<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR42003_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-09-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Apeldoorns Stadsblad, 22 september 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de veiligheidsregio's, art. 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">wijzging op de Wet op de veiligheidsregio's (stb. 2010 145 en 146)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel 2010-105</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de brandbeveiligingsverordening Apeldoorn 2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel burgemeester en wethouders d.d. 6 september 2010 nummer
                        105-2010; </al><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop
                        (Stb 2010, 145 en 146);</al><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al/><al>besluit:</al><al>vast te stellen de navolgende Brandbeveiligingsverordening 2010. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                    lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                    worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 5 en 6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij het niet tijdig beslissen) is van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Het college kan een vergunning intrekken indien:</al><lijst><li nr="1."><al>blijkt, dat hij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens heeft verleend;</al></li><li nr="2."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                                voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="3."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het
                                onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of periode
                                waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning
                                is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft
                                plaatsgevonden;</al></li><li nr="4."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen
                                gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="5."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond
                                van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                                omstandigheden buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van
                                de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen of
                                wijzigen van voorschiften dat belang voldoende te beschermen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,
                        327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningsplichtige en niet
                        vergunningsplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op
                        vergunningsplichtige en niet vergunningsplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen, erf
                        of een ander terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal bedrag, genoemd in de
                        Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1º.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            Brandbeveiligingsverordening 1994 en de Brandbeveiligingsverordening
                            Apeldoorn 2010 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding
                            van deze verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening
                            Apeldoorn 2010 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop
                            deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening Apeldoorn 2010
                            wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van inwerkingtreding van de
                        Wet veiligheidsregio’s.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening 2010. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering d.d. 9 september 2010</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in Apeldoorns Stadsblad d.d. 22 september 2010</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden d.d. 1 oktober 2010</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>Brandbeveiligingsverordening 2010</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze AMvB pas medio 2011 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde AMvB en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s zal de raad een nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen.</al><al>De bestaande Brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al>De voorliggende verordening is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de AMvB) terughoudend van aard. </al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio’s. Ook zijn er regels
                    opgenomen voor de bestuurlijke boete.</al><al><cursief>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk is er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al><cursief>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                    zijn</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                    tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. </al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele
                    omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. </al><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval
                    het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van
                    toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en
                    de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie
                    die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en
                    afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet
                    het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is de
                    brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid). Een
                    ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                    bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                    kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><al><cursief>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</cursief></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><al><cursief>Bouwwerk</cursief></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, in onze
                    bouwverordening wordt de volgende in de jurisprudentie aanvaarde definitie
                    aangehouden:</al><al>-<cursief>bouwwerk: </cursief>elke constructie van enige
                    omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                    bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                    functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. </al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><al><cursief>Open erf en terrein</cursief></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. </al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5). </al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is. </al><al><cursief> Gebruiksvergunning voor een inrichting</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip: inrichting. </al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij. </al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. </al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><cursief>Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>In de verordening is bepaald dat na het verstrijken van de termijn waarbinnen op
                    een aanvraag op een gebruiksvergunning moet worden beslist, paragraaf 4.1.3.3
                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                    tijdig beslissen) van toepassing is.</al><al>Dit is een gevolg van de Europese Dienstenrichtlijn, waarin onder meer is
                    bepaald dat vergunningen die onder deze richtlijn vallen (de gebruiksvergunning
                    valt hieronder) in principe na het verstrijken van de beslistermijn geacht
                    worden te zijn verleend. Dit is de zogeheten van rechtswege verleende
                    vergunning. </al><al><cursief>Toezicht op de naleving </cursief></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><al><cursief> Bestuurlijke boete</cursief></al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34,
                    vierde lid onder 1<cursief>°</cursief>. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt
                    in 2009 € 9.000. </al><al>De Wet veiligheidsregio’s geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><al>Een alternatief artikel is aan het model van de verordening toegevoegd.</al><al><cursief>Strafbepaling </cursief></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>In het artikel is in het eerste lid twee keer de brandbeveiligingsverordening
                    genoemd, omdat het nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening van voor 2010 nog van kracht moeten zijn.</al><al>Citeertitel</al><al>Er is voor gekozen om deze verordening aan te halen als
                    Brandbeveiligingsverordening 2010. dit ter onderscheiding van de
                    Brandbeveiligingsverordening Apeldoorn 2010, die op 4 maart 2010 in werking is
                    getreden, maar nu dus van rechtswege vervalt door de inwerkingtreding van de Wet
                    veiligheidsregio’s.</al><al><cursief>Intrekken</cursief><cursief> regeling</cursief></al><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkingtreding van
                    de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond: de
                    Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel
                    144 Gemeentewet genoemde wijze.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>