
                        is het wel noodzakelijk dat het aantal malen dat de oproepkracht gedurende
                        een bepaald tijdvak een oproep kan weigeren in de overeenkomst is
                        vastgelegd. Wederzijds is dus geen sprake van vrijblijvendheid.</al><al>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht (T)</al><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur
                        per maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting,
                        ook als de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie
                        van toepassing is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze
                        loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden
                        opgenomen. De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door
                        het inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.</al><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht (T)</al><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel
                        2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                        aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden
                        na het einde van de laatste aanstelling.</al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur (T)</al><al>De Wet flexibel werken (Stb. 2015, 245 en latere wijzigingen in Stb. 2015,
                        376 en Stb. 2015, 274) is de opvolger van de Wet aanpassing arbeidsduur. De
                        wet is direct van toepassing op medewerkers (ambtenaren en
                        arbeidscontractanten) van de gemeente. Als de ambtenaar een verzoek indient
                        zal dit verzoek moeten worden afgehandeld met inachtneming van de
                        (procedurele) bepalingen uit de Wet flexibel werken.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Als een medewerker verzoekt om aanpassing van de arbeidsduur of werktijden
                        moet de werkgever dit verzoek honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. De Wet flexibel werken geeft
                        voorbeelden van situaties die – afhankelijk van het soort verzoek – vallen
                        onder de noemer zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.</al><al>Lid 3</al><al>Als een ambtenaar een verzoek doet tot aanpassing van de werkplaats
                        (thuiswerken/plaats onafhankelijk werken), moet dit verzoek worden overwogen
                        door het college. Voor het afwijzen van het verzoek tot wijziging van de
                        arbeidsplaats is niet vereist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs-
                        of dienstbelang.</al><al>Lid 4</al><al>In de Wet flexibel werken is opgenomen dat de wet niet van toepassing is ten
                        aanzien van de aanpassing van de arbeidsduur van de ambtenaar die de
                        AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een medewerker die de
                        AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, heeft daarom op grond van de Wet
                        flexibel werken geen recht op vermindering of uitbreiding van zijn uren,
                        maar hij kan op grond van deze wet wel een verzoek doen tot aanpassing van
                        de arbeidsplaats of (spreiding van de) werktijden.</al><al>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur (T)</al><al>Algemeen</al><al> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen periode de
                        formele arbeidsduur per week van een ambtenaar van 36 naar maximaal 40 uur
                        uitbreiden. Instemming van de ambtenaar is hierbij vereist. De periode
                        waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                        verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                        structureel op maximaal 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per week
                        blijft liggen. Hierop wordt voor de betreffende medewerker in het jaar
                        waarin de uitbreiding zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat om
                        een tijdelijke uitbreiding van gemiddeld maximaal 4 uur, die na afloop van
                        de vastgestelde periode weer van rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12,
                        tweede lid). De regeling betekent niet dat de aanstelling zelf verandert.
                        Als de omvang van de aanstelling na de bepaalde periode teruggaat naar 36
                        uur behoudt de betrokkene derhalve een volledig dienstverband en wordt hij
                        geen deeltijder.</al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toelagen, premies
                        inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht
                        loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage, bodembedrag van de
                        eindejaarsuitkering en vakantieaanspraken evenredig worden aangepast
                        gedurende de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al>Lid 2</al><al>Onderdeel 8: Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de
                        arbeidsduur kunnen niet gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren
                        worden gekocht.</al><al>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</al><al>Preambule</al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2013-2015 hebben partijen in het LOGA
                        afspraken gemaakt over een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk, dat in
                        werking is getreden op 1 januari 2016. De belangrijkste veranderingen
                        waartoe het LOGA heeft besloten zijn: Het integreren van de lokale
                        bezoldigingsverordening in hoofdstuk 3 van de CAR; Het niet langer hanteren
                        van het begrip bezoldiging; en Het laten vervallen van gedetailleerde
                        aanwijzingen voor de uitvoering. In het nieuwe begrip ‘salaristoelagen’
                        worden de toelagen opgesomd, die samen met het salaris tot 1 januari 2016 de
                        oude ‘bezoldiging’ vormden. Met de introductie van ‘salaristoelagen’, kon
                        afscheid worden genomen van het begrip ‘bezoldiging’, zonder dat de daaraan
                        verbonden rechten en verplichtingen teniet zijn gegaan. De begrippen die in
                        dit hoofdstuk worden gebruikt, zijn in artikel 1:1 nader omschreven.</al><al>Het vernieuwde beloningshoofdstuk is met ingang van 1 januari 2016 ook van
                        toepassing op brandweerpersoneel in dienst van een veiligheidsregio. In
                        overleg met het Landelijk Overleg Brandweerspecifieke Arbeidsvoorwaarden
                        (LOBA) heeft het LOGA aanvullende afspraken gemaakt voor toepassing van
                        hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel. Deze aanvullende afspraken zijn
                        vastgelegd in hoofdstuk 20 van de car-uwo.</al><al>Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen
                        ten nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Hoofdstuk 3
                        bevat een limitatieve opsomming van beloningselementen. Alleen ten aanzien
                        van die onderdelen waarbij in de tekst van dit hoofdstuk is bepaald dat het
                        college iets ‘kan’, heeft het college regelruimte. Daarbij gaat het zowel om
                        de zogenaamde ‘kan-bepalingen’, als de lokale invulling van een op centraal
                        niveau afgesproken ‘bandbreedte’. Bij de kan-bepalingen (artikelen 3:14,
                        3:15, 3:20 en 3:22) heeft het college de vrijheid om de betreffende
                        arbeidsvoorwaarde al dan niet toe te passen (de ambtenaar kan er dus niet
                        zondermeer rechten aan ontlenen) en áls dat het geval is, op welke wijze dat
                        gebeurt. Daarnaast bevat dit hoofdstuk ‘bandbreedte-bepalingen’, waar de
                        ambtenaar wél rechten aan kan ontlenen. Ten aanzien van de
                        bandbreedte-bepalingen hebben LOGA-partijen een bandbreedte afgesproken, die
                        op lokaal niveau nader kan worden ingevuld. Zo is bijvoorbeeld in artikel
                        3:8 met betrekking tot de functioneringstoelage geregeld dat deze maximaal
                        10% van het salaris bedraagt en voor een periode van maximaal een jaar wordt
                        toegekend. Deze twee indicatoren voor de omvang van de
                        functioneringstoelage, bepalen de ‘bandbreedte’ die in het lokale
                        beloningsbeleid nader kunnen worden ingevuld.</al><al>De keuze voor het toepassen van ‘kan bepalingen’ en de nadere invulling van
                        de ‘bandbreedte bepalingen’, vormen samen met de bestaande beleidsregels met
                        betrekking tot de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk, het
                        beloningsbeleid van de gemeente(lijke organisatie). Afspraken over het
                        beloningsbeleid worden op werkgeversniveau gemaakt. Deze afspraken behoeven
                        de instemming van het lokale Georganiseerd Overleg (GO).</al><al>Uitgangspunt van het beloningsbeleid is dat alle gemeenten een
                        functiewaarderingssysteem hebben, aan de hand waarvan de functies worden
                        beschreven. Gemeenten zijn vrij in de keuze van een
                        functiewaarderingssysteem. In die organisaties waarin naast of in plaats van
                        ‘functies’ wordt gesproken over ‘rollen’, worden die rollen overeenkomstig
                        een functiewaarderingssysteem beschreven.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is de oude salarisregeling die gold tot 1
                        april 1996 komen te vervallen. Ambtenaren op wie deze regeling nog van
                        toepassing was, zijn uiterlijk per 1 januari 2016 ingepast in de nieuwe
                        structuur.</al><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen
                        (T)</al><al>Lid 1</al><al>In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                        worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of
                        psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De
                        artikelen 7:13:1 en 7:13:2 vormen een nadere uitwerking van lid 1 in
                        gevallen van arbeidsongeschiktheid.</al><al>Lid 2</al><al>De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.</al><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris (T) </al><al>Lid 1</al><al>Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering
                        van de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze
                        waarop het salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden
                        uitgewerkt. Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen;
                        bijvoorbeeld op junior-, medior- of senior-niveau. In dat geval gaat het om
                        drie te onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal.
                        Uitgangspunt is dat de functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit
                        dit artikel vloeit echter niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de
                        functie noodzakelijkerwijs op het minimum van de salarisschaal dient te
                        worden ingeschaald. Het college kan hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de
                        aan te stellen ambtenaar in zijn vorige functie een hoger salaris genoot of
                        als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft.</al><al>Lid 2</al><al>Deze lagere schaal, die lokaal ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’,
                        is bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd
                        voor de functie waarin zij zijn geplaatst. De periode die de ambtenaar in
                        deze aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de
                        voor de functie gelden eisen op het gebied van opleiding, ervaring en
                        bekwaamheid, zodat de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld.
                        Zodra dit het geval is dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de
                        functie geldende functieschaal.</al><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging (T)</al><al>Lid 2</al><al>Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het
                        toekennen van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke
                        beoordeling van het functioneren van de ambtenaar. De invoering en het
                        gebruik van een systeem van periodieke functionerings- en
                        beoordelingsgesprekken vereist de instemming van de OR.</al><al>Lid 3</al><al>Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De
                        toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een
                        blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van
                        artikel 3:8 en 3:20.</al><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal (T)</al><al>Lid 1</al><al>Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die
                        leidt tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van
                        degene die op het moment van herwaardering de functie vervult.</al><al>Lid 2</al><al>Instemming met herplaatsing in lager gewaardeerde functie met een
                        bijbehorend lager salaris, bij de eigen werkgever of een andere werkgever in
                        de gemeentelijke sector, heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de
                        aow-gerechtigde leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende
                        aanstellingsomvang, geen gevolgen voor de pensioenopbouw. Een en ander is
                        geregeld in artikel 3:5 van het Pensioenreglement.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van
                        reorganisatie boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1
                        geformuleerde uitgangspunt is mogelijk in de gevallen waarin het sociaalplan
                        of –statuut voorziet in de mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in
                        een functie met een lager maximumsalaris en een evenredige aanpassing van
                        zijn salaris.</al><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal (T)</al><al>Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde
                        functie, als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3:3
                        lid 2) naar de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze
                        bepaling kan op werkgeversniveau worden geregeld, waarbij het geldende
                        beloningsbeleid als uitgangspunt dient.</al><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal (T)</al><al>Uitloopschalen zijn uitsluitend toegestaan op basis van een ‘oude’ lokale
                        regeling (in werking voor 1 januari 2016) en conform deze regeling. Indien
                        de doorgroei in een uitloopschaal lokaal blijvend is geregeld, staat deze
                        ook open voor ambtenaren die op of na 1 januari 2016 in dienst zijn
                        gekomen.</al><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage (T) </al><al>Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend
                        functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke
                        voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn
                        functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het
                        functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel
                        3:4 lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3:20. Deze toelage heeft
                        altijd een tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het
                        maximumsalaris en de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze
                        koppeling te vervallen (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als
                        gevolg van herwaardering hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de
                        functioneringstoelage.</al><al>De functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3:20
                        beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties). Samen vormen
                        deze artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd
                        gaat om tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties,
                        uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van
                        medewerkers. Dit in tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken
                        (artikel 3:4 lid 3) die structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben
                        dat de medewerker sneller het maximum van de salarisschaal bereikt.</al><al>Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een
                        blijvend beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na
                        verloop van tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond
                        waarop de toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan
                        deze meerdere keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen
                        of de grond waarop de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in
                        het toekenningsbesluit expliciet worden vermeld.</al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per
                        maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal
                        of op jaarbasis).</al><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage (T)</al><al>De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden
                        gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op
                        de arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of
                        doordat in de er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om
                        gewenning aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te
                        voorkomen, kan het college besluiten om deze toelage in plaats van
                        maandelijks, één maal per jaar uit te keren. Zolang de knelpunten op de
                        arbeidsmarkt voortduren, kan de arbeidsmarkttoelage aansluiten worden
                        toegekend voor een nieuwe periode van maximaal 3 jaar.</al><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage (T)</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft geen recht op een waarnemingstoelage als het waarnemen
                        van de hogere functie een integraal onderdeel is van zijn functie, waarmee
                        rekening is gehouden bij de beschrijving en waardering van die functie.
                        Voorbeeld van een dergelijke situatie is de adjunct directeur die de
                        directeur vervangt tijdens vakantie en kortdurende afwezigheid.</al><al>Lid 2 + 3</al><al>Met deze bepaling wordt beoogd dat de waarnemer – voor het deel van de
                        functie dat wordt waargenomen – op het zelfde niveau wordt beloond als het
                        geval zou zijn geweest indien hij/zij bij bevordering in de waar te nemen
                        functie zou zijn aangesteld. Voor een juiste vaststelling van de toelage
                        moet de betrokken ambtenaar volgens de bij de werkgever geldende regels –
                        fictief – worden ingeschaald in de functieschaal van de functie die wordt
                        waargenomen. Het verschil tussen dat bedrag en het salaris van de ambtenaar
                        wordt als waarnemingstoelage uitgekeerd. In het beloningsbeleid kan de
                        toepassing van deze bepaling nader worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de
                        bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4:3 t/m
                        4:7). Voor deze ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de
                        toelage onregelmatige dienst bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige
                        werktijden. Onregelmatig zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en
                        feestdagen(gehele etmaal) én op maandag t/m vrijdag buiten de periode van
                        8.00 uur tot 18.00 uur.</al><al>De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het
                        gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster)
                        worden toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke
                        arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1:1 en vallen op die grond buiten de
                        definitie van ‘overwerk’.</al><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage (T)</al><al>Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de
                        buitendagvenstertoelage:</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden
                                en die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster
                                werkzaamheden te verrichten (artikel 4:2 lid 8) heeft recht op een
                                buitendagvenstertoelage.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden
                                en die door de werkgever wordt aangewezen om
                                beschikbaarheidsdiensten te verrichten ontvangt hiervoor een
                                vergoeding op grond van artikel 3:13. Wordt de ambtenaar tijdens
                                deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om daadwerkelijk
                                werkzaamheden te verrichten gedurende zijn beschikbaarheidsdienst
                                dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over de uren die hij
                                heeft gewerkt buiten het dagvenster.</al></li></lijst><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                        uurloon. Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd
                        gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn
                        leidinggevende. De uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet
                        omgezet worden in vakantieverlof.</al><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst (T) </al><al>Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de voor
                        de ambtenaar geldende werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die
                        recht geeft op een toelage is sprake als het gaat om:</al><al>§ afgebakende periodes, </al><al>§ buiten de normale, voor de ambtenaar geldende werktijden, </al><al>§ waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep werkzaamheden
                        te verrichten.</al><al>Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er
                        altijd rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat
                        men zelden of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de
                        ICT-medewerker die ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten,
                        of een beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet
                        beantwoorden. Hierbij gaat het om incidenten die bij het werk horen. De
                        beschikbaarheidsdienst is voor onvoorziene maar niet-incidentele
                        werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet ook regels voor de
                        beschikbaarheidsdienst. Deze kan op grond van artikel 5:9 van de
                        Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes
                        worden opgelegd.</al><al>Buiten de normale voor de ambtenaar geldende werktijden: In sommige functies
                        is de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor
                        onvoorziene omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van
                        beschikbaarheidsdienst in de zin van dit artikel.</al><al>Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is
                        verplicht om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten.
                        Het is niet noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden
                        verricht; in voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis
                        worden verricht.</al><al>Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar
                        tijdens deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe – werkzaamheden
                        heeft verricht, geldt het volgende:</al><al>§ De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden,
                        ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het dagvenster
                        vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel 3:12. </al><al>§ De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                        heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een
                        overwerkvergoeding op grond van artikel 3:18.</al><al>Artikel 3:15 Garantietoelage (T)</al><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden
                        toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                        functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere
                        salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op
                        salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage
                        overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze
                        bepaling.</al><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage (T)</al><al>Lid 1</al><al>De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen
                        en niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde uitkeringen, vergoedingen of
                        vormen van variabele beloning.</al><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam (T)</al><al>Lid 1</al><al>Tot de genoemde taken worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen
                        gerekend.</al><al>Lid 2</al><al>Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet
                        cumuleert.</al><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding (T)</al><al>Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie
                        de bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor
                        de werktijden staat in de artikelen 4:3 tot en met 4:7.</al><al>Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren.
                        Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt,
                        maar op een woensdag van 11:00 tot 16:00 uur moet overwerken, krijgt voor de
                        op die woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.</al><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering (T)</al><al>Lid 2</al><al>De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf januari van
                        dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet een geheel
                        kalenderjaar in dienst zijn, wordt een eindejaarsuitkering betaald over dat
                        gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn
                        geweest.</al><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum (T) </al><al>Lid 1</al><al>Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt uitgegaan van de
                        al dan niet aansluitende tijd – in voltijd en/of deeltijd – doorgebracht in
                        een dienstverband bij een (destijds) bij het ABP aangesloten werkgever. Het
                        is niet noodzakelijk dat de betrokken ambtenaar destijds ook zelf
                        ABP-deelnemer is geweest. De tijd doorgebracht als vrijwilliger bij de
                        brandweer telt niet mee, evenals onbetaalde baantjes,
                        werkervaringsovereenkomsten of stages.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldende
                        salaris, de salaristoelagen en de vakantietoelage naar rato over de maand
                        waarin het jubileum valt. Een ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle
                        gevallen onbelast worden uitgekeerd; aanbevolen wordt om dit bij de
                        Belastingdienst na te gaan.</al><al>Lid 3</al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                        reorganisatieontslag, of bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor
                        80% of meer. Alleen bij reorganisatie is gedeeltelijk ontslag mogelijk en
                        kan het dus voorkomen dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie
                        verstrekt moet worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is
                        verleend. Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                        prestaties Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren
                        eenmalig een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                        geleverde bijzondere prestaties. </al><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
                        (T)</al><al>Artikel 3:20 is een ‘kan-bepaling’, op basis waarvan lokaal een regeling kan
                        worden opgesteld. LOGA-partijen hebben hiermee een mogelijkheid gemaakt om
                        lokaal beleid voor bijzondere prestaties of gratificaties onder te kunnen
                        brengen in hoofdstuk 3. Ambtenaren kunnen aan artikel 3:20 zelf geen rechten
                        ontlenen; dat kan alleen als een lokale regeling de mogelijkheid daartoe
                        bevat. Aan een lokale gratificatieregeling kunnen medewerkers geen aanspraak
                        ontlenen van structurele aard. Het moet echt gaan om eenmalige en bijzondere
                        gebeurtenissen.</al><al>Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3:8. Samen vormen
                        deze artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het
                        college bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele
                        (projectmatige) inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in
                        tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (art. 3:4 lid 3) die
                        structureel van karakter zijn, en tot gevolg hebben dat de ambtenaar sneller
                        het maximum van de salarisschaal bereikt. Het tijdelijke karakter van de
                        beloningselementen voorkomt dat ze een blijvend beslag op de loonsom leggen,
                        en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van tijd minder wordt, of
                        zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3:8 en 3:20 gaat het dan ook
                        nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en incidentele
                        beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend kunnen
                        worden toegekend. Desgewenst kan het college besluiten om het geldbedrag in
                        meerdere termijnen uit te keren.</al><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding (T)</al><al>Het college stelt de regeling vast op grond waarvan deze kosten worden
                        vergoed. Met inachtneming van de aangegeven begrenzing van de vergoeding OV
                        (2e klasse), kan voor vergoeding van de overige kosten desgewenst de
                        ‘Reisregeling binnenland’(BZK) worden toegepast.</al><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door
                        de dienst (T)</al><al>Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de
                        dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de
                        overlijdensuitkering van artikel 3:23.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met de toegekende
                        salaristoelagen en de vakantietoelage, waarbij de 12 kalendermaanden direct
                        voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode dient.</al><al>Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is
                        gekort o.g.v.artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op de hoogte van de
                        overlijdensuitkering. Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris.
                        Ook bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de
                        maand van overlijden als referteperiode.</al><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering
                        (T)</al><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                        ziektekosten, namelijk € 168 per jaar of € 296 per jaar. De maand december
                        is de peildatum voor de beoordeling of de ambtenaar de lage of de hoge
                        tegemoetkoming in de ziektekosten ontvangt. In de maand december wordt het
                        salaris van de ambtenaar in die maand vergeleken met het in december
                        geldende bedrag van het maximum van schaal 6. Is het salaris van de
                        ambtenaar in december meer dan het maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de
                        lage tegemoetkoming. Is het salaris van de ambtenaar in december gelijk aan
                        of minder dan het maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de hoge
                        tegemoetkoming.</al><al>Overgangsrecht hoofdstuk 3 (T)</al><al>1a Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen</al><al>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming –
                        die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen
                        van de betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval
                        in salaris of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen –
                        op te vangen, niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De
                        toelage is met andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet
                        worden meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals
                        geregeld in dit overgangsrecht.</al><al>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari
                        2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de
                        voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die
                        golden bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van
                        toepassing blijven.</al><al>1b.Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen einddatum</al><al>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een
                        rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een
                        hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals
                        in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in
                        de TOR, kan eveneens worden voortgezet volgens de condities zoals die golden
                        op het moment dat de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage
                        tijdelijk is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke
                        toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                        gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière
                        wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een
                        toelage gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet.
                        Opname in de TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde
                        toelage eeuwig in een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een
                        schriftelijk vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en
                        tot de vastgelegde einddatum.</al><al>3.</al><al>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in
                        hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><al>4.</al><al>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de vakantietoelage
                        meer beloningselementen (inclusief emolumenten) omvat dan het salaris en de
                        toegekende salaristoelagen, moeten bij het vaststellen van de TOR rekening
                        houden met het volgende. Als het daarbij gaat om beloningselementen, die met
                        de introductie van hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd,
                        dienen de betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname
                        in de TOR met 8% te worden verhoogd.</al><al>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet
                        aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel
                        is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in
                        beloning. Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht
                        en de tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is
                        daarom afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016
                        te compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                        aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het
                        dienstverband ongewijzigd bestaan. </al><al>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende
                        soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men
                        in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is.
                        De TOR 1 is een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt,
                        bijvoorbeeld een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger
                        te bepalen, omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen
                        ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale
                        bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in eenzelfde
                        dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is afgesproken 2014 als
                        refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is dat 2014 een recent
                        afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan onregelmatige
                        diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op
                        basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.</al><al>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van
                        het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het
                        bedrag dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil,
                        dan wordt daarmee de TOR 2 gevuld.</al><al>Geen roosters </al><al>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren
                        heeft de berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in
                        het LOGA afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die
                        wordt gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het
                        gegeven dat de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van
                        hoofdstuk 3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR
                        dit rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het
                        verschil bepaalt de hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd
                        werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een overwerktoelage als de
                        gemeente daarvoor kiest hetzij om ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het
                        overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling
                        wordt geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen
                        worden toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015.
                        Voor nieuwe medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het
                        slechts om een hele kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig
                        overwerkt, kan dit alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee
                        systemen van overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door
                        opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014),
                        een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar
                        is door langdurige ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald
                        verlof, extreem veel overwerk of andere redenen wordt in onderling overleg
                        een ander representatief refertetijdvak vastgesteld. </al><al>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de
                        bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als
                        medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt
                        de TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde
                        periode gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling
                        van het overgangsrecht. </al><al>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden
                        geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte
                        berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt
                        dat medewerkers er door invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan</al><al>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de
                        medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is
                        het geval als het om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke
                        omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een
                        reorganisatie of gewijzigde werktijdenregelingen het onmogelijk is om de
                        roosters van 2014 te reproduceren. </al><al>5.</al><al>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief
                        verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de
                        toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale
                        toeslagen- tot een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (-
                        Euro 200) = Euro 100-. </al><al>De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar
                        is geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering,
                        vakantietoelage of levensloopbijdrage.</al><al>6.</al><al>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                        medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door
                        promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt
                        niet verrekend met de TOR van de medewerker. </al><al>7.</al><al>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                        uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld
                        omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een
                        uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13)
                        afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA
                        heeft niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is
                        echter dat als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is.
                        Betreft het een enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook
                        individueel worden gemaakt.</al><al>8.</al><al>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd
                        wordt het bedrag naar rato verlaagd.</al><al>10.</al><al>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De
                        TOR daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><al>11.</al><al>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato,
                        behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet
                        wordt verhoogd. </al><al>12.</al><al>Zie punt 8.</al><al>13.</al><al>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft
                        de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben
                        op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de
                        gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude
                        regeling. Dat betekent ook dat de in die regeling vastgestelde criteria
                        gelden voor de bepaling of het relevante aantal jaren is behaald. De
                        gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet
                        bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op individueel niveau.
                        Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3
                        de oude regeling op te nemen.</al><al>4 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden (T)</al><al>In hoofdstuk 4 zijn regels over de werktijden vastgelegd. Dit laat onverlet
                        dat ook op lokaal niveau een werktijdenregeling moet worden vastgesteld in
                        overleg met de OR. In deze regeling kunnen aanvullende regels gesteld worden
                        die recht doen aan de lokale situatie. Voorbeelden daarvan zijn bloktijden,
                        openingstijden van het kantoorpand etc.</al><al>§ 1 Standaardregeling voor de werktijden (T)</al><al>LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over
                        flexibilisering van de werktijden, aansluitend bij de behoefte van
                        werkgevers en werknemers. De standaardregeling is de norm, de bijzondere
                        regeling de uitzondering. Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de
                        ambtenaar (enige) vrijheid heeft bij het bepalen van zijn werktijden. Dit
                        betekent niet dat er sprake moet zijn van volledige zeggenschap van de
                        ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de gezagsverhouding die de relatie
                        werkgever en werknemer typeert. De ambtenaar heeft een zekere vrijheid in
                        het in het bepalen van zijn werktijden. De ene dag werkt hij meer omdat hij
                        een deadline moet halen, dit compenseert hij door op een ander moment minder
                        te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar verlangen dat hij op
                        aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit bij de uitoefening
                        van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de standaardregeling.</al><al>Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap. De
                        leidinggevende geeft ruimte en vertrouwen, de medewerker draagt een grote
                        professionele verantwoordelijkheid. De OR heeft in dit proces een
                        belangrijke rol; zij monitort of het proces rondom het individueel
                        vaststellen van de werktijden goed verloopt binnen de organisatie en past
                        binnen de kaders van de werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het
                        geval is kan de OR verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan
                        bijvoorbeeld zijn dat alle medewerkers van een afdeling, vanwege
                        terugkerende problemen rondom de werktijden, onder de bijzondere regeling
                        geplaatst worden, tijdelijk of voor onbepaalde tijd.</al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van
                        zeggenschap van de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste
                        roosterdienst gewerkt wordt, dan kan de standaardregeling niet meer van
                        toepassing zijn. In dat geval worden de werktijden eenzijdig vastgesteld
                        door het college en geldt de bijzondere regeling van artikel 4:3 en verder.
                        Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie
                        beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders,
                        vallen niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als
                        deze medewerkers (enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere
                        werktijden dan vallen ook zij onder de standaardregeling. Ook het werken in
                        roosters heeft niet per definitie tot gevolg dat medewerkers onder de
                        bijzondere regeling van de werktijden vallen.</al><al>Indien de gemeente gebruik maakt van een systeem van zelfroostering,
                        waardoor medewerkers zeggenschap krijgen over hun werktijden, dan geldt ook
                        voor deze medewerkers de standaardregeling. De bijzondere regeling is
                        uitsluitend van toepassing op medewerkers die (vrijwel) geen zeggenschap
                        hebben over hun werktijden.</al><al>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden (T)</al><al>Algemeen</al><al> De standaardregeling heeft als uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn
                        leidinggevende afspraken maakt over invulling van zijn werktijden. Het is
                        uitdrukkelijk niet de bedoeling van de standaardregeling dat voor iedere
                        ambtenaar een individueel rooster wordt opgesteld in overleg met de
                        leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de ambtenaar zijn
                        sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de “control” los.
                        Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de medewerker. De ruimte
                        die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed ambtenaar betaamt moeten
                        invullen.</al><al>Lid 3, 4, 5, 6 en 7 </al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende
                        afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn
                        werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de
                        ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat
                        uiteindelijk niet lukt dan stelt het college eenzijdig de werktijden vast,
                        maar dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In die
                        situatie valt de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is onwenselijk
                        dat binnen een afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden.
                        Toch kan dit voorkomen indien een leidinggevende met een individuele
                        medewerker niet tot goede afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de
                        OR aan zet; zie hiervoor de toelichting op lid 12.</al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de
                        werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de
                        ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de
                        ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig
                        aan te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de
                        situatie dat ambtenaar en leidinggevende het erover eens zijn dat de formele
                        arbeidsduur per jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan
                        vastgesteld. De ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het uurloon
                        of een uur vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn
                        leidinggevende stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit
                        gebeurt in ieder geval aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde
                        van een dienstverband. Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te
                        veel gewerkte uren uitbetaald tegen de vergoeding.</al><al>Lid 8</al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang
                        werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een
                        buitendagvenstervergoeding tegenover.</al><al>Lid 10</al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende
                        afspraken maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van
                        toepassing. Dit lid heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor
                        geldt het bepaalde in het elfde lid.</al><al>Lid 11</al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde
                        lid leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege
                        dienstbelang op andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden
                        die binnen het dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie
                        de ambtenaar en zijn leidinggevende tot goede afspraken komen. Als dat niet
                        mogelijk blijkt te zijn en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk
                        dat de ambtenaar werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een
                        vergoeding ter hoogte van de laagste buitendagvenstervergoeding.</al><al>Lid 12</al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en
                        medewerker. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt
                        hoe dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR
                        problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan
                        de OR verbetervoorstellen doen aan het college.</al><al>Lid 13</al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over
                        werktijden een dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het
                        dagvenster zoals omschreven in artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt
                        in dit verband gedoeld op uren/dagen waarvoor geen toelage onregelmatige
                        dienst verstrekt wordt. Op grond van de regels over de TOD en werktijden
                        zoals deze golden op 31 december 2013 was het bijvoorbeeld mogelijk om de
                        ambtenaar op zaterdag voor ten hoogste drie uren in te roosteren zonder
                        aanspraak op een TOD. Als de gemeente op 31 december 2013 een
                        werktijdenregeling met een ruimer dagvenster had en die in overeenstemming
                        met de regels van de CAR-UWO was, dan blijft dit ruimere dagvenster ook
                        gelden vanaf 1 januari 2014.</al><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer (T)</al><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel
                        geringe zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden
                        eenzijdig vastgesteld door het college. Het gaat in deze situatie in elk
                        geval om medewerkers die in een rooster werken en geacht worden op vaste
                        tijden hun werk te verrichten. Als de ambtenaar die valt onder de
                        standaardregeling geen overeenstemming bereikt met zijn leidinggevende over
                        zijn werktijden dan is de bijzondere regeling op hem van toepassing. Zijn
                        werktijden worden dan eenzijdig vastgesteld.</al><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen (T)</al><al>Lid 2 </al><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                        verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden
                        gesteld de kerk te bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden
                        gehouden. Hoe moet worden omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap
                        behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is
                        geregeld in het vijfde lid van dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                        gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag.</al><al>Lid 4</al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de
                        carnavalsmaandag, maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is
                        van de officiële lustrumviering. Dergelijke aangewezen dagen moeten in de
                        berekening van de arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen Wat het recht
                        op overwerkvergoeding op dergelijke feestdagen betreft geldt hetzelfde als
                        in de toelichting bij het derde lid is aangegeven De hoogte van de
                        overwerkvergoeding is in dit geval afhankelijk van de dag waarop de feestdag
                        valt. Zo geldt voor de bepaling van de hoogte van de overwerkvergoeding voor
                        gewerkte tijd op een carnavalsmaandag hetgeen in artikel 3:18, is geregeld
                        ten aanzien van een "gewone" maandag.</al><al>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</al><al>Hoofdstuk 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden (T)</al><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de
                        elementen van een cafetariamodel of CAO à la carte. Artikel 4a:1 maakt het
                        mogelijk om vakantie-uren te verkopen en artikel 4a:2 maakt het mogelijk om
                        extra vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3 maakt het mogelijk om een lokale
                        regeling te treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld (T)</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur.</al><al>Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 6 april 2006
                        (HvJ EG 6 april 2006, C-124105) een uitspraak gedaan over de verkoop van de
                        wettelijke vakantie-uren. In de Europese richtlijn over arbeidstijden
                        (93/104/EG) is geregeld dat werknemers recht hebben op een jaarlijkse
                        vakantie van tenminste vier weken. Deze minimumperiode van de jaarlijkse
                        vakantie mag niet worden vervangen door een financiële vergoeding, ook niet
                        in volgende jaren. Bij een volledige formele arbeidsduur gaat het dus om 4 x
                        36 uur = 144 uur minimale wettelijke vakantie-uren. Een ambtenaar heeft bij
                        een volledige formele arbeidsduur recht op ten minste 158,4 vakantie-uren
                        per jaar op grond van artikel 6:2, eerste lid CAR-UWO. De minimum periode
                        van de jaarlijkse vakantie op grond van de CAR-UWO ligt daarmee hoger dan
                        het aantal wettelijke vakantie-uren op grond van de richtlijn want dit zijn
                        er 144. De wettelijke vakantie-uren kunnen niet afgekocht worden, ook niet
                        in een volgend jaar.</al><al>Voorbeeld 1:</al><al> Een ambtenaar treedt op 1 januari 2004 in dienst en heeft een volledig
                        dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht op 158,4 vakantie-uren maar neemt
                        110 uur op in 2004. In 2005 wil hij de resterende 48,4 vakantie-uren
                        verkopen. Dit is niet toegestaan. Het wettelijk aantal vakantie-uren van de
                        ambtenaar bedraagt 144. Het verschil tussen 158,4 en 144 mag hij verkopen
                        (inzetten in het cafetariamodel) maar de overige uren moet hij opnemen in
                        2004 of daarna.</al><al>Echter op basis van het tweede lid van artikel 6:2 CAR-UWO kan het aantal
                        vakantie-uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor voltijders) door
                        in een kalenderjaar 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar. Op
                        deze wijze wordt het aantal vakantie-uren verhoogd tot 208,8 uur en kan
                        maximaal 64,8 uur worden verkocht. Voor deeltijders geldt steeds een aantal
                        uren naar rato van de deeltijdfactor. Voor medewerkers die van de
                        seniorenmaatregel gebruikmaken geldt hetzelfde principe (zie ook artikel
                        6:2:1 lid 6).</al><al>Voorbeeld 2:</al><al> Een ambtenaar treedt op 1januari 2004 in dienst en heeft een volledig
                        dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht op 158,4 vakantie-uren. Daarnaast
                        heeft hij een verzoek ingediend om 50,4 uur extra te werken en deze uren om
                        te zetten in vakantie-uren. In totaal heeft deze ambtenaar 208, 8(158,4+
                        50,4) vakantie-uren in 2004. Hij neemt daarvan 130 uur op en houdt 78,8
                        (208,8-130) vakantie-uren over. De ambtenaar heeft in 2004 niet het
                        wettelijk aantal vakantie-uren (144) opgenomen. Deze 14(144-130) uren kan
                        hij niet verkopen en neemt hij mee naar 2005. De ambtenaar kan van zijn
                        vakantieaanspraak over 2004, 64,8 (50,4+14,4) uren verkopen.</al><al>Lid 4</al><al>De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo'n belang is in ieder geval
                        sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>van financiële en organisatorische aard;</al></li><li nr="b."><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of</al></li><li nr="c."><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe
                                geen ruimte biedt.</al></li></lijst><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot vakantie
                        voor geld en omgekeerd aan de OR, zodat deze zicht heeft op het totale
                        gebruik van de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van artikel 28 van de
                        Wet op de ondernemingsraden, waarin is geregeld dat de OR de naleving
                        bevordert van de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied
                        van arbeidsvoorwaarden.</al><al>Lid 5</al><al>Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per vakantie-uur
                        een vergoeding van een (bruto) uurloon bovenop zijn normale (bruto) salaris.
                        Dit is zijn eigen uurloon, tenzij lokaal anders is overeengekomen. Door het
                        verkopen van vakantie-uren worden de grondslagen voor WAO/WIA-premie,
                        pseudo-premie WW, UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en
                        inkomstenbelasting verhoogd. De uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en
                        ZW) en suppletie worden tevens verhoogd. Het verkopen van vakantie-uren
                        heeft geen gevolgen voor de hoogte van de eindejaarsuitkering,
                        vakantie-uitkering en levensloopbijdrage. Het verkopen van vakantie-uren is
                        op basis van het Pensioenreglement pensioengevend. Het ABP hanteert echter
                        de peildatumsystematiek waardoor de pensioengrondslag gedurende een jaar
                        niet kan worden gewijzigd. De verhoging van het pensioengevend inkomen
                        vanwege het verkopen van vakantie-uren kan in het pensioengevend inkomen van
                        het volgende jaar worden verwerkt. De opbrengst van de verkoop van uren kan
                        worden ingezet voor de gemeentelijke levensloopregeling zoals vastgelegd in
                        hoofdstuk 6a. De tegenwaarde van de uren wordt dan gestort op de
                        levenslooprekening van de medewerker.</al><al>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren (T)</al><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit artikel
                        kan de ambtenaar geld uitwisselen voor vrije uren. Een werknemer met een
                        formele arbeidsduur van 36 uur kan maximaal 72 vakantie-uren in een
                        kalenderjaar kopen. Voor de deeltijder geldt dit naar rato. Verrekening
                        geschiedt door middel van inhouding van een geldbedrag. Door het kopen van
                        vakantie-uren worden de grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudopremie WW,
                        UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting lager. In
                        tegenstelling tot bij het verkopen van uren blijven de uitkeringen (op basis
                        van de WAO, WIA, WW en ZW) en suppletie onveranderd. De eindejaarsuitkering,
                        vakantie-uitkering en levensloopbijdrage blijven ook onveranderd. Het
                        pensioengevend inkomen als genoemd in artikel 3.1 van het Pensioenreglement
                        wijzigt bij de aankoop van vakantie-uren niet mits wordt voldaan aan de
                        voorwaarden van het besluit van 8 september 2008, CPP2008/1727M.</al><al>Lid 3</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs of dienstbelang zoals vermeld in lid 3 is in
                        ieder geval sprake indien toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige
                        problemen: voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                        uren; op het gebied van veiligheid, of van roostertechnische aard.</al><al>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                        vakantietoelage of urenvergoeding (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid biedt de mogelijkheid om het salaris, de toegekende
                        salaristoelage(n), eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering of de vergoeding
                        voor extra te werken uren te verlagen in ruil voor andere
                        bestedingsmogelijkheden. In 2006 zijn de bestedingsmogelijkheden o.a. een
                        fietsregeling, de vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van
                        woon-werkverkeer. Dit kan een fiscaal voordeel opleveren voor de ambtenaar,
                        als aan de fiscale voorwaarden wordt voldaan. In ieder geval wordt door deze
                        bepaling aan één van de voorwaarden van de belastingdienst voldaan.
                        Voorwaarde is namelijk dat er een basis in de arbeidsvoorwaardenregeling is
                        gelegd voor het inleveren van salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                        vakantie-uitkering en vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren.</al><al>Lid 2</al><al>In een lokaal te treffen regeling (bijvoorbeeld een fietsregeling, de
                        vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer)
                        kunnen de voorschriften en de voorwaarden worden vastgelegd, rekening
                        houdend met de fiscale randvoorwaarden. Een lokale verordening mag een
                        dergelijke tijdelijke verlaging van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) niet in de weg staan.</al><al>5 Seniorenmaatregelen</al><al>Hoofdstuk 5 Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</al><al>Hoofdstuk 5a Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</al><al>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de
                        ambtenaar wordt verleend. Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het
                        college in de algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie
                        (artikel 6:2:1, eerste lid) ook aangeven welke gedragslijnen worden
                        gehanteerd wanneer het vakantieverlof van enig jaar niet in zijn geheel is
                        genoten. De mogelijkheid om niet-genoten verlofuren door te schuiven naar
                        een volgend jaar zijn beperkt tot die gevallen zoals genoemd in de artikelen
                        6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In het geval dat het dienstbelang zich
                        tegen het verlenen van vakantie verzet en hierdoor de vakantie in dat
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is toegekend, wordt de niet-genoten
                        vakantie zo veel rnogelijk in het eerstvolgend kalenderjaar verleend
                        (artikel 6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is verleend op gronden
                        genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of herhalingsoefening
                        militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie in principe toegekend in
                        het volgend kalenderjaar. Op verzoek van de ambtenaar kunnen over het
                        tijdstip van opname ook andere afspraken worden gemaakt.</al><al>Artikel 6:2 Duur vakantie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2. Indien de
                        ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7.2 uur per dag, zal het
                        verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil
                        genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij
                        voor 42 uur is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel
                        verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de ambtenaar verlof wil in weken
                        waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt, het verlof
                        slechts met relatief minder uren wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke arbeidsduur van 42
                        uur, de ambtenaar bijvoorbeeld weinig verlofuren resteert, kan het de
                        ambtenaar worden toegestaan om gedurende de weken dat hem een feitelijke
                        arbeidsduur van minder dan 36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te
                        realiseren over minder dan vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten
                        vrije tijd kan creëren.</al><al>Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een
                        aantal aspecten van de Organisatie van de arbeid’, hebben werknemers
                        jaarlijks recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat
                        wil zeggen viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat
                        bij een 36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij
                        een volledig dienstverband) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van
                        1836 uur voortvloeit. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid
                        aantal uren als maximum. Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht
                        op een gelijk aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in
                        vóór 1 november (tenzij anders geregeld) in het jaar voorafgaande aan het
                        kalenderjaar waarvoor het verzoek geldt. Niet voor niets is hiervoor de
                        zelfde formulering gekozen als in de artikelen 4a:1, eerste lid, en artikel
                        4a:2, eerste lid (het verzoek tot verkoop dan wel koop van vakantie-uren).
                        Gelet op de samenhang met het cafetariamodel ligt het voor de hand dat het
                        college bij de toewijzing van de verzoeken rekening houdt met alle mutaties
                        van het verlof, te weten:</al><al>§ extra vakantie-uren op basis van dit artikel;</al><al>§ verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:1;</al><al>§ koop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:2.</al><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                        bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan
                        wel roostertechnische aard.</al><al>Lid 3</al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid
                        is in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek leidt tot
                        ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b."><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:1 Nadere regels (T)</al><al>Lid 2</al><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor deeltijders naar
                        rato moet worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij vormt de formele
                        arbeidsduur op jaarbasis. Dit is de arbeidsduur overeenkomstig de
                        aanstelling De minimale duur van de vakantie voor ambtenaren met een
                        volledig dienstverband is vastgelegd in artikel 6:2 CAR. Dit betekent dat
                        voor een deeltijder met een formele arbeidsduur van 24 uur per week het
                        aantal verlofuren ten minste 24/36 x 158,4 = 105,6 uur per kalenderjaar
                        bedraagt.</al><al>Lid 3</al><al>Door middel van een lokale regeling voortziet het college ten aanzien van
                        (een groep) ambtenaren in een vermeerdering van de vakantie op grond van
                        volbrachte diensttijd, bereikte leeftijd dan wel beide. Per extra verlofdag
                        dient het basisverlof voor een voltijder met 7,2 uur te worden vermeerderd.
                        Een werknemer met bijvoorbeeld drie leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6
                        uur verlof bovenop het basisverlof van ten minste 158,4 uur per
                        kalenderjaar. Bij een deeltijder wordt het extra aantal verlofdagen naar
                        rato vastgesteld. In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk
                        ARZ/507630) is het lokale overleg geadviseerd om twee leeftijdverlofdagen
                        voor nieuw indiensttredend personeel te laten vervallen. Ook in het geval
                        dat iemand de ene gemeentelijke werkgever verruilt voor een andere
                        gemeentelijke werkgever vervallen deze leeftijdverlofdagen.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige tijdstippen
                        werken en ambtenaren die zich buiten de voor hun functie vastgestelde
                        werktijden ter beschikking houden, aanspraak hebben op extra verlof.
                        Voorwaarde hierbij is wel dat het onregelmatige arbeidspatroon van de
                        ambtenaar dan wel de evengenoemde plicht zich beschikbaar te houden,
                        regelmatig en in belangrijke mate geldt.</al><al>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode (T)</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit lid aan de
                        ambtenaar geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de
                        ambtenaar redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk
                        op de hoogte wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te
                        nemen.</al><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                        redenen van afwezigheid (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato
                        van afwezigheid.</al><al>Lid 3</al><al>Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van
                        vakantie-opbouw. Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en
                        zwangerschapsverlof en afwezigheid wegens ziekte. Dat vloeit voort de uit
                        Europese richtlijn 2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk
                        verlof. In de CAR wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen wettelijk en
                        bovenwettelijk verlof.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen. De vakantie mag
                        zijn herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een
                        advies geven, een en ander zoals veelal zal zijn geregeld in het Protocol
                        als bedoeld in artikel 7:9 lid 4 CAR. De opgenomen vakantie wordt in
                        mindering gebracht van het verlofsaldo. Op grond van artikel 6:1 wordt
                        gedurende de vakantie het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        doorbetaald zonder de korting die eventueel al geldt gezien de duur van de
                        ziekte. In het geval waarin de ambtenaar in het kader van een medische
                        behandeling of therapie elders moet verblijven wordt geen vakantieverlof
                        afgeschreven.</al><al>Lid 5</al><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar
                        een vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar
                        een volledig dienstverband herberekend - salaris van de ambtenaar per maand
                        (artikel 1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van
                        de schaal dat op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het
                        ontslag wordt verleend of, indien voor de functie een vast bedrag geldt, dit
                        bedrag.</al><al>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                        redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt geschoven. De vakantie
                        dient uiterlijk voor het einde van het tweede volgend kalenderjaar te worden
                        verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                        verjaard.</al><al>Artikel 6:2:5 Intrekking (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts
                        gedeeltelijk vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie wordt
                        ingetrokken, de genoten vakantie-uren als niet verleend worden
                        beschouwd.</al><al>Lid 2</al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                        vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van immateriële schade.
                        Bij geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                        vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten van vliegtickets
                        waar geen gebruik van gemaakt kan worden.</al><al>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in
                        een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de
                        belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Doet zich de
                        situatie niet of niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof
                        worden geëffectueerd met inachtneming van de beperking zoals verwoord in lid
                        3. Deze bepaling geeft overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen
                        verlofuren te schrappen (met uitzondering van het bepaalde in artikel 6:2:3,
                        tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                        doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit medisch oogpunt
                        bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat dit een heilzame
                        uitwerking zal hebben. Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar
                        moet kunnen aantonen, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de
                        behandelend of controlerend arts, dat hij gedurende die periode nog niet
                        genezen was en dat er uit medisch oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn
                        afwezigheid dan wel dat er een heilzame uitwerking werd verwacht. Er wordt
                        tijdens deze periode geen verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet de
                        ambtenaar namelijk ziekteverlof gedurende welke niet nog eens verlof uit
                        andere hoofde kan worden opgenomen. Indien de ambtenaar wegens ziekte
                        slechts een gedeelte van zijn arbeid kan verrichten en vakantie opneemt,
                        geldt artikel 6:2:3, vierde lid. Indien het aantal naar een volgend
                        kalenderjaar over te boeken verlofuren slechts een gering aantal betreft –
                        het college dient dan in een besluit te bepalen hoeveel - kan een verzoek
                        tot overboeking achterwege blijven. Het overboeken geschiedt dan
                        automatisch. Daarbij kan het college tevens stipuleren dat dit aantal
                        verlofdagen vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het spreekt
                        vanzelf dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg dient
                        te worden gevoerd.</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt
                        tijdens zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit het overleggen
                        van een verklaring van een arts of van een op verleende geneeskundige hulp
                        betrekking hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk
                        ziek melden. Indien het onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen,
                        is het voldoende dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al>Lid 3</al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van
                        het op grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar overgeboekt
                        vakantieverlof. Een ambtenaar met bijvoorbeeld recht op 187,2 uren
                        vakantieverlof kan, wanneer op zijn verzoek dit verlof in zijn geheel wordt
                        overgeboekt naar een volgend kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 187,2 =
                        280,8 uur verlof opnemen (tenzij op verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk
                        anders is beslist). De dan nog resterende verlofuren worden vervolgens naar
                        het volgende kalenderjaar doorgeschoven.</al><al>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin
                        het wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk
                        verlof in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een
                        vervaltermijn van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te
                        nemen, bijvoorbeeld omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze
                        termijn niet. Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en
                        ambtenaar na herstel een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het
                        resterende wettelijk verlof.</al><al>Lid 2</al><al>Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor
                        een loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil
                        inzetten, kan hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het
                        college en de ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op
                        basis van een onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof (T)</al><al>Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014
                        beschikt, wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.</al><al>Vanwege de gewijzigde regels rond opbouw en opname van verlof - analoog aan
                        hoe dit in het Burgerlijk Wetboek is geregeld - is het van belang om een
                        duidelijk onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke begrippen
                        “vervallen” en “verjaren” die hierop van toepassing zijn. Bij verval komt
                        het recht op verlof onherroepelijk te vervallen door het verstrijken van een
                        termijn. De uitzonderingen daarop zijn geregeld in artikel 6:2a eerste lid.
                        Bij verjaring komt het verlof in beginsel ook te vervallen na het
                        verstrijken van de termijn, maar kan dit door middel van een schriftelijke
                        verklaring van de rechthebbende medewerker worden ‘gestuit’. De strekking
                        van deze verklaring moet zijn dat betrokkene de beschikking wil houden over
                        het verlof dat dreigt te verjaren. Het gevolg van stuiten is dat een nieuwe
                        verjaringstermijn gaat lopen en de medewerker zijn aanspraak op het verlof
                        behoudt. Dit laatste wil overigens niet zeggen dat hij er ook altijd over
                        kan ‘beschikken’ zoals geregeld in artikel 6:2:6, derde lid, UWO.</al><al>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op
                        vakantietoelage gedurende de periode dat betrokkene geen aanspraak heeft op
                        salaris (bijvoorbeeld tijdens een periode van non-activiteit). Voor de
                        berekening van een evenredig deel van de vakantietoelage wordt de maand
                        gesteld op 30 dagen.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per kalendermaand
                        wordt berekend over het in die maand uitbetaalde salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n). De minimum vakantietoelage bedraagt € 146,65 per
                        maand.</al><al>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage (T)</al><al>Lid 3</al><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van het salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) wordt ingehouden in geval van een
                        disciplinaire maatregel of een schorsing, over deze periode geen
                        vakantietoeslag wordt uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit expliciet bij de
                        strafoplegging of schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval, dan ontvangt
                        betrokkene een vakantietoeslag over dat deel van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) dat niet is ingehouden.</al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het kraamverlof, calamiteiten en ander kortverzuimverlof is geregeld in de
                        Wet arbeid en zorg (Wazo). De Wazo is per 1 december 2001 in werking
                        getreden (Stb. 2001, 567) en is van toepassing op werknemers en ambtenaren.
                        Het doel van de Wazo is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te
                        stellen om betaald werk te combineren met zorgtaken. In de Wazo zijn daarom
                        regels gesteld omtrent diverse vormen van verlof, zoals calamiteiten- en
                        kort verzuimverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij adoptie
                        en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De
                        bepalingen van de Wazo zijn niet opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet
                        nodig omdat de wet rechtstreeks van toepassing is op gemeenteambtenaren. In
                        de CAR en de UWO zijn alleen die aangelegenheden geregeld die afwijken van
                        de wet of aanvullende aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de
                        leesbaarheid van de regeling een bepaling uit de Wazo overgenomen.</al><al>De bepalingen in de Wazo m.b.t. het calamiteiten- en ander kort
                        verzuimverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014,
                        565), Bij die gelegenheid is de in de wet opgenomen opsomming van situaties
                        op grond waarvan calamiteiten- of kort verzuim verlof kan worden toegekend,
                        verruimd. Daarbij gaat het om de introductie van het criterium
                        ‘onvoorzienbaarheid’ en de toevoeging van spoedeisend, onvoorzien of
                        redelijkerwijze niet buiten werktijd te plannen arts- of ziekenhuisbezoek –
                        of de noodzakelijke begeleiding daarbij – als reden voor het toekennen van
                        verlof. Het calamiteiten-, kort verzuim- en kraamverlof is geregeld in de
                        artikelen 4:1 t/m 4:7 Wazo.</al><al>Kraamverlof</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is ook in de Wazo geregeld dat het kraamverlof
                        kan worden uitgebreid met drie dagen, door een ‘voorschot’ te nemen op het
                        (onbetaald of betaald) ouderschapsverlof. Eén en ander is geregeld in
                        artikel 6:5 lid 4 Wazo.</al><al>Overzicht graden van bloed- en aanverwantschap</al><al>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof (T)</al><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                        voltrokken.</al><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof (T)</al><al>Algemeen</al><al>Het langdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo). Voor
                        een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting
                        bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot het
                        langdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb.
                        2014, 565). Daarbij is de kring van personen ten behoeve waarvan kort – en
                        langdurend zorgverlof kan worden opgenomen verruimd met bloedverwanten in de
                        eerste en tweede graad, huisgenoten en andere personen uit de sociale
                        omgeving. Behalve in het geval van een levensbedreigende ziekte kan er ook
                        langdurend zorgverlof worden toegekend t.b.v. de noodzakelijke verzorging
                        bij ziekte of hulpbehoevendheid. Het langdurend zorgverlof is geregeld in de
                        artikelen 5:9 tot en met 5:16 Wazo.</al><al>Lid 1</al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                        geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren dat hij langdurend
                        zorgverlof geniet.</al><al>Lid 2 tot en met 7</al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                        vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof. Ziekte schort het
                        langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend
                        zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak
                        op zijn volledige salaris en toegekende salaristoelage(n), wordt de
                        vermindering van de duur van de vakantie beëindigd en vindt de opbouw van de
                        vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige beloning.</al><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof (T)</al><al>Lid 2</al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al>Lid 3</al><al>Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                        vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele
                        aangelegenheden. Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe
                        zijn aangewezen door een vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren
                        binnen de eigen of een andere organisatie in de regio, conform artikel
                        12:2:7 lid 3.</al><al>Lid 7</al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de vóórvergadering en de vergadering
                        zelf. Voor de voorbereiding van de vergadering en werkzaamheden ten gevolge
                        van de vergadering wordt geen verlof verleend.</al><al>Lid 8</al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                        zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties plaatselijk in de
                        uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het verlenen van het bijzonder
                        verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden met de
                        lokale omstandigheden, zoals de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het
                        aantal in de vakorganisaties actieve leden etc.. Een nadere regeling kan
                        bijvoorbeeld voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder verlof
                        wordt geweigerd op grond van het dienstbelang.</al><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof (T)</al><al>Algemeen</al><al>Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg. Voor een
                        inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting bij
                        artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het kortdurend zorgverlof
                        zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014, 565), waarbij de
                        kring van personen t.b.v. waarvan kortdurend zorgverlof kan worden opgenomen
                        is verruimd met bloedverwanten in de eerste en tweede graad, huisgenoten en
                        andere personen uit de sociale omgeving. Het kortdurend zorgverlof is
                        geregeld in de artikelen 5:1 tot en met 5:8, 5:15 en 5:16 Wazo</al><al>Samenloop met andere verlofvormen</al><al> De wetgever heeft het noodzakelijk geacht om een regeling te treffen over
                        samenloop tussen de diverse verlofvormen. Het is immers mogelijk dat een
                        situatie zowel voldoet aan de voorwaarden voor calamiteitenverlof, als aan
                        de voorwaarden voor kortdurend zorgverlof. In dat geval zou het voor de
                        ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om voor calamiteitenverlof te kiezen
                        omdat dit verlof verleend wordt met behoud van het volledige salaris en
                        toegekende salaristoelage(n). In artikel 5:8 Wazo is daarom bepaald dat
                        indien zowel is voldaan aan de voorwaarden voor het calamiteitenverlof, als
                        aan de voorwaarden voor het kortdurend zorgverlof, het calamiteitenverlof na
                        één dag eindigt.</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledig
                        dienstverband ten hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit
                        betekent dat ook de ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel 2:7a
                        verruimd is naar maximaal 40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar
                        zorgverlof kan opnemen.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                        ambtenaar met een dienstverband van minder dan 36 uur per week, naar
                        evenredigheid wordt verminderd.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft
                        voor rekening van de ambtenaar en voor de andere helft voor rekening van de
                        werkgever komt. Voor de verrekening van het verlof kan worden gedacht aan de
                        inlevering van regulier verlof. Ook kan de mogelijkheid worden geboden om
                        het verlof op een later moment in te halen. Het college bepaalt in overleg
                        met de ambtenaar hoe de verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit (T)</al><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen-, vut- en AAOP-premies zijn afspraken
                        gemaakt in artikel 3, lid 7, onderdeel a, van de Pensioenovereenkomst van 15
                        maart 1995 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van
                        overheidspersoneel. Wanneer volledig politiek verlof wordt genoten, vindt
                        geen pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap. Wethouders,
                        gedeputeerden of hoogheemraden bouwen bij het overheidsorgaan waar zij zijn
                        benoemd een pensioen op op basis van de Algemene pensioenwet politiek
                        ambtsdragers (Appa). De vut- en AAOP-premies blijven verschuldigd. Echter,
                        op grond van de Pensioenovereenkomst blijft de verdeling van het verhaal
                        ongewijzigd: de werkgever draagt de lasten van het werkgeversdeel, maar hij
                        kan het werknemersdeel wel verhalen op de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof (T)</al><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                        bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet
                        toereikend blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof om
                        het overlijden van een verwant te verwerken (rouwverlof).</al><al>Het verlof kan met behoud van gehele of gedeeltelijke doorbetaling worden
                        verleend. Wanneer er sprake is van een gedeeltelijke doorbetaling van het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) kan het inkomen worden aangevuld
                        met het opgebouwde spaartegoed uit de levensloopregeling. De voorwaarden
                        hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a.</al><al>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof (T)</al><al>Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof
                        zoals bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting bij
                        artikel 6:10, vierde lid.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof (T)</al><al>Algemeen</al><al>Het ouderschapsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo). Voor een
                        inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de toelichting bij
                        artikel 6:4 lid 1.De bepalingen in de Wazo met betrekking tot het
                        ouderschapsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb.
