<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR418269_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening conversie geldleningen gezondheidszorg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 1998/62</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening conversie geldleningen gezondheidszorg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>1998-06-17</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1998-07-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>J-735</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening conversie geldleningen gezondheidszorg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten d.d. 17 juni 1998, nr. J -
                        735 (Provinciaal Blad nr. 1998/62 van 2 juli 1998). In werking getreden op 3
                        juli 1998.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: wet: de Algemene wet
                            bestuursrecht; borgtocht: een overeenkomst, als bedoeld in artikel 7:850
                            van het Burgerlijk Wetboek; schuldenaar: een rechtspersoon, die houder
                            is van een instelling van gezondheidszorg, welke een overeenkomst van
                            geldlening met de schuldeiser heeft gesloten; schuldeiser: de
                            natuurlijke of rechtspersoon die een bedrag van de schuldenaar heeft te
                            vorderen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Bevoegdheid Gedeputeerde Staten</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te besluiten tot het aangaan van
                            borgtochten als bedoeld in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.3 Criteria borgtochten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een borgtocht kan worden aangegaan met een schuldeiser.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een borgtocht wordt uitsluitend aangegaan indien: </al><lijst><li nr="a."><al> Provinciale Staten vóór 1 januari 1984 hebben besloten dat
                                        de provincie een garantie zal verstrekken voor de betaling
                                        van rente en aflossing op een door de desbetreffende
                                        schuldenaar dan wel diens rechtsvoorganger aan te gane
                                        geldlening met een schuldeiser, en</al></li><li nr="b."><al> de desbetreffende schuldenaar dan wel diens
                                        rechtsvoorganger op grond van het in onderdeel a bedoelde
                                        besluit van Provinciale Staten reeds eerder een overeenkomst
                                        tot geldlening met provinciale garantie is aangegaan en
                                        voornemens is deze overeenkomst op te zeggen, en</al></li><li nr="c."><al> de schuldenaar gelijktijdig met de onder b bedoelde
                                        opzegging een nieuwe geldlening aangaat, en</al></li><li nr="d."><al> het bedrag dat de schuldenaar conform onderdeel c leent
                                        niet groter is dan het bedrag dat de schuldenaar in verband
                                        met de in onderdeel b bedoelde lening nog verschuldigd is op
                                        het moment van aflossen, en</al></li><li nr="e."><al> de looptijd en de aflossingsmethode van de aan te gane
                                        geldlening dezelfde is als de resterende looptijd en
                                        aflossingsmethode van de in onderdeel b bedoelde geldlening,
                                        en</al></li><li nr="f."><al> het rentepercentage dat de schuldenaar aan de schuldeiser
                                        is verschuldigd op grond van de aan te gane geldlening
                                        maximaal 4/5 bedraagt van het rentepercentage welke
                                        verschuldigd is op grond van de in onderdeel b bedoelde
                                        geldlening, en</al></li><li nr="g."><al> het rentepercentage voor een periode van ten minste vijf
                                        jaar ongewijzigd zal blijven, en</al></li><li nr="h."><al> de door de provincie met de schuldeiser aan te gane
                                        borgtocht in ieder geval voldoet aan de voorwaarden en
                                        bepalingen, die zijn opgenomen in de bij deze verordening
                                        behorende bijlage, en</al></li><li nr="i."><al> de aan te gane overeenkomst tot geldlening de bepaling
                                        bevat dat, indien de schuldenaar een achterstand heeft
                                        opgebouwd in de betaling van aflossing en/of rente en
                                        dientengevolge het geleende bedrag geheel of gedeeltelijk
                                        opeisbaar is, die opeisbaarheid vervalt indien de provincie
                                        binnen een maand nadat zij schriftelijk omtrent deze
                                        achterstand door de schuldeiser is geïnformeerd de
                                        achterstand aanzuivert, en</al></li><li nr="j."><al> de aan te gane overeenkomst tot geldlening de bepaling
                                        bevat dat, indien Gedeputeerde Staten gebruik maken van de
                                        aan hen in artikel 6, tweede lid, gegeven bevoegdheid de
                                        lening in haar geheel opeisbaar is.</al><al/><al/></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 Toepasselijk recht</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 is niet van toepassing
                            op het sluiten van borgtochten als bedoeld in deze verordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 De aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag wordt schriftelijk bij Gedeputeerde Staten ingediend,
