<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR4178_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening gemeente Bergen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Duinstreek, 30-12-2003</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening gemeente Bergen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening gemeente Bergen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>de Raad van de gemeente Bergen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 9 december 2003;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid onderdeel c, in samenhang met artikel 30 van
                        de Wet werk en bijstand; </al><al>B E S L U I T</al><al>vast te stellen de hierna volgende “<vet>Toeslagenverordening Gemeente
                            Bergen</vet>”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet werk en bijstand (Stb.2003, 375)</al></li><li nr="b."><al>Alleenstaande: de ongehuwde van 21 jaar of ouder, doch
                                        jonger dan 65 jaar, die geen tot zijn last komende kinderen
                                        heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander
                                        tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;</al></li><li nr="c."><al>Alleenstaande ouder: de ongehuwde van 21 jaar of ouder, doch
                                        jonger dan 65 jaar, die de volledige zorg heeft voor een of
                                        meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke
                                        huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een
                                        bloedverwant in de eerste graad;</al></li><li nr="d."><al>Gehuwde: een persoon die gehuwd is en 21 jaar of ouder is,
                                        en beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar. Alsmede een
                                        ongehuwde van 21 jaar of ouder, doch niet ouder dan 65 jaar,
                                        die met een persoon van 21 jaar of ouder, doch niet ouder
                                        dan 65 jaar, een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het
                                        betreft een bloedverwant in de eerste graad;</al></li><li nr="e."><al>Kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of
                                        stiefkind;</al></li><li nr="f."><al>Gezin: </al><lijst><li nr="1."><al>de gehuwden tezamen; </al></li><li nr="2."><al>de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende
                                        kinderen;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>Ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie
                                        de alleenstaande ouder of het (echt)paar aanspraak op
                                        kinderbijslag kan maken, en in Nederland woont;</al></li><li nr="h."><al>Inkomensafhankelijk kind:</al><lijst><li nr="-"><al>het ten laste komend kind, alsmede het inwonende
                                                meerderjarig kind:</al></li><li nr="-"><al>dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt als
                                                bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de
                                                studiefinanciering of in hoofdstuk III van de Wet
                                                tegemoetkoming studiekosten of in hoofdstuk III van
                                                de Algemene Kinderbijslagwet;</al></li><li nr="-"><al>van 18 tot 21 jaar dat een inkomen heeft van ten
                                                hoogste de bijstandsnorm;</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit is betrokken;</al></li><li nr="j."><al>Woning: een woning, een wooneenheid, een woonwagen en een
                                        woonschip;</al></li><li nr="k."><al>Woonlasten: indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum
                                        van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende
                                        huurprijs als omschreven in artikel 1 van de Wet individuele
                                        huursubsidie (Stb. 1986, 265);1.</al><al>2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                        per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                        hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van
                                        de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder
                                        zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, de
                                        onroerende zaakbelasting (eigenaarsdeel), de
                                        opstalverzekering en de waterschapslasten;</al><al>3. indien een huurkamer wordt bewoond: de tot een bedrag per
                                        maand omgerekende som van de kamerhuur en de kosten van
                                        energie van de huurkamer;</al><al>4. indien sprake is van kost en inwoning: het kostgeld per
                                        maand onder aftrek van de huishoudelijke uitgaven waarbij
                                        onder huishoudelijke uitgaven wordt verstaan: de kosten van
                                        voeding en versnapering, was- en schoonmaakartikelen,
                                        inventaris/onderhoud huis en tuin, gas/andere brandstoffen,
                                        elektriciteit, water en heffingen;</al><al>5. indien een woonwagen in huur dan wel in eigendom wordt
                                        bewoond, de tot een bedrag per maand herleidde op 1 juli
                                        geldende woonkosten, als omschreven in artikel5, tweede lid
                                        van de Beschikking geldelijke steun ten behoeve van het
                                        bekostigen van de bewoning van een woonwagen;</al><al>6. overige woonkosten zoals kosten van verzekeringen en
                                        belastingen verbonden aan de woning; kosten van gas, water
                                        en elektriciteit;contributies en abonnementen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><al/><lijst><li nr="l."><al>Hoofdverblijf: de woning of wooneenheid waar de
                                        belanghebbende werkelijk verblijft;</al></li><li nr="m."><al>Netto minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in
