<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR419004_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Protocol T-correctie Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2016-4209.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dWaterschapsblad%26vrt%3dProtocol%2bT-correctie%2bAmstel%252c%2bGooi%2ben%2bVecht%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20151007%26epd%3d20161007%26sdt%3dDatumPublicatie%26ap%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Waterschapsblad 2016, 4209</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Protocol T-correctie Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=123 lid 3 onderdeel b">artikel 123 lid 3 onderdeel b van de Water­schapswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>AH 16/01</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Protocol T-correctie Amstel, Gooi en Vecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De ambtenaar belast met de heffing van waterschapsbelastingen van
                        Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht</al><al/><al>(AH 16/01)</al><al/><al><cursief>overwegende </cursief></al><al/><al>dat het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht
                        bij besluit van 19 december 2006, DB 06/855, heeft besloten aan te wijzen
                        als ambtenaar belast met de heffing als be­doeld in artikel 123 lid 3
                        onderdeel b van de Water­schapswet het hoofd van de afdeling Belastingen van
                        de sector Klant, Markt en Relaties van de stichting Waternet;</al><al/><al>dat het gewenst is om regels vast te leggen voor de vaststelling van het
                        percentage biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbaar materiaal in het
                        afvalwater en voor de bepaling van de hoedanigheidscorrectie of
                        T-correctie;</al><al/><al><cursief>gelet op </cursief></al><al/><al>artikel 122g van de Water­schapswet en artikel 7.5, lid 4 van de
                        Waterwet;</al><al/><al>artikel 12 van de Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht en
                        artikel 13 van de Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en
                        Vecht;</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>vast te stellen het Protocol T-correctie Amstel, Gooi en Vecht (zie
                        bijlage);</al><al/><al>dat dit besluit in werking treedt op 1 juni 2016.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoud</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al><vet>1 Wettelijk kader en doel 7</vet></al><al>1.1 Wettelijk kader 7</al><al><onderstreept>Verontreinigingsheffing</onderstreept> 7</al><al>1.2 Toelichting 8</al><al>1.3 Doel Protocol T-correctie 9</al><al>1.4 Leeswijzer 9</al><al/><al><vet>2 Toepassingsgebieden en uitvoeringsaspecten 10</vet></al><al>2.1 Toepassingsgebied niet biologisch gezuiverd afvalwater 10</al><al>2.1.1 Bepaling biologische afbraak 10</al><al>2.1.2 Percolatiewater en grondwater 11</al><al>2.2 Toepassingsgebied biologisch gezuiverd afvalwater 11</al><al>2.2.1 Criterium goed werkend en zuiverende biologische waterzuivering
                            11</al><al>2.2.2 Biodegradatieonderzoek 11</al><al>2.2.3 Toxiciteitsonderzoek ten behoeve van biodegradatieonderzoek
                            13</al><al>2.2.4 Biodegradatieonderzoek en onopgeloste stoffen 13</al><al/><al><vet>3 Aanvraag van de T-correctie 14</vet></al><al>3.1 Beschrijving wijze van aanvraag 14</al><al>3.2 Inhoud onderzoeksvoorstel 15</al><al>3.3 Frequentie en invulling T-correctie onderzoek biologisch gezuiverd
                            water 16</al><al/><al><vet>4 Wijze van berekening T-correctie met CZV-methode 17</vet></al><al>4.1 Niet biologisch gezuiverd afvalwater 17</al><al>4.2 Biologisch gezuiverd water 17</al><al>4.2.1 BZV-oneindig onderzoek 17</al><al>4.2.2 Zahn-Wellens onderzoek 19</al><al>4.2.3 Toepassing f-factor 19</al><al/><al><vet>5 Wijze van onderzoek en gebruikte analysemethodieken 20</vet></al><al>5.1 Algemeen 20</al><al>5.1.1 Toxiteitstesten en biodegradatietesten 20</al><al>5.1.2 Standaardisatie 20</al><al>5.2 LUMIStox test volgens NEN-ISO 11348-3 21</al><al>5.3 Respiratieremmingstest volgens NEN-EN ISO 8192 21</al><al>5.4 BZV-toxiciteitstest (glucose/glutaminezuur test conform NEN-EN
                            1899-1) 22</al><al>5.5 Zahn-Wellens onderzoek NEN-EN-ISO 9888 22</al><al>5.6 BZV-oneindig onderzoek volgens NEN-EN 1899-1 24</al><al/><al><vet>6 Kwaliteitszorg 26</vet></al><al>6.1 Eisen ten aanzien van het onderzoek 26</al><al>6.2 Eisen ten aanzien van het uitvoerende laboratorium en/of
                            adviesbureau 26</al><al/><al><vet>Bijage 1 – Beslisboom T-correctie protocol 27</vet></al><al/><al><vet>Bijlage 2: Voorbeeldberekening BZVoneindig bepaling op basis van
                                BZV<inf>n</inf> onderzoek 29</vet></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Voorwoord</label></kop><al>Dit protocol is bedoeld voor het vastleggen van het beleid van
                            Hoogheem-raadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) voor het bepalen van de
                            hoedanigheids-correctie in afvalwater: de zogenoemde T-correctie. Dit
                            protocol volgt grotendeels het protocol dat in december 2015 door de
                            Unie van Waterschappen is vastgesteld. Dat protocol is opgesteld door de
                            Werkgroep Waterheffingen (voorheen het Landelijk Bestuurlijk
                            OverlegWater, en daarvoor de Commissie Integraal Waterbeheer). In
                            sommige gevallen wordt daarvan afgeweken. Dit gebeurt op grond van eigen
                            afwegingen, waarbij ook het Protocol T-correctie HHNK 2016 van het
                            Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier model heeft gestaan.</al><al/><al>De mogelijkheid tot het toepassen van de T-correctie volgt sinds 2009
                            uit de Waterwet (verontreinigingsheffing) en de Waterschapswet
                            (zuiveringsheffing). Daarvoorwas deze geregeld in de Wet verontreiniging
                            oppervlaktewateren. De wet schrijft echter niet voor hoe de T-correctie
                            dient te worden bepaald. Een aantal waterkwaliteits-beheerdershad dan
                            ook een eigen aanpak. Om meer eenduidigheid te creëren heeft de Unie van
                            Waterschappen (UvW) in december 2006 een handreikingvoor het bepalen van
                            de T-correctie gepubliceerd, die de basisdient te vormen voor een
                            uniforme aanpak door alle waterkwaliteitsbeheerders. AGV had geen eigen
                            beleid vastgesteld, maar volgde dit protocol. Sommige waterschappen
                            gaven echter de voorkeur aan eigen, deels afwijkende regels.</al><al/><al>In 2013 is een STOWA onderzoek uitgevoerd naar optimalisatie en
                            uniformering van het T-correctieonderzoek, waarbij meer duidelijkheid is
                            verkregen ten aanzien van enkele uitvoeringsproblemen. Op basis van de
                            aanbevelingen uit dit STOWA onderzoek is het T-correctieprotocol van de
                            UvW uit 2006 aangepast door de Werkgroep Waterheffingen.</al><al/><al>AGV heeft nu gemeend om, omwille van de duidelijkheid, eigen
                            beleidsregels te moeten opstellen.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1</nr><titel>Wettelijk kader en doel</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk wordt het wettelijk kader voor de T-correctie geschetst
                            en toegelicht. Verder wordt ingegaan op het doel van dit protocol.</al></artikel><artikel><kop><label>1.1 Wettelijk kader</label></kop><al>De T-correctie is relevant voor twee heffingen via twee wettelijke
                            grondslagen:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>Verontreinigingsheffing (Waterwet);</al></li><li nr="-"><al>Zuiveringsheffing (Waterschapswet en het
                                    Waterschapsbesluit).</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>V</onderstreept><onderstreept>erontreinigingsheffing</onderstreept></al><al>De wettelijke grondslag voor de T-correctie wordt in de Waterwet als
                            volgt verwoord in artikel 7.5, lid 4: <cursief>Indien de uitkomst van de
                                methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in
                                belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet
                                afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast,
                                overeenkomstig bij ministeriële regeling, onderscheidenlijk
                                belastingverordening te stellen regels.</cursief></al><al/><al>Voor de kwantificering van de term ‘belangrijke mate’ wordt in het
                            berekeningsvoorschrift van de T-correctie in de Waterwet aangegeven
                            dat:</al><al><cursief>Indien het chemisch zuurstofverbruik (CZV) voor ten minste 25 %
                                afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare
                                stoffen in het afvalwater, wordt op deze CZV-waarde een correctie
                                toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk (100-T)/75,
                                waarbij T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of
                                nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</cursief></al><al/><al><onderstreept>Zuiveringsheffing</onderstreept></al><al>De wettelijke grondslag voor de T-correctie wordt in de Waterschapswet
                            als volgt verwoord in artikel 122g:</al><al><cursief>1. Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van
                                door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens,
                                overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen
                                regels.</cursief></al><al><cursief>2. Bij de maatregel kan worden bepaald dat ter uitvoering van
                                die maatregel nadere regels worden gesteld bij verordening van het
                                algemeen bestuur.</cursief></al><al/><al>Uitwerking vindt plaats in artikel 6.12, lid 5, Waterschapbesluit:</al><al><cursief>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                                zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch
                                niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een
                                correctie toegepast. Het algemeen bestuur geeft omtrent die
                                correctie nadere regels bij belastingverordening.</cursief></al><al/><al>Deze nadere regels worden gesteld in de Verordening Zuiveringsheffing
                            Amstel Gooi en Vecht, Bijlage I, onderdeel C - II:</al><al/><al><cursief>Indien de CZV–waarde voor ten minste 25 % afkomstig is van
                                biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het
                                afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te
                                vermenigvuldigen met de breuk (100 – T) / 75</cursief></al><al><cursief>waarbij T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of
                                nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>1.2 Toelichting</label></kop><al>Als afvalwater in het oppervlaktewater of op het riool wordt geloosddan