                                waarbij ten minste de volgende bescheiden dienen te worden
                                overgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al> ten minste twee concurrerende offertes voor het aangaan van
                                        een geldlening;</al></li><li nr="b."><al> een bij die offertes behorend aflossingsschema;</al></li><li nr="c."><al> de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de in
                                        onderdeel a bedoelde offertes;</al></li><li nr="d."><al> de ontwerp-geldleningsovereenkomsten die horen bij de in
                                        onderdeel a bedoelde offertes;</al></li><li nr="e."><al> een verklaring van degenen die de in onderdeel a bedoelde
                                        offertes hebben uitgebracht dat zij kunnen instemmen met het
                                        in onderdeel 6 van de bijlage bedoelde model voor de
                                        borgtocht;</al></li><li nr="f."><al> een voorkeur voor een van beide offertes, bedoeld in
                                        onderdeel a, en de toelichting daarop;</al></li><li nr="g."><al> een afschrift van de in artikel 1.3, tweede lid, onderdeel
                                        b, bedoelde overeenkomst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in de offertes, bedoeld in het eerste lid, aangeboden
                                geldleningen dienen te voldoen aan de criteria zoals genoemd in
                                artikel 1.3.</al><al/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 De beslissing op de aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Beslistermijn</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten beslissen binnen twaalf weken na ontvangst op de
                            aanvraag. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden
                            verdaagd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Verplichtingen van de schuldenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het besluit tot het aangaan van een borgtocht verbinden
                                Gedeputeerde Staten de verplichting dat de schuldenaar daarnaast met
                                de provincie een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de wet
                                sluit. Gedeputeerde Staten stellen een model vast voor de
                                overeenkomst bedoeld in de vorige volzin.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval de
                                bepaling opgenomen dat de schuldenaar een recht van eerste hypotheek
                                ten gunste van de provincie verleent op de aan hem in eigendom
                                toebehorende gebouwen en terreinen waarop de geldlening betrekking
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, is tevens de
                                bepaling opgenomen dat de aanvrager de gebouwen en terreinen,
                                bedoeld in het tweede lid, niet zonder voorafgaande toestemming van
                                Gedeputeerde Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> van aard of bestemming mag veranderen;</al></li><li nr="b."><al> mag vervreemden;</al></li><li nr="c."><al> met een recht van hypotheek of met andere zakelijke rechten
                                        of lasten mag bezwaren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De schuldenaar dient jaarlijks een activiteitenverslag, een
                                jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 van het Burgerlijk Wetboek
                                alsmede een daarop betrekking hebbende accountantsverklaring in. De
                                stukken, bedoeld in de vorige volzin worden binnen twee weken na het
                                vaststellen daarvan doch in ieder geval voor 1 juli van het jaar
                                volgend op dat waarop deze stukken betrekking hebben bij
                                Gedeputeerde Staten ingediend.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Besluiten van de schuldenaar tot het aangaan van een fusie met een
                                andere rechtspersoon zijn onderworpen aan de goedkeuring van
                                Gedeputeerde Staten. De schuldenaar dient uiterlijk zes maanden voor
                                de voorgenomen fusie een verzoek om goedkeuring, bedoeld in de
                                vorige volzin in. Bij het verzoek om goedkeuring legt de schuldenaar
                                de volgende bescheiden over: </al><lijst><li nr="a."><al> een jaarrekening en een daarop betrekking hebbende
                                        accountantsverklaring van de rechtspersoon waarmee de
                                        schuldenaar wenst te fuseren over hetzelfde jaar als
                                        waarover Gedeputeerde Staten op dat moment ingevolge het
                                        vierde lid ten aanzien van de schuldenaar dienen te
                                        beschikken;</al></li><li nr="b."><al> de statuten van de rechtspersoon die na de fusie zal
                                        ontstaan;</al></li><li nr="c."><al> de begroting voor de financiële situatie na de fusie.</al><al/><al/></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5 De vaststelling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1 Achterwege laten vaststelling</titel></kop><al>Wanneer na afloop van de periode waarvoor een borgtocht is aangegaan
                            blijkt dat door de schuldeiser geen aanspraak op de borgtocht is
                            gemaakt, blijft een besluit tot vaststelling achterwege.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 6 Intrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de schuldenaar dan wel de schuldeiser de bij of krachtens