                        2014, 565). Daarbij zijn zowel de eis dat men een jaar in dienst van de
                        werkgever moet zijn, als de regels met betrekking tot de wijze waarop het
                        verlof kan worden opgenomen, komen te vervallen. Een andere belangrijke
                        wijziging betreft het recht om – behoudens een zwaarwegend dienstbelang aan
                        de kant van de werkgever – een eenmaal toegekend recht op ouderschapsverlof
                        te onderbreken of op te schorten (artikel 6:6 lid 2 Wazo). Het
                        ouderschapsverlof is geregeld in de artikelen 6:1 tot en met 6:10 Wazo. In
                        dit artikel is opgenomen dat een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet op
                        grond van de Wazo, recht heeft op een gedeeltelijke doorbetaling van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) over ten hoogste 13 maal de
                        formele arbeidsduur per week. Deze regeling geldt voor die gemeenten waarin
                        lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof vastgesteld is of wordt.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling betaald
                        ouderschapsverlof en die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt,
                        heeft recht op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) over dit verlof, gedurende ten hoogste 13 maal
                        de formele arbeidsduur per week. De doorbetaling bedraagt het in het tweede
                        lid aangegeven percentage van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Een ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden verzoeken het
                        aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen dan wel niet voort te zetten
                        (artikel 6:6 Wazo). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als een
                        zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Als een dergelijk verzoek
                        wordt gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat het niet genoten
                        ouderschapsverlof op een later moment kan worden opgenomen, zolang aan de
                        voorwaarden daarvan wordt voldaan. Aan een dergelijk verzoek hoeft het
                        college niet eerder gevolg te worden gegeven dan vier weken na het
                        verzoek.</al><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen (T)</al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                        ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of meerling geldt
                        wel het recht op ouderschapsverlof volgens de Wazo, doch zonder
                        gedeeltelijke doorbetaling van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n). Voor het ouderschapsverlof van de overige kinderen zijn
                        de bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4, 6:5:6 en 6:5:7 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage (T)</al><al>Lid 1 </al><al>De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                        overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar
                        bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn
                        arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft
                        betrokkene tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak
                        op jaarbasis), van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x
                        verlofaanspraak op jaarbasis x 0,5) en in november en december weer een
                        gehele verlofopbouw (2/12 x verlofaanspraak op jaarbasis).</al><al>Lid 2</al><al>De opbouw van de vakantietoelage tijdens ouderschapsverlof vindt plaats op
                        basis van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die tijdens het
                        ouderschapsverlof wordt doorbetaald. Bij betaald ouderschapsverlof wordt dus
                        gedeeltelijk vakantietoelage opgebouwd. Bij onbetaald ouderschapsverlof
                        wordt geen vakantietoelage opgebouwd.</al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling (T)</al><al>Lid 1</al><al>De terugbetaling betreft het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die
                        zijn betaald over de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof
                        heeft genoten. Dit geldt alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1
                        (ontslag op verzoek) en artikel 8:13 (ontslag als disciplinaire straf). Als
                        een ambtenaar het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet voor
                        de toepassing van artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd
                        als een afzonderlijk deel.</al><al>Voorbeeld</al><al> De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld. Van 1-01-2001 tot
                        1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn
                        dienstverband. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals
                        ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn dienstverband. Op
                        1-05-2002 wordt hij op eigen verzoek ontslagen. De
                        terugbetalingsverplichting geldt dan niet voor de eerste periode van
                        ouderschapsverlof maar wel voor de tweede periode van
                        ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                        indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat werken of indien er recht
                        bestaat op een uitkering wegens het volgen van de echtgenoot die door geheel
                        buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                        veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering
                        wordt verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat de ambtenaar
                        ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner
                        volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van
                        standplaats moet wijzigen. Als dit het geval is en een WW-uitkering wordt
                        verstrekt, wordt geen terugbetaling van het ouderschapsverlof
                        gevorderd.</al><al>Lid 3</al><al>Onder het aanvaarden van een dienstverband voor minder uren dan hij direct
                        voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een
                        verzoek om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1 januari 2001 moet dit
                        worden vormgegeven door middel van een besluit tot gedeeltelijk ontslag. Een
                        en ander is geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al>Voorbeeld</al><al>Een ambtenaar heeft ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn
                        dienstverband. Zijn aanstelling bedraagt 36 uur en zijn feitelijke
                        arbeidsduur bedraagt gedurende het ouderschapsverlof 18 uur. Deze ambtenaar
                        wordt bezoldigd volgens schaal 8. De ambtenaar verzoekt binnen drie maanden
                        na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week minder te mogen
                        werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per week.
                        Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) die hij genoot over de
                        arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof gold, dienen terug te betalen. In
                        dit voorbeeld betekent dit dat betrokkene over zes uur salaris en toegekende
                        salaristoelage(n) dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 50% van de
                        betaling. Indien er ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week
                        en de aanstelling wordt binnen drie maanden na afloop van het
                        ouderschapsverlof op verzoek van betrokkene met zes uur verminderd, geldt
                        dat de betaling die hij genoot over de vier uur ouderschapsverlof
                        terugbetaals dient te worden; dus 4 uur x 26 weken x 50% van het salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 4</al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof
                        gaat genieten, zich schriftelijk akkoord te verklaren met de
                        terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals deze in de vorige leden zijn
                        genoemd.</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</al><al>Algemeen</al><al>Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg
                        (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                        toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1
                        januari 2015 (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat bij ziekenhuisopname
                        van de baby het bevallingsverlof wordt verlengd, en dat bij overlijden van
                        de moeder het resterende bevallingsverlof overgaat naar de partner. Verder
                        kan het bevallingsverlof na de 6e week na de bevalling gespreid worden
                        opgenomen. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de
                        artikelen 3:1 t/m 3:1a, 3:3, 3:4, 3:5, 3:7, 3:10, 3:11, 3:13, 3:14 en 3:29
                        Wazo. Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. In dit artikel is
                        geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof recht heeft op doorbetaling van haar volledige salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 1 en 2</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van haar
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n). Vrouwelijke ambtenaren hebben
                        gedurende de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op
                        een uitkering (artikel 3:7 lid 1 Wazo). De hoogte van de uitkering in geval
                        van zwangerschap en bevalling bedraagt 100% van het voor de ambtenaar
                        geldende dagloon met een vastgesteld maximum (artikel 3:13 Wazo). Het bedrag
                        van deze uitkering wordt in mindering gebracht op het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n), waarop de betrokken ambtenaar recht
                        heeft.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) door te betalen. De vrouwelijke
                        ambtenaar moet tijdig aan de werkgever de informatie overleggen die de
                        werkgever nodig heeft voor het ontvangen van de uitkering op grond van de
                        Wazo (artikel 3:11 Wazo). Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar
                        geen uitkering wordt verstrekt kan dit geheel of gedeeltelijk in mindering
                        worden gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Er wordt
                        dan een fictieve uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon in mindering
                        gebracht. Om verrekening van salaris en de toegekende salaristoelage(n) met
                        de uitkering wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof praktisch mogelijk te
                        maken, is de ambtenaar verplicht mee te werken aan de uitbetaling van de
                        Wazo-uitkering door het UWV aan de gemeentelijke werkgever.</al><al>Ziekte voor zwangerschapsverlof</al><al> Er kan sprake zijn van een situatie dat de vrouwelijke ambtenaar een
                        bepaalde periode voor ingang van haar zwangerschapsverlof haar werkzaamheden
                        niet kan verrichten wegens gehele of gedeeltelijke ziekte. Voor zover deze
                        ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum,
                        wordt deze ziekte aangemerkt als zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van
                        de vrouwelijke ambtenaar ten aanzien van de duur van het zwangerschapsverlof
                        (artikel 3:1 lid 4 Wazo). Dit kan betekenen dat het zwangerschapsverlof
                        langer duurt dan van tevoren was gekozen. De periode van het
                        bevallingsverlof wordt in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake
                        of een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke
                        ziekte wordt het zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk is dan wel
                        dat de vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor
                        de vermoedelijke bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</al><al>Algemeen</al><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg (Wazo).
                        Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                        toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                        adoptie- en pleegzorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015
                        (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat het verlof flexibeler kan worden
                        opgenomen binnen een ruimere periode van 26 weken. Het adoptie- en
                        pleegzorgverlof is geregeld in de artikelen 3:2 t/m 3:7, 3:9, 3:12, 3:13,
                        3:14 en 3:29 Wazo.</al><al>Lid 2, 3 en 4</al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de
                        uitkering aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt uiterlijk twee
                        weken voor de datum van ingang van het verlof een uitkering bij het UWV aan
                        (artikel 3:11 lid 2). De uitkering wordt gestort op rekening van de
                        werkgever en de werkgever betaalt het volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) door. De ambtenaar verleent op verzoek van de werkgever
                        alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling laten komen van de
                        uitkering ter zake het adoptie- en pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar
                        geen volledige medewerking verleent ten aanzien van de aanvraag van de
                        uitkering kan dit leiden tot een korting op zijn salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten, schort de
                        termijn van 6 maanden van artikel 7:3 gedurende welke termijn het recht
                        bestaat op doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) niet op. Dit betekent dat indien een ambtenaar ziek is en
                        tijdens de ziekte adoptie- en pleegzorgverlof geniet, het verlof onderdeel
                        uitmaakt van de termijn van 6 maanden.</al><al>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</al><al> Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel recht heeft op een uitkering
                        in verband met zwangerschap en bevallingsverlof als op een uitkering in
                        verband met adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor adoptie of
                        pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht heeft op
                        een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband met
                        pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband met pleegzorg evenmin
                        uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie aangebracht tussen de
                        verschillende uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29
                        Wazo).</al><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                        levensloopregeling (T)</al><al>Lid 1</al><al>De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en
                        maximaal 18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting
                        gezocht bij de sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat
                        het normale voor ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt
                        blijft voor de vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof
                        niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 6a CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof
                        beschikken over zijn levenslooptegoed. Voor meer informatie over de opname
                        van het levenslooptegoed wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de
                        toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                        aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn
                        aan te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.</al><al>Lid 3</al><al>Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals
                        die worden genoemd in het eerste en tweede lid, is dat op basis van dit
                        artikellid mogelijk. Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het
                        toekennen van verlof dat korter dan een maand duurt.</al><al>Lid 5</al><al>De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                        beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid CAR). De
                        aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om
                        onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk
                        slechts tot uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het
                        verlof wordt toegekend.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                        daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien honorering van het
                        verzoek zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot
                        bijvoorbeeld rooster-technische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen
                        partijen in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht
                        doet aan de belangen van de ambtenaar.</al><al>Lid 7</al><al>Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                        wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij
                        onbetaald verlof geniet. Het biedt het college enkel de mogelijkheid. In
                        sommige gevallen is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij
                        of geen nadeel ondervindt van betaalde activiteiten van de ambtenaar.</al><al>Lid 9</al><al>Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van
                        drie jaar direct voorafgaand aan pensionering kan slechts worden geweigerd
                        als een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. Het
                        college mag dit argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van
                        de werkgever dient zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de
                        ambtenaar daarvoor naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient
                        te wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake
                        indien toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                                uren;</al></li><li nr="b."><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c."><al>van rooster-technische aard.</al></li></lijst><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof (T)</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald
                        verlof geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. Omdat een eventuele
                        maandelijkse uitkering van het levenslooptegoed van artikel 6a:9 CAR niet
                        kan worden aangemerkt als salaris vindt over de opgenomen uren van onbetaald
                        verlof ook geen opbouw van de vakantietoelage, levensloopbijdrage en
                        eindejaarsuitkering plaats.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op
                        uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen.
                        Hierbij moet ook gedacht worden aan een kinderopvangvergoeding,
                        kostenvergoeding en een verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een
                        telefoon. Het college draagt zorg voor de aanpassing van de lokale
                        regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de
                        uitkeringsrechten van de ambtenaar na de periode van verlof. In de sociale
                        zekerheidswetgeving is immers bepaald dat het normale voor ingang van het
                        verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van
                        het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18
                        maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                        tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Echter
                        wanneer het college gedurende de periode van onbetaald verlof van de
                        ambtenaar een vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een
                        opleiding wil verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                        situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar
                        betaalt zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel. Het college draagt
                        zorg voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht gedurende
                        de gehele periode van verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof
                        slechts een periode van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan
                        betaalt de ambtenaar enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij
                        verlof van maximaal drie maanden door het college betaald. Bij
                        deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld.</al><al>De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is geregeld in het
                        pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de premieverdeling
                        tussen het college en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven in welke mate
                        pensioen wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en hoe het
                        college de premie moet verhalen op de ambtenaar.</al><al>1.Pensioen opbouwen</al><al>1. Onbetaald verlof zonder levensloopuitkering</al><al> Bij onbetaald verlof zonder levensloopuitkering vindt gedurende de gehele
                        verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen sprake van verlof is
                        (artikel 3:4, eerste lid, van het pensioenreglement). De ambtenaar blijft
                        dus ongewijzigd pensioen opbouwen.</al><al> Onbetaald verlof met levensloopuitkering</al><al>§ Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan 70% van het inkomen dat
                        zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was gegaan, wordt de
                        pensioenopbouw gebaseerd op het inkomen dat zou zijn genoten als de
                        ambtenaar niet met verlof was gegaan. Dit is alleen in het eerste jaar.
                        Daarna stopt de opbouw. De ambtenaar heeft dan wel de keuze om nog pensioen
                        op te bouwen op basis van een individueel vastgestelde premie.</al><al>§ Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van het inkomen dat zou
                        zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was gegaan, wordt de
                        pensioenopbouw gebaseerd op de levensloopuitkering die de medewerker geniet.
                        Ook in deze situatie geldt dat na één jaar de ambtenaar kan kiezen voor
                        voortzetting van pensioenopbouw op basis van een individuele premie. Dit is
                        bepaald in artikel 16.6 van het pensioenreglement.</al><al>2.Premieafdracht pensioen</al><al>Als een ambtenaar onbetaald verlof opneemt (ongeacht of het wordt
                        gefinancierd door levenloop) voor een periode korter dan drie maanden dan
                        blijft de premieafdracht ongewijzigd. Het college betaalt dus 70% van de
                        premie en de ambtenaar 30% (voor de FPU-premie geldt 50%-50%).</al><al>Als de ambtenaar onbetaald verlof wil opnemen voor langer dan drie maanden
                        betaalt hij vanaf de eerste verlofdag de volledige pensioenpremies zelf. Als
                        de ambtenaar het verlof financiert met levenloop dan stopt de pensioenopbouw
                        op basis van de doorsneepremie van het ABP na één jaar. De ambtenaar kan
                        ervoor kiezen om de opbouw voort te zetten. Hij betaalt dan zelf de
                        volledige individuele premie.</al><al>Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet met levensloop dan loopt
                        de pensioenopbouw ook na één jaar door op basis van de doorsneepremie van
                        het ABP. De ambtenaar betaalt de volledige premie zelf.</al><al>Voor de pensioenvormen ANW, AAOP (arbeidsongeschiktheidspensioen) en FPU
                        (VUTfondsbijdrage) vindt geen opbouw plaats. Er moet wel premie worden
                        afgedragen. Met die premie worden de uitkeringen gefinancierd van
                        (ex)-deelnemers van het ABP die recht hebben op die uitkering. Hieraan
                        kunnen de premiebetalers geen rechten ontlenen.</al><al>3.Verhalen premie</al><al>Het verhaal van de premie op de ambtenaar moet op een van de volgende
                        manieren:</al><al>§ Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet tijdens het onbezoldigd
                        verlof houdt het college daar de door de ambtenaar verschuldigde
                        pensioenpremie direct op in.</al><al>§ Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet tijdens het onbezoldigd
                        verlof kan het bedrag dat het college moet verhalen op de ambtenaar niet
                        verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de ambtenaar. Er
                        ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient
                        afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.</al><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte (T)</al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet
                        verzekerd voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en
                        de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in die periode
                        geen loon en daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De
                        werknemer ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de
                        toepassing van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en
                        de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18
                        maanden duurt.</al><al>Lid 1</al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee
                        weken. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de
                        ambtenaar zijn functie niet meer kan vervullen wegen ziekte.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                        ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende
                        gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn
                        wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z. verlof dat niet
                        voorafgaand aan pensionering wordt genoten.</al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof niet
                        stopt bij ziekte. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij
                        volledig verlof de dag dat de ambtenaar zijn functie weer zou kunnen gaan
                        vervullen na de periode van verlof als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</al><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                        recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere
                        karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij
                        samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de periode van het
                        verlof een uitkering geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in
                        artikel 6a:9 CAR wordt deze uitkering bij aanvang van het zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op
                        grond van artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden
                        opgenomen voor zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van
                        de werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de
                        ambtenaar die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van
                        artikel 6:6 CAR het volledige salaris vermeerderd met de toegekende
                        salaristoelage(n) doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><al>6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al> Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling (T)</al><al>Algemeen</al><al> De levensloopregeling zoals die is opgenomen in artikel 19g van de Wet op
                        de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg is per 1
                        januari 2006 in werking getreden. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                        2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere uitvoeringsbepalingen
                        met betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven. Daarin is onder meer
                        verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk vastgelegde
                        levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke verplichting is door het LOGA
                        uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is in
                        artikel 6a:7 CAR de zogenaamde levensloopbijdrage opgenomen, een
                        werkgeversbijdrage die de ambtenaar kan sparen in het kader van de
                        gemeentelijke levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in
                        de CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de
                        levensloopregeling rechtstreeks van toepassing zijn op gemeenteambtenaren.
                        In de CAR zijn alleen die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht
                        zijn of aanvullende afspraken bieden. Van dit principe wordt enkel afgeweken
                        wanneer dat ten goede komt van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de
                        regeling. Hieronder een globaal overzicht van de levensloopregeling zoals
                        die is vastgelegd in de bovenstaande wettelijke regelingen.</al><al>Hoofdlijnen levensloopregeling</al><al> Het doel van de wettelijke levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid
                        te bieden om op individuele basis een voorziening op te bouwen - het
                        levenslooptegoed - om eerder met pensioen te gaan of (meerdere) periodes van
                        onbetaald verlof te financieren. Elke vorm van onbetaald verlof is
                        toegestaan. De voorziening kan bestaan uit een saldo op een bankrekening of
                        een afgesloten levensloopverzekering.</al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen
                        in de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de regeling houdt
                        overigens niet automatisch in dat er recht op verlof bestaat. De werkgever
                        zal toestemming voor het verlof moeten geven in overeenstemming met de
                        bestaande rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande
                        wettelijke regelingen inzake verlof zoals de Wet arbeid en zorg. In
                        hoofdstuk 6 van de CAR-UWO is opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden
                        de ambtenaar recht heeft op onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het
                        recht op niet doelgebonden onbetaald verlof opgenomen.</al><al>Maximum levenslooptegoed</al><al> De hoogte van het levenslooptegoed is gebonden aan een wettelijk maximum.
                        De ambtenaar mag maximaal 210% van zijn bruto jaarloon sparen. Zolang dit
                        maximum nog niet is bereikt mag de werknemer jaarlijks maximaal 12% sparen
                        van het bruto jaarloon dat in dat jaar door hem wordt verdiend. Zelfs als
                        het tegoed daardoor in de loop van het jaar uitstijgt boven 210% van het
                        bruto jaarloon. Bepalend is de hoogte van het levenslooptegoed per 1
                        januari.</al><al>Rekenvoorbeeld 1</al><al> Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling en een bruto jaarloon van €
                        25.000. Op 1 januari van jaar x bedraagt zijn levenslooptegoed, inclusief de
                        daarop gekweekte inkomsten en behaalde vermogenswinsten, € 52.000. Dit is
                        minder dan 210% van het bruto jaarloon in jaar x- /-1. Daarom mag A in jaar
                        x nog 12% van zijn jaarloon in jaar x sparen binnen de levensloopregeling.
                        In jaar x spaart A € 3.000 (12% *€25.000).</al><al>Rekenvoorbeeld 2</al><al> Per 31 december van jaar x bedraagt het levenslooptegoed van ambtenaar A €
                        52.000 + (stel 4% rente) € 2.080 + € 3.000 (spaarbedrag jaar x)= € 57.080.
                        Dit tegoed is hoger dan 210% van het jaarloon zoals A dat in jaar x genoot.
                        A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen meer sparen. Ook niet als
                        hij een salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen - totdat het levenslooptegoed weer lager
                        is dan het maximum - geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in
                        die periode wel verder worden overschreden door oprenting of toename van de
                        waarde van de levensloopverzekering.</al><al>Let op: uitzondering in het geval van demotie </al><al> Als in het voorafgaande kalenderjaar een salarisvermindering heeft
                        plaatsgevonden mag op grond van de wet bij de beoordeling of nog kan worden
                        doorgespaard van het niet verminderde salaris worden uitgegaan, mits die
                        salarisvermindering het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie
                        of het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie in de periode die
                        aanvangt 10 jaar direct voor de ingangsdatum van het pensioen. Daarbij geldt
                        als extra eis dat het dienstverband na het aanvaarden van een
                        deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de omvang van het
                        dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de
                        pensioendatum ligt.</al><al>Loonbelasting en premie aspecten gedurende spaarperiode</al><al> De werkgever houdt bij deelname van de werknemer aan de levensloopregeling
                        maximaal 12% in op het brutoloon van de werknemer. Dit bedrag wordt door de
                        werkgever gestort op een geblokkeerde levenslooprekening of
                        levensloopverzekering naar keuze en op naam van de ambtenaar. Over deze
                        stortingen is geen loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen)
                        verschuldigd. Bij de levensloopregeling is namelijk de omkeerregel van
                        toepassing. Deze houdt in dat over de bedragen die worden gespaard geen
                        loonheffing verschuldigd is en dat heffing pas plaatsvindt op het moment dat
                        deze bijdragen tot uitkering komen. Ook is over deze bedragen geen
                        inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage verschuldigd zoals bedoeld in
                        artikel 41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen zijn wel de gebruikelijke
                        premies werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al>Loonbelasting en premie aspecten gedurende verlofperiode</al><al> Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden gebruikt om eerder met
                        pensioen te gaan of om periodes van onbetaald verlof te financieren. Op dat
                        moment maakt de instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht het
                        tegoed (periodiek) over naar de werkgever. De werkgever houdt de
                        verschuldigde loonheffing en de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in
                        en maakt het resterende tegoed (periodiek) aan de werknemer over. De
                        werkgever is op grond van de wet verplicht de inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage te vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                        heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                        bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed recht
                        op een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De
                        levensloopverlofkorting moet door de werkgever in mindering worden gebracht
                        op de verschuldigde loonheffing. De korting is nooit hoger dan het bedrag
                        dat wordt opgenomen van het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen
                        recht op de korting bij opname van verlof.</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                        pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                        levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke instelling
                        hij de levenslooprekening (of-verzekering) wil onderbrengen. Onder
                        levenslooptegoed valt niet alleen het levenslooptegoed dat de ambtenaar in
                        zijn ambtelijke dienstverband opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed
                        opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige.</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de
                        gemeentelijke levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het college
                        kan de deelname enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen zoals die
                        zijn gesteld in artikel 6a:4 CAR. Indien het college gevolg geeft aan de
                        melding blijft de ambtenaar deelnemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling tot dat de deelname wordt beëindigd op grond van artikel
                        6a:8 CAR. Het college heeft wel de wettelijke mogelijkheid om inhoudingen op
                        het loon ten behoeve van de levensloopregeling te corrigeren als blijkt dat
                        de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                        overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van
                        artikel 7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per
                        jaar melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de
                        levensloopregeling.</al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het
                        college of hij bij een of meer gewezen werkgevers/inhoudingsplichtigen een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd. Indien de ambtenaar meerdere
                        dienstverbanden heeft, hoeft hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd
                        bij andere inhoudingsplichtigen niet door te geven aan het college.</al><al>Algemeen</al><al> De werkgever bij wie het levenslooptegoed is opgebouwd, is ook
                        inhoudingsplichtig met betrekking tot de over het levenslooptegoed
                        verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage op
                        grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in beginsel ook indien
                        de werknemer niet meer in dienst is bij deze inhoudingsplichtige. Echter,
                        indien de werknemer een nieuwe dienstverband aanvaardt, wordt het
                        levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe werkgever. Met
                        andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig ten aanzien
                        van het bij de oude werkgever opgebouwde levenslooptegoed. Dit is slechts
                        anders indien:</al><al>§ de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling van de nieuwe
                        werkgever; of,</al><al>§ het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij een andere
                        inhoudingsplichtige met wie de werknemer op dat moment een dienstverband
                        heeft. Dit kan het geval zijn als de werknemer al in dienst is bij een
                        andere werkgever.</al><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                        binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee
                        waarvoor hij geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn. Indien de werknemer
                        aan d</al><al>Voorbeeld 1</al><al> Ambtenaar X heeft bij werkgever A een levenslooptegoed opgebouwd van €
                        30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuw
                        dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X neemt geen deel aan de
                        levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft inhoudingsplichtig
                        ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens
                        uitsluitend een uitkering ineens toegestaan zoals bij afkoop het geval is
                        (zie artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen
                        verlof meer verlenen.</al><al>Voorbeeld 2</al><al> Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuw
                        dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook bij de nieuwe werkgever
                        deelnemen aan de levensloopregeling. Het levenslooptegoed van € 30.000 wordt
                        nu geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B is
                        inhoudingsplichtig ten aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of
                        het totale levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft.
                        Het levenslooptegoed kan blijven staan bij de eerder gekozen
                        levensloopinstelling waar het is opgebouwd.</al><al>Voorbeeld 3</al><al> Ambtenaar X gaat naast zijn dienstverband met werkgever B een tweede
                        dienstverband aan met werkgever C. Ook bij deze werkgever gaat de ambtenaar
                        deelnemen aan de levensloopregeling. Omdat werkgever B al inhoudingsplichtig
                        is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft werkgever C geen
                        rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft werkgever C
                        ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al>Voorbeeld 4</al><al> Ambtenaar X neemt deel aan zowel de levensloopregeling van werkgever B als
                        werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B bedraagt € 15.000, zijn inkomen
                        bij werkgever C bedraagt € 20.000. Beide werkgevers moeten ieder
                        kalenderjaar toetsen of het maximum is bereikt om te bepalen of de werknemer
                        nog mag sparen in het betreffende kalenderjaar. Bij werkgever B bedraagt het
                        levenslooptegoed op 1 januari € 30.000. Dit is minder dan 210% van het bruto
                        jaarloon zijnde € 15.000. Daarom mag X in het aankomende kalenderjaar nog
                        12% van € 15.000 sparen binnen de levensloopregeling bij werkgever B. Bij
                        werkgever C heeft de ambtenaar nog geen levenslooptegoed opgebouwd. Bij
                        werkgever C mag de ambtenaar daarom in het aankomende kalenderjaar 12% van €
                        20.000 sparen binnen de levensloopregeling.</al><al>Lid 3</al><al>Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling
                        na afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar te verstrekken aan het college. De reden hiervoor is dat het
                        college moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210%
                        grens blijft. De verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het
                        college niet inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als
                        de ambtenaar bij meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een
                        levensloopregeling.</al><al>Artikel 6a:5 Inleg (T)</al><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                        sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op
                        de jaaropgave. Als de werknemer meerdere dienstverbanden naast elkaar heeft,
                        geldt het maximum per dienstverband. Het wettelijke maximum van 12% geldt
                        niet voor de ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar
                        niet de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                        overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de
                        maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn
                        uitbetaald.</al><al>Artikel 6a:6 Bronnen (T)</al><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking
                        van de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder het fiscale
                        loon vallen als bron aangewezen.</al><al>Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde voor 1 april
                        2006 kan alleen worden ingezet indien het college in samenspraak met de
                        ambtenaar tot het besluit is gekomen dat het verloftegoed wordt omgezet in
                        een geldbedrag.</al><al>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage (T)</al><al>Lid 1</al><al>Alle ambtenaren zoals genoemd in het eerste lid hebben recht op de
                        levensloopbijdrage, ongeacht of er wordt deelgenomen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling. De ambtenaar kan er voor kiezen om de bijdrage niet voor
                        de levensloopregeling aan te wenden. De bijdrage wordt in dat geval, na
                        inhouding van de verschuldigde loonheffing, premies werknemersverzekeringen
                        en de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage, uitbetaald tegelijk met het
                        salaris.</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage bedraagt 1,5% x het salaris op
                        jaarbasis. Voor degenen met een deeltijdaanstelling of arbeidsovereenkomst
                        wordt de levensloopbijdrage conform het salaris vermenigvuldigd met de
                        deeltijdfactor.</al><al>De levensloopbijdrage is geen salaristoelage en behoort daarom niet tot de
                        grondslag voor de berekening van de vakantietoelage en de
                        ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR. Ook behoort de
                        bijdrage niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de
                        uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals gedefinieerd in
                        artikel 1:1 lid 1.</al><al>De werkgeversbijdrage voor de levensloop geldt als vervanging van de FPU
                        Gemeenten. De ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd
                        met FPU is gegaan heeft recht op de FPU Gemeenten en blijft dit recht
                        houden. Daarom hebben zij geen recht op de werkgeversbijdrage voor de
                        levensloop.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Deze leden gelden voor de ambtenaar die op of na 1 januari 2006 in dienst is
                        getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op
                        functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op
                        31 december 2005.</al><al>Wanneer de ambtenaar binnen 20 jaar een andere, niet bezwarende, functie
                        aanvaardt, is hoofdstuk 9a niet meer van toepassing en valt deze ambtenaar
                        onder de reguliere levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De levensloopbijdrage van 2,5% eindigt in ieder geval na 20 jaar.</al><al>Wanneer het college en de ambtenaar gezamenlijk besluiten dat de tweede
                        loopbaan na 20 jaar nog niet begonnen wordt (conform artikel 9a:9, eerste
                        lid, onderdeel b), kan de levensloopbijdrage van 2,5% worden
                        voortgezet.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf augustus van
                        dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet het gehele
                        kalenderjaar in dienst zijn, wordt een levensloopbijdrage betaald over dat
                        gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn
                        geweest.</al><al>Lid 6</al><al>In artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP is opgenomen dat de werkgeversbijdrage voor levensloop van
                        0,8% van het salaris ingevolge het Hoofdlijnenakkoord van 5 juli 2005 niet
                        pensioengevend is, tenzij de sector anders besluit. Als de
                        werkgeversbijdrage in de levensloop de 0,8% te boven gaat is het meerdere
                        wel pensioengevend, tenzij de sector anders besluit. In het
                        CAO-onderhandelaarsakkoord 2005- 2007 heeft het LOGA ten aanzien van
                        ambtenaren in niet-bezwarende functies afgesproken dat de 0,8% ook
                        pensioengevend is. Voor de sector Gemeenten geldt dus voor ambtenaren in
                        niet-bezwarende functies dat de gehele levensloopbijdrage in de
                        levensloopregeling tot de pensioengrondslag behoort en hierover pensioen
                        wordt opgebouwd. Of de medewerker deze bijdrage daadwerkelijk laat inleggen
                        in zijn individuele levensloopregeling of laat uitbetalen door de werkgever
                        is hierbij niet relevant.</al><al>Voor ambtenaren die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, is - in het tweede lid - een afwijkende levensloopbijdrage
                        vastgesteld. Hiervan is dat percentage pensioengevend, dat ambtenaren in
                        niet-bezwarende functies ontvangen.</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                        gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop
                        van tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden (zie artikel
                        6a:3 CAR). De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per jaar een
                        melden dat hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling in ieder geval beëindigd wordt.</al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de werknemer met
                        ingang van de dag dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelname aan
                        de gemeentelijke levensloopregeling eindigt op de dag voordat zijn
                        dienstverband eindigt. Als de medewerker het levenslooptegoed nog niet heeft
                        opgenomen voor die datum, heeft hij twee keuzes. In de eerste plaats kan het
                        levenslooptegoed contant worden opgenomen door de medewerker onder inhouding
                        van de verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage (als loon uit een vroeger dienstverband). Daarnaast
                        bestaat de mogelijkheid om het tegoed te besteden aan het verbeteren van het
                        ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale ruimte is.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die
                        de instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed is ondergebracht.</al><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed (T)</al><al>Als het levenslooptegoed wordt opgenomen voor andere reden dan voor een
                        periode van verlof dan is melding 3 maanden vooraf niet nodig. De gemeente
                        wordt in die situatie namelijk niet geconfronteerd met onverwachte kosten of
                        onverwachte afwezigheid. Bij opname van levenslooptegoed zijn de bepaling in
                        de Wet op de Loonbelasting 1964 en de Wet Inkomstenbelasting van
                        toepassing.</al><al>Indien de ambtenaar het levenslooptegoed wil inzetten voor verlof moet het
                        college op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed (periodiek)
                        uitkeren aan de ambtenaar gedurende een periode van verlof. Op de uitkering
                        bij verlof wordt de eventueel verschuldigde loonheffing,
                        inkomensafhankelijke bijdrage, pensioenpremies en eventuele andere
                        inhoudingen ingehouden. De ambtenaar meldt het college drie maanden voor de
                        gewenste ingangsdatum dat hij over (een deel van) zijn levenslooptegoed wil
                        beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn die geldt voor de aanvraag
                        van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR). De aanvraag voor het
                        gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om onbetaald verlof
                        kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts tot uitkering
                        van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt
                        toegekend. De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt
                        het tegoed alleen over naar het college voor zover het college en de
                        ambtenaar samen daarvoor toestemming hebben verleend. Aan de hoeveelheid
                        levenslooptegoed die een werknemer per maand kan opnemen is een limiet
                        gesteld. Het opgenomen bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de
                        werknemer direct voorafgaand aan de verlofperiode per maand ontving. Dus:
                        een werknemer die in juli € 1.000 verdiende, mag in augustus niet meer dan €
                        1.000 aan levenslooptegoed opnemen voor de financiering van 1 maand
                        onbetaald verlof. Er moet daarbij ook rekening worden gehouden met een
                        eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt deze werknemer tijdens
                        het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog maar € 500 van zijn
                        levenslooptegoed opnemen. Het laatstgenoten loon is het reguliere loon dat
                        voorafgaand aan de verlofperiode van de werkgever werd ontvangen. Hierbij
                        mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden algemene
                        salarisstijgingen. Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het
                        laatstgenoten loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden
                        gehouden met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige. De opname van
                        het levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als salaris. Daarom behoort
                        de opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening
                        van de vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel
                        7:24a CAR. Ook behoort de opname niet tot de grondslag voor de
                        eindejaarsuitkering omdat de uitkering niet kan worden aangemerkt als
                        salaris zoals gedefinieerd in artikel 1:1 lid 1.</al><al>Voor de opname van het levenslooptegoed voor andere bestedingsdoelen zijn
                        geen verdere bepalingen nodig. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk om het
                        levenslooptegoed binnen de fiscale mogelijkheden in te zetten voor de opbouw
                        van extra pensioen.</al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling (T)</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder
                        hoofdstuk 9 en 9b. Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering
                        functioneel leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar
                        die op grond van artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel
                        FLO-ontslag wordt verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het
                        overgangsrecht personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken zijn
                        gemaakt, hebben zij geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is van toepassing op de ambtenaar die:</al><al>§ op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps of bij een
                        ambulancedienst; en</al><al>§ op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al><al>§ sinds 31 december 2005 onafgebroken een functie heeft vervuld, op grond
                        waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag
                        werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                        hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de
                        ambtenaar die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een
                        leeftijdsgrens was bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt wel
                        onder hoofdstuk 6a.</al><al>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte en zwangerschap en
                        bevalling</al><al>Artikel 7:1 Definities (T)</al><al>Lid 1</al><al>Sub a</al><al>De definitie van passende arbeid komt overeen met de definitie die sinds de
                        invoering van de Wet Verbetering Poortwachter in artikel 658a van boek 7,
                        titel 10, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. In zijn algemeenheid
                        dient de vraag wat passende arbeid is in elk concreet geval aan de hand van
                        de omstandigheden te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat het bij
                        passende arbeid moet gaan om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar kan
                        worden opgedragen, gelet op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de
                        gezondheidstoestand, de afstand tot het werk, het salarisniveau en hetgeen
                        waartoe de ambtenaar nog in staat is. Hierbij geldt dat naarmate de
                        arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere oriëntatie ten aanzien van
                        de te verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate de duur van de
                        gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden
                        verlangd dat hij concessies doet met betrekking tot de door hem te
                        verrichten werkzaamheden, als reïntegratie in de eigen functie niet tot de
                        mogelijkheden behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in eerste instantie
                        niet als passend moet worden aangemerkt, op een later moment -door wijziging
                        van de omstandigheden- wel als passend kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met
                        aanpassingen, of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog
                        zal kunnen worden verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede
                        dat werkgever en ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet
                        uit dat de ambtenaar tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe
                        in staat is en dit niet belemmerend is voor het herstelproces en voor zover
                        dit werk ook overigens in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden
                        opgedragen, gelet op onder meer diens arbeidsverleden en werkervaring.
                        Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet meer tot de reële
                        mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet in eerste
                        instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst overeengekomen
                        functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid noch bij de
                        eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de ambtenaar
                        worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden arbeid
                        ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip passende
                        arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al>De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste
                        instantie ter beoordeling van de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan
                        raadplegen om te kunnen beoordelen wat (gegeven de gezondheidssituatie) van
                        een ambtenaar mag worden gevraagd. Als de werkgever twijfelt over de vraag
                        of de arbeid die hij voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden
                        aangemerkt, kan hij daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f,
                        van de SUWI, een oordeel vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige.
                        Ook de ambtenaar heeft deze mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de
                        werknemer is relevant dat wanneer de werkgever besluit op grond van artikel
                        7:14, tweede lid, onder b, het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        niet uit te betalen, deze alsnog aan de ambtenaar moet worden uitbetaald als
                        de ambtenaar op grond van de second opinion ingevolge artikel 30, eerste
                        lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt gesteld. Het begrip
                        passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de werkgever - als de
                        ambtenaar ziek is - te zoeken naar passende arbeid (artikel 7:9). Daarnaast
                        is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer deze wordt
                        aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                        weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te
                        sanctioneren.</al><al>Lid 1</al><al>Sub b</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden verricht met oog op
                        terugkeer in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die uren ingevolge
                        artikel 7:3, zesde lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van zijn salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n). Deze werkzaamheden kunnen lager
                        bezoldigd zijn dan de eigen arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden
                        maakt de werkgever heldere afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat
                        zich bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of
                        door de arbo-dienst. Bij het maken van de afspraken tussen de werkgever en
                        ambtenaar kan worden gedacht aan het aantal uren dat een ambtenaar op
                        bepaalde dagen moet gaan werken, wat de aanvangs- en vertrektijden zijn,
                        welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en wie zijn werkzaamheden
                        aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in
                        artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze
                        worden aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                        weigering van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie
                        te aanvaarden te sanctioneren.</al><al>Lid 1</al><al>Sub c</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met het oog op terugkeer
                        in zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel 7:3, zesde lid,
                        onder d, over deze uren recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n). Gedacht kan worden aan scholing die het
                        mogelijk maakt dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer
                        volledig kan verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in
                        staat stelt een passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke
                        scholing moeten de ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever
                        laat zich bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de
                        bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De afspraken worden vastgelegd in het
                        plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9. De ambtenaar verplicht de scholing
                        te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en
                        8:5a maken het mogelijk de weigering van een ambtenaar scholing in het kader
                        van de reïntegratie te aanvaarden te sanctioneren.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat artikel
                        7:24a, 7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de ambtenaar met een
                        arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van toepassing is op de
                        ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming.</al><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek
                        (T)</al><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader regelen.
                        Dat betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige begeleiding in
                        de artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is uitgewerkt.
                        UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze
                        UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                        vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.
                        Voor alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                        uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst (T)</al><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich
                        bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun
                        arbeid te verrichten te laten bijstaan door een deskundige die
                        gecertificeerd is op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde of
                        een arbo-dienst. Dit houdt onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering
                        van de reïntegratieverplichtingen ingevolge de WIA de bovengenoemde
                        deskundige of de arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen om een
                        probleemanalyse en een advies, die de basis vormen van het plan van aanpak,
                        dat na 8 weken ziekte opgesteld moet zijn.</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek (T)</al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan
                        een geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer
                        bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek aanleiding vormt
                        voor de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede gezondheid
                        geniet. Het kan voor de werkgever ook van belang zijn te weten of de
                        ongeschiktheid voor een functie een medische oorzaak heeft. Ingevolge het
                        bepaalde in artikel 7:12 is de ambtenaar verplicht zich aan een dergelijk
                        onderzoek te onderwerpen, in artikel 7:13:2 is de sanctie neergelegd indien
                        de ambtenaar weigert zich te onderwerpen aan een dergelijk onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
                        (T)</al><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                        bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie
                        arbeidsgehandicapten. De brochure 'Slim omgaan met subsidies voor
                        arbeidsgehandicapten' van het A+O fonds geeft hierover uitgebreide
                        informatie.</al><al>Artikel 7:3 Recht op salaris (T)</al><al>Inleiding</al><al> Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt aangesloten bij de
                        jurisprudentie zoals die door de Centrale Raad van Beroep is gevormd op
                        basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor een recht op ziekengeld moet een
                        verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                        ziekte. Onder het begrip 'ongeschiktheid tot werken' verstaat de Centrale
                        Raad het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen
                        of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert
                        de Centrale Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de
                        Centrale Raad, sprake zijn van een 'de gezondheidstoestand ongunstig
                        beïnvloedend procesmatig gebeuren'.</al><al>Lid 1, 2, 3 en 4</al><al>In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime
                        van de hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte weergegeven. Met ingang
                        van de eerste ziektedag wordt het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        gedurende zes maanden volledig doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar
                        gedurende de zevende maand tot en met de twaalfde maand recht op 90% van
                        zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Na twaalf maanden van
                        ziekte heeft de ambtenaar recht op 75% van zijn salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n). Na 24 maanden van ziekte heeft de ambtenaar recht op 70%
                        van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n) tot het einde van zijn
                        dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en
                        4, die de hoogte van de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) bepalen, tijdens ziekte zijn hier niet van toepassing. In
                        artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op de doorbetaling van haar
                        volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Dit geldt ook als de
                        ambtenaar ziek is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft met andere woorden voorrang boven
                        de financiële aanspraken die gelden tijdens ziekte.</al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                        ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de perioden van
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en daarna.</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet is de loondoorbetalingsverplichting bij een
                        zieke ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, korter. Tot
                        2018 is deze termijn 13 weken waarna ontslag kan volgen. Wordt de ambtenaar
                        niet ontslagen, dan loopt de loondoorbetalingsperiode ook langer door. In
                        2018 wordt de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt
                        de loondoorbetalingstermijn mogelijk verkort.</al><al>Lid 6</al><al>De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing
                        in het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid,
                        onderdelen a, b en c. </al><al>Lid 7</al><al>Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak
                        bestaan op het gehele salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten minste
                        50% van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in
                        het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt als genoemd in
                        het zesde lid, heeft recht op een bonus van 5%, berekend over het salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) waarop hij recht heeft ingevolge dit
                        artikel. Deze bonus geeft naast de betaling van 100% over de gewerkte uren
                        en uren van scholing in het kader van de reïntegratie een extra
                        reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een ambtenaar heeft in het eerste
                        ziektejaar geen recht op de bonus.</al><al>Lid 10</al><al>Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari
                        2005, vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke
                        behandeling tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de periode vanaf het
                        begin van de zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        waarin de zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet
                        meegeteld mag worden voor de berekening van de termijn als bedoeld in het
                        eerste tot en met het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de
                        medewerkster die zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd
                        worden met een verlaging van haar beloning. Deze verlaging kan alleen
                        vrouwen treffen en is daarom strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In
                        het tiende lid is daarom geregeld dat de periode van de
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als bedoeld in het eerste tot
                        en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer duurt voordat de
                        beloning van betrokkene op een lager niveau gesteld wordt.</al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al>Voorbeeld</al><al> Een medewerkster is met ingang van 1 februari 2006 ziek vanwege een hernia.
                        Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei 2006 (zij is dan 3 maanden ziek). Op
                        15 mei 2006 valt zij uit wegens zwangerschapsklachten (minder dan 4 weken
                        van herstel) en herstelt hiervan met ingang van 15 juni 2006 (1 maand ziek).
                        Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor 4 maanden uit wegens een hernia
                        (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van de samentelregeling uit het
                        elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er minder dan 4 weken van
                        herstel tussen ligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster dan met ingang van
                        1 september 2006 (dan zijn in totaal - de korte periodes van herstel niet
                        meegerekend - 6 maanden van ziekte verstreken), recht hebben op 90% van haar
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n). De periode van
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode van de hoogte van de
                        loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand
                        zwangerschapsgerelateerd ziek geweest. Als gevolg hiervan wordt haar
                        beloning met ingang van 1 oktober 2006 naar 90% bijgesteld.</al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode
                        bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker 7
                        maanden ziek is en na 3 weken herstel zwangerschapsgerelateerd ziek wordt,
                        dan heeft zij op grond van het tweede lid van dit artikel recht op 90%
                        doorbetaling van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens de
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte. De periode van de
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de periode
                        waarover de hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op. Ingevolge
                        artikel 29a van de Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode
                        van zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op ziekengeld ter hoogte van 100%
                        van haar dagloon. In artikel 7:19 is de samenloop van beloning tijdens
                        ziekte met het ziekengeld geregeld.</al><al>Lid 11</al><al>Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke
                        behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg
                        dat ziekteperioden die onderbroken worden door het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door
                        het verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                        ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct
                        aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte moet
                        redelijkerwijs worden geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden
                        deze perioden samengeteld.</al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al>Voorbeeld I</al><al> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek wordt. De periode
                        van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2006
                        als eerste ziektedag. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) op 15 juli 2006 (dit is zes maanden + 2 weken na 1 januari
                        2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 15 januari 2007 wordt het salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75 % en per 15
                        januari 2008 naar 70%.</al><al>Voorbeeld II</al><al> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij, waarna zij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek wordt. De periode
                        van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 26 april 2006
                        als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen van de beloning
                        begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) op 26 oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006)
                        wordt teruggebracht naar 90%. Op 26 april 2007 wordt deze vervolgens
                        teruggebracht naar 75% en per 26 april 2008 naar 70%.</al><al>Voorbeeld III</al><al> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij
                        zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter
                        ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        als onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als eerste
                        ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de beloning begint te
                        lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli
                        2006) het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot
                        90%. Op 19 juli 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19
                        juli 2008 naar 70%.</al><al>Voorbeeld IV</al><al> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20 augustus 2006. Op 21
                        augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment
                        nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al>Mogelijkheid A</al><al> De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak
                        als de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2006 als eerste
                        ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen van de beloning begint te
                        lopen. Dit betekent dat het salaris en de toegekende salaristoelage(n) op 21
                        oktober 2006 (dit is 6 maanden + 16 weken na 1 januari 2006) wordt
                        teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht
                        naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al>Mogelijkheid B</al><al> De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere
                        oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 21 augustus 2006
                        als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de
                        beloning begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari 2007 (dit is 6
                        maanden na 21 augustus 2006) het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        wordt teruggebracht tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt deze vervolgens
                        teruggebracht naar 75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al>Lid 12</al><al>Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in
                        een andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling (artikel
                        7:16, tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de
                        aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze
                        aanstelling beginnen de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen.</al><al>Lid 13</al><al>Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                        salarisbetaling nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is
                        hieraan uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1
                        bevatten bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het
                        tussentijds stopzetten van de salarisbetaling.</al><al>Lid 14</al><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een korting op het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet redelijk is en besluiten tot
                        doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                        Deze afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een zodanige
                        gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens objectieve
                        medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een besluit neemt, kan
                        advies worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de
                        ambtenaar levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig
                        gevaar loopt.</al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
                        (T)</al><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                        arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                        dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA- of
                        IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op
                        grond van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald
                        percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), genoten in
                        het jaar voorafgaand aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de
                        mate van arbeidsongeschiktheid.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</al><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor
                        de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige
                        dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de
                        prestatiebeloning in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het
                        ligt voor de hand om dit in het lokale beloningsbeleid te regelen.</al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging (T)</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                        artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard
                        van het onderwerp ligt het voor de hand om dit in het lokale beloningsbeleid
                        te doen.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                        artikel 2:7a (T)</al><al>Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40
                        uur werkt kan hij verplicht worden tot aanvaarding van een functie voor
                        (maximaal) 40 uur, voor zover en zolang artikel 2:7a op hem van toepassing
                        is. Na afloop van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden een functie
                        te accepteren voor de formele arbeidsduur van 36 uur.</al><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van
                        werkzaamheden in het kader van de reïntegratie en het volgen van
                        noodzakelijke scholing in het kader van de reïntegratie, bedoeld in artikel
                        7:1, eerste lid, onder b en c, worden begrepen. Doel van deze maatregelen is
                        terugkeer in de eigen arbeid dan wel plaatsing in een passende functie.</al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de
                        werkgever de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk, voor te
                        zorgen dat de ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan verrichten
                        (eerste spoor). Als bij de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden
                        is, moet de werkgever (laten) zoeken naar passende arbeid bij een andere
                        werkgever (tweede spoor). De tekst van artikel 7:9 komt overeen met de tekst
                        van artikel 658a van boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek. Het is
                        mogelijk dat de werkgever en de werknemer van mening verschillen over de
                        aanwezigheid van passende arbeid. Artikel 30, eerste lid, onder f, van de
                        Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt dat de
                        werknemer of de werkgever UWV kan verzoeken een onderzoek in te stellen naar
                        en een oordeel te geven over de aanwezigheid van passende arbeid, die de
                        zieke werknemer voor de werkgever in staat is te verrichten.</al><al>Lid 3</al><al>In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen
                        voor werkgever en werknemer opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het
                        opstellen van een plan van aanpak, dat opgesteld moet worden op het moment
                        dat sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet
                        volgen op een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken
                        ziekte moet worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van
                        aanpak zijn opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke maatregelen in het
                        kader van het herstel van de ambtenaar getroffen worden.</al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing
                        moeten worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij
                        het maken van de afspraken bijstaan door een ter zake deskundige,
                        bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al>Lid 4</al><al>In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                        verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen
                        van dat verzuimprotocol vastgesteld. In de ledenbrief van 26 november 2002,
                        Lbr. 02/167 is een handreiking gedaan voor een verzuimprotocol. De
                        verplichte elementen maken daar onderdeel van uit.</al><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                        (T)</al><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de
                        salarisbetaling. Dit is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                        (T)</al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het
                        derde ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en reïntegratie voor de
                        ambtenaar gelden. Op overtreding van deze verplichtingen staat een sanctie.
                        Deze sancties zijn opgenomen in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag is in nader
                        gespecificeerde situaties ook mogelijk binnen 24 maanden na ziekte).</al><al>Lid 1</al><al>In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid,
                        onderdeel a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen medewerking te
                        verlenen aan zijn reïntegratie. Dit artikel is opgenomen in de CAR om
                        hiermee uitdrukking te geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het
                        kader van preventie ziekteverzuim en reïntegratie en de invoering van de Wet
                        verbetering poortwachter, die op 1 april 2002 in werking is getreden. De
                        tekst van het eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10,
                        van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader
                        van preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd
                        (zie artikel 7:9). Het artikel verplicht de ambtenaar actief mee te werken
                        aan het reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de ziekte als
                        lopende het reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar
                        gevolg moet geven moeten onder andere werkzaamheden en scholing in het kader
                        van de reïntegratie worden verstaan (zie artikel 7:9, tweede lid). </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                        sanctie op het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van deze arbeid is
                        neergelegd in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag binnen dan wel na 24 maanden na
                        de eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van
                        passende arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV
                        kan verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel een oordeel te geven
                        over de aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de
                        werkgever in staat is te verrichten.</al><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</al><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege
                        de bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen
                        te kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het medisch onderzoek verricht,
                        deelt de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan betrokkene en aan het
                        college. Op overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals
                        wanneer het onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van
                        verwijtbaar gedrag van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in artikel
                        7:13:1 en 7:13:2.</al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling (T)</al><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling
                        van het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Het gaat hierbij om
                        situaties waarin al vrij snel na de eerste ziektedag bekend is dat:</al><al>§ de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                        opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene verwijtbaar is;</al><al>§ de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige keuring,
                        waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens onjuiste informatie
                        omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt, zodanig dat de verklaring
                        dat tegen de vervulling van zijn functiegeen medische bezwaren bestaan, niet
                        afgegeven zou zijn.</al><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld
                        kunnen worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat er
                        vanaf de eerste dag van ziekte geen recht op salarisbetaling.</al><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling (T)</al><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding
                        van de verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de
                        conclusies die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken
                        kunnen worden. De in deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk
                        zijn. Dit houdt in dat artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden
                        toegepast. Wanneer de situatie weer hersteld is, wordt de betaling van het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) weer gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd
                        in artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond
                        van artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie
                        te verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van
                        de ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van
                        dat gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de
                        betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt gestaakt
                        wanneer bijvoorbeeld de ambtenaar nalaat zich onder geneeskundige
                        behandeling te stellen of zich niet houdt aan voorschriften van behandelende
                        geneeskundigen.</al><al>Als de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn
                        geestelijke toestand, vindt doorbetaling wel plaats. De gemeente moet zich
                        voor het besluit om de salarisbetaling te staken dus vergewissen van de
                        geestestoestand van de ambtenaar.</al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
                        (T)</al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in
                        dat artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast. Wanneer de situatie
                        weer hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                        ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting
                        daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                        verplichtingen, te weten:</al><al>§ het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al><al>§ het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals het verrichten
                        van werkzaamheden en scholing in het kader van de reïntegratie als bedoeld
                        in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen b en c) die door het college gesteld
                        kunnen worden;</al><al>§ het niet meewerken aan het plan van aanpak en</al><al>§ het weigeren van passende arbeid.</al><al>Lid 1</al><al>In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                        verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen.
                        Dit is uitgewerkt in de zin dat overtreding van de regels uit het
                        verzuimprotocol als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van
                        hoofdstuk 16 gesanctioneerd kan worden. De op te leggen sanctie moet
                        overeenkomen met de ernst van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de
                        gedragingen maakt deel uit van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor
                        de sanctie.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                        voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn gesteld, weigert
                        passende arbeid te verrichten of die weigert medewerking te verlenen aan de
                        totstandkoming, evaluatie en — eventueel — bijstelling van het plan van
                        aanpak, kan bestraft worden met inhouding van op het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n). Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid van
                        bestraffing met ontslag na 24 maanden dan wel binnen 24 maanden na de eerste
                        ziektedag (artikel 8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                        evaluatie en - eventueel - bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie
                        op het weigeren van passende of gangbare arbeid is gelijk aan de sanctie die
                        sinds de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel
                        629, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                        imperatief: de salarisbetaling wordt gestaakt wanneer de ambtenaar het
                        beschreven gedrag betoont.</al><al>Lid 3</al><al>Als de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid, geen verwijt gemaakt kan
                        worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling wel
                        plaats. De gemeente moet zich voor het besluit om de betaling van het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) te staken dus vergewissen van de
                        geestestoestand van de ambtenaar.</al><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar (T)</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid het op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2
                        of 7:14 niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) aan
                        anderen dan aan de ambtenaar te betalen. Het kan hierbij gaan om betalingen
                        die aan familieleden worden gedaan. Ingevolge het tweede lid wordt het
                        niet-uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog
                        uitbetaald wanneer de ambtenaar na een door hem aangevraagde second opinion
                        door het UWV in het gelijk gesteld wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid (T)</al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende arbeid
                        moet verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet
                        definitief worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt
                        dat wel. Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24
                        maanden voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die
                        minder dan 35% arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn
                        volledige restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve
                        herplaatsing van de ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat
                        hij met de passende arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut.
                        Zie verder lid 3 en 4.</al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden
                        van lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet
                        meer zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35%
                        arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten
                        (35% tot 80% arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude functie gehandhaafd
                                blijft, maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt
                                opgedragen;</al></li><li nr="2."><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte wordt
                                gewijzigd; de oude functie van de ambtenaar komt te vervallen en
                                deze krijgt een nieuwe aanstelling in passende arbeid.</al></li></lijst><al>ad 1</al><al> De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral voordoen in die gevallen
                        waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>terugkeer in de oude functie nog mogelijk wordt geacht en de
                                ambtenaar bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b."><al>(volledige) terugkeer in de oude functie niet mogelijk wordt geacht
                                en de ambtenaar tijdelijk een andere functie vervult, bijvoorbeeld
                                bij wijze van proef voorafgaand aan een definitieve
                                herplaatsing.</al></li></lijst><al>Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                        aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor
                        de ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd
                        wordt. Ook is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in de functie waarin
                        hij ziek is geworden. Over de uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden
                        verricht, heeft hij recht op de doorbetaling van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b). </al><al>ad 2</al><al>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de WIA,
                        geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de wachttijd voor een
                        WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien het mogelijk zou zijn de zieke
                        medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende
                        functie, zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen
                        recht heeft op een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is
                        voor zijn nieuwe functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een
                        wijziging van de aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van ziekte
                        zijn verstreken.</al><al>In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende voorwaarden
                        opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde
                        ziektejaar definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn
                        aanstelling. Er zijn twee voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie</al></li><li nr="2."><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het restverdiencapaciteit
                                van de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van
                                arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a."><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder
                                        arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b."><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                        arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                        arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al>De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een
                        herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de situatie
                        onder 1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een
                        wijziging in de aanstelling het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        van de ambtenaar wordt aangepast aan het niveau en de omvang van het nieuwe
                        dienstverband. Dit is mogelijk op grond van artikel 3:5 lid 3.</al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie door
                        middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van
                        de wijziging van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek
                        wordt in deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te
                        lopen. Indien de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de
                        doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) altijd
                        uitgegaan van het salaris die geldt voor die nieuwe functie.</al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie
                        ten aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate
                        de duur van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de
                        ambtenaar worden verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door
                        hem te verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet
                        tot de mogelijkheden behoort.</al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de betaling van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) te staken, wanneer de ambtenaar zonder
                        deugdelijke grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de beoordeling
                        van de 'deugdelijkheid' van de weigeringsgrond zal worden meegewogen of de
                        arbeid wel voldoet aan het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het
                        zonder deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan
                        binnen 24 maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna
                        plaatsvinden. Artikel 8:5a biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al>Lid 3</al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of
                        na 1 juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in
                        het geval er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het
                        derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de
                        volledige restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde
                        wordt voldaan, ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7
                        van hoofdstuk 10d).</al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste
                        ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de gemeente een
                        functie gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de
                        medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van
                        ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag
                        plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende
                        functie gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of
                        na 1 juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in
                        het geval er sprake is van arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder
                        dan 80%. In het derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende
                        functie, waarmee ten minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt.
