<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR417629_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, nr. 130106</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-09-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016-005455</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo 2016</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening</vet><vet>jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo
                            2016</vet></al><al>Vastgesteld bij raadsbesluit van 20 juni 2016, kenmerk 2016.005455</al><al>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24
                        mei 2016, nummer 2016.005455;</al><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 <cursief>en 8.1.1, vierde
                            lid,</cursief> van de Jeugdwet;</al><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; </al><al>en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het
                        college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met
                        betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling
                        van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze
                        waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt
                        afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop één gezin, één plan, één
                        coach wordt vormgegeven, de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden
                        budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen
                        van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter waarborging van
                        een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de
                        uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de
                        eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;</al><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo
                        2016.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening niet vallend onder de Jeugdwet,
                                    op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding: activiteiten waarmee een jeugdige wordt ondersteund
                                    bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en het
                                    aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het
                                    persoonlijk leven; </al></li><li nr="-"><al>beleidstermijn: termijn van het beleidsplan jeugd;</al></li><li nr="-"><al>Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD): een loket waar
                                    inwoners van de gemeente terecht kunnen met alle vragen,
                                    (alsmede mantelzorgers, vrijwilligers en professionals) die
                                    betrekking hebben op het sociale domein. In het CMD wordt
                                    begeleiding/ondersteuning geboden, met een richtlijn van drie
                                    tot vijf gesprekken.</al></li><li nr="-"><al>college: college van burgemeester en wethouders of een door het
                                    college gemandateerd orgaan;</al></li><li nr="-"><al>dienstverlener: een organisatie of zelfstandige zonder personeel
                                    die zorg of ondersteuning aanbiedt aan jeugdigen of zijn ouders
                                    van de gemeente Geldrop-Mierlo; </al></li><li nr="-"><al>familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak
                                    opgesteld door de jeugdige en zijn ouders, samen met
                                    bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale
                                    omgeving van de jeugdige behoren. Als er sprake is van vroeg
                                    signalering bij opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische
                                    problemen en stoornissen, moet de aanbieder van jeugdhulp de
                                    mogelijkheid bieden om binnen redelijke termijn een
                                    familiegroepsplan op te stellen; </al></li><li nr="-"><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 5 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan
                                    jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,
                                    psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>individuele voorziening: via een verleningsbeschikking
                                    toegankelijke op de jeugdige gerichte specialistische jeugdhulp
                                    die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt.
                                    Indien de verwijzing naar een individuele voorziening verloopt
                                    via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts is dit zonder
                                    ondersteuningsplan. </al></li><li nr="-"><al>jeugdarts: arts die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het
                                    door het College Geneeskundig Specialismen van de Koninklijke
                                    Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst
                                    ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg;</al></li><li nr="-"><al>jeugdige: persoon die:</al></li></lijst><al>1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,</al><al>2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie
                            op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan
                            overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van
                            Strafrecht, of </al><al>3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van
                            drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van
                            jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie
                            het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft
                            bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is
                            of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het
                            bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een
                            half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;</al><lijst><li nr="-"><al>jeugdhulp: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde
                                    preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen,
                                    stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de
                                    gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale
                                    problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van
                                    de jeugdige, of opvoedingsproblemen van ouders; 2°. het
                                    bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en
                                    van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een
                                    verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een
                                    chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en
                                    die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en
                                    3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op
                                    het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het
                                    opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met
                                    een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of
                                    een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de
                                    leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                                    verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor
                                    jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht; </al></li><li nr="-"><al>gezin: elk leefverband van één of meer volwassenen die
                                    verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van
                                    één of meer kinderen; </al></li><li nr="-"><al>klacht: het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan
                                    zich in een bepaalde aangelegenheid jegens de jeugdige of zijn
                                    ouders heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat
                                    bestuursorgaan. Een gedraging van een persoon, werkzaam onder de
                                    verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, wordt aangemerkt
                                    als een gedraging van dat bestuursorgaan; maatschappelijke
                                    ondersteuning: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>machtiging gesloten jeugdhulp: de machtiging, bedoeld in artikel
                                    6.1.2. van de wet; </al></li><li nr="-"><al>medisch specialist: geneeskundig specialist die als specialist
                                    is ingeschreven in een door het College Geneeskundig
                                    Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter
                                    bevordering van de Geneeskunst ingestelde register als bedoeld
                                    in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele
                                    gezondheidszorg;</al></li><li nr="-"><al> melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel
                                    3;</al></li><li nr="-"><al> ondersteuningsplan: hulpverleningsplan of behandelplan dat
                                    opgesteld wordt door het college in samenspraak met de jeugdige
                                    of zijn ouders en indien noodzakelijk samen met bloedverwanten,
                                    aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de
                                    jeugdige behoren. In het ondersteuningsplan staan alle vormen
                                    van ondersteuning en hulp opgenomen die ten behoeve van de
                                    jeugdige of zijn ouders worden ingezet en de doelen waaraan
                                    gewerkt wordt. Het ondersteuningsplan maakt integraal onderdeel
                                    uit van de verleningsbeschikking voor een individuele
