<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR417988_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Tytsjerksteradiel 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>APV Tytsjerksteradiel 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-10-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Apv</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Tytsjerksteradiel 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare plaats: hetgeen in <onderstreept>artikel 1 van de Wet
                                        openbare manifestaties</onderstreept> daaronder wordt
                                    verstaan;</al></li><li nr="b."><al>weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="c."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn; </al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van <onderstreept>artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                        1994</onderstreept>;</al></li><li nr="e."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening Tytsjerksteradiel;</al></li><li nr="g."><al>gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet;</al></li><li nr="h."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen; </al></li><li nr="i."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in <onderstreept>artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht</onderstreept> of ten aanzien van een al
                                    verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="j."><al>ijsweg op openbaar water: de door de in de gemeente werkzame
                                    ijswegencentrale aangelegde en d.m.v. vegen en verzorgen in
                                    stand gehouden banen op natuurijs op de wateren in de gemeente
                                    die - al dan niet met enige beperking - bevaarbaar zijn;</al></li><li nr="k."><al>innemen ligplaats: het afmeren en vervolgens doen of laten
                                    liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de
                                    oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel
                                    aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan
                                    voor aanleggen;</al></li><li nr="l."><al>aanleggen: het afmeren en vervolgens doen of laten liggen van
                                    een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of
                                    op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening
                                    of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk
                                    wordt gebruikt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving
                                    van het vaartuig;</al></li><li nr="m."><al>college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is van
                            toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om vergunning als
                            bedoeld in artikel 2:11, 2:12, 4:11 of artikel 4:15a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Algemene weigeringsgronden</titel></kop><al>Een vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het woon- en leefmilieu;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en
                                    goederen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats dan wel een publiek
                                    toegankelijk gebouw deel te nemen aan een samenscholing, onnodig
                                    op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                                    ongeregeldheden, ongeregeldheden te veroorzaken of in
                                    groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te
                                    vechten of op andere wijze de openbare orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424
                                    of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1a</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is degene aan wie dit door of namens de burgemeester in
                                        het belang van de openbare orde of zedelijkheid is
                                        bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar
                                        middel van vervoer te bevinden op of aan de door de
                                        burgemeester aangewezen wegen en plaatsen, gedurende de uren
                                        daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de
                                        bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken
                                        (verblijfsontzegging).</al></li><li nr="2."><al>Een ieder aan wie een verblijfsontzegging is opgelegd, is
                                        verplicht, op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar
                                        van , zich te verwijderen van de gebieden als vermeld in de
                                        verblijfsontzegging.</al></li></lijst><al>3.De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod,
                                indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                betrokkene noodzakelijk is.</al><al>4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod.</al><al/><al><onderstreept>Afdeling 2 Betoging</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 2:2
                                    Optochten</vet><cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                                plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare
                                        aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt
                                        gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van …beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te
                                                …bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. </al></li><li nr="4."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt
                                        op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                        algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                        uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                        voorafgaande werkdag. </al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                        eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                        kennisgeving in behandeling nemen.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn<cursief> (vervallen, opgenomen in art.
                                    2:3)</cursief></al><al/><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens<cursief> (vervallen, opgenomen
                                    in art 2:3)</cursief></al><al/><al><onderstreept>Afdeling 3 Verspreiding van gedrukte
                                    stukken</onderstreept></al><al/><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                stukken of afbeeldingen<cursief> (vervallen)</cursief></al><al/><al><onderstreept>Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de
                                weg</onderstreept></al><al/><al>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.<cursief>
                                    (vervallen)</cursief></al><al/><al>Artikel 2:8 Dienstverlening<cursief> (vervallen)</cursief></al><al/><al>Artikel 2:9 Straatartiest e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te
                                        treden binnen de bebouwde kom. </al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
                                    </al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                        toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de
                                    weg</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 2:10a Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of
                                    aan de weg in strijd met de publieke functie van de
                                weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
                                        een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                        publieke functie daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning
                                        bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                                weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                                dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li></lijst><al>3. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan is in ieder geval sprake wanneer
                                niet tenminste een vrije doorgang van 1 ½ meter wordt gelaten op
                                fiets- en voetpaden en van op de rijbaan voor fietsers /
                                gemotoriseerd verkeer.</al><lijst><li nr="4."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10b</nr><titel>Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:28;</al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt ook
                                    niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                    worden geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt
                                    niet voorzover in het daarin …..geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het
                                    …..Provinciaal wegenreglement Fryslân. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid onder a van het vorige
                                    artikel, geldt niet …..voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    …..Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid onder b van het vorige
                                    artikel, geldt niet voor …..bouwwerken;</al><al>d.De weigeringsgrond van het tweede lid onder c van het vorige
                                    artikel, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10c</nr><titel>Vrij te stellen categorieën</titel></kop><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het
                                verbod in het eerste lid van artikel 2:10a niet geldt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat,
                                    alsmede alle niet-openbare ontsluitings-wegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning is zaaksgebonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het
                                    uitvoeren van hun publieke taak.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                            uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                            weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning is zaaksgebonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    wegenreglement Fryslân. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                    werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder
                                    4<sup>e</sup>, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van
                                    de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d. (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d. (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen dan wel op heide- of
                                    veengronden of binnen een afstand van daarvan gedurende een door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen dan wel op heide- of veengronden of
                                    binnen een afstand van daarvan, voorzover het de open lucht
                                    betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg
                                    te werpen of te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3d, van het
                                    Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende als tuin
                                    ingerichte erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan boven
                                    dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen, die op grotere afstand dan uit de uiterste boord van
                                    de weg, op van de weg af naar achter gerichte delen van een
                                    afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                    openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                    of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet
                                    1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringswet
                                    Privaatrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                  beschadigen, te verontreinigen, te versperren of
                                                  het verkeer daarop op enige andere wijze te
                                                  belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                  veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                  ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                  beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                  daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                            onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht
                                            of de Provinciale vaarwegenverordening Fryslân.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:23a Bijt in het ijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die een bijt in het ijs van een voor publiek
                                            toegankelijke ijsbaan of ijsweg maakt, onderscheidenlijk
                                            heeft, is verplicht deze op opvallende wijze af te
                                            bakenen door bijvoorbeeld planken, takken of
                                            schotsen.</al></li><li nr="2."><al>Onder bijt, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet
                                            verstaan een smalle opening die rondom een vaartuig in
                                            het ijs is gemaakt.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:23b Gevaarlijk ijs</vet></al><al>De rechthebbende op een werk voor de afvoer van water is,
                                    wanneer het ijs in of nabij een ijsbaan of ijsweg door
                                    uitstorting van dat water onbetrouwbaar is, verplicht de
                                    gevaarlijke plaats duidelijk zichtbaar en op opvallende wijze af
                                    te bakenen.</al><al>Artikel 2:23c Vrijheid ijsverkeer</al><al>Het is verboden op of aan een voor het publiek toegankelijke
                                    ijsbaan of ijsweg op enigerlei wijze de vrijheid van het verkeer
                                    zonder noodzaak te belemmeren dan wel de veiligheid op die
                                    ijsweg of ijsbaan in gevaar te brengen.</al><al>Artikel 2:23d Onbetrouwbaarheid van het ijs</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich op het ijs van een voor het publiek
                                            toegankelijke ijsbaan of ijsweg te bevinden, indien dit
                                            wegens onbetrouwbaarheid van dat ijs gevaar dreigt op te
                                            leveren.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie in een geval als bedoeld in het eerste
                                            lid door een ambtenaar van politie wordt bevolen zich
                                            van het onbetrouwbare ijs te verwijderen, is verplicht
                                            aan dit bevel onmiddellijk gevolg te geven.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Afdeling 7 Evenementen</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 2:24 Begripsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke
                                            voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                            uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                                  onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de
                                                  kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en
                                                  Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als
                                                  bedoeld in de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze
                                                  verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></li><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            art. 2:3 van deze verordening, op ..de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest of wedstrijd op of aan de weg.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            burgemeester de vergunning weigeren in het belang
                                            van:</al></li><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of gezondheid.</al></li><li nr="e."><al>het karakter van de locatie.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem
                                            aan te wijzen categorieën evenementen.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></li><li nr="6."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het
                                            tweede lid, onder d, van artikel 2:24 voorziene
                                            gevallen, voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                            wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148
                                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:25a Meldingsplicht voor kleine evenementen
                                    </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor eendaagse
                                            evenementen, indien:</al></li><li nr="a."><al>het een evenement in de open lucht betreft, en;</al></li><li nr="b."><al>het aantal bezoekers of deelnemers op enig moment niet
                                            meer bedraagt dan 100 personen, en;</al></li><li nr="c."><al>indien het een barbecue of straatfeest betreft niet meer
                                            dan 2 straten omvat, en;</al></li><li nr="d."><al>niet langer dan tot 23.00 uur versterkte en of live
                                            muziek ten gehore wordt gebracht, en;</al></li><li nr="e."><al> het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer
                                            en de hulpdiensten, en;</al></li><li nr="f."><al>slechts objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                            van minder dan 10m² per object en niet meer dan 2
                                            objecten per straat, en;</al></li><li nr="g."><al>er een aanwijsbare organisator is, en;</al></li><li nr="h."><al>het evenement niet op zondag plaatsvindt, en;</al></li><li nr="i."><al>de organisator de burgemeester tenminste 3 weken
                                            voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een
                                            door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier,
                                            en;</al></li><li nr="j."><al>binnen 10 werkdagen na ontvangst van het door de
                                            burgemeester geen tegenbericht is verzonden (dan kan het
                                            evenement plaatsvinden).</al></li><li nr="3."><al>Indien straten afgesloten moeten worden voor verkeer,
                                            dient de organisator dit te realiseren door middel van
                                            schrikhekken met daarop borden C1 RVV (gesloten
                                            verklaring). Hiervoor dient de organisator zelf zorg te
                                            dragen.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een
                                            feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg,
                                            voorzover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door