                                deze verordening gestelde verplichtingen niet nakomt kunnen
                                Gedeputeerde Staten het besluit tot het aangaan van de borgtocht
                                intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien Gedeputeerde Staten gebruik hebben gemaakt van de in het
                                eerste lid gegeven bevoegdheid kunnen zij de borgtocht opzeggen door
                                het doen van een schriftelijke mededeling aan zowel de schuldenaar
                                als de schuldeiser. Na ontbinding zal de provincie gedurende een
                                periode van 26 weken na verzending van voormelde mededeling wel
                                gehouden blijven tot betaling aan de schuldeiser van dat gedeelte
                                van de lening dat, ondanks uitwinning door de schuldeiser van het
                                vermogen van de schuldenaar, onbetaald is gebleven.</al><al/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 7 De betaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1 De betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De provincie is niet gehouden tot nakoming voordat de schuldenaar
                                in de nakoming van zijn verbintenis jegens de schuldeiser is tekort
                                geschoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het in het eerste lid bepaalde is de provincie jegens
                                de schuldeiser niet tot betaling gehouden, dan nadat de schuldeiser
                                zijn vordering voorzover mogelijk op de schuldenaar heeft
                                verhaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 8 Bijzondere en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1 Evaluatie</titel></kop><al>Het in artikel 4:24 van de wet bedoelde verslag wordt voor de eerste
                            keer na inwerkingtreding van deze verordening uiterlijk aangeboden op 1
                            januari 2003.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien een besluit als bedoeld in artikel 1.2 is genomen en de
                                daarop gebaseerde borgtocht en de overeenkomst als bedoeld in
                                artikel 4.1 zijn aangegaan, vervallen de besluiten bedoeld in
                                artikel 1.3, tweede lid, onderdeel a alsmede de op laatstbedoelde
                                besluiten gebaseerde besluiten van Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deze verordening wordt aangehaald als Verordening conversie
                                geldleningen gezondheidszorg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Zij treedt in werking met ingang van de dag na de plaatsing in het
                                Provinciaal Blad.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Provinciale staten van Gelderland</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE BEHORENDE BIJ DE VERORDENING CONVERSIE GELDLENINGEN
                        GEZONDHEIDSZORG</titel></kop><al>De borgtocht heeft slechts betrekking op verplichtingen inzake rente en
                    aflossing welke uitdrukkelijk zijn vermeld in het besluit, bedoeld in artikel
                    1.2. De borgtocht wordt niet aangegaan: a voor het betalen van incasso-,
                    advocaat- en/of procureurskosten en boeten of boeterenten, onder welke benaming
                    dan ook; b voor verbintenissen die ontstaan na het totstandkomen van de
                    borgtocht tenzij Gedeputeerde Staten daarmee uitdrukkelijk schriftelijk hebben
                    ingestemd. Gedeputeerde Staten doen bij het aangaan van de borgtocht geen
                    afstand van de bevoegdheden die het Burgerlijk Wetboek aan borgen toekent.
                    Indien en zodra de schuldenaar in gebreke is met de naleving van de in de leen-
                    en kredietovereenkomsten opgenomen voorwaarden en de schuldeiser om die reden
                    tot enige (rechts) maatregelen jegens de schuldenaar wenst over te gaan, zal de
                    schuldeiser Gedeputeerde Staten hiervan vooraf schriftelijk in kennis stellen.
                    De schuldeiser zal niet tot het treffen van (rechts)maatregelen jegens de
                    schuldenaar overgaan alvorens de termijn van een maand, genoemd in artikel 1.3,
                    tweede lid, onderdeel i, is verstreken of Gedeputeerde Staten schriftelijk
                    hebben meegedeeld de achterstand, bedoeld in dat artikellid, niet te zullen
                    aanzuiveren. De provincie kan als borg niet worden aangesproken indien en
                    zolang: a het op basis van de in artikel 1.3, tweede lid, onderdeel b, van de
                    verordening bedoelde geldlening geleende bedrag en de uit hoofde van die
                    geldlening verschuldigde renten en kosten niet geheel zijn afgelost, en b de bij
                    die geldlening betrokken schuldeiser niet schriftelijk heeft verklaard dat de
                    provincie is bevrijd van haar verplichtingen uit hoofde van de in verband met
                    die geldlening gesloten borgtochtovereenkomst. De borgtocht kan door de
                    provincie worden opgezegd indien de schuldenaar in gebreke is met de nakoming
                    van zijn bij of krachtens de verordening gestelde verplichtingen, met dien
                    verstande dat de provincie gedurende een periode van 26 weken na verzending van
                    de schriftelijke mededeling daaromtrent wel gehouden zal blijven tot betaling
                    aan de schuldeiser van dat gedeelte van de lening dat, ondanks uitwinning door
                    de schuldeiser van het vermogen van de schuldenaar, onbetaald is gebleven.