                                    voorziening. Het ondersteuningsplan is vormvrij; het
                                    familiegroepsplan kan ingezet worden als ondersteuningsplan;
                                </al></li><li nr="-"><al>ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een
                                    ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en
                                    opvoedt, niet zijnde een pleegouder;</al></li><li nr="-"><al>overige voorziening: overige voorzieningen als bedoeld in
                                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarvoor geen
                                    verleningsbeschikking van het college is vereist;</al></li><li nr="-"><al>Plusteam: organisatie waar de complexe advies- en hulpvragen aan
                                    worden overgedragen als deze door het CMD niet kunnen worden
                                    beantwoord. In het Plusteam werken gespecialiseerde
                                    professionals die enerzijds het netwerk rondom een vrager
                                    activeren en versterken en anderzijds ook de professionele zorg
                                    organiseren;</al></li><li nr="-"><al>PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                    wet, zijnde een door het college aan een jeugdige of zijn ouders
                                    beschikbaar gesteld budget, dat hen in staat stelt de jeugdhulp
                                    die tot de individuele voorziening behoort van derden te
                                    betrekken;</al></li><li nr="-"><al>specialistische jeugdhulp: begeleiding/ondersteuning door het
                                    Plusteam, zorgcoördinatie, ambulante zorg, verblijf
                                    deeltijd/daghulp, pleegzorg, verblijf 24-uurs residentiële of
                                    intramurale behandeling, jeugdbescherming, jeugdreclassering,
                                    diagnostiek, begeleiding, persoonlijke verzorging, vervoer naar
                                    zorg en andere hier niet genoemde jeugdhulp;</al></li><li nr="-"><al>second opinion: als iemand twijfelt aan de mening, oplossing of
                                    behandeling van het college, kan er een tweede beoordeling
                                    plaatsvinden. Deze tweede beoordeling wordt kosteloos verricht
                                    door een onafhankelijke ter zake deskundige arts die door de
                                    gemeente is aangesteld;</al></li><li nr="-"><al>Verwijzer: in het geval van een individuele voorziening zijn er
                                    verschillende verwijzers mogelijk: het Centrum voor
                                    Maatschappelijke Deelname, het Plusteam, de huisarts, de medisch
                                    specialist en de jeugdarts;</al></li><li nr="-"><al>wachtlijst: het aantal unieke jeugdigen dat langer dan vier
                                    weken wacht na het verstrekken van specialistische jeugdhulp via
                                    het ondersteuningsplan;</al></li><li nr="-"><al>wet: Jeugdwet;</al></li><li nr="-"><al>woonplaats:</al><al> 1°. woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1 van het
                                    Burgerlijk Wetboek;</al><al> 2°. ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een
                                    instelling als bedoeld in artikel 302 van Boek 1 van het
                                    Burgerlijk Wetboek: de plaats van het werkelijke verblijf van de
                                    jeugdige;</al><al> 3°. ingeval de woonplaats, bedoeld onder 1° en 2°, onbekend is
                                    dan wel buiten Nederland is: de plaats van het werkelijke
                                    verblijf van de jeugdige op het moment van de hulpvraag (pm:
                                    toevoeging vierde onderdeel: ‘4°. ingeval de jeugdige de
                                    leeftijd van achttien jaar heeft bereikt: de woonplaats van de
                                    jeugdige” volgens de consultatieversie van de Invoeringswet
                                    Jeugdwet);</al></li><li nr="-"><al>zelfredzaamheidmatrix: een instrument van GGD Amsterdam waarmee
                                    de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige of zijn ouders
                                    eenvoudig en volledig kan worden beoordeeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:</al><lijst><li nr="a."><al>Informatie, consultatie en (handelings)advies;</al></li><li nr="b."><al>Licht (pedagogische) hulp;</al></li><li nr="c."><al>Kortdurende cliëntondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De individuele voorziening die beschikbaar is, is specialistische
                                jeugdhulp. Onder specialistische jeugdhulp wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>Zorgcoördinatie /ondersteuning van het Plusteam;</al></li><li nr="b."><al>Ambulante zorg;</al></li><li nr="c."><al>Verblijf deeltijd / daghulp;</al></li><li nr="d."><al>Pleegzorg;</al></li><li nr="e."><al>Verblijf 24-uurs residentiële of intramurale
                                        behandeling;</al></li><li nr="f."><al>Jeugdbescherming;</al></li><li nr="g."><al>Jeugdreclassering;</al></li><li nr="h."><al>Diagnostiek;</al></li><li nr="i."><al>Begeleiding;</al></li><li nr="j."><al>Persoonlijke verzorging;</al></li><li nr="k."><al>Vervoer naar zorg;</al></li><li nr="l."><al>En andere hier niet genoemde jeugdhulp.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige
                                voorzieningen en specialistische jeugdhulp op basis van het eerste
                                en tweede lid beschikbaar zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp, melding hulpvraag</titel></kop><al>1.Toegang via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. </al><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing
                            door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een
                            jeugdhulpaanbieder. Het college legt de te verlenen individuele
                            voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.</al><al>2.Toegang via rechter, openbaar ministerie, de directeur of selectie
                            functionaris van de justitiële instelling of via een gecertificeerde
                            instelling </al><al>Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de
                            gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een
                            kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de
                            selectiefunctionaris, de inrichtingenarts of de directeur van de
                            justitiële Inrichting nodig achten bij de uitvoering van een
                            strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig
                            acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Het ‘Samenwerkingsprotocol
                            Gemeenten Zuidoost-Brabant – Raad voor de Kinderbescherming’ is van
                            toepassing.</al><al>3.Toegang via de gemeente </al><al>Jeugdigen en ouders kunnen schriftelijk, elektronisch, telefonisch of
                            mondeling melding doen van een hulpvraag bij het college.</al><al>a.Het college registreert schriftelijk de ontvangst van een melding en
                            bevestigt deze schriftelijk.</al><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                            passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                            gesloten jeugdhulp bij de rechter als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
                            Jeugdwet.</al><lijst><li nr="b."><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een
                                    overige voorziening. Ook de huisarts, medisch specialist en
                                    jeugdarts kunnen hen rechtstreeks verwijzen naar een overige
                                    voorziening.</al></li><li nr="c."><al>Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                                    voorziening schriftelijk indienen bij het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>1.Het college verzamelt in overleg met de jeugdige en/of de ouders de
                            noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn
                            situatie. </al><al>Het college maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek en
                            informeert de jeugdige en/of de ouders over de gang van zaken bij het
                            gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. </al><al>De identiteit van de jeugdige en/of de ouders wordt vastgesteld aan de
                            hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al><al>2.Het college en de jeugdige en/of de ouders kunnen in overleg
                            gemotiveerd afzien van het gesprek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het gesprek over de jeugdhulpvraag tussen de jeugdige, de ouders
                                en het college en mogelijk andere betrokkenen, kan worden gesproken
                                over:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met
                                        ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om een oplossing voor de hulpvraag te
                                        vinden met gebruikmaking van een overige voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        treffen;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdige en zijn ouders, en</al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke
                                        bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die
                                        keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van
                                zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Gespreksverslag en ondersteuningsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Gespreksverslag en ondersteuningsplan </al><al>Het college maakt van het gesprek een gespreksverslag, dit kan
                                    zijn in de vorm van een ondersteuningsplan. Het verslag wordt na
                                    het gesprek aan de jeugdige en/of de ouders gestuurd of
                                    overhandigd, tenzij zij hebben medegedeeld dit niet te wensen.