                                            artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>1.Het is verboden bij een evenement onnodig op te dringen of door
                                uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te
                                veroorzaken of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig
                                te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.</al><al>2.Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in
                                gevaar komt of kan komen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.</al><al>4.Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde
                                of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al><al/><al><onderstreept>Afdeling 8 Toezicht op openbare
                                    inrichtingen</onderstreept></al><al/><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                        worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                        consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare
                                        inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                        restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                        buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt
                                        tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en
                                        andere aanhorigheden;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                        inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid
                                        kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen
                                        worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                        worden bereid of verstrekt.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren
                                        zonder vergunning van de burgemeester.</al><lijst><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de
                                                burgemeester de vergunning indien de vestiging of
                                                exploitatie van de openbare inrichting in strijd is
                                                met een geldend bestemmingsplan c.q. indien het
                                                verzoek tot medewerking aan een afwijking of
                                                wijziging van het bestemmingsplan onherroepelijk is
                                                afgewezen. </al></li><li nr="3."><al> De burgemeester weigert de aanvraag om vergunning
                                                in behandeling te nemen indien de aanvrager geen
                                                Verklaring Omtrent het Gedrag met betrekking tot de
                                                leidinggevende(n) overlegt bij de
                                                vergunningaanvraag, die is afgegeven maximaal drie
                                                maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag
                                                is ingediend.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                                burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk
                                                weigeren indien naar zijn oordeel moet worden
                                                aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                                                omgeving van de openbare inrichting of de openbare
                                                orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                                beïnvloed.</al></li><li nr="5."><al>Bij de toepassing van de in het vierde lid genoemde
                                                weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met
                                                het karakter van de straat en de wijk, waarin de
                                                openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen,
                                                de aard van de openbare inrichting en de spanning,
                                                waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat
                                                of bloot zal komen te staan door de exploitatie van
                                                de openbare inrichting. </al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren in het
                                                geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3
                                                van de Wet bevordering integriteits beoordelingen
                                                door het openbaar bestuur (Wet BIBOB). </al></li><li nr="7."><al>a. De burgemeester weigert de vergunning voor een
                                                horecabedrijf als bedoeld in het …eerste lid, waar
                                                bedrijfsmatig alcoholvrije dranken voor gebruik ter
                                                plaatse worden …verstrekt indien niet wordt voldaan
                                                aan de volgende eisen:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>leidinggevenden als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank-
                                        en Horecawet dienen te voldoen aan de eisen die bij of
                                        krachtens artikel 8, lid 1 en 2 van de Drank- en Horecawet
                                        zijn gesteld;</al></li><li nr="2."><al>de openbare inrichting dient te voldoen aan de eisen die bij
                                        of krachtens artikel 10 van de Drank- en Horecawet zijn
                                        gesteld;</al></li><li nr="b."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                        inrichtingseisen bedoeld onder a, …sub 2.</al><al>8.Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting die
                                        zich bevindt in:</al></li><li nr="a."><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                        voor zover de activiteiten van de openbare inrichting als
                                        dienstverlening kan worden gezien voor het winkelend
                                        publiek;</al></li><li nr="b."><al>een zorginstelling;</al></li><li nr="c."><al>een museum;</al></li><li nr="d."><al>een school;</al></li><li nr="e."><al>een bedrijfskantine of -restaurant.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="9."><al>Indien de vergunningsaanvraag mede betrekking
                                                  heeft op één of meer bij de openbare inrichting
                                                  horende terrassen op de weg, beslist de
                                                  burgemeester over de ingebruikneming van die weg
                                                  ten behoeve van het terras. </al></li><li nr="10."><al>Onverminderd het gestelde in het zevende en
                                                  achtste lid, kan de burgemeester de
                                                  ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of
                                                  meer bij een openbare inrichting behorende
                                                  terrassen weigeren:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                                weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid
                                                van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor
                                                het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al><lijst><li nr="11."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                                  bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                                  niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op
                                                  de vergunning bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="12."><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></li><li nr="13."><al>Het bepaalde in het achtste en negende lid
                                                  geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                                  onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                                  rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal
                                                  Wegenreglement Fryslân. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijd</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27,
                                        eerste lid, is het de houder van:</al></li><li nr="a."><al>een café, discotheek, restaurant of daaraan verwant bedrijf
                                        waar alcohol mag worden geschonken verboden dit voor
                                        bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen
                                        01.00 en 06.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00
                                        en 06.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>een cafetaria, snackbar, lunchroom of daaraan verwant
                                        bedrijf waar geen alcohol mag worden geschonken verboden dit
                                        voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te
                                        laten of te laten verblijven op zondag tot en met zaterdag
                                        tussen 24.00 en 06.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Voor openbare inrichtingen die zich richten op activiteiten
                                        van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve,
                                        levensbeschouwelijke of godsdienstige aard als een dorphuis,
                                        verenigingsgebouw, sportkantine of daaraan verwante
                                        instelling als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en
                                        Horecawet, is het de houder daarvan verboden deze voor
                                        bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven op zondag tot en met zaterdag tussen
                                        24.00 en 06.00 uur, met dien verstande dat voor dorpshuizen
                                        een afwijkend tijdstip geldt op vrijdag en zaterdag van
                                        01.00 tot 06.00 uur.</al></li><li nr="3."><al>Het is de houder van een terras als bedoeld in artikel 2:27,
                                        tweede lid, verboden dit voor bezoekers geopend te houden op
                                        zondag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 06.00 uur,
                                        behoudens ontheffing van dit tijdstip tussen uiterlijk 24.00
                                        en 06.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Voor een openbare inrichting in een winkel gelden dezelfde
                                        sluitingstijden als voor de winkel.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan door middel van een voorschrift andere
                                        sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare
                                        inrichting of een daartoe behorend terras, dan wel
                                        ontheffing van de sluitingstijden verlenen voor een
                                        afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend
                                        terras.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="7."><al>De ontheffing is zaaksgebonden.</al></li><li nr="8."><al>Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare
                                        inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29
                                        geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                        bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing in die
                                        situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                        voorzien.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties
                                        waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</al><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat
                                        de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens artikel 2:30, 1<sup>e</sup> lid;</al></li><li nr="b."><al>op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen
                                        die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn
                                        op het terras.</al><al/><al><vet>Artikel 2:31a Ordeverstoring </vet></al></li></lijst><al>1.Het is verboden in een openbare inrichting onnodig op te dringen
                                of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, te
                                veroorzaken of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig
                                te vallen, te vechten of op andere wijze de orde te verstoren.</al><al>2.Het is verboden in een openbare inrichting messen, knuppels,
                                slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden
                                gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde
                                of veiligheid in gevaar komt of kan komen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.</al><al>4.Een ieder is verplicht in een openbare inrichting alle
                                aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang
                                van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al><al/><al>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar
                                        als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van
                                        bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het
                                        Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat
                                        een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat
                                        bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                        wijze overdraagt.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>4.Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34 Overige bepalingen</vet></al><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 vervalt, indien de
                                betreffende openbare inrichting wordt beëindigd, van overheidswege
                                wordt gesloten, indien gedurende een periode van zes maanden geen
                                gebruik wordt gemaakt van de vergunning of indien de aard en omvang
                                van de openbare inrichting wordt gewijzigd.</al><al/><al><onderstreept>Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het
                                    verschaffen van nachtverblijf</onderstreept></al><al/><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling <cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
                                <cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al>Artikel 2:37 Nachtregister <cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
                                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet><onderstreept>Afdeling 10 Toezicht op
                                        speelgelegenheden</onderstreept></vet></al><al/><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden <cursief>(vervallen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2:40 Speelautomaten</vet></al><lijst><li nr=""><al>1.In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        c, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                        30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                        30, onder e, van de Wet.</al><lijst><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen of het hoogdrempelige
                                                deel van een samengestelde inrichting zijn 2
                                                kansspelautomaten toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen of het laagdrempelige
                                                deel van een samengestelde inrichting zijn
                                                kansspelautomaten niet toegestaan.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Afdeling</onderstreept><onderstreept>
                                    11</onderstreept><onderstreept> Maatregelen tegen overlast en
                                    baldadigheid</onderstreept></al><al/><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
                                        Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek
                                        toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                        gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
                                        lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
                                        voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in
                                        de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                        is. </al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede
                                        lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing. </al></li><li nr="6."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een roerende of
                                        onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen
                                        of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van het
                                        college en van de …..rechthebbende op de weg of op dat
                                        gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat …..vanaf de
                                        weg zichtbaar is:</al></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding aan te plakken of te laten aanplakken of op
                                        andere wijze aan te brengen of te laten aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                        afbeelding, letter of cijfer of teken aan te brengen of te
                                        laten aanbrengen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden en aanplakzuilen aanwijzen
                                        voor het aanbrengen van meningsuitingen, bekendmakingen en
                                        handelsreclame.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden
                                        te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen, bekendmakingen en handelsreclame op de
                                        aanplakborden en aanplakzuilen die geen betrekking mogen
                                        hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                        bekendmakingen. </al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                        toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                        diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of
                                        openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof
                                        of verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                        materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                        bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen
                                        te vervoeren of bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde
                                        werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich
                                        onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                        verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te
                                        verbreken, diefstal door middel van braak te
                                        vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
                                (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (vervallen)</vet></al><al/><al>Artikel 2:47 Verboden gedrag op openbare plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                                monument, overkapping, constructie, openbare
                                                toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                                afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet
                                                bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere
                                                gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare
                                                plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                                berokkent.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van
                                        het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank
                                    te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank-
                                    en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>door het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;</al></li><li nr="c."><al>zich zonder redelijk doel op te houden op het terrein
                                            van een school, bedrijf of instelling buiten de
                                            schooltijd of werktijden van het bedrijf of de
                                            instelling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Verboden gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Afsluiten voertuigen</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> (vervallen)</titel></kop><afdeling><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom op de weg of in parken en plantsoenen
                                    zonder dat die hond aangelijnd is, tenzij anders is
                                    aangegeven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>buiten de bebouwde kom zonder toezicht of geleide;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in op enigerlei wijze als zodanig aangegeven natuurgebieden en
                                    de particuliere terreinen die daarbinnen liggen, tenzij anders
                                    is aangegeven, zonder dat die hond aangelijnd is;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander
                                    identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet
                                    kennen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet
                                            van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
                                        </al></li><li nr="3."><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b
                                            gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond
                                            zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat
                                            begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond
                                            deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden, paarden en pony’s</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat de uitwerpselen van de hond in de openbare ruimte meteen
                                    worden opgeruimd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond: </al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd bepaalde
                                    plaatsen aan te wijzen waar de in lid 1 gestelde verplichting
                                    niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De eigenaar, houder of berijder van een paard of pony is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat in de openbare ruimte, voor zover
                                    gelegen binnen de bebouwde kommen van de gemeente
                                    Tytsjerksteradiel, de uitwerpselen van het paard of de pony
                                    worden opgeruimd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                            gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of
                                            houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
                                            muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of
                                            loopt op een openbare plaats of op het terrein van een
                                            ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                            verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn
                                            met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten
                                            hoogste .</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                            verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                            die: </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                    toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig
                                    zijn.</al><al>4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder e,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de
                                        <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> bij dat
                                    aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                    aangegeven; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>te voeren.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                            gelegen binnen plaats die een krachtens het eerste lid
                                            is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer
                                            verboden bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing. </al></li><li nr="4."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee en pluimvee</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan
                                    een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is
                                    afgescheiden door een deugdelijke (pluim)veekering, is verplicht
                                    ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat
                                    dit vee die weg niet kan bereiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden vee zonder voldoende toezicht op of aan een weg
                                    te hebben of te doen verblijven of zonder voldoende begeleiding
                                    over de weg te vervoeren of te verweiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>(Pluim)vee, dat onbeheerd wordt aangetroffen kan worden
                                    overgebracht naar een door het college te bepalen plaats en
                                    aldaar worden bewaard op kosten van de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in bewaring gesteld (pluim)vee, als bedoeld in het derde
                                    lid, niet binnen een termijn van een week, gerekend vanaf de dag
                                    van inbewaringstelling, door de eigenaar is opgevorderd, brengt
                                    het college deze bewaring door publicatie in een of meer
                                    plaatselijk verschijnende nieuwsbladen ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de eigenaar het (pluim)vee niet binnen een week na de in
                                    het vierde lid bedoelde publicatie heeft gevorderd, wordt dit in
                                    het openbaar verkocht. Na aftrek van de kosten van bewaring en
                                    publicatie wordt de opbrengst gedurende de wettelijke termijn
                                    van verjaring ter beschikking van de eigenaar gehouden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vierde en vijfde lid zijn
                                    burgemeester en wethouders na het verstrijken van de termijn,
                                    als bedoeld in het vierde lid, eveneens gerechtigd over te gaan
                                    tot openbare verkoop van het (pluim)vee als redelijkerwijs kan
                                    worden aangenomen dat de waarde van het vee ontoereikend is om
                                    hieruit de kosten van bewaring en publicatie te voldoen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op duiven verboden deze te laten uitvliegen,
                                indien het college hem schriftelijk heeft meegedeeld, dat zij dit in
                                verband met de plaats waar de duiven worden gehouden hinderlijk voor
                                de omgeving achten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van van woningen of andere gebouwen
                                            waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of
                                    gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover het
                                    Provinciaal wegenreglement Fryslân van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepalingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van Strafrecht (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> (vervallen)</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op
                            horecabedrijven) onder artikel 2:32.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: vuurwerk waarop het
                                Vuurwerkbesluit </al><al>van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot
                                consumenten- en professioneel vuurwerk, van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Afleveren van vuurwerk (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van vuurwerk (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Gebruik van carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een melkbus of
                                    soortgelijke constructie qua aard en omvang, op explosieve wijze
                                    verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester carbid te
                                    schieten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan van het verbod ontheffing verlenen
                                    indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>er gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of gelijksoortige
                                    voorwerpen met een maximale inhoud van 40 liter, met
                                    gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen
                                    calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met
                                    vergelijkbare eigenschappen, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 08.00 en
                                    22.00 uur, en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hiervan tenminste voor 1 november van het desbetreffende jaar
                                    ontheffing is gevraagd aan de burgemeester, en </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de aanvraag is vergezeld van een schriftelijke toestemming van
                                    de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt, en </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de aanvraag tevens is voorzien van een kaart waarop de
                                    betreffende locatie is ingetekend en waarop de schootsrichting
                                    is aangegeven, en </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de plaats vanwaar geschoten wordt, op een afstand van tenminste
                                    van woonbebouwing en op een afstand van tenminste van
                                    onderkomens van dieren gelegen is, en</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>er geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene
                                    die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had
                                    kunnen vermoeden dat daar gevaren kunnen optreden voor mens,
                                    dier en milieu.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet
                                    Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Openlijk drugsgebruik</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te
                                dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te treffen of ten behoeve
                                van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al><al>2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
                                eveneens ten aanzien van andere door de gemeenteraad aan te wijzen
                                openbare plaatsen.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 </vet><vet>Seksinrichtingen, sekswinkels,
                                    straatprostitutie e.d.</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Afdeling 1
                                        Begrips</onderstreept></vet><vet><onderstreept>bepalingen</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>prostitutie:</cursief> het zich beschikbaar stellen
                                        tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander
                                        tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>prostitu</cursief><cursief>ee</cursief><cursief>:</cursief>
                                        degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                                        seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief>seksinrichting:</cursief> de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                        worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                        aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
                                        geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                        waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>p</cursief><cursief>rivéhuis: </cursief>een
                                        seksinrichting die alleen op afspraak te bezoeken is;</al></li><li nr="e."><al><cursief>escortbedrijf:</cursief> de natuurlijke persoon,
                                        groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                        die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="f."><al><cursief>sekswinkel: </cursief>de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                        van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="g."><al><cursief>exploitant:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                        personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="h."><al><cursief>beheerder:</cursief> de natuurlijke persoon of
                                        personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent
                                        in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="i."><al><cursief>bezoeker:</cursief> degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel
                                        6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd
                                        bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor
                                        het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven
                                        als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                                        burgemeester.</al><al/><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het
                                        college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit
                                        hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al/><al><onderstreept>Afdeling 2 Seksinrichtingen,
                                            straatprostitutie, sekswinkels
                                            e</onderstreept><onderstreept>.d.</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen en
                                        escortbedrijven</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf
                                                te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van
                                                het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in
                                                door het college aangewezen gebieden of delen van de
                                                gemeente.</al></li></lijst><al> 3. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt
                                        in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het
                                                escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>het aantal werkzame prostitué(e)s;</al></li><li nr="e."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de
                                                inrichting door middel van een situatietekening met
                                                een schaal van tenminste 1:1000;</al></li><li nr="f."><al>de plattegrond van de inrichting door middel van een
                                                tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al></li><li nr="g."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd
                                                is tot het gebruik van de ruimte waarin hij
                                                voornemens is de inrichting te exploiteren. </al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3
                                                  van de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                                (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                                beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en
                                        beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
                                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                                natuurlijke perso(o)n(en) - en de beheerder:</al></li><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                                ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                                en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de
                                                exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
                                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                                natuurlijke perso(o)n(en) - en de beheerder
                                                niet:</al></li><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                                Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
                                                of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek
                                                van Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                                veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
                                                van zes maanden of meer door de rechter in
                                                Nederland, inclusief de drie openbare lichamen
                                                Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en
                                                Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens
                                                een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                                bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                                toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                                rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld
                                                tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of
                                                meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in
                                                artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding
                                                van:</al></li><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242
                                                tot en met 249, 252, 250a (oud), 250, 273a, 300 tot
                                                en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453
                                                van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                                juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b
                                                van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid
                                                wordt gelijk gesteld:</al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                                artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                                Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                                Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de
                                                geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                                voorwaardelijke straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                                wordt:</al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend
                                                vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                                vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend
                                                vanaf de datum van de intrekking van deze
                                                vergunning.</al></li><li nr="5."><al>De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
                                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                                natuurlijke perso(o)n(en) - of de beheerder is
                                                binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of
                                                beheerder geweest van een seksinrichting of
                                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het
                                                bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de
                                                vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is
                                                ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake
                                                geen verwijt treft.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers
                                                geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten
                                                of te laten verblijven tussen 03.00 en 10.00
                                                uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een
                                                voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een
                                                afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
                                                vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden
                                                zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
                                                seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede
                                                lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid,
                                                gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde
                                                geldt niet voorzover in de daarin geregelde
                                                onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet
                                                milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                            (tijdelijke) sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid,
                                                genoemde belangen of in geval van strijdigheid met
                                                de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                                                bestuursorgaan:</al></li><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6,
                                                eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren
                                                vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                                tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                                bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de
                                                Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd
                                                bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde
                                                besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                                Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door
                                            exploitant en beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers
                                                geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel
                                                3:4 op de vergunning vermelde exploitant of
                                                beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op
                                                toe dat in de seksinrichting:</al></li><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                                (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen
                                                de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
                                                (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van
                                                het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de
                                                Wet wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                                strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                                vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:9 Straat- en raamprostitutie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of langs wegen dan wel vanuit een
                                                pand, zichtbaar vanaf de openbare weg, door
                                                handelingen, houding, woord, gebaar of op andere
                                                wijze, te trachten als prostitué(e) passanten tot
                                                prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan
                                                te lokken.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                                gestelde verbod, kan door politieambtenaren het
                                                bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een
                                                bepaalde richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3:13 tweede lid
                                                genoemde belangen kan door politieambtenaren aan
                                                personen die zich bevinden op de wegen als bedoeld
                                                in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich
                                                onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                                verwijderen.</al></li><li nr="4."><al> Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid,
                                                genoemde belangen kan de burgemeester personen aan
                                                wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als
                                                bedoeld in het tweede of derde lid, bij besluit
                                                verbieden zich gedurende bij dat besluit bepaalde
                                                termijn en aangegeven tijden, anders dan in een
                                                openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan
                                                de wegen als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid
                                                genoemde verbod indien dat in verband met de
                                                persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                                noodzakelijk is.</al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een
                                                door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in
                                                het vierde lid.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:10 Sexwinkels (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen
                                            van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen
                                            e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak
                                                verboden daarin of daarop goederen, opschriften,
                                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                                wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan
                                                te brengen:</al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
                                                rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de
                                                openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar
                                                brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                                bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of
                                                de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                                toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
                                                aanbrengen van goederen, opschriften,
                                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                                wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                                gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7,
                                                eerste lid, van de Grondwet.</al></li></lijst><al/><al><vet><onderstreept>Afdeling 3
                                                B</onderstreept></vet><vet><onderstreept>e</onderstreept></vet><vet><onderstreept>slissingstermijn,
                                                weigeringsgronden</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de
                                                aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4,
                                                eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de
                                                aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor
                                                ten hoogste 12 weken verdagen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:12a Geldigheidsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een vergunning als bedoeld in artikel 3:4 heeft een
                                                geldigheidsduur van drie jaar.</al></li><li nr="2."><al>Uiterlijk 8 weken voor het verstrijken van de
                                                hierboven genoemde termijn dient de vergunninghouder
                                                een nieuwe aanvraag als bedoeld in artikel 3:4
                                                ingediend te hebben.</al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste
                                                  lid, wordt geweigerd indien: </al></li><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan
                                                  de in artikel 3:5 gestelde eisen; </al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de
                                                  seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is
                                                  met een geldend bestemmingsplan,
                                                  stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;
                                                  </al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting
                                                  of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of
                                                  zullen zijn in strijd met artikel van het Wetboek
                                                  van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet
                                                  arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                                  bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland
                                                  gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het
                                                  bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in
                                                  artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel
                                                  de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel
                                                  3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang
                                                  van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van
                                                  het woon- en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de
                                                  prostituee;</al></li><li nr="h."><al>als de aangevraagde locatie niet voldoet aan
                                                  overige door het college van burgemeester en
                                                  wethouders ingevolge artikel 3:3 gestelde nadere
                                                  regels.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al/><al><onderstreept>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging
                                            beheer</onderstreept></al><al/><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4
                                                op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie
                                                van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                                heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                                exploitatie, geeft de exploitant daarvan
                                                schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                                bestuursorgaan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1
                                                onder h, het beheer in de seksinrichting of het
                                                escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de
                                                exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
                                                beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                                het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe
                                                beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op
                                                aanvraag van de exploitant heeft besloten de
                                                verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
                                                het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                                3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van
                                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede
                                                lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een
                                                nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag
                                                als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend,
                                                totdat over de aanvraag is besloten.</al></li></lijst><al/><al><vet><onderstreept>Afdeling 5
                                                Overgangsbepaling</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling (vervallen)</vet></al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 4</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en
                                    zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Afdeling 1
                                        </onderstreept></vet><vet><onderstreept>Geluidhinder en
                                        verlichting</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
                                        festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17,
                                                2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door
                                                het college per jaar aan te wijzen collectieve
                                                festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                                dagen of dagdelen. Het jaar loopt van 1 april tot en
                                                met 31 maart.</al></li><li nr="2."><al>De beperking met betrekking tot de verlichting ten
                                                behoeve van sportbeoefening op sportterreinen,
                                                artikel 4.110 lid 1 van het Besluit, geldt niet voor
                                                door het college per jaar aan te wijzen collectieve
                                                festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                                dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en
                                                tweede lid, kan het college bepalen dat de
                                                aanwijzing slechts geldt in één of meer van de 17
                                                dorpen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing voor het begin van
                                                een nieuw jaar bekend. Als de precieze datum van een
                                                collectieve festiviteit nog niet bepaald is, wordt
                                                de festiviteit zonder datum bekend gemaakt. De datum
                                                wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                                redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten
                                                terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in
                                                het eerste lid aanwijzen.</al></li><li nr="6."><al>Op de collectieve dagen geldt de mogelijkheid om
                                                meer mechanisch of akoestisch muziekgeluid te mogen
                                                produceren alleen voor het bebouwde gedeelte van de
                                                inrichting en niet voor het terras.</al></li><li nr="7."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid moeten