                    Gedeputeerde Staten stellen een model voor de borgtocht vast. </al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Tot en met 1 januari 1984 hebben Provinciale Staten van Gelderland besluiten
                    genomen over door instellingen van gezondheidszorg (instellingen voor
                    psychiatrie, zwakzinnigenzorg e.d.) af te sluiten geldleningen voor
                    investeringen, waarvoor de provincie garant zou staan. Gezien het financiële
                    risico voor de provincie is indertijd besloten per genoemde datum geen garanties
                    in de hiervoor bedoelde zin meer af te sluiten.</al><al>Het door de provincie gegarandeerde geldbedrag in de gezondheidszorg bedroeg op
                    1 januari 1984 ongeveer ƒ 700 miljoen. Door aflossing is dit bedrag inmiddels
                    teruggelopen tot ongeveer ƒ 300 miljoen. Bij gelijkblijvende omstandigheden zal
                    de laatste aflossing in 2027 worden betaald. Tot op heden is nog geen beroep
                    gedaan op deze provinciale garanties.</al><al>Een aantal van de hiervoor bedoelde geldleningen is indertijd aangegaan tegen,
                    vergeleken met de huidige situatie, betrekkelijk hoge rentepercentages. Om die
                    reden verzoeken instellingen met een door de provincie gegarandeerde geldlening
                    in toenemende mate deze geldleningen te mogen aflossen en omzetten in een lening
                    met een lagere rente (conversie), onder handhaving van de provinciale
                    garantie.</al><al>Vanaf 1 januari 1998 worden garanties tot het begrip subsidie, als bedoeld in
                    artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht gerekend. Ingevolge artikel 4:23
                    van de Algemene wet bestuursrecht dient voor deze vorm van subsidiëring een
                    subsidieregeling te worden opgesteld. De onderhavige verordening regelt het
                    nemen van besluiten op dergelijke verzoeken om conversie. Met een dergelijke
                    conversie ontstaan voor de partijen bij die overeenkomst een geheel nieuwe
                    rechtsrelatie. Op de voor 1 januari 1998 afgesloten borgtochten, die niet worden
                    geconverteerd, blijft het voor die datum geldende recht van toepassing.</al><al>De vraag die in dit verband gesteld moet worden is onder welke voorwaarden
                    conversie acceptabel is. Uitgangspunt bij het beantwoorden van deze vraag zal
                    moeten zijn, mede ook gezien het totaalbedrag ad ƒ 300 miljoen waarvoor de
                    provincie thans nog garant staat, het zo veel mogelijk beperken van het risico
                    voor de provincie. Conversie van geldleningen met een hoge rente in leningen met
                    een aanmerkelijk lagere rente is dan ook in principe acceptabel omdat daardoor
                    het risico voor de provincie wordt verlaagd.</al><al>Een verdere reductie van het financiële en juridische risico is mogelijk indien
                    de schuldenaar hypotheek op de aan hem toebehorende gebouwen en terreinen aan de
                    provincie verleent. Het gevolg van dergelijke hypotheekverlening is immers dat,
                    indien de provincie in een bepaald geval als borg aan de schuldeiser zou moeten
                    betalen, de financiële schade zou kunnen worden beperkt doordat de provincie de
                    door de hypotheek verbonden gebouwen en terreinen zou kunnen verkopen. Ook zal
                    de positie van de provincie als borg niet verzwakt mogen worden. Met name van de
                    zijde van de banken, die geldleningen aan de instellingen van gezondheidszorg
                    verstrekken, is een streven merkbaar de eigen positie te versterken en de
                    positie van de provincie als borg uit te hollen. In de onderhavige verordening
                    wordt aan dit streven, voorzover mogelijk, een halt toegeroepen.</al><al>Bij een borgtocht is er in feite een relatie tussen drie partijen, waaraan ook
                    drie overeenkomsten ten grondslag liggen. Allereerst is er de
                    geldleningsovereenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser, die zal worden
                    getoetst aan het in artikel 1.3 bepaalde. Voorts is er de overeenkomst tussen de
                    schuldenaar en provincie, waarvoor op grond van het bepaalde in artikel 4.1,
                    tweede lid, een model zal worden gehanteerd. Ten slotte is er de overeenkomst
                    tussen schuldeiser en de provincie, die moet voldoen aan het gestelde in de als
                    onderdeel van de verordening toegevoegde bijlage. Ook voor deze overeenkomst
                    wordt een model gehanteerd.</al><al>Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.1</al><al>In plaats van de tot op heden gebruikte term "garanties" wordt in deze
                    verordening de wettelijke term "borgtocht" gebruikt. Met beide termen wordt
                    overigens hetzelfde bedoeld.</al><al>Artikel 1.2</al><al>Gedeputeerde Staten worden in dit artikel bevoegd verklaard zowel de besluiten
                    tot het aangaan van overeenkomsten van borgtocht te nemen als tot het aangaan
                    van die overeenkomsten zelf.</al><al>Artikel 1.3</al><al>In dit artikel is vastgelegd dat er geen nieuwe garanties worden afgegeven.