                                    Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of ouders
                                    worden aan het gespreksverslag of ondersteuningsplan
                                    toegevoegd.</al></li><li nr="2."><al>Bij ontvangst van het gespreksverslag / ondersteuningsplan wordt
                                    schriftelijk gevraagd om binnen 5 werkdagen opmerkingen of
                                    aanvullingen aan het college door te geven. Bij geen reactie
                                    wordt er vanuit gegaan dat de jeugdige en zijn of haar ouders
                                    akkoord gaan met de inhoud van het verslag of
                                    ondersteuningsplan. Indien een ondersteuningsplan gebruikt wordt
                                    voor aanvraag voor een voorziening, dient deze ondertekend te
                                    zijn door de cliënt. </al></li><li nr="3."><al>Wanneer de jeugdige of zijn ouders twijfelt aan de mening,
                                    oplossing of behandeling van het college, kan er een tweede
                                    beoordeling plaatsvinden. Deze tweede beoordeling wordt
                                    kosteloos verricht door een onafhankelijke ter zake deskundige
                                    arts die door de gemeente is aangesteld. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Afweging en voorwaarden individuele voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toekenning individuele voorziening via een beschikking op basis
                                van een ondersteuningsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover wordt
                                vastgesteld dat de jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit
                                        zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                        vinden;</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan
                                        niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige
                                        voorziening, of</al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan
                                        niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere
                                        voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voor zover
                                met betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in
                                artikel 3, is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of de specialistische jeugdhulp in
                                natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe
                                bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van de specialistische jeugdhulp in natura
                                worden in het ondersteuningsplan de met de jeugdige of zijn ouders
                                gemaakte afspraken vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien er sprake is van een wachtlijst voor de verstrekte
                                specialistische jeugdhulp, verplicht het college zich, indien
                                mogelijk, een vervangende vergelijkbare specialistische vorm van
                                jeugdhulp te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke voorziening wordt verstrekt en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                        toepassing,</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt
                                in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college monitort en draagt samen met de jeugdige of zijn ouders
                                zorg voor de uitvoer van het ondersteuningsplan. Indien de
                                monitoring of de actuele situatie daartoe aanleiding geeft, wordt
                                het ondersteuningsplan vervolgens aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Regels pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de
                                wet een pgb indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college
                                        op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke
                                        waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun
                                        sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder,
                                        mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een
                                        persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde
                                        wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de
                                        jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die
                                        de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken,
                                        van goede kwaliteit is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het
                                maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte
                                van een pgb wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling onder welke voorwaarden de
                                persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken
                                van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De jeugdige of zijn ouders heeft niet de mogelijkheid om te kiezen
                                voor een persoonsgebonden budget als er overwegende bezwaren zijn
                                als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet. Tevens is er geen recht op
                                een persoonsgebonden budget indien de jeugdige of zijn ouders zich
                                niet eerder heeft gehouden aan, bij eerdere verstrekking van een
                                pgb, opgelegde verplichtingen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De medewerker Plusteam en medewerker CMD adviseren het college over
                                het verstrekken van het pgb.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn
                                ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college
                                mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn
                                tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                                aangaande een individuele voorziening, genomen op grond van deze
                                verordening herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt
                                dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                        hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere besluit zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                        voorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn
                                        aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb
                                        niet meer toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden
                                        van de individuele voorziening of het daarmee samenhangende
                                        PGB, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening niet
                                        of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                        bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van
                                degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                                onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten
                                pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien
                                blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de
                                geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van
                                pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het wenst te stellen voor contractering of subsidiëring van
                                aanbieders van jeugdhulp of uitvoerders van
                                kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot
                                        de zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                        personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                        werkoverleg, en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vertrouwenspersoon / cliëntondersteuning</titel></kop><al>Het college zorgt ervoor en wijst erop dat jeugdigen, ouders en
                            pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke
                            vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten
                                van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op het Centrum voor
                                Maatschappelijke Deelname, de wijze van afhandeling van meldingen en
                                aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een jeugdige of zijn ouders een klacht heeft over het
                                Plusteam of instelling die hulp verleent, dan is niet de regeling
                                van de gemeente van toepassing, maar dient de regeling van de
                                betreffende organisatie te worden toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Privacy</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor een privacyprotocol dat voldoet aan de Wet