                                        artikel 8, 1e lid, sub a van de Wet minimumloon en
                                        minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak waarop een
                                        werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat
                                        minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de
                                        daarvan in te houden loonbelasting, premies
                                        volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het
                                        werknemersaandeel ziekenfondspremie;</al></li><li nr="n."><al>Algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de
                                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;</al></li><li nr="o."><al>Bijstandsnorm: het bedrag per maand bedoeld in Hoofdstuk 3
                                        paragraaf 2 van de wet;</al></li><li nr="p."><al>Verzorgingsbehoeftige: degene die voor beroepsmatige
                                        verzorging in een bejaardentehuis of een andere inrichting
                                        ter verpleging of verzorging is geïndiceerd;</al></li><li nr="q."><al>Huurovereenkomst: een schriftelijke individuele huur-,
                                        onderhuur- of kostgangersovereenkomst krachtens anders dan
                                        om niet, voorzien van schriftelijke bewijzen van
                                        betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als ongehuwd wordt mede aangemerkt degene van 21 jaar of ouder, die
                                duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij of zij gehuwd
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen van
                                21 jaar of ouder hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
                                blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren
                                van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins,
                                tenzij het betreft een bloedverwantschap in de eerste graad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
                                indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde
                                woning en:</al><lijst><li nr="a."><al>zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
                                        verlening van bijstand als (echt)paar zijn aangemerkt;</al></li><li nr="b."><al>uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
                                        plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;</al></li><li nr="c."><al>zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
                                        huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract;
                                        of</al></li><li nr="d."><al>zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
                                        gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
                                        overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het
                                        derde lid.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>CATEGORIEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorie- aanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën worden als volgt aangeduid:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwde.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Alleenstaande en alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder hogere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet geheel kunnen delen
                                deze kosten met een ander, dan wel:</al><lijst><li nr="a."><al>in wiens woning in een of meer inkomensafhankelijke kinderen
                                        hun hoofdverblijf hebben;</al></li><li nr="b."><al>in wiens woning een ander die de belanghebbende als
                                        verzorgingsbehoeftige verzorgt of die als
                                        verzorgingsbehoeftige door belanghebbende wordt verzorgd,
                                        zijn hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
                                en alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens
                                woning geen andere zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in
                                artikel 25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet
                                van toepassing is 10% van het minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten van het bestaan die met een ander kunnen worden gedeeld
                                houden voor de toepassing van dit artikel de woonlasten in.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>(Onder)verhuurders en kostgevers zijn uitgesloten van andere
                                toeslagen dan de gemeentelijke garantietoeslag van 10% van het
                                minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt niet verhoogd met een toeslag indien in een
                                woning van de alleenstaande of de alleenstaande ouder, twee of drie
                                kostgangers en/of (onder)huurders hun hoofdverblijf hebben.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF GEMEENTELIJKE
                            TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt niet verlaagd voor de gehuwde in wiens woning
                                geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt ook niet verlaagd voor de gehuwde:</al><lijst><li nr="a."><al>in wiens woning één of meer inkomensafhankelijke kinderen
                                        hun hoofdverblijf hebben;</al></li><li nr="b."><al>in wiens woning een ander, die de belanghebbende als
                                        verzorgingsbehoeftige verzorgt of die als
                                        verzorgingsbehoeftige door de belanghebbende wordt verzorgd,
                                        zijn hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere
                                algemene kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm
                                voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van
                                deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten van het bestaan die met een ander kunnen worden gedeeld
