<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR41842_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening gemeente Hardenberg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hardenberg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hardenberg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2012, nr. 5</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 149 Gemeentewet, art. 12, 15 en 38 Monumentenwet 1988, art. 2.1 en 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-12-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 11</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening gemeente Hardenberg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Hardenberg;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van d.d. 17 augustus 2010 ;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de volgende Monumentenverordening gemeente Hardenberg</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>begripsbepaling</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>onroerende zaak, die van algemeen belang is wegens zijn
                                            schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                            cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li><li nr="3."><al>alle onroerende zaken en terreinen, die van algemeen
                                            belang zijn voor de gemeente wegens de aan die zaken en
                                            terreinen verbonden geschiedkundige herinneringen.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    (Rijksmonument);</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Hardenberg</al></li><li nr="g."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met de
                            gebruiksmogelijkheden van het aan te wijzen of aangewezen monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Monumentenwacht</titel></kop><al>Het college betaalt de (jaarlijkse) abonnementskosten voor de stichting
                            Monumentenwacht Overijssel &amp; Flevoland betreffende de gemeentelijke
                            monumenten die hiervoor zijn aangemeld en die niet in eigendom zijn van
                            een (semi)overheidsinstelling.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een onroerende zaak aanwijzen als beschermd gemeentelijk
                                    monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraag
                                    het college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende
                                    gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming
                                    dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                    uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument
                                    aanwijst, voert het college overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Overijssel.</al></li><li nr="5."><al>Indien een belanghebbende een aanvraag indient kan door het
                                    college een onafhankelijk en deskundig rapport worden verlangd
                                    waarin een afweging van de criteria uit artikel 5 staat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Criteria</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de beoordeling van de beschermingswaardigheid van een object
                                    worden de in dit artikel vermelde criteria gehanteerd.</al></li><li nr="2."><al>Beschermingswaardig zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>alle onroerende zaken, die van algemeen belang zijn voor
                                            de gemeente wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de
                                            wetenschap of hun cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="b."><al>terreinen, die van algemeen belang zijn voor de gemeente
                                            wegens daar aanwezige onroerende zaken als bedoeld onder
                                            a;</al></li><li nr="c."><al>alle onroerende zaken en terreinen, die van algemeen
                                            belang zijn voor de gemeente wegens de aan die zaken en
                                            terreinen verbonden geschiedkundige herinneringen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een object dient daarnaast te voldoen aan de volgende
                                    criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>het casco (bouwkundige hoofdstructuur) verkeert in een
                                            zodanige staat dat het object is te restaureren zonder
                                            volledige afbraak;</al></li><li nr="b."><al>de oorspronkelijke vorm of aanleg dient in de hoofdopzet
                                            nog aanwezig te zijn, tenzij het een belangwekkende,
                                            historisch gegroeide situatie betreft.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een object dient daarnaast te voldoen aan een door het college
                                    te bepalen aantal van de onderstaande criteria.</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Stedebouwkundige</onderstreept><onderstreept>
                                criteria</onderstreept>:</al><lijst><li nr="a."><al>het object is onderdeel van een belangrijk
                                    stedebouwkundig/landschappelijk concept;</al></li><li nr="b."><al>het object is onderdeel van een historisch gegroeid
                                    stedebouwkundig/ landschappelijk gebied en is bepalend voor het
                                    zichtbaar houden van deze situatie; er is een duidelijk verband
                                    tussen gebouw en historische verkaveling;</al></li><li nr="c."><al>het object is van belang met het oog op het zichtbaar houden van
                                    het werk van een bekende stedebouwkundige of
                                    landschapsarchitect;</al></li><li nr="d."><al>het object heeft een zeldzaamheidswaarde qua aanleg, structuur
                                    en relatie met de omgeving.</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Architectuurhistorische criteria</onderstreept>:</al><lijst><li nr="a."><al>het object is een goed voorbeeld van een bepaalde stijl of
                                    bouwtrant en valt op door specifieke stijlkenmerken, al dan niet
                                    met plaatselijke variaties;</al></li><li nr="b."><al>het object is, in opstand en plattegrond, van belang als
                                    voorbeeld van een gebouw met een bepaalde (oorspronkelijke)
                                    functie;</al></li><li nr="c."><al>het object valt op door bijzonder gave verhoudingen en/of
                                    bijzondere of zeldzame detaillering van het exterieur, zoals
                                    bijvoorbeeld vormgeving, kleur en/of materiaalgebruik;</al></li><li nr="d."><al>het object heeft een bijzonder of zeldzaam interieur of bevat