                            bescherming persoonsgegevens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Cliëntenparticipatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente
                                een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen /
                                WMO Raad vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
                                te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over
                                verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van
                                ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college ontwikkelt vormen van cliëntenparticipatie die passen
                                bij de doelgroep jeugd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt na afloop van de
                            beleidstermijn geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft
                            wordt het beleid en de verordening vervolgens aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo 2015 wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een jeugdige houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op
                                grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Geldrop-Mierlo 2015
                                totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het
                                besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente
                                Geldrop-Mierlo 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking
                                treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Geldrop-Mierlo wordt beslist
                                met inachtneming van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                    gemeente Geldrop-Mierlo 2016.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage I Begrippenlijst</titel></kop><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>accommodatie</cursief></vet>: bouwkundige voorziening of
                            deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein,
                            waar jeugdhulp wordt verleend door of namens een
                            jeugdhulpaanbieder;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>begeleiding</cursief></vet>: activiteiten waarmee een
                            jeugdige wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse
                            levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur in en
                            regie over het persoonlijk leven;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>burgerservicenummer</cursief></vet>: burgerservicenummer
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen
                            burgerservicenummer;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>CAK: </cursief></vet>CAK, genoemd in artikel 48, eerste
                            lid van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>calamiteit</cursief></vet>: niet-beoogde of onverwachte
                            gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en
                            die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige
                            of een ouder heeft geleid;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>college</cursief></vet>: college van burgemeester en
                            wethouders;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>dossier</cursief></vet>: geheel van schriftelijk of
                            elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van
                            jeugdhulp aan een jeugdige of ouder of de uitvoering van een
                            kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;</al></li></lijst><al><vet>- </vet><vet><cursief>gecertificeerde instelling</cursief></vet>:
                    rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat
                    als bedoeld in artikel 3.3 en die een kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering uitvoert; </al><al><cursief>- </cursief><vet><cursief>gekwalificeerde
                    gedragswetenschapper</cursief></vet><vet>: </vet>gedragswetenschapper
                    behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie; </al><al>-<vet><cursief>gesloten accommodatie: </cursief></vet>bouwkundige voorziening of
                    deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein, waar
                    gesloten jeugdhulp wordt verleend;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet><vet><cursief> gesloten
                    jeugdhulp</cursief></vet>: opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten
                    accommodatie op basis van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2; </al><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van
                            een kinderbeschermingsmaatregel of
                            jeugdreclassering</cursief></vet>: lichamelijk, geestelijk of
                            seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee,
                            door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een
                            gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een
                            rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde
                            instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met
                            wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de
                            aanbieder verblijft;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>huiselijk geweld</cursief></vet>: huiselijk geweld als
                            bedoeld in artikel 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>hulpverleningsplan</cursief></vet>: plan betreffende de
                            verlening van jeugdhulp als bedoeld in artikel 4.1.2 en hoofdstuk
                            6;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>inspectie</cursief></vet>: inspectie jeugdzorg, bedoeld in
                            artikel 9.1;</al></li></lijst><al><vet><cursief>- </cursief></vet><vet><cursief> jeugdarts</cursief></vet>: arts
                    die als jeugdarts KNMG is ingeschreven in het door het College Geneeskundig
                    Specialismen van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van
                    de Geneeskunst ingestelde profielregister jeugdgezondheidszorg; </al><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>jeugdgezondheidszorg</cursief></vet>: jeugdgezondheidszorg
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet publieke gezondheid;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>jeugdhulp</cursief></vet>:</al></li></lijst><al>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en
                    hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of
                    omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale
                    problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, of
                    opvoedingsproblemen van ouders; </al><al>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het
                    zelfstandig functioneren van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                    probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en </al><al>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de
                    persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                    zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                    beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, </al><al>met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor
                    jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht; </al><al>-<vet><cursief>jeugdhulpaanbieder</cursief></vet>: 1°. natuurlijke persoon die,
                    het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig
                    jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college;</al><al>2°. solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het
                    college; </al><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>jeugdhulpverlener</cursief></vet>: natuurlijke persoon die
                            beroepsmatig jeugdhulp verleent;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>jeugdige</cursief></vet>: persoon die:</al></li></lijst><al>1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, </al><al>2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond
                    van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de
                    artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of </al><al>3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar
                    heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in
                    onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van
                    de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied
                    van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was
                    aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een
                    termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; </al><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>jeugdreclassering</cursief></vet>:
                            reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het
                            Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede
                            lid, van dat wetboek en het begeleiding van en toezicht houden op