                        De uitkeringsrechten van de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP
                        Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn in dit geval groter, dan wanneer de
                        ambtenaar een functie aanvaardt voor minder dan 50% van zijn
                        restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is,
                        is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te ontslaan voordat er
                        36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de
                        gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                        restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is
                        dan formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig
                        ontslag van de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar
                        buiten de gemeente een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van
                        de restverdiencapaciteit.</al><al>Situationele arbeidsongeschiktheid</al><al>In het geval de ambtenaar situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel
                        geen sprake zijn van verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA.
                        Als de ambtenaar arbeid wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is
                        aan de functie die hij bekleedde, zij het bij een ander
                        organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze arbeid in principe niet
                        mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie waarin de ambtenaar
                        zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen. Weigert de ambtenaar
                        deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van artikel 7:14 en
                        kan de betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gestaakt
                        worden.</al><al>Lid 6</al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                        behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                        wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van
                        de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                        meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                        aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband
                        houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds
                        ziekte die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het
                        bevallingsverlof. Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de
                        berekening van de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt
                        voor ziekte tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de
                        zwangerschap; ook deze periode mag meegerekend worden voor de termijn van 24
                        respectievelijk 12 maanden. </al><al>Voorbeeld</al><al>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar zwangerschap uit wegens
                        zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van
                        het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij zich
                        ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de zwangerschap. Voor
                        berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet meegeteld
                        worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is wegens
                        zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                        aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                        termijn van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze
                        veroorzaakt zijn door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan
                        wel 12 maanden start in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de
                        laatste dag van het bevallingsverlof.</al><al>Lid 7</al><al>Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid
                        vloeit voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening
                        van de 24 en 12 maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die
                        worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of
                        langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe
                        niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van
                        vier weken of langer. Indien de ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de
                        zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte wordt geacht redelijkerwijs
                        voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld
                        voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al><al>Lid 8</al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><al>Ad a </al><al>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                        dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV.
                        Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                        met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later
                        in.</al><al>Ad b</al><al>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                        van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.</al><al>Ad c</al><al>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                        reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                        werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                        onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                        gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van
                        de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard
                        en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel
                        25, negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de
                        verlenging van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen.
                        Op grond van artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op
                        70% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn
                        voor de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks
                        melding van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit
                        laatste artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken
                        zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV.
                        Vertraging van deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de
                        termijn van 24 maanden.</al><al>Lid 9</al><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een
                        kopie van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt als
                        belanghebbende een kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van
                        arbeidsongeschiktheid en het resterend verdienvermogen genoemd worden.</al><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</al><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen, die het in mindering
                        brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van
                        de reïntegratie op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), nader
                        regelen. Dat betekent dat voor UWO-gemeenten het in mindering brengen van
                        inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de
                        reïntegratie op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), inhoudelijk
                        in artikel 7:18:1 volledig is uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve
                        weliswaar geen nadere regels aan dit UWO-artikel toevoegen, wel kunnen
                        UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels vaststellen ter uitvoering van een
                        UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.</al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit ander dienstverband (T)</al><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                        herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden
                        (bijvoorbeeld bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten in
                        mindering gebracht worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        waarop hij ingevolge artikel 7:3 aanspraak op heeft. Deze verrekening vindt
                        als volgt plaats. In overleg met de ambtenaar wordt vastgesteld hoeveel uren
                        hij besteedt aan de betreffende werkzaamheden. Op basis hiervan wordt de
                        hoogte van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3, vastgesteld. De
                        inkomsten die de ambtenaar verwerft, worden op het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) in mindering gebracht.</al><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is
                        dat er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan
                        worden op een loondoorbetaling. Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW
                        wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor de volgende categorieën
                        werknemers in actieve dienst:</al><al>§ vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht op een
                        uitkering hebben;</al><al>§ medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun functie te
                        vervullen;</al><al>§ arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de eerste vijf jaren
                        na aanvang van het dienstverband ongeschikt worden hun functie te
                        vervullen.</al><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                        krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in
                        mindering gebracht wordt op het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                        waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een uitkering
                                op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo (dus voor de
                                ingang van het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot het
                                verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt
                                in de zwangerschap;</al></li><li nr="b."><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een
                                uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo, doch
                                die uitkering nog niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is
                                tot het verrichten van haar arbeid. Dit betreft de periode tussen de
                                zes en vier weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum. Indien de
                                ingang van het zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier
                                weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de
                                vermoedelijke bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar ziek
                                (ongeacht of deze ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan
                                gaat het verlof op basis van de Wazo in vanaf die zes weken. Tijdens
                                de periode van zes tot vier weken voor de vermoedelijke
                                bevallingsdatum heeft de vrouwelijke ambtenaar recht op een
                                ZW-uitkering. Daarna heeft de vrouwelijke ambtenaar gedurende
                                veertien weken recht op een Wazo-uitkering;</al></li><li nr="c."><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel 3:7,
                                eerste lid, van de Wazo is geëindigd (dus na de afloop van het
                                bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van
                                haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling
                                of de daaraan voorafgaande zwangerschap.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                        verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste
                        lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW uitkering ontvangt. Er
                        wordt dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in
                        mindering gebracht in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100
                        % van het dagloon in geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a
                        ZW recht op een uitkering hebben.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                        ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een
                        boete wordt opgelegd, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in
                        het eerste lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige uitkering
                        ontvangt. Er wordt dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het
                        dagloon in mindering gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW
                        aan de ambtenaar worden opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de
                        vermindering. Sancties en boetes in het kader van de ZW worden dus niet
                        gecompenseerd.</al><al>Lid 4</al><al>Om verrekening van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de
                        ZW-uitkering praktisch mogelijk te maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering
                        cederen aan de gemeentelijke werkgever.</al><al>Lid 5</al><al>De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                        Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is gecedeerd aan de werkgever
                        ingevolge het vierde lid. Als het bedrag van de uitkering hoger ligt dan het
                        bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het
                        meerdere uitbetaald aan de ambtenaar.</al><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering (T)</al><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 maanden na de
                        eerste ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet (WW)
                        op grond van urenverlies én verlies van loon recht geeft recht op een
                        uitkering. Wanneer dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een
                        WW-uitkering aan te vragen. Indien hij een WW-uitkering aanvraagt, wordt
                        deze uitkering in mindering gebracht op het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n), waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3
                        recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een medewerker dubbele inkomsten
                        ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten wordt deze op grond van
                        de CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te vragen. Het is echter wel
                        mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit. Eventuele kortingen op
                        de WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht op de doorbetaling
                        van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA (T)</al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een
                        uitkering ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en wel:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte,
                                bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op
                                grond van dat artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat
                                op salarisbetaling op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                WIA;</al></li><li nr="c."><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25,
                                negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>ad a</al><al> Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                        dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV.
                        Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                        met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later
                        in.</al><al>ad b</al><al> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de WIA-wachttijd op
                        verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.</al><al>ad c</al><al> Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet een reïntegratieverslag worden
                        ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke
                        grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende
                        reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende
                        welke de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer op een
                        verlenging van de WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal 52
                        weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim.
                        Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de
                        WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA
                        pas op een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op het door te
                        betalen salaris en de toegekende salaristoelage(n) na 104 weken ziekte geen
                        WGA- of IV A-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de
                        werkgever feitelijk na 104 weken ziekte een zwaardere financiële last
                        draagt. In het geval genoemd onder b hiervoor is sprake van een bewuste
                        keuze. Deze keuze kan voor werkgever én werknemer gunstig zijn als
                        reïntegratie aanstaande is. De werknemer krijgt dan niet te maken met een
                        uitkering op grond van de WIA; de werkgever heeft als voordeel dat de
                        Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het feit dat een medewerker
                        een uitkering op grond van de WIA heeft. In de gevallen a en c hiervoor kan
                        dit worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor het niet naleven
                        van de reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd
                        op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                        medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                        mindering wordt gebracht op de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de
                        salarisbetaling indien deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde
                        functie. In het geval de betrokkene ondertussen definitief is herplaatst in
                        een andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling wordt de
                        WGA-uitkering, voor zover die voortvloeit uit die oude functie, niet in
                        mindering gebracht op de salarisbetaling tijdens ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband
                        met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een
                        uitkering ter hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan
                        de het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop op grond van
                        artikel 7:3 recht bestaat, heeft de ambtenaar ten minste recht op het bedrag
                        van de IVA- of WGA-uitkering. Dit is het geval na 24 maanden
                        arbeidsongeschiktheid , waarna recht op doorbetaling van 70% van het salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) bestaat. Niet altijd zal er sprake van
                        zijn dat de salarisbetaling lager is dan de IVA- of WGA-uitkering bij
                        volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid. Hiervan is geen sprake
                        iemand eerder voor een IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte wachttijd
                        op grond van artikel 23, zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de
                        IVA-uitkering is al mogelijk vanaf 13 weken na de eerste ziektedag. Op dat
                        moment (na 13 weken) is er zelfs nog sprake van 100% loondoorbetaling. Op
                        dat moment vindt dus wel volledige verrekening van de uitkering met de
                        loondoorbetaling plaats.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                        zieke ambtenaar die meer dan één functies heeft. Indien betrokkene voor
                        beide functies arbeidsongeschikt wordt, zal slechts één uitkering op grond
                        van de WIA worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op de
                        doorbetaling van één van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel
                        van de uitkering ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat verband
                        houdt met de arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit dient naar rato te
                        worden bepaald.</al><al>Lid 3 t/m 5</al><al>In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                        uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) tijdens ziekte wordt uitgegaan van een WGA- of
                        een IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat verwijtbaar is aan
                        betrokkene. Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane meerlasten kunnen worden
                        afgewenteld op de werkgever die immers een hoger bedrag aan salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) dient door te betalen ingeval de WGA- of
                        IVA-uitkering niet of niet volledig tot uitbetaling komt en dit betrokkene
                        te verwijten is. Omdat dit gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de
                        werkgever de mogelijkheid in dergelijke gevallen toch een korting op het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) toe te passen.</al><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</al><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond
                        van het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met
                        de loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten (T)</al><al>De VNG heeft een contract met IZA Zorgverzekeraar NV en Zilveren Kruis
                        Achmea voor de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2016, dat optioneel 3
                        keer met 1 jaar verlengd kan worden. Het contract is een exclusief
                        collectief zorgverzekeringscontract voor gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven. De definitie van postactieven en inactieven staat in artikel
                        7:1, eerste lid.</al><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling (T)</al><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari
                        2001 ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt
                        voor ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt
                        na 31 januari 2001 en de zieken die op 15 februari 2001 nog ziek zijn
                        (ziekte in verband met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen).
                        Hierbij is voorts bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken
                        weer herleeft, dit als een nieuw ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering komt,
                        moet gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft
                        bestaan en dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december
                        2001, blijven gelden. Met het eerste lid van artikel 7:26 wordt dit
                        gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW
                        vallen, komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op
                        grond van hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd
                        betaald. Lid 2 van artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling daarvan.</al><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering (T)</al><al>Algemeen</al><al>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd
                        arbeidsongeschikt raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt aangeboden
                        - en derhalve werkloos wordt - in tegenstelling tot de situatie voor 1
                        januari 2001 aanspraak maken op een WW-uitkering. Derhalve is de
                        garantie-uitkering overbodig geworden voor nieuwe gevallen die optreden na 1
                        januari 2001. Door wijziging van het eerste lid blijven de bestaande
                        garantie-uitkeringen gegarandeerd. De algemene opmerkingen en de voorbeelden
                        die hierna zijn opgenomen gelden voor de uitkeringen, die voor 1 januari
                        2001 zijn ingegaan.</al><al>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief herplaatst te zijn in een
                        nieuwe functie wordt afgeschat en zijn toegenomen restverdiencapaciteit niet
                        volledig kan benutten, omdat hem geen aanvullende werkzaamheden worden
                        aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op
                        grond van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden door middel van een
                        wijziging van de aanstelling. Herplaatsing gaat met andere woorden niet
                        gepaard met ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet alleen
                        artikel 7:16 sluit ontslag uit, maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt
                        dat arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien het
                        niet mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in passende/gangbare
                        arbeid. Omdat geen ontslag plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht
                        op een uitkering gebaseerd op die oorspronkelijke betrekking, een
                        suppletie-uitkering, waar gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die
                        niet herplaatst kunnen worden wel recht op hebben. Dit gemis aan uitkering
                        kan in de situatie dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte wordt afgeschat,
                        maar hem geen aanvullende arbeid kan worden aangeboden (en waardoor de
                        betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt), vervelende
                        inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere situatie
                        zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en suppletie
                        krijgt. De garantie-uitkering biedt een inkomensvoorziening in deze gevallen
                        van werkloosheid en zorgt er voor dat een ambtenaar die mee werkt aan
                        reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan
                        worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                        WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al>Situatieschets</al><al>Een ambtenaar met een salaris inclusief salaristoelage(n) van € 2.500,-
                        wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999 wordt hem een WAO-uitkering
                        toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%.
                        Na 14 maanden, op 1 maart 1999, wordt hij definitief herplaatst in een
                        functie waarin hij zijn volledige restverdiencapaciteit benut. Hetsalaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) in de nieuwe functie bedraagt € 1.250,-.
                        Omdat hij zijn volledige restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht
                        op herplaatsingstoelage (HPT). Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er
                        als volgt uit:</al><al>salaris incl. salaristoelage(n) uit nieuwe functie € 1.250,- </al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 875,- (35% van € 2.500,-)</al><al>herplaatsingstoelage € 375,- </al><al>Totaal € 2.500,- </al><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                        arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De
                        werkgever is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden te
                        bieden, waardoor de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan
                        benutten. Hierdoor krijgt de ambtenaar niet alleen te maken met een lagere
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook geconfronteerd met het
                        verlies van zijn herplaatsingstoelage. Zonder garantie-uitkering ziet het
                        totale inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><al>salaris incl. salaristoelagen uit nieuwe functie € 1.250,- </al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering € 350,- (14% van € 2.500,-)</al><al>Totaal € 1.600,- </al><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                        garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op
                        grond van het pensioenreglement van het ABP vindt over deze
                        garantie-uitkering volledige pensioenopbouw plaats.</al><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat,
                        nadat hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat
                        luidde voor 1 januari 2003, recht op een garantie-uitkering indien hem geen
                        aanvullende arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat
                        is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor
                        zijn herplaatsingstoelage verliest.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van
                        de termijn en de fasering in de percentages wordt uitgegaan van de
                        begindatum van de ziekte in de oorspronkelijke functie. Verder is de hoogte
                        van de garantie-uitkering gebaseerd op het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) in de oorspronkelijke functie. Toegepast op de
                        bovenstaande situatieschets zou de betrokkene met ingang van 1 januari 2000
                        recht krijgt op een garantie-uitkering, tot uiterlijk 7,5 jaar na aanvang
                        ziekte in de oorspronkelijke functie (1 januari 1998), dus tot uiterlijk 1
                        juli 2005. De hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van de oorspronkelijke
                        salarisbetaling van € 2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1 oktober
                        2002. In de periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering €
                        1.750,- (70% van €2.500,-).</al><al>Lid 3</al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) uit de functie waarin de ambtenaar is herplaatst, de
                        WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen en de herplaatsingstoelage in
                        mindering worden gebracht. Ook nieuwe inkomsten verworven op of na de datum
                        dat de ambtenaar is afgeschat worden op de garantie-uitkering in mindering
                        gebracht. Toegepast op de bovenstaande situatie zou dat bijvoorbeeld
                        betekenen dit het volgende betekenen.</al><al>Voorbeeld 1 Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</al><al>inkomen uit de nieuwe functie € 1.250,- </al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,- </al><al>garantie-uitkering € 400,- (2000-1250-350=400)</al><al>Totaal € 2.000,- </al><al>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005</al><al>inkomen uit de nieuwe functie € 1.250,- </al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,- </al><al>garantie-uitkering € 150,- (1750-1250-350=150)</al><al>Totaal € 1.750,- </al><al>Voorbeeld 2</al><al>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid krijgt aangeboden ter
                        waarde van € 300,- zou dit ter illustratie leiden tot de volgende situatie
                        (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</al><al>inkomen uit de nieuwe functie € 1.250,- </al><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie € 300,- </al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,- </al><al>garantie-uitkering € 100,- (2000-1250-350-300=100)</al><al>Totaal € 2.000,- </al><al>Voorbeeld 3</al><al>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid zou zijn aangeboden ter
                        waarde van € 750,- (en daardoor zijn volledige restverdiencapaciteit weer
                        kan benutten zou dit tot de volgende situatie leiden (alleen de situatie tot
                        1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</al><al>inkomen uit de nieuwe functie € 1.250,- </al><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie € 750,- </al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,- </al><al>herplaatsingstoelage € 150,- </al><al>garantie-uitkering € 0,- (2500-1250-750-350-150=0)</al><al>Totaal € 2.500,- </al><al>Lid 4</al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert,
                        verloren laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden tot het verkrijgen
                        daarvan. De sanctie is gelijk aan de omvang van de inkomsten die de
                        ambtenaar uit deze gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever
                        de ambtenaar bijvoorbeeld arbeid aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld €
                        500,- en de ambtenaar weigert deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,-
                        toch in mindering gebracht op de garantie-uitkering.</al><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met
                        ingang van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de lopende
                        ziektegevallen van op of na 1 januari 2004. Dit betekent niet dat de
                        artikelen terugwerken tot 1 januari 2004. Er wordt door middel van dit
                        artikel een onderverdeling gemaakt in twee groepen van ziektegevallen. De
                        groep van wie de ziekte ligt voor 1 januari 2004, hiervoor gelden de
                        bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals die golden op 31 december 2005. De
                        groep van wie de eerste ziektedag lag op of na 1 januari 2004 valt met
                        ingang van 1 januari 2006 onder de huidige bepalingen.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van de
                        verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op
                        een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij
                        de invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in
                        stand te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al
                        ligt zijn eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004,
                        in aanmerking kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering
                        op grond van de WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor
                        deze groep medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling die ziet
                        op definitieve herplaatsing in passende of gangbare arbeid voordat 2 jaar
                        van ziekte is verstreken en de bepalingen die zien op verrekening van een
                        WAO-uitkering met de loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al>Lid 5</al><al>De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met
                        vier van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor medewerkers die op of
                        na 1 januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de ambtenaar van wie de eerste
                        ziektedag lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode ingevolge
                        artikel 7:3, vierde lid (zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als
                        sprake is geweest van een onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is
                        sprake van een nieuwe ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004.
                        Hetzelfde geldt voor de zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in
                        2004 definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, eerste lid, onder c
                        (zoals dat artikel gold op 31 december 2005). Als de medewerker in de
                        gewijzigde aanstelling opnieuw ziek wordt, is sprake van een ziekteperiode
                        die is aangevangen na 1 januari 2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag
                        lag op 1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond
                        van artikel 7:3, tweede lid, heeft hij met ingang van 1 januari 2006 recht
                        op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                        Met ingang van 1 maart 2006 is de ambtenaar 12 maanden ziek en heeft hij
                        ingevolge artikel 7:3, derde lid, recht op doorbetaling van 75% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages
                        van de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die
                        bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18 maanden 100%, daarna 80% van
                        het salaris en de toegekende salaristoelage(n)).</al><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel (T)</al><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting
                        bij artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel (T)</al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                        ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus
                        niet een derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en
                        vierde lid.</al><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel (T)</al><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                        onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                        ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus
                        2008 ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op
                        de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij
                        het UWV. Als de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de
                        wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De
                        WIA-uitkering gaat dan pas later in. De periode waarna definitieve
                        herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                        medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                        eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij
                        het UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO
                        en/of WGA. Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een
                        boete te krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                        loondoorbetalingsverplichting.</al><al>8 Ontslag</al><al>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek (T)</al><al>Lid 1</al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de
                        ambtenaar geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden. Behoudens
                        andersluidend voorschrift dient een verzoek om ontslag ingewilligd te
                        worden. Het verzoek om ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk
                        gebeuren. Indien een ambtenaar op een dergelijk verzoek wenst terug te
                        komen, en B. en W. hebben nog niet beslist, dan kan de betrokken ambtenaar
                        volstaan met de schriftelijke mededeling dat men het desbetreffende verzoek
                        als niet gedaan dient te beschouwen. Indien echter B&amp;W reeds een
                        ontslagbesluit hebben genomen, is het college niet verplicht op dat besluit
                        terug te komen. Het college heeft wel die bevoegdheid. Een en ander kan
                        afhankelijk zijn van bepaalde factoren zoals de stand van zaken in de
                        vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar het verzoek intrekt.
                        Het belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de organisatie
                        afgewogen te worden.</al><al>Lid 3</al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                        verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol
                        zou moeten worden verleend.</al><al>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek
                        tussen één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent dat de
                        medewerker niet koste wat kost vast mag houden aan één maand en de werkgever
                        niet aan drie maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden
                        door de werkgever. Hierbij moet zowel het belang van de medewerker als het
                        belang van de gemeente worden afgewogen. Overigens is de gemeente niet
                        gehouden aan een opzegtermijn per de eerste dag van de maand. Opzegging kan
                        ook tegen andere dagen plaatsvinden. Een werknemer die ondanks de
                        vastgestelde opzegtermijn toch eerder weg gaat, handelt opzettelijk in
                        strijd met zijn verplichtingen zijn functie nauwgezet te vervullen.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                        vooralsnog niet in te willigen wanneer een strafrechtelijke vervolging
                        aanhangig is of een disciplinaire straf wordt overwogen en het niet
                        wenselijk is om deze procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels
                        ontslag heeft genomen.</al><al>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                        (T)</al><al>Lid 2</al><al>In bijzondere situaties kan het wenselijk zijn dat betrokkene na het
                        bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd doorwerkt. Als betrokkene hiermee
                        instemt wordt hem op een latere leeftijd eervol ontslag verleend. Een tweede
                        mogelijkheid is betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te
                        verlenen op grond van artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene ook langer pensioen opbouwen: er is dan
                        ook sprake van inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging. In het
                        tweede geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de
                        AOW-leeftijd, is er geen sprake van verplichte pensioenopbouw en kan de
                        ambtenaar kiezen om vrijwillig de pensioenopbouw voort te zetten. Dit is
                        geregeld in artikel 16.1 van het pensioenreglement.</al><al>In beide situaties is er sprake van een ander bruto-netto traject en
                        premieafdracht. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de
                        werkgever als de werknemer voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het
                        niet langer betalen van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de
                        pensioenopbouw. Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer
                        opgebouwd. In het navolgende schema vindt u een overzicht met de
                        gevolgen:</al><al> Continuering dienstverband (art. 8:2 CAR) Nieuw dienstverband (art. 2:4
                        CAR, met toepassing 8:2 lid 2)</al><al>Ingangsdatum OP Na afloop dienstverband, of eerder op verzoek van ambtenaar
                        Met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd
                        bereikt</al><al>Opbouw ABP Keuzepensioen Tot einde dienstverband Eventueel vrijwillig</al><al>Premie AAOP Ja Nee</al><al>Premie ABP Keuzepensioen Ja Nee</al><al>Premie voor de voorwaardelijke inkoop Ja Ja</al><al>Pseudopremie WW Nee Nee</al><al>Premie WIA Nee Nee</al><al>Overigens is het voor het in laten gaan van het pensioen niet meer
                        noodzakelijk om ontslag te verlenen. De ambtenaar kan ervoor kiezen zijn
                        ABP-pensioen vanaf 60 jaar in te laten gaan, zonder dat hier een ontslag
                        tegenover staat. Het ingaan van pensioen heeft geen verdere gevolgen voor
                        bovenbeschreven situatie. Pensioenuitbetaling en pensioenopbouw kan dus
                        naast elkaar bestaan.</al><al>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd (T)</al><al>Lid 1</al><al>Op twee manieren kunnen mensen na de leeftijd van 65 jaar in dienst zijn van
                        de gemeente. De eerste mogelijkheid is dat iemand na de leeftijd van 65 jaar
                        in dienst treedt van de gemeente. Dit is mogelijk op grond van artikel 2:4.
                        De tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar dat zijn
                        aanstelling of arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 8:2, derde
                        lid, na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar is voortgezet. Bij dit
                        soort aanstellingen is de wens van een van de partijen voldoende om de
                        aanstelling te beëindigen.</al><al>Lid 2</al><al>In verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt tot 2018
                        dat de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt bij ziekte
                        kan worden ontslagen na 13 weken. In 2018 wordt de Wet werken na de
                        AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt deze termijn mogelijk verkort.
                        De termijn van 13 weken is in artikel 127ca van de Ambtenarenwet
                        vastgelegd.</al><al>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie (T)</al><al>Lid 1</al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de
                        functie, wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel dan wel
                        wegens een verminderde behoefte aan arbeidskrachten. De opgenomen zinsnede
                        "of van andere dienstonderdelen" impliceert dat ontslag in principe ook
                        mogelijk is bij een reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan dat waar
                        de ambtenaar werkzaam is. Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd is
                        met de redelijkheid, zal ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het
                        ontslag moet immers zijn de overbodigheid en niet slechts het feit van de
                        reorganisatie. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot
                        opheffing van een functie of tot reorganisatie zakelijke motieven ten
                        grondslag dienen te liggen en niet de wens voor een bepaalde ambtenaar een
                        ontslaggrond te creëren. Indien niet duidelijk is welk van de genoemde drie
                        ontslaggronden in een voorkomend geval gehanteerd moet worden, heeft men in
                        principe de vrije keus, mits rekening is gehouden met de belangen van de
                        ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet, individuele
                        gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over het sociaal
                        statuut. Op het moment dat het sociaal plan gereed is en duidelijk is dat de
                        functie van betrokkene na reorganisatie niet meer terugkomt, dan wel als
                        duidelijk is dat de betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn
                        functie, kan betrokkene boventallig worden verklaard. Van dit laatste is
                        sprake als bijvoorbeeld van de vijf beleidsmedewerkers er na de
                        reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond van lokale regels wordt dan
                        bepaald welke twee medewerkers niet kunnen terugkeren. Als er geen sociaal
                        plan is, kan het besluit tot boventalligheid worden genomen, zodra duidelijk
                        is dat de functie van de medewerker of de functies van een kleine groep
                        medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is dat de betrokken
                        medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie en als duidelijk is dat er
                        ook geen andere passende functie beschikbaar is. Ingeval hoofdstuk 10d van
                        toepassing is, vindt intern en extern een onderzoek plaats naar een andere
                        functie voor de medewerker. Dit onderzoek vindt dan plaats tijdens het van
                        werk naar werk-traject op grond van paragraaf 5 van hoofdstuk 10d. Na
                        ontslag kan op grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en
                        na-wettelijke uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                        worden besproken en vooraf aan de betrokken ambtenaren bekend worden
                        gemaakt. Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het
                        gaat om het ontslag van meer dan één ambtenaar.</al><al>In het kader van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt in
                        artikel 127b van de Ambtenarenwet geregeld dat bij reorganisatieontslag als
                        eerst afscheid wordt genomen van de ambtenaren die de AOW-gerechtigde
                        leeftijd hebben bereikt. Zijn er meer ambtenaren die de AOW-gerechtigde
                        leeftijd hebben bereikt, dan wordt als eerste afscheid genomen van de
                        ambtenaren met de kortste diensttijd. Welke jaren meetellen als diensttijd
                        is onderdeel van het reorganisatieplan.</al><al>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid (T)</al><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                        worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid
                        ten minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet
                        plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan binnen die
                        termijn wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt
                        aangesloten bij de situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke
                        ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="1."><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%
                                arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering</al></li><li nr="2."><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80%
                                tot 100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een
                                IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk
                        wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:4, derde lid.
                        Het college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van
                        de WIA. Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling
                        voor de aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV
                        de ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV
                        bij de werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De
                        werkgever kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens
                        arbeidsongeschiktheid schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                        arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de
                        claimbeoordeling op grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de
                        zin van de Awb en daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                        beroep. Het feitelijk ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat
                        vatbaar is voor bezwaar en beroep.</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                        beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader
                        de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als
                        onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever
                        of voldaan is aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                        ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn
                        genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking
                        verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen
                        wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in
                        zijn ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als
                        de ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                        deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft
                        een oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van
                        zijn functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie
                        voorhanden is (zie lid 2).</al><al>Lid 8</al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                        behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                        wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van
                        de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                        meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                        aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband
                        houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds
                        ziekte die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het
                        bevallingsverlof. Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de
                        berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte
                        tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook
                        deze periode mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24
                        maanden.</al><al>Voorbeeld</al><al>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar zwangerschap uit wegens
                        zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van
                        het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij zich
                        ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de zwangerschap. Voor
                        berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet meegeteld worden de
                        periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is wegens
                        zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                        aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                        ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                        zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit
                        voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                        bevallingsverlof.</al><al>Lid 9</al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid
                        vloeit voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening
                        van de 24 maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die
                        worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of
                        langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe
                        niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van
                        vier weken of langer. Indien de ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de
                        zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte wordt geacht redelijkerwijs
                        voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld
                        voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al>Voorbeeld I</al><al>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij,
                        waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek wordt. De periode van
                        herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2006 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2 weken
                        na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld II</al><al>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij,
                        waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek wordt. De periode van
                        herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2006 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27 april
                        2006) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld III</al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij
                        zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter
                        ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        als onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli
                        2006) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld IV</al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2006. Op 22 augustus 2006
                        zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog ziek.</al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al>Mogelijkheid A</al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak
                        als de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2006 als eerste
                        ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat
                        de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24 maanden + 16 weken na 1 januari
                        2006) kan worden ontslagen.</al><al>Mogelijkheid B</al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak
                        dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 22 augustus 2006 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008 (dit is 24 maanden na 22
                        augustus 2006) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld V</al><al>Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006
                        krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2006
                        (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij
                        weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde
                        ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2006 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24 maanden +16
                        weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen.</al><al>Lid 10</al><al>In lid 10 is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van
                        twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een
                        uitkering ingevolge de WIA.</al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><lijst><li nr="a."><al>In artikel 24 lid 1 van de WIA is bepaald dat de wachttijd op
                                verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan
                                worden.</al></li><li nr="b."><al>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                                reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat
                                de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is
                                nagekomen of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht,
                                kan het UWV de termijn gedurende de werkgever het loon moet
                                doorbetalen verlengen.</al></li></lijst><al>De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk
                        gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is
                        neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn
                        op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                        medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging.</al><al>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (T)</al><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan
                        ontslag worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die
                        ongeschiktheid ten minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op
                        deze grond slechts plaatsvinden indien er een passende functie voorhanden is
                        na 24 maanden ziekte buiten de gemeentelijke dienst. Ontslag op andere
                        gronden dan wegens ziekte kan wel binnen de genoemde termijnen worden
                        verleend.</al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van
                        volledig ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt
                        zijn (minder dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook
                        voor de mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit
                        artikel ziet op volledig ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de
                        functie. Indien er binnen de gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte
                        een passende functie voorhanden is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden
                        die zijn genoemd in artikel 7:16, derde en vierde lid, namelijk definitief
                        worden herplaatst.</al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk
                        wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:5, tweede lid.
                        Het college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van
                        de WIA. Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling
                        voor de aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV
                        de ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV
                        bij de werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de
                        uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                        arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de
                        claimbeoordeling op grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de
                        zin van de Awb en daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                        beroep. Het feitelijk ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat
                        vatbaar is voor bezwaar en beroep.</al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in
                        overleg met de bedrijfsarts of de arbodienst het reïntegratieverslag op. Het
                        door UWV (als onderdeel van de WIA-beschikking) beoordeelde
                        reïntegratieverslag is basis voor de oordeel van de werkgever of het
                        mogelijk is de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op
                        te dragen (onderdeel b). In week 91 stuurt de ambtenaar het
                        aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het reïntegratieverslag. UWV
                        beoordeelt eerst de reïntegratie-inspanningen van de werkgever en de
                        ambtenaar. Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende
                        zijn geweest wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder b).</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                        beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader
                        de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als
                        onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever
                        of voldaan is aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA.
                        Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet
                        arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het
                        ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar
                        deze meest recente WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een
                        negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens onvoldoende medewerking,
                        verwijst het college naar deze maatregel in zijn ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als
                        de ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                        deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft
                        een oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van
                        zijn functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie
                        voorhanden is (zie lid 2).</al><al>Herplaatsing in het derde ziektejaar </al><al>In artikel 7:16 zijn specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in
                        het derde ziektejaar.</al><al>Lid 3, 4 en 5</al><al>UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op
                        een WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer arbeidsongeschikt wordt
                        verklaard, wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus
                        liggen binnen de ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook
                        de resultaten van de herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke
                        ontslagbesluit. De herkeuring kan gevolgen hebben voor de inspanningen van
                        werkgever en werknemer in de loop van de 36 maanden. En dus ook voor de
                        beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente herplaatst kan worden.
                        Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                        herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt
                        tot mindere herplaatsingsmogelijkheden.</al><al>Aan het einde van de toelichting op artikel 8:5, lid 3, 4 en 5, worden de
                        volgende zinnen toegevoegd: Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in
                        het tweede lid, en er dus 36 maanden van ziekte verstrijken zonder dat er
                        een mogelijkheid is om de ambtenaar te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33
                        maanden na ingang ziekte (dus 3 maanden voor de beoogde ontslagdatum bij
                        ontslag na 36 maanden) op de hoogte gesteld van het feit dat de
                        ontslagprocedure in gang is gezet. Deze melding is dus niet aan de orde als
                        de ambtenaar gedurende het derde ziektejaar wordt herplaatst op grond van
                        artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt op grond van het tiende lid van dit
                        artikel. Dit laat overigens onverlet dat de WIA-aanvraag wel in de 21e maand
                        moet plaatsvinden.</al><al>Lid 7</al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                        behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                        wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van
                        de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                        meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                        aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband
                        houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds
                        ziekte die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het
                        bevallingsverlof. Deze laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de
                        berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte
                        tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook
                        deze periode mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36
                        maanden.</al><al>Voorbeeld</al><al> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar zwangerschap uit wegens
                        zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van
                        het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof meldt zij zich
                        ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de zwangerschap. Voor
                        berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet meegeteld worden de
                        periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is wegens
                        zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                        aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                        ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                        zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit
                        voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                        bevallingsverlof.</al><al>Lid 8</al><al>Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid
                        vloeit voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening
                        van de 36 maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die
                        worden onderbroken door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of
                        langer duurt of door het zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe
                        niet mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van
                        vier weken of langer. Indien de ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de
                        zwangerschap zelf) echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte wordt geacht redelijkerwijs
                        voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld
                        voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al>Voorbeeld I</al><al> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009 herstelt hij,
                        waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek wordt. De periode van
                        herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1 januari 2009 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2 weken
                        na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld II</al><al>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 15 maart 2009 herstelt hij,
                        waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek wordt. De periode van
                        herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2009 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27 april
                        2009) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld III</al><al> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart 2008 herstelt
                        zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij
                        zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment is zij echter
                        ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        als onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerkster op 20 juli 20011 (dit is 36 maanden na 20 juli
                        2008) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld IV</al><al> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009. Op 1 mei 2009 gaat zij met
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2009. Op 22 augustus 2009
                        zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat moment nog ziek. </al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al>Mogelijkheid A</al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak
                        als de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 1 januari 2009 als eerste
                        ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat
                        de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36 maanden + 16 weken na 1 januari
                        2009) kan worden ontslagen.</al><al>Mogelijkheid B</al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak
                        dan de ziekte voor dat verlof. In dit geval geldt 22 augustus 2009 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012 (dit is 36maanden na 22
                        augustus 2009) kan worden ontslagen.</al><al>Voorbeeld V</al><al> Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008. Op 15 maart 2008
                        krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2008
                        (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij
                        weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De zwangerschapsgerelateerde
                        ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 27 april 2008 als
                        eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit
                        betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36 maanden + 16
                        weken na 27 april 2008) kan worden ontslagen.</al><al>Lid 9</al><al>In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte
                        loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de
                        wachttijd voor een uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen.</al><al>Ad a</al><al>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                        dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV.
                        Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                        met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later
                        in. Deze verlenging schort eveneens de periode van 36 maanden op.</al><al>Ad b </al><al>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                        van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden. Deze verlenging
                        schort de periode van 36 maanden op.</al><al>Ad c</al><al>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                        reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                        werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                        onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                        gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van
                        de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard
                        en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel
                        25, negende lid, van de WIA. </al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn
                        op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                        medewerker na 36 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn
                        voor de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks
                        melding van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit
                        laatste artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken
                        zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV.
                        Vertraging van deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de
                        termijn van 24 maanden.</al><al>Lid 10</al><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden ziekte
                        mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste ziektedag is
                        deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden.
                        Definitieve herplaatsing is slechts mogelijk indien:</al><al>§ voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt
                        zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de restverdiencapaciteit
                        wordt vervuld of</al><al>§ voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de
                        aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt
                        vervuld.</al><al>Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst
                        plaatsvinden. Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van
                        artikel 8:5 bepaalt dat in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag
                        plaatsvinden. </al><al>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (T)</al><al>Lid 1</al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                        wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of
                        gemoed vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis,
                        vaardigheden, niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in
                        zijn functie kan worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als "past niet in het
                        team" zijn niet voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een
                        bepaald gedrag tot gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een relatie te
                        zijn tussen dat gedrag en de door de ambtenaar uit te oefenen
                        functie.0verigens kan, ondanks gebleken ongeschiktheid, naar het oordeel van
                        de Centrale raad van beroep de ontslagbevoegdheid beperking ondergaan
                        wanneer het disfunctioneren van de betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak
                        vindt in omstandigheden tot het ontstaan en voortbestaan waaraan de gemeente
                        zelf heeft bijgedragen. Tolereert men bijvoorbeeld gedurende langere tijd
                        bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te doen blijken, dan kan men niet
                        van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen voor een
                        ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken ambtenaar er op
                        te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                        getolereerd. In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en
                        onbekwaamheid vaak moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter
                        vermijden.</al><al>Zoals reeds vermeld verwacht de administratieve rechter een dossier
                        (beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen,
                        brieven met klachten; alles wat als bewijs kan dienen). De ongeschiktheid
                        mag haar oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van ziekten of gebreken.
                        Of dat al dan niet het geval is, kan soms alleen maar worden vastgesteld via
                        een voorafgaand medisch onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een
                        gerede aanleiding zijn. (Zie voor eventuele voorzieningen bij werkloosheid
                        hoofdstuk 10d).</al><al>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden (T)</al><al>Onderdeel 1</al><al>Deze bepaling vindt zelden toepassing. Het is moeilijk aan te geven wanneer
                        een vereiste alleen bij het aanvaarden van de functie geldt. De
                        geneeskundige verklaring, genoemd in artikel 2:3, en de verklaring omtrent
                        gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van. Een voorbeeld
                        van een blijvend vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor een
                        chauffeur. Het is echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk
                        zijn rijbevoegdheid verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit
                        artikel wordt gegeven. Ontslag ken worden gegeven, getoetst kan dus worden
                        of een ontslagbesluit in redelijkheid kon worden genomen. In het geval
                        betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag aanspraak op
                        een uitkering conform hoofdstuk 11.</al><al>Onderdeel 2</al><al>Onder "zwagerschap" wordt hier "aanverwantschap" bedoeld die door huwelijk
                        ontstaat. Het woord "aangaan" duidt op een actieve betrokkenheid; de
                        ambtenaar die het huwelijk aangaat waardoor de verboden aanverwantschap
                        ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag. Over deze ontslaggrond is
                        geen jurisprudentie bekend..</al><al>Onderdeel 3</al><al>Ook hierover zijn geen gevallen uit de praktijk bekend. In het geval
                        betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag aanspraak op
                        een uitkering conform hoofdstuk 11. </al><al>Onderdeel 4</al><al>Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze ontslaggrond wordt in de praktijk niet
                        gebruikt.</al><al>Onderdeel 5</al><al>Ook een voorwaardelijke veroordeling tot vrijheidsstraf valt in principe
                        onder deze bepaling. Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op zijn plaats
                        zijn maar er mag geen sprake zijn van een automatisme. Het is geen
                        strafontslag. Er moet een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden;
                        volgens de Centrale Raad van Beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot
                        ontslag van ambtenaren in het algemeen. In een dergelijke afweging van
                        belangen moeten bijvoorbeeld naast de ernst van het begane misdrijf worden
                        betrokken het verband van dat misdrijf met het ambtenaar schap van
                        betrokkene en met de aard van zijn werkzaamheden, de wijze waarop hij in
                        zijn functie heeft gefunctioneerd en met name de vraag of, en zo ja welke,
                        bezwaren zouden zijn verbonden aan voortzetting van het dienstverband,
                        hetzij in de oude functie, voor zover die na het ondergaan van de straf nog
                        bestaat, hetzij in een andere functie.</al><al>Onderdeel 6</al><al>Ontslag kan worden verleend als tijdens de medische keuring onjuiste
                        gegevens zijn verstrekt dan wel relevante gegevens zijn verzwegen. Deze
                        gegevens moeten relevant zijn in die zin dat betrokkene niet zou zijn
                        aangesteld als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest. Van een en
                        ander moet betrokkene redelijkerwijs een verwijt kunnen worden gemaakt.</al><al>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig
                        verschillende persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die gezien hun
                        taak nauw met elkaar moeten samenwerken, dat een vruchtbare samenwerking
                        tussen hen niet mogelijk blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen
                        samenwerken (onverenigbaarheid van karakter of incompatibilité d'humeur).
                        Het bestuursorgaan is vrij in de keuze wie van beiden ontslagen dient te
                        worden, als het ten minste in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het
                        ontslag voor de gerezen moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene
                        die niet ontslagen wordt wel met een ander zal kunnen samenwerken.</al><al>De raad kan ten aanzien van het te voeren financiële beleid bij de
                        uitoefening van de werkgeverstaak bij de begroting aan het college een
                        budgettaire ruimte toekennen om aan medewerkers waarvan om bijzondere
                        redenen de aanstelling wordt beëindigd een uitkering te verstrekken. De raad
                        kan daarover ook beleidsafspraken maken. Immers, ook in het dualistisch
                        stelsel is het vaststellen van een uitkering die afwijkt van de normale
                        aanspraken of een vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad
                        invloed zal moeten kunnen uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening
                        gerapporteerd over de feitelijke consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad.
                        Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                        inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig
                        heeft. Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor
                        te doen het college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter
                        verantwoording roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                        opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                        inlicht over een voornemen tot ontslag en uitkering op grond van artikel
                        8:8. Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                        financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                        ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                        Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit
                        tot privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben
                        voor de gemeente. In 'lichtere' gevallen, of indien een voorgenomen besluit
                        past binnen gemaakte beleidsafspraken, zal het college tot de afweging
                        kunnen komen dat het niet nodig is de raad te informeren. De concrete
                        invulling van de inlichtingenplicht zal dus variëren afhankelijk van de
                        feitelijke omstandigheden. Raad en college kunnen daarover zelf afspraken
                        maken. Indien het nodig zou kunnen zijn om de raad te informeren over het
                        voorgenomen besluit, dient dit tijdig kenbaar gemaakt te worden door middel
                        van een voorbehoud.</al><al>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden (T)</al><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                        non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar, die na
                        afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de werkgever om
                        een passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende
                        functie binnen de gemeente, eervol worden ontslagen.</al><al>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                        urenuitbreiding (T)</al><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke
                        aanstelling voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet tijdig
                        onderkend wordt dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en betrokkene
                        blijft op de datum waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna
                        feitelijk zijn werk verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die
                        datum te zijn aangesteld voor een gelijke periode. Na afloop van deze
                        periode kan de aanstelling wederom van rechtswege beëindigd worden.
                        Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit artikel 2:4 wel in de gaten
                        gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd zonder
                        mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn van 24 maanden wordt
                        overschreden, mag het ontslag niet meer plaatsvinden. Ditzelfde geldt als
                        voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal verlengd wordt. Dit is in
                        het nieuwe vijfde lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al>Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de grond
                        voor het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is komen
                        te vervallen.</al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                        urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding
                        voor bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de tijdelijke aanstelling
                        voor bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van de termijn,
                        zonder dat een nieuwe tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot
                        een nieuwe urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding.
                        Is er sprake van een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan
                        gelden de regels voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd. Door deze bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan
                        van een tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan
                        plaatsvinden. Bij een urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te
                        worden genoemd; verstrijken van de termijn is reden voor beëindiging van de
                        tijdelijke urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd
                        moet wel een grond worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden
                        tegelijkertijd de reden van beëindiging is.</al><al>Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4
                        in de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 24 maanden
                        overschreden of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding
                        aangegaan, dan geldt deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al>Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                        10a.</al><al>Artikel 8:12:1 Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding (T)</al><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een
                        tijdelijke aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een
                        tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag
                        verleend kan worden op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk
                        8. Dit ontslag zal dan uiteraard in het algemeen plaatsvinden voor de
                        beëindiging conform artikel 8:12. Wanneer de einddatum reeds genaderd is,
                        lijkt het praktischer om de einddatum af te wachten en de tijdelijke
                        aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een eventuele procedure zal
                        deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender worden getoetst dan
                        een ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><al>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</al><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde
                        tijd. Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt gesproken van
                        'maanden': dit hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><al>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf (T)</al><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                        geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als evenredig
                        valt aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van beroep komt
                        niet verder dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn
                        oordeel in overeenstemming is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de
                        disciplinaire straf in overeenstemming is met de ernst van het
                        geconstateerde plichtsverzuim.</al><al>Het UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op
                        grond van artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een
                        uitkering op grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel
                        10a:2.</al><al>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                        (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                        -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de rechtspositie te
                        worden opgenomen omdat de Wet op de ondernemingsraden alleen voorziet in
                        ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De
                        bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in
                        de rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit
                        artikellid is overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een
                        arbeidsovereenkomst geldt op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde
                        lid, van de WOR. Alhoewel in de CAR sprake is van een gesloten
                        ontslagsysteem, biedt artikel 8:8 de mogelijkheid andere ontslaggronden te
                        gebruiken dan in de overige artikelen genoemd. De in artikel 8:13, tweede
                        lid, aangegeven ontslagbescherming brengt met zich dat er slechts van
                        ontslagbescherming sprake is in het geval er een causaal verband bestaat
                        tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd. Als er geen verband is
                        tussen het "OR-werk" en het ontslag, is ontslag op een van de gronden zoals
                        genoemd in de CAR, wél mogelijk. De bescherming tegen benadeling als bedoeld
                        in het eerste lid van genoemd wetsartikel, is weer wél van toepassing op
                        werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond
                        van het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al>Lid 5</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb.
                        1998, 107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
                        (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de
                        ontslagbescherming voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en
                        overeenkomstige leden van OR-commissies ook van toepassing geworden op de
                        eventueel aan de OR toegevoegde (ambtelijk) secretaris. Aangezien de
                        artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de WOR geen rechtstreekse werking
                        hebben naar de overheid, is deze ontslagbescherming voor de sector gemeenten
                        geregeld in de CAR. Het nieuwe vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een
                        overeenkomstige ontslagbescherming voor de ambtelijk secretaris Het eerste
                        lid van artikel 21 WOR, ter zake van benadeling, heeft wel rechtstreekse
                        werking.</al><al>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel (T)</al><al>Lid 1</al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de
                        organisatie de gelegenheid te geven eventuele Interne onderzoeken te (doen)
                        houden, of om rust binnen de organisatie te krijgen Het besluit om een
                        ambtenaar van zijn werkplek te verwijderen dient te berusten op een
                        behoorlijke afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen. (Zie
                        TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR 1994/195) De hier bedoelde schorsing kan
                        gevolgd worden door een schorsing zoals bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire
                        straf. Een besluit tot schorsing is een besluit in de zin van de Awb: de
                        ambtenaar dient derhalve vooraf gehoord te worden In onderdeel d wordt
                        gesproken over "het belang van de dienst": de rechter zal zich daar in
                        voorkomende gevallen een oordeel over moeten kunnen vormen.</al><al>Lid 2</al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit
                        geformuleerd. De woorden in onderdeel c - "zo nauwkeurig mogelijke
                        aanduiding" - impliceren reeds dat een exact aangeven van de duur van de
                        schorsing vaak niet mogelijk is De duur van de schorsing kan dan ook worden
                        verlengd De schorsing kan uiteraard door ontslag of anderszins binnen de
                        gestelde duur worden opgeheven. Schorsing ontslaat de ambtenaar niet van
                        zijn ambtelijke verplichtingen Zo zal hij dus bijvoorbeeld moeten meewerken
                        aan een tijdens de schorsing te houden geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel (T)</al><al>Lid 1</al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet
                        gewerkt wordt, er geen sprake is van salarisbetaling, hiervoor is een apart
                        besluit nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit wordt genomen, het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) normaal worden doorbetaald. De
                        ambtenaar behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de
                        pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde lid). Er kan géén inhouding
                        op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) plaatsvinden wanneer er
                        sprake is van een schorsing op grond van het dienstbelang.</al><al>Lid 2</al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk
                        strafontslag is meteen inhouding van meer dan eenderde deel mogelijk.
                        Echter, de ambtenaar behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van
                        de pensioenen ziektekostenpremie (zie het derde lid). In principe dient bij
                        de inhouding op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te worden
                        aangesloten bij titel II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk een
                        zodanige inhouding toe te passen dat de ambtenaar ten minste een bedrag
                        behoudt dat overeenkomt met 90% van een uitkering ingevolge de Algemene
                        bijstandswet.</al><al>Lid 3</al><al>Tijdens de schorsing kan het niet-ingehouden deel van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) aan anderen worden uitbetaald. Onder "anderen"
                        dienen in dit verband te worden verstaan de personen die door de ambtenaar
                        geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud worden voorzien.</al><al>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                        ontslag.</al><al>Lid 2</al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit
                        zijn uitvoeringshandelingen Ten aanzien van het ontslagbesluit is in dit
                        artikellid geregeld dat de (omschrijving van de) ingangsdatum van het
                        ontslag in ieder geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de
                        andere artikelen van dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende
                        aspecten in het ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><al>§ de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel 8:8 en ontslag
                        uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, gebeurt dit slechts op
                        verzoek van betrokkene);</al><al>§ ontslagdatum;</al><al>§ of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al><al>§ welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een FLO-uitkering, een
                        pensioenuitkering, een wachtgeld, etc.;</al><al>§ het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb;betrokkene kan
                        binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur (T)</al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens
                        de Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend
                        is, maar de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende
                        dan wel aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de
                        mogelijkheid tot gedeeltelijk ontslag. Bij een aanpassing van de aanstelling
                        op basis van artikel 7:16 kan sprake zijn van vermindering van de omvang van
                        het dienstverband. In deze situatie is echter een formeel gedeeltelijk
                        ontslag niet toegestaan, maar dient de vermindering van de omvang van het
                        dienstverband te worden vormgegeven door middel van een wijziging van de
                        aanstelling. Dit omdat bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie
                        krachtens hoofdstuk 11a. Conform de oorspronkelijke doelstelling van de
                        suppletieregeling heeft een ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij
                        in het geheel niet herplaatst kan worden bij zijn werkgever en derhalve
                        volledig ontslagen is.</al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag
                        lag voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in aanmerking komen voor
                        een uitkering op grond van de WAO. De oude artikelen 8:5 en 8:5a, zoals dat
                        gold op 30 juni 2006, is op hen van toepassing.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging
                        van de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw
                        aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft
                        ervoor gekozen bij de invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering
                        voor deze personen in stand te laten. Dit betekent dat wanneer de
                        betreffende medewerker, ook al ligt zijn eerste ziektedag op grond van de
                        CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking kan komen voor een
                        WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de WIA. De oude
                        artikelen 8:5 en 8:5a zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen van
                        toepassing.</al><al>Artikel 8:19 Overgangsbepaling (T)</al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                        ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus
                        niet dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><al>Artikel 8:20 Overgangsbepaling (T)</al><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of
                        artikel 8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1
                        augustus 2008 ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die
                        voor 1 augustus 2008 ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting
                        op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de
                        ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze 13e weeksmelding te laat
                        doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd.
                        De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De periode waarna ontslag kan
                        plaatsvinden, wordt met een gelijke duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                        medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                        eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij
                        het UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO
                        en/of WGA. Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een
                        boete te krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                        loondoorbetalingsverplichting.</al><al>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</al><al>Hoofdstuk 9 Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie</al><al>Artikel 9a:2 Definities (T)</al><al>De functie, waarop de ambtenaar uiteindelijk geplaatst wordt, moet
                        aansluiten bij de richting die in het loopbaanplan is afgesproken. Bij het
                        bepalen van die richting worden de interesses en competenties van de
                        ambtenaar betrokken (artikel 9a:5, lid 9, onderdeel b).</al><al>De ambtenaar mag een aangeboden functie weigeren, wanneer deze meer dan 2
                        salarisschalen verschilt van het salaris van de functie die de ambtenaar
                        vervulde, tenzij deze functie met medeweten van de ambtenaar is gezocht en
                        hierover in het kader van het loopbaanplan afspraken zijn gemaakt.</al><al>Wanneer de ambtenaar een betrekking aanvaardt met een lager inkomen dan het
                        inkomen dat hij met de bezwarende functie verdiende, heeft hij op grond van
                        artikel 9a:11 recht op een salarisgarantie.</al><al>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan (T)</al><al>Het loopbaangesprek kan onderdeel uitmaken van het functioneringsgesprek of
                        het beoordelingsgesprek. De gemeentelijke werkgever kan er ook voor kiezen
                        om het loopbaantraject afzonderlijk te benaderen. Welke keuze ook gemaakt
                        wordt, er moet een goed dossier zijn van de afspraken, de voortgang en de
                        resultaten. Ook moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is. Dit kan de
                        direct leidinggevende zijn, maar kan ook een andere functionaris zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Brandweermedewerkers in bezwarende functies moeten worden opgeleid tot
                        MBO-niveau voor zover ze dit nog niet hebben. Daarbij moet het gaan om
                        extern erkende opleidingen. De reden van deze opleiding tot MBOniveau is dat
                        het gewenst is dat ambtenaren uiteindelijk zo breed mogelijk inzetbaar zijn.
                        Een brede opleiding vergroot de kansen van ambtenaren in bezwarende functies
                        op de arbeidsmarkt. </al><al>Lid 6</al><al>Deze belangen zijn onder andere het arbeidsmarktperspectief van de opleiding
                        die gewenst is. Ook de capaciteiten van de ambtenaar spelen een rol in de
                        opleiding die hij wenst. De opleiding moet derhalve aansluiten bij de
                        capaciteiten van de ambtenaar. Verder kan ook de Periodiek
                        Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM) een rol spelen bij de belangen van de
                        gemeentelijke werkgever en ambtenaar. Als de PAM uitwijst dat bepaalde
                        aspecten van de bezwarende functie niet meer uitgeoefend kunnen worden, kan
                        dat van invloed zijn op de tweede loopbaan na afloop van het uitoefenen van
                        de bezwarende functie.</al><al>Lid 9</al><al>onderdeel b</al><al>Vastgelegd moet worden in welke richting de tweede loopbaan gezocht wordt.