                                    bijzondere of zeldzame onderdelen in het interieur;</al></li><li nr="e."><al>het object is een goed voorbeeld van het werk van een architect
                                    of kunstenaar en neemt een belangrijke plaats in binnen de
                                    plaatselijke, regionale of landelijke
                                    architectuurgeschiedenis;</al></li><li nr="f."><al>het object is van belang vanwege een historische of vernieuwende
                                    (pioniersfunctie) constructiewijze.</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Cultuurhistorische criteria</onderstreept>:</al><lijst><li nr="a."><al>a het object is van belang vanwege een plaatselijk
                                    geschiedkundig feit, een zichtbaar stuk geschiedenis van
                                    bijvoorbeeld bekende bewoners, beroepen, bijzondere
                                    activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>het object vertegenwoordigt een aspect van de religieuze,
                                    militaire of waterstaatkundige geschiedenis;</al></li><li nr="c."><al>het object is van belang vanwege zijn bestemming als uitdrukking
                                    van een cultuur-, sociaal of economisch-historische
                                    ontwikkeling;</al></li><li nr="d."><al>het object is van belang vanwege zijn verschijningsvorm, die
                                    verbonden is met een algemeenhistorische politieke of
                                    geestelijke ontwikkeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                de dag van verzending van het verzoek daartoe van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na de dag van verzending van
                                het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen
                                twintig weken na ontvangst van de aanvraag, op de aanvraag tot
                                aanwijzing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bekendmaking en mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de
                                tenaamstelling en een beschrijving van het beschermde gemeentelijke
                                monument.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De lijst ligt voor een ieder ter inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, tweede en derde lid, alsmede artikel 6 en artikel 7 zijn
                                van overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 4, tweede lid, artikel 6 en artikel 7 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de intrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien het monument
                                onherroepelijk is aangewezen op grond van artikel 3 van de
                                Monumentenwet 1988 of onherroepelijk als monument is aangewezen op
                                grond van een verordening van de provincie Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                        verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                        laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt
                                        ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen vergunning is nodig voor:</al><lijst><li nr="-"><al>gewoon onderhoud voor zover ook materiaalsoort en kleur niet
                                        wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg
                                        niet wijzigt;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
                                        veranderingen van een onderdeel van het gemeentelijk
                                        monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde
                                        heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 11 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag
                                om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan in het belang van de bescherming van het monument
                            voorschriften verbinden aan een vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van bescherming van het
                                    monument zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMDE MONUNUMENTEN (Rijksmonumenten)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument (Rijksmonument)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag
                                om vergunning voor een beschermd monument aan de
                                monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>STRAFBEPALING EN HANDHAVING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 11 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn de personen die zijn aangewezen als
                                toezichthouders voor beschermde monumenten (rijksmonumenten).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college aan
                                te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>stilleggen werkzaamheden</titel></kop><al>De ingevolge artikel 19 bedoelde personen zijn bevoegd de werkzaamheden
                            feitelijk stil te leggen indien deze worden uitgevoerd in strijd met
                            artikel 11 of in afwijking van de verleende vergunning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening gemeente Hardenberg 2002 (inwerkingtreding 17
                            juli 2002, laatste wijziging 1 september 2008) wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 21 ingetrokken
                                Monumentenverordening gemeente Hardenberg 2002 aangewezen en
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening. Bepalingen met verwijzingen naar de
                                Monumentenverordening 2002 worden geacht te verwijzen naar de
                                Monumentenverordening 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 21 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. Voordat deze
                            verordening in werking kan treden moet deze, op grond van artikel 139
                            van de Gemeentewet, echter wel worden bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Monumentenverordening 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Hardenberg van 21 september 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>A. ALGEMENE TOELICHTING</label><nr/><titel/></kop><al/><al>De huidige wijziging van de Monumentenverordening houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor)
                    en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).</al><al>Gezien de ingrijpendheid van de veranderingen en de mogelijkheid de
                    monumentenverordening ‘op te schonen’ is ervoor gekozen een integrale, nieuwe
                    verordening vast te stellen en niet voor een wijziging op de bestaande
                    verordening.</al><al/><al><vet>Monumenten</vet></al><al>Rijksmonumenten zijn door het rijk aangewezen monumenten. Het kader staat in de
                    Monumentenwet. Het Rijk verleent financiële mogelijkheden voor Rijksmonumenten.