                                houden voor de toepassing van dit artikel de woonlasten in.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verlaging in verband met de aanwezigheid van een of meer
                                inwonenden met wie de woonlasten kunnen worden gedeeld, bedraagt 10%
                                van het minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De bijstandsnorm voor gehuwden die (onder)verhuurder of kostgever
                                zijn, wordt verlaagd met 10% van het minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al> De bijstandsnorm wordt verlaagd met 20% van het minimumloon indien
                                in de woning van de gehuwde twee of drie alleenstaande kostgangers
                                en/of (onder)huurders hun hoofdverblijf hebben. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Woonlasten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de
                                alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden geen woonlasten
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt 18% van het netto
                                minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde verlaging vindt bij voorrang plaats op
                                de toeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet voor een alleenstaande
                            van 21 en 22 jaar wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3 op
                            nihil gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm of de toeslag voor de alleenstaande, de
                                alleenstaande ouder of de gehuwde wordt lager vastgesteld indien de
                                deelname is beëindigd aan onderwijs of beroepsopleiding op grond
                                waarvan aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet
                                op de studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
                                onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de
                                Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> Van een recente beëindiging van de deelname aan onderwijs
                                        of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste lid is sprake
                                        zolang nog geen periode van een halfjaar is verstreken,
                                        gerekend vanaf het tijdstip van die beëindiging, dan
                                        wel;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>indien de belanghebbende op de eerste dag van het
                                        kalenderkwartaal waarin de beëindiging plaatsvond jonger was
                                        dan 25 jaar en de voor de werkzaamheden beschikbare tijd
                                        voor ten minste 19 uur per week in beslag werd genomen door
                                        het onderwijs of de beroepsopleiding<vet>, </vet>tenzij het
                                        betreft een scholing of opleiding als artikel 10 lid 1
                                        WWB.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het
                                minimumloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Cumulatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op
                                grond van artikel 3 en een of meer verlagingen op grond van de
                                artikelen 4,5, 6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 20%
                                van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm zoals
                                die is vastgesteld in artikel 21 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor de belanghebbende meer dan een verlaging op grond van de
                                artikelen 4,5,6 en 7 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 20%
                                van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm zoals
                                die is vastgesteld in artikel 21 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm vindt plaats onverminderd
                            het bepaalde in artikel 18, eerste lid van de Wet werk en bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet besluit het college
                            naar bevind van zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan afwijken van de bepalingen in deze verordening als
                            strikte toepassing leidt tot onbillijkheden van zwaarwegende aard of tot
                            een niet gerechtvaardigde hardheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2004 en
                            wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening
                            gemeente Bergen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Bergen</ondertekening><ondertekening>op 18 december 2003.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING GEMEENTELIJK TOESLAGENBELEID</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB. Omdat uit de verordening moet blijken
                    waar belanghebbenden recht op hebben, zijn de begripsomschrijvingen en de
                    daarbij behorende toelichting uit de wet overgenomen en in de verordening
                    opgenomen. </al><lijst><li nr="b."><al>Alleenstaande:</al><al> De omschrijving komt overeen met de omschrijving die de wet hanteert.
                            Degene die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, kan worden
                            aangemerkt als alleenstaande. Uit de omschrijving van het begrip
                            gezamenlijke huishouding blijkt dat twee personen die bloedverwant zijn
                            in de eerste graad (ouder-kind) en een gezamenlijke huishouding voeren
                            niet als gehuwden worden aangemerkt. Om te voorkomen dat twee
                            bloedverwanten in de eerste graad, die feitelijk een gezamenlijke
                            huishouding voeren, maar op grond van de definitie van gezamenlijke
                            huishouding niet als gehuwden worden aangemerkt, is in de definitie
                            uitdrukkelijk opgenomen dat deze personen als alleenstaanden moeten
                            worden aangemerkt.</al><al> De verordening is van toepassing op personen van 21 jaar tot 65 jaar.