                            jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als
                            bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen,
                            het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van
                            die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de
                            gecertificeerde instellingen zijn opgedragen;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>kinderbeschermingsmaatregel</cursief></vet>: voogdij en de
                            voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de
                            ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 254, eerste lid, Boek 1 van
                            het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld
                            in artikel 255 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>kindermishandeling</cursief></vet>: elke vorm van voor een
                            minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke,
                            psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten
                            opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of
                            van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige
                            schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige
                            in de vorm van fysiek of psychisch letsel;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>maatschappelijke ondersteuning</cursief></vet>:
                            maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li></lijst><al><cursief>- </cursief><vet><cursief>machtiging gesloten
                    jeugdhulp</cursief></vet>: de machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2. </al><al><vet><cursief>- </cursief></vet><vet><cursief> medisch
                    specialist</cursief></vet>: geneeskundig specialist die als specialist is
                    ingeschreven in een door het College Geneeskundig Specialismen van de
                    Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst
                    ingestelde register als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de
                    individuele gezondheidszorg; - <vet><cursief>Onze Ministers</cursief></vet>:
                    Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van
                    Veiligheid en Justitie tezamen; </al><al>-<vet><cursief>opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                    stoornissen</cursief></vet>:</al><al>1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,
                    gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, of
                    opvoedingsproblemen van de ouders; </al><al>2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in
                    verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een
                    chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die
                    de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en </al><al>3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke,
                    lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische
                    aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog
                    niet heeft bereikt; </al><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>ouder: </cursief></vet>ouder, stiefouder of een ander die
                            een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet
                            zijnde een pleegouder;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>persoonsgegevens, verwerking, bestand, onderscheidenlijk
                            verantwoordelijke</cursief></vet>: hetgeen daaronder wordt
                            verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>plan van aanpak: </cursief></vet>plan betreffende de
                            uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering als
                            bedoeld in artikel 4.1.2;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>pleegouder</cursief></vet>: persoon die een jeugdige die
                            niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en
                            daartoe een pleegcontract als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, heeft
                            gesloten met een pleegzorgaanbieder;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>pleegoudervoogd</cursief></vet>: pleegouder die tevens
                            belast is met voogdij als bedoeld in boek 1 Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>pleegzorgaanbieder: </cursief></vet>jeugdhulpaanbieder die
                            pleegzorg biedt;</al></li></lijst><al><cursief>- </cursief><vet><cursief> preventie: </cursief></vet>op preventie
                    gerichte ondersteuning van jeugdigen met psychische problemen en stoornissen,
                    psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van
                    de ouders bij opvoedingsproblemen; </al><lijst><li nr="-"><al><vet><cursief>strafrechtelijke beslissing</cursief></vet>: beslissing
                            van de officier van justitie of de strafrechter met toepassing van titel
                            VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht of een
                            beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van
                            Strafvordering;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>Veilig Thuis: </cursief></vet>advies- en meldpunt
                            huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 12a van de
                            Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al><vet><cursief>vertrouwenspersoon</cursief></vet>: persoon die jeugdigen,
                            ouders, pleegouders of netwerkpleegouders op hun verzoek ondersteunt in
                            aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en
                            verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de
                            gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld
                            en kindermishandeling;</al></li></lijst><al><cursief>-</cursief><vet><cursief>
                    verwijsindex</cursief></vet>: verwijsindex risicojongeren als bedoeld in
                    artikel 7.1.2.1; </al><al>-<vet><cursief>woonplaats</cursief></vet>:</al><al>1°. woonplaats als bedoeld in artikel 12 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; </al><al>2°. ingeval het gezag over de jeugdige berust bij een instelling als bedoeld in
                    artikel 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: woonplaats van degene die
                    voorafgaand aan de voogdij door de instelling het gezag had over de jeugdige, of </al><al>3°. ingeval het gezag berust bij een pleegoudervoogd: woonplaats van degene die
                    voorafgaand aan de pleegzorg het gezag had over de jeugdige. </al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Memorie van Toelichting verordening Jeugdhulp </vet></al><al><vet>Artikelgewijs</vet></al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd die cruciaal zijn voor het
                        begrip van deze verordening.</al><al>In de Jeugdwet worden drie typen voorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>overige voorzieningen</al></li><li nr="·"><al>individuele voorzieningen</al></li><li nr="·"><al>andere voorzieningen.</al></li></lijst><al>Individuele voorzieningen en overige voorzieningen als genoemd in artikel
                        2.9, onder a, van de wet zijn centrale begrippen in de wet en hier
                        gedefinieerd omdat de wet hiervoor geen definities geeft.</al><al>De definitie van ‘andere voorziening’ betreft de voorziening als bedoeld in
                        artikel 2.9, onder b, van de wet. Het gaat om voorzieningen op grond van
                        andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg die door
                        jeugdartsen en verpleegkundigen wordt geboden in scholen en
                        consultatiebureaus in het kader van de Wet publieke gezondheid.</al><al>De definities van gesprek en hulpvraag zijn nodig omdat deze begrippen niet
                        zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                        spraakgebruik. In de subregio Dommelvallei+ is het gesprek het mondelinge
                        contact waarin een medewerker van het CMD en / of Plusteam met degene die
                        jeugdhulp vraagt, zijn hulpvraag situatie bespreekt. In de verordening wordt
                        gesproken over het gesprek, maar dat kan ook meerdere gesprekken betreffen.
                        De hulpvraag is in termen van deze verordening, ongeacht of er feitelijk al
                        eerder contact met het gezin is geweest, het contact van jeugdigen en ouders
                        met het college (lees: degene die namens het college optreedt) op basis
                        waarvan zij toegang tot jeugdhulp vragen.</al><al>De definitie van pgb is opgenomen omdat de afkorting pgb in het
                        spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden
                        budget’.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is niet volledig, aangezien de wet al
                        een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
                        Deze wettelijke definities zijn niet allemaal opgenomen in deze Verordening.