                                                ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens
                                                voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of
                                                goederen.</al></li><li nr="8."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het
                                                ten gehore brengen van muziek een half uur vóór de
                                                vastgestelde beëindigingstijd van de muziek te
                                                worden teruggebracht naar de grenswaarden uit het
                                                Activiteitenbesluit.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele
                                            festiviteiten</vet></al><al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                        festiviteiten per jaar te houden waarbij de geluidsnormen
                                        als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                        Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de
                                        inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de
                                        festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                        gesteld.</al><al> 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                        incidentele festiviteiten per jaar de verlichting langer aan
                                        te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                        4.110 lid 1 van het Besluit niet van toepassing is, mits de
                                        houder van de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de
                                        aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                        heeft gesteld. </al><lijst><li nr="3."><al>Er is een (digitaal) standaardformulier voor het
                                                doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste
                                                en tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn
                                                gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde
                                                formulier, volledig en naar waarheid ingevuld,
                                                tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier
                                                vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan
                                                wanneer het college op verzoek van de houder van een
                                                inrichting een incidentele festiviteit, die
                                                redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                                toestaat.</al></li><li nr="6."><al>Op de individuele dagen geldt de mogelijkheid om
                                                meer mechanisch of akoestisch muziekgeluid te mogen
                                                produceren alleen voor het bebouwde gedeelte van de
                                                inrichting en niet voor het terras.</al></li><li nr="7."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid moeten
                                                ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens
                                                voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of
                                                goederen.</al></li><li nr="8."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het
                                                ten gehore brengen van muziek een half uur vóór de
                                                vastgestelde beëindigingstijd van de muziek te
                                                worden teruggebracht naar de grenswaarden uit het
                                                Activiteitenbesluit.</al></li><li nr="9."><al>Het ongebruikt laten van een collectieve dag
                                                betekent niet dat het aantal individuele dagen
                                                evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen collectieve
                                                dag en individuele dagen is niet toegestaan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele
                                        festiviteiten</vet></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren,
                                        toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen,
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het
                                                bepaalde in artikel 4:3 is gedaan; </al></li><li nr="b."><al>gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij
                                                de kennisgeving als bedoeld in artikel 4:3 zijn
                                                verstrekt; </al></li><li nr="c."><al>de houder van de inrichting verzuimt te doen of na
                                                te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden
                                                om overmatige hinder te voorkomen; </al></li><li nr="d."><al>de burgemeester het organiseren van een incidentele
                                                festiviteit verboden heeft, wanneer naar zijn
                                                oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van
                                                de inrichting en/of de openbare orde op
                                                ontoelaatbare wijze worden beïnvloed.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek<cursief> (niet
                                            opgenomen)</cursief></al><al/><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van
                                                de <onderstreept>Wet milieubeheer</onderstreept> of
                                                van het <onderstreept>Besluit</onderstreept> op een
                                                zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in
                                                werking te hebben of handelingen te verrichten dat
                                                voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder
                                                wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing
                                                verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3
                                                  van de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                                (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                                beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare
                                                manifestaties, het Vuurwerk-besluit of de
                                                Provinciale milieuverordening Friesland. </al></li></lijst><al/><al> Artikel 4:6a Mosquito</al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan:
                                                een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare,
                                                hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel
                                                groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij
                                                overlast veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de
                                                burgemeester in het belang van de openbare orde
                                                besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te
                                                brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren
                                                op die plaats.</al></li><li nr="3."><al>De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk
                                                kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is
                                                aangebracht.</al></li><li nr="4."><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen
                                                dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></li><li nr="5."><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van
                                                ten hoogste 3 maanden. De burgemeester kan die
                                                periode telkens met een periode van ten hoogste 3
                                                maanden verlengen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6b</nr><titel>Gebruik geluidsapparaat in de openlucht</titel></kop><al>Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college aan, op
                                of boven de weg of openbaar water door middel van een
                                geluidsapparaat een toespraak, gezang of muziek voor het publiek ten
                                gehore te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6c</nr><titel>(Geluid)hinder door dieren</titel></kop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een
                                omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder
                                veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6d</nr><titel>(Geluid)hinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te
                                gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een
                                            dwarsdoorsnede van de stam van minimaal op hoogte boven
                                            het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de
                                            dwarsdoorsnede van de dikste stam;</al></li><li nr="b."><al>houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal,
                                            een grotere (lint)- begroeiing van heesters en struiken,
                                            een beplanting van bosplantsoenen;</al></li><li nr="c."><al>hakhout: een of meer bomen of boomvormers die na te zijn
                                            geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="d."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan
                                            van de houtopstand, hieronder wordt ook verstaan het
                                            periodiek vellen van hakhout;</al></li><li nr="e."><al>knotten of kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats
                                            verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen,
                                            gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek
                                            noodzakelijk onderhoud;</al></li><li nr="f."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                            Boswet;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag een
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>laagstam-vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als
                                    kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                    terreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kweekgoed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;
                                    hiervoor geldt wel een meldingsplicht;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                                    geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
                                    bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid
                                    vormt die:</al><lijst><li nr="o"><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="o"><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20
                                            bomen, gerekend over het totale aantal rijen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet
                                    of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegde gezag,
                                    zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:11e;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>houtopstand ten aanzien waarvan bij een geldend bestemmingsplan
                                    of bij een geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het
                                    verboden is deze te vellen zonder vergunning van het bevoegd
                                    gezag (omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 b
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin
                                    van de natuurbeschermingswet;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                    reguliere onderhoud (hierbij geldt wel een meldingsplicht);</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>het periodiek beknotten of kandelaberen als
                                    cultuurmaatregel;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>bomen met een stamomtrek van minder dan , te meten op hoogte,
                                    uitgezonderd houtopstanden die onder de meldingsplicht
                                    vallen;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>bomen die behoren tot de cypresachtigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegde gezag kan, in afwijking van het eerste lid,
                                    toestemming geven tot direct vellen indien er sprake is van
                                    grote gevaarzetting of een vergelijkbaar spoedeisend
                                    belang.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning is zaaksgebonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11a</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                    toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door
                                    degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het bevoegde gezag in het kader van de Boswet aan het
                                    college een afschrift heeft toegezonden van de
                                    ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet,
                                    beschouwt het college dit afschrift mede als een
                                    vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11b</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning in elk
                                geval worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11c</nr><titel>Bijzondere voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegde gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                                    aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand
                                    voorkomende flora en fauna.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11d</nr><titel>Meldingsplicht voor dunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van het voornemen tot dunning van een houtopstand moeten bij het
                                    college of de door hem aangewezen ambtenaar een schriftelijke en
                                    ondertekende kennisgeving worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft binnen een maand na het ontvangen van de
                                    kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, een verklaring van
                                    ontvangst af.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het vierde lid, is het verboden met
                                    het dunnen van een houtopstand te beginnen voordat de verklaring
                                    van ontvangst, bedoeld in het tweede lid, is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet te
                                    worden gedaan indien de houtopstand moet worden gedund ingevolge
                                    een verplichting van het college, bedoeld in artikel 4:11e,
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ter bescherming van houtopstand in de in het
                                    tweede lid bedoelde verklaring van ontvangst aanwijzingen geven,
                                    welke bij het dunnen van de houtopstand in acht moeten worden
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De verklaring van ontvangst, bedoeld in lid twee, vervalt als
                                    niet binnen 6 maanden na de dagtekening daarvan met het dunnen
                                    van de houtopstand is begonnen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college geeft de verklaring van ontvangst als bedoeld in het
                                    tweede lid niet af als de kennisgeving van voorgenomen dunning
                                    geacht moet worden betrekking te hebben op het vellen van een
                                    houtopstand, waarvoor ingevolge deze verordening een vergunning
                                    is vereist.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In het geval bedoeld in het zevende lid, wordt de kennisgeving
                                    van voorgenomen dunning aangemerkt als een verzoek om vergunning
                                    als bedoeld in artikel 4:11a. Het college stelt in dat geval
                                    degene die de kennisgeving van voorgenomen dunning heeft gedaan,
                                    binnen de in het tweede lid genoemde termijn schriftelijk van
                                    hun beslissing in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11e</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegde gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan,
                                    kan het bevoegde gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                    waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen
                                    te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het bevoegde gezag aan de zakelijk
                                    gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan
                                    wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van
                                    voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om
                                    overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door
                                    hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die
                                    bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11f</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4:11, artikel 4:11c, artikel 4:11d of artikel
                                4:11e, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet
                                geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding
                                niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegde gezag hem op zijn
                                verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11g</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus
                                    multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers,
                                    is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen ter plaatse te ontbasten en de bast te
                                            vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                            of zondanig te behandelen dat verspreiding van de
                                            iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of
                                    in voorraad te</al><al> hebben of te vervoeren.</al><lijst><li nr="b."><al>Het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast
                                            iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan
                                            . </al></li><li nr="c."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het onder sub a.