                    Het bevoegd gezag verleent vergunningen voor wijzigingen aan deze monumenten en
                    is verantwoordelijk voor de handhaving. De term die in de Wabo staat voor
                    rijksmonument is ‘beschermd monument’. Deze term wordt in deze verordening
                    overgenomen.</al><al>Gemeentelijke monumenten zijn door de gemeente aangewezen monumenten. Het kader
                    dient in een gemeentelijke verordening (Monumentenverordening) geregeld te zijn.
                    Overige verordeningen hoeven met betrekking tot gemeentelijke monumenten niet
                    gewijzigd te worden.</al><al/><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al/><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf invoering van de Wabo de mogelijkheid heeft
                    één omgevingsvergunning aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan
                    op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft.
                    Voor de Monumentenverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één
                    bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de
                    aanvraag kent ook één procedure van</al><al>rechtsbescherming. Vergunningen die betrekking hebben op niet plaatsgebonden
                    activiteiten of persoonsgebonden toestemming zoals een Drank- en
                    horecavergunning valt niet onder de Wabo.</al><al/><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag voor de vergunningverlening is in de meeste gevallen het
                    college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in
                    hoofdzaak zal worden verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk
                    voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke
                    handhaving.</al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie zijn bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven.</al><al/><al><vet>Toestemmingstelsels</vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar.</al><al/><al><vet>De procedure in de </vet><vet>Wabo</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb.</al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2 van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden, wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en in werking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus
                    een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede faseaanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fasebeschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open.</al><al/><al><vet>De </vet><vet>Wabo</vet><vet> en de Monumentenverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de Monumentenverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning.</al><al/><al><vet>De Monumentenverordening</vet></al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald.</al><al/><al>De verordening is opgesteld naar voorbeeld van de VNG model Erfgoedverordening.
                    In de model Erfgoedverordening is de mogelijkheid opgenomen om archeologische
                    terreinen te beschermen, vandaar de bredere term Erfgoed. In de vorige
                    monumentenverordening bestond de mogelijkheid om archeologische terreinen te
                    beschermen. Deze terreinen zijn niet aangewezen. De gemeenteraad heeft op 30
                    juni 2009 archeologiebeleid vastgesteld. Het is daarom en in het kader van
                    deregulering niet meer nodig archeologie (mogelijkheid aanwijzen terreinen) in
                    deze verordening op te nemen. Omdat alleen monumenten worden beschermd is
                    wederom voor de term Monumentenverordening en niet Erfgoedverordening
                    gekozen.</al><al/><al>Naast dat de verordening is opgesteld naar voorbeeld van een VNG model is tevens
                    aansluiting gezocht bij de vorige Monumentenverordening. Er zijn tekstuele
                    aanpassingen gemaakt naar aanleiding van de Wabo, tevens is er vernummerd.</al><al/><al>De term kerkelijk monument komt in deze verordening niet meer voor, de
                    uitwerking van deze term is wel opgenomen en gegarandeerd door opname van
                    artikel 4 lid 3 en artikel 11 lid 5.</al><al/><al>In artikel 11 lid 3 is een nieuwe mogelijkheid opgenomen om nadere regels voor
                    gemeentelijke monumenten te stellen. De mogelijkheid is gekoppeld aan het verbod
                    uit artikel 11 lid 1 en de vergunningplicht uit artikel 11 lid 2, het college
                    kan niet ‘zomaar’ regels stellen. Door het stellen van nadere regels hoeft in
                    bepaalde gevallen (kleine ingrepen zonder wijzigingen) geen vergunning meer te
                    worden aangevraagd. Dit kan in een aantal gevallen tot lagere burgerlijke en
                    bestuurlijke lasten leiden.</al><al/><al>De gemeentelijke monumentenlijst is samengesteld rond de eeuwwisseling, net voor
                    en net na de gemeentelijke herindeling. Er heeft een inventarisatie van alle
                    gebouwen en terreinen in de huidige gemeente Hardenberg plaatsgevonden en op
                    basis van deze inventarisatie zijn de gemeentelijke monumenten aangewezen. De
                    criteria uit artikel 5 zijn sinds 2002 in de Monumentenverordening opgenomen.