                            Voor bijstandsgerechtigden jonger dan 21 jaar en ouder dan 65 jaar
                            gelden aparte, landelijk voorgeschreven regels. Hier heeft de gemeente
                            geen beleidsvrijheid.</al></li><li nr="c."><al>Alleenstaande ouder:</al><al> De omschrijving komt overeen met de omschrijving die de wet hanteert.
                            Alleen degene die als alleenstaande ouder de volledige zorg heeft voor
                            één of meer tot zijn last komende kinderen (jonger dan 18 jaar), kan als
                            alleenstaande ouder worden aangemerkt. Uit de omschrijving van het
                            begrip gezamenlijke huishouding blijkt dat twee personen die
                            bloedverwant zijn in de eerste graad (ouder-kind) en een gezamenlijke
                            huishouding voeren niet als gehuwden worden aangemerkt. </al><al> De co-ouder die niet de volledige zorg heeft, kan noch als
                            alleenstaande noch als alleenstaande ouder worden aangemerkt. Op grond
                            van het algemene individualiseringsartikel 18 Abw dient te worden
                            vastgesteld welke landelijke norm er op betrokkene van toepassing is.
                            Uitgangspunt is hierbij de regelgeving die onder de WWB is ontwikkeld.
                            De verordening is van toepassing op personen van 21 tot 65 jaar (zie sub
                            b).</al></li><li nr="d."><al>Gehuwde:</al><al> In de wet is sprake van gehuwden. Aangezien hieronder ook ongehuwd
                            samenlevenden worden verstaan, betekent dit dat ongehuwd samenlevenden
                            bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de uitkering
                            worden behandeld als waren zij gehuwd.</al><al> Bloedverwanten in de eerste (ouder-kind) en tweede graad (bijv.
                            broer-zus) vallen respectievelijk niet en wel onder het begrip
                            gezamenlijke huishouding. De verordening is van toepassing op personen
                            van 21 jaar tot 65 jaar (zie sub b).</al></li><li nr="e."><al>Kind:</al><al> Het gaat hierbij om in Nederland woonachtige eigen kind(eren) of
                            stiefkind(eren). Geadopteerde kinderen worden hieronder eveneens
                            begrepen.</al><al> Pleegkinderen vallen niet onder het begrip "kind"; zij worden beschouwd
                            als een zelfstandig subject van bijstand.</al></li><li nr="f."><al>Gezin:</al><al> De omschrijving van het begrip gezin komt overeen met de omschrijving
                            die de wet hanteert.</al></li><li nr="g."><al>Ten laste komend kind:</al><al> Hieronder wordt verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de
                            alleenstaande ouder of het (echt)paar aanspraak op kinderbijslag kan
                            maken. Hierbij geldt dat het kind wel in Nederland moet wonen.</al></li></lijst><al> h. Inkomensafhankelijk kind:</al><al> Dit onderdeel beschrijft het begrip inkomensafhankelijk kind. Door middel van
                    deze verordening wordt tot uiting gebracht dat het inkomen van deze groep
                    dermate laag is dat er geen sprake kan zijn van het leveren van een bijdrage in
                    de woonlasten.</al><lijst><li nr="i."><al>Belanghebbende:</al><al> Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks
                            bij een besluit is betrokken. In geval van gehuwden zijn beide partners
                            belanghebbenden; beiden hebben rechtstreeks belang bij een besluit van
                            het college inzake de verlening van bijstand. De overige leden van een
                            gezin die onder de gezinsbijstand vallen, hebben geen afzonderlijk
                            opeisbaar recht op bijstand. Zij kunnen dan ook niet als belanghebbende
                            worden aangemerkt.</al></li><li nr="j."><al>Woning:</al><al> Het in deze verordening vastgelegde beleid heeft mede betrekking op
                            bewoners van een wooneenheid, een woonwagen en een woonschip. Onder
                            wooneenheid wordt verstaan een gedeelte van een woongebouw, dat geschikt
                            en bestemd is voor bewoning maar niet een woning is. Deze omschrijving
