<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR417786_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hof van Twente</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hof van Twente</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hofweekblad d.d. 25 februari 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>532747</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Regels voor ondersteuning werkzoekenden richting werk</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>n.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>n.v.t.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Hof van Twente,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 januari 2015, </al><al/><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet, </al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al/><al>vast te stellen de navolgende <vet>Re-integratieverordening Participatiewet
                            2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: De Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: ingedeeld op trede 1, 2, 3 of
                                    onderkant 4 van de participatieladder. Deelname aan de
                                    arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                    jaar;</al></li><li nr="d."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: ingedeeld op trede 6,5 en
                                    bovenkant 4 van de participatieladder. Deelname aan de
                                    arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiËn</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in de artikelen 6 tot en met
                                13 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een te
                                ontwikkelen loonwaarde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voorzieningen, bedoeld in artikel 5 aanbieden aan
                                personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en
                                    </al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het College rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad de
                                doeltreffendheid van het beleid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt nadere beleidsregels vast welke voorzieningen,
                                waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval
                                kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden; hierin wordt
                                tevens opgenomen wanneer een voorziening door het college beëindigd
                                kan worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het arbeidsmarktinstrumentarium kan worden aangepast en uitgebreid.
                                Hiervoor worden nadere regels vastgesteld; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een nader te bepalen organisatie adviseert het college met
                                betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid niet
                                in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar
                                wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze: </al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en </al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid;
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring
                                of het leren functioneren in een arbeidsrelatie; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkervaringsplaats, en </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatschappelijke participatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van maatschappelijke
                                participatie; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur en omvang van de in het eerste lid
                                bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            scholingstraject aanbieden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon met recht op algemene bijstand
                                overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele
                                werkzaamheden laten verrichten; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vult deze mogelijkheid in, volgens de in artikel 5
                                genoemde maatschappelijke participatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet bedoelde werkzaamheden
                                mogelijk te maken kan het college de volgende ondersteunende
                                voorzieningen inzetten: fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                                werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers, alsmede de
                                gemeenten in de arbeidsmarktregio die samenwerken in het regionaal
                                Werkbedrijf. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een
                            leer-werktraject en het personen betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd, of </al></li><li nr="b."><al>van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen
                                    startkwalificatie hebben behaald. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding, als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels over het verstrekken van een
                            No-riskpolis. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels over het verstrekken van
                            loonkostensubsidie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van deze
                            verordening nadere beleidsregels vaststellen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                            Participatiewet 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 onder gelijktijdige
                            intrekking van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                            2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof
                        van Twente d.d. 20 januari 2015.</ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Hof van Twente,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. A. Venema drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Re-integratieverordening 2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetail-leerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet); het College kiest bij de invulling van dit artikel
                            (participatieplaats) voor onbeloonde activiteiten in het kader van
                            Maatschappelijke Participatie (artikel 5). Een premie is hierbij niet
                            aan de orde.</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid, onderdeel b, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdeel b, van
                            de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering; </al></li><li nr="-"><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                            college aangeboden voorziening.</al></li></lijst><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt
                    i.c. de mogelijkheden heeft loonwaarde te ontwikkelen. Zie verder de toelichting
                    bij artikel 2 van deze verordening.</al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt i.c. loonwaarde te ontwikkelen. Zie verder de toelichting bij
                    artikel 2 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeente-raad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voor-gaande uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Grote afstand tot arbeidsmarkt</tussenkop><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 (voorzieningen
                    werkervarings-plaats), 5 (maatschappelijke participatie) en aan personen aan die
                    behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep
                    is gedefinieerd in artikel 1.</al><tussenkop>Korte afstand tot arbeidsmarkt</tussenkop><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6 (detacheringsbaan)
                    aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de
                    arbeidsmarkt. De doel-groep is gedefinieerd in artikel 1.</al><tussenkop>Overige voorzieningen</tussenkop><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing (artikel 7),
                    beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij leer-werktrajecten (artikel 10),
                    persoonlijke ondersteuning (artikel 11), no-riskpolis (artikel 12),
                    loonkostensubsidie (artikel 13). </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><tussenkop>Verslag doeltreffendheid</tussenkop><al>Het college rapporteert jaarlijks over de doeltreffendheid van het
                    re-integratiebeleid Dit is geregeld in artikel 2, vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld
                    maatschappelijke participatie en het voorkomen van een isolement (zoals het doen
                    van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). </al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in nog
                    vast te stellen beleidsregels. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als
                    een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals
                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet
                    wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld
                    in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdeel b en
                    36, derde lid, onderdeel b, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het
                    college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee
                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                    persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden
                    teruggevorderd.<sup/> Terugvordering dient te geschieden op grond van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 4. Werkervaringsplaats (WEP)</tussenkop><al>Een WEP onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                    beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de
                    rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst:
                    persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt
                    gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al
                    dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan
                    de feitelijke invulling van de overeenkomst.</al><al><cursief>Werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden kennis en
                        ervaring</cursief>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij WEP’s
                    weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit
                    overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de
                    werknemer. Daarnaast is bij een WEP in de regel geen sprake van beloning.