                            is daarvoor een heffing verschuldigd (respectievelijk
                            verontreinigingsheffing of zuiveringsheffing). De hoogtevan de heffing
                            is mede afhankelijk van de hoeveelheid en de soort stoffendie worden
                            geloosd. Bij lozingen met een relatiefhoge vuillast of die relatiefzeer
                            veel afvalwater lozen wordt de vervuilings-waarde vastgesteld door
                            middel van meting, bemonstering en analyse. De vervuilingswaarde wordt
                            bepaald aan de hand van chemisch zuurstofverbruik. Nadeel hiervan is dat
                            er stoffenzijn die wel chemisch afgebroken kunnen worden, en dus
                            bijdragen aan de CZV, maar biologisch niet. Als deze biologisch niet of
                            nagenoegniet afbreekbare fractie(≤10 % afbreekbaar) een belangrijk deel
                            (≥25%) van de het CZV gehalte uitmaakt kan vanwege de hoedanigheid van
                            verbindingen in het afvalwater een correctieworden toegepast op de
                            heffing: de T-correctie.</al><al/><al>De basis voor de T-correctie is de toenmalige wijziging van de grondslag
                            voor de verontreinigingsheffing in 1986. Deze hield in dat de heffing
                            berekend werd op basis van de CZV vrachtin plaats van de BZV5 vracht. De
                            T-correctie is in het leven geroepenom aan onbillijkheden van
                            overwegende aard tegemoet te komen, die daardoor ontstonden. Om tegemoet
                            te komen aan de bedrijven die slecht afbreekbaar CZV lozen en daardoor
                            ineenseen veel hogere heffing moesten betalen, is de T-correctie
                            ontwikkeld.</al><al/><al>De T-correctie mag worden toegepastals de CZV-waarde voor minimaal 25%
                            afkomstig is van biologisch niet of nagenoegniet afbreekbare stoffen.De
                            T-correctie geldt alleen als een correctie op de CZV waarde en niet op
                            de stikstofwaarde. </al><al/><al>De uitvoeringsmethodevan het onderzoek naar de T-correctie is
                            afhankelijkvan of het al dan niet biologisch gezuiverd afvalwater
                            betreft. Dit zijn de toepassings-gebieden voor deze correctie. In
                            hoofdstuk 2 wordt hier nader op ingegaan.</al><al/><al>Voor het mogen toepassen van de T-correctie is in alle gevallen
                            schriftelijke toestemming nodig van Waternet, namens AGV. Deze
                            toestemming wordt op aanvraag verleend bij beschikking. Verzoeken kunnen
                            worden gedaan voor toepassing van de T-correctie op biologisch gezuiverd
                            afvalwater of niet biologisch gezuiverd afvalwater.</al><al>In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de wijze van aanvragen.</al><al/><al>Op grond van jurisprudentie is ‘niet of nagenoeg niet biologisch
                            afbreekbaar’ gekwantificeerd als een percentage van niet meer dan 10 %
                            biologische afbraak.</al><al/><al>De heffing is gebaseerd op CZV en gereduceerde stikstof. In de Waterwet
                            en de verordeningen wordt echter bij de T- correctie alleen ingegaan op
                            CZV. Hierna wordt er dan ook van uitgegaan dat de T-correctie alleen
                            wordt toegepast als correctie op het CZV-gehalte.</al><al/><al>Dit protocol geeft nadere regels over:</al><lijst><li nr="-"><al>onder welke voorwaarde de T-correctie toegepast mag worden;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop het percentage niet of nagenoeg niet afbreekbare
                                    stoffen in het afvalwater moet worden bepaald;</al></li><li nr="-"><al>welke toxiciteitstesten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="-"><al>de berekeningswijze waarop de correctie wordt vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>de nauwkeurigheid waarmee het onderzoek plaatsvindt;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop het verzoek ingediend moet worden;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>zaken die maatwerk zijn per bedrijf, zoals o.a. de
                                    meetfrequentie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>1.3 Doel Protocol T-correctie</label></kop><al>Belastingplichtigen kunnen bij de ambtenaar belast met de heffing een
                            verzoek indienen voor toepassing van de T-correctie
                            (hoedanigheidscorrectie) bij het berekenen van de vervuilingswaarde van
                            het afvalwater. Verzoeken worden zowel gedaan voor afvalwater dat
                            biologisch is gezuiverd, als voor afvalwater dat niet biologisch wordt
                            gezuiverd.</al><al>In artikel 6.12, lid 5 van het Waterschapsbesluit wordt aangegeven dat
                            de kwaliteits-beheerder omtrent de correctie nadere regels geeft bij
                            belastingverordening. Er wordt veelal niet expliciet omschreven op welke
                            wijze het percentage biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare
                            stoffen in het afvalwater moet worden bepaald.</al><al>Voor het aanvragen en toepassen van de T- correctie en de methodiek en
                            wijze van vaststelling van het percentage biologisch niet of nagenoeg
                            niet afbreekbaar materiaal in het afvalwater wordt uniformiteit in
                            regelgeving nagestreefd door de Unie van Waterschappen en
                            Rijkswaterstaat. Dit protocol komt om die reden grotendeels overeen met
                            het protocol dat is opgesteld door Werkgroep Waterheffingen dat weer
                            grotendeels aansluit bij de in 2007 gepubliceerde handreiking van de
                            Unie van Waterschappen, ‘Handreiking voor onderzoek voor de bepaling van
                            de alfa -factor in biologisch gezuiverd afvalwater ten behoeve van de
                            berekening van de T-correctie’.</al></artikel><artikel><kop><label>1.4 Leeswijzer</label></kop><al>In hoofdstuk 2 staan de toepassingsgebieden genoemd van T-correctie voor
                            biologisch gezuiverd en ongezuiverd afvalwater. Daarbij wordt beschreven
                            hoe de uitvoering van het T-correctie onderzoek er over het algemeen uit
                            ziet en worden enkele criteria beschreven waaraan het onderzoek moet
                            voldoen.</al><al>In hoofdstuk 3 staat de wijze van aanvraag van een T-correctie onderzoek
                            beschreven en waaraan het onderzoeksvoorstel moet voldoen. </al><al>In hoofdstuk 4 wordt de wijze van berekening van de T-correctie
                            toegelicht voor biologisch gezuiverd en ongezuiverd afvalwater.</al><al>In hoofdstuk 5 worden de te gebruiken analysemethodieken
                            toegelicht.</al><al>In hoofdstuk 6 worden de eisen ten aanzien van de kwaliteitszorg bij het
                            onderzoek besproken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2</nr><titel>Toepassingsgebieden en uitvoeringsaspecten</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de toepassingsgebieden van de
                            T-correctie: niet biologisch gezuiverd afvalwater en biologisch
                            gezuiverd afvalwater. Per toepassingsgebied wordt ingegaan op relevante
                            uitvoeringsaspecten.</al></artikel><artikel><kop><label>2.1 Toepassingsgebied niet biologisch gezuiverd afvalwater</label></kop><al>De T-correctie voor niet biologisch gezuiverd afvalwater wordt alleen
                            toegestaan op basis van de stoffenbenadering. Een BZV-benadering op de
                            gehele afvalwaterstroom wordt niet toegestaan vanwege de te grote kans
                            op afwijkingen in de analyseresultaten. Deze afwijkingen ontstaan onder
                            andere door de wisselende samenstelling van het afvalwater, aanwezigheid
                            van toxische stoffen en de onnauwkeurigheid van de bestaande
                            biochemische analysemethodieken.</al><al/><al>Bij niet biologisch gezuiverd afvalwater, moet dus per stof worden
                            aangetoond dat deze biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbaar is,
                            zodat ook het aandeel per stof in percentage T kan worden uitgedrukt. De
                            T-factor wordt berekend door sommering van de percentages van de
                            verschillende stoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>2.1.1 Bepaling biologische afbraak</label></kop><al>Naar aanleiding van jurisprudentie en landelijk uitgebrachte adviezen
                            wordt maximaal 10% afbraak, uitgedrukt in zuurstofverbruik ten opzichte
                            van de CZV- waarde van de oorspronkelijke stof, als grenswaarde
                            aangehouden voor de classificatie ‘niet of nagenoeg niet biologisch
                            afbreekbare stof’. Normaliter is bij een bedrijf bekend, of mag bekend
                            worden verondersteld, welke stoffen in het afvalwater terecht komen. Op
                            basis van analyse (biodegradatieonderzoek op een specifieke stof) en
                            berekening van de specifieke stoffen wordt door het bedrijf aangetoond
                            welke stoffen voor minder dan 10% biologisch afbreekbaar zijn en welk
                            CZV- aandeel deze stoffen hebben in de totale geloosde CZV-vracht. Op
                            basis van toxiciteits- en (een) respiratieremmingstest(en) wordt ook
                            aangetoond in hoeverre deze niet of nagenoeg niet biologisch afbreekbare
                            stoffen toxisch zijn voor micro organismen. Als het een toxische stof
                            betreft wordt een correctiebepaling op deze stof via een
                            biodegradatiemethode niet toegestaan. Vaststelling vindt dan plaats met
                            behulp van andere gegevens en/of door de waterbeheerder goedgekeurde
                            methoden (b.v. speciaal onderzoek, beëdigde verklaring van meerdere
                            onafhankelijke ter zake kundige chemici etc.).</al><al/><al>Als er gegevens bestaan over de afbreekbaarheid van een stof
                            (bijvoorbeeld uitgevoerd door de fabrikant) en men hier gebruik van wil
                            maken, wordt de wijze waarop deze afbreekbaarheid is bepaald kenbaar
                            gemaakt aan AGV. Resultaten van biodegradatieonderzoek uitgevoerd door
                            de fabrikant, waarover geen informatie bekend is of gemaakt (mag)
                            worden, zullen niet worden geaccepteerd bij de aanvraag. Verificatie van
                            gegevens door het waterschap dient mogelijk te zijn waarbij de aanvrager
                            de kosten van het onderzoek draagt.</al></artikel><artikel><kop><label>2.1.2 Percolatiewater en grondwater</label></kop><al>Ook percolatiewater (het afvalwater afkomstig van het stortlichaam van
                            vuilstortplaatsen) en grondwater afkomstig van bronneringen en
                            bodemsaneringen wordt beschouwd als niet biologischgezuiverd afvalwater.