                    Instellingen die voor 1 januari 1984 een provinciale garantie hebben verkregen
                    op een door hen afgesloten geldlening kunnen deze lening onder bepaalde
                    voorwaarden omzetten in een andere lening met een lagere rente.</al><al>In het tweede lid van dit artikel zijn de inhoudelijke voorwaarden vastgelegd om
                    tot conversie over te gaan. Slechts indien aan alle voorwaarden van deze
                    bepaling is voldaan kan worden overgegaan tot conversie. In onderdeel h is
                    bepaald dat de instelling een bank moet vinden die bereid is met de provincie
                    een borgtochtovereenkomst af te sluiten die aan een aantal voorwaarden voldoet.
                    Deze voorwaarden staan opgenomen in de bij de verordening horende bijlage. In
                    deze bijlage is onder meer bepaald, dat de borgtocht alleen geldt voor het door
                    de provincie erkende bedrag van de geldlening en derhalve niet voor toekomstige
                    leningen en ook niet voor bijkomende kosten. Voorts is in de bijlage neergelegd
                    dat de juridische positie van de provincie als borg niet mag worden uitgehold.
                    Ten slotte is in de bijlage bepaald dat de schuldeiser de provincie adequaat
                    dient te informeren indien zich bij de instelling financiële problemen voordoen
                    waardoor een beroep op de provinciale borgstelling kan worden gedaan.</al><al>Artikel 1.4</al><al>Gezien het feit dat het karakter van borgstellingen in aanzienlijke mate afwijkt
                    van de overige subsidies en de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998 op
                    het punt van de garanties geen inhoudelijke bepalingen bevat, is deze
                    verordening in dit geval buiten toepassing verklaard.</al><al>Artikel 4.1</al><al>In het verleden werd tussen de instelling voor gezondheidszorg en de provincie
                    een garantieovereenkomst afgesloten. Deze praktijk wordt thans
                    gecontinueerd.</al><al>De in het vierde lid bedoelde stukken zijn bedoeld om de financiële positie van
                    de instelling te kunnen beoordelen.</al><al>De in het vijfde lid bedoelde goedkeuring zal in ieder geval worden geweigerd
                    indien de financiële situatie van de rechtspersoon waarmee de aanvrager wenst te
                    fuseren zodanig slecht is dat verwacht mag worden dat de rechtspersoon die na de
                    fusie zal ontstaan financieel onvoldoende levensvatbaar zal zijn.</al><al>Artikel 5.1</al><al>Indien een beroep wordt gedaan op de provinciale borgstelling zullen
                    Gedeputeerde Staten een vaststellingsbesluit moeten nemen waarin de aanspraak op
                    betaling van het concrete bedrag wordt vastgelegd. Als er evenwel geen beroep op
                    de borgstelling wordt gedaan dan kan een dergelijk vaststellingsbesluit
                    achterwege blijven.</al><al>Artikel 6.1</al><al>In dit artikel is de sanctie neergelegd op het niet naleven van het bepaalde in
                    deze verordening door de schuldeiser en de schuldenaar, namelijk het intrekken
                    van het besluit tot het aangaan van de borgstelling en het ontbinden van de
                    overeenkomst van borgtocht.</al><al>Artikel 7.1</al><al>Het tweede lid moet ook in combinatie met het bepaalde in artikel 1.3, tweede
                    lid, onderdeel j, en het tweede lid van artikel 6.1 worden gelezen. Hierdoor
                    hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om de schuldenaar, wanneer deze wat
                    betreft zijn verplichtingen nalatig blijft, met sancties te treffen zonder dat
                    de belangen van de schuldeiser geweld worden aangedaan. De overeenkomst tussen
                    provincie en schuldeiser zal hier ook bij aan moeten sluiten (zie punt 6 van de
                    bijlage).</al><al>Artikel 8.1</al><al>Het in dit artikel bedoelde verslag beschrijft de doeltreffendheid en de
                    effecten van de borgtochten in de praktijk. Het eerste verslag wordt uiterlijk
                    op 1 januari 2003 aan Provinciale Staten aangeboden. Vervolgens wordt iedere
                    vier jaar een dergelijk verslag aangeboden totdat de laatste borgtocht is
                    vervallen.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>