                    Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt
                    daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er
                    daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                        kosten<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Doelgroep aanbieden WEP </tussenkop><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkstage aanbieden
                    voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een
                    persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid,
                    onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als
                    een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen
                    geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                    tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een
                    persoon gedurende een jaar geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden
                    aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het
                    college bevoegd hem een WEP aan te bieden. </al><tussenkop>Doel van de WEP</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de WEP, om het
                    verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van
                    belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De WEP kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen
                    van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de WEP kan een persoon wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierde is bepaald dat voor de WEP een schriftelijke overeenkomst wordt
                    opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals
                    de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens
                    worden gewaarborgd dat het bij een WEP niet gaat om een reguliere
                        arbeidsverhouding<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de WEP uitsluitend wordt verstrekt als er geen
                    verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is
                    alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door
                    ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5. Maatschappelijke participatie</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. <cursief>Begrip sociale
                        activering</cursief>Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                    verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                    arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                    zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
                    Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan
                    worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van
                    vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<sup/></al><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief>Het college kan aan een
                    persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van
                    sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<sup/> Het college
                    kiest in de situatie niet voor een aparte voorziening sociale activering maar
                    zet op activiteiten gericht op maatschappelijke participatie, niet in de eerste
                    plaats gericht op terugkeer op de arbeidsmarkt.</al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van maatschappelijke participatie nader te bepalen. Het college moet
                    de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de
                    mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide
                    termijn moeilijk zijn.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><tussenkop>Artikel 6. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. </al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Voor derde lid wordt
                    verwezen naar de toelichting bij het artikel over werkervaringsplaatsen]</al><tussenkop>Artikel 7. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. </al><al><cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden
                    hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012
                    geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). [<cursief>Dit is
                        voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.</cursief>]</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen. </al><tussenkop>Artikel 8. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet. Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder
                    met recht op algemene bijstand een participatieplaats aanbieden. Het college
                    kiest er vooralsnog niet voor een aparte voorziening als een Participatieplaats
                    aan te bieden, maar personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt
                    activiteiten te laten verrichten in het kader van maatschappelijke participatie
                    (artikel 5). Daarbij is een premie-betaling niet aan de orde. In het kader van
                    regionale afstemming van de instrumenten in de Participatiewet is dit nog
                    onderwerp van nader overleg.</al><tussenkop>Artikel 9. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.<sup/> Daarom is in
                    het tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in
                    een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<sup/></al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.<sup/></al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.<sup/></al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid). Dit overleg vindt in eerste instantie plaats in
                    het regionale Werkbedrijf.</al><tussenkop>Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie
                            hebben behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.<sup/> In het
                    kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat
                    het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                    zijn.<sup/>]</al><tussenkop>Artikel 12. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De no-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel
                    8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    no-riskpolis.</al><al>Op dit moment (december 2014) is er nog volop overleg gaande tussen o.m.
                    Ministerie, UWV en VNG over de vorm waarin de no-risk-polis kan worden
                    aangeboden en gefinancierd. De uitkomsten daarvan zullen in beleidsregels worden
                    vastgelegd, na overleg in het regionale Werkbedrijf.</al><tussenkop>Artikel 13. Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeids-inschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen. </al><al><cursief>Compensatie</cursief>Het doel van de loonkostensubsidie is
                    het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het
                    wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon
                    (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan
                    de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                    compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                    bewerkstelligen.<sup/> In het eerste lid is de doel-groep opgenomen en in het
                    tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen. Een nadere
                    uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en vierde lid.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><al>De in artikel 13 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden
                    onder-scheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en
                    10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is
                    geïntroduceerd in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is
                    specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 13
                    opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een
                    arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar
                    zijn.</al><al>De regels rond loonwaardebepaling en loonkostensubsidie worden door het
                    regionale Werkbedrijf nader vastgesteld</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>