<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR417831_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht (VTH-taken) gemeente Korendijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Korendijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoeksche Waard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 108310</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht (VTH-taken) gemeente Korendijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-08-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht (VTH-taken) gemeente Korendijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>VERORDENING KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN
                        HANDHAVING OMGEVINGSRECHT </vet><vet>(VTH-TAKEN) </vet><vet>GEMEENTE
                            KORENDIJK</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is
                                    bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen
                                    bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende
                                    kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en
                                    handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van
                                    organisaties die met de uitvoering en handhaving van de
                                    betrokken wetten zijn belast;</al></li><li nr="c."><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders voor
                            wat betreft de taken die in het verband van een omgevingsdienst worden
                            uitgevoerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                            leefomgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering
                                en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door
                                hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit
                                omgevingsrecht gestelde doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving
                                van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval
                                betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li><li nr="c."><al>de financiën;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in
                                opdracht van burgemeester en wethouders zijn de kwaliteitscriteria
                                van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                opgave.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na
                                    bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht
                                    (VTH-taken) gemeente Korendijk.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente
                        Korendijk; 5 juli 2016,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door de Omgevingsdienst Zuid-Holland
                    Zuid in opdracht van het college van burgemeester en wethouders uitgevoerde
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het
                    algemeen deel van deze toelichting beschrijft kort de achtergrond en aanleiding
                    van deze verordening, licht de reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen
                    van de inhoud van de verordening. </al><tussenkop>1. Achtergrond en aanleiding </tussenkop><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de
                    uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering
                    staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet
                    reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders,
                    d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De
                    verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten: </al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                            bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                    gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze
                    afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe
                    is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet,
                    dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van
                    omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria 2.1 voor de uitvoering van de Wabo
                    in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                    en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht<sup/>.
                    Een deel van de afspraken uit 2009 is verankerd in de voorgestelde wijziging van
                    de Wabo (<cursief>Kamerstukken II </cursief>2014/15, 33 872, nr. 2).</al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe
                    afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is geschreven vanuit
                    een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat
                    een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering
                    decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin
                    is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden
                    gerealiseerd en behouden.</al><tussenkop>2. Reikwijdte</tussenkop><al>Het gaat bij deze verordening om alle taken die door de Omgevingsdienst
                    Zuid-Holland Zuid, namens het college van burgemeester en wethouders op grond
                    van Wabo en betrokken wetten, worden uitgevoerd. Daarbij gaat het om de
                    basistaken die krachtens de wet in opdracht van het college door de
                    omgevingsdienst wordt verricht en eventuele plustaken, die het college naast de
                    basistaken heeft belegd bij de omgevingsdienst.</al><al>De eisen die deze verordening aan de omgevingsdienst stelt, berust op het
                    vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria 2.1 waarvoor een dynamische
                    begripsbepaling is opgenomen in artikel 1 van de verordening en die door de
                    betrokken organisatie toegepast dient te worden volgens de regel
                        “<cursief>comply or explain</cursief>” (zie daarover verder artikelsgewijs
                    toelichting bij artikel 5).</al><al>. </al><tussenkop>3. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</tussenkop><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                    omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken voor de in
                    opdracht van de gemeente handelende omgevingsdienst.</al><al>De verordening bindt de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders
                    en de in opdracht daarvan handelende omgevingsdienst, aan een uniforme ambitie
                    voor kwaliteit.</al><al>Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd in artikel 1 en
                    artikel 5, zie voor een toelichting het artikelsgewijs deel) en andere
                    standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd.