                            is ontleend aan de Wet individuele huursubsidie.</al></li><li nr="k."><al>Woonlasten:</al><al> Deze omschrijving sluit aan bij de huidige uitvoeringspraktijk en
                            omschrijft wat onder woonlasten wordt verstaan. Voor de woonlasten van
                            een huurwoning geldt de minimumgrens die de Wet individuele huursubsidie
                            hanteert.</al><al> Voor de woonlasten van een eigen woning wordt rekening gehouden met de
                            te betalen hypotheekrente en de zakelijke lasten die aan de eigen woning
                            verbonden zijn.</al><al> Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor
                            (dat deel van) de hypotheek die is afgesloten voor de financiering van
                            de woning en niet voor (een deel van) de hypotheek die betrekking heeft
                            op de financiering van duurzame gebruiksgoederen.</al><al> Een bijdrage aan een beheersvereniging of -stichting wordt niet
                            gerekend tot de woonlasten, met dien verstande dat het deel dat wordt
                            afgedragen aan de eigenaar of verhuurder wel als zodanig wordt
                            aangemerkt.</al><al> Voor de woonlasten van een kamerhuurder wordt uitgegaan van de
                            kamerhuur en de kosten van gas, water en elektriciteit voorzover de
                            laatstgenoemde kosten niet in de kamerhuur zijn verdisconteerd.</al><al> De kostganger heeft ook woonlasten, alleen de woonlastencomponent is
                            wat lastiger vast te stellen. Daarom wordt uitgegaan van het kostgeld
                            onder aftrek van de kosten van huishoudelijke uitgaven: aldus resteert
                            het bedrag voor woonlasten. Als leidraad voor de huishoudelijke uitgaven
                            wordt een bedrag aangehouden dat vastgesteld is door het Nibud (21% van
                            het netto minimum loon).</al></li><li nr="l."><al>Hoofdverblijf:</al><al> Voor hoofdverblijf is aansluiting gezocht bij de omschrijving in de wet
                            (artikel 40, eerste lid, WWB). Volgens het Burgerlijk Wetboek bevindt de
                            woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede en bij
                            gebreke van de woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. De
                            wetgever heeft voor de term woonstede gekozen omdat deze beter tot
                            uitdrukking brengt dat een zekere bestendigheid in het verblijf nodig is
                            en dat niet is bedoeld de gemeente waarin men vertoeft, maar de
                            woning.</al></li><li nr="m."><al>Netto minimumloon:</al><al> Deze omschrijving komt overeen met de omschrijving in de wet (artikel
                            37 WWB) en moet overeenkomstig worden uitgelegd.</al></li><li nr="n."><al>Algemene bijstand:</al><al> Deze omschrijving komt overeen met de omschrijving in de wet (artikel 5
                            sub b WWB).</al></li><li nr="o."><al>Bijstandsnorm:</al><al> In artikel 21 tot en met 24 van de wet is het bedrag van de
                            bijstandsnorm per kalendermaand vastgesteld per categorie
                            belanghebbenden.</al></li><li nr="p."><al>Verzorgingsbehoeftige:</al><al> Deze omschrijving is ontleend aan het Bijstandsbesluit Landelijke
                            Normeringen. Met deze verordening is voorzien in situaties waarin er
                            sprake is van een verzorgingsbehoefte.</al></li><li nr="q."><al>Huurovereenkomst:</al><al> Belanghebbende moet een schriftelijke individuele huur-, onderhuur- of
                            kostgangers overeenkomst overleggen, voorzien van schriftelijke
                            betalingsbewijzen. Pas dan kan worden vastgesteld of er sprake is van
                            woonlasten. Uiteraard geldt dit ook voor de woonlasten in de overige
                            situaties in dit lid. Met deze begripsomschrijving wordt voorkomen dat
                            zogenaamde “nul” huurcontracten moeten worden aan gemerkt als
                            woonlasten. </al><al> Als de woonkosten kunnen worden aangetoond is er sprake van meerkosten
                            voor woonlasten. Deze voorwaarden gelden uiteraard ook voor
                            kamerhuurders, onderhuurders of kostgangers. </al><al> Het overeengekomen bedrag vermeld in de huur-, onderhuur- en