                        Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er
                        bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen
                        de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving. </al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent diverse begripsbepalingen die voor
                        deze verordening van belang zijn.</al><al>Onder ‘besluit’ wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een
                        bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. En een
                        ‘beschikking’ is een besluit dat niet van algemene strekking is (en dus op
                        een individueel persoon gericht), met inbegrip van de afwijzing van een
                        aanvraag daarvan. Een beslissing over een individuele voorziening kan dus
                        zowel met het begrip ‘besluit’ als ‘beschikking’ worden aangeduid.</al><al>Verder regelt artikel 7:1 van de Awb dat een belanghebbende eerst bezwaar
                        moet maken (bij het college) alvorens beroep in te stellen (bij de
                        bestuursrechter). Artikel 8:1 vermeldt vervolgens dat een belanghebbende
                        tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Tenslotte is
                        ook vermeldenswaard dat artikel 9.1 van de Awb regelt dat een ieder het
                        recht heeft om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde
                        aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te
                        dienen bij dat bestuursorgaan. Hierbij wordt een gedraging van een persoon,
                        werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, aangemerkt
                        als een gedraging van dat bestuursorgaan.</al><al>Voor de duidelijkheid zijn alle wettelijke definities uit de Jeugdwet in een
                        aparte</al><al>bijlage bij deze toelichting weergegeven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de
                        wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over
                        de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                        (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de onderstaande passage uit de Memorie van
                        Toelichting (MvT) bij artikel 2.9 komt naar voren dat de burger recht heeft
                        op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de
                        gemeente.</al><al>De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene, vrij
                        toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een
                        individuele voorziening heeft betrekking op specialistische jeugdhulp. De
                        gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. De in
                        lid 1 genoemde vormen van voorzieningen zijn vrij toegankelijk. De in lid 2
                        genoemde vormen van voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk.</al><al>Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst
                        beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning
                        daadwerkelijk nodig hebben. Deze niet vrij toegankelijke voorzieningen
                        veronderstellen altijd een verleningsbeslissing op basis van een beoordeling
                        door de gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften van de jeugdige
                        of zijn ouders. De gemeente geeft daartoe een beschikking af met de
                        mogelijkheid van bezwaar en beroep. Daarmee is tevens de rechtsbescherming
                        van de burger gewaarborgd.</al><al>Artikel 2 van deze verordening biedt op hoofdlijnen een zo compleet mogelijk
                        overzicht van het palet aan overige en individuele voorzieningen dat het
                        college ter beschikking stelt. In de beleidsregels worden hiervoor nadere
                        regels gesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Procedure</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp, melding hulpvraag</titel></kop><al>Voor de toeleiding naar een overige voorziening of het verkrijgen van een
                        individuele voorziening geldt de vanaf artikel 3 beschreven procedure.</al><al>Het college is het bevoegde orgaan om jeugdhulp te verlenen op grond van de
                        wet.</al><al>Onderstaande tabel geeft aan voor welke individuele voorzieningen de
                        toeleiding via het PlusTeam loopt en welke individuele voorzieningen door
                        het CMD kunnen worden ingezet. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>PlusTeam</al></entry><entry colname="col2"><al>CMD </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ambulante zorg </al></entry><entry colname="col2"><al>Ambulante zorg </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verblijf deeltijd / daghulp </al></entry><entry colname="col2"><al>Verblijf deeltijd / daghulp </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Diagnostiek </al></entry><entry colname="col2"><al>Diagnostiek </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Begeleiding </al></entry><entry colname="col2"><al>Begeleiding </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Persoonlijke verzorging </al></entry><entry colname="col2"><al>Persoonlijke verzorging </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervoer naar zorg </al></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Vervoer naar zorg </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pleegzorg </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verblijf 24-uurs residentiële of intramurale
                                            behandeling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Jeugdbescherming / Jeugdreclassering (enkel door het
                                            doen van een melding bij de Raad voor de
                                            Kinderbescherming en na uitspraak van een
                                            Kinderrechter). </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De keuze om een aantal individuele voorzieningen enkel door het PlusTeam te
                        laten inzetten is gemaakt omdat er bij deze voorzieningen (pleegzorg,
                        verblijf 24-uurs voorziening en jeugdbescherming / jeugdreclassering) sprake
                        is van meer complexe problematiek, waarbij de expertise van het PlusTeam
                        noodzakelijk is. </al><al>Er kunnen zich drie bijzondere toeleidingssituaties voordoen; deze worden
                        beschreven in lid 1 en 2. </al><al>Lid 1 regelt de wijze waarop het college omgaat met de toegang via de
                        huisarts, medisch specialist en jeugdarts tot de jeugdhulp zoals geregeld in
                        artikel 2.5, eerste lid, onder g, van de wet. De huisarts, medisch
                        specialist of jeugdarts kan een jeugdige of zijn ouders verwijzen naar een
                        individuele voorziening. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de
                        levering van de voorziening, moet een dergelijke verwijzing door de gemeente
                        worden bekrachtigd. Met andere woorden, een huisarts, medisch specialist of
                        jeugdarts kan aangeven dat een individuele voorziening nodig is, maar het is
                        de gemeente die het formele besluit (een verleningsbeschikking als bedoeld
                        in artikel 9) dient te nemen zodat de</al><al>voorziening ook daadwerkelijke beschikbaar is voor de jeugdige of zijn
                        ouders.</al><al>De gemeente zal in beginsel niet treden in het oordeel van de verwijzer. In
                        geval zich een structureel meningsverschil voordoet tussen de gemeente en
                        een verwijzer, kan de gemeente een beroep doen op de expertise van een
                        deskundige.</al><al>Lid 2 is een weergave van artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet
                        en regelt de uitvoering van de verplichting van het college om jeugdhulp in
                        te zetten die nodig wordt geacht in situaties waarbij de uitvoering van
                        jeugdbescherming en jeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal
                        in eerste instantie een beroep moeten worden gedaan op het
                        voorzieningenpakket dat door de gemeente is ingekocht via subsidies dan wel
                        contracten. Maar mocht hierin een leemte bestaan, dan zal het college
                        anderszins in de op haar rustende verplichting moeten voldoen. </al><al>Lid 3 van dit artikel regelt de start van het toegangstraject voor jeugdigen
                        en ouders met een hulpvraag. Lid 3 bepaalt de ontvangst van de melding en
                        bevestiging hiervan.</al><al>De derde bijzondere toeleidingssituatie doet zich voor bij
                        crisissituaties.</al><al>Beschreven wordt welke mogelijkheden het college dan heeft om adequaat te
                        reageren. Het gaat dan om situaties waarbij gesloten jeugdhulp nodig is
                        vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. Volgens art. 6.1.8 van de
                        wet kan het college hiervoor bij de kinderrechter een verzoek indienen voor
                        een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>In lid 1 is bepaald dat zo spoedig mogelijk na de verzameling van gegevens
                        een afspraak voor een gesprek wordt gemaakt. Daaruit is af te leiden dat de
                        gemeente alert moet zijn op onnodige vertraging in de procedure. Weliswaar
                        eist de zorgvuldigheid wel dat eerst de nodige gegevens worden verzameld.