                    Deze criteria zijn het fundament van het gemeentelijke monumentenbeleid en zijn
                    van toepassing op de huidige gemeentelijke monumenten. Op grond van de huidige
                    inzichten is de gemeentelijke monumentenlijst volledig.</al><al>Een nieuw artikel is artikel 4 lid 5. Dit artikel biedt het college de
                    mogelijkheid om een onafhankelijk en deskundig rapport te vragen waarin een
                    afweging van de criteria uit artikel 5 staan. Dit is een zogenaamde
                    waardestelling. Artikel 4 lid 5 is een zogenaamde ‘kan’ mogelijkheid, het
                    college hoeft het niet te vragen. Het artikel is opgenomen omdat er niet direct
                    de behoefte bestaat meer gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Het artikel kan
                    een deel van de verantwoordelijkheid voor de aanvraag en de behandeling van de
                    aanvraag bij de aanvrager neerleggen, dit kan bijvoorbeeld wenselijk zijn indien
                    het duidelijk is dat niet aan de criteria wordt voldaan. Het college blijft de
                    vrijheid houden, binnen de kaders van de Monumentenverordening, om een
                    gemeentelijke monument aan te wijzen.</al><al/><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze verordening rekening gehouden met
                    de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'.</al><al/><al/><al><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en/of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Het kan gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen.
                    Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om
                    over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel
                    ruimer begrip.</al><al/><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al/><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening kunnen worden gebracht. Zaken die naar hun aard
                    roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op
                    basis van de redengevende omschrijving.</al><al/><al>Het derde punt komt voort uit de aanwijzingsgeschiedenis van en het gemeentelijk
                    beleid ten aanzien van de gemeentelijke monumenten.</al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 4, lid 1, en
                    artikel 8<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument dat is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing.</al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de Monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit
                    voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die
                    adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                    monumentencommissie door het college moet door middel van een apart
                    collegebesluit.</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    Monumentenverordening, de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                    monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                    toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het
                    vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988.</al><al/><al><cursief>Sub e</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip is in vergelijking met de
                    vorige monumentenverordening geschrapt:</al><al/><lijst><li nr="°"><al>het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                            deel uit van de verordening (het oude artikel 4, waarin was bepaald dat
                            het college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een
                            bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot
                            monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een
                            dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk vanwege de kosten.