                            kostgangersovereenkomst dient in redelijke relatie te staan tot de reële
                            woonlasten. In de uitvoeringspraktijk zal bij de toetsing daarvan mede
                            acht worden geslagen op het bepaalde in de Huurprijzenwet Woonruimte. Is
                            de huur lager, dan kan het college in dit individuele geval besluiten de
                            toeslag lager vast te stellen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De gehuwden die duurzaam gescheiden leven van elkaar, worden als ongehuwd
                    aangemerkt.</al><al>De verordening is van toepassing op personen van 21 jaar of ouder.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit lid strekt ertoe het beginsel van de gezinsbijstand mede van toepassing te
                    laten zijn op ongehuwd samenwonenden. Beoogd wordt ongehuwd samenwonenden op
                    gelijke wijze te behandelen als gehuwden indien hun feitelijke omstandigheden
                    niet verschillen van die van gehuwden. Vast dient dan te staan dat de ongehuwd
                    samenwonenden duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren. Of inderdaad in het
                    concrete geval sprake is van het voeren van een duurzame gezamenlijke
                    huishouding staat ter beoordeling aan het college. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In genoemde situaties wordt in ieder geval geacht sprake te zijn van een
                    gezamenlijke huishouding.</al><al>Hebben twee personen in dezelfde woning het hoofdverblijf en doet zich een
                    dergelijke situatie voor, dan worden zij zonder nadere bewijsvoering en zonder
                    mogelijkheid van tegenbewijs geacht een gezamenlijke huishouding te voeren.</al><al>In lid 4 sub d wordt verwezen naar de situatie waarin betrokkenen elders staan
                    geregistreerd als gezamenlijke huishouding. Bij algemene maatregel van bestuur
                    (Stb. 1997, 790) is vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak,
                    ertoe leiden dat de betrokkenen, indien zij gezamenlijk gehuisvest zijn, worden
                    geacht een gezamenlijke huishouding te voeren.</al><tussenkop>Artikel 2 Categorieën</tussenkop><al>Artikel 30 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke
                    categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling
                    is gebaseerd op de wet.</al><al>De begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 1 van de verordening.</al><al>De bijstandsnorm bedraagt voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder en de
                    gehuwden respectievelijk 50%, 70% en 100% van het netto minimumloon.</al><al>Alleenstaanden en alleenstaande ouders kunnen in aanmerking komen voor een
                    toeslag van ten hoogste 20% van het netto minimumloon. De bijstandsnorm voor
                    gehuwden kan in bepaalde, omschreven, omstandigheden verlaagd worden met ten
                    hoogste 20% van het netto minimumloon.</al><tussenkop>Artikel 3 Verhogen van de bijstandsnorm voor alleenstaande en
                    alleenstaande ouders</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag.</al><al>Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken
                    dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat derhalve
                    terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal
                    deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting die op
                    de aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door
                    middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen.</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de woonlasten niet kunnen worden gedeeld met een ander is de
                            toeslag gesteld op het maximale bedrag. Omdat bij jonge thuisinwonende
                            verdienende of studerende kinderen veelal nog sprake is van geringe
                            inkomsten, is bepaald dat, ook als er één of meer inwonende
                            inkomensafhankelijke kinderen zijn, de toeslag gelijk is aan het in
                            artikel 33, tweede lid genoemde bedrag. In de praktijk betekent dit dat
                            inkomsten boven de normbedragen verrekend moeten worden met de toeslag.