                                            van dit lid gestelde verbod.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het niet voldoen aan de in het tweede lid bedoelde aanschrijving
                                    biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de
                                    noodzakelijke werkzaamheden voor risico en voor rekening van
                                    aangeschrevenen, door of namens de gemeente kunnen worden
                                    verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11h</nr><titel>Bescherming bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om bomen en houtopstanden die openbaar eigendom
                                    zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>te beschadigen, te bekladden of te beplakken;</al></li><li nr="b."><al>daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door daartoe
                                            bevoegde deskundige boomverzorgers ter uitoefening van
                                            de hun opgedragen boomverzorgende taak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een openbare
                                    houtopstand of boom aan te brengen of anderszins te bevestigen,
                                    behoudens vergunning van het college van burgemeester en
                                    wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden onder kroonprojectie van bomen, die openbaar
                                    eigendom zijn, materiaal of materieel op te slaan, behoudens
                                    vergunning van het college.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3a</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><al>1.Het is verboden één of meer van de volgende voorwerpen of stoffen
                                in de open lucht op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben,
                                indien deze opslag, plaatsing of aanwezigheid naar het oordeel van
                                het college het uiterlijk van de gemeente op ontoelaatbare wijze
                                schaadt of ontoelaatbare overlast veroorzaakt of zal veroorzaken die
                                hetzij moet worden opgeheven hetzij moet worden voorkomen of schade
                                aan de openbare gezondheid zal kunnen veroorzaken die moet worden
                                voorkomen.</al><al>Het gaat om de volgende voorwerpen of stoffen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                                onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                                daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                                dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                                gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of
                                                aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                                verhuur of anderszins voor een commercieel
                                                doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen
                                                van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of
                                                pulp of ingekuilde landbouwproducten,
                                                afbraakmaterialen en oude metalen;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing is zaaksgebonden.</al></li><li nr="5."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de
                                        Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening
                                        Fryslân.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                                    (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als
                                bedoeld in art. 4:15a, tweede lid, de veiligheid van het verkeer in
                                gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te
                                veroorzaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15a</nr><titel>Vergunningplicht handelsreclame</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de
                                        hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van
                                        het bevoegde gezag deze zaak of een daarop aanwezige zaak te
                                        gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken
                                        van handelsreclame met behulp van een opschrift,
                                        aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf
                                        de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke
                                        plaats zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet ten aanzien van:</al></li><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig
                                        gedeelte van een onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of
                                        andere constructies, aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op:</al></li><li nr="-"><al>openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of
                                        verpachting van een onroerende zaak voor zolang zij
                                        feitelijke betekenis hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de
                                        onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is
                                        bestemd, zomede op naamborden;</al></li></lijst><al>mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere
                                oppervlakte hebben dan en geen van alle een grotere afmeting in een
                                richting hebben dan en mits deze opschriften en aankondigingen zijn
                                aangebracht op of aan een onroerende zaak;</al><lijst><li nr="d."><al>opschriften betrekking hebbend op de naam of aard van in
                                        uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die
                                        bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken
                                        zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij
                                        of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet
                                        verlicht zijn, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                        hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen
                                        van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten
                                        dienste van dat vervoer;</al></li><li nr="f."><al>opschriften, aankondigingen en afbeeldingen binnen
                                        sportinrichtingen, mits deze zijn aangebracht beneden de
                                        hoogte van boven de grond rond het speelveld of bassin.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning
                                        als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met
                                        de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li></lijst><al>c . in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><lijst><li nr="4."><al>De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet
                                        voor bouwwerken.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De vergunning is zaaksgebonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al><cursief>(niet opgenomen)</cursief></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van <onderstreept>artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht</onderstreept> is vereist,
                                dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden
                                gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik op eigen terrein en voor de door recreatieschap
                                    “De Marrekrite” als zodanig aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De ontheffing kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een dorpsgezicht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18 vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Regels voor het hobbymatig houden van grote huisdieren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning
                                    wordt gebruikt of daartoe is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Stankgevoelige objecten: objecten als genoemd in de Richtlijn
                                    Veehouderij en stankhinder 1996.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Brandbare vloeistoffen: stof in vloeibare toestand die een
                                    vlampunt heeft die hoger ligt dan 55° C.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Emballage: glazen flessen tot , kunststof flessen of vaten tot ,
                                    metalen bussen tot , stalen vaten of fiberdrums tot , papieren
                                    of kunststof zakken, laadketels.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>PGS-30: vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine
                                    installaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:21</nr><titel>Opslag van mest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De opslag van mest moet zodanig geschieden dat geen mest(vocht)
                                    in of op de bodem of het oppervlaktewater terecht kan
                                    komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dunne mest moet worden opgeslagen in een doelmatige mestdichte
                                    opslagruimte (kelder).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vaste mest moet worden opgeslagen op een mestdichte betonnen
                                    ondergrond voorzien van opstaande randen en een mestdichte
                                    afvoer naar een mestdichte opslagruimte (kelder), of een
                                    gelijkwaardige voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van lid 3 mag worden afgeweken indien de opslag van vaste mest
                                    plaatsvindt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>boven een absorberende laag en een dikte van ten minste en een
                                    organische stofgehalte van ten minste 25 % (bijvoorbeeld stro of
                                    zaagsel) en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>onder een permanente bovenafdekking, zodanig dat contact met
                                    hemelwater wordt voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De opslag van vaste mest mag niet onder het maaiveld zijn
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij een opslag overeenkomstig lid 4 moet de absorberende laag
                                    tezamen met de mest worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Er mag niet meer dan vaste mest worden opgeslagen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De vaste mest moet ten minste 1 maal per jaar worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Verwijdering van de mest moet zodanig geschieden dat hierdoor
                                    geen hinder voor de omgeving dan wel verontreiniging van de
                                    bodem of oppervlaktewater ontstaat. Eventueel gemorste mest moet
                                    direct worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De opslag van vaste mest moet geschieden op een afstand van ten
                                    minste:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> van een woning van derden of ander gevoelig object
                                        <onderstreept>binnen</onderstreept> de bebouwde kom;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> van een woning van derden of ander gevoelig object
                                        <onderstreept>buiten</onderstreept> de bebouwde kom;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al> van de erfgrens;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>5 meter van de insteek van een oppervlaktewater.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:22</nr><titel>Opslag van vloeistoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de opslag van brandbare stoffen (waaronder gasolie of
                                    dieselolie) is artikel 2.1.8. van het “Besluit van 26 juli 2008
                                    houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het
                                    gebruik van bouwwerken uit het oogpunt van brandveiligheid
                                    (Besluit brandveilig gebruik bouwwerken)”, van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Opslag van brandbare vloeistoffen in emballage moet geschieden
                                    in doelmatige verpakking en boven een vloeistofdichte lekbak die
                                    een inhoudscapaciteit heeft die ten minste gelijk is aan de
                                    totale in deze lekbak opgeslagen vloeistof.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een tank voor de opslag van brandbare vloeistoffen mag niet een
                                    grotere inhoud hebben dan .</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er mag niet meer dan brandbare vloeistoffen in emballage worden
                                    opgeslagen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Opslag van brandbare vloeistoffen in emballage moet op een
                                    afstand van ten minste van woningen van derden plaatsvinden.