                        Dit is namelijk medebepalend voorde activiteiten en opleidingen die gedaan,
                        respectievelijk gevolgd moeten worden. Bij het bepalen van de richting van
                        de tweede loopbaan wordt rekening gehouden met de competenties en interesses
                        van de ambtenaar.</al><al>Noot 1</al><al> Per 1 januari 2011 wijzigt de toelichting (U201002606)</al><al>In de toelichting op artikel 9a:5, lid 6, worden de woorden “Periodiek
                        Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM)” vervangen door : Periodiek Preventief
                        Medisch Onderzoek (PPMO). In de toelichting op artikel 9a:5, lid 6, wordt
                        het woord “PAM” vervangen door: PPMO.</al><al>Artikel 9a:6 Terugbetaling (T)</al><al>Bij het afbreken van de opleiding zonder geldige reden kan sprake zijn van
                        evident misbruik. De ambtenaar moet er op het moment dat de
                        loopbaanfaciliteiten bekostigd worden op gewezen worden dat hij bij evident
                        misbruik de kosten moet terugbetalen.</al><al>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf (T)</al><al>Als de ambtenaar zich niet houdt aan de verplichtingen uit het loopbaanplan,
                        wordt een disciplinaire straf opgelegd. Hierbij gelden de bepalingen van
                        hoofdstuk 16. De zwaarte van de straf moet overeenkomen met de ernst van de
                        gedragingen. Van de voortgang van het loopbaanplan moet een dossier
                        bijgehouden worden. Hiermee kan beoordeeld worden of het niet kunnen starten
                        van de tweede loopbaan van de medewerker aan het einde van het
                        loopbaantraject aan de medewerker te wijten is.</al><al>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan (T)</al><al>Wanneer het college zijn inspanningen uit het loopbaanplan niet nakomt en de
                        tweede loopbaan om die reden niet begonnen kan worden, blijft de ambtenaar
                        in de bezwarende functie doorwerken. De tweede reden dat de ambtenaar
                        werkzaam kan blijven in de bezwarende functie is als het college en de
                        ambtenaar gezamenlijk daartoe besluiten.</al><al>Uiteraard moet de ambtenaar medisch geschikt zijn om in de functie te kunnen
                        doorwerken. Of de ambtenaar medisch geschikt is, kan blijken uit de PPMO,
                        maar kan ook aan de orde worden gesteld door de ambtenaar zelf die zich
                        heeft ziek gemeld. Op dat moment wordt hoofdstuk 7 van toepassing en geldt
                        het ziekteverzuimprotocol. Ook kan het college op grond van hoofdstuk 7
                        besluiten de ambtenaar aan een medisch onderzoek te onderwerpen, wanneer
                        getwijfeld wordt aan de medische geschiktheid om de functie uit te
                        oefenen.</al><al>Het feit dat de tweede loopbaan na 20 jaar nog niet gestart heeft kunnen
                        worden, betekent niet dat van een tweede loopbaan helemaal geen sprake meer
                        is. Het loopbaanplan wordt voortgezet. Feitelijk betekent dit dus dat de
                        termijn van 20 jaar wordt opgerekt.</al><al>Noot 1</al><al>Per 1 januari 2011 wijzigt de toelichting (201002606)</al><al>In de toelichting op artikel 9a:9 wordt het woord “PAM” vervangen door:
                        PPMO. </al><al>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering (T)</al><al>Vanaf het moment van ziekmelding begint de normale procedure te lopen, die
                        voor een zieke medewerker geldt. Hoofdstuk 7 CAR is dus gewoon van
                        toepassing. Vanaf het eerste moment van ziekte moeten college en ambtenaar
                        werken aan reïntegratie. Dat de medewerker niet meer geschikt is om in zijn
                        bezwarende functie door te werken betekent dus dat gezocht moet worden naar
                        ander werk binnen dan wel buiten de gemeentelijke dienst.</al><al>Dat hoofdstuk 7 van toepassing is, betekent ook dat de ambtenaar na verloop
                        van tijd minder hoge eisen mag stellen aan de nieuwe functie. Zie verder de
                        toelichting bij hoofdstuk 7.</al><al>Lid 2</al><al>Het feit dat gekozen is voor de terminologie "een bezwarende functie"
                        betekent dat ook bij overstap van de ene naar de andere gemeente of van de
                        ene bezwarende functie naar de andere bezwarende functie de opbouw van de
                        overbruggingsuitkering geldt. De gemeente, van waaruit de ambtenaar
                        arbeidsongeschikt raakt, betaalt de overbruggingsuitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De overbruggingsuitkering wordt gedurende maximaal 20 jaar opgebouwd. Dit
                        resulteert in een totale maximale duur van 24 maanden.</al><al>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen (T)</al><al>Lid 1</al><al>Bij ledenbrief van 4 september 2006 (Marz/CvA/U200601402; CvA/LOGA 06/35) is
                        een uitputtende definitie gegeven van het begrip bezoldiging. Ook is in die
                        ledenbrief bevestigd dat de garantietoelagen uit artikel 9a:11 uitgaan van
                        bevroren bedragen (zie hierna de toelichting op overige leden van artikel
                        9a:11).</al><al>De nieuwe definitie van het begrip bezoldiging is in lid 1 vastgelegd. De
                        limitatieve opsomming houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet
                        meegenomen wordt in de berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend is
                        voor de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en generieke
                        salarisstijgingen omgerekend worden naar een periode van 12 maanden.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren diverse keuzes
                        maken, waaronder vakantie-uren kopen in het cafetariamodel, vakantie-uren
                        verkopen in het cafetariamodel, ouderschapsverlof opnemen, (kort- of
                        langdurend) zorgverlof opnemen, parttime gaan werken en fulltime gaan
                        werken.</al><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke
                        uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c,
                        werkt die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd
                        in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door in de oude bezoldiging. Dit ziet dus
                        op de periode 12 maanden voor het begin van de tweede loopbaan. Uitzondering
                        hierop is dat een verhoging of verlaging van de feitelijke uitbetaling van
                        de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door uitwisseling
                        van arbeidsvoorwaarden in het cafetariamodel niet doorwerkt in de oude
                        bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Het eerste lid biedt een salarisgarantie, waarbij sprake is van een
                        bevriezing van het oude salarisbedrag. Het gaat daarbij om een garantie van
                        het salarisbedrag dat betrokkene maandelijks ontving. Als iemand een functie
                        had in schaal 6 en betaald werd naar periodiek 5 (bedrag: € 1856) en zijn
                        nieuwe functie is een functie in schaal 5, waarbij hij ingedeeld wordt in
                        periodiek 7 (bedrag: € 1891), dan ontvangt hij geen garantietoelage. De
                        hoogte van de toelage kan veranderen als sprake is van een algemene
                        salariswijziging. De toelage bedraagt het verschil tussen het oude en het
                        nieuwe salaris. Dit betekent dat als het nieuwe salaris stijgt, de toelage
                        minder groot en uiteindelijk wellicht nihil wordt.</al><al>Voorbeeld</al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 28.000 </al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 4.000</al><al>Lid 2 geeft recht op een garantietoelage van 2.000.</al><al>Lid 5</al><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren bezoldigingsbedrag.</al><al>Voorbeeld</al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 25.000 </al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 10.000</al><al>Lid 1 geeft recht op een garantietoelage van 5.000. Maar omdat het nieuwe
                        salaris samen met de nieuwe toelagen én de op grond van het eerste lid
                        berekende garantie hoger is dan de oude bezoldiging, wordt de
                        garantietoelage verminderd met een bedrag van 2.000. De garantietoelage
                        bedraagt daarom 3.000.</al><al>Lid 6</al><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot een aflopend percentage van
                        de oude toelagen, waarbij sprake is van bevroren bedragen.</al><al>Voorbeeld</al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 28.000 </al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 4.000</al><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en
                        1.000.</al><al>Lid 7</al><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren bezoldigingsbedrag.</al><al>Voorbeeld</al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 32.000 </al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 4.000</al><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000.
                        Maar omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen én de
                        afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar leiden tot een hoger
                        totaalinkomen dan de oude bezoldiging, komt de afbouwtoelage in het eerste
                        en tweede jaar niet geheel tot uitbetaling. In het eerste jaar wordt de
                        afbouwtoelage verminderd met een bedrag van 2.000 en bedraagt de
                        afbouwtoelage dus 2.000. In het tweede jaar wordt de afbouwtoelage
                        verminderd met een bedrag van 1.000 en bedraagt de afbouwtoelage dus
                        2.000.</al><al>Lid 8</al><al>Het percentage van 175% is als volgt opgebouwd. Gedurende vier jaar lang
                        wordt een aflopende compensatie gegeven van het inkomensverschil, waarbij
                        het eerste jaar 100% van het inkomensverschil wordt vergoed, het tweede jaar
                        75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25% van het inkomensverschil. In
                        totaal wordt dus 250% van het inkomensverschil vergoed. Vervolgens wordt dit
                        bedrag met 70% vermenigvuldigd. Het percentage van 70% heeft te maken met
                        het voordeel dat de medewerker heeft doordat een bedrag ineens wordt
                        verstrekt. Wanneer deze percentages met elkaar vermenigvuldigd worden, wordt
                        70% * 250% = 175% van het inkomensverschil vergoed.</al><al>Voorbeeld</al><al>Oude functie Nieuwe functie</al><al>Salaris 30.000 Salaris 28.000 </al><al>Toelagen 8.000 Toelagen 6.000</al><al>De medewerker zakt in totaalinkomen van 38.000 naar 34.000.</al><al>De medewerker ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van (38.000-34.000) *
                        250% * 70% = 7.000.</al><al>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag</al><al> Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december
                        2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (T)</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005 een
                        functie bekleed heeft die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005. Ook moet hij sinds die datum onafgebroken in een dergelijke functie
                        gewerkt hebben. Dit hoeft niet bij een en dezelfde organisatie te zijn
                        geweest.</al><al>De tekst van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, luidt:</al><al> "Indien door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald voor de vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig
                        nader omschreven betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige
                        betrekking vervult en de daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft
                        overschreden, eervol ontslag verleend."</al><al>De rechten die deze ambtenaren hebben, zijn vervolgens afhankelijk van:</al><al>§ het aantal dienstjaren dat de ambtenaar op 1 januari 2006 in een functie
                        werkzaam is geweest, die recht gaf op functioneel leeftijdsontslag. </al><al>§ het feit of de functie bezwarend was. </al><al>§ de geboortedatum van de ambtenaar: is de ambtenaar voor 1950 of na 1949
                        geboren.</al><al>In aparte paragrafen worden deze rechten verder uitgewerkt. </al><al>De rechten komen ten laste van de gemeente, van waaruit betrokkene van de in
                        dit hoofdstuk bepaalde rechten gebruik maakt en het college de plichten aan
                        de betrokkene oplegt.</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar moet op 31 december 2005 bij een gemeentelijk
                        beroepsbrandweerkorps of een gemeentelijke ambulancedienst een functie
                        bekleed hebben die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005. Ook moet hij sinds die datum onafgebroken in deze functie gewerkt
                        hebben. Onder onafgebrokenheid genoemd in lid 1 onder c wordt ook verstaan
                        een overstap naar een andere functie binnen dezelfde gemeente of
                        ambulancedienst of naar een functie bij een ander gemeentelijk
                        beroepsbrandweerkorps beroepsbrandweerkorps of andere gemeentelijke
                        ambulancedienst. Voorwaarde voor de functie waarnaar wordt overgestapt is
                        dat ook die functie - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005. Het overgangsrecht bij wijziging van functie of wijziging van
                        werkgever loopt dus door, mits dit een overstap is van de ene naar de andere
                        bezwarende functie.</al><al>Doorlopen van het overgangsrecht betekent dat ook bij de nieuwe werkgever de
                        rechten ontstaan op grond van paragraaf 2 of 3 van dit hoofdstuk. Of
                        paragraaf 2 of 3 van toepassing is, blijft afhankelijk van het aantal
                        dienstjaren op 1 januari 2006.</al><al>Er is een uitzondering op het doorlopen van het overgangsrecht en dat is als
                        de nieuwe werkgever met de medewerker afspreekt dat het overgangsrecht niet
                        wordt voortgezet. De medewerker kan namelijk ook anderszins voordeel hebben
                        van de overstap op grond waarvan het voor hem minder belangrijk is dat het
                        overgangsrecht wordt voortgezet.</al><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen (T)</al><al>Onderdeel a</al><al>De in onderdeel a gegeven definitie van bezoldiging geldt alleen voor de in
                        dit artikel genoemde artikelen. Dat betekent dat in de andere gevallen:</al><al>§ de definitie van artikel 3:1 geldt (artikel 9b:20, eerste lid, eerste maal
                        en artikel 9b:25, zesde lid, eerste maal); of </al><al>§ de nieuwe definitie wel geldt, maar dit via een inhoudelijke koppeling met
                        een van de wel genoemde artikelen geregeld is (zo wordt in artikel 9b:10
                        verwezen naar artikel 9b:4; het is dus niet nodig om artikel 9b:10 in de
                        opsomming in onderdeel a op te nemen); of </al><al>§ dat de definitie van bezoldiging niet ter zake doet, omdat het begrip
                        bezoldiging daar slechts gekoppeld is aan een periode en niet inhoudelijk
                        van betekenis is (bijvoorbeeld artikel 9b:9). </al><al>De limitatieve opsomming van de elementen die onder het begrip bezoldiging
                        vallen houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet meegenomen wordt
                        in de berekeningsgrondslag. De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan
                        de datum die bepalend is voor de opgesomde artikelen betekent dat
                        periodieken en generieke salarisstijgingen omgerekend worden naar deze
                        periode van 12 maanden. </al><al>Voorbeeld</al><al>Iemand wordt op 1 juni 2007 55 jaar. Op dat moment wil hij 50% gaan werken
                        tegen doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Op 1 februari 2007 is een
                        generieke salarisverhoging afgesproken van 0,8%. Deze telt voor de
                        gemiddelde bezoldiging van de 12 maanden voorafgaand aan 1 juni 2007 voor
                        4/12 mee, omdat deze slechts over 4 van de 12 voorafgaande maanden is
                        genoten.</al><al>In de definitie van bezoldiging wordt verwezen naar de datum die
                        “voortvloeit uit de toepassing van …” bepaalde artikelen. Hiermee wordt het
                        volgende bedoeld. Artikel 9b:4 geeft de ambtenaar de keuze om op de oud
                        FLO-leeftijd te stoppen met werken, tegen doorbetaling van 80% van de
                        bezoldiging. Als hij dat daadwerkelijk doet, wordt uitgegaan van de
                        gemiddelde bezoldiging die hij in de periode 54 tot 55 jaar ontving. Maakt
                        hij echter gebruik van de mogelijkheid tot opschuiven (lid 5) en schuift hij
                        de ingangsdatum van de keuzemogelijkheden op met 2 jaar, dan stopt hij pas
                        op 57-jarige leeftijd met werken en geldt de bezoldiging in de periode 56
                        tot 57 jaar.</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren gebruik maken
                        van diverse verlofvormen. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof of kort- of
                        langdurend zorgverlof. Deze verlofopname kan ook plaatsvinden in de
                        referteperiode van het begrip bezoldiging (12 maanden voorafgaand aan de
                        datum bedoeld in het eerste lid). Als verlofopname door de ambtenaar in deze
                        referteperiode leidt tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de
                        bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging
                        door in de bezoldiging. </al><al>Een wijziging van de bezoldiging als gevolg van keuzes in het kader van het
                        cafetariamodel heeft geen gevolgen voor de bezoldiging.</al><al>Voorbeeld</al><al>HHenk heeft 20 dienstjaren en kan op zijn 55-ste verjaardag, op 1 augustus
                        2009, met volledig buitengewoon verlof. Henk geniet van 1 januari tot 1
                        april 2009 drie maanden fulltime ouderschapsverlof. Stel Henk krijgt in deze
                        periode van ouderschapsverlof, gelet op de ouderschapsverlofkorting, 35% van
                        de bezoldiging doorbetaald vanuit de werkgever. Deze daling van de
                        feitelijke uitbetaling van de bezoldiging in de referteperiode werkt door in
                        de bezoldiging. De bezoldiging van Henk is uiteindelijk (9 maanden 100% en 3
                        maanden 35% =) 83,75% van de bezoldiging die Henk gehad zou hebben als hij
                        geen ouderschapsverlof had opgenomen.</al><al>Alleen als verlofopname in de 12 maanden van de referteperiode heeft geleid
                        tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd
                        in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de
                        bezoldiging. Andere invloeden, bijvoorbeeld ziekte of gebruikmaking van het
                        cafetariamodel, hebben geen effect op de bezoldiging.</al><al>Onderdeel b en e</al><al>In artikel 9b:1 is vastgesteld dat het moet gaan om een betrekking die op 31
                        december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005. Deze eis geldt zowel bij de
                        bezwarende als bij de niet-bezwarende functie. </al><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005
                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was
                        vastgesteld van 55 jaar. Dit betekent dat de keuze in principe 4 jaar lang
                        geldt. Op eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de medewerker
                        59 jaar wordt, gaat namelijk het onbezoldigd volledig verlof in. Was de
                        zogeheten FLO-leeftijd bepaald op een hogere leeftijd, dan is de periode van
                        de keuze korter dan 4 jaar. Lid 7 biedt overigens de mogelijkheid om na
                        ingang van de keuzeperiode over te stappen naar een andere keuze. Zie ook de
                        toelichting bij lid 7.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd
                        op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                        verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 4
                        jaar. Het buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling.
                        Daarom wordt dit fiscaal extra belast.</al><al>De overige keuzes gelden voor zover het dienstbelang dit toelaat. Het
                        dienstbelang houdt onder meer in dat er voldoend e werk voorhanden moet zijn
                        om de ambtenaar van de eerste twee opties gebruik te laten maken.</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                        alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de
                        mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband met
                        vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36
                        uur per week) moet werken.</al><al>Lid 3</al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                        FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, gelden de keuzes van het eerste lid pas
                        vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar 56 jaar
                        wordt. Ditzelfde geldt naar analogie bij een FLOleeftijd van 57 en 58. In al
                        deze gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat
                        vanaf de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt.
                        Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59
                        of 60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is
                        artikel 9b:4 feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij met
                        onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd
                        bedoeld in artikel 9b:4. Zie voor een toelichting op ambtenaren met een
                        functie, waarvoor een FLO-leeftijd gold van 59 jaar, de toelichting op lid
                        5. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een
                        FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, het weede lid van artikel 9b:11. De
                        duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus korter naarmate een
                        hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold.</al><al>Lid 4</al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                        die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                        arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 5</al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan bij het bereiken van de leeftijd van
                        55 jaar het overgangsrecht in te laten gaan. In dit geval gaat ook het
                        onbezoldigd volledig verlof van artikel 9b:11 later in. </al><al>Als iemand hiervoor kiest, kan hij ook het ouderdomspensioen later laten
                        ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid, waardoor
                        de uitkering per jaar hoger wordt. Zie verder de toelichting op artikel
                        9b:11. </al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                        2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze
                        dan onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand
                        volgende op de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. In artikel 9b:11 is
                        opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof
                        opgeschoven kan worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met
                        een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een
                        FLO-leeftijd van 60 jaar had vastgesteld, gaat in vanaf de leeftijd van 60
                        jaar. Ook hij kan de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof
                        opschuiven. Ten aanzien van de medische geschiktheid wordt verwezen naar de
                        toelichting op lid 4.</al><al>Lid 6</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Lid 7</al><al>In lid 7 wordt het mogelijk gemaakt om gedurende de periode van 55 tot 59
                        jaar de gemaakte keuze te herzien. Het dienstbelang moet deze herziening
                        toelaten. Een van de andere voorwaarden is dat alleen minder gewerkt kan
                        worden dan de in eerste instantie gemaakte keuze. Dit betekent dat als de
                        ambtenaar gekozen had om 50% te gaan werken tegen 90% van de bezoldiging,
                        hij na herziening alleen nog kan kiezen voor stoppen met werken tegen
                        doorbetaling van 80% van de bezoldiging dan wel ontslag nemen tegen
                        uitbetaling van een bonus van een jaarsalaris. Deze bonus wordt berekend
                        naar rato van de tijd die resteert tot betrokkene de leeftijd van 59 jaar
                        bereikt.</al><al>Lid 8</al><al>Het FLO-overgangsrecht ondervindt gevolgen van onder andere wijzigingen in
                        pensioenregels en het ziektekostenstelsel. Hierdoor bestaat er verschil in
                        inkomen van ambtenaren die gebruik konden maken van het oude FLO en
                        medewerkers met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 die na die datum
                        gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid in het FLO-overgangsrecht om
                        volledig te stoppen met werken tegen doorbetaling van 80% van de
                        bezoldiging. In de CAO sector Gemeenten 2007-2009 is een compensatie
                        afgesproken voor ambtenaren met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 die
                        in schaal 6 of lager zaten en die gebruik maken van de mogelijkheid om
                        volledig te stoppen met werken tegen 80% bezoldiging. Deze ambtenaren
                        hebben, als zij in de jaren 2006 tot en met 2010 gebruik maken van deze
                        mogelijkheid, recht op een netto bedrag van € 500,- per jaar. Als zij niet
                        een volledig kalenderjaar gebruik hebben gemaakt van genoemde regeling dan
                        ontvangen zij het bedrag naar rato.</al><al>Voorbeelden</al><al>Iemand die vanaf 1 juli 2006 in het kader van FLO overgangsrecht van
                        voornoemde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft dus in 2006 recht op
                        een vergoeding van € 250, in 2007 tot en met 2009 jaarlijks recht op een
                        netto vergoeding van € 500 en in 2010 een vergoeding van € 250. Op 1 juli
                        2010 wordt de medewerker 59 jaar en gaat hij met onbezoldigd volledig
                        verlof. Iemand die vanaf 1 juli 2007 in het kader van FLO overgangsrecht van
                        voornoemde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft in 2007 recht op een
                        vergoeding van € 250 en in 2008 tot en met 2010 jaarlijks recht op een netto
                        vergoeding van € 500. Iemand die vanaf 1 april 2008 in het kader van FLO
                        overgangsrecht van voornoemde mogelijkheid gebruik maakt, heeft in 2008
                        recht op een netto vergoeding van 9/12 maal € 500 en in 2009 en 2010
                        jaarlijks recht op een netto vergoeding van € 500.</al><al>Wanneer er lokaal al een compensatie van de betreffende medewerkers heeft
                        plaatsgevonden, bestaat slechts recht op de bovenstaande netto vergoeding
                        voor dat gedeelte dat hoger is dan wat de gemeente al aan de betrokken
                        medewerker netto heeft uitbetaald dan wel heeft toegezegd. Dit wordt
                        berekend over de gehele periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011. (zie
                        voorbeeld 1 en 2)</al><al>Er kan ook sprake van zijn dat medewerkers om andere redenen de
                        bovengenoemde inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk
                        ondervonden. Wanneer geen sprake is geweest van een achteruitgang in
                        inkomen, bestaat uiteraard geen recht op vergoeding op basis van de CAR.
                        Wanneer de inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk heeft
                        plaatsgevonden bestaat slechts aanspraak op de vergoeding op basis van de
                        CAR voor dat deel dat er minder is ontvangen dan de netto vergoeding van €
                        500 per jaar. Dit wordt berekend over de gehele periode van 1 januari 2006
                        tot 1 januari 2011 (zie voorbeeld 3).</al><al>Voorbeeld 1</al><al>Een gemeente heeft voorafgaand aan de CAO lokaal al toegezegd om in de jaren
                        2006 tot en met 2008 een netto compensatie te verlenen van € 250 netto per
                        jaar. Een medewerker die op 1 januari 2007 gebruik heeft gemaakt van de
                        mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken tegen
                        uitbetaling van 80% van de bezoldiging heeft op basis van de CAR nog recht
                        op een nabetaling van € 250 netto per jaar over 2007. In 2008 heeft hij
                        recht op een netto uitkering van € 500 (€ 250 op basis van de lokaal
                        gemaakte afspraak en € 250 op basis van de CAR). In 2009 en 2010 heeft hij
                        recht op de compensatie van € 500 netto per jaar (op basis van de CAR).</al><al>Voorbeeld 2</al><al> Een medewerker heeft op 1 januari 2006 gebruik gemaakt van de mogelijkheid
                        om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken tegen uitbetaling van 80%
                        van de bezoldiging. De gemeente heeft in 2006 en 2007 een compensatie
                        verleend voor de inkomensachteruitgang van € 1000 netto per jaar. Dit
                        betekent dat deze medewerker in de periode 2006-2007 al een compensatie
                        heeft ontvangen van € 2000 netto. Omdat dit gelijk is aan 4 x € 500 waarop
                        op basis van de CAR recht bestaat, bestaat geen recht meer op extra
                        compensatie.</al><al>Voorbeeld 3 </al><al> Een medewerker heeft per 1 januari 2006 gebruik gemaakt van de mogelijkheid
                        om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken. Deze medewerker is vanaf
                        dat moment niet meer oproepbaar. Op basis van de CAR moet dit tegen
                        uitbetaling van 80% van de bezoldiging. Echter om administratieve redenen is
                        deze medewerker het hele jaar 2006 volledig doorbetaald (100% van de
                        bezoldiging). Pas vanaf 1 januari 2007 is de doorbetaling van de bezoldiging
                        verlaagd naar 80%. De uitbetaling in 2006 bedroeg hierdoor € 2000 netto per
                        maand terwijl dit € 1600 netto per maand was geweest wanneer de CAR was
                        toegepast. De medewerker heeft hierdoor in 2006 € 4800 (12*(2000-1600))
                        ontvangen. In totaal zou hij op grond van de CAR maximaal € 2000 kunnen
                        ontvangen. Omdat hij in feite al meer heeft ontvangen dan dat bedrag, heeft
                        deze medewerker geen recht meer op de compensatie bruto-netto FLO.</al><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4 (T)</al><al>De opbouw van pensioen is geregeld in het ABP-reglement. Tijdens de periode
                        van (gedeeltelijk) betaald verlof is de pensioenopbouw als ware er geen
                        sprake van verlof. In de periode van artikel 9b:4 bouwt de medewerker dus
                        pensioen op over de volledige bezoldiging. In het pensioenreglement is wel
                        ruimte gelaten om in de CAO afspraken te maken over de pensioenopbouw van
                        (hoge) bonussen. Er is voor gekozen om de bonussen in artikel 9b:4 niet tot
                        de pensieongrondslag te laten behoren. </al><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</al><al>Als de ambtenaar ervoor kiest om volledig door te werken, bouwt hij ook
                        volledig vakantie op. Kiest hij ervoor om niet te werken, tegen doorbetaling
                        van 80% van de bezoldiging, dan bouwt hij geen vakantie-uren op. Uiteraard
                        wordt bij 50% werken (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel) voor 50,
                        respectievelijk 60% vakantie opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</al><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging,
                        die grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:4 gedaan
                        wordt, bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze
                        toelage zou dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de
                        eindejaarsuitkering en de vakantietoelage.</al><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4
                        (T)</al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                        bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                        tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering.
                        Dit is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens
                        de periode van:</al><al>§ volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging
                        (artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin);</al><al>§ 50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                        tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:4, eerste lid,
                        onderdeel b).</al><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:11), wordt
                        ten laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die
                        periode is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                        (T)</al><al>Algemeen</al><al> Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken van de
                        levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                        bezwarende functie bekleedt waaraan een FLO-leeftijd van 55, 56, 57, 58 of
                        59 jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                        zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - bij het
                        volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag van de
                        maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt gedurende 3
                        jaar in een inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar.
                        Voor ambtenaren die een bezwarende functie bekleden, waaraan een
                        FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het college zorgt voor een
                        bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij het volgen van het
                        LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag van de maand, volgend op
                        die, waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, gedurende 2 jaar in een
                        inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude bezoldiging. Dit is geregeld
                        in artikel 9b:21. </al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                        levensloopvoorziening, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke opname van de
                        levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof of
                        verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening 70% van
                        de oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd
                        van 62 jaar bereikt, kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het naar
                        voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat
                        moment ontslag verleend worden op grond van artikel 8:2. </al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                        ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                        actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                        financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig
                        verlof, kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde
                        lid van artikel 9b:4, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in
                        als de keuze van artikel 9b:4 later is ingegaan. </al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent
                        dat een kortere periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde
                        leeftijd. De ambtenaar is vrij in de manier waarop hij deze periode
                        financiert. De ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de
                        levensloopregeling (bijvoorbeeld omdat hij al eerder van de
                        levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat hij gedurende kortere tijd
                        een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook kan de ambtenaar er
                        voor kiezen om zijn ouderdomspensioen later dan vanaf 62 jaar te laten
                        ingaan (het versterkt OP wordt dan minder ver naar voren gehaald). Omdat het
                        ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode wordt verspreid,
                        resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met een lage
                        OP-opbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent
                        dat over een langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al>Lid 1</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                        bedoeld in artikel 6:9, is dat de werkgever deze vorm van verlof kan
                        opleggen. Omdat sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook
                        artikel 6:10 lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk
                        dat de pensioenopbouw tijdens de periode van verlof volledig voor rekening
                        komt van de ambtenaar, tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden is
                        verleend. Bij de vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, volgt de premie gedurende de gehele periode van verlof met een
                        maximum van drie, respectievelijk twee jaar de normale
                        werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:12. </al><al>Lid 2</al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof
                        in op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar de
                        leeftijd van 60 jaar bereikt.</al><al>Lid 4</al><al>Bij ambtenaren op wie artikel 9b:4 feitelijk van toepassing is en die hebben
                        gekozen voor het vijfde lid van artikel 9b:4 schuift de datum van ingang van
                        het onbezoldigd volledig verlof automatisch op. Op de ambtenaar met een
                        functie, waaraan het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd gekoppeld
                        had van 59 of 60 jaar, is artikel 9b:4 feitelijk niet van toepassing. De
                        leeftijd waarop onbezoldigd volledig verlof wordt verleend, ligt namelijk op
                        hetzelfde moment (bij FLO-leeftijd 59 jaar) of komt eerder (bij FLO-leeftijd
                        60 jaar) dan het moment, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid. Om ook deze
                        ambtenaren de mogelijkheid te bieden langer ouderdomspensioen op te bouwen
                        door langer door te werken tegen de normale bezoldiging, is de keuzevrijheid
                        voor het later laten ingaan van het onbezoldigd volledig verlof in dit
                        artikel opgenomen.</al><al>Het voordeel van langer doorwerken is dat de ambtenaar langer
                        ouderdomspensioen opbouwt. De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om langer door te werken. De medische ongeschiktheid kan zowel
                        blijken uit de mening van de arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt
                        ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat
                        opgelegd wordt.</al><al>Lid 5</al><al>De periode dat de dienstbetrekking voortduurt, kan ook korter zijn, wanneer
                        de ambtenaar eerder dan na 3 jaar ontslag neemt. De periode van 3
                        respectievelijk 2 jaar is gekoppeld aan de verwachte deelname aan de
                        levensloopregeling voor 3 respectievelijk 2 jaar tegen een uitkering van
                        70%. Het college zorgt namelijk voor een zodanige bijdrage in de
                        levensloopvoorziening, dat ambtenaren die een bezwarende functie bekleden,
                        waaraan een FLO-leeftijd was gekoppeld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar vanaf
                        de leeftijd van 59 jaar - bij het volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e)
                        - gedurende 3 jaar in een inkomen kunnen voorzien van 70% van de oude
                        bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende functie bekleden,
                        waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het college zorgt
                        voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij het volgen van
                        het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de leeftijd van 60 jaar gedurende 2
                        jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude
                        bezoldiging.</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Artikel 9b:12 Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof (T)</al><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                        Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter
                        niets over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen
                        werkgever en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof, voor zover dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar.
                        Voor de volledigheid wordt het complete beeld geschetst van:</al><al>§ de grondslag voor pensioenopbouw</al><al>§ de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al><al>§ de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw binnen
                        het FLO-overgangsrecht</al><al>De grondslag voor pensioenopbouw</al><al> In het Pensioenreglement wordt verschil gemaakt in de grondslag voor
                        pensioenopbouw bij onbezoldigd volledig verlof</al><al>§ met opname van levenslooptegoed en </al><al>§ zonder opname van levenslooptegoed.</al><al>Onbezoldigd volledig verlof met opname van levenslooptegoed</al><al> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een situatie van onbetaald verlof met
                        opname van levenslooptegoed pensioen wordt opgebouwd over de volledige
                        bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot minder bedraagt dan 70%.
                        In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat lagere
                        percentage.</al><al>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed</al><al>Het Pensioenreglement bepaalt dat in een situatie van onbetaald verlof
                        zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw plaatsvindt over zijn oude
                        inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald verlof. Er vindt dus
                        pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al><al> In het Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens
                        onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen
                        op kunnen bouwen tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met
                        FLO-overgangsrecht maakt het Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen
                        tijdens het onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed voor een
                        onbeperkte periode pensioen op tegen de doorsneepremie. Voorwaarde daarbij
                        is wel dat zij dat onbetaald verlof direct voorafgaand aan het
                        ouderdomspensioen genieten.</al><al>Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed bouwen
                        ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere ambtenaren voor onbeperkte
                        duur pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw binnen
                        het FLO-overgangsrecht</al><al> In de Pensioenovereenkomst wordt geregeld dat de normale
                        werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan 70%-30%. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk het werknemersdeel)
                        op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende de eerste drie,
                        respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof. Na deze drie
                        respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar verschuldigde
                        premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de verschuldigde
                        premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee jaar 100%
                        op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:12. Het verhaal van de premie (30% in
                        de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><al>§ Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                        kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct inhouden op
                        de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al><al>§ Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                        verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker niet
                        verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de ambtenaar. Er
                        ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient
                        afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt. Vast
                        staat wel dat er feitelijke betaling van de ambtenaar aan de gemeente dient
                        plaats te vinden. Er volgen immers geen perioden meer waarin de gemeente de
                        vordering kan verrekenen met betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd
                        volledig verlof duurt voort totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                        arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en
                        college zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de
                        reguliere regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al>Lid 1</al><al>Dat artikel 8:4 en artikel 8:5 niet van toepassing zijn, betekent dat,
                        anders dan bij ‘reguliere’ gedeeltelijk arbeidsongeschikten, er na een
                        periode van 24 maanden (bij volledig maar niet duurzaam
                        arbeidsongeschikten), dan wel 36 maanden (bij gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikten), geen sprake mag zijn van ontslag. Definitieve
                        herplaatsing is wel mogelijk. Deze regels gelden ook voor ambtenaren die
                        volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Omdat zij echter -
                        tijdelijk - geen restverdiencapaciteit hebben, heeft bij hen het zoeken naar
                        een andere functie geen nut en zal om die reden ook geen sprake zijn van
                        definitieve herplaatsing. Als deze ambtenaren herstellen, gaan de regels
                        gelden, zoals deze gelden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten.</al><al>De ambtenaar die tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar volledig en duurzaam
                        arbeidsongeschikt raakt, mag 24 maanden na arbeidsongeschiktheid (of zoveel
                        eerder als UWV daar toestemming voor geeft) ontslag verleend worden.</al><al>Lid 2</al><al>Om te realiseren dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte of de volledig maar
                        niet duurzaam arbeidsongeschikte vanaf zijn 55e gelijke rechten heeft als
                        iemand die niet (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, moet de betrokken
                        ambtenaar indien hij niet herplaatst is, beter gemeld worden op de dag dan
                        hij 55 wordt. Hij heeft vanaf dat moment dezelfde keuzes als een ambtenaar
                        die niet ziek is, zij het dat 50% doorwerken tegen 90% salaris wegens ziekte
                        waarschijnlijk niet mogelijk is voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, dat
                        50% werken tegen 90% salaris zeker niet mogelijk is voor volledig, maar niet
                        duurzaam arbeidsongeschikten en dat 100% doorwerken met een bonus voor beide
                        categorieën in ieder geval niet mogelijk is.</al><al>Omdat de betrokken ambtenaren beter gemeld zijn, is artikel 7:3 (de regels
                        rond loondoorbetaling bij ziekte) vanaf dat moment niet meer van toepassing.
                        De bezoldiging van betrokkene wordt uitbetaald conform de regels van het
                        overgangsrecht.</al><al>Vanaf hun 59e jaar krijgen deze ambtenaren onbezoldigd volledig verlof,
                        waarvan zij de eerste periode gebruik kunnen maken van de levensloopregeling
                        en de leeftijd van 62 jaar van het versterkt OP.</al><al>Lid 3</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, wordt de ambtenaar bij
                        het bereiken van die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die ziek wordt tussen zijn 50e en zijn 55e jaar, blijven
                        artikel 9b:4 tot en met 9b:18 van toepassing. Artikel 9b:4 blijft van
                        toepassing, voor zover de keuzes die daarin worden genoemd, gezien de
                        medische geschiktheid nog mogelijk zijn. Dat kan betekenen dat alleen de
                        opties niet werken met doorbetaling van 80% van de bezoldiging of ontslag
                        onder toekenning van een bonus nog mogelijk zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Uitgangspunt hierbij is een FLO-leeftijd van 55 jaar. Dat betekent dat hij
                        vanaf zijn 55e al gebruik maakt van de keuzes van artikel 9b:4. In het zesde
                        lid is opgenomen dat een hogere leeftijd geldt, als een hogere FLO-leeftijd
                        was vastgesteld.</al><al>De ambtenaar die vanaf zijn 55e jaar arbeidsongeschikt raakt, wordt niet
                        ziek gemeld. Hij blijft gebruik maken van de keuzes van artikel 9b:4, voor
                        zover dat medisch gezien mogelijk is. </al><al>Als de ambtenaar gekozen had om 100% door te werken met een bonus, en hij
                        dat wegens ziekte niet meer kan, moet hij een van de andere opties van
                        artikel 9b:4, eerste lid, kiezen. Als hij vanwege ziekte ook niet meer de
                        keuze heeft om 50% te werken tegen 90% van het salaris, resteren voor hem
                        alleen nog de keuze van volledig buitengewoon verlof, tegen doorbetaling van
                        80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging en de keuze van volledig
                        ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100%
                        van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan
                        toekenning van de bonus. Deze bonus wordt berekend naar rato van de tijd die
                        resteert tot het moment, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. </al><al>Het is niet eenduidig vast te stellen na hoeveel tijd van ziekte vast staat
                        dat de ambtenaar de door hem gemaakte keuze niet meer kan voortzetten. Dat
                        zal per ziektegeval verschillen. De arbo-arts speelt hierin een rol.</al><al>Lid 6</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt het vijfde lid
                        bij het bereiken van die hogere leeftijd. Het vijfde lid is dus pas van
                        toepassing als de keuze op grond van artikel 9b:4 daadwerkelijk
                        geëffectueerd is.</al><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
                        (T)</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid is een salarisbevriezing geregeld voor de ambtenaar die
                        ziek is geworden en in het kader van deze ziekte herplaatst wordt.</al><al>Lid 2</al><al>Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                        nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente
                        en medewerker afspraken over een financiële regeling.</al><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                        onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage
                        ontvangt dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof
                        ingaat (standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                        ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt) een tegoed kan bereiken
                        overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Voor een ambtenaar die een
                        FLO-functie bekleedde waaraan een FLO-leeftijd van 60 was verbonden, geldt
                        dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof ingaat
                        (standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar
                        de leeftijd van 60 jaar bereikt) een tegoed bereikt kan hebben overeenkomend
                        met 140%.</al><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                        of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>In ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                        uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al>Lid 1</al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2.</al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op
                        1 januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben
                        gewerkt. Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze
                        “overgangsgroep” behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven
                        jaren aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag
                        gebaseerd dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze
                        storting is dat de medewerker op de leeftijd van 62 jaar een bedrag heeft
                        ter hoogte van 9 maanden x 76% van het gemiddelde loon over de dienstjaren
                        als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het
                        uiteindelijke pensioen van de medewerker is, is van veel factoren
                        afhankelijk (dienstjaren, deeltijdfactoren, moment van uittreden etc).
                        LOGA-partijen hebben hierover dus geen individuele garanties afgesproken.
                        Goed om te weten is dat ABP over de jaren tot 2004 het loon doorgeeft van
                        2004. Voor die tijd hanteerde ABP het eindloonsysteem en zijn geen
                        loongegevens bewaard van voorliggende jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                        vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                        definitie van artikel 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is
                        geweest, zodat een berekening gemaakt kan worden van de storting die op
                        53-jarige leeftijd wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en
                        dat inkomen is ook niet (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente
                        de volgende leidraad hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente
                        uitgaan van het inkomen van een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan
                        de storting voor een vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden
                        geïndexeerd. Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de
                        betreffende medewerker als vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam
                        waren bij een ambulancedienst in de particuliere sector kan de gemeente het
                        salaris uit het jaar voorafgaand aan de storting hanteren dat gekoppeld was
                        aan een vergelijkbare functie binnen de gemeentelijke ambulancedienst. Ook
                        dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de
                        formule uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie
                        van artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                        ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                        betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies
                        volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                        zorgverzekeringswet worden ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt
                        de indexatiefactoren op bij het ABP.</al><al>Wat moet de werkgever doen? </al><al>Als de medewerker 53 jaar wordt, berekent de werkgever het bedrag dat moet
                        worden gestort in AEP. De gegevens die de werkgever nodig heeft voor de
                        berekening kunnen worden opgevraagd bij het ABP.</al><lijst><li nr="1."><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53
                                jaar wordt.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de
                                medewerker toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens
                                aan de werkgever te verstrekken. Geeft de medewerker geen
                                toestemming dan kan de werkgever het ouderdomspensioen van die
                                medewerker niet versterken. Er vindt dan geen storting van de
                                werkgever plaats. De werkgever heeft de toestemming nodig om de
                                gegevens op te vragen die nodig zijn om de benodigde storting te
                                kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27 november 2008
                                (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief opgenomen
                                waarmee de werkgever de werknemer om toestemming kan verzoeken.</al></li><li nr="3."><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                                deeltijdfactoren per jaar op van dienstjaren van betrokken
                                medewerker bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                                indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt
                                de werkgever contact op met de BU-SV, Verstrekken Informatie
                                Klantgroepen (VIK) van het ABP, postbus 4806, 6401 JL Heerlen.</al></li><li nr="4."><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                                deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij
                                elkaar op en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte
                                vermenigvuldigt hij dit bedrag met 57%. Vervolgens vermenigvuldigt
                                hij dit met de leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment
                                bij leeftijd 53 geldt.</al></li><li nr="5."><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag
                                wordt gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen
                                (59.34.95.004, ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct
                                gevolgd met het klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als
                                de medewerker klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend
                        is, over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1
                        januari 2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                        middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al>Lid 2</al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                        storting uit lid 1 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks eenmaal, in
                        november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan zijn dat
                        de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft
                        gedaan, omdat de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat
                        er onvoldoende fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra
                        Pensioen te doen, dan stort ABP het teveel na de controle terug naar de
                        werkgever, die dat op zijn beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het
                        reguliere bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er
                        loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen
                        en premies zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al>Lid 3</al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd
                        van 53 jaar, heeft ook recht op het bedrag dat in lid 1 genoemd is. Dat
                        bedrag wordt bij uitdiensttreden in AEP gestort. Omdat dat bedrag dus langer
                        kan renderen, wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor toegepast (zie
                        artikel 9b:22a), namelijk die factor die bij de leeftijd van uittreden
                        hoort. Lid 2 is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende
                        ruimte aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen. Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden
                        dus geen pensioenpremies afgedragen.</al><al>Lid 5</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende
                        ruimte aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging.
                        Dit betekent dat hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het
                        tevens geen salaris is, wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering
                        berekend.</al><al>Lid 6</al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten
                        wat het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra
                        Pensioen is gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij
                        zijn keuzemoment wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever
                        eenmalig verzoeken om een indicatie te geven van het verwachte
                        stortingsbedrag. Met een rekentool op abp.nl kan de medewerker dan berekenen
                        wat dit bedrag zou betekenen voor de verwachte hoogte van zijn pensioen. Het
                        college bepaalt in overleg met de medewerker het geschikte moment voor de
                        eenmalige indicatie. Hierbij wordt geadviseerd rekening te houden met
                        mogelijke carrièrestappen van de medewerker. Als die nog worden verwacht dan
                        is het geven van een indicatie niet zinvol. De berekening van dat bedrag is
                        namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt met eventuele
                        carrièrestappen geen rekening. </al><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                        (T)</al><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven
                        die ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren
                        genoemd. Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd
                        die de ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP
                        Extra Pensioen doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er
                        zijn uitzonderingen denkbaar dat de storting op een andere leeftijd
                        geschiedt. Voor meer informatie over de diverse uitzonderingen zie
                        ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al>Voorbeeld</al><al> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag gegenereerd moet zijn van €
                        10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet, bij de rendementen die ABP
                        verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van € 7.850 gestort worden (€
                        10.000 x 0,785). Als er op een later moment dan op 53-jarige wordt gestort,
                        dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                        leeftijdsafhankelijke factor.</al><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering (T)</al><al>In artikel 9b:22, lid 3, is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP
                        Extra Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de
                        bezwarende functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de
                        bezwarende functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering
                        jonger is dan 53 jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting
                        moeten doen. Deze storting op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen
                        voor de uiteindelijke hoogte van het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief
                        of negatief zijn, afhankelijk van het rendement dat het gestorte bedrag
                        oplevert. Door de eerdere storting wordt het rendementsrisico dus bij de
                        ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven,
                        is geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                        regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak
                        over het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds
                        op 53 jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van
                        het totaal aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de
                        nieuwe werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente
                        en de nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van
                        inkoop OP verdeeld worden.</al><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat ambtenaren vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005
                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                        loopbaan gestart wordt (T)</al><al>Zolang het medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar werkzaam in de
                        bezwarende functie tot het moment dat hij op grond van artikel 9b:28
                        buitengewoon verlof verleend wordt, onder doorbetaling van 75%,
                        respectievelijk 78% of 80% van de bezoldiging. Dit doorwerken gebeurt vanaf
                        de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd
                        van 55 jaar heeft bereikt, voor 50% werken onder doorbetaling van 90% van de
                        bezoldiging (voor ambulancepersoneel kan dit zijn 60% werken tegen
                        doorbetaling van 95% van de bezoldiging).</al><al>Dit doorwerken geldt niet als ambtenaren in het kader van het loopbaanplan
                        op grond van artikel 9b:25 een andere functie aanvaarden of als er
                        anderszins in het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken
                        gemaakt worden. In artikel 9b:25 wordt hoofdstuk 9a van toepassing verklaard
                        op ambtenaren in een bezwarende functie, die op 1 januari 2006 minder dan 20
                        dienstjaren hadden. Hoofdstuk 9a verplicht hen mee te werken aan de tweede
                        loopbaan.</al><al>Het toewerken naar deze tweede loopbaan is onder meer van belang om hiermee
                        voortijdige uitval wegens arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Uit het
                        rapport van het Coronel-instituut van 2004 blijkt dat gezondheidsrisico's
                        vaak al ver voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd ontstaan. Een
                        aanzienlijk percentage van de medewerkers kan om die reden niet tot de
                        leeftijd van 55 jaar doorwerken in de bezwarende functie. Om die reden moet
                        met al deze ambtenaren tijdig een loopbaanplan worden opgesteld, waarin
                        afspraken worden gemaakt over opleiding en begeleiding naar een aangepaste
                        functie-invulling of een andere functie voorafgaand aan het moment dat het
                        uitoefenen van de bezwarende functie om gezondheidsredenen niet langer
                        verantwoord is.</al><al>Noot:</al><al> per 1-10-2006 (tot de volgende artikelversie) wordt de toelichting
                        gewijzigd:</al><al>In de toelichting op artikel 9b:24 wordt in de tweede alinea de aanduiding
                        “9b:16” vervangen door: 9b:25. </al><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Ambtenaren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie moeten meewerken aan een tweede loopbaan. Deze plicht geldt tot de
                        eerste van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 55 jaar
                        bereiken. Gedurende deze periode gelden alle bepalingen uit hoofdstuk 9a,
                        voor zover daar in dit artikel niet van is afgeweken.</al><al>Als de ambtenaar op de leeftijd van 55 jaar niet is begonnen aan een tweede
                        loopbaan, gelden de artikelen 9b:26 tot en met 9b:43. Deze ambtenaar gaat op
                        de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar
                        heeft bereikt, 50% werken tegen 90% bezoldiging (of, voor ambulancepersoneel
                        60% werken tegen 95% van de bezoldiging). Vervolgens gaat hij op een latere
                        leeftijd met gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof en gaat hij op de
                        eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar
                        heeft bereikt met onbezoldigd verlof. Wanneer de ambtenaar voor de leeftijd
                        van 55 jaar in het kader van de tweede loopbaan een functie heeft aanvaard,
                        geldt vanaf dat moment de gewone rechtspositie en vallen zij niet meer onder
                        dit hoofdstuk.</al><al>In de leden 3 tot en met 7 zijn bepalingen opgenomen die afwijken van de
                        bepalingen van hoofdstuk 9a.</al><al>Lid 2</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt de plicht om mee
                        te werken aan de tweede loopbaan tot het bereiken van die hogere leeftijd.
                        Als de tweede loopbaan op die leeftijd niet is begonnen, gelden de artikelen
                        9b:26 tot en met 9b:43 vanaf dat moment.</al><al>Lid 3</al><al>Dit recht geldt alleen voor brandweerpersoneel. De verwachting is dat
                        ambulancepersoneel extern meer geschikte functies zal kunnen vinden.</al><al>Lid 6</al><al>Deze salarisbevriezing is ruimer dan de salarisgarantie van artikel
                        9a:11.</al><al>Lid 7</al><al>Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                        nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente
                        en medewerker in het kader van het loopbaanplan afspraken over een
                        financiële regeling.</al><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was
                        vastgesteld van 55 jaar.</al><al>Lid 1</al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd
                        op de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>De duur van de periode dat 50% gewerkt wordt tegen doorbetaling van 90% van
                        het salaris is afhankelijk van net aantal dienstjaren dat betrokkene op 1
                        januari 2006 had. De duur is namelijk tot het moment dat betrokkene
                        gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof wordt verleend (artikel 9b:28).
                        Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                        alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de
                        mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband met
                        vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36
                        uur per week) moet werken.</al><al>Lid 2</al><al>Als in een gemeente op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende
                        ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 of ouder gold, geldt het recht pas vanaf
                        de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar die
                        leeftijd bereikt. Het overgangsrecht gaat dus op een later moment in dan
                        vanaf 55 jaar. Ook het moment van gedeeltelijk doorbetaald verlof van
                        artikel 9b:28 schuift dan op. In al deze gevallen geldt wel dat het
                        onbezoldigd volledig verlof ingaat vanaf de leeftijd van 59 jaar (artikel
                        9b:35).</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59
                        of 60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is
                        artikel 9b:26 (net als artikel 9b:28; zie de toelichting op artikel 9b:28,
                        lid 2) feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd
                        volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in
                        artikel 9b:26 voor 50% gaan werken tegen 90% bezoldiging, respectievelijk
                        60% werken tegen 95% bezoldiging. Voor de toelichting op ambtenaren,
                        werkzaam in een functie, waarvoor een FLOleeftijd van 59 jaar was gesteld,
                        zie de toelichting op lid 5. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in
                        een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, zie het
                        tweede lid van artikel 9b:35.</al><al>Lid 3</al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                        die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                        arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 4</al><al>Zie toelichting op artikel 9b:43.</al><al>Lid 5</al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan met 55 jaar het overgangsrecht in te
                        laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van
                        artikel 9b:35 later in. Als iemand hiervoor kiest kan hij het
                        ouderdomspensioen later laten ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over
                        minder jaren gespreid, waardoor de uitkering per jaar hoger wordt.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                        2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze
                        dan onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand
                        volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt. In artikel
                        9b:35 is opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof
                        opgeschoven kan worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met
                        een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een
                        FLO-leeftijd van 60 jaar had vastgesteld, gaat in op de eerste dag van de
                        maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft
                        bereikt. Ook hij kan de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof
                        opschuiven. Zie verder ook de toelichting op artikel 9b:35.</al><al>Lid 6</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Artikel 9b:27 Vervallen (T)</al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt. </al><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26 (T)</al><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging,
                        die grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:26 gedaan
                        wordt, bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze
                        toelage zou dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de
                        eindejaarsuitkering en de vakantietoelage.</al><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                        bezwarende functie (T)</al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op 31 december 2005 een FLO-leeftijd was
                        vastgesteld van 55 jaar. </al><al>Lid 1</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                        verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 3
                        jaar. De duur van het verlof is afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                        januari 2006 en wordt bepaald op de wijze zoals aangegeven in het eerste
                        lid. Het buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling.
                        Daarom wordt dit fiscaal extra belast.</al><al>Lid 2</al><al>Voorbeeld </al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                        FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, en deze ambtenaar had op 1 januari 2006
                        11 dienstjaren, geldt dat hij tot de leeftijd van 58 jaar (57 + 1) moet
                        doorwerken. Vanaf dat moment wordt, tot het moment van onbezoldigd volledig
                        verlof (59 jaar) 78% van zijn bezoldiging doorbetaald. Ook als een hogere
                        FLO-leeftijd was vastgesteld, geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig
                        verlof ingaat vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de
                        ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59
                        of 60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof (vanaf de eerste
                        dag van de maand, volgend op die waarin de leeftijd van 59, respectievelijk
                        60 jaar, is bereikt). Op hen is artikel 9b:28 (net als artikel 9b:26, zie de
                        toelichting op artikel 9b:26, lid 2) feitelijk niet van toepassing. De
                        leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk
                        eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:28 (gedeeltelijk doorbetaald
                        buitengewoon verlof). Voor hen is in artikel 9b:35 bepaald dat zij de
                        ingangsdatum van het onbezoldigd volledig verlof kunnen opschuiven. De duur
                        van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus korter naarmate een hogere
                        FLO-leeftijd dan 55 jaar gold. Zie verder de toelichting op artikel
                        9b:35.</al><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28 (T)</al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar
                        verhaalt.</al><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en 9b:28
                        (T)</al><al>Gedurende de periode dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50%
                        werkt (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%,
                        respectievelijk 60% vakantie op. Gedurende de periode dat op grond van
                        artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend wordt,
                        wordt geen vakantie opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:32 Vervallen (T)</al><al>Toelichting voor Artikel 9b:32 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                        ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60%
                        voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60%
                        vakantietoelage op. Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28
                        gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen
                        vakantietoelage opgebouwd. </al><al>Artikel 9b:33 Vervallen (T)</al><al>Toelichting voor Artikel 9b:33 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                        ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60%
                        voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60%
                        eindejaarsuitkering op. Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28
                        gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen
                        eindejaarsuitkering opgebouwd. </al><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        artikel 9b:28 (T)</al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                        bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                        tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering.
                        Dit is bij ambtenaren rnet, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer
                        tijdens de periode van:</al><al>§ 50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                        tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:26);</al><al>§ volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 75%, respectievelijk
                        78% of 80% van de bezoldiging (artikel 9b:28).</al><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:35), wordt
                        ten laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die
                        periode is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><al>Noot:</al><al> per 1-10-2006 (tot de volgende artikelversie) wordt de toelichting
                        gewijzigd: </al><al>De woorden “20 dienstjaren of meer” worden vervangen door: minder dan 20
                        dienstjaren. </al><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                        (T)</al><al>Let op: zie ook noot onderaan de tekst.</al><al>Algemeen</al><al>Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken van de
                        levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                        bezwarende functie bekleedt waaraan een FLOleeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                        jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                        zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - uitgaande
                        van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op het moment van onbezoldigd
                        volledige verlof - onder voorwaarden vanaf zijn 59e jaar gedurende 3 jaar in
                        een inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor
                        ambtenaren die een bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van
                        60 was gekoppeld, geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de
                        levensloopvoorziening, waarmee — uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren op het moment van onbezoldigd volledig verlof- onder voorwaarden
                        vanaf de leeftijd van 60 jaar gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden
                        voorzien van 70% van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel
                        9b:44.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                        levensloopvoorziening of heeft hij geen 20 dienstjaren op het moment van
                        ingang van het onbezoldigd volledig verlof, dan verlaagt hij daarmee de
                        mogelijke opname van de levensloopvoorziening tijdens de periode van
                        onbezoldigd volledig verlof of verkort hij de periode dat zijn opname uit de
                        levensloopvoorziening 70% van de oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is
                        het naar voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op
                        dat moment ontslag verleend worden op grond van artikel 8:2.</al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                        ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                        actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                        financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig
                        verlof, kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde
                        lid van artikel 9b:26, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in
                        als het moment van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat een
                        kortere periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd.
                        De ambtenaar is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De
                        ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de
                        levensloopregeling (bijvoorbeeld omdat hij al eerder van de
                        levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat hij gedurende kortere tijd
                        een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook kan de ambtenaar er
                        voor kiezen om zijn ouderdomspensioen later dan vanaf de leeftijd van 62
                        jaar te laten ingaan (het versterkt OP wordt dan minder ver naar voren
                        gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode
                        wordt verspreid, resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor
                        ambtenaren met een lage OPopbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat over
                        een langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al>Lid 1</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                        bedoeld in artikel 6:9, is de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen.
                        Omdat sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel
                        6:10 lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de
                        pensioenopbouw tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van
                        de ambtenaar, tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden wordt
                        verleend. Bij de vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, volgt de premie gedurende de gehele periode van verlof met een
                        maximum van drie, respectievelijk twee jaar de normale
                        werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:36.</al><al>Lid 2</al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof
                        in bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december 2005 een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of 60 jaar, heeft de keuze om het moment
                        van het onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan. Deze ambtenaar
                        moet dan langer doorwerken tegen een volledig salaris. Deze ambtenaren
                        hebben niet het recht, dat artikel 9b:26 biedt. Het moment van onbezoldigd
                        volledig verlof komt namelijk eerder dan of valt gelijk met het moment,
                        bedoeld in artikel 9b:26. De vrijheid die artikel 9b:26, vijfde lid, biedt
                        om het recht later te laten ingaan en daarmee het moment van onbezoldigd
                        volledig verlof later te laten ingaan, is voor ambtenaren in een functie met
                        een FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar dus geen automatisme. Daarom is de
                        keuzevrijheid voor het later laten ingaan van het onbezoldigd volledig
                        verlof in dit artikellid opgenomen.</al><al>Het voordeel voor de ambtenaar is, dat hij langer ouderdomspensioen
                        opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te
                        werken. De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                        arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het
                        periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 5</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Combinatie van artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35.</al><al>Artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35 samen betekenen, uitgaande van een
                        FLO-leeftijd van 55 jaar, het volgende:</al><al>A B C D E</al><al>Dienstjaren op 1 januari 2006 leeftijd ingang 50% werken tegen 90%
                        bezoldiging leeftijd ingang gedeeltelijk betaald verlof percentage
                        bezoldiging bij gedeeltelijk betaald verlof leeftijd ingang onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>15-20 55 jaar 56 jaar 80% 59 jaar</al><al>10-15 55 jaar 57 jaar 78% 59 jaar</al><al>5-10 55 jaar 58 jaar 75% 59 jaar</al><al>minder dan 5 55 jaar 59 jaar -- 59 jaar</al><al>Bij een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar schuift de datum van kolom B en C op
                        terwijl de datum van kolom E gelijk blijven.</al><al>Als de ambtenaar er zelf voor kiest om de datum waarop hij 50% gaat werken
                        tegen 90% van de bezoldiging op te schuiven (hij maakt dan gebruik van het
                        vijfde lid van artikel 9b:26), schuift de datum van kolom B, C en E op.</al><al>Op de ambtenaar, waarvoor het college op 31 december 2005, op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had
                        vastgesteld van 59 of 60 jaar, is alleen kolom E van toepassing. Zij kunnen
                        dit moment opschuiven.</al><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof (T)</al><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                        Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter
                        niets over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen
                        werkgever en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof, voor zover dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar.
                        Voor de volledigheid wordt het complete beeld geschetst van:</al><al>§ de grondslag voor pensioenopbouw</al><al>§ de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al><al>§ de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw binnen
                        het FLO-overgangsrecht</al><al>De grondslag voor pensioenopbouw</al><al> In het Pensioenreglement wordt verschil gemaakt in de grondslag voor
                        pensioenopbouw bij onbezoldigd volledig verlof</al><al>§ met opname van levenslooptegoed en</al><al>§ zonder opname van levenslooptegoed.</al><al>Onbezoldigd volledig verlof met opname van levenslooptegoed</al><al>Het Pensioenreglement bepaalt dat in een situatie van onbetaald verlof met
                        opname van levenslooptegoed pensioen wordt opgebouwd over de volledige
                        bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot minder bedraagt dan 70%.