                            Bij studerenden mogen de studiekosten en onderwijsbijdrage buiten
                            beschouwing blijven. Deze genormeerde bedragen staan in het Sociaal Info
                            (vergelijk dit met de systematiek van de garantietoeslag van de
                            bijzondere bijstand).</al></li><li nr="b."><al>De bedoeling van deze uitzondering is om te voorkomen dat als gevolg van
                            financiële </al><al> consequenties de belanghebbende zou afzien van het in huis nemen van
                            een hulpbehoevende. Of dat de belanghebbende als hulpbehoevende zou
                            afzien van het in huis nemen van een ander als verzorger. De
                            belanghebbende of de ander zou dan op verzorging in een
                            verzorgingstehuis, verpleeg- of andere inrichting zijn aangewezen,
                            hetgeen vele malen meer geld kost. Daarbij draagt het bij aan het beleid
                            verzorgingsbehoeftigen zolang mogelijk thuis te doen blijven.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede en derde lid</tussenkop><al>Artikel 30, tweede lid, WWB schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het
                    bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komen de kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximum bedrag, genoemd in
                    artikel 25, tweede lid van de wet. De maximale toeslag komt neer op 20% van het
                    netto minimumloon. Omdat het minimumloon regelmatig wordt gewijzigd (veelal
                    halfjaarlijks) wordt in deze verordening volstaan met een verwijzing naar het
                    bedrag zoals dat in de wet is genoemd.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Indien de belanghebbende de woning bewoont met één kostganger, of één
                    (onder)huurder, kunnen de daaruit vloeiende lagere algemene kosten van bestaan
                    als inkomen in aanmerking worden genomen, tenzij hiermee rekening is gehouden
                    met de verhoging van de bijstandsnorm. Gelet op de noodzaak van een eenduidige
                    systematiek is gekozen voor percentages van het netto minimumloon. In casu is
                    gekozen om de bijstandsnorm te verhogen met een toeslag van 10% van het netto
                    minimumloon (zie art. 33 lid 4 WWB). </al><al>Hierbij moet opgemerkt worden dat gehuwden worden aangemerkt als één kostganger
                    of (onder)huurder.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Indien in de woning van de belanghebbende twee of drie kostgangers en/of
                    (onder)huurders hun hoofdverblijf hebben, wordt de bijstandsnorm niet verhoogd
                    met een toeslag. Er mag verwacht worden dat de bijdrage die deze
                    onderhuurders/kostgangers leveren de totale woonlasten geheel of grotendeels
                    vergoeden. Ook bij drie kostgangers en/of onderhuurders wordt maximaal 20%
                    toeslag onthouden, dit is namelijk de maximaal toe te kennen toeslag. </al><al>Zijn er meer kostgangers of onderhuurders dan moeten alle inkomsten verrekend
                    worden en betrokken worden bij de beoordeling of er recht op bijstand
                    bestaat.</al><al>Ook hierbij geldt dat gehuwden worden aangemerkt als één kostganger of
                    (onder)huurder.</al><tussenkop>Artikel 4 Gehuwden</tussenkop><al>Waar in artikel 3 bij de alleenstaande en de alleenstaande ouder sprake is van
                    geen verhoging van de bijstandsnorm of van een verhoging van de bijstandsnorm
                    met een toeslag van 10% of 20% van het netto minimumloon is, gelet op de
                    systematiek van de wet, bij gehuwden sprake van een normuitkering of een
                    verlaging van 10% of 20% van de bijstandsnorm.</al><al>In de verordening is, gelet op de rechtsgelijkheid, indien sprake is van
                    vergelijkbare bepalingen, de mate van verhoging van de norm van de alleenstaande
                    en de alleenstaande ouder gelijk aan de mate van verlaging van de norm van de
                    gehuwde.</al><al>Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel
                    3.</al><tussenkop>Artikel 5 Woonlasten</tussenkop><al>De bijstandsnorm dient voldoende te zijn om in de algemeen noodzakelijke kosten
                    van bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen maken daar deel van uit.