                            Voor deze afvalwater-stromen geldt de stoffenbenadering.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2 Toepassingsgebied biologisch gezuiverd afvalwater</label></kop><al>Bij biologisch gezuiverd afvalwater is het niet meer mogelijk om van de
                            stoffen afzonderlijk een balans te maken door het ontstaan van
                            (onbekende) afbraakproducten. Om deze reden kan het effluent van de
                            biologische zuiveringsinstallatie niet via de stoffenbenadering worden
                            onderzocht en wordt een andere methodiek (zoals biochemische afbraak)
                            gevolgd. De biologische zuivering moet goed werken en een stabiel
                            zuiveringsrendement hebben. Om de T-correctie te bepalen is een
                            biodegradatieonderzoek nodig en mag het niet toxisch zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2.1 Criterium goed werkend en zuiverende biologische waterzuivering </label></kop><al>Een voorwaarde voor toepassing van de T-correctie voor biologisch
                            gezuiverd water is dat er sprake is van een goed werkenden zuiverend
                            biologisch zuiverings-proces. In de meetbeschikking wordt de toepassing
                            van de T-correctie gekoppeld aan (minimum en maximum) grenswaarden voor
                            CZV, stikstof-Kjeldahl en onopgeloste bestanddelen en/of bezinkbare
                            bestanddelen. Een grenswaarde voor BZV5 is doorgaans minder zinvol,
                            omdat er geen 1:1 relatie is tussen het BZV5 en de CZV als het water
                            volledig gemineraliseerd slib bevat. De BZV<inf>5</inf> kan wel als
                            grenswaarde dienen om aan te tonen dat er een biologische overbelasting
                            plaatsvindt met als resultaat een slecht werkende zuivering. De absolute
                            waarde van de grenswaarden is maatwerk, maar dient vastgesteld te worden
                            op basis van de werkelijke effluentwaarden bij een goed
                            werkendezuivering. Indienniet aan de grenswaardenof voorwaarden wordt
                            voldaan mag de T-correctie niet worden toegepast en zal de
                            vervuilings-waarde worden berekend op basis van de reguliere
                            heffingsformule. Dit wordt per meetdag bezien.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2.2 Biodegradatieonderzoek</label></kop><al>Er zijn twee types biodegradatietesten die gebruikt worden als basis
                            voor de T-correctie:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>BZV-oneindig onderzoek</al></li><li nr="2."><al>Zahn-Wellens onderzoek</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>BZV-oneindig onderzoek</onderstreept></al><al>Het BZV-oneindig onderzoek wordt gebruikt om het biologische afbraakbare
                            deel van de CZV te bepalen. Het BZV-oneindig gehalte wordt bepaald op
                            basis van de uitkomsten van de BZVn-analyse<sup>1</sup>. De biologische
                            afbreekbaarheid van CZV wordt hierbij bepaald, door op meerdere (n)
                            dagen het BZV te meten. Op basis hiervan wordt door middel van lineaire
                            regressie de waarde van BZV-oneindig (BZV∞) berekend.</al><al/><al>Randvoorwaarden bij het bepalen van de BZV-oneindig zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Deze test is niet toepasbaar als het afvalwatermonster grote
                                    hoeveelheden niet opgelost koolstof bevat. De grenswaarde is
                                    maximaal 0,2 ml bezinksel. Als deze grenswaarde wordt
                                    overschreden moet het monster worden gefiltreerd (zie
                                    2.2.4);</al></li><li nr="-"><al>Het te onderzoeken water mag niet toxisch zijn (zie 2.2.3);</al></li><li nr="-"><al>Het monster voor de BZVn-analyse wordt binnen 12 uur na
                                    bemonstering ingezet. Invriezing is niet toegestaan;</al></li><li nr="-"><al>Alle meetpunten en verdunningen die de BZVn-analyse worden
                                    verkregen en gebruikt moeten worden gerapporteerd aan het
                                    bevoegd gezag.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Zahn-Wellens onderzoek</onderstreept></al><al>Het Zahn-Wellens onderzoek<sup>2</sup> is een biodegradatieonderzoek
                            waarmee de afbreekbaarheid van de opgeloste organische koolstof
                            (substraat) in een monster wordt bepaald. Op de uitkomsten van het
                            Zahn-Wellens onderzoek kan het onafbreekbaarheidspercentage T worden
                            gebaseerd.</al><al/><al>Voor beide methodes geldt dat correctie voor de aanwezigheid van
                            onopgeloste bestanddelen alleen mogelijk is via de stoffenbenadering.
                            Anders geldt hiervoor de reguliere heffingsformule berekening zonder
                            T-correctie.</al><al/><al>Randvoorwaarden bij het uitvoeren van het Zahn-Wellens onderzoek
                            zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Het onderzoek is niet toepasbaar als het afvalwatermonster grote
                                    hoeveelheden niet opgelost koolstof bevat. Om dit te bepalen
                                    wordt gebruik gemaakt van de DOC (dissolved organic carbon)
                                    analyse en de TOC (total organic carbon) analyse. Als DOC ≤ 90 %
                                    van TOC, wordt het monster gefiltreerd voor het uitvoeren van de
                                    test (zie 2.2.4);</al></li><li nr="-"><al>Het te onderzoeken water mag niet toxisch zijn (zie 2.2.3);</al></li><li nr="-"><al>In het te onderzoeken monster is een minimale hoeveelheid
                                    substraat aanwezig (≥100 mg CZV/l) om een (nauwkeurige) bepaling
                                    mogelijk te maken;</al></li><li nr="-"><al>Als het niet mogelijk blijkt om de biologische afbraak
                                    nauwkeurig vast te stellen, dan is er geen recht op T-correctie.
                                    Dergelijke situaties spelen onder andere een rol als er sprake
                                    is van een verstoring in de resultaten van een
                                    biodegradatieonderzoek (waardoor bijvoorbeeld de CZV waarde
                                    kleiner is dan BZV-oneindig, etc.).</al></li></lijst><al/><al>Bij een eerste T-correctie onderzoek per meetperiode worden ter
                            vergelijking zowel een Zahn-Wellens onderzoek als een BZV-oneindig test
                            naast elkaar uitgevoerd. Als er tussen de resultaten van het
                            Zahn-Wellens onderzoek en de BZV-oneindig test niet meer dan 10%
                            afwijking bestaat wordt de T-correctie toegestaan op basis van de
                            BZV-benadering.</al><al>Bij een verschil groter dan 10% wordt de T-correctiefactor middels Zahn
                            Wellens onderzoeken bepaald.</al><al/><al><sup>1 </sup> ISO 5815-1: ISO 5815-1 en 2, NEN-EN 1899-1 en 2</al><al><sup>2 </sup>NEN-EN-ISO 9888: ISO 9888:1999</al></artikel><artikel><kop><label>2.2.3 Toxiciteitsonderzoek ten behoeve van biodegradatieonderzoek</label></kop><al>Er moet onderzocht worden of de analyses van de biochemische afbraak
                            niet worden geremd door de aanwezigheid van toxische en/of remmende
                            stoffen. De te gebruiken toxiciteitstest is afhankelijk van de gebruikte
                            bio-degeneratietest. Er kan gebruik gemaakt worden van de volgende
                            toxiciteitstesten:</al><lijst><li nr="-"><al>Respiratieremmingstest en BZV-toxiciteitstest in combinatie met
                                    een BZV-oneindig onderzoek</al></li><li nr="-"><al>Respiratieremmingstest in combinatie met een Zahn-Wellens
                                    onderzoek</al></li></lijst><al/><al>In effluenten van goed werkende biologische zuiveringsinstallaties, die
                            in aanmerking komen voor een T-correctie op basis van een BZV-oneindig
                            onderzoek, kan worden volstaan met een BZV-toxiciteitstest (BZV-test met
                            glucoseglutaminezuuroplossing) én respiratieremmingstest. De
                            respiratie-remmingstest mag, als deze geen toxiciteit oplevert, na
                            enkele onderzoeken stoppen. De BZV-toxiciteitstest blijft bij een
                            BZV-oneindig onderzoek altijd vereist. Hiervoor wordt gebruik gemaakt
                            van een standaardoplossing van glutaminezuur waarvan de BZV wordt
                            bepaald in meerdere mengsels waarbij de glutaminezuur-oplossing gemengd
                            is met verschillende hoeveelheden van het te onderzoeken afvalwater. De
                            uitkomsten worden vergeleken met de standaardoplossing zonder toevoeging
                            van het te onderzoeken monster.</al><al/><al>Als blijkt dat het geloosde afvalwater toxische eigenschappen bezit
                            waardoor het uitvoeren van het biodegratieonderzoek niet goed mogelijk
                            is, dan wordt een T-correctie op basis van dit onderzoek niet
                            toegestaan. Berekening van de vervuilingswaarde vindt dan plaats via de
                            reguliere heffingsformule, of op een andere, binnen de verordening
                            vastgestelde, wijze.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2.4 Biodegradatieonderzoek en onopgeloste stoffen</label></kop><al>Het biodegradatieonderzoek wordt uitgevoerd in afvalwater zonder
                            bezinksel. Bij het onderzoek voor de T-correctie kunnen vaste deeltjes
                            in het afvalwater namelijk storend werken door adsorptie van de
                            vervuiling.</al><al/><al>Bij een BZV biodegradatieonderzoek wordt het monster bij aanwezigheid
                            van onopgeloste bestanddelen gefiltreerd, te weten als het monster ≥ 0,2
                            ml bezinksel bevat per liter effluent (Imhoff-bepaling 1 uur). Filtratie
                            van het monster wordt voorgeschreven met een GF filter met poriëngrootte
                            van 1,6 µm (zoals aangegeven in de NEN-EN ISO normen voor BZV).</al><al/><al>Bij het Zahn-Wellens onderzoek wordt er bij aanwezigheid van onopgelost
                            materiaal al standaard gefiltreerd. Een Zahn-Wellens
                            biodegradatieonderzoek is niet van toepassing op onopgelost materiaal en
                            is alleen bedoeld om de afbraak van de opgeloste organische stoffractie