                        In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat lagere
                        percentage.</al><al>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed</al><al> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een situatie van onbetaald verlof
                        zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw plaatsvindt over zijn oude
                        inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald verlof. Er vindt dus
                        pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al><al> In het Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens
                        onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen
                        op kunnen bouwen tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met
                        FLO-overgangsrecht maakt het Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen
                        tijdens het onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed voor een
                        onbeperkte periode pensioen op tegen de doorsneepremie. Voorwaarde daarbij
                        is wel dat zij dat onbetaald verlof direct voorafgaand aan het
                        ouderdomspensioen genieten. Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname
                        van levenslooptegoed bouwen ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere
                        ambtenaren voor onbeperkte duur pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw binnen
                        het FLO-overgangsrecht</al><al> In de Pensioenovereenkomst wordt geregeld dat de normale
                        werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan 70%-30%. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk het werknemersdeel)
                        op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende de eerste drie,
                        respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof. Na deze drie
                        respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar verschuldigde
                        premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de verschuldigde
                        premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee jaar 100%
                        op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:36. Het verhaal van de premie (30% in
                        de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><al>§ Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                        kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct inhouden op
                        de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al><al>§ Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                        verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker niet
                        verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de ambtenaar. Er
                        ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient
                        afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt. Vast
                        staat wel dat er feitelijke betaling van de ambtenaar aan de gemeente dient
                        plaats te vinden. Er volgen immers geen perioden meer waarin de gemeente de
                        vordering kan verrekenen met betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd
                        volledig verlof duurt voort totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantiereg. bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren
                        na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie (T)</al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                        arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en
                        werkgever zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de
                        reguliere regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al>Lid 1</al><al>Lid 1 gaat over de ambtenaar die op grond van ziekte niet conform artikel
                        9b:26 (50% werken tegen 90% bezoldiging respectievelijk voor
                        ambulancepersoneel 60% werken tegen 95% van de bezoldiging) kan werken. Op
                        hem blijft hoofdstuk 7 van toepassing tot het moment dat de datum bereikt
                        wordt, waarop conform artikel 9b:28 gedeeltelijk betaald verlof verleend
                        wordt. Op dat moment wordt hij hersteld verklaard en wordt hem gedeeltelijk
                        betaald buitengewoon verlof verleend. Op grond van artikel 9b:35 wordt hem
                        vervolgens onbezoldigd volledig verlof verleend.</al><al>Lid 2, 3 en 5</al><al>De ambtenaar die ziek wordt na de leeftijd van 50 jaar wordt op het moment,
                        bedoeld in artikel 9b:26 hersteld verklaard. Op hem is artikel 9b:26 van
                        toepassing, voor zover zijn medische geschiktheid het mogelijk maakt dat hij
                        50% werkt tegen 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel 60% werkt
                        tegen 95% van de bezoldiging). Is dat niet mogelijk dan is op hem het vierde
                        lid van artikel 9b:26 van toepassing, waarin wordt verwezen naar het eerste
                        lid van dit artikel. Dat betekent dat deze ambtenaar toch weer ziek gemeld
                        wordt en pas beter gemeld wordt op het moment dat op grond van artikel 9b:28
                        gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof verleend wordt. Vervolgens wordt
                        ook hem op grond van artikel 9b:35 onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al>Lid 4</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd was gesteld, wordt de ambtenaar bij het bereiken
                        van die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><al>Artikel 9b:44</al><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                        onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage
                        ontvangt dat hij bij het bereiken van 20 dienstjaren op de leeftijd waarop
                        het onbezoldigd volledig verlof ingaat (dit is standaard op de eerste dag
                        van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar
                        heeft bereikt) een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn
                        bezoldiging. Voor een ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een
                        FLO-leeftijd van 60 was verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het
                        onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard op de eerste dag van de maand
                        volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt)
                        een tegoed bereikt kan hebben overeenkomend met 140%. Als de ambtenaar
                        minder dan 20 dienstjaren bereikt, gelden de 210% of 140% naar rato van het
                        aantal bereikte dienstjaren.</al><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 (T)</al><al>In de ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen)
                        is uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al>Lid 1</al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2. </al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op
                        1 januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben
                        gewerkt. Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze
                        “overgangsgroep” behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven
                        jaren aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag
                        gebaseerd dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze
                        storting is dat de medewerker, in het geval hij op 59 jaar 20 dienstjaren
                        heeft, op de leeftijd van 62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden
                        x 76% van het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                        ambulancemedewerker tot 53 jaar. Als het gaat om een medewerker, die een
                        functie had, waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd was verbonden
                        van 60 jaar, is het streven om op 60 jaar een bedrag te hebben ter hoogte
                        van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer-
                        of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het uiteindelijke pensioen van
                        de medewerker is, is van veel factoren afhankelijk (dienstjaren,
                        deeltijdfactoren, moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben hierover
                        dus geen individuele garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP over
                        de jaren tot 2004 het loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP
                        het eindloonsysteem en zijn geen loongegevens bewaard van voorliggende
                        jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                        vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                        definitie 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is geweest,
                        zodat een berekening gemaakt kan worden van de storting die op 53-jarige
                        leeftijd wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat
                        inkomen is ook niet (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de
                        volgende leidraad hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan
                        van het inkomen van een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de
                        storting voor een vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden
                        geïndexeerd. Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de
                        betreffende medewerker als vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam
                        waren bij een ambulancedienst in de particuliere sector kan de gemeente het
                        salaris uit het jaar voorafgaand aan de storting hanteren dat gekoppeld was
                        aan een vergelijkbare functie binnen de gemeentelijke ambulancedienst. Ook
                        dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de
                        formule uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie
                        van artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                        ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                        betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies
                        volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                        zorgverzekeringswet worden ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt
                        de indexatiefactoren bij het ABP op.</al><al>Wat moet de werkgever doen? </al><al>Als de medewerker, die onder het overgangsrecht valt, 53 jaar wordt,
                        berekent de werkgever het bedrag dat moet worden gestort in AEP. De gegevens
                        die de werkgever nodig heeft voor de berekening kunnen worden opgevraagd bij
                        het ABP. </al><lijst><li nr="1."><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53
                                jaar wordt.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de
                                medewerker toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens
                                aan de werkgever te verstrekken. Geeft de medewerker geen
                                toestemming dan kan de werkgever het ouderdomspensioen van die
                                medewerker niet versterken. Er vindt dan geen storting van de
                                werkgever plaats. De werkgever heeft de toestemming nodig om de
                                gegevens op te vragen die nodig zijn om de benodigde storting te
                                kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27 november 2008
                                (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief opgenomen
                                waarmee de werkgever de medewerker om toestemming kan
                                verzoeken.</al></li><li nr="3."><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                                deeltijdfactoren per jaar op van de dienstjaren van betrokken
                                medewerker bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                                indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt
                                de werkgever contact op met de BU-SV, Special Services van het ABP,
                                postbus 4806, 6401 JL Heerlen. Het ABP levert de werkgever de
                                pensioengevende inkomens van de dienstjaren, de bijbehorende
                                deeltijdfactoren en de indexatiefactoren. Zie de toelichting op lid
                                2 en 3 voor het geval de medewerker nog geen 20 dienstjaren
                                heeft.</al></li><li nr="4."><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                                deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij
                                elkaar op en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte
                                vermenigvuldigt hij dit bedrag met 57%, als de medewerker op 53
                                jarige leeftijd al 20 dienstjaren heeft. Vervolgens vermenigvuldigt
                                hij dit met de leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment
                                bij leeftijd 53 geldt.</al></li><li nr="5."><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag
                                wordt gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen
                                (59.34.95.004, ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct
                                gevolgd met het klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als
                                de medewerker klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend
                        is, over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1
                        januari 2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                        middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het kan zijn dat mensen op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                        hebben. Dan hebben zij nog geen recht op een storting van 57% van het
                        gemiddeld loon. Het percentage wat van dit gemiddelde loon wordt gestort is
                        het aantal dienstjaren op het moment van storting gedeeld door 20 maal 57%.
                        Dus als een medewerker 15 dienstjaren heeft op 53 jaar dan stort de
                        werkgever een bedrag van het gemiddelde loon over die 15 jaar maal 15/20ste
                        van 57%.</al><al>Bij doorwerken in een bezwarende functie na de leeftijd van 53 jaar wordt
                        ieder jaar een extra bedrag gestort. Het recht op deze stortingen ontstaat
                        bij het bereiken van de eerstvolgende leeftijd. De stortingen stoppen op
                        59-jarige leeftijd of bij het bereiken van 20 dienstjaren. Het streven van
                        de stortingen is dat, bij het bereiken van 20 dienstjaren op of voor
                        59-jarige leeftijd, op de leeftijd van 62 jaar een bedrag beschikbaar is van
                        9 maanden x 76% x het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                        ambulancemedewerker. Heeft de medewerker op 59-jarige leeftijd minder dan 20
                        dienstjaren, dan geldt dit streven naar rato van het aantal dienstjaren op
                        59 jaar. </al><al>Voor mensen die op 31 december 2005 een functie bekleedden, waarin een
                        FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden, geldt dat de stortingen doorgaan tot
                        60 jaar, dan wel tot het bereiken van 20 dienstjaren.</al><al>Lid 4</al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                        storting uit lid 1 of lid 3 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks
                        eenmaal, in november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het
                        kan zijn dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd
                        heeft gedaan, omdat de medewerker al voor november 53 jaar is geworden.
                        Blijkt dat er onvoldoende fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP
                        Extra Pensioen te doen, dan stort ABP het teveel na de controle terug naar
                        de werkgever, die dat op zijn beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het
                        reguliere bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er
                        loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen
                        en premies zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al>Lid 5</al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd
                        van 53 jaar, heeft ook recht op het bedrag genoemd in lid 1 of lid 2 (lid 2
                        wordt toegepast wanneer de ambtenaar op 53-jarige leeftijd nog geen 20
                        dienstjaren heeft). Dat bedrag wordt bij uitdiensttreden in AEP gestort.
                        Maar omdat dat bedrag langer kan renderen, wordt een andere
                        leeftijdsafhankelijke factor toegepast (zie artikel 9b:45a), namelijk die
                        factor die bij de leeftijd van uittreden hoort. Lid 4 is hierbij van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                        medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend inkomen.
                        Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen
                        pensioenpremies afgedragen.</al><al>Lid 7</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                        medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit betekent
                        dat hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen
                        salaris is, wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al>Lid 8</al><al>Iemand kan de werkgever vragen om het moment waarop hij 50% gaat werken
                        tegen doorbetaling van 90% van de bezoldiging (respectievelijk 60% gaat
                        werken tegen doorbetaling van 95% van de bezoldiging) op te schuiven
                        (artikel 9b:26 lid 5). Als hij dit doet, wordt het aantal dienstjaren voor
                        de toepassing van dit artikel niet hoger dan het op 59-jarige leeftijd is.
                        Dus als de medewerker op 59-jarige leeftijd 15 dienstjaren heeft in een
                        bezwarende functie, is het streven van de storting die op 53-jarige leeftijd
                        en daarna tot 59 jaar wordt gedaan een bedrag van 9 maanden x 76% x het
                        gemiddelde loon van de 15 dienstjaren.</al><al>Lid 9</al><al>De medewerker met een functie, waaraan op 31 december 2005 een FLO-leeftijd
                        van 59 of 60 was verbonden, gaat direct met onbezoldigd volledig verlof.
                        Voor hem is er dus geen periode van gedeeltelijk betaald verlof. Op hem is
                        artikel 9b:25, lid 5, dus niet van toepassing (zie de toelichting op lid 8).
                        Hij kan wel verzoeken om het moment van onbezoldigd volledig verlof op te
                        schuiven (artikel 9b:35, lid 4). Als dit verzoek gehonoreerd wordt, wordt
                        het aantal dienstjaren voor de toepassing van dit artikel niet hoger dan het
                        was op 59-jarige respectievelijk 60-jarige leeftijd.</al><al>Lid 10</al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten
                        wat het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra
                        Pensioen is gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij
                        moment van minder gaan werken wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn
                        werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie te geven van het verwachte
                        stortingsbedrag. Met een rekentool op abp.nl kan de medewerker dan berekenen
                        wat dit bedrag zou betekenen voor de verwachte hoogte van zijn pensioen. Het
                        college bepaalt in overleg met de medewerker het geschikte moment voor de
                        eenmalige indicatie. Hierbij wordt geadviseerd rekening te houden met
                        mogelijke carrièrestappen van de medewerker. Als die nog worden verwacht dan
                        is het geven van een indicatie niet zinvol. De berekening van dat bedrag is
                        namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt met eventuele
                        carrièrestappen geen rekening.</al><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                        20 dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</al><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven
                        die ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren
                        genoemd. Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd
                        die de ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP
                        Extra Pensioen doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er
                        zijn uitzonderingen denkbaar dat de storting op een andere leeftijd
                        geschiedt. Voor meer informatie over de diverse uitzonderingen zie
                        ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al>Voorbeeld</al><al> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag gegenereerd moet zijn van €
                        10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet, bij de rendementen die ABP
                        verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van € 7.850 gestort worden (€
                        10.000 x 0,785). Als er op een later moment dan op 53-jarige wordt gestort,
                        dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                        leeftijdsafhankelijke factor.</al><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering (T)</al><al>In artikel 9b:45 lid 5 is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                        Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de
                        bezwarende functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de
                        bezwarende functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering
                        jonger is dan 53 jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting
                        moeten doen. Deze storting op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen
                        voor de uiteindelijke hoogte van het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief
                        of negatief zijn, afhankelijk van het rendement dat het gestorte bedrag
                        oplevert. Door de eerdere storting wordt het rendementsrisico dus bij de
                        ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven,
                        is geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                        regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak
                        over het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds
                        op 53 jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van
                        het totaal aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de
                        nieuwe werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente
                        en de nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van
                        inkoop OP verdeeld worden.</al><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005
                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><al>Artikel 9b:50, 9b:51 en 9b:52 gelden voor de ambtenaar, die ondanks het feit
                        dat een FLO-leeftijd was vastgesteld, geen bezwarende functie vervulde. </al><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006, in een niet bezwarende functie (T)</al><al>Vanaf 1 januari 2006 ontvangen de ambtenaren, geboren na 1949, met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 de reguliere levensloopbijdrage van
                        1,5%.</al><al>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een
                        betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald</al><al>Hoofdstuk 9c Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke</al><al>Hoofdstuk 9d Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</al><al>Artikel 9e:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Dit hoofdstuk geldt alleen voor ambtenaren die op 31 december 2005 een
                        FLO-functie bekleedden bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of
                        gemeentelijke ambulancedienst en die vanaf 1 januari 2006 onafgebroken een
                        bezwarende functie bekleden, waaraan op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3 leeftijdsgrenzen waren verbonden. De ambtenaar op wie artikel
                        9b:49 van toepassing is, is de ambtenaar in een bezwarende oud FLO-functie,
                        die geboren is voor 1950, maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor FPU.
                        Hij krijgt dezelfde rechten als ambtenaren in bezwarende oud FLO-functies,
                        die geboren zijn na 1949.</al><al>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Onderdeel h</al><al>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance bestaat uit een
                        levensloopverzekering en een netto spaarverzekering. Storting op de
                        netto-spaarverzekering van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance kan
                        nodig zijn omdat de levensloopbijdrage die verstrekt wordt uitstijgt boven
                        het maximale bedrag dat fiscaal gunstig op een levensloopverzekering gestort
                        mag worden.</al><al>Lid 2</al><al>LOGA-partijen zijn met Loyalis een levensloopproduct overeengekomen, Loyalis
                        Levensloop Brandweer &amp; Ambulance. Dit levensloopproduct biedt onder
                        voorwaarden de garantie dat de individuele ambtenaar op de leeftijd van 59,
                        respectievelijk 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210%,
                        respectievelijk 140% van hun bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2 (zie
                        hierna artikel 9e:8 en 9e:9).</al><al>Voorwaarde voor deze garantie is dat de ambtenaar </al><al>§ daadwerkelijk deelneemt aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                        Ambulance,</al><al>§ de werkgever verzoekt om de complete levensloopbijdrage beschikbaar te
                        stellen voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</al><al>§ deze complete levensloopbijdrage ook daadwerkelijk inlegt op het moment
                        dat de werkgever deze bijdrage verstrekt</al><al>§ niet tussentijds tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                        Ambulance.</al><al>De genoemde voorwaarden samen vormen het LOGA-pad. Alleen wanneer ambtenaren
                        dit LOGA-pad volgen, hebben zij de garanties, bedoeld in artikel 9e:8 en
                        9e:9. </al><al>Artikel 9e:6 Inleg (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Onderdeel van het formulier waarop de ambtenaar zijn melding doet is de
                        optie dat hij het LOGA-pad wil volgen en dat hij zijn complete
                        levensloopbijdrage wil inleggen (tot aan de fiscale grens van 12% op de
                        levensloopverzekering plus het eventueel meerdere op de netto
                        spaarverzekering). Hij weet dan niet het exacte bedrag noch de hoogte van
                        het voor hem door Loyalis bepaalde maatwerkpercentage. Als Loyalis een nieuw
                        maatwerkpercentage doorgeeft, wijzigt het bedrag dat de ambtenaar inlegt op
                        Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance, tenzij de ambtenaar aangeeft
                        dat hij een ander bedrag wil inleggen. Legt hij een lager bedrag in, dan
                        wijkt hij daarmee af van het LOGA-pad en vervallen zijn garanties.</al><al>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                        op 1 januari 2006 (T)</al><al>Lid 1, 2 en 3</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft op
                        1 januari 2006 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie. Hij moet vanaf
                        1 januari 2006 onafgebroken een bezwarende oud FLO-functie bekleden.</al><al>Deze ambtenaar heeft, als hij tot 59-jarige leeftijd in een bezwarende oud
                        FLO-functie blijft werken en als hij een functie bekleedt met een
                        FLO-leeftijd van 55 tot en met 59 jaar, op 59-jarige leeftijd recht op een
                        tegoed overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Bekleedt hij een
                        FLO-functie waaraan een FLO-leeftijd van 60 was verbonden, dan geldt een
                        maximum van 140% op 60-jarige leeftijd. De levensloopbijdrage, die – mits
                        het LOGA-pad gevolgd wordt – leidt tot dit tegoed overeenkomend met 210%
                        respectievelijk 140%, ontvangt hij van de werkgever.</al><al>Lid 1 en 2 spreken over een tegoed overeenkomend met 210%, respectievelijk
                        140% van de bezoldiging. De woorden ‘overeenkomend met’ zien op het feit dat
                        de ambtenaar zowel in de levensloopverzekering als in de netto
                        spaarverzekering kan hebben ingelegd. Genoemde percentages zijn bruto
                        bedragen. De inleg in de levensloopverzekering is ook bruto. De inleg in de
                        netto spaarverzekering is echter netto; hier zijn de loonheffingen
                        (waaronder loonbelasting) al vanaf gehaald. Als sprake is van een combinatie
                        van levenslooptegoed en netto spaarverzekeringstegoed kan dit dus niet
                        worden opgeteld tot 210%, respectievelijk 140%. Voor medewerkers die bij het
                        volgen van het LOGA-pad geen gebruik hebben hoeven maken van de netto
                        spaarverzekering gelden wel de percentages van 210% respectievelijk 140% aan
                        opgebouwd levenslooptegoed.</al><al>Het percentage van 210% wordt gebaseerd op de bezoldiging die de grondslag
                        vormt voor de keuzes die de ambtenaar eerder op grond van artikel 9b:4 heeft
                        kunnen maken. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 55
                        jaar, dan geldt het keuzemoment op 55-jarige leeftijd en geldt als grondslag
                        de bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden
                        voorafgaande aan zijn 55e. Had de ambtenaar een functie met een oud
                        FLO-leeftijd van 57 jaar, dan geldt het keuzemoment op 57-jarige leeftijd en
                        geldt als grondslag voor de 210% dus de bezoldiging die betrokkene gemiddeld
                        ontving in de 12 maanden voorafgaand aan zijn 57e. Deze bezoldiging wordt na
                        de leeftijd waarop de keuzes zijn ingegaan geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging die in de gemeentelijke sector wordt afgesproken.</al><al>Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 60 jaar, dan geldt
                        geen keuzemoment en gaat betrokkene op de leeftijd van 60 jaar met
                        onbezoldigd volledig verlof. De grondslag voor het percentage van 140% is
                        dan de bezoldiging, die de ambtenaar gemiddeld ontving in de 12 maanden
                        voordat hij 60 werd.</al><al>De levensloopbijdrage stopt op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar.
                        Opschuiven van het keuzemoment van artikel 9b:4 leidt tot niet tot langer
                        doorbetalen van de levensloopbijdrage.</al><al>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar</al><al> In het halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis
                        of op de leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis
                        levensloop Brandweer Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de
                        medewerker het LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de
                        periode na de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><al>§ de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                        ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al><al>§ de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                        bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                        maatwerkpercentage.</al><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer
                        &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                        LOGA-pad heeft gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit
                        tekort wordt opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vindt plaats in het halfjaar
                        nadat de ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60
                        jaar was vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het LOGA-pad is gedefinieerd in artikel 9e:2. Loyalis bepaalt voor alle
                        ambtenaren op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is de hoogte
                        van de levensloopbijdrage. De hoogte is gebaseerd op de rente die Loyalis
                        reeds behaald heeft op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance en die
                        voor de toekomst verwacht wordt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                        Ambulance. Jaarlijks wordt de werkgeversbijdrage bijgesteld op grond van
                        onder meer de rentestand en de ontwikkelingen in de bezoldiging van de
                        individuele ambtenaar.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend.</al><al>Lid 6 en 7</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                        3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er
                        wordt ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de
                        eindejaarsuitkering alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het
                        bepalen van de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd
                        gebaseerd zijn.</al><al>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</al><al>Zie de toelichting op artikel 9e:8. </al><al>Het verschil met 9e:8 is dat het hier gaat om ambtenaren die op 1 januari
                        2006 (nog) geen 20 dienstjaren hadden bereikt. Het kan zijn dat deze
                        ambtenaren ook op 59-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren hebben in een
                        oud FLO-functie.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar </al><al>In het halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis
                        of op de leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis
                        levensloop Brandweer &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de
                        medewerker het LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de
                        periode na de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><al>§ de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                        ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al><al>§ de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                        bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                        maatwerkpercentage.</al><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer
                        &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                        LOGA-pad heeft gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit
                        tekort wordt opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vind plaats in het halfjaar nadat
                        de ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar
                        was vastgesteld.</al><al>Lid 4 en 5</al><al>Van belang is hier dat alle jaren tot 59 jaar respectievelijk tot 60 jaar
                        meetellen. Voor de ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd
                        tussen 55 en 59 jaar is dit van belang. Het derde lid impliceert namelijk
                        dat ook de jaren dat zij gedeeltelijk betaald, maar wel volledig verlof
                        hebben ook meetellen als dienstjaren. Opschuiven van het moment waarop de
                        ambtenaar 50% respectievelijk 60% gaat werken tegen 90% respectievelijk 95%
                        van zijn bezoldiging leidt niet tot opschuiven van het moment tot welk het
                        aantal dienstjaren “geteld wordt”. Dat moment blijft staan op 59 jaar.</al><al>De ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd van 60, moeten tot
                        hun 60e volledig doorwerken. Daarna krijgen zij onbezoldigd volledig verlof.
                        Uiteraard tellen alle jaren tot 60 jaar als dienstjaar mee. Opschuiven van
                        het moment waarop ambtenaren met onbezoldigd volledig verlof gaan leidt niet
                        tot opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld
                        wordt”. Dat moment blijft staan op 60 jaar. </al><al>Lid 7</al><al>Als de ambtenaar inderdaad minder dan 20 dienstjaren heeft op 59-jarige
                        leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd, geldt dat de levensloopbijdrage
                        leidt tot een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren op 59-jarige
                        leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd. Als betrokkene een oud
                        FLO-leeftijd had van 55 jaar en op 59-jarige leeftijd 18 dienstjaren heeft
                        bereikt, heeft hij op 59-jarige leeftijd recht op een tegoed overeenkomend
                        met 18/20 x 210% van zijn bezoldiging. Hetgeen vermeld is in de toelichting
                        op lid 2 en 3 is hierop van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend. </al><al>Lid 9 en 10</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                        3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er
                        wordt ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de
                        eindejaarsuitkering alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld i
                        artikel 9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het
                        bepalen van de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd
                        gebaseerd zijn.</al><al>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht (T)</al><al>Lid 2</al><al>onderdeel a</al><al>Wanneer de ambtenaar overlijdt voordat het eerste moment is bereikt waarop
                        hij onbezoldigd volledig verlof kan opnemen, stopt de levensloopbijdrage.
                        Hiermee wordt gedoeld op de leeftijd van 59 jaar (bij een oud FLO-leeftijd
                        van 55 tot en met 59 jaar) respectievelijk 60 jaar (bij een oud FLO-leeftijd
                        van 60 jaar.</al><al>Wat er gebeurt met het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed
                        dat tot dat moment is opgebouwd, is afhankelijk van de polis die de
                        ambtenaar heeft afgesloten. Uitgaande van Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                        Ambulance geldt het volgende: heeft de ambtenaar direct voorafgaand aan het
                        overlijden een dekking voor restitutie bij overlijden lopen bij Loyalis, dan
                        ontvangen de nabestaanden 90% van het opgebouwde tegoed waarvoor de
                        ambtenaar zich verzekerd heeft. Heeft de ambtenaar direct voorafgaand aan
                        het overlijden geen dekking voor restitutie bij overlijden, dan komt het
                        tegoed ten goede aan Loyalis.</al><al>In geval de ambtenaar geen gebruik maakt van Loyalis Levensloop Brandweer
                        &amp; Ambulance maar de levensloopbijdrage heeft ondergebracht op een ander
                        verzekerings- of spaarproduct, dan gelden bij overlijden de voorwaarden van
                        de desbetreffende bank of verzekeraar.</al><al>Lid 2</al><al>onderdeel b</al><al>De beëindiging van de bezwarende functie kan gelegen zijn in ontslag, maar
                        het is ook mogelijk dat herplaatsing daarvan de oorzaak is.</al><al>Het is mogelijk dat de medewerker ontslagen wordt uit zijn bezwarende
                        functie en vervolgens co artikel 9b:1, tweede lid opnieuw werkzaam wordt in
                        een andere bezwarende ex-FLO-functie. Bij de oud-werkgever stopt de deelname
                        aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Indien het
                        FLO-overgangsrecht bij de nieuwe werkgever doorloopt, dan valt de medewerker
                        bij die nieuwe werkgever opnieuw onder de gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht.</al><al>Indien een ambtenaar herplaatst wordt en hij niet langer aangesteld is in
                        zijn bezwarende functie, stopt deelname aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Daarbij maakt het niet uit wat de
                        reden van herplaatsing (wegens ziekte, tweede loopbaan of anderszins)
                        is.</al><al>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage (T)</al><al>Lid 1 tot en met 5</al><al>Wanneer de ambtenaar uit de bezwarende functie ontslag wordt verleend
                        voordat hij met onbezoldigd volledig verlof gaat (dat is op 59-jarige
                        leeftijd of op 60-jarige leeftijd) wordt de levensloopbijdrage afgekocht
                        naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van ontslag.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 al 20 dienstjaren of meer in een oud
                        FLO-functie, dan heeft hij op dat moment al recht gekregen op een tegoed
                        overeenkomend met 210% respectievelijk 140% op 59- respectievelijk 60-jarige
                        leeftijd. De afkoop van deze rechten bij ontslag voor de 59- of 60-jarige
                        leeftijd moet dan ook kunnen leiden tot een bedrag overeenkomend met 210%
                        respectievelijk 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag op die
                        leeftijd.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 echter minder dan 20 dienstjaren in een oud
                        FLO-functie, dan is het daadwerkelijke aantal dienstjaren op het moment van
                        ontslag bepalend voor het afkoopbedrag.</al><al>Heeft betrokkene op het moment van ontslag 10 dienstjaren in een oud
                        FLO-functie, dan krijgt hij een afkoopbedrag dat in de jaren tot aan de
                        leeftijd van 59 of 60 jaar volgens de uitgangspunten die zijn vastgesteld in
                        het LOGA kan renderen tot 10/20 x 210% van de bezoldiging op het moment van
                        ontslag (respectievelijk 10/20 x 140% van de bezoldiging op het moment van
                        ontslag).</al><al>Lid 6</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald. Loyalis moet dus
                        door de werkgever geïnformeerd worden over het aanstaande ontslag van de
                        medewerker.</al><al>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering (T)</al><al>Op basis van het eerste of tweede lid van artikel 9e:11 hebben medewerkers
                        recht op een afkoopbedrag als zij de bezwarende functie verlaten. Artikel
                        9e:11a regelt hierop een uitzondering voor medewerkers die ontslag krijgen
                        uit de bezwarende functie wegens regionalisering (bijvoorbeeld door het
                        vormen van veiligheidsregio’s). Zij hebben geen recht op afkoop van de
                        levensloopbijdrage. Voorwaarde voor die uitzondering is dat de medewerkers
                        ook bij de nieuwe werkgever recht hebben op FLO-overgangsrecht. Wanneer de
                        nieuwe werkgever het FLO-overgangsrecht van toepassing verklaart, betekent
                        regionalisering geen einde van het FLO-overgangsrecht. Dit houdt in dat ook
                        bij de nieuwe werkgever recht bestaat op een levensloopbijdrage. Deze
                        levensloopbijdragen dragen bij aan hetzelfde doel (zie hierna: Garantie) als
                        de levensloopbijdragen die de gemeente verstrekte. Anders dan bij
                        individuele gevallen van ontslag, gaat het bij regionalisering vaak om een
                        groot aantal medewerkers dat ineens overgaat naar de nieuwe werkgever. Zou
                        de gemeente verplicht tot afkoop moeten overgaan, dan zou die geconfronteerd
                        worden met afkoopbedragen voor al deze medewerkers. De gemeente zou in een
                        keer dus veel geld moeten uitkeren. Om dit te voorkomen hoeft de gemeente
                        niet tot afkoop over te gaan. De gemeente en de nieuwe werkgever moeten
                        samen tot afspraken komen hoe de kosten van toekomstige levensloopbijdragen
                        verdeeld worden.</al><al>Garantie</al><al> Of de werkgever nu voor afkoop kiest of voor declaratiestructuur met de
                        nieuwe werkgever, de medewerker behoudt bij het volgen van het LOGA-pad in
                        beide gevallen de garantie dat hij bij het bereiken van 20 dienstjaren op de
                        leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met
                        210%, respectievelijk 140% van zijn bezoldiging (zie artikel 9e:8 en 9e:9).
                        Bij minder dan 20 dienstjaren geldt een garantie naar rato.</al><al>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht (T)</al><al>In artikel 9b:1, tweede lid is bepaald dat het FLO-overgangsrecht wordt
                        voortgezet, wanneer de ambtenaar uit de ene bezwarende oud FLO-functie
                        overstapt naar de andere bezwarende oud FLO-functie. Ook in dat geval worden
                        de rechten tot het moment van overstap afgekocht door de “oude werkgever”.
                        De nieuwe werkgever betaalt dan weer de levensloopbijdrage, waarbij de
                        hoogte door Loyalis bepaald wordt. Loyalis houdt er hierbij rekening mee dat
                        de afkoop volgens het LOGA-pad gestort is. Dit betekent dat het afkoopbedrag
                        van de “oude werkgever” dus ingelegd is in Loyalis Levensloop Brandweer
                        &amp; Ambulance op het moment van uitbetaling door de werkgever en dat er
                        geen tegoed is opgenomen.</al><al>10 Wachtgeld</al><al>Artikel 10 Wachtgeld (T)</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 10:1 Betrokkene (T)</al><al>begrip betrokkene</al><al>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene wet bestuursrecht
                        noodzaakt tot de invoering van de term betrokkene) zodanig omschreven dat
                        dit begrip erin voorziet dat alle gevallen waarbij wachtgeldaanspraken
                        kunnen ontstaan nu in één artikel in het hoofdstuk wachtgeld bij elkaar s
                        taan. Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene recht op
                        wachtgeld die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan betrokkene
                        kenbaar is gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is ontslag te verlenen
                        wegens reorganisatie danwe wegens arbeidsongeschiktheid.</al><al>Artikel 10:3 Diensttijd (T)</al><al>begrip diensttijd</al><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van het hoofdstuk wachtgeld de
                        tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het ambtenaarschap in de
                        zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de tijd waaraan
                        ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding
                        ambtenaarschap in de zin van de pensioenwet (S ter t. 1994, 98) bovengenoemd
                        ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om
                        diensttijd doorgebracht als seizoenswerker of als deelnemer aan een
                        werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid.
                        In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van
                        meer dan een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur. Deze
                        tijd doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een onderbreking van
                        langer dan een j aar, telt - op grond van het bepaalde in artikel 10:3,
                        onderdeel a, wel mee bij de beoordeling of betrokkene een diensttijd heeft
                        van ten minste tien jaar, dan wel voor het beoordelen of aanspraak bestaat
                        op een bijzonder verlengd wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer
                        dan 60). Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling
                        van een recht op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt in de regel niet
                        nogmaals mee bij de vaststelling van wachtgeldaanspraken. Ook deze
                        hoofdregel kent weer uitzonderingen. Deze diensttijd telt namelijk wel weer
                        mee bij de beoordeling of betrokkene aan tien dienstjaren komt, dan wel of
                        de som van leeftijd en diensttijd op de ontslagdatum meer bedraagt dan 60.
                        Deze diensttijd telt ook nogmaals mee wanneer de betrekking waaruit ontslag
                        volgde, werd aanvaard op het moment dat betrokkene wachtgelder was (in het
                        kader van de bijzondere verlenging, artikel 10:8, derde lid). Tijd
                        doorgebracht als wachtgelder wordt dan wel in mindering gebracht op de duur
                        van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht
                        van pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds
                        ABP niet leidt tot bij telling van diensttij d voor de opbouw van
                        wachtgeldaanspraken. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                        opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen.</al><al>Artikel 10:4 Dienstbetrekking (T)</al><al>begrip dienstbetrekking</al><al>Voor de omschrijving van het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij
                        het begrip dienstbetrekking uit de WW. Door de verwijzing naar de artikelen
                        4, 5 en 6 van de WW wordt bereikt dat de reikwijdte van het begrip
                        dienstbetrekking gelijk is aan die ingevolge de WW.</al><al>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld (T)</al><al>Algemeen </al><al>Sinds de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
                        (Wet TBA) kent het wachtgeldregime de mogelijkheid van samenloop van een
                        WAO-conforme uitkering (tot 1 januari 1996 een invaliditeitspensioen) naar
                        een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% en een wachtgeld. In
                        een situatie van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is immers tevens sprake
                        van werkloosheid, voorzover betrokken ambtenaar zijn restcapaciteit niet kan
                        benutten. Hierdoor wordt de kring van rechthebbenden op een wachtgeld
                        verruimd.</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld
                        bestaat. In onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak
                        bestaat op een WAO-conforme uitkering naar een mate van
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Betrokkene is in dat geval volledig
                        arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet in staat arbeid te verrichten.
                        Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat op wachtgeld gedurende de
                        periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan worden (zie hoofdstuk
                        11a).</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                        ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid
                        van 80% of meer, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid nadien op een lager
                        percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende
                        wachtgeld worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het
                        wachtgeld eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou
                        eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend.
                        Hierbij geldt echter een uitzondering.</al><al>Onderdeel a</al><al>Onderdeel a van het tweede lid bepaalt dat de duur van het wachtgeld vanaf
                        de datum van de afschatting wordt berekend op basis van de
                        WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter bepaling van het arbeidsverleden
                        dient daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid, onderdeel a,
                        tevens te worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een
                        mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt bereikt dat
                        ingeval van afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet minder
                        uitkering ontvangt dan een verzekerde in de zin van de WW.</al><al>Onderdeel b</al><al>Onderdeel b van het tweede lid bepaalt dat voor de berekening van de duur
                        van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting op basis van de omvang van
                        de ambtelijke diensttijd de datum op grond waarvan het recht op pensioen is
                        ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel 10:8 wordt dus in die zin
                        toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke ontslagdatum.
                        De duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting wordt uiteindelijk
                        vastgesteld volgens de berekeningswijze die de langste duur oplevert.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op
                        wachtgeld gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien de duur
                        van het wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar (2 x 33 maanden)
                        suppletie. Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden vastgesteld op
                        basis van de omvang van de diensttijd. Dit wachtgeld begint op de eerste dag
                        nadat de aanspraak op suppletie is geëindigd en duurt tot het moment waarop
                        het zou eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn
                        toegekend. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld op zodanige wijze
                        dat gerekend wordt vanaf de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld (T)</al><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode
                        van 5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3
                        jaar in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam zijn geweest,
                        komen in aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het gaat hier om de
                        zogenaamde "arbeidsverleden-eis", een eis uit de op dit punt inmiddels
                        gewijzigde WW. (Ingevolge de WW dient betrokkene sinds 1 maart 1995
                        gedurende een periode van 5 jaar ten minste 4 jaar gewerkt te hebben om voor
                        een verlengde uitkering - met een duur die meer dan zes maanden bedraagt -
                        in aanmerking te komen. Voor het recht op een WW-uitkering is het in de
                        eerste plaats noodzakelijk dat betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum,
                        in een periode van 39 weken ten minste gedurende 26 weken werkzaam is
                        geweest). Met het oog op 1 januari 1998, de datum waarop de WW beoogd wordt
                        integraal van toepassing te zijn op overheidspersoneel, is ervoor gekozen
                        deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke regelingen op te nemen). Een
                        uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag
                        een uitkering genieten op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.
                        Zij komen, zonder dat zij aan de "arbeidsverleden-eis" behoeven te voldoen,
                        voor een verlengd wachtgeld in aanmerking. De duur van het verlengde
                        wachtgeld is afhankelijk van de omvang van het arbeidsverleden, dat bestaat
                        uit een feitelijk en een fictief deel.</al><al>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen,
                        op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op basis van de
                        omvang van het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt uiteindelijk
                        vastgesteld op basis van de berekeningswijze die de langste duur oplevert.
                        Bij de vergelijking blijft de duur van het vervolgwachtgeld buiten
                        beschouwing. Dit volgt uit de formulering van het eerste lid, waarbij
                        uitsluitend wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 10:7. De verlenging
                        van het wachtgeld op basis van de som van leeftijd en diensttijd (de
                        bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel mee bij de
                        vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                        uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de
                        leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de
                        diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van
                        de diensttijd is minimaal 18 bij een leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het
                        met 1,5% per jaar toe tot maximaal 78%.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid bepaalt op welke wij ze de diensttijd die bij een eerder
                        toegekend wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is genomen,
                        nogmaals meetelt voor de berekening van een wachtgeldduur. Diensttijd wordt
                        uitsluitend nogmaals in aanmerking genomen bij de vaststelling van een
                        wachtgeldduur, ingeval betrokkene de dienstbetrekking waarui t ontslag
                        volgde aanvaardde terwijl aanspraak op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt
                        als vereiste dat beide wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een
                        wachtgeldduur, berekend op basis van de omvang van de diensttijd.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd
                        en diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten minste tien jaar
                        is doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt verlengd tot de
                        AOW-gerechtigde leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na
                        afloop van de wachtgeldduur, vastgesteld op grond van het bepaalde in het
                        tweede lid.</al><al>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld (T)</al><al>Lid 2</al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede
                        lid, bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen
                        ambtenaar voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege de leeftijd op de
                        ontslagdatum geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld, bestaat na
                        afloop van de basisduur van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld.
                        Deze situatie is geregeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij het
                        arbeidsverleden minder dan vijf jaar dient te omvatten. Een dergelijke
                        situatie zal zich zelden voordoen, namelijk alleen in die gevallen waarbij
                        de wachtgelder op de ontslagdatum jonger is dan 23 jaar.</al><al>Lid 5 en 6</al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op
                        een vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar, respectievelijk 3,5
                        j aar. Deze situatie kan zich voordoen wanneer de wachtgeldduur wordt
                        vastgesteld op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het
                        verschil tussen deze duurberekening en die op basis van de omvang van het
                        arbeidsverleden minder bedraagt dan een jaar. In dat geval ontstaat
                        aanspraak op een vervolgwachtgeld met een duur die korter is dan de
                        gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent dit dat het wachtgeld van degene
                        die aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van de omvang van de
                        diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op hetzelfde
                        tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip van het
                        vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn toegekend op
                        basis van de omvang van het arbeidsverleden. Het volgende voorbeeld dient
                        als toelichting. </al><al>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld (T)</al><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                        procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de "Procentenwet"
                        (wet van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de uitkeringshoogten met 3
                        procentpunten worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het wachtgeld
                        90%, 80% en 70% bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met
                        3%) gehandhaafd blijft. Bij een mogelijk intrekken van de Procentenwet - van
                        een concreet beleidsvoornemen is momenteel nog geen sprake - zullen de
                        percentages met hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. Het bedrag
                        aan wachtgeld bedraagt ten minste het bedrag aan opgebouwd ouderdomspensioen
                        dat op de ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op
                        basis van artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar
                        van deze verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het
                        bedrag aan opgebouwd ouderdomspensioen.</al><al>Noot:</al><al> per 28-2-2001 (tot volgende artikelversie) veranderd de toelichting:</al><al>In de toelichting bij artikel 10:10 komt de tekst vanaf 'Het bedrag aan
                        wachtgeld' te luiden: Het bedrag aan wachtgeld bedraagt ten minste het
                        bedrag aan ouderdomspensioen dat op de ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de
                        bijzondere verlenging (op basis van artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het
                        wachtgeld het eerste jaar van deze verlenging ten minste 40% van de
                        bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan ouderdomspensioen wanneer dat
                        lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die bijvoorbeeld 20 pensioenjaren
                        heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van de verlenging 40% van zijn
                        bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20 maal 1,7594). </al><al>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                        gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene die uit
                        een deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het
                        vervolgwachtgeld met een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In
                        dat geval kan het minimumloon meer bedragen dan 70% van de bezoldiging en
                        wordt het vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd percentage. Het bedrag
                        aan minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de Procentenwet.
                        Dit geldt ook ingeval het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging
                        bedraagt.</al><al>Artikel 10:12 Verplichtingen (T)</al><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke
                        organisatie levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor de
                        verplichting passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens
                        onduidelijkheden op. Degenen van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke
                        betrekking wordt omgezet in een private betrekking, zijn op grond van deze
                        bepaling namelijk niet verplicht deze betrekking te aanvaarden. Een
                        vergelijkbaar regime is overigens in de private sector zeer gebruikelijk.
                        Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat werkloze werknemers die
                        een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet gehouden zijn passende arbeid te
                        aanvaarden.</al><al>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte (T)</al><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen
                        aan verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook
                        de zieke wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige begeleiding
                        Daarbij komt dat vastgesteld moet worden of en wanneer recht op een
                        WAOconforme uitkering ontstaat. Het eerste lid bepaalt dat de wachtgelder
                        die ziek is en daardoor geen werkzaamheden kan verrichten en de wachtgelder
                        die weer beter is als gevolg waarvan betrokkene weer werkzaam kan zijn,
                        verplicht is burgemeester en wethouders daarvan op de hoogte te stellen. In
                        de praktijk zal het de afdeling zijn die de wachtgelden uitvoert (doorgaans
                        de afdeling P&amp;O), die in dat geval geïnformeerd dient te worden. Bij het
                        vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot de geneeskundige
                        begeleiding bij ziekte kan worden aangesloten bij de bepalingen van
                        hoofdstuk 7 van de UWO (voorzover de gemeente daarbij is aangesloten). Het
                        derde lid regelt de verplichting van een wachtgelder om een WAO-conforme
                        uitkering aan te vragen. In het vierde en vijfde lid zijn sancties
                        opgenomen, ingeval de wachtgelder verwijtbaar verzuimt een WAO-conforme
                        uitkering aan te vragen.</al><al>Noot:</al><al> per 1-11-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de toelichting
                        gewijzigd: </al><al>De woorden "burgemeester en wethouders" worden vervangen door: het college. </al><al>Artikel 10:16 Vermindering (T)</al><al>Algemeen </al><al>Bij de wijze van verrekening van neveninkomsten wordt het uitgangspunt
                        gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau van de bezoldiging behouden
                        blijft. Immers, de wachtgelder mag bijverdienen zonder dat er gekort wordt
                        op het wachtgeld, voorzover het gezamenlijke bedrag aan wachtgeld en
                        neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven gaat. Het
                        wachtgeld wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de
                        einddatum van het wachtgeld blijft ongewijzigd. Inkomsten wegens arbeid,
                        bijvoorbeeld een loondervingsuitkering, worden op dezelfde wijze verrekend.
                        Dit is van belang voor een gemeente die een wachtgeld uitbetaalt aan een
                        gewezen werknemer, die elders weer gaat werken. De inkomsten uit arbeid,
                        alsmede de uitkering die daar mogelijk uit voorkomt, worden verrekend op
                        bovengenoemde wijze. Hoofdregel is dat neveninkomsten, die reeds werden
                        genoten op de dag voorafgaand aan de ontslagdatum, buiten verrekening
                        blijven.</al><al>Lid 1</al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening
                        van neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de
                        vermindering van het wachtgeld als gevolg van het feit dat de wachtgelder
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing blijft.
                        Indien zou worden uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou
                        dit er immers toe leiden dat het "vrije" bedrag (het bedrag dat kan worden
                        bijverdiend zonder dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger
                        wordt. Het totale bedrag aan wachtgeld, neveninkomsten en
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het bedrag van de laatstgenoten
                        bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie
                        die zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens
                        de wachtgeldperiode een nieuwe betrekking heeft aanvaard, waaruit hij
                        arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er
                        ontstaat aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel
                        aangevuld met een tweede ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze
                        situatie gaat vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal
                        betrokkene, die arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die
                        vervuld werd als wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt
                        zijn voor de oorspronkelijke betrekking waarin rnen werkzaam was.
                        Uitgangspunt bij de verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat
                        deze inkomsten eerst in de wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het
                        niveau van de oorspronkelijke bezoldiging de bovengrens blijft. Wanneer de
                        som van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld, de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan niet aangevuld met een tweede
                        ontslaguitkering en de neveninkomsten meer bedraagt dan de oorspronkelijk
                        genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het eerste wachtgeld werd
                        toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk toegekende wachtgeld verminderd
                        met het overschrijdende bedrag. Indien na deze vermindering nog een bedrag
                        aan overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende (tweede)
                        ontslaguitkering verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                        verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij sprake is van
                        samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld. In dat
                        geval dienen twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die ingevolge
                        het pensioenreglement en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en
                        uitkering) op elkaar aan te sluiten. Neveninkomsten worden eerst in de
                        wachtgeldsfeer verrekend, en nadien in de sfeer van de
                        arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit betekent dat neveninkomsten op de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering worden gebracht, ingeval de
                        neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het wachtgeld volledig wordt
                        weggekort. Het pensioenreglement bepaalt dat inkomsten uit of in verband met
                        arbeid in mindering worden gebracht op het invaliditeitspensioen, voorzover
                        de som van invaliditeitspensioen, arbeidsongeschiktheidsuitkering en
                        neveninkomsten meer bedraagt dat de berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 10:17 Verlenging (T)</al><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd
                        aan de toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen drie maanden
                        na het ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen bij de gemeente
                        die het wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort, maar
                        verlengd. Tijdens het vervullen van de nieuwe betrekking, loopt het
                        wachtgeld dus gewoon door en worden de inkomsten verrekend.</al><al>Voorbeeld</al><al>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt betrokkene gedurende zes
                        maanden een vergelijkbare betrekking aangeboden als die waaruit ontslag
                        volgde. De duur van het dienstverband van zes maanden wordt toegevoegd aan
                        de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie jaar. De ratio van
                        dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever "gestraft" wordt met relatief
                        zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd na een gegeven ontslag
                        met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke werkzaamheden kan aanbieden,
                        als die waaruit het ontslag werd verleend. In dat geval doet zich de vraag
                        voor of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><al>Artikel 10:18 Opschorting (T)</al><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum -
                        waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari
                        2003 aanspraak ontstaat op doorbetaling van de bezoldiging - wordt de
                        uitvoering van dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op
                        wachtgeld ingaat per de datum dat de ontslagen ambtenaar weer
                        arbeidsgeschikt is.</al><al>Artikel 10:19 Samenloop (T)</al><al>Algemeen</al><al>Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en een uitkering op grond
                        van de WAO, dan wel een WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met
                        een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt
                        verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld verminderd met een
                        percentage, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze
                        vermindering wordt toegepast met ingang van de ontslagdatum indien per die
                        datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op grond van de WAO, een
                        WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met een
                        invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
                        minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum,
                        namelijk het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt.
                        Door deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk is
                        van de mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te verwerven.
                        Het resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                        werkloosheid. Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan
                        uitkering op grond van de WAO, dan wel het totale bedrag aan WAO-conforme
                        uitkering, al dan niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                        verminderde wachtgeld nooit meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan
                        wachtgeld dat ontvangen zou zijn, wanneer geen uitkering zou zijn toegekend.
                        Als dat wel het geval is (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend
                        pensioen), wordt het overschrij dende bedrag op het wachtgeld in mindering
                        gebracht. Het hanteren van de bovengrens van het volledige wachtgeld leidt
                        ertoe dat al degenen aan wie een wachtgeld is toegekend gelijk behandeld
                        worden. De inkomenspositie van de ontslagen ambtenaar met aanspraak op
                        wachtgeld is hierdoor gelijk aan de positie van degene aan wie naast een
                        wachtgeld tevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van
                        gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze
                        bovengrens dat ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                        wordt toegekend, er een onbedoelde inkomensstijging plaats vindt.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht,
                        in de situatie waarbij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
                        aangevraagd of wanneer de uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al><al>Artikel 10:21 Afkoop (T)</al><al>Het College van B&amp;W kunnen een verzoek van betrokkene het wachtgeld af
                        te kopen, honoreren. Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden
                        onderhandeld. Indien wordt overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld
                        te honoreren, is het raadzaam vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen.
                        De raad moet immers een krediet beschikbaar stellen.</al><al>Noot:</al><al> per 1-11-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de toelichting
                        gewijzigd:</al><al>De woorden "Het college van b. en w. kunnen" worden vervangen door: Het
                        college kan. </al><al>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld (T)</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het deel
                        waarmee het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden kumen worden,
                        de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een rekenvoorbeeld moge dit
                        verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin €
                        2.000,- werd verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-.
                        Betrokkene weigert een betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend
                        zou kunnen worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld
                        gekort worden met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,- ) de bezoldig
                        wordt met € 900,- overschreden), met dit bedrag wordt het wachtgeld
                        verminderd.</al><al>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld (T)</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het
                        feit dat de wachtgelder voor 80% of meer arbeidsongeschiktheid wordt
                        verklaard. In dat geval is geen sprake van werkloosheid. De verwijzing naar
                        het tweede lid van artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van
                        arbeidsongeschiktheid, die aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld,
                        nadien op een lager percentage wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het
                        reeds toegekende recht op wachtgeld. Indien zich een situatie voordoet van
                        een ontslag uit een dienstbetrekking als wachtgelder bekleed, waarbij sprake
                        is van een mate van arbeidsongeschiktheid naar een geringer percentage dan
                        80%, voorziet artikel 10:19 daarin. Wanneer in een dergelijke situatie
                        neveninkomsten worden verdiend, is artikel 10:15, tweede lid, van
                        toepassing.</al><al>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen (T)</al><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                        ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                        ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend wanneer
                        de Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering van de
                        WW-bodem ging gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle
                        lopende wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is herberekend.</al><al>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen (T)</al><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in
                        een overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat
                        hierbij om degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de periode 1
                        augustus 1991 tot en met 31 december 1995. In aansluiting hebben zij recht
                        op een overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het
                        minimumloon. Dit bedrag kan echter nooit meer bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging. De duur bedraagt een jaar. In alle gevallen eindigt de
                        overgangsuitkering op 31 december 1995.</al><al>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen (T)</al><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In
                        dit artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt toegepast ten
                        aanzien van de wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn toegekend.</al><al>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</al><al>Artikel 10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (T)</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen (T)</al><al>Lid 1</al><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende uitkering, die
                        tegelijk met de uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW) wordt
                        uitgekeerd en een aansluitende uitkering, die na afloop van de uitkering op
                        basis van de WW tot uitkering komt. Artikel 16 van de WW spreekt over een
                        situatie waarin sprake is van het verlies van vijf of ten minste de helft
                        van zijn arbeidsuren per kalenderweek, alsmede het recht op onverminderde
                        doorbetaling van het loon over die uren. Ook moet er sprake zijn van
                        beschikbaarheid om arbeid te verrichten. Het cruciale begrip is hier dus
                        'verlies van arbeidsuren', terwijl in de wachtgeld- en uitkeringsregeling
                        het begrip 'ontslag' essentieel was. Dit verschil komt heel duidelijk naar
                        voren in de situatie dat een tijdelijke uitbreiding van het aantal
                        arbeidsuren weer ongedaan wordt gemaakt. In de systematiek van de wachtgeld-
                        en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht op uitkering leiden, omdat
                        niet aan het vereiste van een ontslag wordt voldaan. In de systematiek van
                        de WW kan er wel sprake zijn van een recht op een uitkering, omdat er sprake
                        is van verlies van arbeidsuren. In tegenstelling tot de WW kent de
                        bovenwettelijke regeling geen maximum dagloon. Overigens hebben zaken als
                        het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een PC-privéproject invloed
                        op de hoogte van het dagloon. De verlaging hiervan werkt dus door in de
                        hoogte van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit maximum
                        is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van deze wet. Voor de toepassing van
                        de bovenwettelijke regeling bij werkloosheid is dit maximum niet van
                        toepassing. Dit betekent dat de berekeningsgrondslag niet wordt afgetopt.
                        Een eventueel hoger inkomen wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke
                        uitkering.</al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met
                        46 WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing
                        van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en
                        arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, ondenvijspersoneel
                        en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op
                        de bovenwettelijke regeling bij werkloosheid.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk
                        10a niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk
                        ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming, de
                        vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                        werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die
                        het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                        arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer
                        bepaalde groepen van werklozen.</al><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
                        (T)</al><al>Lid 1</al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden opgenomen,
                        waaraan voldaan moet worden voordat er sprake is van een recht op een
                        loongerelateerde W Wuitkering. Wil men in aanmerking komen voor een
                        (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men in ieder geval voldoen
                        aan de vereisten voor deze loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen
                        recht is op een loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen recht op een
                        aanvullende uitkering. In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW gaat het
                        om zaken als:</al><al>§ het verlies van arbeidsuren, en;</al><al>§ een referte-eis van het gewerkt hebben in 26 weken in de 39 weken
                        voorafgaande aan het ontslag en in vier jaar in de vijfjaar voorafgaande aan
                        de eerste werkloosheidsdag over 52 of meer dagen loon te hebben
                        ontvangen.</al><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van een recht
                        op WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin de betrokkene:</al><al>§ recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW);</al><al>§ volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;</al><al>§ rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al><al>§ de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan voldaan moet
                        worden voordat er sprake is van een recht op WW, leidt ook niet elke
                        ontslaggrond in de CAR/UWO tot een recht op een aanvullende uitkering. De
                        relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd.</al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos
                        wordt. Het recht op WW-uitkering zal dan worden beoordeeld naar de totale
                        omvang van de werkloosheid. Het recht op een aanvullende uitkering bestaat
                        (echter) alleen voor de omvang van de werkloosheid die is ontstaan uit een
                        dienstbetrekking bij de gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend
                        uit een arbeidsurenverlies als betrokkene in de zin van deze regeling kan
                        een aanspraak op een aanvullende uitkering gekoppeld zijn.</al><al>Voorbeeld</al><al> iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als bij een andere werkgever
                        (16 uur). Wanneer hij uit beide betrekkingen wordt ontslagen, wordt de
                        aanvullende uitkering gerelateerd aan de 20 uur waarvoor er ontslag bij de
                        gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de andere werkgever blijven voor het
                        recht op aanvullende uitkering buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd dat ook ontslag uit een
                        tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd recht kan geven op een
                        aanvullende uitkering. Verder is, nu in artikel 8:12 ook de beëindiging van
                        een tijdelijke urenuitbreiding is opgenomen, vastgelegd dat beëindiging van
                        een tijdelijke urenuitbreiding recht kan geven op een aanvullende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering komt in
                        de situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op
                        een suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                        suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknerners die zijn
                        ontslagen uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van
                        ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten
                        tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de
                        Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al><al>Lid 3</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en
                        hij recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het
                        recht op een aanvullende uitkering heeft betrekking op de gehele duur van de
                        WW-uitkering. In artikel 10a:5, llid 4, is bepaald dat voor de berekening
                        van de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                        ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij de
                        artikelen 10a:5, lid 4 en 10a:16, lid 3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ook van
                        toepassing op medewerkers die wegens volledige arbeidsongeschiktheid zijn
                        ontslagen voor 2001. Dit vloeit voort uit de uitspraak van de Centrale Raad
                        van Beroep van 27 juni 2005. De Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat een
                        gewezen overheidswerknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was
                        afgeschat, recht op een WW-uitkering heeft en niet op een
                        wachtgelduitkering. De uitspraak heeft geen terugwerkende kracht; dit
                        betekent dat medewerkers die vanwege arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen
                        voor 2001 en die na de datum van de afspraak zijn afgeschat op hun
                        WAO-uitkering (gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of
                        meer) recht hebben op een WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke
                        uitkering.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een
                        IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen
                        recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag (T)</al><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt dat de
                        berekeningssysternatiek van het dagloon WW wordt gevolgd, echter zonder dat
                        de maximum dagloongrens wordt toegepast. Er zijn verschillen tussen de
                        grondslag 'bezoldiging' en de grondslag 'dagloon'. Zoals al bij de
                        toelichting op artikel 10a:1 werd aangeduid, is het spaarloon hiervan een
                        duidelijk voorbeeld.</al><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                        bovenwettelijke uitkering bestaat, is de berekeningsgrondslag van deze
                        uitkering hoger dan die van de loongerelateerde uitkering in de WW. Artikel
                        47 van de WW stelt dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering 70% van
                        het (gemaximeerde) dagloon bedraagt, terwijl de aanvullende uitkering
                        uitgaat van 80% van het (ongemaximeerde) dagloon. Na 15 maanden zijn de
                        percentages in de WW en in de regeling voor de aanvullende uitkering gelijk,
                        namelijk 70%. Veelal zal dit betekenen dat er geen aanvullende uitkering tot
                        uitbetaling zal komen. Omdat er bij de berekening van de aanvullende
                        uitkering echter wordt uitgegaan van het mgernauimeerde dagloon, kan er een
                        verschil optreden.</al><al>Lid 3</al><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal gronden
                        eindigen. Zie artikel 20 WW. Veelal zal het recht eindigen omdat er geen
                        sprake meer is van werkloosheid. Op het moment dat er weer sprake is van
                        werkloosheid, zonder dat er nieuwe WW-rechten zijn opgebouwd, herleeft het
                        recht op uitkering op grond van artikel 21 WW. Op het moment dat er sprake
                        is van een dergelijke herleving van het recht op WW na een gehele eindiging,
                        eindigt het recht op WW zoveel later (dan in de oorspronkelijke berekening)
                        als de periode heeft geduurd dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat
                        hier om een verlenging van de WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50
                        WW</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15 maanden dat
                        er recht bestaat op een uitkering van in totaal 80% van het ongemaximeerde
                        dagloon.</al><al>Voorbeeld</al><al> er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het recht op de
                        loongerelateerde uitkering krachtens de WW eindigt op 1 januari 2007. Per 1
                        maart 2005 wordt de werkloosheid gedurende drie maanden geheel beëindigd. In
                        dit geval eindigt het recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 80%
                        van het ongemaximeerde dagloon, ondanks de verlenging van de uitkering, op 1
                        april 2006. Uiteraard eindigt de WW-uitkering (en daarmee de bovenwettelijke
                        aanvullende uitkering tot 70%) wel drie maanden later, dus op 1 maart 2007.