                    Indien de betrokkene geen woonlasten heeft, omdat aan de bewoning geen kosten
                    zijn verbonden, wordt de norm of gemeentelijke toeslag verlaagd met 18% van het
                    minimumloon, ook indien één van de in artikel 3 genoemde situaties van
                    toepassing is. De verlaging van de toeslag komt overeen met de minimale huur van
                    de Huursubsidiewet.</al><tussenkop>Artikel 6 21 en 22 Jarigen</tussenkop><al>Voor de 21- of 22-jarige alleenstaande heeft de gemeente gebruik gemaakt van de
                    wettelijke beleidsvrijheid om af te wijken van de toeslag bedoeld in artikel 25
                    van de wet.</al><al>De bijstandsnorm aangevuld met een maximale toeslag voor een 21- en 22-jarige
                    alleenstaande valt hoger uit dan het minimumjeugdloon en is in deze situatie een
                    belemmering om werk te aanvaarden. Teneinde dit te voorkomen wordt de norm voor
                    de 21- en 22-jarige alleenstaande niet verhoogd met een gemeentelijke toeslag. </al><tussenkop>Artikel 7 Onderwijs</tussenkop><al>Op grond van artikel 28 van de wet heeft de gemeente de mogelijkheid om de
                    landelijke norm of de toeslag lager vast te stellen als de betrokkene recent
                    zijn scholing of beroepsopleiding heeft beëindigd. De bijstandsuitkering ligt
                    veelal aanmerkelijk hoger dan de bedragen van de studiefinanciering. Waar de
                    betrokkene tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het
                    beperkte inkomen, nemen zijn noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe
                    als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen
                    raakt. Hierbij geldt als uitgangspunt dat slechts gedurende een periode van een
                    half jaar een dergelijke verlaging van de toeslag kan plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 8 Cumulatie</tussenkop><al>Nu gebruik is gemaakt van verhogingsmogelijkheden, zoals die zijn genoemd in
                    artikel 3 van de verordening, dient rekening te worden gehouden met de effecten
                    van cumulatie van factoren. Een dergelijke cumulatie kan er namelijk toe leiden
                    dat de uitkering meerdere malen met een toeslag verlaagd zou kunnen worden,
                    waardoor de toeslag lager wordt dan hetgeen wettelijk is toegestaan. </al><al>Een cumulatie van verlagingen kan tot gevolg hebben dat de bijstand onder de
                    norm komt, dit is toelaatbaar tot een maximale verlaging van 20% van het
                    minimumloon.</al><al>Dit laat onverlet dat de belanghebbende een hogere verlaging dan 20% kan krijgen
                    wanneer sprake is van een maatregel . </al><tussenkop>Artikel 9 Slotbepalingen</tussenkop><al>De Wet werk en bijstand kent het individualiseringsprincipe. Met dit
                    uitgangspunt moet bij de uitvoering van de wet altijd rekening worden gehouden.
                    In dit geval kan het college besluiten af te wijken van de bepalingen in deze
                    verordening, als strikte toepassing van de verordening leidt tot onbillijkheden
                    van zwaarwegende aard.</al><tussenkop>Artikel 10 Onvoorzienbare omstandigheden</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Met dit artikel wordt het college belast met de uitvoering van deze
                            verordening.</al></li><li nr="b."><al>Deze restclausule biedt het college in alle niet-voorziene zaken te
                            handelen naar bevindt van zaken. Omdat ook deze beslissingen onderworpen
                            zijn aan de regels van de WWB, moeten de besluiten gemotiveerd tot stand
                            zijn gekomen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 11 Hardheidsclausule en artikel 12 De
                    inwerkingtreding</tussenkop><al>Geeft aan de citeertitel en wanneer de verordening in werking treedt. Op grond
                    van de Awb moeten verordeningen bekend gemaakt. Daarom moet deze verordening zo
                    spoedig mogelijk na inwerkingtreding bekend gemaakt worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>