                            te bepalen.</al><al/><al>De biologische afbreekbaarheid van de onopgeloste stoffen wordt dan
                            apart via de stoffenaanpak onderzocht, of anders geldt hiervoor de
                            reguliere heffingsformule.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>3</nr><titel>Aanvraag van de T-correctie</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de manier waarop de T-correctie moet
                            worden aangevraagd, de vereisten voor het onderzoeksvoorstel en de
                            frequentie voor het bepalen.</al></artikel><artikel><kop><label>3.1 Beschrijving wijze van aanvraag</label></kop><al>Voor de verontreinigingsheffing en de zuiveringsheffing is een verzoek
                            om toepassing van de T-correctie nodig [3]. Om te komen tot een juist
                            opgesteld verzoek tot T-correctie worden ten minste de volgende stappen
                            ondernomen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager neemt eerst contact op met de ambtenaar belast met
                                    de heffing voor een oriënterend gesprek.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar belast met de heffing stelt gezamenlijk met de
                                    aanvrager vast om welk type afvalwater het gaat, welke
                                    onderdelen van het T-correctie protocol van toepassing zijn,
                                    laboratoriumkeuze en wijze van onderzoek, etc.</al></li><li nr="3."><al>De aanvrager of diens gemachtigde dient een schriftelijk
                                    onderzoeksvoorstel in met minimaal de in paragraaf 3.2 genoemde
                                    elementen.</al></li><li nr="4."><al>Na goedkeuring van het onderzoeksvoorstel wordt door de
                                    ambtenaar belast met de heffing een voor bezwaar vatbare
                                    beschikking afgegeven met daarin minimaal opgenomen:</al><al>a) De wijze van berekening van de correctie;</al><al>b) De hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                    correctie van toepassing is;</al><al>c) De frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                    meting, bemonstering en analyse;</al><al>d) Een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                    waarvoor de beschikking wordt gegeven;</al><al>e) Grenswaarden waar beneden de correctie wordt toegestaan omdat
                                    dan sprake is van een goed werkende zuivering. </al></li><li nr="5."><al>Nadat de beschikking is afgegeven kan het onderzoek worden
                                    uitgevoerd.</al><al>Als geen goedkeuring wordt gegeven aan het onderzoeksvoorstel
                                    vindt er opnieuw overleg plaats met de ambtenaar belast met de
                                    heffing of kan bezwaar worden ingediend tegen de afwijzing.</al></li><li nr="6."><al>Na afloop van het onderzoek worden alle onderzoeksresultaten en
                                    bijbehorende informatie aan de ambtenaar belast met de heffing
                                    overlegd. </al></li><li nr="7."><al>Na ontvangst
                                    vanderesultatenvanhetonderzoekeneenpositiefresultaat(T&gt;25%)
                                    volgt een bevestiging door de ambtenaar belast met de heffing me
                                    tdaarin het percentage T-correctie of de rekenkundig gemiddelde
                                    f-factor.</al></li><li nr="8."><al>Bij het opleggen van de aanslag staat de mogelijkheid op en om
                                    bezwaar en beroep aan te tekenen.</al></li></lijst><al/><al>[3] Zoals voorgeschreven in de Verordening Verontreinigingsheffing AGV
                            en Verordening Zuiveringsheffing AGV</al></artikel><artikel><kop><label>3.2 Inhoud onderzoeksvoorstel</label></kop><al>Het verzoek gaat vergezeld van een onderzoeksvoorstel. In het voorstel
                            zijn minimaal de volgende onderdelen aanwezig:</al><lijst><li nr="1."><al>Een omschrijving van de waterstromen waarop het onderzoek van
                                    toepassing is (dit kunnen meerdere stromen zijn bij hetzelfde
                                    object);</al></li><li nr="2."><al>De wijze van meten en bemonsteren;</al></li><li nr="3."><al>De frequentie van meten, bemonsteren en analyseren, verdeeld
                                    over het jaar, om een representatief aantal monsters te
                                    verkrijgen en in relatie met de productie of andere bepalende
                                    omstandigheden;</al></li><li nr="4."><al>Het aantal voorgestelde dagen per periode van onderzoek en
                                    onderbouwing van het aantal;</al></li><li nr="5."><al>De naam van de partij of personen die het onderzoek uitvoeren
                                    (adviesbureau, laboratorium of medewerkers bedrijf of
                                    combinaties) met een verklaring dat men ‘gecertificeerd’ is
                                    voor</al></li></lijst><al/><al>Dit wordt aangevuld met de volgende gegevens afhankelijk van het type
                            water: </al><al/><al><onderstreept>Niet biologisch gezuiverd afvalwater</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Opgave van de stoffen die verantwoordelijk zijn voor het
                                    percentage CZV dat niet- of nagenoeg niet biologisch afbreekbaar
                                    zijn en hun (biologische) eigenschappen (de zogenoemde
                                    ‘productinformatie’);</al></li><li nr="2."><al>Wijze van berekening van het percentage CZV en kwantitatieve
                                    bepaling van hoeveelheden van de geanalyseerde verontreiniging
                                    die niet- of nagenoeg niet biologisch afbreekbaar is;</al></li><li nr="3."><al>Aantal uit te voeren biodegeneratie- en respiratieremming testen
                                    en de te gebruiken mediums per specifieke stof (afhankelijk van
                                    de eigenschappen van deze stoffen);</al></li><li nr="4."><al>Als geen onderzoek mogelijk is via een biodegeneratieproef, de
                                    wijze waarop de niet- biologisch afbreekbaarheid van de
                                    stof(fen) is vastgesteld en validatie van deze vaststelling door
                                    deskundigen.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Biologisch gezuiverd afvalwater</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Beschrijving en werking van de biologische zuiveringsinstallatie
                                    alsmede een opgave van de minimum en maximum grenswaarden voor
                                    CZV, stikstof-Kjeldahl en onopgeloste bestanddelen en/of
                                    bezinkbare bestanddelen in het effluent waartussen nog sprake is
                                    van een goed werkende biologische zuiveringsinstallatie en
                                    (mogelijk) een kopie van het logboek van het afgelopen
                                    jaar;</al></li><li nr="2."><al>Het type uit te voeren toxiciteitstesten, biodegeneratieproeven
                                    en te volgen methodieken, zoals eventuele
                                    voorbehandelingsmethoden;</al></li><li nr="3."><al>Het aantal uit te voeren biodegeneratie onderzoeken (waarbij de
                                    f-factor wordt bepaald);</al></li><li nr="4."><al>Herkomst van het entmateriaal ten behoeve van de biodegeneratie
                                    onderzoeken (van welke zuiveringsinstallatie entslib of effluent
                                    wordt gebruikt of het gebruik van commercieel verkrijgbaar
                                    entmateriaal, dat te gebruiken is in BZV onderzoek en BZV
                                    toxiciteitstest);</al></li><li nr="5."><al>Verklaring dat de T-correctie alleen toepast gaat worden op het
                                    deel opgeloste CZV in het afvalwater. Dit betekent dat tijdens
                                    de T-correctie onderzoeken de verhouding moet worden bepaald
                                    tussen de opgeloste en onopgeloste CZV.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>3.3 Frequentie en invulling T-correctie onderzoek biologisch gezuiverd water</label></kop><al>Het bedrijf toont het percentage T door middel van onderzoek aan in een
                            representatief aantal monsters. Het aantal monsters wat in het onderzoek
                            moet worden betrokken is daarom sterk afhankelijk van de kwaliteit en
                            variatie van het te onderzoeken afvalwater. Bij het onderzoek wordt
                            gekeken naar de werking van de biologische zuivering gedurende het
                            (ge)hele jaar (zomer of winter) en invloeden ten gevolge van
                            schommelingen in de samenstelling en/of productie. In elk geval dient
                            minimaal tweemaal per jaar (zomer- en winterperiode) een T-correctie
                            onderzoek plaats te vinden, tenzij een seizoensmatige invloed uit te
                            sluiten is.</al><al/><al>Bij alle bedrijven wordt de eerste keer in de T-correctie meetperiode
                            (en na gewijzigde productie) een uitgebreide BZV40 meting uitgevoerd met
                            minimaal 11 meetpunten die lineair verdeeld zijn over de onderzoeksduur.
                            In principe zou de maximaal gevonden BZV-waarde binnen het traject
                            tussen meetdag 19 en 40 gelden als BZV-oneindig, als een nagenoeg vaste
                            BZV-waarde (plateau) bereikt is.</al><al/><al>Als uit de uitgebreide BZV40 meting blijkt dat volstaan kan worden met
                            een BZV19 of BZV28 meting, dan mogen de vervolgmetingen in die
                            T-correctie meetperiode, uitgevoerd worden met een BZV19 of BZV28
                            meting, met minimaal 7 meetpunten die lineair verdeeld zijn over de
                            onderzoeksduur, met ATU toevoeging. Uit de meting zal blijken of de
                            meetdag na dag 19 noodzakelijk was. Indien de laatste meting
                            onbetrouwbaar is (door een verminderde werking van ATU), wordt deze
                            meting weggelaten in de berekening van BZV-oneindig.</al><al/><al>Bij een eerste T-correctie onderzoek per meetperiode, wordt ter
                            vergelijking zowel een Zahn-Wellens onderzoek als een BZV-oneindig test
                            naast elkaar uitgevoerd. Als er tussen de resultaten van het
                            Zahn-Wellens onderzoek en de BZV-oneindig test niet meer dan 10%
                            afwijking bestaat, dan wordt er van uitgegaan dat beide methodes voor
                            het onderzochte afvalwater een vergelijkbaar resultaat opleveren.