                        Maar het kan bijvoorbeeld ook zo zijn dat nog gegevens tijdens het gesprek
                        worden verzameld. In lid 1 is tevens opgenomen dat het gesprek zo spoedig
                        mogelijk na de voorbereiding van het gesprek dient plaats te vinden. Het
                        hangt af van de situatie hoe snel het gesprek kan of moet plaatsvinden. In
                        principe wordt hierbij het uitgangspunt van 5 werkdagen gehanteerd. </al><al>In lid 1 wordt tevens bepaald dat het college in overleg met de jeugdige of
                        zijn ouders alle voor het gesprek noodzakelijke en toegankelijke gegevens
                        verzamelt. Niet alle gegevens zijn toegankelijke voor de gemeente, denk
                        bijvoorbeeld aan medische gegevens die zijn geregistreerd in dossiers van
                        behandelaars. Het kan dus zijn dat toestemming gevraagd dient te worden om
                        deze gegevens op te vragen. </al><al>Ter voorkoming van onnodige bureaucratie is geregeld dat als de gemeente al
                        gegevens heeft van de jeugdige of zijn ouders, de beschreven verzameling van
                        gegevens achterwege kan blijven. Voorkomen moet worden dat betrokkenen
                        onnodig belast worden met vragen over zaken die al bij de gemeente bekend
                        zijn.</al><al>Als er overigens een acute hulpvraag speelt, dan is in de regel nog wel een
                        gesprek nodig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                        omstandigheden van de specifieke hulpvraag duidelijk zijn. Het ligt daarom
                        voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en ouders hierover
                        wordt gesproken. Hierbij kan ook sprake zijn van meerdere, elkaar opvolgende
                        gesprekken. In het kader van deze verordening worden deze gesprekken
                        beschouwd als onderdelen van een samenhangend geheel, leidend tot één
                        gespreksverslag en/of ondersteuningsplan. De zelfredzaamheidmatrix (ZRM) is
                        een instrument dat bij het gesprek wordt gebruikt om de mate van
                        zelfredzaamheid van hun cliënten eenvoudig en volledig te kunnen
                        beoordelen.</al><al> Zelfredzaamheid is het vermogen om dagelijkse algemene levensverrichtingen
                        zelfstandig te kunnen doen. Deze dagelijkse levensverrichtingen hebben
                        betrekking op verschillende domeinen. Zo moeten in het dagelijks leven
                        verrichtingen uitgevoerd worden om in een inkomen te voorzien, lichamelijk
                        en geestelijk gezond te blijven, of een steunend sociaal netwerk te
                        onderhouden. Levensverrichtingen betreffen ook het zelf organiseren van de
                        juiste hulp op het moment dat een behoefte ontstaat waarin de persoon niet
                        kan voorzien. Bijvoorbeeld (tijdig) naar de huisarts gaan bij lichamelijke
                        ziekte, of (professioneel) advies vragen bij het invullen van de
                        belastingaangifte. De mate van zelfredzaamheid is daarom een uitkomst van
                        persoonskenmerken zoals vaardigheden, persoonlijkheid en motivatie en
                        omgevingskenmerken zoals cultuur, economie en infrastructuur, die een
                        persoon in meer of mindere mate in staat stellen om (zelf) in basale
                        levensbehoeften te voorzien. De Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) heeft elf
                        domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld. Deze domeinen
                        hangen natuurlijk sterk met elkaar samen, ze hebben immers allen betrekking
                        op het dagelijks leven, maar zijn zo gedefinieerd dat ze elkaar niet of
                        nauwelijks overlappen. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën, Dagbesteding,
                        Huisvesting, Huiselijke relaties, Geestelijke gezondheid, Lichamelijke
                        gezondheid, Verslaving, Activiteiten Dagelijks Leven, Sociaal netwerk,
                        Maatschappelijke participatie, en Justitie. Dit zijn de noodzakelijke en
                        niet-overbodige gebieden die in iedere volwassen persoon (in de Nederlandse
                        samenleving) bepalend zijn voor de effectiviteit, productiviteit en
                        kwaliteit van leven.</al><al>In lid 1 bij de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het
                        gesprek weergegeven.</al><al>Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente
                        bekend is, zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                        worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                        ontwikkelingen zijn.</al><al>Komt een jeugdige of een ouder voor het eerst bij de gemeente, dan zal het
                        gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te
                        krijgen. </al><al>In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld
                        overeenkomstig het uitgangspunt van de wet dat de verantwoordelijkheid voor
                        het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de
                        jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn
                        om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders en
                        die van de naaste omgeving te versterken.</al><al>In het kader van privacywetgeving is het essentieel dat jeugdigen en ouders
                        over deze verwerking van gegevens goed worden geïnformeerd, zodat zij weten
                        hoe en bij wie zij desgewenst hun privacyrechten kunnen uitoefenen. Hierover
                        zal meteen bij het eerste contact over de hulpvraag duidelijkheid aan de
                        cliënt moeten worden geboden. Dit staat omschreven in lid 2.</al><al>Tot slot is in lid 3 de mogelijkheid opgenomen om in overleg met jeugdige of
                        zijn ouders af te zien van een gesprek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Gespreksverslag of ondersteuningsplan</titel></kop><al>In lid 1 wordt de schriftelijke verslaglegging van het vooronderzoek
                        geregeld. In principe wordt het uitgangspunt van 5 werkdagen gehanteerd voor
                        het ontvangen van het verslag door de jeugdige of zijn ouders.</al><al>Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het
                        herstellen van feitelijke onjuistheden wordt geregeld in lid 1 van dit
                        artikel.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Afweging en voorwaarden individuele voorziening</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toekenning individuele voorzieningen via een beschikking op basis van
                            een ondersteuningsplan</titel></kop><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college
                        hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen, inclusief het pgb.