                    Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen.</al><al>Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door burgemeester en
                    wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van de interne
                    gemeentelijke organisatie. Burgemeester en wethouders zullen dus beoordelen "of
                    het goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen voor in
                    ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten: de mate waarin een
                            product voldoet aan de juridische doelen (zoals geformuleerd in de
                            relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk
                            bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. Ook wel aangeduid als de
                            inhoudelijke kwaliteit;</al></li><li nr="-"><al>de dienstverlening: de manier waarop (in communicatie, snelheid,
                            service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving
                            klagers, etc.) omgaat;</al></li><li nr="-"><al>de financiën: de inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de
                            geleverde diensten/producten. </al></li></lijst><al>Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de
                    gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad vormen
                    immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit
                    van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van de leden van de
                    gemeenteraad zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het
                    beleid, niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de
                    competentie van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook het
                    verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de
                    hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente, zoals een
                    milieubeleidsplan, een structuurvisie of omgevingsvisies.</al><al>De gemeenteraad oefent invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren
                    door burgemeester en wethouders en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld
                    welke informatie zij willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het
                    college. In die zin worden de kaders voor de beoordeling van de gemeenteraad
                    overgelaten aan het politieke debat over kwaliteit.</al><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                    competentie: </al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties, werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de
                            kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot deskundigheid en
                            beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het college van
                            burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording afleggen aan de
                            raden en staten.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegde bestuursorganen belast met het stellen van
                            beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit
                            omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over
                            dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën. </al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefenen horizontaal toezicht uit op het college en
                            gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun
                            toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                            continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                            onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al></li></lijst><tussenkop>ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><tussenkop>ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een
                    begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo. </al><al>Als <cursief>betrokken wetten</cursief> worden aangemerkt de Wabo zelf, en de
                    wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, <cursief>voor zover bij of krachtens
                        die wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing
                        is</cursief>. Op de uitvoering of handhaving van een geheel andere wet,
                    zoals bijvoorbeeld de Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van
                    toepassing (wat onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt
                    gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelichting). De wetten waarom het
                    krachtens artikel 5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en faunawet, de
                    Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de
                    Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet
                    geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet
                    ruimtelijke ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is
                        <cursief>kwaliteitscriteria</cursief>. De kwaliteitscriteria waar het hier
                    om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in
                    brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar
                    gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op
                    het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste
                    organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede
                    dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en
                    geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.1 op te
                    volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de
                    begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling
                    en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet
                    tot aanpassing van de verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze
                    begripsbepaling en de verankering in artikel 5 van de verordening liggen de
                    Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van deze verordening.</al><al>Voor het begrip <cursief>omgevingsdienst</cursief> is aangesloten bij de
                    omgevingsdiensten waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo,
                    zoals dat zal komen te luiden wanneer wetsvoorstel 33 872 tot wijziging van de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening,
                    toezicht en handhaving) tot wet is verheven.<sup/></al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                    afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en handhaving”
                    is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in het Besluit
                    omgevingsrecht zoals dat op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd.
                    “Uitvoering en handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo
                    en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de
                    toelichting bij artikel 1. </al><al>Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving in opdracht
                    vanburgemeester en wethouders door de omgevingsdient. De verordening
                    is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken wetten in
                    opdracht van het college door een omgevingsdienst. </al><al>Uitvoering van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo
                    zelf door andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en andere
                    gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde model vaststellen,
                    het waterschapsbestuur of de Minister van Infrastructuur en Milieu of de
                    Minister van Economische Zaken, valt buiten het bereik van deze verordening. De
                    uitvoering en handhaving van de Wet bescherming Antarctica of de Kernenergiewet
                    wordt bijvoorbeeld niet door de besturen van gemeenten of provincies uitgeoefend
                    en valt dus buiten deze verordening. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de
                    Waterwet voor zover die door het Rijk of door waterschappen wordt uitgevoerd.
                    Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van taken
                        <cursief>door of in opdracht van</cursief> het bevoegd gezag wordt gedoeld
                    op de uitvoering door gemeentelijke diensten en regionale uitvoeringsdiensten. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad
                    en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het Besluit
                    omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit
                    een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders.
                    Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de
                    gemeenteraad]</al><al>. </al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze
                    verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het
                    Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de
                    gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het beleid en
                    zullen toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren.</al><al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale) uitvoerings- en
                    handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders zal daarom plaatsvinden in het
                    licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de
                    fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en
                    structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang
                    voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht
                    werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                    meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze
                    rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke
                    wetgeving hen biedt en de kaders die zijn op strategisch niveau voor de fysieke
                    leefomgeving in plannen en visies hebben vastgelegd. </al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het
                    college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat
                    daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt
                    voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de
                    opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het bevoegd
                    gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren voor de
                    kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling
                    (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelmatige en programmatische handhaving,
                    maar zal op grond van de wijziging van de Wabo en het Bor door het wetsvoorstel
                    VTH, ook gaan gelden voor uitvoering (vergunningverlening). Er is dan sprake van
                    een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming
                    plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de
                    omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk
                    open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de
                    procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethoudersnaar de
                    kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                    geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking
                    moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er
                    daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die
                    daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en
                    kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisaties. Het gaat dan in ieder
                    geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om
                    financiën.</al><al>In paragraaf 4 van deze toelichting is de herkomst van de in dit artikel
                    gehanteerde begrippen toegelicht. </al><al>Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de te
                    gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor de bevoegde
                    gezagen, die daarmee in de praktijk al ruime ervaring hebben. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.1 en de opvolgers
                    daarvan (zie ook de toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor
                    kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe te regelen dat van die
                    kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik
                    gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote
                    deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat
                    deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat geeft
                    vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen die door het college zijn gesteld op
                    grond van artikel 3 ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het
                    bereiken van deze doelen zal immers niet alleen afhankelijk zijn van de goede
                    verrichtingen van de uitvoerende organisaties. Van de naleving van de
                    kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan de
                    gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht
                    die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond
                    van het Besluit omgevingsrecht op te stellen documenten.</al><al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                    relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensen zal
                    overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de
                    criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                    kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.1 zijn derhalve een cruciaal
                    richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “<cursief>comply or
                        explain</cursief>”. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op de
                    aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in overgangsrecht te
                    voorzien. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>