                            Vervolgonderzoek tijdens dezelfde meetperiode wordt dan toegestaan op
                            basis van BZV-oneindig onderzoek. Het duurdere Zahn-Wellens onderzoek
                            kan dan in het verdere vervolg achterwege blijven.</al><al/><al>Gezien de spreiding in resultaten kan er over het algemeen geen vaste
                            T-correctie gebruikt worden. De T-correctie moet daarom periodiek
                            opnieuw bepaald worden door onderzoek. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4</nr><titel>Wijze van berekenen T-correctie met CZV-methode</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Er zijn twee methodes in gebruik voor de toepassing en berekening van de
                            T-correctie:</al><lijst><li nr="-"><al>De stoffenbenadering (zie 2.1 en 4.1) voor niet biologisch
                                    gezuiverd water;</al></li><li nr="-"><al>Correctie (verlaging) van het geanalyseerde CZV-gehalte met een
                                    zogenaamde f-factor (zie paragraaf 2.2 en 4.2) voor biologisch
                                    gezuiverd water.</al></li></lijst><al/><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de berekeningswijze van de
                            verschillende methodes.</al></artikel><artikel><kop><label>4.1 Niet biologisch gezuiverd afvalwater</label></kop><al>Voor niet biologisch gezuiverd afvalwater geldt de stoffenbenadering.
                            Per stof moet worden aangetoond dat deze biologisch niet of nagenoeg
                            niet afbreekbaar is zodat ook het aandeel per stof in percentage T kan
                            worden uitgedrukt. De ‘gewogen’ som van elke afzonderlijke stof met
                            bijbehorende T- factor bepalen de uiteindelijke reductie van de totale
                            CZV- waarde.</al><al/><al>Nadat T is bepaald wordt het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van een
                            stof berekend volgens de formule:</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i6393fd63-1b9b-4e5e-9b1f-dea9d742be00" naam="i279611i6393fd63-1b9b-4e5e-9b1f-dea9d742be00.png" type="foto" breedte="8.9cm" hoogte="1.7cm"/></plaatje></al><al>Deze berekening is geschikt voor dag- en jaarberekening. Meestal wordt
                            hiervoor een dagvracht gebruikt die gecorrigeerd wordt voor het aantal
                            dagen dat deze stof per jaar wordt geloosd.</al></artikel><artikel><kop><label>4.2 Biologisch gezuiverd water</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>4.2.1 BZV-oneindig onderzoek</label></kop><al>De biochemische afbraak van organisch materiaal wordt als volgt
                            beschreven:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Bij de afleiding van BZV∞ dient altijd uitgegaan te worden van
                                    een 1e orde reactie. In de praktijk kan echter een afwijking
                                    ontstaan waardoor een pseudo 1e orde reactielijn ontstaat.</al></li><li nr="2."><al>De snelheid waarmeezuurstofdoorbacteriën wordtgebruikt (de
                                    snelheid waarmee het gemeten BZV toe neemt in de tijd)is
                                    evenredig aan de hoeveelheid nog in het water aanwezige
                                    organisch materiaal. De afbraak snelheid neemt namelijk af in de
                                    tijd.</al></li></lijst><al/><al>Dit betekent dat de afbraak verloopt volgens de
                            reactievergelijking:</al><al/><al>dBZV / dt = -k x BZV</al><al/><al>Stel dat de BZV5 het BZV is op het tijdstip t =0, dus bij het begin van
                            de BZV-oneindig bepaling. Het BZV op het tijdstipt = n dagen op BZVn. De
                            toename van de BZV gedurende de tijd n is BZVn - BZV5. De
                            evenredigheidsconstante k is te vergelijken met een snelheidsconstante
                            bij chemische reacties. De dimensie van k = tijd -1.</al><al/><al>Hieruit volgt:</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i24ed4005-21f3-4fd1-99c7-dc2ed45d331c" naam="i279617i24ed4005-21f3-4fd1-99c7-dc2ed45d331c.png" type="foto" breedte="12.8cm" hoogte="1.9cm"/></plaatje></al><al/><al>Door nu grafisch de Ln(BZV<inf>n</inf>/BZV<inf>5</inf>) uit te zetten
                            tegen 1/t kan de Ln(BZV∞/BZV<inf>5</inf>) worden afgelezen op het
                            snijpunt van de y–as, en daarmee BZV∞ worden berekend. Door middel van
                            lineaire regressie is het snijpunt op de y-as te berekenen. De regressie
                            wordt uitgevoerd op de analyseresultaten vanaf BZV<inf>5</inf> tot en
                            met BZV<inf>19</inf> of BZV<inf>40</inf>. In bijlage 2 is een
                            voorbeeldberekening opgenomen.</al><al/><al><cursief>Statistische benadering ter bepaling van BZV-oneindig in geval
                                van uitschieters in de meetwaarden.</cursief></al><al>Om te bepalen of er uitschieters zijn die weggelaten mogen worden in de
                            meetreeks, dient een statistische analyse uitgevoerd te worden bij de
                            uitwerking van de analyseresultaten. Van de 11 waarnemingen (zoals bij
                            een eerste BZV<inf>40</inf> meting) mogen er maximaal 2 onbetrouwbare
                            waarnemingen buiten beschouwing gelaten worden, als het kwadraat van de
                            correlatiecoëfficiënt (R<sup>2</sup>) hierdoor
                            toeneemt<sup>4</sup>.</al><al/><al>Hiervoor dient de lineaire regressie van
                            Ln(BZV<inf>n</inf>/BZV<inf>5</inf>) tegen 1/t, in eenzelfde meetreeks
                            steeds opnieuw uitgevoerd te worden, waarbij er in de meetreeks steeds
                            slechts één BZV<inf>n</inf> meetwaarde wordt weggelaten, waarna de
                            resulterende correlatiecoëfficiënten met elkaar vergeleken kunnen
                            worden.</al><al/><al>Bruikbare triplo en duplo metingen van de verschillende BZV
                            verdunningen, dienen in principe gemiddeld te worden, mits ze qua trend
                            met elkaar overeen komen. In geval van remming bij de BZV meting, kan
                            het voorkomen dat de meest verdunde reeks een beter verloop geeft van de
                            afbraak.</al><al/><al>Als de BZV-oneindig (BZV∞) is bepaald, is het mogelijk om de T-correctie
                            te bepalen. Het onafbreekbaarheidpercentage T wordt bepaald met</al><al/><al>T = ((CZV – BZV∞)/CZV) x 100%</al><al/><al>Als de CZV-waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet
                            of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die
                            waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de
                            breuk:</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i93a1c58d-9c3c-4f33-acd8-a81d7ddd2796" naam="i279619i93a1c58d-9c3c-4f33-acd8-a81d7ddd2796.png" type="foto" breedte="6.5cm" hoogte="1.2cm"/></plaatje></al><al>waarbij: T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of
                            nagenoeg niet afbreekbare stoffen, hierna het
                            onafbreekbaarheidpercentage genoemd.</al><al/><al>De biologische afbreekbaarheid van de onopgeloste stoffen dient apart
                            via de stoffenaanpak onderzocht te worden, of anders geldt hiervoor
                            geldt hiervoor de reguliere heffingsformule.</al><al/><al><sup>4</sup> Opgemerkt wordt dat alle waarnemingen aan AGV/Waternet
                            dienen te worden overgelegd. In overleg met de ambtenaar belast met de
                            heffing worden indien noodzakelijk maximaal 2 waarnemingen buiten
                            beschouwing gelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>4.2.2 Zahn-Wellens onderzoek</label></kop><al>Het onafbreekbaarheidspercentage T wordt met een Zahn-Wellens onderzoek
                            berekend met</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i2d683f98-d922-4b5c-ab75-e3db0ea30ac6" naam="i279621i2d683f98-d922-4b5c-ab75-e3db0ea30ac6.png" type="foto" breedte="4.7cm" hoogte="1.3cm"/></plaatje></al><al>Het gaat hierbij om de opgeloste CZV. De biologische afbreekbaarheid van
                            de onopgeloste stoffen kan apart via de stoffenaanpak onderzocht te
                            worden, of anders geldt hiervoor de reguliere heffingsformule.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>4.2.3 Toepassing f-factor</label></kop><al>Gedurende het gehele jaar moet de CZV waarde van het afvalwater water
                            bepaald worden. De CZV waarde moet vermenigvuldigd worden met de
                            f-factor. Deze f-factor wordt als volgt in de heffingsformule toegepast
                            ter bepaling van het aantal kg zuurstofverbruik:</al><al/><al><plaatje><illustratie id="ie6c79389-ce30-4862-bce9-0f71b1ae930f" naam="i279622ie6c79389-ce30-4862-bce9-0f71b1ae930f.png" type="foto" breedte="8.2cm" hoogte="1.5cm"/></plaatje></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>5</nr><titel>Wijze van onderzoek en gebruikte analysemethodieken</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende onderzoeken en
                            analyses die bij het bepalen van de T-correctie kunnen worden ingezet.