                            Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van de
                            mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een
                            dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk,
                            maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De
                            strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat
                            voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot monument
                            wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                            binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de
                            verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                            onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat
                            een woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente
                            betreffende de afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                            monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                            voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de
                            cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                            aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente
                            bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                            noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te
                            komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de
                            omvang van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van
                            het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb
                            maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                            bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen wordt.</al><al/><al>Ook de nieuwe systematiek van de verordening, voortvloeiend uit het
                            dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels,
                            maakt het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar
                            instrument. Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 11
                            vragen om een vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een
                            monument (het draait hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing
                            heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel
                            noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een
                            bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer verplicht
                            stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                            bouwhistorisch onderzoek.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Monumentenwacht</vet></al><al>De raad heeft op 24 juni 2008 besloten dit artikel in de Monumentenverordening
                    op te nemen. Het artikel is tekstueel aangepast omdat de gemeente een
                    aanmeldingsformulier nodig heeft om aan het artikel te kunnen voldoen. Een groot
                    deel van de gemeentelijke monumenteneigenaren maakt gebruik van de
                    mogelijkheid.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al/><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><al/><al><vet>Artikel 4. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire
                    bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot
                    aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                    opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd
                    in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht
                    op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                    het bestaande gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 11, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 11, derde lid) worden
                    gewijzigd.</al><al>Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                    bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                    wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking. De provincie Overijssel heeft geen eigen monumenten
                    aangewezen.</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het college kan een onafhankelijk en deskundig rapport verlangen waarin een
                    afweging van de criteria uit artikel 5 staan (waardestelling). Een rapport kan
                    bijvoorbeeld onder andere worden verlangd voor gevallen waarin duidelijk is dat
                    niet aan de criteria uit artikel 5 wordt voldaan.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Criteria</vet></al><al>De criteria uit de Monumentenverordening 2002 zijn overgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten betrokkenen en belanghebbenden
                    waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve
                    lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met
                    betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de
                    termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de
                    burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken.</al><al>De bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing indien er
                    geen besluit volgt.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de mededeling (zijnde een afschrift van de inschrijving) van
                    het college is voor alle aan het monumentale object verbonden zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot
                    monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto
                    artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
                    onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing
                    op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 7 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 4, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><al><vet>Artikel 9. Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al><vet>Artikel 10. Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst
                    waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst
                    gehaald.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 11 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al/><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken.</al><al>In lid 3 van artikel 11 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met
                    een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                    situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen.
                    Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                    wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels
                    worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                    geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>In lid 4 zijn bepalingen opgenomen wanneer geen vergunning nodig is. Ook
                    hierdoor zijn vele ingrepen niet vergunningsplichtig.</al><al>Bij het gewone onderhoud gaat dan onder meer om:</al><lijst><li nr="-"><al>het aanpassen van verrot kozijnhout,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>schilderwerk in dezelfde kleur,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het vervangen van kapot, niet-historisch glas door dezelfde soort
                            glas,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het herstellen, vervangen of vernieuwen van hemelwaterafvoer in
                            hetzelfde materiaal,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het herstellen van ijzersmeedwerk,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het vervangen van delen van dakbedekking,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>kleine aanpassingen aan een moderne winkelpui,</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het partieel vervangen van dakpannen door pannen van dezelfde soort of
                            het opstoppen van rieten daken.</al></li></lijst><al>Bij gewoon onderhoud geldt dat de werkzaamheden het bestaande werk zoveel
                    mogelijk dienen te respecteren. Materiaalvervanging geschiedt daarom alleen in
                    dezelfde materiaalsoort en met dezelfde verschijningsvorm en detaillering.</al><al>Voor tuinen en parken betekent het bovenstaande dat het herstel van de opbouw en
                    het profiel van paden met hetzelfde materiaal en het inboeten van beplanting met
                    dezelfde soort en cultivar vergunningvrij is. Het feit dat ook de cultivar niet
                    mag wijzigen, houdt in dat de variëteit van de beplanting gelijk dient te
                    blijven.</al><al>Schilderwerk waarbij alle oudere afwerkingslagen worden verwijderd of
                    schilderwerk waarbij de kleurstelling of het verfsysteem wordt gewijzigd, valt
                    niet onder de vergunningvrije activiteiten. Het vervangen van historisch glas
                    door nieuw (isolatie) glas, zeker als de glasroeden en raamkozijnen worden
                    vervangen, is evenmin vergunningvrij gezien de materiaalvervanging waarvan
                    hierbij sprake is.</al><al/><al>De tweede categorie vergunningvrije actviteiten betreft die activiteiten die
                    uitsluitend leiden tot inpandige veranderingen met betrekking tot een onderdeel
                    van een beschermd monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde
                    heeft. In veel gevallen gaat het hierbij om onderdelen die ten tijde van de
                    aanwijzing als beschermd monument nog niet bestonden. Bij deze categorie
                    vergunningvrije actviteiten gaat het om het verwijderen van bouwonderdelen die
                    geen onderdeel uitmaken van het oorspronkelijk ontwerp en waarvan aangenomen kan
                    worden dat zij niet typerend of vernieuwend zijn voor de desbetreffende
                    bouwperiode en die niet van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid of hun
                    betekenis voor de wetenschap en nauwelijks of geen cultuurhistorische waarde
                    hebben. Te denken valt aan het verwijderen van hard- en zachtboard
                    betimmeringen, gipsplaten, scheidingswanden, een keuken- of badkamerinrichting
                    en verlaagde plafonds, die zijn aangebracht nadat het monument een beschermde
                    status heeft gekregen.</al><al/><al>In lid 5 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt.</al><al/><al><vet>Artikel 12. De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend.</al><al/><al>Bij een schriftelijke aanvraag worden maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en
                    de daarbij behorende bescheiden opgevraagd. In bepaalde gevallen kan hiervan op
                    grond van het derde lid worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd
                    moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. Voor de uitgebreide procedure gelden de
                    voorwaarden uit afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al><al/><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                    monumentencommissie.</al><al>De monumentencommissie brengt binnen vier weken een advies uit. Binnen deze
                    termijn kan de monumentencommissie normaliter zijn taak naar behoren vervullen.