                        Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al><al>Lid 4</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                        arbeids-ongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                        arbeids-ongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en
                        hij recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering
                        gedurende de WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                        ontslag. Is het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 15 maanden
                        geleden, heeft betrokkene gedurende een periode tot 15 maanden na ontslag
                        recht op een aanvullende uitkering tot 80% van het ongemaximeerde dagloon.
                        Hierna heeft betrokkene recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het
                        ongemaximeerde dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken.</al><al>Een medewerker is op 1 januari 2002 ontslag verleend wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid. De medewerker heeft recht op een WAO-uitkering
                        gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer. Op 1
                        januari 2004 wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na afschatting 3
                        jaar recht op een WW-uitkering. Gedurende de WW heeft betrokkene recht op
                        een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon
                        omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft plaatsgevonden. Zie
                        ook de voorbeelden die zijn opgenomen bij de toelichting op artikel 10a:16,
                        lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een
                        IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen
                        recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                        11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden (T)</al><al>Algemeen</al><al> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is
                        op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze waarop deze
                        wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke werkloosheidsregeling
                        (LOGA-brief van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19). Een van de
                        afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                        ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering niet is
                        afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van zowel de vervolguitkering als
                        de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin,
                        voor zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet
                        hierin voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen dus onder
                        artikel artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te houden,
                        wordt deze overgangsuitkering de verlengde uitkering genoemd.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van twee jaar
                        voor diegenen die op de dag van ontslag jonger waren dan 57,5 en van 3,5
                        jaar voor diegenen die op de dag van ontslag ouder waren dan 57,5.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is nodig,
                        omdat een WW-uitkering korter kan zijn dan 15 maanden. De verlengde
                        uitkering moet vervolgens nog wel tot 15 maanden na de eerste
                        werkloosheidsdag recht geven op een uitkering ter hoogte van 80% van de
                        berekeningsgrondslag, zoals deze in artikel 10a:3 is gedefinieerd. </al><al>Lid 4</al><al>In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk
                        10a van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover
                        toepasbaar", omdat de bepalingen van de aansluitende uitkering uiteraard
                        niet van toepassing zijn. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt
                        echter voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld
                        buiten benoeming blijven.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van
                        wie het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan
                        voor 11 augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is,
                        na hernieuwde werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend
                        werkloos zijn gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat
                        mensen na afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog
                        een vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment
                        waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij
                        voortdurende werkloosheid. Het vijfde lid van artikel 10a:5a bepaalt dat
                        deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, WW verrekend wordt met
                        de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat mensen gecumuleerd twee
                        uitkeringen krijgen.</al><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is (T)</al><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                        vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid
                        van invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer
                        diegenen van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor
                        deze groep mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                        bepaald dat de oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op
                        grond van de oude bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als
                        dit aan de orde is, bestaat gedurende die vervolguitkering op grond van de
                        bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, ook
                        recht op een aanvullende uitkering. Artikel 10a:5b voorziet hierin. Op deze
                        groep is artikel 10a:5a dus niet van toepassing.</al><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</al><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat ook
                        het recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk eindigt. Voor
                        de toepassing van deze bepaling is met name artikel 20 van de WW van belang.
                        Hierin zijn gronden voor beëindiging van het recht op een WW-uitkering
                        opgenomen. Het gaat hierbij om zaken als het niet meer werkloos zijn, het
                        verstrijken van de uitkeringsduur en het in aanmerking komen voor een
                        uitkering krachtens de ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de
                        gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering impliceert
                        dat achterliggende regels en systematiek (zoals Lisv-beleid en
                        jurisprudentie) ook worden gevolgd. Let wel: oud recht op aanvullende
                        uitkering kan niet meer herleven, indien de betrokkene als werknemer nieuwe
                        werkzaamheden ter hand neemt en daarmee een nieuw recht op WW opbouwt voor
                        hetzelfde aantal uren als waarop het recht op aanvullende uitkering
                        gebaseerd was. Dit zou reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is
                        voorzien door artikel 10a:32 de reïntegratiepremie. </al><al>Noot:</al><al> per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) veranderd de
                        toelichting:</al><al>Het woord "Lisv-beleid" wordt vervangen door: UWV-beleid.</al><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering (T)</al><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op een
                        WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Hierbij is artikel
                        21 van de WW van belang. Indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging van
                        het recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of ziekte, na afloop van die
                        arbeid of ziekte geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, herleeft
                        het recht op de oude WW-uitkering en de aanvullende uitkering. Herleving
                        houdt in, dat de hoogte en de duur van de uitkering nog steeds worden
                        bepaald door de eerste werkloosheidsdag van de 'oorspronkelijke'
                        werkloosheid (de 'WW-klok' loopt dus gewoon door). Herleving is dus iets
                        anders dan opschorting. Bij opsctiorting wordt de uitkering tijdens de
                        onderbreking stopgezet en wordt na de onderbreking de uitkering voortgezet
                        alsof er geen onderbreking is geweest. Zie ook de toelichting op artikel
                        10a:8.</al><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering (T)</al><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                        overeenkomstige toepassing zin op artikel 10a:8. De WW-uitkering eindigt,
                        indien na een tijdelijke gehele beëindiging van het recht op een
                        WW-uitkering het recht op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de
                        onderbreking heeft geduurd. Dit betekent in feite dat, gerekend vanaf de
                        eerste dag van de werkloosheid, de WW-uitkering met zoveel tijd wordt
                        verlengd als de tijdelijk onderbreking duurt. Het effect van die verlenging
                        komt er praktisch gezien op neer dat de duur van de uitkering wordt
                        opgeschort. Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet opgeschort.</al><al>Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de aanvullende
                        uitkering biedt compensatie voor het feit dat in de wachtgeld- en
                        uitkeringsregelingen de aanspraak op een wachtgeld of uitkering, bij goed
                        gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende
                        uitkeringsduur. Dit in tegenstelling tot de WW, waarin ook het einde van de
                        werkloosheid tot beëindiging van de uitkering kan leiden.</al><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie (T)</al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor minder
                        dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane
                        arbeidsuren, de WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen er met die
                        arbeid wordt verricht. Pas als de WW volledig is 'weggekort', wordt het
                        restant van de te verrekenen inkomsten op de aanvullende uitkering gekort.
                        Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders
                        met een klein dienstverband. De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf
                        uren of meer of voor ten minste de helft van het aantal verloren gegane
                        arbeidsuren, leidt in de systematiek van de WW tot vermindering van de
                        werkloosheid en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt
                        gebaseerd.</al><al>Artikel 10a:11 Scholing (T)</al><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing
                        op de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming en onder de
                        voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen kunnen
                        studeren met behoud van uitkering. De jurisprudentie en het beleid van het
                        Lisv inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van overeenkomstige
                        toepassing. Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een
                        noodzakelijk geachte scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht
                        op een aanvullende uitkering.</al><al>Noot:</al><al> per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de toelichting
                        gewijzigd:</al><al>Het woord "Lisv" wordt vervangen door: UWV </al><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld (T)</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die
                        optreedt vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat
                        er geen recht op WW (en aanvullende uitkering). Niettemin is dan artikel
                        10a:12 (toch) van toepassing. Bepalend is of de betrokkene recht zou hebben
                        op aanvullende uitkering als hij niet ziek was geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale
                        uitkering gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van artikel
                        10a:5 zou ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie
                        onder andere (de toelichting op) artikel 10a:8. In artikel 43, tweede en
                        derde lid WW, is (echter) vastgelegd dat de einddatum van een WW-uitkering
                        in geval van een onderbreking door ziekte alleen opschuift voorzover het
                        ziektegeval langer dan drie maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in
                        de laatste drie maanden van de vervolguitkering ziek wordt, 'verbruikt' hij
                        dus de WW-duur. Wanneer hij ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou
                        zijn verstreken, kan het WW-recht bij herstel dus niet meer herleven.
                        Wanneer de ziekte valt in de laatste drie maanden van de WW-uitkering,
                        bestaat er recht op aanvulling van de ZW-uitkering tot aan het moment waarop
                        WW-uitkering beëindigd zou worden als de betrokkene niet ziek zou zijn
                        geweest (de zogenaamde max datum). Wanneer de betrokkene geen recht heeft op
                        een aansluitende uitkering, ontvangt hij dus een uitkering krachtens de ZW
                        van 70% van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder aanvulling. In het geval er
                        wel recht bestaat op een aansluitende uitkering, gaat de aansluitende
                        uitkering direct in na het bereiken van de max datum. De uitkering krachtens
                        de ZW wordt dan in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering (T)</al><al>De Wazo geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op
                        een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Tijdens deze
                        uitkering wordt de aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a CAR
                        verhoogd tot het voor betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de
                        uitkering die 'in verband met zwangerschap' genoten wordt, geldt ook voor
                        ziekte die verband houdt met zwangerschap en/of bevalling. Deze uitkering op
                        grond van de Wazo heeft geen opschortende werking en heeft dus geen gevolgen
                        voor de einddatum van de WW-uitkering en de aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering (T)</al><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van de
                        mogelijkheid om 'op proef een nieuwe functie bij een nieuwe werkgever te
                        aanvaarden, bestaat de mogelijkheid van een reïntegratie-uitkering; zie
                        hiervoor artikel 23 tot en met 27 van de Wet op de (re)integratie
                        arbeidsgehandicapten. Deze proefplaatsing geeft overigens geen recht op een
                        vaste aanstelling. Aan het recht op een reïntegratie-uitkering is een aantal
                        voorwaarden verbonden. Zo moet de werknemer recht hebben op een
                        WW-uitkering, heeft de proefaanstelling een duur van maximaal zes maanden en
                        moet het gaan om onbeloonde werkzaamheden. De werknemer ontvangt dus geen
                        bezoldiging, maar krijgt een reïntegratie-uitkering in plaats van zijn
                        WWuitkering. De reïntegratie van arbeidsgehandicapten wordt bevorderd,
                        wanneer de REA-uitkering gelijkgesteld wordt met de WW-uitkering. Dit
                        betekent namelijk dat het recht op een aanvullende bovenwettelijke
                        WW-uitkering blijft bestaan. De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen
                        met de aanvulling is gelijk aan de hoogte van de WW-uitkering tezamen met de
                        bovenwettelijke aanvulling wanneer de werknemer geen proefaanstelling zou
                        hebben aanvaard.</al><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden (T)</al><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook voor
                        werkloze werknemers neergelegd in de ZW. hebben de nabestaanden van de
                        overleden werkloze werknemer aanspraak op een overlijdensuitkering. Deze
                        overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld
                        over een maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaat eruit dat de
                        uitkering krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100% van het voor de
                        betrokkene geldende dagloon en wel over een periode van dertien weken. </al><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders (T)</al><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71
                        hebben grensarbeiders die in Nederland bij de gemeente werken en die bij
                        aanvang van werkloosheid in het buitenland wonen, bij deze werkloosheid
                        recht op een uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen. Dit geldt ook
                        als zij op grond van deze verordening hun wettelijke werkloosheidsuitkering
                        in hun woonland moeten aanvragen, en dus geen recht hebben op Nederlandse
                        WW. Voor de invoering van de WW voor overheidspersoneel hadden
                        grensarbeiders rechtspositioneel recht op een wachtgeld of uitkering. Sinds
                        de invoering van de WW sinds 1 januari 2001 geldt echter ook voor
                        overheidspersoneel dat grensarbeiders geen recht meer hebben op de
                        wettelijke werkloosheidsuitkering in het werkland (voor de WW geldt namelijk
                        het woonlandprincipe). Zij hebben echter rechtspositioneel wel recht op de
                        bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Daarom is met de centrales van
                        overheids- en onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over een aanpassing
                        van de regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene
                        geen recht op uitkering op grond van de WW heeft. Het artikel houdt het
                        volgende in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als hij
                        in Nederland had gewoond. Dat wil zeggen een uitkering ter hoogte van de WW-
                        en bovenwettelijke uitkering, minus de eventuele buitenlandse
                        werkloosheidsuitkering. De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                        insturen. Veranderingen in de omstandigheden, bijvoorbeeld werkhervatting of
                        overtreding van verplichtingen, hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben
                        gehad als de betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus plaats op
                        grond van de Nederlandse regels. In geval van ziekte, zwangerschap of
                        bevalling loopt de bovenwettelijke uitkering door. In deze situatie zijn er
                        twee mogelijkheden.</al><al>1.Als de betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap
                        of bevalling heeft en dit aantoont, verandert de bovenwettelijke uitkering
                        in een aanvulling op de (fictieve) uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Dit betekent dat - voor maximaal de duur van deze
                        Nederlandse equivalent - de uitkering van het woonland wordt aangevuld tot
                        het niveau dat betrokkene zou krijgen als hij in Nederland had gewoond.
                        Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap of bevalling wordt
                        genoten, ontvangt de grensarbeider zolang de buitenlandse uitkering duurt,
                        maar maximaal voor de duur van de Nederlandse uitkering wegens zwangerschap
                        en bevalling, conform de Nederlandse vergelijkbare gevallen (artikel
                        10a:12a), een aanvulling tot 100% van de oude bezoldiging.</al><al>De einddatum van de totale uitkering kan hierdoor opschuiven. In geval van
                        ziekte gebeurt dat alleen als de ziekte meer dan 3 maanden duurt. In de fase
                        van de aansluitende uitkering geldt dit alleen als op de betrokkene, als hij
                        in Nederland had gewoond, de nawerkingsbepalingen van de ZW of de Wet arbeid
                        en zorg nog van toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat
                        geldt in puur Nederlandse gevallen.</al><al>2.Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc. maar levert hij geen bewijs
                        van een buitenlandse uitkering daarvoor, dan loopt de bovenwettelijke
                        uitkering door zoals bij werkloosheid, dus zonder opschuiving van de
                        einddatum. Dit geldt, net als in puur Nederlandse gevallen, ook in alle
                        gevallen van ziekte etc. in de fase van de aansluitende uitkering na afloop
                        van de nawerkingsperiode van de ZW en de Wet arbeid en zorg.</al><al>Als de betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke) uitkering
                        wegens ziekte, zwangerschap, bevalling of uitkering op grond van de Wet
                        arbeid en zorg ontvangt, verandert de bovenwettelijke uitkering, volgens de
                        samenloopregel van het zesde lid, in een aanvulling op deze Nederlandse
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:14 Diensttijd (T)</al><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd is,
                        doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de zin van
                        het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is verbonden,
                        alsmede de tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking van
                        het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij
                        bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als deelnemer aan een
                        werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid.
                        In de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van
                        meer dan een jaar niet mee voor de berekening van de duur van de
                        aansluitende uitkering. Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de
                        vaststelling van een recht op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt niet
                        nogmaals mee bij de vaststelling van de duur van de aansluitende
                        uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht
                        van pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds
                        ABP niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van aanspraken
                        op een aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt
                        voor de opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient
                        (eveneens) niet te worden meegenomen als diensttijd.</al><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met suppletie
                        (T)</al><al>Lid 1</al><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle gevallen
                        waarin er ontslag plaatsvindt, recht op WW. Bovendien kent de CAR/UWO een
                        gesloten systeem van ontslaggronden. De relevante ontslaggronden worden
                        expliciet genoemd. Zie ook de toelichting op artikel 10a:2.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op basis van
                        de WW wordt geweigerd na een reorganisatie-ontslag en er krachtens artikel
                        10a:9, derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt toegekend,
                        is er recht op een aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 er alleen recht op een
                        aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.</al><al>Lid 4</al><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan de hand
                        van het eerste tot en met het derde lid. Het recht gaat in op de eerste dag
                        van de werkloosheid. Dit recht komt niet tot uitbetaling zolang er recht op
                        een uitkering op basis van de WW bestaat. Lid 4 bevat het moment van ingang
                        van de aansluitende uitkering voor die mensen die op of na 1 augustus 2004
                        werkloos zijn geworden.</al><al>Lid 5</al><al>Lid 5 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                        mensen, op wie artikel 10a:5a van toepassing is. De aansluitende uitkering
                        gaat dan pas in op het moment dat de duur van de verlengde uitkering van
                        10a:5a is verstreken.</al><al>Lid 6</al><al>Lid 6 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                        mensen, op wie artikel 130h, eerste lid, van toepassing is. Deze mensen
                        ontvangen nog een uitkering conform de oude regels van de WW. Deze mensen
                        ontvangen dus nog een vervolguitkering. De aansluitende uitkering gaat dan
                        pas in op het moment dat de duur van de vervolguitkering is verstreken.</al><al>Lid 7</al><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering komt in
                        de situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op
                        een suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                        suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn
                        ontslagen uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van
                        ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten
                        tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de
                        WAO. Na afloop van de suppletieregeling ontstaat aanspraak op een
                        aansluitende uitkering indien en voor zolang de duur van de aansluitende
                        uitkering, bepaald krachtens artikel 10a:16 van deze regeling, de duur van
                        de suppletie overtreft.</al><al>Lid 8</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd
                        op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate
                        van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting)
                        in aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                        beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                        hangt af van de berekening van de duur van de aansluitende uitkering vanaf
                        de datum van ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting
                        bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een
                        IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen
                        recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van
                        de ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is gelijk aan die van de
                        oude wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te
                        hoger het percentage waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van wie de
                        eerste dag na ontslag ligt op of na 1 augustus 2004 (dit zijn de mensen die
                        per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen), geldt dat hiervan niet alleen
                        de duur van de loongerelateerde WW-uitkering wordt afgetrokken, maar ook een
                        periode van twee jaar. Dit heeft te maken met wijziging van de
                        Werkloosheidswet, waarin per 11 augustus 2003 de vervolgutikering WW is
                        afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de wijze waarop deze wetswijziging WW
                        doorwerking in de bovenwettelijke regeling een akkoord gesloten. Zie
                        hiervoor de ledenbrief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19).</al><al>Voorbeeld</al><al> Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud. Hij is sinds zijn 18e in
                        dienst van de overheid.</al><al>In de oude situatie (ontslag voor 1 augustus 2004) was de duur van zijn
                        aansluitende uitkering als volgt: 3 maanden + [19,5% + (35 - 21 =
                        14)*l,5%]*de diensttijd - 3 maanden + 6,885 jaar = 7,135 jaar na de dag van
                        ontslag.</al><al>In de nieuwe situatie (ontslag na 1 augustus 2004) is de
                        basis-duurberekening hetzelfde. Hiervan wordt echter nog 2 jaar extra
                        afgetrokken, waardoor de duur van de aansluitende uitkering op 5,135 jaar na
                        de dag van ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe situatie geen
                        vervolguitkering meer bestaat, doet in deze berekening van de einddatum van
                        de aansluitende uitkering niet ter zake. Er kan, in tegenstelling tot de
                        situatie bij de aanvullende uitkering, in beginsel geen opschorting
                        plaatsvinden. Een uitzondering wordt gevormd door artikel 10a:24 scholing.
                        Zie ook de toelichting op artikel 10a:21, tweede lid.</al><al>Lid 3</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en
                        hij recht heeft gehad op een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een
                        aansluitende uitkering na afloop van de WW-uitkering. Of betrokkene voor een
                        aansluitende uitkering in aanmerking komt hangt af van de duurberekening van
                        de aansluitende uitkering vanaf de datum van ontslag in relatie tot de duur
                        van het recht op WW na de afschatting. Is het recht op WW na afschatting
                        geëindigd voor de einddatum van het recht op een aansluitende uitkering,
                        heeft betrokkene na afloop van zijn WW-uitkering recht op een aansluitende
                        uitkering. Voor de berekening van de hoogte van de aanvullende en
                        aansluitende uitkering moet eveneens de datum van ontslag als vertrekpunt
                        genomen worden. Hieronder zijn twee voorbeelden opgenomen ter
                        verduidelijking.</al><al>Voorbeeld 1</al><al>Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag verleend wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op een WAO-uitkering
                        gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De ex-medewerker
                        valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                        werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op 1 april
                        2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de
                        duur van 2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden bijna vijfjaar langer is
                        geworden duurt de WW langer dan die zou hebben geduurd als betrokkene direct
                        na ontslag WW had ontvangen). De duur van zijn aansluitende uitkering
                        berekend vanaf de datum van ontslag is 7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober
                        2008). Dit betekent dat betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering
                        gedurende de periode dat er recht bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter
                        hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon. Met ingang van 1 oktober 2006
                        tot 1 oktober 2008 heeft betrokkene recht op een aansluitende uitkering ter
                        hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon.</al><al>Voorbeeld 2</al><al> Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag verleend wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op een WAO-uitkering
                        gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De ex-medewerker
                        valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                        werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt op 1
                        april 2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering
                        voor de duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende uitkering berekend
                        vanaf de datum van ontslag is 5 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008).
                        Gedurende zijn WW-uitkering heeft hij recht op een aanvullende uitkering ter
                        hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon. Het recht op WW eindigt op 1
                        april 2010. Betrokkene heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een
                        aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon. De
                        aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling daar de einddatum is
                        bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een
                        IVA-uitkering ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen
                        recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                        ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt het eerste lid
                        niet. Deze persoon heeft namelijk recht op een aansluitende uitkering tot
                        aan de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Let wel: degene
                        die op het moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen recht heeft op
                        een aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de
                        aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2
                        voldoet). De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was
                        opgenomen (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de
                        som van leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te
                        vervallen.</al><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden (T)</al><al>Algemeen</al><al>In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op
                        7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze waarop deze
                        wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke werkloosheidsregeling
                        (LOGA-brief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA 04/19). Een van de
                        afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                        ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering niet is
                        afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van én de vervolguitkering én de
                        aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor
                        zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin
                        voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen hebben
                        na de loongerelateerde uitkering op grond van de WW geen recht meer op een
                        vervolguitkering krachtens de WW. Deze is per 11 augustus 2003 afgeschaft.
                        Aangezien in artikel 10a:5a echter is geregeld dat de afschaffing van deze
                        vervolguitkering wordt gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook
                        deze uitkering worden afgetrokken van de duur van de aansluitende uitkering.
                        Dit is geregeld in het laatste onderdeel van het eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering ingaat.
                        Deze bepaling blijft van toepassing op deze overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen onder het
                        nieuwe artikel 10a:16.</al><al>Lid 2</al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                        ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt hetgeen in het
                        eerste lid is opgenomen niet. Deze persoon heeft recht op een aansluitende
                        uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment
                        van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen recht heeft op een aansluitende
                        uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de aanvullende
                        uitkering in §2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De
                        bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was opgenomen
                        (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som van
                        leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te vervallen.
                        Wanneer onverkort de systematiek van de WW gevolgd zou worden, zou dit tot
                        gevolg hebben dat het recht op aansluitende uitkering, conform artikel 19,
                        eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen op het moment dat de
                        betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft
                        bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud van het tweede lid van artikel
                        10a:16. Voor die situatie geldt een uitzondering ten opzichte van de
                        WW-systematiek. Het recht op een uitkering krachtens de Algemene
                        Ouderdomswet (AOW) gaat in op de eerste dag van de kalendermaand, waarin de
                        65-jarige leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in voorkomende gevallen
                        samenloop plaats tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens
                        de AOW. De AOW-uitkering wordt in mindering gebracht op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a
                        van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover
                        toepasbaar", omdat bij sommige bepalingen nadere voorwaarden gelden, waaraan
                        uiteraard ook voldaan moet worden. Om die reden is het mogelijk dat sommige
                        artikelen buiten toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel
                        hoofdstuk 10a wordt voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele
                        artikelen onbedoeld buiten benoeming blijven.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van
                        wie het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan
                        voor 11 augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is,
                        na hernieuwde werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend
                        werkloos zijn gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat
                        mensen na afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog
                        een vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment
                        waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij
                        voortdurende werkloosheid. Het vierde lid van artikel 10a:16a bepaalt dat
                        deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, WW verrekend wordt met
                        de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat mensen gecumuleerd
                        twee uitkeringen krijgen. </al><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is (T)</al><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                        vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid
                        van invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer
                        diegenen van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor
                        deze groep mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                        bepaald dat de oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op
                        grond van de oude bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als
                        dit aan de orde is, bestaat gedurende die vervolguitkering ook recht op een
                        aanvullende uitkering. Pas na deze aanvullende uitkering gaat de
                        aansluitende uitkering in. Artikel 10a:16b voorziet hierin.</al><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag (T)</al><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het dagloon
                        WW, echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast. Zie ook de
                        toelichting op artikel 10a:3.</al><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering (T)</al><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                        berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt
                        aangepast.</al><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de WW-uitkering
                        korter is dan 15 maanden, moet geregeld worden dat de aansluitende uitkering
                        tot 15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geeft op een uitkering
                        ter hoogte van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze gedefinieerd is
                        in artikel 10a:17 juncto 10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al><al>Lid 2</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd
                        op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate
                        van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting),
                        in aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                        beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                        hangt af van de duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum
                        van ontslag in relatie tot de duur van de WW-uitkering.Voor voorbeelden
                        wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de datum
                        van ontslag. Indien de periode na ontslag wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid samen met de duur van de WW-uitkering na afschatting
                        langer duurt dan 15 maanden, bedraagt de hoogte van de aansluitende
                        uitkering 70% van het ongemaximeerde dagloon.</al><al>Lid 3</al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van
                        wie het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan
                        voor 11 augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is,
                        na hernieuwde werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend
                        werkloos zijn gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat
                        mensen na afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog
                        een vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment
                        waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij
                        voortdurende werkloosheid. Het derde lid van artikel 10a:19 bepaalt dat deze
                        uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, WW verrekend wordt met de
                        aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat mensen gecumuleerd twee
                        uitkeringen krijgen. </al><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer op WW.
                        Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op uitkering analoog van toepassing. Dit betekent
                        dat een recht op aansluitende uitkering om dezelfde reden kan eindigen als
                        een WW-uitkering (bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW) geëindigd zou
                        zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is van
                        ziekte, ontstaat er recht op een uitkering krachtens de ZW. Zie artikel 7,
                        onderdeel a van de ZW. Op grond van artikel 19 WW heeft de betrokkene die
                        een uitkering krachtens de ZW ontvangt, geen recht op een uitkering
                        krachtens de WW. Op zich logisch, want anders zou de betrokkene recht hebben
                        op zowel een uitkering krachtens de ZW als een uitkering krachtens de WW.
                        Tijdens de aansluitende uitkering is er in de regel geen recht meer op een
                        uitkering krachtens de ZW. Dus artikel 19 WW heeft in dat geval geen
                        rechtstreekse werking. Echter: wanneer er sprake is van ziekte, is men niet
                        beschikbaar om arbeid te verrichten en dus ook niet werkloos in de zin van
                        de WW. Op grond van artikel 20 WW (dat van overeenkomstige toepassing is,
                        volgens het eerste lid van artikel 10a:20) zou dan het recht op uitkering
                        eindigen, wat krachtens het eerste lid van artikel 10a:20 zou betekenen dat
                        de aansluitende uitkering ook zou eindigen. Dit is niet de bedoeling.
                        Derhalve blijft het recht op aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de oorspronkelijke
                        uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte wordt het recht op aansluitende
                        uitkering dus 'verbruikt'.</al><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en Waz (T)</al><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                        ZW-uitkering, ook al is de uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in de
                        zin van de ZW (bijvoorbeeld omdat de duur van de WW-uitkering is
                        verstreken). Op grond van artikel 46 van de ZW kan er namelijk sprake zijn
                        van nawerking. Zo kan de situatie zich voordoen dat een betrokkene binnen
                        een maand na het begin van de aansluitende uitkering ziek wordt en op grond
                        van de nawerking nog recht heeft op een ZW-uitkering. Betrokkene heeft dan
                        zowel recht op een aansluitende uitkering als op een ZW-uitkering. In dat
                        geval loopt het recht op aansluitende uitkering door en wordt de
                        ZW-uitkering hierop verminderd.</al><al>Ook de Wazo kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet bepaalt
                        dat werknemers die korter dan 10 weken na afloop van de verplichte
                        verzekering (dit is na afloop van de WWuitkering) bevallen, een kind ter
                        adoptie aannemen of een pleegkind aannemen, recht hebben op een uitkering op
                        grond van de Waz. </al><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld door
                        kortdurende arbeid, na afloop van die arbeid geen nieuw recht op een
                        WW-uitkering is ontstaan, het recht op de aansluitende uitkering herleeft.
                        Zie voor een verdere toelichting op het begrip herleving de toelichting op
                        artikel 10a:7.</al><al>Lid 2</al><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                        zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003,
                        Stb. 2003, 546, is in feite een verlenging van de duur van de WW-uitkering
                        opgenomen. In de toelichting op artikel 10a:8 is hierover het een en ander
                        opgenomen. Deze WW-bepalingen zijn nier van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering. De aansluitende uitkering kan niet opschorten als
                        gedurende de aansluitende uitkering sprake is van herleving na een
                        beëindiging.</al><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van kracht is,
                        niettemin het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing is.
                        Dit betekent dat de betrokkene gedurende deze fase dezelfde verplichtingen
                        heeft als toen de WW nog wel van toepassing was en dat er ook sancties
                        kunnen worden getroffen wanneer de betrokkene zich niet aan zijn
                        verplichtingen houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het
                        einde van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is
                        gebracht, wordt het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de
                        situatie waarin de betrokkene op grond van nawerking alsnog in de
                        aansluitende fase van de uitkering recht heeft op ZW.</al><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie (T)</al><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de
                        werkloosheid en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt
                        gebaseerd. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid wordt
                        verricht voor minder dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal
                        verloren gegane arbeidsuren. De aansluitende uitkering wordt in dergelijke
                        gevallen verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt verdiend.
                        Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders
                        met een klein dienstverband.</al><al>Artikel 10a:24 Scholing (T)</al><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven
                        aan de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat na toestemming
                        en onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76,
                        werklozen kunnen studeren met behoud van aansluitende uitkering. De
                        jurisprudentie en het beleid van het Lisv inzake scholing en onbeloonde
                        activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing. In geval van noodzakelijk
                        geachte scholing is er een duurdoorbreking van toepassing (krachtens artikel
                        76, eerste lid WW) en ligt de duur van de aansluitende uitkering niet vast.
                        Dit betekent dat hier een uitzondering wordt gemaakt op artikel 10a:16,
                        eerste lid, waarin bepaald is dat de duur van de aansluitende uitkering
                        eenmaal wordt berekend en vervolgens vastligt.</al><al>Noot:</al><al>per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de toelichting
                        gewijzigd:</al><al>Het woord "Lisv" wordt vervangen door: UWV. </al><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden (T)</al><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat er
                        recht is op een aanvullende uitkering. In artikel 10a:25 is vastgelegd dat
                        er een gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering bestaat in geval van
                        overlijden tijdens de aansluitende uitkering, maar na afloop van de
                        WW-uitkering. De ZW-uitkering is geëindigd. Behoudens nawerking op grond van
                        artikel 46 ZW, in welk geval artikel 10a:13 nog van toepassing is, bestaat
                        er dan geen aanspraak meer op een ZW-overlijdensuitkering. De
                        overlijdensuitkering is in dit geval geheel bovenwettelijk.</al><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders (T)</al><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in Nederland
                        recht hebben op dezelfde Nederlandse (bovenwettelijke)
                        werkloosheidsuitkering als een werknemer die in Nederland woont en ontslagen
                        wordt. Dit geldt niet alleen voor de periode van de aanvullende uitkering
                        (waarvoor artikel 10a:13a geldt), maar ook voor de periode van de
                        aansluitende uitkering. Hiervoor geldt artikel 10a:25a. Zie voor een verdere
                        toelichting de toelichting op artikel 10a:13a.</al><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter hand
                        gaat nemen, kan ter zake van de kosten die voor hem aan een daartoe nodige
                        verhuizing zijn verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend van € 2.270-
                        onder verrekening van een tegemoetkoming in de verhuiskosten uit anderen
                        hoofde. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid. Het recht op een
                        verhuiskostenvergoeding kan alleen worden geëffectueerd, indien de
                        vergoeding bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de
                        noodzakelijke informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen. De
                        tegemoetkoming in verhuiskosten indien de betrokkene elders buiten de
                        gemeentelijke organisatie werk heeft gevonden, is een instrument dat kan
                        bijdragen aan zijn reïntegratie in het arbeidsproces. Hiermee wordt een
                        eventuele belemmering gelegen in de hoge verhuiskosten bij aanvaarding van
                        een functie elders weggenomen. Het betreft hier een discretionaire
                        bevoegdheid.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe
                        werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten
                        worden toegekend voor het gedeelte van de vergoeding dat uit zou gaan boven
                        de door de nieuwe werkgever verstrekte tegemoetkoming.</al><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten toegekend kan worden. De opsomming is
                        cumulatief: er moet aan alle gestelde voorwaarden worden voldaan. Er bestaat
                        geen mogelijkheid tot terugvordering in het geval van beëindiging
                        werkhervatting door eigen schuld of toedoen en/of in het geval van
                        fraude.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat er vertekeningsactie moet worden ondernomen wanneer
                        blijkt dat de betrokkene (toch) niet verhuisd is, is vastgelegd dat de
                        vergoeding achteraf wordt toegekend. Voordat de vergoeding wordt toegekend,
                        moet komen vast te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is verhuisd.</al><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht op een
                        WW- en bovenwettelijke uitkering te stimuleren niet alleen een functie van
                        een gelijk niveau als de oude betrekking te aanvaarden, maar ook een functie
                        die lager wordt beloond. Per saldo zal dit tot lagere uitkeringslasten voor
                        de gemeente leiden. Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in
                        de oude betrekking en dat in de nieuwe betrekking. Net als bij de
                        verhuiskostenvergoeding kan het recht op een reïntegratietoeslag alleen
                        worden geëffectueerd, indien de toeslag bij de uitvoeringsinstelling wordt
                        aangevraagd. Betrokkene zal de noodzakelijke informatie aan de
                        uitvoeringsinstelling moeten overleggen. Er kan alleen recht op een
                        reïntegratietoeslag ontstaan als een betrokkene tijdens het recht op een
                        bovenwettelijke uitkering een dienstbetrekking in de zin van de WW
                        aanvaardt. Wanneer de betrokkene aansluitend aan het ontslag als betrokkene
                        een dienstverband aanvaardt voordat het recht op bovenwettelijke uitkering
                        ontstaat, is er geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geëffectueerd, indien het
                        wordt aangevraagd. Betrokkene zal de benodigde gegevens aan de
                        uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende kracht
                        moeten worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de
                        reïntegratietoeslag vrij kort gehouden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle
                        gevallen recht op een reïntegratietoeslag uit voort. Het lagere dagloon kan
                        een gevolg zijn van een kleinere omvang van de nieuwe betrekking. Wanneer er
                        sprake is van een kleinere omvang, wordt het dagloon in de oude betrekking
                        omgerekend naar het dagloon in de nieuwe betrekking. Als het verschil tussen
                        het oude (omgerekende) dagloon en het nieuwe minstens 10% bedraagt, ontstaat
                        er recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Lid 4</al><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn overeengekomen.
                        Normaliter zal er bij de beëindiging van deze dienstbetrekking sprake zijn
                        van een nieuw recht op WW. Maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn.
                        Wanneer bijvoorbeeld de betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van
                        minimaal één jaar tussentijds toch weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als
                        gevolg van ontslag in de proeftijd), zal het eerste WW-recht, inclusief
                        bovenwettelijke uitkering, weer herleven. De duur van de reïntegratietoeslag
                        wordt elke keer opnieuw berekend bij het aangaan van een nieuwe
                        dienstbetrekking waaraan een aanspraak op reïntegratietoeslag kan worden
                        ontleend.</al><al>Lid 5</al><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten die
                        alleen van belang is in situaties waarin er voor een gering aantal uren
                        nieuw werk wordt gevonden. Het gaat dan om een dienstverband van minder dan
                        vijf uur en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren.
                        In zo'n geval is er geen sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de
                        uitkering, zoals op basis van artikel 20, eerste lid, onderdeel b van de WW
                        verwacht kan worden, maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de
                        bovenwettelijke uitkering verminderd met 70% van hetgeen er met die nieuwe
                        werkzaamheden wordt verdiend. Er is in zulke gevallen geen recht op een
                        reïntegratietoeslag. Ook wanneer aan de betrokkene een reïntegratiepremie
                        wordt toegekend (artikel 10a:32), is er geen recht op een
                        reïntegratietoeslag.</al><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet gelijk aan
                        de periode die de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende enlof
                        aansluitende uitkering als hij geen andere functie aanvaard zou hebben. Het
                        gaat in dit geval om driekwart van het aantal gehele jaren dat de betrokkene
                        nog recht gehad zou hebben op een bovenwettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 4</al><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de uitvoeringsinstelling
                        van bepaalde informatie te voorzien. Deze informatie moet maandelijks worden
                        gegeven. Wanneer de betrokkene deze verplichting niet nakomt, kan het recht
                        op reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld, en kan dit recht derhalve
                        niet tot uitkering komen.</al><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene binnen
                        zijn nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel recht op zijn
                        loon behoudt.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling
                        'fulltime is fulltime'. Met andere woorden: een fulltime dienstverband van
                        36 uur wordt qua omvang gelijkgesteld aan een fulltime dienstverband van 38
                        uur. Hierdoor zijn omrekeningen niet nodig.</al><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie (T)</al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het arbeidsproces te
                        stimuleren. Een soortgelijke bepaling kwam eveneens voor in de oude
                        wachtgeld- en uitkeringsregeling. De reïntegratiepremie beoogt de gewezen
                        ambtenaar in de gelegenheid te stellen om door middel van een bedrag ineens
                        zijn werkloosheid geheel op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging
                        van het verzoek geldt derhalve dat de bestemming van het afkoopbedrag kansen
                        moet bieden op een blijvende opheffing van de bestaande werkloosheid. De
                        betrokkene die nog geen recht op een bovenwettelijke uitkering heeft, kan
                        geen recht verkrijgen op een reïntegratiepremie. Dit betekent dat de
                        ambtenaar die aansluitend aan het ontslag gaat werken, niet voor deze premie
                        in aanmerking komt.</al><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling hanteert het criterium 'in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven' als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij
                        de nieuwe werkgever. De zinsnede 'in dezelfde mate' impliceert dat de
                        omstandigheden op de dag voor de werkhervatting bepalend zijn voor de
                        berekeningsbasis. De berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de
                        betrokkene al gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis.
                        Hetzelfde geldt voor een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.
                        Daarentegen heeft een sanctie geen invloed. Wanneer op de dag voor de
                        werkhervatting een uitsluitingsgrond voor het recht op WW van toepassing is
                        (bijvoorbeeld ziekte of vakantie), waardoor het recht op WW en
                        bovenwettelijke uitkering geheel eindigt, kan de reïntegratiepremie pas
                        worden vastgesteld en tot uitbetaling komen als de uitsluitingsgrond is
                        opgeheven.</al><al>10d Voorzieningen bij werkloosheid</al><al> Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid
                        (T)</al><al>Dit hoofdstuk behandelt de verschillende procedures die dienen te worden
                        gevolgd bij boventalligheid of bij ontslag wegens ongeschiktheid. Daarnaast
                        bevat het hoofdstuk bepalingen over de uitkeringen bij werkloosheid of
                        gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In het Cao-akkoord 2011 en 2012 zijn de
                        toen bestaande bepalingen over Van werk naar werk-trajecten bij
                        boventalligheid aangescherpt.</al><al>In dit hoofdstuk zijn nu de procedures opgenomen die gelden voor ontslag
                        wegens andere gronden (artikel 8:8); reïntegratie en ontslag op grond van
                        onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 8:6); reïntegratie en ontslag wegens
                        reorganisatie (artikel 8:3) en ontslag wegens gedeeltelijke (minder dan 35%)
                        arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5). Dit is dan ook uitgedrukt in de
                        werkingssfeerbepaling artikel 10d:1. </al><al>Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de artikelen 8:1, 8:2, 8:4,
                        8:7, 8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) gelden geen bovenwettelijke
                        (uitkerings)rechten. </al><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen worden en
                        ontslagen zijn op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid
                        tussen “worden” en “zijn” ziet op de reintegratiefase voor ontslag (als
                        medewerkers worden ontslagen) en de (uitkerings)rechten na ontslag (als
                        medewerkers zijn ontslagen).</al><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen (T)</al><al>Ad b</al><al>Vóór 1 januari 2016 werd hier het voor hoofdstuk 10d afwijkende
                        bezoldigingsbegrip gedefinieerd. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde
                        hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 is dit gewijzigd in ‘grondslag’ en is daar
                        voor de medewerkers die toen in dienst waren de toelage overgangsrecht
                        hoofdstuk 3 (TOR) aan toegevoegd.</al><al>Ad g werkloosheidsuitkering</al><al> Wanneer ambtenaren na ingang van de werkloosheidsuitkering een baan
                        krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook deze baan weer eindigt,
                        kunnen ambtenaren in aanmerking komen voor een herleving van de
                        werkloosheidsuitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de
                        werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op deze herleefde uitkering.</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken (T)</al><al>LOGA partijen zijn overeengekomen dat de aanpak, zoals vastgelegd in dit
                        hoofdstuk, de basisaanpak wordt voor alle gemeenten, omdat daarmee door
                        middel van wederzijdse inspanningen maximaal geïnvesteerd wordt in het
                        voorkomen van werkloosheid. In lid 1 is bepaald dat lokaal aanvullende
                        afspraken gemaakt mogen worden ten opzichte van de basisaanpak in dit
                        hoofdstuk, mits deze aanpak gevolgd wordt. Er zijn twee soorten aanvulling
                        en mogelijk: aanvullingen met betrekking tot onderwerpen die niet geregeld
                        zijn in dit hoofdstuk en aanvullingen die tot een verruiming leiden van de
                        afspraken in dit hoofdstuk.</al><al>Als er op de in lid 2 genoemde datum een sociaal plan of vergelijkbare
                        afspraak geldt, welke niet voldoet aan de bepalingen in hoofdstuk 10d,
                        bespreken college en vakorganisaties in het GO wanneer tot aanpassing van
                        het lokale beleid zal worden overgegaan.</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8 (T)</al><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen
                        wordt op grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen
                        welke inhoud een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de
                        omstandigheden rond het ontslag te divers. Het ligt echter wel in de rede
                        dat de inhoud, voor zover dat redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de
                        rechten die gelden voor ambtenaren die op grond van artikel 8:3 of 8:6
                        ontslagen worden. Afhankelijk van de omstandigheden ligt opschorting van het
                        ontslag wellicht minder voor de hand. Maar ook voor deze groep ontslagenen
                        geldt dat overstappen van werk naar werk het primaire doel is van de
                        ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van faciliteiten (financieel of
                        anderszins) om de reïntegratie te stimuleren zal daarom vaak onderdeel
                        uitmaken van de ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet te voorkomen zijn,
                        dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als voor de
                        ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6, afspraken
                        te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke
                        uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                        uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het
                        ontslag gemaakt zijn.</al><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het doel van de reïntegratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat eerst
                        nog de reintegratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de
                        toekomst ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum
                        die, gelet op de duur van de reintegratiefase die voor de ambtenaar geldt,
                        mogelijk is. Wanneer voor de ambtenaar een reintegratiefase van 4 maanden
                        geldt, bevat het ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de
                        verzending/overhandiging van het ontslagbesluit. In artikel 10d:7 worden de
                        mogelijkheden genoemd, op grond waarvan het ontslag al eerder dan na afloop
                        van de reintegratiefase kan eindigen. Om die reden moet in het
                        ontslagbesluit worden opgenomen dat het ontslag eerder kan eindigen, indien
                        dat op grond van artikel 10d:7 aan de orde is.</al><al>Als met inachtneming van de artikelen 10d:8 en 10d:9 de reïntegratiefase
                        verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken
                        en worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die
                        verder ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al>Lid 5 </al><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan
                        de noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 8:6
                        voldaan is.</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn opgebouwd,
                        waaruit het college de conclusie heeft getrokken dat de ambtenaar ongeschikt
                        of onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier
                        voldoende is, kan het besluit tot ontslag genomen worden.</al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en
                        de intreding van de reïntegratiefase niet op.</al><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase (T)</al><al>Lid 1</al><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijddienstverband eindigt de
                        reïntegratiefase. Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn
                        oud-medewerkers een plicht om de reïntegratie in de arbeid te bevorderen.
                        Zolang de reïntegratie nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot
                        volledige opheffing van de werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft
                        deze plicht van de gemeente bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om
                        afspraken uit het reïntegratieplan voort te zetten.</al><al>Lid 2</al><al>Tijdens de reïntegratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen
                        die van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden
                        door het college vastgesteld en vastgelegd in het reïntegratieplan. Dit
                        kunnen onder meer afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen
                        en outplacementtraject (zie artikel 10d:10). Wanneer de ambtenaar zich niet
                        houdt aan de gemaakte afspraken, zoals het niet starten van een cursus of
                        onvoldoende sollicitaties verrichten, gaat het ontslag op grond van 8:6
                        eerder in dan pas na afloop van de reïntegratiefase. Uiteraard gelden
                        hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het
                        zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en proportionaliteitsbeginsel (de
                        sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van het gedrag te
                        rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de reïntegratiefase
                        aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de redelijkheid en
                        billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden op grond van
                        artikel 8:13 (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij
                        disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen
                        worden waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:7,de nieuwe
                        ontslagdatum is opgenomen. Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op
                        grond van artikel 8:6 ook zijn welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de
                        aangeboden functie. Als de ambtenaar een functie die aan dergelijke eisen
                        voldoet, niet accepteert, kan eveneens vóór het aflopen van de
                        reintegratietermijn ontslag plaatsvinden op grond van artikel 8:6. Naarmate
                        de reïntegratiefase langer duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid
                        verwacht worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de
                        omstandigheden van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd
                        een functie moet aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2
                        schalen lager.</al><al>Lid 3</al><al>Eerdere beëindiging van de reïntegratiefase leidt tot het vervallen van het
                        recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij
                        moet het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht
                        nemen.</al><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente (T)</al><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                        reïntegratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering
                        en de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan de acties uit
                        het reïntegratieplan houden. Doet het college dit niet, dan wordt de
                        reïntegratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de
                        oorspronkelijke reïntegratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd
                        wordt de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en
                        billijkheid mogelijk is.</al><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
                        (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur,
                        kan zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat
                        zijn WW pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan
                        overstappen, wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker
                        maakt. De verlenging van de reïntegratiefase wordt slechts toegestaan,
                        wanneer de ambtenaar tijdens die fase aan zijn reïntegratie blijft
                        werken.</al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                        reïntegratiefase, wanneer de ambtenaar de reïntegratiefase niet volledig
                        heeft kunnen benutten aan reïntegratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk
                        zijn. Dit kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn.
                        Hierdoor kan het voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de
                        reintegratiefase aan zijn reïntegratieverplichtingen te voldoen. Het college
                        kan dan instemmen met een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als
                        redelijk beschouwd.</al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de reïntegratiefase niet meer
                        aan de voorwaarde dat aan reïntegratie gewerkt moet worden, dan wordt de
                        verlenging gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in.</al><al>Door aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen, die op 1 januari
                        2012 minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met
                        sparen volgens deze regeling.</al><al>Lid 4</al><al>Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de
                        aanstelling of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn.
                        Wanneer tijdens de verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van
                        de reïntegratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze
                        afspraken, wordt voor het aflopen van de verlengde reïntegratiefase het
                        ontslag verleend op grond van artikel 8:6.</al><al>Artikel 10d:10 Reïntegratieplan (T)</al><al>Tijdens de reïntegratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit
                        houdt onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat
                        eerder opbouwde. Wanneer hij tijdens de reïntegratiefase geen werkzaamheden
                        verricht, betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor
                        activiteiten die in het kader van het reïntegratieplan zijn
                        afgesproken.</al><al>Als bij de start van de reïntegratiefase al duidelijk is dat direct na de
                        beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het reïntegratieplan
                        uit het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze
                        functie gaat bekleden. Het reïntegratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt
                        te worden.</al><al>Lid 1</al><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het reïntegratieplan,
                        zodra duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van
                        artikel 8:6 en daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen
                        is. Gemeente noch ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking
                        van beide partijen kan echter de mogelijkheden op het vinden van een baan
                        bespoedigen en dus de kans op het voorkomen van werkloosheid vergroten.</al><al>Het reïntegratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de
                        reïntegratiefase zijn opgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                        reïntegratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs
                        voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen
                        verder gaan dan op grond van reïntegratie noodzakelijk zijn, waardoor de
                        gemeente niet de volledige kosten vergoedt).</al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de
                        gemeente niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag
                        van € 7.500,=, kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook
                        financieel bijdraagt aan de activiteiten uit het reïntegratieplan.</al><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik (T)</al><al>Het toepassingsbereik van paragraaf 5 strekt zich uit over ambtenaren die
                        een dienstverband van 2 jaar of langer bij dezelfde gemeente hebben. In dit
                        licht wijst het LOGA op artikel 10d:3 lid 1.</al><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting (T)</al><al>Dit artikel drukt uit dat een goede uitvoering van het Van werk naar
                        werk-traject de verantwoordelijkheid is van zowel werkgever als
                        ambtenaar.</al><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject (T)</al><al>Een goed te definiëren moment markeert de start van het hele traject. Voor
                        beide partijen moet duidelijk zijn dat vanaf dit moment, dat boventalligheid
                        intreedt, de periode van twee jaar begint te lopen.</al><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek (T) </al><al>In dit artikel worden de inhoudelijke stappen van het Van werk naar
                        werk-traject geregeld. De start is het onderzoek naar wensen en
                        mogelijkheden en arbeidsmarktpotentie, ook buiten de gemeente. Het onderzoek
                        wordt afgerond binnen een maand na de startdatum van het Van werk naar
                        werk-traject. De startdatum is de dag waarop het besluit tot
                        boventalligverklaring in werking is getreden. Het onderzoek kan eerder
                        opgestart worden, als al is voorzien dat boventalligheid aan de orde zal
                        komen. Duidelijk is dat wanneer het onderzoek eerder aanvangt, sneller met
                        de uitvoering ervan kan worden gestart, en de kans van slagen toeneemt. Bij
                        het onderzoek kan een gecertificeerde loopbaanadviseur worden ingeschakeld.
                        Dit kan ook een functionaris zijn die bij de gemeente zelf in dienst is,
                        mits deze aantoonbaar is gekwalificeerd als loopbaanbegeleider.</al><al>Wat betreft de loopbaanadviseur is van belang dat deze voldoet aan de
                        professionele kwaliteitseisen van de beroepsgroep van loopbaanbegeleiders
                        ofwel aantoonbaar daartoe gevolgde opleidingen en/of relevante ervaring
                        heeft.</al><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract (T)</al><al>Na het onderzoek genoemd in artikel 10d:13 wordt een contract gemaakt. Dat
                        is uiterlijk gereed drie maanden na afronding van het onderzoek. Het
                        contract bevat de afspraken tussen werkgever en ambtenaar gericht op het
                        vinden van nieuw werk. Het contract is maatwerk en zal per individu
                        verschillen. Het is van belang concreet alle van belang zijnde afspraken op
                        te nemen. In het artikel is een niet-limitatieve opsomming hiervan
                        opgenomen. Gedurende de looptijd van het contract is de ambtenaar
                        boventallig; ten aanzien van de werkzaamheden die hij gedurende de Van werk
                        naar werk-termijn voor de werkgever verricht dienen daarom ook afspraken te
                        worden gemaakt.</al><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract (T)</al><al>De monitoring en de verslaglegging van de voortgang en evaluatiegesprekken
                        wordt neergelegd bij een nader aan te wijzen persoon of organisatie. Van
                        belang is dat goed wordt toegezien op de uitvoering, voor beide partijen.
                        Het verloop van het Van werk naar werktraject kan immers aanleiding geven
                        tot een verschil in opvatting dat aan een commissie ter toetsing wordt
                        voorgelegd (zie artikel 10d:24). De dossiervorming moet dan op orde
                        zijn.</al><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject (T)</al><al>Een Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Maar deze termijn kan korter
                        zijn als eerder passend of geschikt werk is gevonden. Passend of geschikt
                        werk kan ook werk in deeltijd zijn en/of werk buiten de eigen organisatie of
                        gemeente.</al><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging (T)</al><al>Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend of geschikt werk
                        binnen of buiten de gemeentelijke organisatie weigert, volgt beëindiging van
                        het Van werk naar werk-contract en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag
                        op grond van artikel 8:3 CAR). Partijen leggen in het Van werk naar
                        werk-contract vast welke functies passend dan wel geschikt zijn. Als de
                        ambtenaar een dergelijke functie weigert, eindigt het Van werk naar
                        werk-contract. Afhankelijk van de duur van het Van werk naar werk-traject
                        mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht worden. Op grond van
                        jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval,
                        betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet aanvaarden,
                        waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager of een
                        vergelijkbaar verschil als het een functie buiten de gemeente betreft.</al><al>Hiermee wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk
                        dat het voor de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat
                        wordt ook uitgedrukt door lid 2: als de ambtenaar zich niet houdt aan de
                        afspraken uit het contract, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot
                        ontslag overgegaan. In beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op
                        aanvulling op de werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur (T)</al><al>Het Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Als na verloop van 21
                        maanden geen ander werk is gevonden dient een loopbaanadviseur een advies
                        uit te brengen over een eventueel vervolgtraject. Om een goed advies te
                        kunnen uitbrengen, heeft de loopbaanadviseur in ieder geval inzage in de
                        evaluatieverslagen, en zonodig in andere relevante correspondentie. De
                        loopbaanadviseur moet overwegen of een vervolgtraject een zinvolle stap is,
                        die de kans op ander werk evident doet toenemen. De verwachte ontwikkelingen
                        binnen de organisatie en de arbeidsmarkt van dat moment zijn daarbij
                        relevant.</al><al>De loopbaanadviseur adviseert het college; het college hoeft dit advies niet
                        te volgen.</al><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject (T)</al><al>Als de termijn van 2 jaar voorbij is wordt het Van werk naar werk-traject
                        beëindigd. Er volgt dan, zonder verdere opzegtermijnen of wachttijd, een
                        ontslagbesluit op grond van artikel 8:3 CAR. </al><al>Dat is alleen anders als het college het advies van de loopbaanadviseur tot
                        verlenging volgt.</al><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject (T)</al><al>De mogelijkheid bestaat om het Van werk naar werk-contract te verlengen.
                        Logischerwijs zou dit kunnen voortvloeien uit het advies van de
                        loopbaanadviseur zoals bedoeld in artikel 10d:20, maar ook een zeer reële
                        kans op een andere functie –schriftelijk te bevestigen door de werkgever in
                        kwestie- kan leiden tot verlenging. Een besluit hieromtrent is geheel aan de
                        werkgever. Er kan maar een keer worden verlengd. Het traject wordt
                        definitief beëindigd op de datum waarop het verlengde contract afloopt. Na
                        afloop daarvan volgt het ontslagbesluit op grond van artikel 8:3.</al><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract
                        (T)</al><al>In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen het Van
                        werk naar werkcontract niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen
                        optreden. Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan
                        de afspraken is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt
                        gezocht. Als een gesprek niet leidt tot een oplossing volgt een
                        ingebrekestelling: de partij die vindt dat de ander niet doet wat is
                        afgesproken in het contract stelt de ander hiervan schriftelijk in kennis.
                        Voor de gemeente kan dit leiden tot beëindiging van het contract en een
                        ontslag. Dat is beschreven in artikel 10d:19 bij tussentijdse beëindiging.
                        Voor de ambtenaar betekent dit dat hij kan eisen dat het Van werk naar
                        werk-contract wordt verlengd met de periode waarin het gebrek is opgetreden.
                        Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de situatie dat een loopbaancoach
                        afwezig is waardoor afgesproken gesprekken niet hebben plaatsgevonden. Deze
                        worden dan als het ware ingehaald. Uitgangspunt is dat ook in deze fase
                        werkgever en ambtenaar er samen uitkomen. Maar als dat niet lukt, kan de
                        paritaire toetsingscommissie om advies worden gevraagd.</al><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie (T)</al><al>Dit artikel regelt de positie van de paritaire toetsingscommissie. De
                        commissie is paritair. Gemeenten die al een dergelijke paritaire commissie
                        hebben kunnen de bestaande commissie aanwijzen. Het college moet een
                        reglement vaststellen waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van
                        de commissie worden vastgelegd. De LOGA partijen hebben een voorbeeld
                        reglement opgesteld.</al><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering (T)</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Wanneer de reïntegratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich
                        niet heeft gehouden aan de afspraken die in het reïntegratieplan zijn
                        neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al>Lid 1, sub b</al><al>Wanneer het Van werk naar werk-traject eerder is geëindigd, omdat de
                        ambtenaar zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het Van werk naar
                        werk-contract zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Lid 1, sub c</al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                        werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan
                        bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met
                        vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen
                        aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen
                        dan tegelijk aan, na de vakantie.</al><al>Lid 2</al><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                        werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of
                        sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                        procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer
                        informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt
                        ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 10d:26) en
                        ter controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel
                        10d:28).</al><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</al><al>In artikel 10d:2 is de grondslag gedefinieerd, die nodig is voor de
                        berekening van de aanvullende uitkering.</al><al>De hoogte van de uitkering is gedurende de twee fases verschillend. De
                        genoemde bedragen zijn de feitelijke beloning (salaris vermeerderd met de
                        toegekende salaristoelage(n). Hiermee wordt dus niet de voltijdsbeloning
                        bedoeld, die omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de
                        medewerker. Dus ook een medewerker die met een functie voor 30 uur per week
                        € 5.500,= aan salaris en toegekende salaristoelagen ontvangt, krijgt
                        gedurende de eerste fase een aanvullende uitkering van 30% daarvan en
                        gedurende de tweede fase een aanvullende uitkering van 20% van dat bedrag.