                            Hierbij wordt een beschrijving gegeven en wordt ingegaan op de
                            interpretatie van de uitkomsten.</al></artikel><artikel><kop><label>Algemeen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>5.1.1 Toxiteitstesten en biodegradatietesten</label></kop><al>Voor de bepaling van toxiciteit/remming bij de biodegradatie van het
                            afvalwatermonster, zijn de respiratieremmingtest naast de
                            BZV-toxiciteitstest (glucoseglutaminezuurtest) vereist. De
                            BZV-toxiciteitstest moet altijd worden uitgevoerd naast een BZV-oneindig
                            onderzoek. Bij een biodegradatieonderzoek met het Zahn-Wellens onderzoek
                            is de respiratieremmingstest de aangewezen methode om toxiciteit/remming
                            aan te tonen.</al><al/><al>Uit de praktijk blijkt dat afvalwater in het begin meestal toxisch is
                            door de aanwezigheid van o.a. detergenten en/of desinfectantia. De
                            LUMIStox kan worden gebruikt als een oriënterende graadmeter voor
                            toxiciteit om te bepalen of het afvalwater überhaupt toxisch is.
                            Bepalend voor een T-correctieonderzoek is echter de toxiciteit ten
                            aanzien van aëroob slib volgens NEN-EN-ISO 8192.</al></artikel><artikel><kop><label>5.1.2 Standaardisatie</label></kop><al>Ten behoeve van een optimaal onderzoeksresultaat en standaardisatie
                            gelden de volgende zaken:</al><lijst><li nr="-"><al>Omdat de toxiciteitstest en de biodegradatietest aan elkaar
                                    gerelateerd zijn, dient de herkomst van het entmateriaal (de
                                    gebruikte bacteriecultuur) voor beide testen gelijk te
                                    zijn.</al></li><li nr="-"><al>Het doel van de biodegradatietest is om een zo vergaand
                                    mogelijke biologische afbreekbaarheid aan te tonen. Hierdoor
                                    dient entmateriaal gebruikt te worden dat de grootst mogelijke
                                    afbreekbaarheid geeft.</al><al/><lijst><li nr="a)"><al> In de standaard gevallen kan de test geüniformeerd
                                            worden met het gebruik van effluent van een communale
                                            RWZI of standaard commercieel verkrijgbaar entmateriaal.
                                            Indien er geen vermoedelijk remmende componenten
                                            aanwezig zijn in het afvalwater en er een standaard
                                            BZV<inf>n</inf> onderzoek met BZV-toxiciteitstest
                                            uitgevoerd wordt, dan kan getest worden met effluent van
                                            een communale RWZI of standaard commercieel verkrijgbaar
                                            entmateriaal.</al></li><li nr="b"><al> Bij een Zahn-Wellens onderzoek en een
                                            respiratieremmingstest is de keuze aan entmateriaal in
                                            standaard gevallen beperkt tot actief slib van een
                                            communale RWZI.</al></li><li nr="c"><al>In de gevallen waar maatwerk noodzakelijk is, is
                                            geadapteerd entmateriaal nodig. Als het onderzoek
                                            maatwerk betreft, dan wordt in overleg met AGV/Waternet
                                            een entmateriaal en onderzoeksmethode gekozen.</al></li><li nr="d"><al> Bij de keuze van de herkomst van het entmateriaal,
                                            dient rekening gehouden te worden met eventueel remmende
                                            componenten die de afbraak zouden kunnen remmen bij
                                            ongeadapteerd slib, zoals bijvoorbeeld hoge
                                            zoutconcentraties of andere remmende stoffen.</al></li><li nr="e"><al>Bij hoge zoutconcentraties in het afvalwater wordt een
                                            actief slib/effluent gekozen dat geadapteerd is aan hoge
                                            zoutgehalten. Hetzelfde geldt in principe voor overige
                                            mogelijk storende componenten.</al></li><li nr="f"><al> Het bovenstaande ten aanzien van entmateriaal geldt
                                            voor zowel directe als indirecte lozingen van
                                            afvalwater.</al></li></lijst><al/></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>De respiratieremmingtest en BZV-toxiciteitstest worden met
                                    meerdere verdunningen en duplo’s uitgevoerd. Hierbij rekening
                                    houdend met de gebruikte verdunning als waarin het
                                    biodegradatieonderzoek wordt uitgevoerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Alle meetpunten en verdunningen, bij het biodegradatieonderzoek
                                    en de toxiciteitstesten, worden gerapporteerd aan AGV.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>5.2 LUMIStox test volgens NEN-ISO 11348-3</label></kop><al>Met de LUMIStox test kan op een snelle en eenvoudige wijze de acute
                            toxiciteit worden bepaald in waterige oplossingen. Het principe van de
                            test berust op het meten van de afname van de bio-luminescentie van de
                            bacterie Photobacterium Phosphoreum. Bij deze bacterie wordt de
                            bio-luminescentie veroorzaakt door energie die vrijkomt in de
                            citroenzuurcyclus. Bij verstoring van de citroenzuurcyclus (giftige
                            stoffen) neemt de bio-luminescentie af. Deze afname wordt als maat voor
                            de toxiciteit genomen.</al><al/><al>De resultaten van de test worden uitgedrukt in EC<inf>20</inf>- of
                            EC<inf>50</inf>-waarde of de toxiciteitindex (TI). De EC-waarde is de
                            concentratie waarbij respectievelijk 20% en 50% remming van de
                            activiteit plaatsvindt. De toxiciteitindex geeft de relatieve toxiciteit
                            van het monster aan. Dit is het aantal malen dat een monster moet worden
                            verdund om 20% remming te veroorzaken.</al><al>Bij de beoordeling van de toxiciteit wordt gebruik gemaakt van een
                            indeling in drie klassen:</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>TI &lt; 2</al></entry><entry><al>: niet of nauwelijks acuut toxisch</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>TI = 2-10</al></entry><entry><al>: matig acuut toxisch</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>TI &gt; 10</al></entry><entry><al>: sterk acuut toxisch</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Voor de beoordeling van toxiciteit/remming geldt: als
                            EC<inf>50</inf>-waarde niet bepaalbaar is in het onverdunde monster,
                            wordt het te testen monster als niet toxisch beschouwd.</al></artikel><artikel><kop><label>5.3 Respiratieremmingstest volgens NEN-EN ISO 8192</label></kop><al>Met deze test wordt de acute toxiciteit bepaald ten aanzien van aëroob
                            actief slib door meting van het respiratietempo. De test wordt als volgt
                            uitgevoerd:</al><al/><al>Het monster wordt in verschillende verdunningen aan een aëroob actief
                            slibmengsel toegevoegd. Het zuurstofverbruik van het slib wordt direct
                            na toevoeging van het al dan niet verdunde monster gemeten en
                            geregistreerd door middel van een zuurstofmeter en schrijver. Deze
                            gegevens worden vergeleken met gegevens van hetzelfde slib zonder
                            monster (= blanco). De procentuele remming wordt berekend met behulp van
                            de volgende formule:</al><al/><al>I = (1-Ra/Rb) x 100 %</al><al/><al>waarin:</al><lijst><li nr="I"><al> = Remming in %</al></li><li nr="Ra"><al> = het respiratietempo gemeten met het al dan niet verdunde
                                    monster (mg/l per uur)</al></li><li nr="Rb"><al> = het respiratietempo gemeten zonder monster (mg/l per
                                    uur)</al></li></lijst><al/><al>Op basis van het gemeten respiratietempo in het verdunde en onverdunde
                            monsters wordt bepaald of er remming plaatsvindt en in welke mate
                            bacteriën adapteren op het geloosde afvalwater.</al><al/><al>Door de resultaten van de verschillende verdunningen met elkaar te
                            vergelijken en het percentage remming grafisch te extrapoleren tegen de
                            log concentratie van het te testen monster, kan de zogenaamde
                            EC<inf>50</inf> worden bepaald. De EC<inf>50</inf>-waarde is de
                            concentratie waarbij respectievelijk 50% remming van de activiteit
                            plaatsvindt. Doordat de meetwaarden bij lage remming minder betrouwbaar
                            zijn, dient de extrapolatie naar EC<inf>50</inf> uitgevoerd te worden
                            met meetwaarden vanaf EC<inf>10</inf>.</al><al/><al>Voor de beoordeling van toxiciteit/remming bij de respiratieremmingtest
                            geldt: als de EC<inf>50</inf>-waarde niet bepaalbaar is in het
                            onverdunde monster, wordt het monster als niet toxisch beschouwd. Dat
                            wil zeggen dat bij 100% monster (onverdund) er minder dan 50% remming
                            plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>5.4 BZV-toxiciteitstest (glucose/glutaminezuur test conform NEN-EN 1899-1)</label></kop><al>Met deze test wordt de acute toxiciteit bepaald ten aanzien van aerobe
                            bacteriën door meting van de respiratie na 5 dagen.</al><al/><al>De glucose/glutamine toxiciteitstest wordt uitgevoerd volgens een
                            aangepaste BZV<inf>5</inf>-meting die uitgevoerd wordt conform NEN-EN
                            1899-1 ‘bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen –
                            verdunningsmethode met enting’. In hetzelfde etmaalverzamelmonster
                            waarin het BZV<inf>(n)</inf> onderzoek wordt uitgevoerd, wordt de
                            toxiciteit bepaald door middel van een academische oplossing van
                            glucose/glutaminezuur.</al><al/><al>Aan het te onderzoeken monster wordt een oplossing van glucose /
                            glutaminezuur toegevoegd, corresponderend met een BZV<inf>5</inf> van
                            200 mg O2/liter. Als de academische oplossing van 200 mg/l wordt
                            teruggemeten na 5 dagen, kan worden vastgesteld dat het water niet
                            toxisch is voor de gebruikte aerobe bacteriën. (Het entwater conform
                            NEN-EN 1899-1 betreft hetzelfde entwater als bij het BZV-oneindig