                    Het niet uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van acht weken in acht te nemen. De termijn van acht weken kan met ten hoogste
                    zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    zes weken kan bedoeld zijn om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen
                    van een advies.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en opengesteld voor het indienen van
                    bezwaar. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar
                    bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een
                    bezwaarschrift is verstreken. Een voorlopige voorziening bij de rechtbank schort
                    de inwerkingtreding verder op. Indien er wel bezwaar is ingediend maar geen
                    voorlopige voorziening is gevraagd of de voorlopige voorziening is afgewezen
                    treedt de vergunning in werking maar gebruikmaking van deze vergunning is dan op
                    eigen risico, immers de vergunning kan alsnog geweigerd of vernietigd
                    worden.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Voorschriften</vet></al><al>Er kunnen voorschriften worden gegeven om het monument te beschermen.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Weigeringsgronden</vet></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 17. Vergunning voor beschermd monument</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 11 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Een ieder kan tegen een
                    ontwerpbesluit zienswijzen indienen. Het definitieve besluit moet binnen zes
                    maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Tegen het definitieve
                    besluit kan slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al/><al>De Rijksdienst geeft alleen nog advies indien er sprake is van reconstructie,
                    sloop en herbestemming van een beschermd monument. Ter compensatie van het
                    wegvallen van het advies van de Rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    De gemeente Hardenberg voldoet hieraan. Indien het beschermd monument buiten de
                    bebouwde kom ligt, is het bevoegd gezag verplicht om een afschrift van de
                    aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen
                    inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan. GS hebben aangegeven
                    vooralsnog adviezen te zullen uitbrengen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. STRAFBEPALING EN HANDHAVING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 18. Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 11, derde
                    lid. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder
                    vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt
                    aangemerkt als economisch delict. Het opnemen van een strafbepaling is
                    noodzakelijk om, indien alternatieve middelen niet afdoende zijn, handhaving te
                    kunnen afdwingen.</al><al/><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al/><al>De strafbepaling is een voortzetting uit de vorige monumentenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen..Het aanwijzen van
                    toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al/><al><vet>Artikel 20. Stilleggen werkzaamheden</vet></al><al>In dit artikel wordt aangegeven dat de werkzaamheden waarvoor geen toestemming
                    is verleend stilgelegd kunnen worden.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6. SLOT EN OVERGANGSBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 21. Intrekken oude regeling</vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Overgangsrecht</vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 4)
                    en de vergunningverlening (artikel 11).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden, zet de Wabo
                    de bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op
                    lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege
                    onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de
                    bepalingen uit de Wabo. Daarnaast is artikel 1.4 Invoeringswet Wabo van
                    toepassing. In dit artikel wordt onder andere de reeds verleende
                    monumentenvergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning. In gevallen
                    waarin reeds een monumentenvergunning is verleend behoeft geen
                    omgevingsvergunning voor dit onderdeel te worden verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Inwerkingtreding</vet></al><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                    Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>