                        Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het
                        al of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige of andere
                        voorziening, goed te beoordelen. Dit is vastgelegd in lid 1. De afweging die
                        hier wordt gemaakt staat in het ondersteuningsplan.</al><al>Lid 2 heeft betrekking op de situatie dat een verwijzing op grond van
                        artikel 3, tweede lid die door het college moet worden uitgevoerd, aan de
                        orde is. Er dient dan een schriftelijke toekenning van een individuele
                        voorziening plaats te vinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Regels pgb</titel></kop><al>In het eerste lid van dit artikel zijn specifieke bepalingen over het pgb
                        opgenomen.</al><al>Hierin is aangesloten op artikel 8.1.1 van de wet, dat voor het pgb is
                        aangepast aan de verwante regelgeving met betrekking tot de maatschappelijke
                        ondersteuning als geregeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). </al><al>Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet beeld van
                        rechten en plichten van de jeugdige of ouders te geven. In het eerste lid is
                        verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de wet een pgb kan
                        verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan
                        zelfs van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de
                        tekst van artikel 8.1.1, eerste lid: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit
                        wensen …”). </al><al>Bij amendement Bisschop en Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr.
                        100) is het tweede lid zo aangepast dat duidelijk is geworden dat jeugdigen
                        of hun ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen
                        gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst
                        adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura. Het
                        college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan
                        deze door het college te bieden individuele voorziening in natura. </al><al>In de wet staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke
                        wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. </al><al>Het bepaalde in lid 3 is uitgewerkt in de beleidsregels behorende bij deze
                        verordening.</al><al>In lid 4 wordt de mogelijkheid genoemd van artikel 8.1.1, vierde lid, van de
                        wet om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie
                        een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van
                        een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al><al>Deze voorwaarden strekken er onder andere toe om te verhinderen dat een pgb
                        wordt verstrekt aan een jeugdige die hier onder druk van mensen in zijn
                        omgeving om heeft verzocht en bij wie een werkelijke hulpbehoefte niet
                        aantoonbaar is of bij wie de hulpvraag ondergeschikt is aan financieel
                        gewin. Dit wordt uitgewerkt in de beleidsregels behorende bij deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of</titel></kop><al><vet> terugvordering</vet></al><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij Nota van Wijziging (NvW)
                        ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de
                        wet. Hierbij is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt
                        voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                        voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. De
                        bepaling beoogt het standaardiseren van de regelgeving met betrekking tot de
                        aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke
                        ondersteuning. In de toelichting op de NvW is voorts vermeld <cursief>dat
                            het immers tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik
                            van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden
                            tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of pgb’s. Een
                            zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het
                            draagvlak daarvan.</cursief></al><al>Lid 1 van deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de
                        wet. De bepaling in lid 2 is geënt op artikel 8.1.4 van de wet en is in de
                        verordening opgenomen op grond van de verplichting van artikel 2.9, onder d,
                        van de wet. Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4
                        uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. Lid 3 en lid 4 hebben
                        betrekking op respectievelijk de terugvordering van de geldswaarde van een
                        ten onrechte genoten individuele voorziening en de mogelijkheid van
                        intrekking van een besluit tot verlening van een pgb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                            kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                        vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                        aanbieders laten verrichten. Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien
                        van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt,
                        moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede
                        verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering
                        van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die
                        worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet).
                        Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van
                        de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                        uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee
                        het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient
                        te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                        kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten
                        uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                        arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                        minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden
                        die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun
                        werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning</titel></kop><al>In artikel 2.5, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                        ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een
                        beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon
                        wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de
                        jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn
                        belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van
                        deze functie. </al><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                        verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de
                        verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een
                        compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>De gemeente is reeds op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                        behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over
                        gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar
                        verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb wordt verder
                        een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling gegeven. De bestaande
                        gemeentebrede verordening waarnaar in dit artikel wordt verwezen, vormt een
                        uitwerking van genoemde bepalingen in de Awb.</al><al>De klachtmogelijkheid tegenover de hulpaanbieders is al geregeld in artikel
                        4.2.1 van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Privacy</titel></kop><al>In het kader van privacywetgeving is het essentieel dat jeugdigen en ouders
                        over de verwerking van gegevens goed worden geïnformeerd, zodat zij weten
                        hoe en bij wie zij desgewenst hun privacyrechten kunnen uitoefenen. Hierover
                        zal meteen bij het eerste contact over de hulpvraag duidelijkheid aan de
                        cliënt moeten worden geboden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Cliëntenparticipatie</titel></kop><al>De gemeente zorgt voor een passende vorm van cliëntenparticipatie. Een van
                        de vormen hiervan is bijvoorbeeld het veranderlab Jeugd. </al><al>Daarnaast is er een regionale aanpak cliëntenparticipatie. Zorgbelang zal in
                        dit kader een aantal bijeenkomsten organiseren, waarbij ouders, bestuurders
                        en jeugdigen worden betrokken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>In artikel 15 wordt omschreven dat het gevoerde beleid en de verordening na
                        afloop van het beleidstermijn worden geëvalueerd. Het beleidsplan jeugd is
                        vastgesteld voor de jaren 2015 en 2016.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument
                        voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>De citeertitel geeft aan onder welke benaming deze verordening kan worden
                        aangehaald. Het vermelde jaartal geeft het jaar van vaststelling aan, niet
                        de geldingsduur. Deze is in beginsel onbeperkt vanaf de datum van
                        inwerkingtreding.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>