                        De zinsnede “naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is”
                        houdt in dat indien iemand een arbeidsduur had van 36 uur, waaruit hij voor
                        18 uur is ontslagen hij een aanvullende uitkering ontvangt van 10%,
                        respectievelijk 20% of 30% maal 18/36. Als deze persoon vervolgens een baan
                        aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij een aanvullende uitkering van
                        10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 zijn salaris vermeerderd met de
                        toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</al><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de
                        datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet
                        beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de
                        aanvullende uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na
                        dag van ingang van de WW-uitkering.</al><al>Artikel 10d:28 Sancties (T)</al><al>Lid 1</al><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie
                        op de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3
                        maanden een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de
                        duur van 3 maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering
                        voor bijvoorbeeld 6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende
                        uitkering voor 6 maanden. Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn
                        verplichtingen (die grotendeels gericht zijn op werkhervatting) op grond van
                        de Werkloosheidswet na te komen.</al><al>Lid 3</al><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van
                        het recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling
                        en is afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot
                        de sanctie die door UWV is opgelegd.</al><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering (T)</al><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond van de
                        Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de
                        WW-uitkering eindigt.</al><al>Herleving aanvullende uitkering</al><al>Omdat de werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van
                        de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                        arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering,
                        wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft.</al><al>Omdat de duur van de aanvullende uitkering van één jaar gekoppeld is aan de
                        dag van ontslag, geldt de herleving van de eerste fase van de aanvullende
                        uitkering alleen wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12
                        maanden na de ingangsdatum van ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet
                        opgeschort met de periode, waarin geen werkloosheidsuitkering is ontvangen.
                        Gedurende de resterende tijd van de werkloosheidsuitkering wordt de hoogte
                        van de tweede fase uitbetaald.</al><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van
                        werkloosheid, zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze verwijzing
                        naar werkloosheid, als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven
                        aan dat het moet gaan om een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of
                        arbeidsovereenkomst bij de gemeente.</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van
                        gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie
                        www.uwv.nl;zoeken op poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter
                        bepaling van de hoogte van de na-wettelijke uitkering (artikel 10d:31) en
                        het door de gemeente te voeren sanctiebeleid (zie artikel 10d:34).</al><al>Lid 2</al><al>Bij -ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6) ontstaat
                        alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in
                        omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen
                        schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid.</al><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Lid 2</al><al>In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos is,
                        zijn na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald. De
                        na-wettelijke uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van
                        werkloosheid.</al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een functie
                        van 20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke uitkering voor
                        de resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een werkloosheid resteert van
                        minder dan 5 uur, is de werkloosheid beëindigd en eindigt de na-wettelijke
                        uitkering (zie definitie werkloosheid en artikel 10d:18).</al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als zelfstandige
                        verminderen de werkloosheid. Of iemand minder dan 36 uur werkloos is, is af
                        te leiden uit de gegevens over werkzaamheden (bijvoorbeeld salarisstroken).
                        In artikel 10d:15 is opgenomen dat de ambtenaar alle gegevens moet
                        overleggen die van belang zijn voor het bepalen van het recht op
                        nawettelijke uitkering. Hiertoe behoren dus ook salarisstroken en
                        arbeidsovereenkomsten.</al><al>Lid 3</al><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer verdient
                        dat hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een bepaling opgenomen,
                        waaruit voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de na-wettelijke uitkering
                        nooit meer kan bedragen dan 90% van het oude salaris vermeerderd met de
                        toegekende salaristoelage(n)d.</al><al>Voorbeeld</al><al>Iemand werkte 36 uur en verdiende € 2000,=. De na-wettelijke uitkering
                        bedraagt 70% hiervan; dit is € 1400,=. Hij krijgt tijdens de periode van de
                        na-wettelijke uitkering een baan voor 18 uur. Hiermee resteert een
                        werkloosheid voor 18 uur. Met zijn nieuwe baan gaat hij €1500,= verdienen.
                        Zijn uitkering zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,= bedragen.
                        Samen met de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op €
                        2200,=. Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is €
                        1800,=. Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt nog een
                        na-wettelijke uitkering van € 400,=.</al><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                        gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering voor
                        de duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Lid 2</al><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5 uur of
                        meer dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week verliest.
                        Als door werkhervatting een werkloosheid resteert van minder dan 5 uur (of
                        minder dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week) eindigt
                        de werkloosheid en eindigt de na-wettelijke uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering
                        wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in
                        werking getreden op 15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op
                        de ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de
                        ex-ambtenaar die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel
                        8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke
                        uitkering.</al><al>Artikel 10d:35 Afkoop (T)</al><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het college
                        kan echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van de
                        na-wettelijke uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden en de
                        hoogte van het afkoopbedrag.</al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag,
                        vallen partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                        ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</al><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                        ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie aanvaardt,
                        waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit, zoals deze door
                        UWV is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke functie buiten de
                        organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan ontslag op grond van artikel
                        8:5 plaatsvinden. Is dat het geval dan ontvangt de ambtenaar, zolang hij
                        arbeid heeft waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit kan
                        voorzien, een bijzondere uitkering.</al><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht (T)</al><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar
                        die</al><al>§ op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20
                        dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al><al>§ die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt.</al><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de overgangsuitkering
                        overeenkomt met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit
                        hoofdstuk tot 1 juli 2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening
                        hiervan voor gemeenten gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude
                        berekeningsduur van de aansluitende uitkering omgezet in een formule, die in
                        het tweede lid, is opgenomen. Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder
                        hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren die op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen
                        worden, krijgen dus recht op een reïntegratiefase of een Van werk naar
                        werk-traject. Mocht daarna sprake zijn van werkloosheid, dan geldt slechts
                        ten aanzien van de duur van de uitkering na afloop van de WW een
                        uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit overgangsrecht is
                        overeengekomen. De overgangsuitkering eindigt op de eerste van de maand
                        volgend op die waarin betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt
                        (artikel 10d:33). </al><al>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met
                        op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </al><al>Hoofdstuk 10e Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>11 Uitkeringsregeling ontslag</al><al>Artikel 11 Uitkeringsregeling ontslag (T)</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 11:1 Betrokkene (T)</al><al>Voor een toelichting op artikelen die gelijkluidend zijn aan die van
                        hoofdstuk 10 (wachtgeld), wordt daarnaar verwezen.</al><al>Algemeen</al><al> De omschrijving dat aan de ambtenaar ontslag moet zijn verleend, impliceert
                        dat het einde van een tijdelijke urenuitbreiding geen recht geeft op een
                        uitkering. Immers, er is geen sprake van ontslag. Dit is anders wanneer deze
                        urenuitbreiding, die in de vorm van een brief kan worden meegedeeld, de vorm
                        krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na afloop van deze aanstelling
                        ontstaat wel recht op een uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering
                        toe te kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en
                        eventueel de levenspartner) wil volgen die genoodzaakt is elders een
                        betrekking te aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de
                        Centrale Raad van Beroep die uitwijst dat de weigering in dergelijke
                        situaties een recht op uitkering toe te kennen, in alle gevallen is
                        gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing medisch noodzakelijk is in verband met
                        de gezondheid van de echtgenoot, is er aanleiding een uitkering toe te
                        kennen. Dit is een omstandigheid waarop betrokkenen geen invloed kunnen
                        uitoefenen.</al><al>Artikel 11:6 Recht op uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is
                        aan de zogenaamde toegangs-eis. In het jaar voorafgaand aan het ontslag
                        dient betrokkene tenminste gedurende 26 weken werkzaam te zijn geweest als
                        werknemer in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige,
                        tellen dus niet mee. In dit verband wordt een week als een gewerkte week
                        aangemerkt, indien ten minste op één dag per week is gewerkt, ongeacht het
                        aantal uren. Deze toegangseis, afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels
                        per 1 maart 1995 verzwaard, maar die verzwaring wordt in ieder geval voor 1
                        januari 1998 niet overgenomen in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij
                        het vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet
                        alleen om werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking waaruit ontslag
                        volgt, maar ook om werkzaamheden die zijn verricht in een dienstbetrekking
                        waarvoor de betrekking waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let
                        wel, hierbij kan het ook gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn
                        verricht voorafgaand aan indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                        waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de toegangseis is voldaan,
                        moge het volgende voorbeeld illustreren. Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan
                        vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                        betrokkene een tweede deeltij dbaan vervullen van 16 uur voor de duur van
                        drie maanden. Aan deze baan is geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken
                        van de termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een uitkering,
                        betrokkene is in deze functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De
                        weken waarin is gewerkt in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen
                        niet mee. Deze tijd telt uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de
                        toegangseis voldaan is op het tijdstip dat de deeltij dbetrekking van 20 uur
                        eindigt. Gewerkte weken tellen dus slechts éénmaal mee.</al><al>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte (T)</al><al>Lid 3</al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                        werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de verwijzing naar
                        hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing zijn. Hierbij gaat het
                        om de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de
                        tekst van hoofdstuk 7, zoals dat luidde op 31 december 2000, apart te
                        bewaren.</al><al>Artikel 11:18 Samenloop (T)</al><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar,
                        ter hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit
                        betekent dat de periode gedurende welke een ziekte-uitkering is genoten, bij
                        de oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><al>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
                        (T)</al><al>Algemeen </al><al>Dit artikel geldt slechts ten aanzien van degene aan wie uitsluitend een
                        uitkering voor de periode van zes maanden is toegekend. In afwijking van het
                        reguliere systeem van de verrekening van neveninkomsten, geldt in dit geval
                        dat het recht op uitkering vervalt en herleeft in de situatie dat spoedig
                        opnieuw werkloosheid optreedt nadat betrokkene bijvoorbeeld als
                        uitzendkracht heeft gewerkt.</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met
                        ingang van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht opnieuw voor
                        de resterende duur wordt toegekend met ingang van de dag dat opnieuw
                        werkloosheid ontstaat. Van belang is dat het begrip "beëindiging van de
                        werkloosheid" zodanig is omschreven dat bij het aanvaarden van een
                        tijdelijke dienstbetrekking eerst van beëindiging van de werkloosheid sprake
                        is indien gedurende een periode van een maand gewerkt is. Daarbij moet het
                        gaan om een betrekking bij eenzelfde werkgever en met ten minste de omvang
                        van de betrekking waaruit ontslag volgde. Dit betekent dat gedurende de
                        eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een uitkering een tijdelijke
                        betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering worden verrekend. Pas na
                        een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                        meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer herleeft wanneer
                        bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van
                        de uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is van een situatie van
                        werkloosheid.</al><al>11a Suppletie</al><al>Artikel 11a Suppletie (T) </al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de
                        met dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de
                        overige hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit
                        hoofdstuk; dat is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                        verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de
                        CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Per 1 januari 1996 heeft het burgerlijk overheidspersoneel in geval van
                        arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 31 van de Wet privatisering ABP
                        (WPA) recht op een uitkering conform de Wet op de
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Per die datum is het
                        herplaatsingswachtgeld ingevolge hoofdstuk K van de ABP-wet komen te
                        vervallen. Voor het herplaatsingswachtgeld is de suppletieregeling in de
                        plaats gekomen. De suppletieregeling draagt het karakter van een
                        werkloosheidsregeling. Vooruitlopend op het moment dat het
                        overheidspersoneel onder de werking van de werknemersverzekeringen zal
                        worden gebracht, de zogenaamde OOW-operatie, is bij de suppletieregeling
                        reeds zoveel als uitvoeringstechnisch mogelijk aangesloten bij de WW. De
                        lasten van de suppletieregeling worden gedragen door de overheidswerkgever
                        zelf.</al><al>Lid 1</al><al>onderdeel b</al><al>Artikel 11a:1 bevat de definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip "arbeidsongeschiktheidsuitkering" is in deze
                        suppletieregeling elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van
                        arbeidsongeschiktheid bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de WAO-conforme
                        uitkering, de WAO-uitkering, de uitkering ingevolge de Algemene
                        Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de uitkering op grond van artikel 7:11
                        van de CAR. Ook uitkeringen van buitenlandse mogendheden of van de
                        Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip vallen.</al><al>Lid 1</al><al>onderdeel d</al><al>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt gevormd door de
                        overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij een
                        gemeente op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid
                        wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80%
                        arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende
                        verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen.
                        Ingevolge de systematiek van de WAO wordt namelijk de mate van
                        arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond van het resterend verdienvermogen
                        dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene één of meer aangehouden
                        betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus altijd minder dan
                        80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is echter bedoeld
                        voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de
                        dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van ongeschiktheid voor
                        de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen
                        minder dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de
                        definiëring, eveneens recht op suppletie. Met de omschrijving dat de
                        betrokkene overheidswerknemer is, bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt
                        niet beoogd een andere omschrijving te geven dan die van het ambtenaar schap
                        in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde op 31 december 1995.</al><al>Lid 1</al><al>onderdelen g en h</al><al>Het dagloon in de zin van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de
                        zin van de WAO met een bepaalde correctie. Allereerst wordt het dagloon in
                        de zin van de WAO vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal.
                        Daarnaast wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten
                        verzekerd zijn ingevolge een particuliere ziektekostenverzekering de
                        werkgeversbij drage in die ziektekostenverzekering in mindering gebracht op
                        het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de
                        werkgever dient van het WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie anders niet gelijk zou zijn aan de
                        berekeningsgrondslag van het vroegere herplaatsingswachtgeld, de
                        laatstgenoten bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                        ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, meestal het IZA,
                        is het niet nodig om bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie, het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen
                        met de tegemoetkoming van de werkgever in een particuliere
                        ziektekostenverzekering van betrokkene. In deze gevallen wordt bij de
                        vaststelling van het dagloon in de zin van de WAO reeds rekening gehouden
                        met de werkgeversbijdrage.</al><al>Lid 1</al><al>onderdeel h</al><al>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover het
                        toegerekend kan worden aan de betrekking waaruit betrokkene met recht op
                        suppletie is ontslagen. In tegenstelling tot de WAO-conforme uitkering
                        ingevolge de WPA, is het recht op suppletie immers aan die enkele betrekking
                        gekoppeld.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk
                        11a niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk
                        ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming en
                        de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het
                        kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt
                        door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                        bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen.</al><al>Artikel 11a:2 Recht op suppletie (T)</al><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor
                        de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag op
                        genoemde grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie artikel
                        8:5, tweede lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan
                        na die 24 maanden. De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld
                        in artikel 11a:6. Zoals bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale
                        uitkeringsduur 66 maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde periode
                        van 24 maanden. Na ommekomst van de maximale uitkeringsduur, eindigt het
                        recht op suppletie. Dat is nadat 90 maanden zijn verstreken sedert de
                        aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Vergelijk artikel 11a:5,
                        onderdeel a.</al><al>Artikel 11a:3 Recht op suppletie (T)</al><al>Algemeen </al><al>Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een verplichtingen- en
                        sanctieregime dat overeenkomt met de WW. De toepassing van dat sanctieregime
                        ten aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                        bestuursorgaan.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip "passende arbeid" in de
                        zin van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig uitgebreid dat het
                        mede gangbare arbeid omvat. De definitie van gangbare arbeid is eveneens in
                        dit lid gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de
                        betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding
                        is een gevolg van het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig
                        onderzoek te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die
                        ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiertoe
                        onderzoekt de werkgever eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in
                        een functie met passende arbeid. Indien die mogelijkheid zich niet voordoet
                        doch minimaal na afloop van het eerste ziekte j aar onderzoekt hij of de
                        mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met gangbare arbeid. Dit
                        uitgangspunt betekent dat de betrokkene op het moment dat het recht op
                        suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan, reeds een jaar lang verplicht
                        is geweest aangeboden gangbare arbeid te accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                        betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog)
                        niet verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder bovengenoemde
                        uitbreiding van het begrip "passende arbeid" zou de ongewenste situatie
                        kunnen ontstaan dat een betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar
                        vóór zijn ontslag, gehouden is gangbare arbeid te aanvaarden en dat hij
                        zich, als hij vervolgens na zijn ontslag suppletie geniet, in mindere mate
                        beschikbaar hoeft te houden voor de arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met passende
                        arbeid in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele
                        weigering van gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime
                        van de WW, en dus suppletieregeling, valt. De weigering van gangbare arbeid
                        wordt derhalve betrokken bij het bepalen van het recht op suppletie. Wanneer
                        er op deze wij ze sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie
                        blijvend geheel danwel tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd
                        of kan de suppletieduur worden beperkt.</al><al>Artikel 11a:4 en 11a:5 Recht op suppletie (T)</al><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op
                        suppletie ingevolge artikel 11a:4 en het beëindigen van dat recht op grond
                        van artikel 11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt in het
                        eerstgenoemde geval nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie
                        worden overgegaan, zodra de in artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde
                        omstandigheid zich niet meer voordoet en er op dat moment nog suppletieduur
                        resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                        11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de
                        systematiek van de WAO (-conforme) uitkering kan iemand ook bij een
                        arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter, tijdelijk een
                        verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Wanneer die mate van
                        arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt vastgesteld op een lagere
                        klasse, zou de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit
                        wordt onredelijk geacht.</al><al>Voor wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de
                        huidige situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld wanneer
                        de herplaatsingstoelage wordt beëindigd. Die vangnetfunctie wordt nu
                        voortgezet in artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><al>Artikel 11a:7 Suppletie (T)</al><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De
                        "klok" van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24
                        maanden onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag
                        heeft plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend
                        op een latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen
                        periode in mindering gebracht op de totale uitkeringsduur van de suppletie.
                        De betrokkene geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een
                        kortere periode 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer
                        hij zou zijn ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens
                        ziekte ongeschikt was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt
                        betrokkene ontslagen op een moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden
                        heeft geduurd dan heeft hij geen recht meer op 80% van de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie, maar alleen nog op 70% van die
                        berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 11a:8 Suppletie (T)</al><al>Algemeen</al><al>In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot uiting dat de suppletieregeling een
                        aanvullend karakter heeft. Indien de betrokkene gedurende de periode dat de
                        suppletie tot uitbetaling komt, ter zake van het dienstverband waaruit hij
                        is ontslagen recht heeft op één of meer wettelijke of bovenwettelijke
                        uitkeringen ter zake van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, wordt het
                        bedrag van genoemde uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de
                        suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een Waz-uitkering ontvangt. De
                        suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en voor zover het bedrag aan
                        suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde wettelijke en
                        bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde TBA-hiaat
                        in de vervolguitkeringsfase van de WAO (-conforme) uitkering of bij
                        expiratie van de uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                        suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                        betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt.
                        Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op
                        suppletie, worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter
                        later meer inkomsten gaat genereren uit die "oude" inkomstenbronnen dan ligt
                        het in de rede dat meerdere wordt verrekend met de suppletie, ook wat
                        betreft inkomsten uit of in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen
                        in artikel 11a:9.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op
                        het ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                        ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                        verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter
                        zake waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het
                        arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8, tweede lid, dient
                        dat meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht
                        op het bedrag van de suppletie.</al><al>Artikel 11a:9 Suppletie (T)</al><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                        verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste
                        lid, opgenomen anticumulatieregeling. Betrokkene heeft bij inactiviteit een
                        garantieniveau van 80% onderscheidenlijk 70% van de berekeningsgrondslag van
                        de suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of
                        bedrijf inkomsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op.
                        Wanneer hij zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend
                        verdienvermogen volledig benut, heeft hij recht op een herplaatsingstoelage
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP. Zolang hij die herplaatsingstoelage
                        ontvangt, komt zijn recht op suppletie niet meer tot uitbetaling (zie
                        artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer hij zijn werkloosheid gedeeltelijk
                        opheft, behoeft de suppletiegarantie niet meer voor dat gedeelte te gelden.
                        De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel op de volgende wijze:
                        (berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                        ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag van
                        de suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake
                        kan zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen
                        zijn, is het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
                        welke in de plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf, ter hand genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in
                        het eerste lid.</al><al>Artikel 11a:10 Suppletie (T)</al><al>Een vermindering in het niveau van de onderliggende wettelijke en/of
                        bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                        suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie. Dit effect is echter
                        ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende
                        uitkeringen wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom
                        vastgelegd dat sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of
                        bovenwettelijke uitkeringen niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie.
                        In geval van sancties worden de wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen
                        voor de toepassing van de artikelen 11a:8 en 11a:9 steeds geacht
                        onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al><al>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie (T)</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de
                        OOW-operatie zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen
                        zijn geredigeerd conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie (T)</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de
                        OOW-operatie zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen
                        zijn geredigeerd conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten (T)</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de
                        OOW-operatie zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen
                        zijn geredigeerd conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de
                        OOW-operatie zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen
                        zijn geredigeerd conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften (T)</al><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                        eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van een
                        doelmatige controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van dit
                        soort regels zijn regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene
                        het bestuursorgaan dient te informeren over neveninkomsten, sollicitaties en
                        inschrijving bij het RBA, alsmede met betrekking tot de wijze waarop de
                        betrokkene zich ziek dan wel hersteld dient te melden. Onder deze nadere
                        regels kunnen bijvoorbeeld ook regels worden gevat die de betrokkene
                        voorschrijven om gedurende de ziekteperiode tijdens de duur van de suppletie
                        op bepaalde tijdstippen thuis te zijn.</al><al>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte (T)</al><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                        december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld in de
                        zin van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat de duur van
                        het door de betreffende persoon genoten herplaatsingswachtgeld wordt omgezet
                        in een nog resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in
                        het eerste en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om
                        het herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te
                        converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt voor wat betreft
                        hoogte, duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het tweede lid
                        opgenomen tabel betreffende de hoogte en de duur, heeft genoemde
                        ongelijksoortigheid er onder andere toe geleid dat de tabel op drie plaatsen
                        niet lineair verloopt. Daar staat tegenover dat de pensioenopbouw gedurende
                        de duur van de suppletie 100% is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld
                        25% en onder bepaalde voorwaarden 50% was.</al><al>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte (T)</al><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari
                        1996 de conversie dient plaats te vinden van de berekeningsgrondslag van de
                        bezoldiging of uitkering wegens ziekte van degene die op dat moment 52 weken
                        of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens
                        mate van algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten
                        minste 15 procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                        ministeriele regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is
                        vastgesteld op ten minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de
                        suppletieregeling is bepaald dat voor degene die op 1 januari 1996 recht had
                        op een dergelijke bezoldiging of uitkering wegens ziekte, dat
                        "geconverteerde" dagloon zal gelden als berekeningsgrondslag voor de
                        suppletie, in het geval dat hij binnen een periode van zes maanden aanspraak
                        krijgt op suppletie.</al><al>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen (T)</al><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg
                        treden indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door
                        wijziging als gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen
                        neerwaartse wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal
                        staan op welke wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen
                        omgaan met die algemeen neerwaartse wijzigingen. Voor het geval dat overleg
                        niet tot overeenstemming heeft geleid binnen een periode van zes maanden na
                        de datum van publikatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die
                        algemeen neerwaartse wijzigingen, geldt het volgende. In dat geval worden
                        die algemeen neerwaartse wijzigingen effectief ten aanzien van de
                        suppletieregeling vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                        inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder.</al><al>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen (T)</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                        arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007 onder de
                        bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is,
                        heeft hij na ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007
                        recht op een WW-uitkering en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk
                        10a.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 wordt ontslagen wegens
                        arbeidsongeschiktheid en die voor 80% of meer arbeidsongeschikt is, heeft
                        geen recht op suppletie. Indien betrokkene wordt afgeschat, heeft hij dus
                        niet alsnog aanspraak op suppletie. Betrokkene valt onder de bovenwettelijke
                        regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                        ABP.</al><al>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</al><al>Artikel 12:1 Algemene bepalingen (T)</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de
                        organisaties van overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen
                        belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
                        regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd; een en ander
                        voor zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd. Bedoeld
                        overleg vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.) of via de
                        hoorbepaling (zie bijlage III).</al><al>Lid 1</al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O.
                        niet alleen bevoegd is voor alle ambtenaren maar evenzeer voor de mensen die
                        werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Het al dan niet
                        representatief zijn is een beslissing die op lokaal niveau genomen wordt. Op
                        deze wijze kan rekening gehouden worden met lokale organisaties van
                        ambtenaren.</al><al>Lid 4</al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het -in
                        afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling- mogelijk maakt
                        om de vertegenwoordigers van genoemde organisaties die op 1 juli 1998
                        zitting hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te laten
                        deelnemen. Deze tijdelijke oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor
                        de stemverhouding in de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                        vertegenwoordigde personeelsleden.</al><al>Artikel 12:1:1 Samenstelling (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de portefeuillehouder
                        personeel en organisatie aan. Het is ook mogelijk dat naast deze
                        vertegenwoordiger van de werkgever een tweede collegelid wordt toegevoegd.
                        In artikel 12:1:3 en 12:1:7 is de ambtelijke ondersteuning geregeld.</al><al>Lid 2</al><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal ambtenaren
                        worden bepaald dat lid van een organisatie moet zijn om die organisatie tot
                        het overleg toe te laten. Het gaat hier om de representativiteit van de
                        organisatie Voor de bepaling van het minimum zijn geen vaste regels te
                        geven. Het kan, behalve van lokale omstandigheden, afhankelijk zijn van het
                        aantal medewerkers en van hun organisatiegraad.</al><al>Artikel 12:1:2 Samenstelling (T)</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele
                        zin zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de detachering langer duurt
                        dan bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor de hand het lidmaatschap op te
                        geven Een dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel kunnen
                        worden afgesproken.</al><al>Artikel 12:1:3 Samenstelling (T)</al><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als
                        secretaris aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is
                        belast. Het valt af te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die
                        immers de voorzitter is van het overleg met de ondernemingsraad. Het is
                        beter om die rollen te scheiden. De secretaris van het overleg kan
                        voorzitter zijn van het zogenaamde informeel of technisch overleg, dat het
                        georganiseerd overleg voorbereidt.</al><al>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</al><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO indien
                        gemeenten zich daarvoor hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau van een in
                        het LOGA afgesproken wijziging niet kan worden afgeweken, volstaat een
                        mededeling van de wijziging. Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt
                        (zie bijlage III bij CAR en UWO) geldt dat wijzigingen van CAR en/of UWO
                        niet ter kennis van de centrales behoeven te worden gebracht.</al><al>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</al><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                        ondernemingsraad ligt. Het besluit tot reorganiseren moet in eerste
                        instantie, conform artikel 25 van de WOR, voor advies aan de
                        ondernemingsraad worden voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en het
                        gemeentebestuur een besluit heeft genomen, komt het GO in beeld. Het GO
                        spreekt zich uit over de personele gevolgen van het besluit. Als regel zijn
                        die gevolgen neergelegd in een sociaal statuut. Het toezicht op de
                        uitvoering van het sociaal statuut is weer een zaak voor de
                        ondernemingsraad. Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg dat
                        het bevoegd gezag er verstandig aan doet om beide organen in alle fasen te
                        informeren over zijn voornemens. Dat maakt het mogelijk dat GO en de
                        ondernemingsraad elkaar beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar afstemmen.
                        Dat kan de kwaliteit van het proces en het draagvlak van de besluiten alleen
                        maar vergroten.</al><al>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden (T)</al><al>Lid 1</al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                        besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in aanmerking komen. Dit
                        spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van overleg op sectoraal (=LOGA-)
                        niveau en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op gemeentelijk
                        niveau plaats te vinden (de grootste vier gemeenten hebben een afwijkende
                        rechtspositie). Voldoende is om het G.O. te informeren. In het geval een
                        gemeente zich heeft aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken
                        hierover worden op LOGA-niveau gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een
                        gemeente die zich daarentegen niet voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de
                        onderwerpen in de UWO behoren tot het "lokale domein": in de commissie G.O.
                        dient over deze onderwerpen overleg plaats te vinden. Uit het eerste lid
                        volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over individuele kwesties wordt
                        gesproken.</al><al>Lid 2</al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de "UWO-gemeenten"
                        opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het
                        overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de "niet-UWO-gemeenten"
                        dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te komen.</al><al>Lid 3</al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling
                        zijn in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen. Een "niet-UWO-gemeente"
                        dient over deze nadere regels in de commissie G.O. overleg te voeren. In de
                        commissie G.O. dient in dat geval tevens gesproken te worden over het al dan
                        niet deelnemen aan de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><al>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden (T)</al><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige
                        formulering van het overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een formulering
                        voor het overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd. Hiermee wordt invulling
                        gegeven aan het begrip "gevoelen" uit het artikel. In de LOGA-brief van 7
                        juni 1994, Lbr. 94/152, is aangegeven dat, wanneer het in de gemeente van
                        toepassing zijnde overeenstemmingsvereiste bevredigend functioneert, dit
                        gehandhaafd kan worden. Waar het overeenstemmingsvereiste niet is
                        geformuleerd of waar het niet bevredigend functioneert, is aan de gemeenten
                        in de genoemde LOGA-brief een keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die
                        respectievelijk een brede (voorkeur van de vakbonden) en een beperktere
                        (voorkeur van het College voor Arbeidszaken) invulling aan het vereiste
                        geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: "Invoering of wijziging van aangelegenheden
                        van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van
                        de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd,
                        vindt niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de
                        centrales van overheidspersoneel".</al><al>Formulering 2 luidt: "Invoering, intrekking of wijziging van een regeling
                        welke verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan
                        individuele ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan nadat
                        daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                        overheidspersoneel".</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 "de
                        algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd" wel
                        onder het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2 niet. Concreet
                        betekent dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de inrichting van
                        het personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie, het
                        personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                        overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze
                        regelingen voortvloeiende rechten en plichten voor individuele ambtenaren.
                        In formulering 1 vallen de onderwerpen als zodanig onder het
                        overeenstemmingsvereiste, en natuurlijk de regelingen die daaruit
                        voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie en
                        de griffiemedewerkers betreffen, moeten nog steeds door de gemeenteraad
                        worden genomen respectievelijk aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Alleen
                        in de situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd aan
                        het college, is het college het bevoegde orgaan.</al><al>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden (T)</al><al>Lid 2</al><al>De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang
                        die specifiek de rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers
                        betreffen. De griffier kan op grond van artikel 12:2:7, tweede lid, de
                        vergadering bijwonen en deelnemen aan de besprekingen.</al><al>Lid 3</al><al>Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen.
                        Besluiten moeten passen binnen het mandaat dat men heeft; dat geldt voor
                        beide zijden Wanneer het mandaat onvoldoende is om tot overeenstemming te
                        komen, moeten partijen terug naar hun achterban.</al><al>Artikel 12:2:5 Vergaderingen (T)</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                        teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld
                        hiervan was dat tijdens de acties in 1993 de centrales het overleg in alle
                        GO's opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n geval in het
                        geheel geen besluiten meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede
                        vergadering niet ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging
                        aanwezig is, kunnen de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een
                        standpunt voorzien worden Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin
                        besluitvorming plaatsvinden Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin
                        uitstel niet mogelijk is en de andere partij nadrukkelijk op de gevolgen van
                        hun handelwijze gewezen is.</al><al>Artikel 12:2:7 Vergaderingen (T)</al><al>Lid 4</al><al>Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om
                        de raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter bespreking
                        voorligt, met name als dit raakt aan door de raad gestelde beleidsmatige of
                        financiële kaders.</al><al>Artikel 12:2:9 Vergaderingen (T)</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                        bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de vergadering.
                        Voor het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers zijn aangewezen is deze
                        bepaling noodzakelijk.</al><al>Lid 3</al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                        enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet
                        in de situatie waarin een organisatie meer leden in de gemeente heeft dan de
                        andere organisaties gezamenlijk.</al><al>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie (T)</al><al>Bij de Advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997 circa
                        400 gemeenten aangemeld. De LAAC is te bereiken via het secretariaat van het
                        College voor Arbeidszaken, Postbus 30435, 2500 GK Den Haag.</al><al>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie (T)</al><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en
                        arbitragecommissie wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken,
                        gehoord het Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen. De
                        andere helft wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><al>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</al><al>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</al><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO)-uitkeringen wordt uitgebreid
                        met de eindejaarsuitkering. De invoering van de eindejaarsuitkering per 1
                        januari 1997 betekent dat deze uitkering per genoemde datum maandelijks
                        wordt opgebouwd Deze ingangsdatum van de eindejaarsuitkering brengt met zich
                        dat, nu de berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)- uitkeringen met
                        deze uitkering wordt uitgebreid, deze uitbreiding betrekking heeft op alle
                        op 1 januari 1997 toegekende wachtgelden en (FLO)-uitkeringen.</al><al>14 Medezeggenschap</al><al>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers (T)</al><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de
                        Ondernemingsraden wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet op de
                        ondernemingsraden (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en
                        commissieleden redelijkerwijs nodig hebben voor hun medezeggenschapswerk. In
                        het convenant spreken WOR-bestuurder en OR af hoe de individuele leden in
                        staat worden gesteld deze tijdsbesteding te combineren met hun functie.
                        Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is. Mogelijkheden hiertoe zijn
                        onder meer herverdeling van werkzaamheden indien noodzakelijk in combinatie
                        met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de organisatorische
                        eenheid waar het OR-lid werkzaam is. Een andere mogelijkheid is met
                        gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het verruimen van de arbeidsduur van
                        individuele OR-leden tot maximaal 40 uur per week, als de bezetting van de
                        afdeling in relatie tot het werk dat nodig maakt.</al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het
                        (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in
                        het convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk om voor lange tijd
                        achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.</al><al>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                        (T)</al><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                        verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een
                        collectieve arbeidsvoonvaardenregeling of een publiekrechtelijke regeling
                        van arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel
                        2 van de WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor onderdelen van
                        gemeenten, waar met toepassing van artikel 4 van de WOR is besloten in het
                        belang van een goede toepassing van de WOR voor die onderdelen een eigen OR
                        in te stellen.</al><al>15 Overige rechten en verplichtingen</al><al>Artikel 15:1 Verplichtingen (T)</al><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                        heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige betekenis.
                        Overtreding ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan geeft artikel
                        16:1:1, lid 2, de definitie. De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op
                        de interpretatie van het begrip "plichtsverzuim", zodat hier verwezen kan
                        worden naar de toelichting bij artikel 16:1:1.</al><al>Artikel 15:1a Verplichtingen (T)</al><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan
                        te stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel gemeenten
                        hebben naar aanleiding van deze verplichting de bestaande ambtseed
                        heringevoerd of een nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of
                        belofte of een integriteitverklaring slechts één van de formaliteiten bij
                        indiensttreding is, zal deze niet het bedoelde effect van bewustwording van
                        integriteitaspecten hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan
                        dient het moment de nodige lading te krijgen: door de inhoud actief uit te
                        spreken, door de ceremonie erom heen, door de keuze van de persoon ten
                        overstaan van wie de eed wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en
                        plaats.</al><al>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten (T)</al><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan
                        zijn tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn.
                        Enkele voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13
                        juli 1995, TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een
                        verhuizing en aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d.
                        21 december 1993, TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><al>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden (T)</al><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan
                        zijn tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn.
                        Enkele voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13
                        juli 1995, TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een
                        verhuizing en aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d.
                        21 december 1993, TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><al>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden (T)</al><al>De term "nevenwerkzaamheden" dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                        verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur
                        van een vereniging of stichting, het zijn van commissaris, bestuurder,
                        vennoot of aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen
                        betaalde en onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen
                        of buiten de normale diensttijd worden verricht. Een gedane melding dient
                        getoetst te worden aan het tot de ambtenaar gerichte verbod, dat in het
                        derde lid is geformuleerd. De ambtenaar zal zich een oordeel moeten vormen
                        over de vraag of door een nevenwerkzaamheid de goede functievervulling of de
                        goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat
                        met de functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd. De constatering
                        dat een nevenwerkzaamheid zich niet goed verdraagt met de ambtelijke
                        functie, hoeft niet zonder meer te leiden tot het opleggen van een verbod.
                        Er kunnen ook zodanige nadere afspraken worden gemaakt dat de mogelijkheid
                        van belangenverstrengeling of anderszins zich niet meer voordoet.
                        Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp geeft
                        eenzelfde richting aan. De registratie van nevenwerkzaamheden kan op
                        verschillende wijzen worden ingericht. In elk geval dient de registratie te
                        voldoen aan de regels die gesteld zijn op grond van de Wet
                        persoonsregistraties en de op deze wet gebaseerde verordening, voorzover
                        deze in de gemeente is vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die
                        overheidswerkgevers verplicht om voorschriften vast te stellen over de
                        openbaarmaking van nevenwerkzaamheden verricht door topambtenaren. In
                        artikel 15:1e, vierde lid, zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte
                        openbaarmaking van nevenwerkzaamheden gekoppeld is: de gemeentesecretaris en
                        de directeur van een gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel
                        functionarissen in functies die daarmee op één lijn staan maar in het
                        gemeentelijk organisatiemodel een andere benaming hebben). Lokaal dient
                        bepaald te worden of er daarnaast nog sprake is van ‘andere ambtenaren
                        aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
                        openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden noodzakelijk is’.
                        Gedacht kan worden aan de functies waaraan het plaatsvervangend
                        directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen in aanmerking komen de
                        stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een projectorganisatie,
                        concern- of dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><al>§ hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de ambtenaar);</al><al>§ de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het een
                        nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                        verband staan met de functievervulling, kunnen raken;</al><al>§ de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt vervuld;</al><al>§ de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan de uitoefening
                        van de nevenfunctie.</al><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke
                        datum de nevenwerkzaamheid wordt verricht. De openbaarmaking kan geschieden
                        door ter inzage legging van de gegevens op het gemeentehuis zoals dat is
                        voorgeschreven voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke
                        ambtsdragers.</al><al>Artikel 15:1f Melding financiële belangen (T)</al><al>Lid 1</al><al>In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die
                        overheidswerkgevers verplicht om voorschriften vast te stellen over het
                        melden van financiële belangen door ambtenaren die een functie uitoefenen
                        waarin risico bestaat op financiële belangenverstrengeling. Het begrip
                        financieel belang is zeer divers. Het kan gaan om het bezit van effecten,
                        vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond alsook om financiële deelneming
                        in ondernemingen. Het college dient ambtenaren aan te wijzen die zijn
                        aangesteld in een functie (dan wel feitelijke werkzaamheden verrichten)
                        waaraan een bijzonder risico op financiële belangenverstrengeling is
                        verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht worden aan ambtenaren
                        die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking, sponsoring,
                        verstrekking van leningen, verstrekking van garanties, inkoop en
                        aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en
                        adviesopdrachten. Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in de
                        verleiding kunnen komen zich bij het nemen van functionele beslissingen te
                        laten leiden door niet-functionele belangen zoals een persoonlijk financieel
                        belang. Of er inderdaad sprake is van een bijzonder risico hangt af van de
                        feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden van de ambtenaar en dient lokaal
                        bepaald te worden. Ook ambtenaren die uit hoofde van hun functie (dan wel
                        hun feitelijke werkzaamheden) beschikken of kunnen beschikken over
                        koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd moeten krijgen. Zij
                        hebben immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te gebruiken of
                        lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                        inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks bijzondere
                        risico’s zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk gebruik van
                        koersgevoelige informatie.</al><al>Lid 2 en lid 3</al><al>Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                        regels kunnen betrekking hebben op de volgende elementen.</al><al>§ Het gebruik van een formulier voor de melding.</al><al>§ De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden.</al><al>§ De wijze van registratie in verband met de bescherming van de persoonlijke
                        levenssfeer.</al><al>§ De wijze waarop de actualiteit van de registratie gewaarborgd wordt.</al><al>§ De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere gegevens over
                        het financiële belang of het bezit van (of de transactie in) effecten.</al><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt
                        dat het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de
                        gemelde belangen en bezittingen een risico opleveren in de werkzaamheden van
                        de ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te verschaffen die voor
                        deze beoordeling nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld
                        te worden hoe dit risico voorkomen of verkleind kan worden.</al><al>Lid 4</al><al>Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                        voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt dat hij in
                        zijn functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke financiële
                        belangen. Dat vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en
                        is nu uitdrukkelijk bepaald in artikel 15:1f, vierde lid. De vraag of een
                        financieel belang toelaatbaar is kan niet eenduidig beantwoord worden.
                        Bezien moet worden of het concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s
                        met zich meebrengt bij het uitoefenen door de ambtenaar van zijn
                        bevoegdheden en werkzaamheden. Wordt het financiële belang of effectenbezit
                        niet toelaatbaar geacht dan zal de werkgever op basis van de verbodsbepaling
                        maatregelen moeten nemen om een risico op financiële belangenverstrengeling
                        of misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient eerst naar de minst
                        ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden aan aanpassing
                        van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie. Is een dergelijke
                        oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel belang
                        af te stoten.</al><al>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van dit artikellid valt een ambenaar die op grond van artikel
                        15:1:11, tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in het kader van
                        de Wet veiligheidsregio’s voor wat betreft die werkzaamheden onder leiding
                        en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of
                        crisis plaatsvindt. Daartoe zijn dus geen individuele
                        detacheringsovereenkomsten nodig. Het college van de gemeente waar de
                        ambtenaar is aangesteld, blijft de formele werkgever van desbetreffende
                        ambenaar en de rechtspositie van die gemeente blijft, ook voor onderhavige
                        werkzaamheden in het kader van de Wet veiligheidsregio’s, van
                        toepassing.</al><al>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade (T)</al><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                        schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen Bij elk schadegeval zal daarover
                        door het college een beslissing moeten worden genomen, met name over de
                        vraag of de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard is dat zij
                        geheel op hem kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke
                        schadevergoeding kan worden volstaan. Overigens moet men natuurlijk niet
                        voor elk wissewasje naar dit artikel grijpen. In elke organisatie komen
                        "bedrijfsongevalletjes" voor die inherent zijn aan menselijk handelen. Deze
                        zijn meestal wel aan iemand toe te rekenen, maar de woorden "schuld" en
                        "nalatigheid" wijzen er toch wel op dat het moet gaan om zaken waarover men
                        de ambtenaar echt een verwijt kan maken.</al><al>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</al><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of
                        uitgeeft, bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële
                        waarden beheert. Het betreft hier dus niet alleen degenen die
                        ontvangersfuncties bekleden op grond van het bepaalde in artikel 212 van de
                        Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat de administratie en het beheer van
                        vermogenswaarden van de gemeente worden verricht door de bij de in dat lid
                        bedoelde regels aan te wijzen ambtenaren.</al><al>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar (T)</al><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                        instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel
                        27, eerste lid, onderdeel g van de Wet op de ondernemingsraden.</al><al>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding (T)</al><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een
                        collegebesluit worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet geoorloofd
                        is voor ambtenaren die baliewerkzaamheden verrichten of anderszins
                        regelmatig in contact treden met burgers, in een korte broek op de werkplek
                        te verschijnen.</al><al>Artikel 15:1:17 Standplaats (T)</al><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats te
                        wonen, dient rekening gehouden te worden met het vierde Protocol bij het
                        Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                        fundamentele vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is immers
                        het volgende individuele grondrecht van elke burger - dus ook van die burger
                        die in een arbeidsrelatie tot de overheid staat - geformuleerd: "een ieder
                        die zich wettig op het grondgebied van een (verdragsluitende) staat bevindt,
                        heeft het recht zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid plaats van
                        verblijf te kiezen" Op dit grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid van
                        hetzelfde Protocol slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de
                        daarin op te leggen beperkingen "in een democratische samenleving nodig zijn
                        in het belang van 's lands veiligheid of de openbare veiligheid, ter
                        handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare handelingen,
                        ter bescherming van de gezondheid of ter bescherming van de rechten en
                        vrijheden van anderen". De beperking op het individuele grondrecht is
                        neergelegd in artikel 15:1:17. Een relevante uitspraak in dit verband is de
                        uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 1990 (TAR 1990, nr
                        139). In deze zaak is geoordeeld dat de relevante verdragsartikelen
                        verdragspartijen niet verbieden aan de vervulling van een ambtelijke functie
                        te verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van zijn werkplek dient te
                        wonen, op voorwaarde dat die begrenzing van de woonomgeving in een
                        functionele relatie tot die functie staat. Aan die voorwaarde is volgens de
                        Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit woongebied zodanig zijn
                        vastgesteld dat in redelijkheid kan worden gezegd dat, wanneer de ambtenaar
                        buiten dat gebied gaat wonen, de goede vervulling van zijn functie te zeer
                        in het gedrang komt. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de
                        reistijden excessief lang zijn of wanneer de ambtenaar in verband met de
                        aard van zijn functie niet snel genoeg op zijn werkplek aanwezig kan zijn.
                        Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld de brandweercommandant, het hoofd
                        interne zaken of de gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten die zich
                        in een gemeente kunnen voordoen speelt hierbij een rol.</al><al>Artikel 15:1:18 Dienstwoning (T)</al><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                        goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in
                        een bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt aan portiers of
                        conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan de verplichting
                        met zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt
                        gesteld zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten
                        en het gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt ook wel
                        "dienstwoning" genoemd, maar is in feite een normale huurwoning. Einde van
                        het dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de
                        huurovereenkomst In die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><al>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade (T)</al><al>Lid 1</al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de
                        vervulling van zijn functie. Deze beperking betekent niet dat alleen schade
                        die het directe gevolg is van het werk dat de ambtenaar verricht, vergoed
                        wordt. Er moet een zodanig verband met de functie zijn dat de schade zich
                        niet zou hebben voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de
                        ambtenaar niet aan het werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte
                        van de schadevergoeding mag rekening worden gehouden met normale slijtage
                        Voorkomen moet worden dat de ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet,
                        wat het geval zou zijn wanneer als schadevergoeding de nieuwwaarde van een
                        goed wordt betaald, terwijl het goed deze waarden niet meer had op het
                        moment van de schade. In het algemeen zal geen schade vergoed hoeven worden
                        bij diefstal van een fiets uit een fietsenstalling of diefstal van een jas
                        uit een garderobe, omdat deze goederen doorgaans niet nodig zijn voor de
                        uitoefening van de functie.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade
                        aan een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens een dienstreis.
                        Deze bepaling is opgenomen als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad
                        van Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het College voor
                        Arbeidszaken van 27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan.
                        Er wordt niets geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient
                        te worden. Dit kan de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het verlies aan
                        no-claimkorting. Er is bewust voor gekozen af te zien van de verplichting
                        voor de ambtenaar een all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in
                        alle gevallen in redelijkheid kan worden opgelegd.</al><al>Artikel 15:1:24 Gebruik van motorrijtuig (T)</al><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                        toestemming van het college ter voorkoming van een ongelimiteerd gebruik.
                        Wanneer toestemming is verleend, mag de ambtenaar verwachten dat de gemaakte
                        kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen auto worden vergoed. De
                        juridische basis hiervoor is gelegen in artikel 15:1:22. Als voorwaarde
                        verbonden aan de toestemming de eigen auto te gebruiken ten behoeve van
                        dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten van een allriskverzekering
                        worden verbonden.</al><al>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling (T)</al><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                        inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig
                        heeft. Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor
                        te doen het college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter
                        verantwoording roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                        opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                        inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding van
                        kosten. Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de
                        bijzondere financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met
                        de betrokken ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169
                        Gemeentewet. Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht
                        over een besluit tot privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende
                        gevolgen kan hebben voor de gemeente.</al><al>Artikel 15:1:30 Borstvoeding (T)</al><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen
                        waar de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze voorziening kan
                        in de plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar kind zelf
                        te voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke rol.</al><al>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg (T)</al><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de
                        zin van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                        (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                        Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                        vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het
                        gaat daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2
                        buitengewoon verlof kunnen genieten. De zorgplicht is te vergelijken met die
                        voor de ondernemingsraadsleden, opgenomen in artikel 21, eerste lid van de
                        Wet op de ondernemingsraden. Omdat zij door de uitoefening van hun taak
                        kwetsbaarder zijn dan andere werknemers, is deze extra rechtsbescherming in
                        de CAR/UWO opgenomen. Daardoor wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk in de
                        onderneming kunnen optreden zolang zij door hun vakorganisatie daarvoor een
                        aanwijzing hebben gekregen. Het gaat daarbij om benadeling in
                        promotiekansen, verslechtering van werkomstandigheden, gedwongen
                        overplaatsing, schorsing vanwege vakbondsactiviteiten en het niet verlengen
                        van een aanstelling/arbeidsovereenkomst De feitelijke handelwijze van de
                        gemeente moet gelijk zijn aan het handelen wanneer betrokkene de
                        vakbondsactiviteiten niet zou vervullen. De werknemer die zich desondanks
                        benadeeld voelt, kan zich wenden tot de administratieve kamer van de
                        arrondissementsrechtbank (aanstelling) of de kantonrechter
                        (arbeidsovereenkomst).</al><al>Artikel 15:2 Klokkenluiders (T)</al><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de
                        vaststelling van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De raad
                        kan het college ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid ter zake
                        van de meldingen.</al><al>16 Disciplinaire straffen</al><al>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim (T)</al><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen.
                        Deze zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt met zich dat het
                        bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan alvorens een straf op te
                        leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen worden dat zij
                        in rechte kunnen worden aangetoond Daarbij moeten bepaalde gedragingen van
                        betrokkene als verwijtbaar worden aangemerkt. Het aspect van de
                        verwijtbaarheid speelt nogal eens een rol wanneer een bestuursorgaan tot
                        strafontslag wil overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid
                        toont op het spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het
                        hierbij om een zwaar dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen
                        van een dergelijke sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het
                        strafontslag ongedaan wordt gemaakt op grond van het feit dat de gedragingen
                        de betrokkene niet kunnen worden verweten. In dit verband speelt artikel
                        15:1:1 een rol; dit artikel bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is
                        zich te gedragen als een goed ambtenaar betaamt.</al><al>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen (T)</al><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                        straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een strafontslag.
                        In dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1, dat gaat
                        over de schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient te worden
                        opgemerkt dat het niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een
                        bedrag overeenkomend met het salaris over een halve maand - slechts eenmaal
                        kan worden opgelegd. Het is mogelijk een combinatie van straffen op te
                        leggen De op te leggen straf dient in overeenstemming te zijn met het
                        plichtsverzuim. Het besluit een straf toe te passen, zoals genoemd in
                        artikel 16:1:2, eerste lid, is een besluit ingevolge de Awb. Het derde lid
                        biedt de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf op te leggen. De
                        voorwaarden dienen redelijk te zijn; er dient rekening te worden gehouden
                        met de belangen van de organisatie en die van de ambtenaar Ook de termijn
                        waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient redelijk te zijn. Wanneer
                        een ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd heeft gefraudeerd met het
                        tijdsregistratiesysteem, kan worden afgesproken dat betrokkene strafontslag
                        wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na een afgesproken tijdstip
                        zich wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan een voorwaarde
                        is voldaan, wordt de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk
                        uitvoeringsbesluit is een besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat
                        de betreffende ambtenaar vooraf gehoord dient te worden.</al><al>Artikel 16:1:3 Verantwoording (T)</al><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                        strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld- Betrokkene dient
                        allereerst te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. Het
                        gaat hier immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en
                        waar hij naar verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking
                        zal steunen op gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen en die hij niet
                        zelf heeft verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden als een uitwerking
                        van de hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8). Dit horen kan pas
                        plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en kan niet later
                        gebeuren dan na 12 dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling waarin
                        het voornemen tot het opleggen van een disciplinarie straf wordt
                        aangekondigd.</al><al>17 Opleiding en ontwikkeling</al><al>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget (T)</al><al>Lid 1 </al><al>Regelt de hoogte van het individuele budget. Het budget is niet naar rato
                        van omvang dienstverband of naar rato van aantal maanden dienstverband als
                        iemand in de loop van het jaar in dienst komt. Op het moment een medewerker
                        in de tweede helft van een kalenderjaar in dienst komt, is het verstandig om
                        bij aanstelling meteen afspraken te maken over het individueel
                        loopbaanbudget in dat kalenderjaar.</al><al>Lid 2</al><al>Bepaalt dat wanneer er een opleidings- en/of loopbaanbeleid is vastgesteld
                        in de gemeente dat vergelijkbare en gelijkwaardige mogelijkheden en rechten
                        biedt als het voorgestelde loopbaanbudget, dit beleid niet vervangen hoeft
                        te worden door het loopbaanbudget. Zulks ter beoordeling van de
                        Ondernemingsraad.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>Regelt dat het individueel loopbaanbudget ingezet moet worden voor
                        individuele opleiding- en ontwikkelingswensen die gericht zijn op het
                        verbeteren van de eigen inzetbaarheid en arbeidsmarktpotentie.</al><al>Lid 6</al><al>Om te voorkomen dat medewerkers die in de loop van het jaar in dienst treden
                        dit budget niet meer kunnen besteden en het budget komt te vervallen na
                        verloop van het kalenderjaar, is het van belang dat de leidinggevende dit
                        onderwerp in een vroegtijdig stadium aan de orde stelt.</al><al>Lid 7</al><al>Biedt de mogelijkheid om het individueel loopbaanbudget maximaal drie jaar
                        te sparen. In het persoonlijk ontwikkelingsgesprek worden hierover afspraken
                        gemaakt: deze worden in het persoonlijk opleidingsplan vastgelegd. Het is
                        niet mogelijk om over de geldigheidsduur van dit artikel heen te sparen.
                        Sparen omdat er niet over gesproken is en er dus geen afspraken zijn gemaakt
                        wordt door de LOGA partijen als ongewenst gezien.</al><al>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de loopbaanontwikkeling en
                        van de ontwikkeling van de kennis en vaardigheden van de medewerker. Vorm en
                        inhoud zijn in beginsel vrij, dat wil zeggen dat het plan zowel kan bestaan
                        uit een korte feitelijke aanduiding van een opleidingsafspraak als uit een
                        meer uitgebreide afspraak over - door beide partijen - te ondernemen
                        ontwikkelingsactiviteiten in brede zin. Ook kan het accent liggen op
                        activiteiten die alleen de medewerker zal ondernemen of op inspanningen die
                        beide partijen zich zullen getroosten. Ook de mate waarin het initiatief
                        voor het doen van voorstellen voor de inhoud van het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan bij de medewerker dan wel bij de leidinggevende ligt, kan
                        van geval tot geval uiteenlopen. Essentieel is dat het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan gezamenlijk wordt vastgesteld door leidinggevende en
                        medewerker. Bij ontbreken van overeenstemming is uiteindelijk de beslissing
                        van de leidinggevende namens de werkgever een voor beroep vatbaar besluit.
                        Bij dit laatste dient bedacht te worden dat het in het algemeen niet of
                        nauwelijks denkbaar is, dat de werkgever meer aan opleidingsinspanningen van
                        de medewerker kan eisen dan waartoe deze bereid is, afgezien van de
                        opleidingen die krachtens artikel 15:1:26 in het kader van een goede
                        functie-uitoefening noodzakelijk zijn te achten. Een besluit dat voor beroep
                        vatbaar is, zal doorgaans alleen in de omgekeerde situatie kunnen voorkomen:
                        de medewerker wil meer dan de werkgever wil of kan toestaan.</al><al>Lid 2</al><al>Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk ontwikkelingsplan te
                        worden vastgesteld. De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen
                        partijen in onderling overleg concluderen dat er bijvoorbeeld in een
                        bepaalde periode geen reden is voor bijzondere inspanningen of afspraken.
                        Het is in de praktijk ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld jaarlijks, een
                        gesprek plaatsvindt tussen leidinggevende en medewerker over onderwerpen die
                        van belang zijn voor de ontwikkeling van kennis en vaardigheden en de
                        loopbaan van de medewerker. De voortgang van de eerdere afspraken kan aan de
                        orde komen. Het vastleggen van de afspraken in een dergelijk gesprek kan
                        worden gezien als een nieuw persoonlijk ontwikkelingsplan. Het ligt in de
                        rede dat deze gesprekken in het kader van het functioneringsgesprek en/of
                        beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk is dat niet.</al><al>Lid 3</al><al>De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in het
                        gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat is neergelegd in het gemeentelijk
                        opleidingsplan. De verplichting van het college om een opleidingsplan vast
                        te stellen is niet met zoveel woorden in de tekst opgenomen, omdat het hier
                        niet gaar om een deel van de persoonlijke rechtspositie. De individuele
                        medewerker heeft dus niet het recht om een opleidingsplan te eisen en hij
                        kan er ook niet direct rechten aan ontlenen of tegen in beroep komen. De
                        Ondernemingsraad kan er om vragen en heeft conform de Wet op de
                        ondernemingsraden instemmingsrecht met het opleidingsplan. Dit plan kan voor
                        de gehele gemeente tegelijk worden vastgesteld, maar uiteraard is het ook
                        mogelijk, en in veel situaties zelfs meer voor de handliggend, dat het per
                        sector of dienstonderdeel wordt vastgesteld. Ook de frequentie waannee het
                        wordt vastgesteld kan verschillen. Behalve inhoudelijke doelen en criteria
                        voor de gewenste opleidingen waarmee het beoogde profiel van de organisatie
                        als geheel of het betrokken onderdeel kan worden bereikt, kan het
                        opleidingsplan ook budgettaire en organisatorische randvoonvaarden bevatten.