                            onderzoek en is effluent van een biologische zuivering of commercieel
                            verkrijgbaar entmateriaal). De resultaten worden uitgedrukt als % van
                            het rendement van de standaard, ofwel het % van de BZV van de glucose /
                            glutaminezuur oplossing, die teruggemeten is. Voor de beoordeling van
                            toxiciteit/remming ten aanzien van de BZV-toxiciteitstest geldt: als
                            &gt; 75% wordt teruggemeten in de glucose- glutaminezuurtest, is er geen
                            sprake van toxiciteit.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>5.5 Zahn-Wellens onderzoek NEN-EN-ISO 9888</label></kop><al>Het Zahn-Wellens onderzoek is een biodegradatie onderzoek, gebaseerd op
                            de bepaling van de totale aerobe bio-afbreekbaarheid van organische
                            componenten in een waterig medium. Op basis van deze test kan dus ook de
                            T-correctie worden bepaald. Deze test is niet toepasbaar als het
                            afvalwater grote hoeveelheden niet opgelost koolstof bevat. Het
                            Zahn-Wellens onderzoek is niet van toepassing op onopgelost materiaal en
                            is enkel bedoeld om de afbraak van de opgeloste organische stoffractie
                            te bepalen. Ook is Zahn-Wellens onderzoek enkel toepasbaar bij effluent
                            met minimaal 100 mg/l opgelost CZV. De test wordt als volgt
                            uitgevoerd:</al><al/><al>Een hoeveelheid actief slib wordt vooraf geconditioneerd door het
                            gedurende acht dagen zonder voeding te beluchten. Vervolgens wordt er
                            een testmengsel samengesteld bestaande uit het monster, actief slib,
                            leidingwater en een vastgestelde hoeveelheid van een buffer- en
                            nutriëntenoplossing. Het testmengsel wordt vervolgens belucht, waarbij
                            de beluchting zodanig wordt ingesteld dat het zuurstofgehalte &gt; 2
                            mg/liter is. De zuurgraad wordt dagelijks gemeten en gecorrigeerd tot
                            een waarde in de range van pH 7-8. Naast het testmengsel wordt ook een
                            blanco onderzocht, bestaande uit een met het testmengsel overeenkomende
                            concentratie van het actiefslib en de buffer- en nutriëntenoplossing. De
                            blanco wordt op identieke wijze behandeld als het testmengsel. De
                            afbraak van de organische koolstofverbindingen wordt gevolgd met behulp
                            van CZV-metingen. </al><al>De afbreekbaarheid van de organische koolstof in het afvalwatermonster
                            wordt nu als volgt berekend:</al><al/><al>D(t) = l - (Ct - Cb) / Ca x 100 % </al><al/><al>waarin:</al><lijst><li nr=""><al>D(t) = afbreekbaarheid in % na n dagen</al></li><li nr=""><al>Ct = CZV-gehalte na n dagen op moment van monstername in mg/1 Cb
                                    = CZV-gehalte van de blanco in mg/1</al></li><li nr=""><al>Ca = CZV-gehalte van het oorspronkelijke monster in mg/1</al></li></lijst><al/><al>Voorwaarde voor een juiste uitkomst is het ontbreken van giftige en/of
                            remmende stoffen in het afvalwater. Daarvoor is een onderzoek op
                            toxische stoffen vereist.</al><al/><al>Als blijkt dat biodegradatiecurve bij een Zahn-Wellens onderzoek nog
                            niet is afgevlakt op de laatste meetdagen en er sprake is geweest van
                            remming (respiratieremming tussen de 20 % en 50 %), maar geen toxiciteit
                            in het verdunde monster dat gebruikt is voor de biodegradatietest, dan
                            dient het onderzoek per situatie nader bekeken te worden. Dit vraagt om
                            maatwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>5.6 BZV-oneindig onderzoek volgens NEN-EN 1899-1</label></kop><al>Het onderzoek op het biochemisch zuurstofverbruik wordt uitgevoerd
                            volgens NEN-EN 1899-1. De waarden worden opgegeven in BZV<inf>(n)</inf>-
                            waarden.</al><al/><al><cursief>BZV<inf>n</inf> (19, 28 en 40 dagen)</cursief></al><al>Bij een BZV<inf>19</inf> oneindig onderzoek gelden voor n de volgende
                            dagen: 0, 5, 7, 9, 12, 15, 19. Bij de analyse wordt allylthioureum (ATU)
                            toegevoegd om de activiteiten van de eveneens zuurstof consumerende
                            nitrificerende bacteriën te onderdrukken. Daar ATU maar beperkt houdbaar
                            is, na ca. 14 dagen zijn werking verliest (in de praktijk 21 dagen), en
                            bij gaat dragen als koolstof- en stikstofbron bij de BZV-afbraak, wordt
                            bij het BZV<inf>(n)</inf> onderzoek standaard uitgegaan van maximaal n=
                            19 dagen.</al><al/><al>Bij een BZV<inf>28</inf> oneindig onderzoek, wordt ATU toegevoegd om de
                            nitrificatie te remmen. Indien de laatste meting onbetrouwbaar is (door
                            een verminderde of beëindigde werking van ATU), dient deze meting
                            weggelaten worden in de berekening van BZV-oneindig.</al><al/><al>Het is in bepaalde gevallen gewenst om een BZV<inf>40</inf> of
                            BZV<inf>28</inf> oneindig onderzoek uit te voeren. Bij een
                            BZV<inf>28</inf> of BZV<inf>40</inf> oneindig onderzoek gelden voor n
                            minimaal 7 meetdagen, die lineair verdeeld zijn over de
                            onderzoeksduur.</al><al/><al>Bij een BZV<inf>40</inf> oneindig onderzoek moeten de meetwaarden in
                            veel gevallen gecorrigeerd te worden voor de nitrificatie. Hiervoor
                            worden op iedere meetdag NH<inf>4</inf>, NO<inf>2</inf>, NO<inf>3</inf>
                            en Nkj gemeten, om een stikstofbalans te maken, ter bepaling van de
                            zuurstofconsumptie bij de stikstofomzetting.</al><al>De BZV-oneindig waarde wordt grafisch door middel van lineaire regressie
                            bepaald (zie paragraaf 4.2).</al><al/><al><cursief>Entwater</cursief></al><al>Als entwater bij het onderzoek wordt het effluent gebruikt van de
                            rioolwaterzuiveringsinstallatie waarop het bedrijf het afvalwater
                            brengt. Er mag geen gebruik gemaakt worden van entwater afkomstig van de
                            (eigen) biologische waterzuivering van het bedrijf. De reden hiervoor is
                            dat de restverontreinigingen in het effluent niet of zeer moeilijk
                            biologisch afbreekbaar kunnen zijn door de aanwezige bacteriën welke
                            volledig ingesteld zijn op het aanbod van bedrijfs-specifieke
                            stoffen.</al><al>In standaard gevallen kan getest worden met effluent van een communale
                            RWZI of standaard commercieel verkrijgbaar entmateriaal, zie hiervoor
                            5.1.2.</al><al/><al><cursief>Toxiciteit</cursief></al><al>Voorwaarde voor een juiste uitkomst is het ontbreken van giftige- en/of
                            remmende stoffen in het afvalwater. Simultaan aan het BZV-oneindig
                            onderzoek wordt daarom een afbraakproef van glutaminezuur uitgevoerd om
                            eventuele toxische werking van het te onderzoeken monster afvalwater te
                            detecteren.</al><al/><al><cursief>Monstername en voorbehandeling</cursief></al><al>Afvalwatermonsters met een bezinksel- en/of opdrijvende volume van ≥ 0,2
                            ml/liter worden voor aanvang van de analyses gefiltreerd over een
                            glasvezelfilter met maximaal een poriegrootte van 1,6 μm. De filtratie
                            vindt plaats in een onaangezuurd monster.</al><lijst><li nr="-"><al>Het monster voor een BZV</al><lijst><li nr="o"><al>Invriezing van het monster is niet toegestaan.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Het monster voor opgelost CZV wordt</al><lijst><li nr="o"><al>binnen 12 uur na bemonstering ingezet of</al></li><li nr="o"><al>binnen twaalf uur gefiltreerd en daarna direct
                                            ingevroren of</al></li><li nr="o"><al>binnen twaalf uur gefiltreerd en daarna direct
                                            aangezuurd met H2SO4 tot pH &lt;2.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><cursief>Bij een eerste onderzoeksperiode</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Bij alle bedrijven wordt de eerste keer in de T-correctie
                                    meetperiode (en na gewijzigde productie) een uitgebreide
                                    BZV</al></li><li nr="-"><al>Als uit de uitgebreide BZV</al></li></lijst><al/><al><cursief>Interpretatie</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Bruikbare triplo en duplo metingen van de verschillende BZV
                                    verdunningen, worden in principe gemiddeld, mits ze voor wat de
                                    trend betreft met elkaar overeen komen. In geval van remming bij
                                    de BZV meting, kan het voorkomen dat de meest verdunde reeks een
                                    beter verloop geeft van de afbraak.</al></li><li nr="-"><al>Er vindt een statistische analyse plaats bij de uitwerking van
                                    de analyseresultaten om te bepalen of er uitschieters zijn. Van
                                    de 11 waarnemingen bij de eerste BZV</al></li></lijst><al/><al><cursief>ATU</cursief></al><al>In standaard gevallen is de benodigde hoeveelheid te doseren ATU 2 mg/l.
                            Echter, als de CZV/Nkj verhouding van het monster kleiner is dan 1, en
                            de BZV resultaten zijn onbetrouwbaar, dan is nader onderzoek
                            noodzakelijk om de juiste hoeveelheid te doseren ATU vast te stellen. In
                            alle gevallen geldt dat, als CZV&lt; BZV<inf>n</inf>, het BZV onderzoek
                            ongeldig is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>6</nr><titel>Kwaliteitszorg</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kwaliteitseisen: de eisen ten
                            aanzien van het onderzoek en de eisen ten aanzien van de deelnemende
                            laboratoria en/of adviesbureau.</al></artikel><artikel><kop><label>6.1 Eisen ten aanzien van het onderzoek</label></kop><al>Als er gegevens bestaan over de afbreekbaarheid van een stof
                            (bijvoorbeeld uitgevoerd door de fabrikant) en men hier gebruik van wil
                            maken, wordt de wijze waarop deze afbreekbaarheid is bepaald kenbaar
                            gemaakt aan AGV/Waternet. Resultaten van bio-degeneratieproeven,
                            uitgevoerd door de fabrikant, waarover geen informatie bekend is of
                            gemaakt (mag) worden, zullen niet worden geaccepteerd bij de aanvraag.