                                </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                        e.d.</al><lijst><li nr=""><al>1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf
                                                dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te
                                                stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                                                verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                                toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
                                                cirkel met een straal van met als middelpunt een van
                                                deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                                gebruiken.</al><al>2.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt
                                                mede verstaan: </al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                                lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
                                                van personen tegen betaling.</al><lijst><li nr="3."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel
                                                  worden niet gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of
                                                  onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
                                                  totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
                                                  gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt
                                                  voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in
                                                  het eerste lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod
                                                  verlenen. </al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf
                                                  4.1.3.3 van de Algemene wet
                                                  bestuursrecht</onderstreept> (positieve fictieve
                                                  beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                                  toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
                                            (vervallen)</vet></al><al/><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere
                                        dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden
                                        gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de
                                        weg te parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te
                                                plaatsen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                                rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
                                                tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                                verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                                milieubeheer.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen,
                                                caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen,
                                                keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de
                                                recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede
                                                voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd
                                                langer dan op 5 achtereenvolgende dagen te laten
                                                staan op een door het college aangewezen weg, waar
                                                dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op
                                                de verdeling van beschikbare parkeerruimte of
                                                schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                                gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een voertuig als genoemd in lid
                                                1 wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven
                                                indien het voertuig binnen een straal van -
                                                hemelsbreed gemeten - gerekend vanaf de in lid 1
                                                bedoelde plaats wordt aangetroffen.</al></li><li nr="3."><al>Het is de rechthebbende op een voertuig als genoemd
                                                in lid 1 verboden het voertuig binnen vijf dagen
                                                nadat het is verplaatst, opnieuw neer te zetten op
                                                de in lid 1 bedoelde plaats. </al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                                eerste lid gestelde verbod. </al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3
                                                  van de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                                (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                                beslissen) van toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li><li nr="7."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                                Provinciaal wegenreglement Fryslân of de Provinciale
                                                landschapsverordening Fryslân.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen of
                                            vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig of een vaartuig dat is
                                                voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op
                                                de weg te parkeren of te plaatsen met het kennelijk
                                                doel om daarmee handelsreclame te maken. Onder
                                                handelsreclame wordt mede verstaan het te koop of te
                                                huur aanbieden van een voertuig of een
                                                vaartuig.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
                                            </al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3
                                                  van de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                                (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                                beslissen) van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                                de lading, een lengte heeft van meer dan of een
                                                hoogte van meer dan te parkeren op een door het
                                                college aangewezen plaats, waar dit naar zijn
                                                oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                                de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                                de lading, een lengte heeft van meer dan te parkeren
                                                op een door het college aangewezen weg, waar dit
                                                parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het
                                                oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
                                            </al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op
                                                werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks
                                                van 08.00 tot 18.00 uur. </al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van
                                                toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en
                                                kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet
                                                langer dan 5 achtereen-volgende dagen op de weg
                                                worden geplaatst of gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid
                                                gestelde verboden ontheffing verlenen. </al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3
                                                  van de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                                (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                                beslissen) van toepassing.</al></li><li nr="7."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                        voertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                                lading, een lengte heeft van meer dan of een hoogte
                                                van meer dan , op de weg te parkeren bij een voor
                                                bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw
                                                op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van
                                                bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                                hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins
                                                hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is
                                                voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                                werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het
                                                voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met
                                            stankverspreidende stoffen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                                            voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te
                                                rijden door dan wel deze te doen of te laten staan
                                                in een park of plantsoen of een van gemeentewege
                                                aangelegde beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                                uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                                overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                                ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor
                                                dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing
                                                verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3
                                                  van de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                                (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                                beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om fietsen of bromfietsen, in
                                                  het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                                  gemeente, ter voorkoming of opheffing van
                                                  overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                                                  openbare gezondheid, in door het college van
                                                  burgemeester en wethouders aangewezen gebieden op
                                                  de weg te laten staan buiten de daarvoor bestemde
                                                  ruimten of vakken.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die
                                                  rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en
                                                  in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg
                                                  te laten staan.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden om fietsen of bromfietsen, in
                                                  het belang van het beheer van de openbare ruimte,
                                                  langer dan vier weken onafgebroken in door het
                                                  college van burgemeester en wethouders aangewezen
                                                  openbare (brom -) fietsstallingsgebieden te
                                                  stallen.</al></li></lijst><al/><al><vet><onderstreept>Afdeling 2
                                                  Collecteren</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of
                                                  goederen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het
                                                  college een openbare inzameling van geld of
                                                  goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan
                                                  te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen
                                                  wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van
                                                  goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven
                                                  of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                                  diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                                  daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                                  gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor
                                                  een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li></lijst><al>3 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
                                                voor een inzameling die in besloten kring gehouden
                                                wordt.</al><lijst><li nr="4."><al>Het college kan onder door hem te stellen
                                                  voorschriften vrijstelling verlenen van het in het
                                                  eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die
                                                  gehouden worden door daarbij aangewezen
                                                  instellingen.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf
                                                  4.1.3.3 van de Algemene wet
                                                  bestuursrecht</onderstreept> (positieve fictieve
                                                  beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                                  toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                            snuffelmarkten als bedoeld in artikel 2:24 lid 2; </al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Venten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten zonder vergunning van het college.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor niet-commercieel
                                    venten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tien werkdagen voorafgaand aan het niet-commerciële venten, moet
                                    hiervan melding worden gedaan aan het college. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer binnen vijf werkdagen na ontvangst van het
                                    meldingsformulier door het college geen tegenbericht is
                                    verzonden, kan het niet-commerciële venten zoals vermeld plaats
                                    vinden. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met
                                    zaterdag tussen 22 en 9 uur. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het ventverbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen, of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op of aan de weg of op een ander voor het
                                    publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins
                                    aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend
                                    van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                                    tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel
                                    160 eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                            standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een
                                            geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            vergunning worden geweigerd: </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al><lijst><li nr="4."><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterwerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement Fryslân.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in
                                                <onderstreept>artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                                onder h, van de Gemeentewet</onderstreept>;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de <onderstreept>Winkeltijdenwet</onderstreept>.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                    constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voorzover in
                                    de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek
                                    van Strafrecht, de Scheepvaartverkeers-wet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening
                                    Fryslân, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24a</nr><titel>Aanleggen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan te
                                    leggen in of aan een rietkraag of aan of op een krachtens