                        Ook kan in het opleidingsplan worden gefomuleerd of en zo ja tot welke
                        grenzen of onder welke voorwaarden de werkgever bereid is in het kader van
                        goed werkgeverschap of stimulering van mobiliteit mee te werken aan
                        opleidingen, die primair het persoonlijke loopbaanbelang van medewerkers
                        dienen en maar ten dele het directe dienstbelang.</al><al>Lid 4</al><al>Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan staan en passen in het gemeentelijk opleidingsplan worden
                        volledig bekostigd. Indien ze niet in die termen vallen, kan er wellicht wel
                        enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt buiten de formeel geregelde
                        rechten van medewerkers. Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil
                        gemaakt tussen een deeltijder en een voltijder. Beiden hebben bij gelijke
                        afspraken ook gelijke aanspraken op vergoeding van kosten.</al><al>Lid 5</al><al>Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof door de
                        werkgever verleend. Verlof met behoud van beloning, maar ook andere vormen
                        van medewerking door de werkgever worden vastgelegd. Te denken valt aan
                        afspraken over de inroostering van werktijden, inzet op een bepaald project
                        dat directe relatie heeft met de gevolgde opleiding en het ter beschikking
                        stellen van technische hulpmiddelen. Er is geen vast stramien vastgelegd
                        hoeveel verlof noodzakelijk is. Van geval tot geval zullen partijen samen
                        dienen te bepalen wat het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient in te
                        houden. Uiteraard mag er een beroep op de betrokken medewerker worden gedaan
                        om ook eigen tijd in de ontwikkeling van zijn loopbaan te investeren, maar
                        andersom is het redelijk dat de werkgever rekening houdt met de persoonlijke
                        omstandigheden en de zwaarte van de studie.</al><al>Lid 6</al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over de
                        concrete keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden
                        gevolgd, de voorwaarden waaronder de opleiding of andere activiteiten worden
                        uitgevoerd, wat de consequenties zijn van tussentijdse complicaties zoals
                        voortijdige beëindiging of onderbreking, verandering van functie of ontslag.
                        Of en zo ja welke afspraken er over eventuele terugbetaling van de
                        vergoeding worden vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard kan
                        daarbij worden betrokken wat het niveau van de kosten is, in wiens primaire
                        belang de kosten zijn gemaakt en wat de reden en termijn is van het ontslag.
                        Aard en omvang van de te maken kosten worden in redelijkheid vastgesteld.
                        Doorgaans zal de kostenkwestie al bij de keuze van de opleiding aan de orde
                        komen. Minstens zal het gaan om de kosten van de opleiding zelf, de kosten
                        van studiemateriaal en de kosten van reizen en eventueel verblijf. Voor de
                        verdere activiteiten die worden afgesproken is moeilijk eenduidig een
                        indicatie te geven van de relevante kosten.</al><al>Artikel 17:7 Flankerend beleid (T) </al><al>Hierbij kan worden gedacht aan reis- en verhuiskosten, suppletie van salaris
                        bij aanvaarden van een lager betaalde functie, voorziening voor
                        pensioenlacunes, stimuleringspremie bij vrijwillig ontslag etc.</al><al>18 Verplaatsingskosten</al><al>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel zijn de verschillende begrippen gedefinieerd. Bij de
                        definitie van het begrip "eigen huishouding voeren" is de eis opgenomen dat
                        het gaat om het zelfstandig bewonen van woonruimte. Iemand die bij zijn
                        ouders inwoont komt dus niet in aanmerking voor een volledige
                        verhuiskostenvergoeding. De twee inkomsten die bij sub f vermeld worden,
                        worden slechts meegenomen bij de berekeningsbasis voorzover zij naast het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk
                        18 niet van toepassing is op de oproepkracht.</al><al>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel regelt de aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten voor
                        ambtenaren die in verband met een verplaatsing of indiensttreding moeten
                        verhuizen. Zie ook de toelichting bij artikel 15:1:17.</al><al>Lid 3</al><al>Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene niet op de hoogte is
                        van de terugbetalingsverplichting.</al><al>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>Een werknemer die een dienstwoning betrekt, heeft recht op dezelfde
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten als een werknemer die vanwege
                        dienstbelang dient te verhuizen naar een huur- of koopwoning. Zie artikel
                        15:1:18.</al><al>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>De kosten voor het in- en uitpakken van breekbare zaken worden vergoed, dit
                        is expliciet geregeld. Het inpakken van andere goederen door de transporteur
                        dient door de betrokkene zelf te worden betaald. De bedragen voor
                        transportkosten en dubbele woonkosten worden vastgesteld op basis van de
                        werkelijk gemaakte kosten. Het maakt niet uit of de dubbele woonkosten
                        betrekking hebben op huishuur, hypotheeklasten of beide. Het bedrag voor de
                        andere kosten (onderdeel C) beoogt niet kostendekkend te zijn. De
                        Belastingdienst hanteert maxima voor de bedragen die fiscaal onbelast kunnen
                        worden toegekend.</al><al>Lid 2</al><al>Wie zelfstandig, dus niet als alleenstaande bij de ouders inwonend,
                        woonruimte bewoont met eigen inboedel en stoffering komt in aanmerking voor
                        de vergoeding. Het is aan te nemen dat een kamerbewoner lagere verhuiskosten
                        maakt dan iemand die een groot huis achterlaat. Daarom is er een
                        differentiatie naar het aantal achter te laten kamers Dit voorkomt dat de
                        gemeente gaat meebetalen aan de inrichting van een groter huis. De
                        differentiatie naar salarisniveau is gebaseerd op de gedachte dat er tussen
                        de waarde van de inboedel en het inkomen een zekere relatie bestaat.</al><al>Lid 3</al><al>Bij een verhuizing waarbij beide levenspartners zijn betrokken, wordt voor
                        beide personen de berekeningsbasis vastgesteld. De tegemoetkoming wordt
                        vervolgens toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis. Voor
                        deeltijders wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een
                        voltijddienstverband (tenzij die deeltijder tevens een ander dienstverband
                        heeft die eveneens aanspraak geeft op een vergoeding).</al><al>Lid 4</al><al>Om te voorkomen dat een betrokkene die geen eigen huishouding voerde, en dus
                        een nieuwe inrichting moet kopen, zich op kosten van de gemeente gaat
                        inrichten, is geregeld dat hij niet voor een vergoeding in aanmerking komt.
                        In bijzondere omstandigheden kan hierop een uitzondering worden gemaakt.
                        Bijvoorbeeld in de situatie dat een werknemer tijdelijk elders wordt
                        geplaatst en dus tijdelijk andere woonruimte moet betrekken.</al><al>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer (T)</al><al>Lid 1</al><al>In principe komen alleen werknemers die verhuisplichtig zijn in aanmerking
                        voor een tegemoetkoming in de reiskosten. Omdat de reiskosten voor
                        verhuisplichtigen relatief hoog kunnen zijn, is het van belang om in het oog
                        te houden of er wel voldoende inspanningen worden verricht om aan de
                        verhuisverplichting te voldoen De tegemoetkoming in de reis- en
                        pensionkosten komt automatisch te vervallen als de werknemer niet binnen
                        twee jaar na het ontstaan van de verhuisverplichting is verhuisd (zie art.
                        18:1:4). De verplichting om te verhuizen blijft overigens wel bestaan.</al><al>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer (T)</al><al>Dit artikel regelt een vergoeding voor de betrokkene wiens plaats van
                        tewerkstelling door het bevoegde gezag is aangewezen als een plaats van
                        tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken of wiens plaats
                        van tewerkstelling vanwege de opgedragen tijden niet per openbaar vervoer is
                        te bereiken. Ondanks het feit dat de betrokkene niet de verplichting is
                        opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, heeft de
                        betrokkene toch op grond van de rechtspositieregeling recht op een
                        kilometervergoeding voor woon-werkverkeer. De hoogte van deze vergoeding
                        wordt bepaald door het bevoegde gezag en geldt voor de gehele duur van het
                        dienstverband.</al><al>Artikel 18:1:9 Pensionkosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>Wat onder redelijk gemaakte pensionkosten verstaan moet worden is niet
                        zonder meer te zeggen, dit zal regionaal en per seizoen kunnen
                        verschillen.</al><al>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling is opgenomen om er op toe te kunnen zien of betrokkene wel
                        genoeg inspanningen verricht om snel te verhuizen (opdat onnodige kosten
                        worden voorkomen).</al><al>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Het is aan te raden de in dit artikel genoemde termijnen strikt te hanteren:
                        bij overschrijding van de termijnen zal het namelijk niet altijd meer
                        mogelijk zijn de aanvraag respectievelijk de bedragen te toetsen.
                        Vanzelfsprekend dient de werknemer over deze termijnen te worden
                        geïnformeerd. Het niet voldoen aan de voorwaarden leidt tot het vervallen
                        van de aanspraken op vergoeding.</al><al>Artikel 18:1:13 Slotbepaling (T)</al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij wijze van uitzondering
                        van de gestelde regels af te wijken, zowel in individuele gevallen als voor
                        groepen van personen Bijvoorbeeld bij ingrijpende reorganisaties en daarmee
                        gepaard gaande verplaatsingen kan op grond van dit artikel een aanvullend
                        sociaal beleid gevoerd worden.</al><al>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</al><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer zijn ambtenaren. Daarom moet
                        het college op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een
                        rechtspositieregeling voor hen vaststellen. De rechtspositie van de
                        vrijwilligers bij de brandweer wordt in dit hoofdstuk geregeld. De overige
                        hoofdstukken van de CAR-UWO zijn niet van toepassing.</al><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties (T)</al><al>In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegd gezag van
                        een gemeente voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de daarvoor in
                        aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt
                        gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling.</al><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst (T)</al><al>Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden. Een
                        tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te beoordelen
                        of de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de brandweerdienst.
                        Een aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als de vrijwilliger nog in
                        opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt altijd aangegaan voor een van
                        te voren omschreven periode. Deze periode wordt vermeld in de aanstelling.
                        Een eerste tijdelijke aanstelling kan verleend worden voor ten hoogste twee
                        jaren. Uitgangspunt is dat in die periode bekeken wordt of de vrijwilliger
                        in aanmerking kan komen voor een vaste aanstelling, is dat niet het geval
                        dan eindigt het dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke
                        aanstelling kan er ook nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de
                        vrijwilliger; bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest.
                        Daarom is het mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke
                        aanstelling te verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke
                        proefaanstelling is drie jaar en er kunnen maximaal twee tijdelijke
                        aanstellingen verleend worden.</al><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling (T)</al><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de vrijwilliger.
                        Een belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens een geneeskundig
                        onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen werkzaamheden naar
                        behoren te verrichten. Dit betekent dat een vrijwilliger voordat hij
                        aangesteld kan worden een keuring moet ondergaan. Daarna wordt de
                        vrijwilliger periodiek gekeurd.</al><al>Artikel 19:9 Bevordering (T)</al><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de verschillende
                        rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen plaatsvinden indien de
                        vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft behaald. Het is overigens
                        niet zo dat het behalen van een diploma recht geeft op bevordering; hierover
                        beslist het college. Dit artikel beoogt niet in te grijpen in lokale
                        aanstellings- en bevorderingsbesluiten.</al><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever (T)</al><al>De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als vrijwilliger
                        goed inzetbaar te zijn is het van belang dat de hoofdwerkgever medewerking
                        hieraan verleent. Het kan immers voorkomen dat een vrijwilliger onder
                        werktijd werkzaamheden voor de brandweer moet verrichten. Ook dienen zowel
                        de gemeente als de hoofdwerkgever bij het vaststellen van de werktijden
                        rekening te houden met de Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de
                        brandweer worden namelijk meegeteld als arbeidstijd in het kader van de
                        Arbeidstijdenwet. De vrijwilliger moet de gemeente informatie geven over
                        zijn hoofdwerkgever die er, onder meer, toe strekt dat de gemeente in
                        contact kan komen met de hoofdwerkgever. De vrijwilliger heeft daarnaast de
                        plicht om zijn hoofdwerkgever te informeren over een aantal praktische zaken
                        die bij het vrijwilligerschap horen.</al><al>Artikel 19:13 Vergoeding (T)</al><al>Voor een zeer beperkte groep vrijwilligers geldt een aangepaste
                        vergoedingentabel. De aangepaste tabel geldt voor de zeer beperkte categorie
                        vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in
                        de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om
                        personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij
                        de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de
                        werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP). Op 1 januari 1980 is
                        de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de
                        wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat
                        vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap
                        behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond
                        van deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze aparte vergoedingentabel niet van belang, maar geldt de
                        reguliere vergoedingentabel.</al><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden
                        (T)</al><al>In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt uiteen
                        in een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit. De hoogte
                        van de vergoeding verschilt per functie en per activiteit. De
                        onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                        vrijwilligers.</al><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                        hulpverlening (T) </al><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                        vrijwilligers. </al><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid (T)</al><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten die
                        een groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of waarvoor de
                        vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking. Als voorbeeld kan
                        dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland; dit neemt vaak
                        meerdere dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft op de
                        langdurigheidstoeslag komt deze in de plaats van de vergoeding uit kolom
                        twee, de vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden. De
                        vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor langdurige aanwezigheid wanneer
                        hij vijf uur of langer ingezet wordt. De vergoeding geldt voor alle uren van
                        de inzet; duurt de inzet bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt de vrijwilliger
                        over alle zes uren de vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding
                        wordt alleen verstrekt over die uren waarin daadwerkelijk geoefend wordt of
                        een cursus gevolgd wordt; de reistijd bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de
                        berekening van de vijf uren en over deze tijd wordt ook geen vergoeding
                        verstrekt. De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als
                        vergoeding voor kazerneringsdiensten. Wanneer een gemeente werkt met
                        kazerneringsdiensten voor vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van
                        artikel 19:19 lokaal een vergoedingsregeling vastgesteld worden.</al><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding (T)</al><al>Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich buiten
                        de kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden.</al><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst (T)</al><al>LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers bij
                        de brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht zal
                        worden naar de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet
                        van brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten van het
                        onderzoek treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg over de
                        rechtspositie van de vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een regeling te
                        treffen over vergoeding van kazerneringsdiensten is daardoor van tijdelijke
                        aard.</al><al>Artikel 19:22 Gratificatie (T)</al><al>Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal een
                        regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking hebben op
                        vrijwilligers bij de brandweer. De lokale regeling over gratificaties en
                        andere vormen van flexibele beloning is niet van toepassing op de
                        vrijwilligers.</al><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen (T)</al><al>Artikel 4a:3 van de CAR-UWO maakt het mogelijk om een lokale regeling te
                        treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een gemeente een
                        dergelijke regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik van
                        maken. Of de vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet hangt
                        van individuele factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de eisen die de
                        fiscus stelt aan gebruikmaking van de regeling. Het openstellen van deze
                        regelingen voor vrijwilligers betekent dus niet automatisch dat de
                        vrijwilliger hier ook gebruik van kan maken. De voorwaarden die in de lokale
                        regeling gesteld zijn ten aanzien van deelname zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de vrijwilliger. Biedt de lokale regeling ook andere
                        aanspraken dan alleen de mogelijkheid van gebruikmaking van fiscaal gunstige
                        voorzieningen, dan zijn deze andere aanspraken niet van toepassing op de
                        vrijwilliger. Dit artikel voorziet enkel in de mogelijkheid om de
                        vrijwilliger de mogelijkheid te geven om binnen de fiscale randvoorwaarden
                        gebruik te maken van fiscaal gunstige regelingen.</al><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering (T)</al><al>Het college is verplicht om een ongevallenverzekering voor de vrijwilliger
                        af te sluiten. Deze verzekering voorziet in een financiële uitkering wanneer
                        de vrijwilliger overlijdt of tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt raakt
                        als gevolg van een ongeval tijdens de brandweerdienst. Een goede
                        informatievoorziening over de inhoud van de verzekering is van groot belang;
                        daarom heeft de werkgever de plicht om de vrijwilliger bij indiensttreding
                        te informeren en relevante wijzigingen te melden.</al><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten (T)</al><al>De medische kosten van een vrijwilliger zullen grotendeels vergoed worden
                        door de zorgverzekeraar. Een deel van de kosten kan echter voor rekening
                        blijven van de vrijwilliger; de ongevallen verzekering biedt hiervoor een
                        voorziening.</al><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers (T)</al><al>De gevolgen van een dienstongeval zijn voor vrijwilligers die zelfstandig
                        ondernemer zijn vaak groter dan voor vrijwilligers in loondienst. De
                        vrijwilliger in loondienst heeft vanuit zijn hoofdbetrekking immers recht op
                        loondoorbetaling gedurende twee jaar. Voor de zelfstandig ondernemer is dit
                        afhankelijk van de verzekering die hij zelf tegen arbeidsongeschiktheid
                        heeft afgesloten. Om die reden geven LOGA-partijen gemeenten het advies om
                        een aanvullende verzekering af te sluiten. Deze aanvullende verzekering is
                        echter niet verplicht.</al><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting (T)</al><al>Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt dit
                        in onder voorwaarden vergoed door het college. Dit artikel beperkt zich tot
                        de schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig waarmee de
                        vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat
                        de vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft van het college om bij
                        een dienstreis gebruik te maken van de eigen auto. Bij het bepalen van de
                        hoogte van de schadevergoeding mag de werkgever rekening houden met normale
                        slijtage. Het is niet de bedoeling dat de medewerker een onrechtvaardig
                        voordeel geniet door standaard de schade te vergoeden op basis van de
                        nieuwwaarde van een goed.</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap (T)</al><al>De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw veilig
                        en gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn regels
                        vastgelegd in wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en
                        arbeidstijden. De eisen die aan de werkgever gesteld worden, in combinatie
                        met de aard van het brandweerwerk zijn van dien aard dat ervoor gekozen is
                        om zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven uit de repressieve
                        brandweerdienst te halen. Dit geldt ook voor vrouwen die korter dan zes
                        maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan brandweeroefeningen is alleen
                        toegestaan nadat voorafgaand overleg is geweest met de bedrijfsarts en
                        toestemming verleend is. Om deze regeling goed uit te kunnen voeren is het
                        belangrijk dat een vrouwelijke vrijwilliger in een zo vroeg mogelijk stadium
                        haar zwangerschap meldt.</al><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger (T)</al><al>De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel
                        korpsen werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met
                        consignatie- of kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle gevallen is
                        het van belang dat de vrijwilliger voldoende beschikbaar is voor de
                        brandweerdienst en dat de korpsleiding ervan op de hoogte is wie wel en wie
                        niet beschikbaar is.</al><al>Artikel 19:31 Verplichtingen (T)</al><al>Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft op
                        grond van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een disciplinaire
                        maatregel op te leggen wegens plichtsverzuim.</al><al>Artikel 19:32 Eed of belofte (T)</al><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan
                        te stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is een van de
                        middelen om bewuster om te gaan met integriteit.</al><al>Artikel 19:33 Verboden (T)</al><al>Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden tot
                        een disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de
                        gemeente kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een
                        brandweervoertuig voor een privéverhuizing.</al><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig (T)</al><al>Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer het
                        college daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger zonder
                        toestemming van het college toch de eigen auto gebruikt dan zal ingeval van
                        eventuele schade het college niet gehouden zijn tot vergoeding daarvan. Het
                        al dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de
                        aansprakelijkheid van het college jegens derden ex artikel 6:170 van het
                        Burgerlijk Wetboek. Dit artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor
                        schade die aan een derde wordt toegebracht door één van de werknemers.</al><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift (T)</al><al>Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de
                        beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen
                        zijn te vinden in de Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen
                        rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze regeling is Artikel 65, eerste
                        lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement. Hierin staat dat de ambtenaar
                        verplicht is de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor
                        zover dit door Onze Minister is voorgeschreven.</al><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen (T)</al><al>Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel de
                        vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de variabele
                        vergoeding.</al><al>19a Keuringen brandweerpersoneel</al><al>Algemeen (T)</al><al>In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische keuring
                        voor repressief brandweerpersoneel geregeld.</al><al>Artikel 19a:1 Algemeen (T)</al><al>Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de medische
                        geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan brengen voor de
                        medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij zijn werkzaamheden,
                        wordt de medewerker in repressieve dienst onderworpen aan een
                        aanstellingskeuring en een periodiek medische keuring. De keuringen zijn
                        verplicht voor medewerkers (beroeps en vrijwilligers) in een functie van
                        manschap a en b of bevelvoerder zoals vermeld in het Besluit personeel
                        veiligheidsregio’s. Het college heeft de mogelijkheid andere functies aan te
                        wijzen waarvoor de aanstellingskeuring en periodieke medische keuring wordt
                        verplicht. Uitgangspunt hierbij moet wel zijn dat het uitoefenen van de
                        functie belastend is voor de gezondheid van de medewerker, danwel risico’s
                        voor derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet op de medische
                        keuringen in acht te worden genomen.</al><al>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring (T)</al><al>Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in een functie van manschap A
                        en B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de functies binnen de
                        brandweer waarbij aan medewerkers bijzondere eisen aan de medische
                        geschiktheid worden gesteld. Dit geldt zowel voor beroepspersoneel als voor
                        vrijwilligers. Lokaal kan worden vastgesteld bij welke andere functies ook
                        gekeurd moet worden.</al><al>Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische keuringen.
                        Deze staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de vervulling van de
                        functie, waarop de aanstelling betrekking heeft, bijzondere eisen op het
                        punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische
                        geschiktheid voor de functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid
                        en veiligheid van degene die gekeurd wordt en van derden bij de uitvoering
                        van de desbetreffende arbeid.</al><al>De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage VIIa van de
                        CAR. Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het Coronel
                        instituut ontwikkeld.</al><al>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (T)</al><al>Lid 1</al><al>Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de
                        brandweermedewerker en vanwege de bescherming van de gezondheid en
                        veiligheid van derden bij de uitvoering van de arbeid is het noodzakelijk om
                        de medische geschiktheid van de medewerker ook na aanstelling te blijven
                        toetsen. Daarom zijn regels gesteld over het Periodiek Preventief Medisch
                        Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt een oordeel over de medische
                        geschiktheid van de medewerker voor de uitoefening van zijn functie. Het
                        PPMO geeft daarnaast een prognose over de belastbaarheid van de medewerker
                        in de nabije toekomst. Het LOGA heeft een model gemaakt over het
                        rechtspositioneel kader bij de keuringen. Hierin staan de rechten en
                        plichten van de werkgever en de medewerker bij de keuring. Dit model is
                        onder meer te vinden op vng.nl.</al><al>Lid 2</al><al>De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in
                        samenwerking met de sociale partners en mensen uit de brandweerbranche. Het
                        PPMO geeft inzicht in de ontwikkeling van de belastbaarheid. Met de keuring
                        is beoogd in te schatten of de medewerker voldoet aan de bijzondere eisen
                        aan medische geschiktheid die de functie vereist. Dit ter bescherming van de
                        gezondheid van de medewerker en ter bescherming van derden die betrokken
                        zijn bij het werk van de medewerkers. Als uit het PPMO blijkt dat de
                        medewerker nu of op termijn zijn werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan
                        ondernemen de werkgever en de medewerker gezamenlijk actie. Doel hierbij is
                        de medewerker klaar te stomen voor een andere functie. Het LOGA zal in
                        overleg met de NVBR een handreiking maken over hoe omgegaan kan worden met
                        keuringresultaten en welke stappen er genomen kunnen worden. Naar
                        verwachting is deze handreiking in het voorjaar van 2011 gereed.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de medewerker.
                        Bij indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als nulmeting. Vervolgens wordt
                        iedere medewerker die jonger is dan 40 jaar eenmaal per 4 jaar getest.
                        Medewerkers tussen de 40 en 50 jaar, eens per twee jaar en medewerkers ouder
                        dan 50 worden ieder jaar getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het
                        oude besluit brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude
                        medische testen.</al><al>Lid 6</al><al>Oefenen is ook onderdeel van de taken van een medewerker. Bij de beoordeling
                        van welke taken de medewerker wordt vrijgesteld moet dus ook worden
                        vastgesteld in hoeverre de medewerker nog kan meedoen aan de oefening.</al><al>Artikel 19a:4 Fysieke test (T)</al><al>De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen aan de
                        fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke conditie
                        daarom getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan hiervoor
                        gebruikt worden.</al><al>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling
                        voor kunsteducatie</al><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Alle genoemde functies, zonder onderscheid in junior of senior, behoren tot
                        de doelgroep van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling (T)</al><al>Een instelling kan zowel kunsteducatie aanbieden als ondersteuning hierbij
                        leveren. Ook een combinatie van het aanbieden en het leveren van
                        ondersteuning is mogelijk.</al><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden (T)</al><al>De werkgever moet een regeling vaststellen waarin per discipline de
                        verhouding wordt vastgesteld van de verschillende soorten werkzaamheden
                        binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Het sjabloon, opgenomen in
                        bijlage IVa, waarin de werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden
                        uren worden opgesomd, is het handvat voor de lokale regeling. Aan de hand
                        van kenmerken van de instelling en de discipline worden onderdelen uit het
                        sjabloon opgenomen in de lokale regeling.</al><al>Zo zal in instellingen die uit meerdere vestigingen bestaan de reistijd die
                        nodig is om tussen de verschillende vestigingen te reizen van invloed zijn
                        op de verhouding lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Wanneer bepaalde
                        werkzaamheden worden verricht op verschillende locaties zullen meer
                        niet-lesgebonden uren nodig zijn dan wanneer dezelfde werkzaamheden op één
                        locatie worden uitgevoerd.</al><al>In de regeling kan per discipline een afwijking op de verhouding lesgebonden
                        versus niet-lesgebonden uren worden opgenomen. De voorwaarden voor deze
                        afwijking, die ook in de regeling zijn opgenomen, bepalen welke verhouding
                        voor de individuele ambtenaar geldt.</al><al>Voorbeeld</al><al>Voor de discipline gitaardocent is in de lokale regeling vastgelegd dat de
                        standaardverhouding X% lesgebonden uren en Y% niet-lesgebonden uren is. Als
                        afwijking is in de regeling opgenomen dat een gitaardocent met minder dan 3
                        jaar ervaring 5% meer niet-lesgebonden uren krijgt voor de voorbereiding van
                        lessen. Voor hem geldt dan een verhouding van X – 5% lesgebonden uren en Y +
                        5% niet-lesgebonden uren.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt de regeling vast. Maar het college doet dat niet voordat
                        er via open en reëel overleg overeenstemming over is bereikt tussen de
                        werkgever en de OR. Wanneer een van de partijen vindt dat het overleg over
                        deze lokale regeling niet juist heeft plaatsgevonden, legt het college de
                        regeling op basis van de WOR ter instemming voor aan de OR.</al><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen (T)</al><al>Lid 1</al><al>De uitloopbedragen gelden voor alle ambtenaren in de kunsteducatie en zijn
                        erop gericht om wat langer financieel perspectief te bieden.</al><al>Lid 2</al><al>Voorbeeld</al><al>De heer Van de Wel heeft op 1 augustus 2009 zijn periodieke verhoging gehad
                        naar periodiek 15 van schaal 8 (dit is de maximumperiodiek). De
                        eerstvolgende verhoging naar uitloopbedrag 1 van schaal 8 vindt pas na 2
                        jaar plaats: per 1 augustus 2011.</al><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst (T)</al><al>Het werken op onregelmatige tijden (de tijden buiten de reguliere
                        kantoortijden) is gebruikelijk in de kunsteducatie. Voor het werken op
                        zondag wordt een toelage onregelmatige dienst verstrekt.</al><al>Lid 2 en 4</al><al>Hoofdregel is dat de compensatie voor het werken op zondag wordt verstrekt
                        in de vorm van extra vrije tijd. Mochten zowel het college als de ambtenaar
                        dat wensen dan kan de compensatie ook in geld in plaats van vrije tijd
                        worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>De extra vrije tijd die de ambtenaar krijgt voor het werken op zondag, wordt
                        niet, zoals bij vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de verplicht
                        vrije periode conform artikel 19b:11, lid 1. Deze extra vrije tijd wordt op
                        verzoek van de ambtenaar verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan
                        de algemene regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste
                        lid.</al><al>Artikel 19b:10 t/m 19b:15 Algemene toelichting op paragraaf 3 (T)</al><al>Ambtenaren die onder de werking van dit hoofdstuk vallen, hebben meer vrij
                        dan een reguliere gemeenteambtenaar. Dit resulteert in een lager aantal te
                        werken uur per jaar. Een reguliere ambtenaar werkt 1.677,6 uur per jaar op
                        basis van een fulltime dienstverband (1.836 uur -/- 158,4 vakantie-uren).
                        Een ambtenaar die onder de werking van dit hoofdstuk valt, werkt 1656 uur
                        per jaar.</al><al>Deze 1656 uur per jaar komen als volgt tot stand:</al><al>§ een volledig dienstverband bedraagt 1836 uur per jaar</al><al>§ aftrek van het standaard aantal vakantie-uren van 158,4 uur per jaar</al><al>§ aftrek van extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar. Hier wordt gefaseerd
                        naar toe gewerkt (zie artikel 19b:13).</al><al>De extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar worden toegekend omdat
                        cursorisch onderwijs in de sector met zich meebrengt dat het onderwijzend
                        personeel beperkter is in de vakantieopname dan reguliere
                        gemeenteambtenaren.</al><al>Voorwaarde voor het krijgen van deze extra vakantie-uren is dat voor de
                        ambtenaar:</al><al>§ een deel van het jaar is aangemerkt als verplichte vakantieperiode,
                        of</al><al>§ een deel van het jaar geen vakantie kan worden opgenomen door toewijzing
                        van lessen/cursussen. Deze 21,6 uur geldt voor fulltimers. Voor parttimers
                        is dat naar rato. Wanneer een ambtenaar voldoet aan bovenstaande voorwaarden
                        is de totale hoeveelheid vakantieverlof 180 uur per jaar (158,4 +
                        21,6).</al><al>Hoewel kortdurend cursorisch onderwijs in opkomst is, komt langlopend
                        cursorisch onderwijs nog steeds erg veel voor. Bij het vaststellen van de
                        perioden voor langlopend cursorisch onderwijs houdt de werkgever rekening
                        met 12 lokale schoolvakantieweken, waarvan de ambtenaar zich gedurende 1
                        week beschikbaar moet houden voor werkzaamheden van organisatorische aard.
                        Onderwijzend personeel heeft daarom vakantie in de perioden dat er geen
                        cursorisch onderwijs is ingepland. Dit betekent dat onderwijzend personeel
                        verplicht vrij is in de 12 lokaal vastgestelde vakantieweken.</al><al>Hiervan kan worden afgeweken:</al><al>§ met instemming van de ondernemingsraad of</al><al>§ na overeenstemming daarover tussen de werkgever en de individuele
                        ambtenaar.</al><al>De te werken uren moeten worden verdeeld over het jaar, afhankelijk van het
                        aantal verplicht vrije weken, dat lokaal is vastgesteld. Hieronder wordt in
                        een aantal voorbeelden toegelicht hoe de feitelijke arbeidsduur per week
                        bepaald wordt. Overigens hoeft de instelling niet voor alle ambtenaren die
                        werkzaam zijn binnen de instelling dezelfde verdeling te hanteren. Het is
                        mogelijk dat voor een deel van het personeel alle vakantie-uren opgenomen
                        moeten worden in de 12 verplichte vrije weken terwijl voor een ander deel
                        van het personeel (een deel van) de vakantie-uren vrij opneembaar zijn.</al><al>Hieronder volgt een aantal voorbeelden waarbij telkens:</al><al>§ bij bullet 1 wordt aangegeven hoe men vanuit 1656 uur per jaar komt tot
                        het aantal te werken uren per dag en</al><al>§ bij bullet 2 wordt aangegeven hoeveel uur verlof de ambtenaar
                        (rekentechnisch) opneemt per verlofdag. Dit is relevant te weten bij
                        samenloopsituaties van verplicht vrije perioden met bijvoorbeeld ziekte,
                        zwangerschaps- of bevallingsverlof en ouderschapsverlof.</al><al>Voorbeeld 1: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken. Er zijn
                        dan:</al><al>§ 40 werkweken (52 – 12 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                        arbeidsduur van 41,4 uur (1656 / 40) per week. Dit is 8,28 uur per dag.</al><al>§ 12 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) / 12 = 15
                        uur per week = 3 uur per dag verlof opneemt. Per verplicht vrije dag worden
                        dus 3 vakantie-uren ingeleverd.</al><al>Voorbeeld 2: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken, maar
                        medewerkers moeten 1 week hiervan werkzaamheden voor de instelling
                        verrichten. Er zijn dan:</al><al>§ 41 werkweken (52 – 11 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                        arbeidsduur van 40,39 uur (1656 / 41) per week. Dit is 8,08 uur per
                        dag.</al><al>§ 11 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) / 11 =
                        16,36 uur per week = 3,27 uur per dag verlof opneemt. Per verplicht vrije
                        dag worden dus 3,27 vakantie-uren ingeleverd.</al><al>Voorbeeld 3 (bij artikel 19b:10 lid 2): Een instelling kiest met instemming
                        van de OR of in overeenstemming met de individuele ambtenaar voor een
                        combinatie van verplicht vrije periodes met vrij opneembare vakantie-uren.
                        De instelling kiest voor 1 week vrij opneembare vakantie en 6 verplicht
                        vrije weken. Er zijn dan:</al><al>§ 45 werkweken (52 – 7 vrije weken) met een feitelijke arbeidsduur van 36,8
                        uur (1656 / 45) per week. Dit is 7,36 uur per dag.</al><al>§ 6 weken verplicht vrij + 1 week vrij opneembaar vakantie waarin de
                        ambtenaar (180 (158,4 + 21,6) / 7 = 25,71 uur per week = 5,14 uur per dag
                        verlof opneemt. Per verplicht vrije dag en vrij opneembare dag worden dus
                        5,14 vakantie-uren ingeleverd.</al><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Lid 2</al><al>De werkgever maakt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 maanden na
                        ingang van het cursusjaar, een rooster van de in dat cursusjaar te werken
                        uren.</al><al>Lid 3</al><al>Als een geplande cursus niet doorgaat, moet de werkgever bekijken of een
                        nieuw rooster moet worden gemaakt. Op die manier wordt voorkomen dat een
                        ambtenaar, van wie een cursus niet doorgaat, aan het eind van een cursusjaar
                        nog veel uren extra moet werken om het voorgeschreven aantal te werken uren
                        per jaar te behalen.</al><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Afgesproken is dat het aantal daadwerkelijk te werken uren 1656 uur per jaar
                        bedraagt op basis van een volledig dienstverband. Deze 1656 uur komt als
                        volgt tot stand:</al><al>§ een volledig dienstverband bedraagt 1836 uur per jaar</al><al>§ aftrek van het standaard vakantieverlof van 158,4 uur per jaar</al><al>§ aftrek van extra vakantieverlof van 21,6 uur per jaar.</al><al>Omdat ambtenaren in veel instellingen tot 1 januari 2009 een lager aantal te
                        werken uren per jaar kennen is overgangsrecht overeengekomen. Het
                        overgangsrecht houdt in dat de ambtenaar vanaf 1 januari 2009 elk jaar 72
                        uur meer gaat werken totdat men het te werken aantal uren van 1656 bereikt.
                        Voor instellingen die minder dan 72 uur van de 1656 uur af zitten, wordt het
                        aantal te werken uren verhoogd tot 1656 uur.</al><al>Voorbeeld: In instelling A werkt het onderwijzend personeel momenteel na
                        aftrek van het standaard aantal vakantie-uren 1440 uren per jaar. De
                        werkgever van deze instelling werkt in stappen van 72 uur per jaar toe naar
                        1656 werkuren per jaar:</al><al>§ per 1 januari 2009: 1440 + 72 = 1512 uur per jaar werken;</al><al>§ per 1 januari 2010: 1512 + 72 = 1584 uur per jaar werken;</al><al>§ per 1 januari 2011: 1584 + 72 = 1656 uur per jaar werken.</al><al>Lid 2</al><al>Indien tijdens de overgangsfase nieuwe ambtenaren worden aangesteld, geldt
                        voor deze nieuwe ambtenaren het aantal te werken uur zoals op dat moment
                        geldt voor de al in dienst zijnde ambtenaren. Het aantal te werken uren van
                        deze nieuwe ambtenaren wordt vervolgens op gelijke wijze verhoogd als bij de
                        in dienst zijnde ambtenaren.</al><al>Voorbeeld: In instelling A (dezelfde instelling als in het vorige voorbeeld)
                        wordt op 1 januari 2010 een nieuwe ambtenaar aangesteld. Deze ambtenaar met
                        een volledig dienstverband werkt in 2010 1584 uur. Vanaf 1 januari 2011
                        werkt deze ambtenaar 1656 uur per jaar.</al><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Bij het verhogen van het aantal te werken uren per jaar geldt tot 2012 een
                        ontslagverbod als er te weinig werk voorhanden is om de meer te werken uren
                        per jaar in te vullen. Het ontslagverbod geldt alleen als de verhoging van
                        het aantal te werken uren uitsluitend oorzaak is voor overtolligheid.
                        Ontslag op een andere grond wel is geoorloofd.</al><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                        verplicht vrije periode (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Lid 1</al><al>Conform artikel 19b:11, eerste lid, kan een ambtenaar een verplicht vrije
                        periode worden opgelegd in bepaalde weken van het jaar. Die verplichte vrije
                        periode kan samenlopen met een periode van zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. Daarnaast wordt deze ambtenaar geacht in die verplicht
                        vrije periode vakantie te genieten. Omdat er slechts sprake kan zijn van één
                        verlofvorm tegelijkertijd en in dit geval zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        voorgaat op vakantie, geniet de ambtenaar geen vakantie in die verplichte
                        vrije periode. Dit artikel regelt dat de ambtenaar bij deze samenloop een
                        compensatie krijgt voor de niet genoten vakantie-uren tot 144 uur (het
                        geldende minimum volgens de uitspraak van het Hof van Justitie van de
                        Europese Gemeenschappen van 6 april 2006 (C-124/05)). Het aantal
                        vakantie-uren dat gecompenseerd wordt, is afhankelijk van de feitelijke
                        arbeidsduur in de verplicht vrije periode (zie artikel 19b:10, lid 2 en de
                        toelichting op paragraaf 3).</al><al>Voorbeeld 1: Een fulltime ambtenaar gaat eind 2009 3 weken voorafgaand aan
                        de jaarwisseling met zwangerschaps- of bevallingsverlof. Haar verlof duurt
                        tot en met week 13 van 2010.</al><al>De instelling werkt met 12 verplicht vrije weken per jaar, waarvan</al><al>§ de laatste week van 2009 vrij is in verband met de kerstvakantie,</al><al>§ de eerste anderhalve week (8 werkdagen) van 2010 vrij is in verband met de
                        kerstvakantie en</al><al>§ week 8 van 2010 vrij is in verband met de voorjaarsvakantie.</al><al>Het vaststellen van 12 verplicht vrije weken per jaar. Hierdoor zijn de 180
                        vakantie-uren verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen. Per (werk)dag
                        in de verplicht vrije periode genieten medewerkers dus 3 uur vakantie.</al><al>Berekening 2009</al><al>In 2009 loopt de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof dus samen
                        met 1 week verplicht vrij.</al><al>Betrokkene geniet 11 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. In 11 verplicht vrije weken geniet betrokkene wel vakantie
                        met een totale omvang van 11 x 5 x 3 = 165 uren. Omdat dit aantal hoger is
                        dan 144 uur per jaar, krijgt betrokkene in 2009 geen compensatie.</al><al>Berekening 2010</al><al>In 2010 loopt de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof dus samen
                        met 2 en een halve week (13 werkdagen) verplicht vrij.</al><al>Betrokkene geniet op 13 werkdagen van de 12 verplicht vrije weken
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof. In 9 weken en 2 dagen verplicht vrij
                        geniet betrokkene wel vakantie met een totale omvang van (9 x 5 + 2) x 3 =
                        141 uren. Het aantal vakantie-uren dat gecompenseerd wordt is daarom gelijk
                        aan 144 – 141 = 3 uur.</al><al>Voorbeeld 2:</al><al>Een fulltime ambtenaar is zwanger in 2013. Voor haar zijn 12 verplicht vrije
                        weken vastgesteld. De periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof loopt
                        samen met 5 weken verplicht vrij in de zomer.</al><al>De 180 vakantie-uren zijn verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen.
                        Per (werk)dag in de verplicht vrije periode geniet men dus 3 uur
                        vakantie.</al><al>Betrokkene geniet 5 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. In 7 verplicht vrije weken geniet betrokkene wel vakantie
                        met een totale omvang van 7 x 5 x 3 = 105 uren. Het aantal vakantie-uren dat
                        gecompenseerd wordt is daarom gelijk aan 144 – 105 = 39 uur.</al><al>Lid 3</al><al>De vakantie-uren die de ambtenaar gecompenseerd krijgt, worden niet, zoals
                        bij de normale vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de verplicht
                        vrije periode conform artikel 19b:11, lid 1. De gecompenseerde vakantie-uren
                        worden op verzoek van de ambtenaar verleend. Dit verzoek dient te worden
                        getoetst aan de algemene regels over de duur van de vakantie van artikel
                        6:2:1, eerste lid.</al><al>Voorbeeld: De ambtenaar uit het voorbeeld bij het eerste lid krijgt 39 uur
                        gecompenseerd. Omdat deze ambtenaar in de te werken weken een arbeidsduur
                        heeft van 41,4 uur per week, kan deze ambtenaar 39 / 41,4 uur = 0,94 weken
                        vakantie opnemen. </al><al>NOTA BENE: Samenloop ziekte met een verplicht vrije periode Bij samenloop
                        tussen een verplicht vrije periode en ziekte geldt dezelfde uitvoering als
                        hiervoor is aangegeven, echter zonder het maximum van 144 uur. De ambtenaar
                        krijgt dus alle wegens ziekte niet genoten vakantie-uren gecompenseerd. Dit
                        is gelijk aan de regeling voor de reguliere ambtenaar.</al><al>Artikel 19b:16 Toelichting paragraaf 4 (T)</al><al>Reorganisatieontslag kan verschillende redenen hebben. Een van de redenen is
                        dat uit de actie van het college als bedoeld in artikel 19b:16 blijkt dat er
                        in het lopende cursusjaar minder ambtenaren met een bepaalde functie nodig
                        zijn voor het aantal cursussen en overige werkzaamheden binnen de instelling
                        dan de totale aanstellingsomvang van deze ambtenaren met dezelfde functie.
                        In dat geval kan (deeltijd)ontslag worden aangezegd op grond van artikel
                        8:3. Een andere reden kan zijn dat er door vermindering van subsidie minder
                        arbeidsplaatsen mogelijk zijn.</al><al>In deze paragraaf wordt geregeld welke rechten gelden bij
                        reorganisatieontslag.</al><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>In navolging op de CAO-afspraak 2005-2007 voor reguliere gemeenteambtenaren
                        zijn partijen overeengekomen de vaststelling van de ontslagvolgorde bij
                        reorganisaties ook over te laten aan het lokale overleg.</al><al>Mocht het lokale overleg nog niet tot een ontslagvolgorde zijn gekomen voor
                        ambtenaren in de instelling, dan geldt een ontslagvolgorde die
                        achtereenvolgens uitgaat van de drie genoemde criteria.</al><al>Onderdeel c </al><al>Het afspiegelingsbeginsel in combinatie met het anciënniteitsbeginsel houdt
                        in dat medewerkers die het kortst in dienst zijn per leeftijdsgroep het
                        eerst voor ontslag in aanmerking komen. Bij het bepalen van het aantal
                        medewerkers dat per leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking wordt
                        gebracht, wordt getracht om de onderlinge verhouding van het aantal
                        medewerkers in elk van de leeftijdsgroepen gelijk te houden.</al><al>Lid 4</al><al>Het achtereenvolgens hanteren van de in lid 2 genoemde criteria kan in
                        sommige gevallen onredelijk zijn. In uitzonderlijke gevallen kan het college
                        afwijken van deze ontslagvolgorde. Dit is het geval als een bepaalde
                        ambtenaar beschikt over zodanige kennis of bekwaamheden, dat zijn ontslag
                        voor het functioneren van de instelling bezwaarlijk is. Zo kan het college
                        bijvoorbeeld beslissen dat een pianoleraar die als tweede bevoegdheid harp
                        heeft, niet ontslagen wordt ook al komt hij voor ontslag in aanmerking bij
                        toepassing van het afspiegelingsbeginsel. De kwalificatie van deze docent,
                        dat hij ook harplessen kan geven, maakt hem uniek voor de instelling.</al><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                        formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                        formele arbeidsduur (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>Dit artikel regelt de afwijkingen en de rechten voor onderwijzend personeel
                        in de kunstzinnige vorming in geval van reorganisatieontslag voor minder dan
                        5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan
                        de helft van zijn formele arbeidsduur. De reden van de afwijking is dat
                        LOGA-partijen vinden dat de langdurige verplichtingen voor zowel werkgever
                        als medewerker van hoofdstuk 10d niet in verhouding staan tot het geringe
                        verlies van arbeidsuren voor de medewerker.</al><al>Daarom hebben LOGA-partijen besloten dat hoofdstuk 10d in zijn geheel niet
                        van toepassing is. Net als voor ambtenaren in de kunstzinnige vorming die
                        voor 5 uur of meer of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur,
                        voor de helft of meer van hun oorspronkelijke arbeidsduur ontslagen worden,
                        geldt voor deze medewerkers bij ontslag op grond van artikel 8:3 de
                        ontslagvolgorde uit het vooraf vastgesteld plan. Zolang dat plan nog niet is
                        opgesteld, geldt ook voor hen de ontslagvolgorde die als vangnetbepaling in
                        artikel 19b:17 is opgenomen. </al><al>Los van wat individueel wordt afgesproken, geldt voor deze ambtenaren een
                        opzegtermijn van 3 maanden, waarbinnen zorgvuldig onderzoek plaatsvindt om
                        te beoordelen of de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente
                        andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem
                        passende werkzaamheden op te dragen zijn. Ontslag kan ook plaatsvinden als
                        de ambtenaar deze werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al><al>Overigens kunnen ambtenaren met klein reorganisatieontslag als bedoeld in
                        dit artikel in plaats van de bovenwettelijke uitkeringen uit hoofdstuk 10d
                        recht hebben op de garantie-uitkering KV van artikel 19b:19.</al><al>Lid 2</al><al>De ontslagvolgorde uit het vooraf vastgesteld plan, of als dat nog niet
                        bestaat, de ontslagvolgorde uit artikel 19b:17 is van toepassing op de
                        ambtenaar. Al het andere uit het vooraf vastgesteld plan geldt voor deze
                        ambtenaren niet, tenzij voor deze ambtenaren op individueel niveau nadere
                        afspraken worden gemaakt.</al><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV (T)</al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>Lid 9</al><al>Onderdeel a</al><al>Dit onderdeel heeft onder meer betrekking op het recht op een
                        werkloosheidsuitkering dat kan ontstaan indien de ambtenaar</al><al>§ minder dan 5 uren of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur,
                        minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur verliest en</al><al>§ binnen 12 maanden wederom minder dan 5 uren of, bij een formele
                        arbeidsduur van minder dan 10 uur, minder dan de helft van zijn formele
                        arbeidsduur verliest</al><al>waardoor in die 12 maanden sprake is van een totaal verlies van minimaal 5
                        uren of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, minimaal de
                        helft van die oorspronkelijke arbeidsduur. De ambtenaar moet wel zelf om de
                        samentelling van de uren verzoeken om een WW-uitkering te ontvangen. Dit is
                        in aanvulling op de Werkloosheidswet geregeld in het Besluit nadere regeling
                        verlies van arbeidsuren. In deze situatie ontstaat het recht op WW dus niet
                        automatisch. Indien het recht op een werkloosheidsuitkering kan ontstaan,
                        dus als de ambtenaar een verzoek om samentelling van zijn arbeidsurenverlies
                        kan doen, eindigt de garantie-uitkering. Dit betekent dat als de ambtenaar
                        geen verzoek indient voor een WW-uitkering, maar hij er wel recht op heeft,
                        de garantie-uitkering KV ook stopt.</al><al>20 Aanvullende regelingen hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel</al><al>20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in
                        dienstroosters (T)</al><al>Algemeen </al><al>Met ingang van 1 januari 2016 wordt een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk
                        ingevoerd in de CAR UWO: hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk heeft een
                        standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten nadele of ten gunste
                        van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Het nieuwe beloningshoofdstuk is van
                        toepassing op brandweerpersoneel. Ten behoeve van brandweerpersoneel in
                        dienstroosters heeft het LOGA, na overleg in het LOBA, twee uitzonderingen
                        gemaakt op hoofdstuk 3 (zie het tweede lid) en een tweetal aanvullingen
                        toegevoegd (zie het derde en vierde lid). </al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid is geregeld dat de artikelen in hoofdstuk 3 die betrekking
                        hebben op de toelage onregelmatige dienst en de overwerkvergoeding niet van
                        toepassing zijn op brandweerpersoneel in dienstroosters. In plaats daarvan
                        blijven de lokale regels over de toelage onregelmatige dienst en de
                        overwerkvergoeding zoals die golden op 31 december 2015 van toepassing vanaf
                        1 januari 2016.</al><al>Lid 3</al><al>Hoofstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van een vergoeding
                        vanwege het verschuiven van een rooster. Voor brandweerpersoneel dat
                        werkzaam is in een dienstrooster geldt dat wanneer er op 31 december 2015
                        een lokale regeling gold voor de verschuivingstoelage, deze regeling van
                        toepassing blijft vanaf 1 januari 2016.</al><al>Lid 4</al><al>Hoofdstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van functiegebonden
                        toelagen. In de praktijk komt het voor dat aan brandweerpersoneel in
                        dienstroosters een dergelijke vergoeding wordt verstrekt. Indien er op 31
                        december 2015 lokaal een regeling geldt die voorziet in een functiegebonden
                        toelage voor bijvoorbeeld een duikploegleider of een oefenbegeleider dan
                        behoudt deze lokale regeling zijn toepassing vanaf 1 januari 2016.</al><al>Lid 5</al><al>In dit artikel staan de respectieve uitzonderingen en aanvullingen op
                        hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel in dienstroosters. De lokale regels
                        zoals die golden op 31 december 2015 ten aanzien van de vergoeding voor
                        overwerk en onregelmatige dienst, de verschuivingstoelage en de
                        functiegebonden toelage voor bijvoorbeeld een duikploegleider of een
                        oefenbegeleider blijven ook vanaf de datum van inwerkingtreding van het
                        nieuwe beloningshoofdstuk, 1 januari 2016, van kracht. In het vijfde lid
                        wordt geregeld dat de genoemde regelingen in het lokale overleg aangepast
                        kunnen worden. LOGA partijen hebben niet beoogd op centraal niveau de inhoud
                        van de lokale regelingen ‘vast te zetten’ en het lokale overleg in de
                        Veiligheidsregio’s de mogelijkheid te ontnemen de in dit artikel genoemde
                        lokale regelingen te wijzigen.</al><al>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen</al><al>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)</al><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                        levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1
                        bepaalt onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk
                        wordt gesteld aan een echtgeno(o)t(e). Het gaat daarbij om:</al><al>§ de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen met
                        betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraken op salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                                militaire dienst;</al></li><li nr="b."><al>het verlof met behoud van salarisbetaling wegens persoonlijke of
                                familieomstandigheden;</al></li><li nr="c."><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                                toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid wordt
                                aangemerkt;</al></li></lijst><al>§ de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                        overlijden van de wachtgelder;</al><al>§ de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b."><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst><al>§ de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de
                        reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;</al><al>§ de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                        overlijden van de gewezen ambtenaar.</al><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof
                        regelt bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van
                        buitengewoon verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.</al><al>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Hoofdstuk 22 Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>Bijlagen</al><al>Artikel 99 Bijlage IV (T)</al><al>Artikel 1, sub a</al><al> Onder docent wordt verstaan de beroepskracht die cursussen en/of lessen
                        geeft in de disciplines muziek, beeldende vorming, drama, dans, audiovisuele
                        vorming en taal. Als een beroepskracht behalve docent ook als consulent aan
                        een instelling voor kunstzinnige vorming is verbonden, verdient het de
                        voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al>Artikel 1, sub b</al><al> Onder consulent wordt verstaan de beroepskracht die een steunfunctie
                        uitoefent op het gebied van muzikale, dansante, beeldende, dramatische of
                        audio-visuele vorming. In artikel 1 sub f staat het begrip steunfunctie
                        gedefinieerd. Als een beroepskracht behalve als consulent ook als docent aan
                        een instelling voor Kunstzinnige Vorming is verbonden, verdient het de
                        voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al>Artikel 3</al><al>De algemene werkzaamheden omvatten onder andere: </al><lijst><li nr="1."><al>het bijwonen van docentenvergaderingen, sectievergaderingen of
                                daarmee vergelijkbare bijeenkomsten;</al></li><li nr="2."><al>het onderhouden van contacten met de directie ten behoeve van de
                                lessen/cursussen;</al></li><li nr="3."><al>het onderhouden van contacten met andere medewerkers ten behoeve van
                                de vereiste samenhang in de activiteiten van de instelling;</al></li><li nr="4."><al>het onderhouden van contacten met de (ouders van)
                                leerlingen/cursisten voor zover deze verband houden met de
                                activiteiten van de instelling;</al></li><li nr="5."><al>het ontwikkelen en verzorgen van materiaal ten behoeve van de
                                (voorbereiding van) de lessen/cursussen,</al></li><li nr="6."><al>het volgen van ontwikkelingen binnen het vakgebied en het deelnemen
                                aan her-, na-, of bijscholingscursussen/projecten in overleg met de
                                werkgever.</al></li></lijst><al>Artikel 4</al><al> Met ingang van het cursusjaar 1995/1996 is de arbeidsduur voor de ambtenaar
                        behorend tot het onderwijzend personeel gelijkgesteld met de arbeidsduur
                        voor de ambtenaar behorend tot het niet onderwijzend personeel. De
                        arbeidsduur bij een volledig dienstverband bedraagt met ingang van 1 januari
                        1997 ten hoogste 1836 uren per jaar, waarbij de formele arbeidsduur per week
                        36 uren bedraagt. De verhouding lesgebonden - niet lesgebonden uren bedraagt
                        maximaal 26 lesgebonden uren en voor de overige uren niet lesgebonden uren.
                        Deze verhouding komt overeen met de situatie van voor het cursusjaar
                        1995/1996 waarbij werd uitgegaan van een normaanstelling van 26 klokuren
                        les. </al><al>Artikel 6</al><al> Aan de functie van docent/consulent/balletbegeleider is inherent dat de
                        omvang van de functie kan fluctueren. Immers het leerlingenaantal
                        fluctueert, projecten kunnen aflopen, de vervanging van een collega kan
                        eindigen etc. Daarom wordt jaarlijks uiterlijk in de 10e week van het
                        schooljaar schriftelijk aan de ambtenaar meegedeeld met welk gemiddeld
                        aantal uren hij gedurende dat schooljaar wordt belast Gedurende de rest van
                        dat schooljaar is (het inkomen behorend bij) dat aantal uren gegarandeerd.
                        Indien het aantal uren minder is dan het vorig schooljaar heeft de ambtenaar
                        in elk geval minstens recht op het volgens het reglement garantie
                        gegarandeerde salaris. Indien het aantal te verdelen lessen terugloopt moet
                        een bepaalde volgorde worden gehanteerd waarin de docenten voor
                        urenvermindering in aanmerking komen. Er moet een afvloeiingsreglement
                        worden opgesteld in de volgorde zoals in artikel 12 van deze regeling
                        weergegeven. Een modelafvloeiingsregeling wordt aan de gemeenten
                        toegezonden. De term afvloeiingsregeling dekt de lading niet helemaal. Een
                        afvloeiingsregeling is eigenlijk een urenvermindering- en
                        afvloeiingsregeling. </al><al>Artikel 7</al><al> Dit artikel moet worden gezien in relatie met artikel 3. De taken genoemd
                        in (de toelichting van) artikel 3 horen bij de lesgevende taken. Voor deze
                        taken hoeven dus geen taakuren te worden toegekend. </al><al>Artikel 8 lid 1</al><al> De ambtenaar heeft recht op verlof gedurende schoolvakanties. De
                        schoolvakanties zijn de vakanties van de instelling. De ambtenaar heeft geen
                        recht op vervangend verlof als hij tijdens de vakantie ziek is geweest, lid
                        2 Gedurende enkele dagen doch maximaal één week kan de ambtenaar worden
                        verplicht zich tijdens de vakantie beschikbaar te houden voor werkzaamheden
                        van schoolorganisatorische aard. lid 3 In bijzondere gevallen kan de
                        ambtenaar verzoeken om, onder omzetting van het werk, op een ander moment
                        vakantie te hebben dan tijdens de schoolvakantie. Burgemeester en wethouders
                        hebben de bevoegdheid dit verzoek in te willigen of af te wijzen. Het een en
                        ander hangt af van de reden van het verzoek en de mogelijkheid om het werk
                        om te zetten.</al><al>Artikel 9</al><al> Voor de lessen die de ambtenaar op grond van dit artikel geeft heeft hij
                        recht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsof hij bevoegd
                        was voor die lessen. </al><al>Artikel 11 Lid 1</al><al> Bij reorganisatie en wijziging van beleid doet men er goed aan bij zo
                        weinig mogelijk functies over te gaan tot urenvermindering. Het is beter om
                        een aantal functies op te heffen. Immers, een ambtenaar die wordt ontslagen
                        wegens urenvermindering heeft recht op wachtgeld. Voor de uren waar men
                        daarna voor wordt aangesteld is hij zijn opgebouwde wachtgelddienstjaren
                        kwijt. Lid 2 Dit lid geeft de volgorde aan voor diegenen die als eerste in
                        aanmerking komen voor urenvermindering (art. 6) en voor ontslag (art. 10).
                        Men dient bij de vaststelling van de rangorde uit te gaan van deze volgorde. </al><al>Artikel 99: Bijlage IVa (T)</al><al>Deze uitvoeringsregeling geeft aan hoe onderwijzend personeel in de
                        kunstzinnige vorming ingeschaald moet worden. Het reglement omvat regels
                        voor de inschaling bij indiensttreding (artikel 3) en het doorlopen van de
                        schaal. De inschaling vindt plaats op grond van ervaring in dezelfde of een
                        vergelijkbare functie (artikel 2) Hierbij is ook opgenomen wat meetelt als
                        ervaringsjaar. De salarisschalen zijn opgebouwd uit een aanloop-, functie-
                        en uitloopdeel Totdat het maximum van het functiedeel is bereikt, heeft de
                        ambtenaar jaarlijks aanspraak op een periodieke verhoging. In het
                        uitloopdeel vindt de periodieke verhoging één (artikel 4). In de gevallen
                        waar in deze uitvoeringsregeling niet wordt voorzien, is de lokale
                        bezoldigingsverordening van toepassing. De uitvoeringsregeling salariëring
                        vervangt op 1 januari 1998 het Reglement bezoldiging docenten, consulenten,
                        balletbegeleiders. In verband met de overgang zijn in de uitvoeringsregeling
                        overgangs-en garantiebepalingen opgenomen Voor de toelichting op deze
                        bepaling wordt verwezen naar de Loga-brief nr 705097, d.d 4 september 1997
                        (18071984).</al></tekst></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>