                            Verificatie van gegevens door AGV/Waternet moet mogelijk zijn waarbij de
                            aanvrager de kosten van het onderzoek draagt.</al><al/><al>Voor afvalwateronderzoek geldt dat de wijze waarop het monster wordt
                            verkregen in overeenstemming moet zijn met de aan het bedrijf verleende
                            meetbeschikking. Het monster moet representatief zijn voor de gehele
                            aangevraagde periode. Bij twijfel hieromtrent dienen meerdere monsters,
                            van verschillende dagen, onderzocht te worden.</al><al/><al>Toxiciteits- en bio-degeneratieproeven op specifieke stoffen worden
                            uitgevoerd volgens de voorgeschreven methodieken. Als er sprake is van
                            vervanging van de norm (bijvoorbeeld verandering in ISO-norm), worden de
                            analyses volgens de nieuwe norm uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>6.2 Eisen ten aanzien van het uitvoerende laboratorium en/of adviesbureau </label></kop><al>Door de ambtenaar belast met de heffing wordt als eis gesteld dat het
                            laboratorium en/of adviesbureau, dat het onderzoek uitvoert namens een
                            bedrijf, aantoonbare ervaring heeft met de proeven die worden
                            aangevraagd. Als een laboratorium en/of adviesbureau in de aanvraag
                            genoemd wordt die geen ervaring heeft met de bovengenoemde onderzoek- en
                            analysemethodieken, moet men deze ervaring eerst aantoonbaar verkrijgen
                            voordat de onderzoeksresultaten zullen worden geaccepteerd. In
                            voorkomende gevallen zal geadviseerd worden een ander laboratorium en/of
                            adviesbureau te kiezen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Amsterdam, 17 mei 2016</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De ambtenaar belast met de heffing,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>I.M. de Boer – de Wolf.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Beslisboom T-correctie protocol</titel></kop><al>Beslisboom 1: hoofdschema T-correctieonderzoek</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i00df7c0a-0239-4ce2-ae1d-07a3f0a91b3a" naam="i279623i00df7c0a-0239-4ce2-ae1d-07a3f0a91b3a.png" type="foto" breedte="14.7cm" hoogte="19.4cm"/></plaatje></al><al/><al>Beslisboom 2: Details uitvoering biodegradatietest</al><al/><al><plaatje><illustratie id="iae965a92-0a4f-4351-8253-be16784f41e3" naam="i279624iae965a92-0a4f-4351-8253-be16784f41e3.png" type="foto" breedte="15.4cm" hoogte="20.4cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Voorbeeldberekening BZV-oneindig bepaling op basis van
                        BZN<inf>n </inf>onderzoek</titel></kop><al><vet>Tabel 1</vet> Voorbeeld BZV∞ bepaling</al><al/><al/><table><tgroup cols="6"><tbody><row><entry><al>t (dag)</al></entry><entry><al>BZV<inf>n</inf></al><al>(mg O<inf>2</inf>/l)</al></entry><entry><al>ln (BZVn / BZV<inf>5</inf>)</al></entry><entry><al>1/t (dag<sup>-1</sup>)</al></entry><entry><al>y = ax + b </al><al> t/m BZV<inf>40</inf></al></entry><entry><al>y = ax + b </al><al>t/m BZV<inf>19</inf></al></entry></row><row><entry><al>oneindig (∞)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>1,9042</al></entry><entry><al>1,37892</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>4,00</al></entry><entry><al>0</al></entry><entry><al>0,2</al></entry><entry><al>-0,1545</al></entry><entry><al>0,00126</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>9,00</al></entry><entry><al>0,8109</al></entry><entry><al>0,0833</al></entry><entry><al>1,0464</al></entry><entry><al>0,80490</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>11,00</al></entry><entry><al>1,0116</al></entry><entry><al>0,0526</al></entry><entry><al>1,3624</al></entry><entry><al>1,01638</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>13,00</al></entry><entry><al>1,1787</al></entry><entry><al>0,0385</al></entry><entry><al>1,5083</al></entry><entry><al>1,11399</al></entry></row><row><entry><al>33</al></entry><entry><al>23,00</al></entry><entry><al>1,7492</al></entry><entry><al>0,0303</al></entry><entry><al>1,5922</al></entry><entry><al>1,17018</al></entry></row><row><entry><al>40</al></entry><entry><al>38,00</al></entry><entry><al>2,2513</al></entry><entry><al>0,0250</al></entry><entry><al>1,6468</al></entry><entry><al>1,20671 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Debiet 577,6 m3</al><al>CZV 69 mg/l</al><al/><al>N-kj 17 mg/l</al><al/><al>De kolommen 5 en 6 ( y = ax+b) zijn berekend op basis van de regressieuitkomsten </al><al>(zie tabel 2) voor de BZV bepalingentot en met dag 19 en dag 40.</al><al/><al>De richtingscoëfficiëntvoor kolom 5 bedraagta = -10,2932 en </al><al>b = 1,904161. </al><al>De richtingscoëfficiëntvoor kolom 6 bedraagta = -6,888324 en </al><al>b = 1,37892208</al><al/><al><vet>Tabel 2: </vet>Regressie uitkomst</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry nameend="colC" namest="colA"><al><vet>Regressie uitvoer t/m BZV<inf>40</inf></vet></al></entry></row><row><entry><al>a</al></entry><entry><al>-10,2932</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>b</al></entry><entry><al>1,90416</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>correlatie R<sup>z</sup></al></entry><entry><al>0,7685</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>alfa-factor</vet></al></entry><entry><al>6,71</al></entry><entry><al> = e<sup>b</sup></al></entry></row><row><entry><al><vet>BZV</vet><vet><inf>-</inf></vet></al></entry><entry><al>26,9</al></entry><entry><al>= BZV<inf>s </inf>x alfa factor</al></entry></row><row><entry><al>CZV</al></entry><entry><al>69</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Nkj</al></entry><entry><al>17</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>T(%)</vet></al></entry><entry><al>61,1 %</al></entry><entry><al>= (CZV-BZV∞)/CZV</al></entry></row><row><entry><al><vet>F-factor</vet></al></entry><entry><al>0,519</al></entry><entry morerows="0"><al>= (100-T)/75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry nameend="colC" namest="colA"><al><vet>Regressie uitvoer t/m BZV<inf>18</inf></vet></al></entry></row><row><entry><al>a</al></entry><entry><al>-6,8883</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>b</al></entry><entry><al>1,37892</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>correlatie R<sup>z</sup></al></entry><entry><al>0,9999</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>alfa-factor</vet></al></entry><entry><al>3,97</al></entry><entry><al> = e<sup>b</sup></al></entry></row><row><entry><al><vet>BZV</vet><vet><inf>-</inf></vet></al></entry><entry><al>15,9</al></entry><entry><al>= BZV<inf>s </inf>x alfa factor</al></entry></row><row><entry><al>CZV</al></entry><entry><al>69</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Nkj</al></entry><entry><al>17</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>T(%)</vet></al></entry><entry><al>77,0 %</al></entry><entry><al>= (CZV-BZV∞)/CZV</al></entry></row><row><entry><al><vet>F-factor</vet></al></entry><entry><al>0,307</al></entry><entry morerows="0"><al>= (100-T)/75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De regressie uitvoer berekent de grootheden voor een lijn met de methode van de
                    kleinste kwadraten om een rechte lijn de berekenen die het beste past bij de
                    gevonden analyseresultaten. Het resultaat is een matrix die de lijn beschrijft.
                    De regressiegrootheid R<sup>2</sup> is het kwadraat van de
                    correlatiecoëfficiënt. Dit geeft aan hoe de geschatte en de feitelijke y-waarden
                    zich tot elkaar verhouden en drukt deze verhouding uit in een waarde tussen 0 en
                    1.</al><al/><al>In de voorbeelden hierboven is R<sup>2</sup> voor de uitvoer t/m
                    BZV<inf>40</inf> en de uitvoer t/m BZV<inf>19 </inf>respectievelijk 0,768454 en
                    0,999894. Als het kwadraat van de correlatie-coëfficiënt 1 bedraagt, is er
                    sprake van een perfecte correlatie. Als extra check voor een eerste orde afbraak
                    kan R<sup>2</sup> worden gebruikt. Is deze kleiner dan 0,7- 0,8 dan is de
                    correlatie te onnauwkeurig.</al><al/><al>In figuur 1 is de BZV<inf>n</inf>, uitgezet tegen het aantal dagen, grafisch
                    weergegeven.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i9ed46f20-7e28-4f0c-9edd-15fd4063cf44" naam="i279625i9ed46f20-7e28-4f0c-9edd-15fd4063cf44.png" type="foto" breedte="11.4cm" hoogte="6.5cm"/></plaatje></al><al/><al>In figuur 2 is grafisch de Ln(BZV<inf>n</inf>/BZV<inf>5</inf>) evenals de
                    berekende regressielijnen uit tabel 1 voor de BZV tot en met dag 19 en dag 40
                    weergegeven.</al><al/><al><plaatje><illustratie id="i32f48a66-f4e7-48f0-a442-5892d62c3292" naam="i279626i32f48a66-f4e7-48f0-a442-5892d62c3292.png" type="foto" breedte="12.2cm" hoogte="6.8cm"/></plaatje></al></bijlage></regeling></body></cvdr>