                                    artikel 5:27d als zodanig aangewezen oever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a<cursief>. </cursief>Onverminderd het bepaalde in lid
                                    1, is het de rechthebbende op een vaartuig verboden, daarmee
                                    langer dan gedurende ten hoogste drie achtereenvolgende dagen of
                                    gedeelten daarvan op dezelfde plaats aan te leggen.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende
                                    drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde
                                    plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op die plaats door
                                    een met de uitvoering van de verordening belaste ambtenaar als
                                    bedoeld in artikel 6:2 wordt aangetroffen op enig tijdstip van
                                    de eerste van drie dagen en op enig tijdstip van de eerste dag
                                    na die drie dagen.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats
                                    te zijn gebleven indien het vaartuig binnen een straal van -
                                    hemelsbreed gemeten - gerekend vanaf de in sub a bedoelde
                                    aanlegplaats wordt aangetroffen.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig
                                    vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de in lid
                                    2, sub a, bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing
                                    verlenen voorzover het betreft een krachtens artikel 5:27d als
                                    zodanig aangewezen oever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening Fryslân of de Provinciale
                                    landschapsverordening Fryslân.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24b</nr><titel>Aanleg- exces</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 5:24 lid 1 en lid 2, is het
                                    de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmede op een plaats
                                    aan te leggen, indien burgemeester en wethouders hem
                                    schriftelijk hebben medegedeeld, dat zij het, met het oog op de
                                    verdeling van de beschikbare aanlegplaatsen, onaanvaardbaar
                                    achten dat genoemde rechthebbende aldaar nog langer
                                    aanlegt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in de
                                    daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening
                                    Fryslân of de Provinciale landschapsverordening Fryslân.</al><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                                        vaartuigen<cursief> (niet opgenomen)</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen
                                        ligplaats/aanlegmogelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel
                                            5:24a bepaalde kan het college aan de rechthebbende op
                                            een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het
                                            innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats of
                                            aanlegmogelijkheid in het belang van de openbare orde,
                                            volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door
                                            of vanwege het college gegeven aanwijzingen met
                                            betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van
                                            een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt
                                            niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt
                                            voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                            beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
                                            vaarwegenverordening Fryslân of de Provinciale
                                            landschapsverordening Fryslân.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:27 Innemen ligplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee
                                            ligplaats in te nemen.</al></li><li nr="2."><al>Het in lid 1 gestelde verbod is niet van toepassing op
                                            het innemen van ligplaats:</al><lijst><li nr="a."><al>met een vaartuig aan een krachtens artikel 5:27c
                                                  of bij een geldend bestemmingsplan als zodanig
                                                  aangewezen ligoever dan wel in een bij geldend
                                                  bestemmingsplan aangewezen haven of andere bij
                                                  bestemmingsplan aangewezen gelegenheid die bestemd
                                                  is om een vaartuig onder te brengen;</al></li><li nr="b."><al>met een vaartuig, behorende tot een categorie
                                                  vaartuigen, waarvoor het verbod door het college
                                                  op grond van het gestelde in lid 3, buiten
                                                  toepassing is verklaard.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan (categorieën van) vaartuigen aanwijzen
                                            waarop het in lid 1 gestelde verbod niet van toepassing
                                            is.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                            stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig
                                            , waarop het in lid 1 gestelde verbod krachtens het
                                            bepaalde in lid 2 onder a en b, lid 3 en lid 4 niet van
                                            toepassing is:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de
                                                  openbare orde, volksgezondheid, veiligheid,
                                                  milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                                  vaartuigen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan van het in lid 1 gestelde verbod
                                            ontheffing verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="7."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li><li nr="8."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                            daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                            milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                            beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale
                                            vaarwegenverordening Fryslân of de Provinciale
                                            landschapsverordening Fryslân.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:27a Ankeren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee
                                            te ankeren in een rietkraag of op een afstand van minder
                                            dan vanuit een rietkraag, in een krachtens artikel 5:27d
                                            als zodanig aangewezen water of op een afstand van
                                            minder dan vanuit een krachtens artikel 5:27d als
                                            zodanig aangewezen oever.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de
                                            rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te
                                            ankeren anders dan gedurende de tijd die daadwerkelijk
                                            gebruikt wordt voor een permanent recreatief verblijf op
                                            of in de omgeving van het vaartuig.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in lid 1 en
                                            lid 2 gestelde verbod ontheffing verlenen voorzover het
                                            betreft een krachtens artikel 5:27d aangewezen water of
                                            oever. </al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:27b Varen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee
                                            door of in een rietkraag te varen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het de
                                            rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee te varen
                                            in een krachtens artikel 5:27d als zodanig aangewezen
                                            water.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het in lid 2 gestelde verbod
                                            ontheffing verlenen. </al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:27c Procedure met betrekking tot de aanwijzing
                                        van ligoevers</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd ligoevers aan te wijzen als
                                            bedoeld in artikel 5:27, lid 2 sub a.</al></li><li nr="2."><al>Bij de aanwijzing kan worden bepaald dat deze slechts
                                            gedurende een bepaalde periode van kracht is en/of
                                            slechts voor één of meer categorieën vaartuigen zal
                                            gelden.</al></li><li nr="3."><al>Het college wint, alvorens tot ter inzage legging als
                                            bedoeld in lid 4 over te gaan, het advies in van, zoveel
                                            mogelijk, de publiekrechtelijke beheerder(s) van de
                                            betrokken oever(s) en het (de) betrokken water(en).</al></li><li nr="4."><al>Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het
                                            eerste lid is de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde
                                            procedure van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>In de aanwijzing zelf wordt het tijdstip bepaald waarop
                                            zij in werking treedt.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:27d Procedure m.b.t. de aanwijzing van oevers
                                        en/of wateren waar het verboden is aan te leggen, te
                                        ankeren, of te varen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd oevers en/of wateren aan te
                                            wijzen als bedoeld in artikel 5:24a, artikel 5:27a en
                                            5:27b, waar het verboden is aan te leggen, te ankeren of
                                            te varen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van het gebruik van de in lid 1 bedoelde
                                            bevoegdheid zijn de leden 2 t/m 5 van artikel 5:27c van
                                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:27e Ligplaats aan laad- of losplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden aan een bij de gemeente in beheer en
                                            onderhoud zijnde laad- en losplaats met een vaartuig
                                            ligplaats in te nemen anders dan ter onmiddellijke
                                            lading of lossing.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                            eerste lid vervatte verbod.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst><al>Artikel 5:27f Laad- en losplaats</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een gemeentelijke laad- en
                                            losplaats:</al></li><li nr="a."><al>andere goederen aanwezig te hebben dan die, welke
                                            bestemd zijn ter lading in een vaartuig of welke aldaar
                                            uit een vaartuig gelost zijn;</al></li><li nr="b."><al>levende dieren langer dan een uur en goederen en stoffen
                                            langer dan 24 uur te doen verblijven;</al></li><li nr="c."><al>goederen zodanig aanwezig te hebben, dat deze het laden
                                            of lossen van andere goederen belemmeren;</al></li><li nr="d."><al>goederen, die niet voor onmiddellijke lading bestemd
                                            zijn, op te slaan binnen een afstand van twee meter uit
                                            de walkant;</al></li><li nr="e."><al>agressieve stoffen te laden of te lossen:</al></li><li nr="f."><al>langer dan 2 x 24 uur aaneengesloten te laden of te
                                            lossen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste
                                            lid vervatte verbod. </al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van
                                                de Algemene wet bestuursrecht</onderstreept>
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27g</nr><titel>Hinder of gevaar door laden of lossen</titel></kop><al>De schipper van een vaartuig is verplicht het laden en lossen van
                                dat vaartuig te stoppen indien hem door of namens het college
                                mededeling is gedaan, dat naar het oordeel van het college of naar
                                het oordeel van een door het college aangewezen toezichthouder,
                                hierdoor gevaar of verontreiniging voor de omgeving wordt
                                veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening
                                    Fryslân.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening Fryslân.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>·motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                    <onderstreept>artikel 1, onder z, van het Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990</onderstreept>;</al><al>·bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                    <onderstreept>artikel 1, eerste lid onder e, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994</onderstreept>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in het Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in het Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een
                                    paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels
                                    stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het
                                    belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen van overlast; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers
                                    of berijders van paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens het Reglement
                                            verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                            van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de door het college aangewezen
                                            plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van
                                            percelen gelegen binnen de door het college aangewezen
                                            plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                            ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als ‘toestel’.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuurte stoken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                        buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                        anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor
                                        de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                        dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                        afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al>4 . Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al><lijst><li nr="5."><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></li><li nr="7."><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, artikel
                                        429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht
                                        of de Provinciale Milieuverordening.</al></li><li nr="8."><al>De in het tweede lid genoemde uitzonderingen gelden niet in
                                        op enigerlei wijze als zodanig aangegeven natuurgebieden en
                                        de particuliere terreinen die daarbinnen liggen.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>de gemeentelijke begraafplaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is <onderstreept>paragraaf 4.1.3.3 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht</onderstreept> (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, met
                            uitzondering van het bepaalde in de artikelen 2:11, 2:12, 4:11, 4:11c,
                            4:11e en 4:15a, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                            maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden
                            gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente
                                Tytsjerksteradiel, versie “raadsbesluit 24 november wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 4 oktober 2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Tytsjerksteradiel.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de
                        Tytsjerksteradiel van 20 oktober 2015.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. S.K. Dijkstra E. J. ter Keurs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>