<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR41692_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena 14 juli 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.844.15</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 27
                        april 2010;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid Wet
                        Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen
                        werknemers, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20,
                        eerste lid Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is te regelen de wijze waarop de IOAW en
                        IOAZ uitkering worden verlaagd bij wijze van sanctie bij verordening te
                        regelen;</al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de: </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Maatregelverordening IOAW en IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>Uitkering: de uitkering op grond van de IOAW of de
                                            IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>Maatregel: het verlagen van de uitkering op grond van
                                            artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid
                                            IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                                            weigeren van een uitkering op grond van artikel 20,
                                            eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid en derde lid
                                            van de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>Grondslag: de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de
                                            IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Landerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt onder belanghebbende mede verstaan: de
                                    echtgenoot</al></li></lijst><al> in de betekenis van artikel 3 van de IOAW en artikel 3 van de IOAZ</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode voorafgaand aan de aanvraag van een
                                            uitkering op grond</al></li></lijst></li></lijst><al> van de IOAZ of nadien zich onvoldoende heeft ingezet voor de
                            voorziening </al><al> in het bestaan,</al><al>b.de verplichtingen als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de IOAW
                            of</al><al> artikel 20, eerste lid van de IOAZ niet of niet voldoende nakomt,
                            waaronder </al><al> begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, of</al><al>c.uit of in verband met arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
                            artikel</al><al> 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven in </al><al> de gevallen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de IOAW, of artikel
                            20 , </al><al> tweede en derde lid, van de IOAZ,</al><al> wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                                maatregel een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag
                            waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een
                                        gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                        artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan <cursief>één jaar </cursief>vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                        ten onrechte een uitkering is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van <cursief>vijf jaren </cursief>nadat de
                                        betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 4, eerste lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><cursief>1.</cursief><cursief> Eerste categorie:</cursief></al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie.</al><al><cursief>2.</cursief><cursief> Tweede categorie:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst><al><cursief>3. </cursief><cursief> Derde categorie</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder
                                    begrepen sociale activering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de grondslag bij gedragingen van de eerste
                                        categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de grondslag bij gedragingen van de
                                        tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de grondslag bij gedragingen van de
                                        derde categorie.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde</titel></kop><structuurtekst><al><vet>arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid
                            te</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college, met in
                                achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ, blijvend een
                                maatregel op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen
                                uit of in verband met arbeid is verloren en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                verloren netto inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college blijvend
                                een maatregel op indien de belanghebbende een uitkering
                                ontvangt op basis van de IOAW en hij weigert hem aangeboden algemeen
                                geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet
                                verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel
                                op van vijf procent van de grondslag, indien belanghebbende de
                                verplichting op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ niet is nagekomen
                                door informatie die van belang is voor de verlening van de uitkering
                                of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe
                                gestelde termijn te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of
                                tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de
                                maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingbedrag tot € 2000,-: <cursief>10%
                                        </cursief>van de grondslag;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                            <cursief>20% </cursief>van de grondslag;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingbedrag van € 4000,- tot € 8000,-:
                                            <cursief>40% </cursief>van de grondslag;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingbedrag van € 8000,- of meer: <cursief>100%
                                        </cursief>van de grondslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld
                                        en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat
                                        het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende
                                        heeft getroffen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel
                                op van vijf procent van de grondslag, indien het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13
                                IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag verstrekken van een uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4, eerste lid, legt het college een maatregel
                                op van veertig procent van de grondslag, indien belanghebbende zich
                                zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren,
                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4, derde lid bedraagt de maatregel 100% van
                                de grondslag, indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel als bedoeld in het eerste lid, is
                                opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om af te zien van het opleggen van een
                                maatregel op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6,
                                tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking met ingang van de
                            inwerkingtreding van artikel 35, eerste lid van de IOAW en artikel 35,
                            eerste lid van de IOAZ, zoals deze artikelen komen te luiden als gevolg
                            van de inwerkingtreding van de wet Bundeling van uitkeringen
                            inkomensvoorzieningen aan gemeenten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening IOAW en
                            IOAZ.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Landerd</ondertekening><ondertekening>van 1 juli 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de
                    inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een
                    grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering
                    van de</al><al>IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz2004.</al><al>De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een
                    financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25%
                    drukte op het gemeentelijke budget; </al><al>Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’
                    gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de
                    bijstandsverstrekking op grond van de WWB.</al><al>Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen
                    ook meer financieel risico.</al><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen.</al><al>De voorliggende verordening voorziet daarbij in het afstemmingsbeleid voor de
                    IOAW en IOAZ. Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen,
                    alsmede de nog bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te
                    vervallen. Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om
                    per 1 juli 2010 in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.</al><al>In deze verordening is er daarbij voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en
                    IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. Daarbij zij opgemerkt dat in afwijking van de WWB, de IOAW en
                    IOAZ in een aantal situaties de mogelijkheid creëren om de uitkering blijvend te
                    weigeren. </al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Artikel 1</al><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al><cursief>Onder d. maatregel</cursief></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                    weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit
                    houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit
                    vlak.</al><al><cursief>Onder e. grondslag</cursief></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de
                    IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat
                    verwijst naar een netto norm.</al><al>Artikel 2</al><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20,
                    tweede lid IOAW.</al><al>Artikel 3</al><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de grondslag.</al><al>Artikel 4</al><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 maand. Door de duur
                    van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen dat
                    overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven dat
                    deze voor 1 maand wordt opgelegd. Het derde lid maakt hier een algemene</al><al>uitzondering op, door bij recidive de duur te verdubbelen.</al><al>Artikel 5 tot en met 9</al><al>Deze artikelen zijn identiek aan hetgeen hierover in de afstemmingsverordening
                    is opgenomen.</al><al>Artikel 10</al><al>Ten opzichte van de WWB-afstemmingsverordening zijn in deze bepaling geen
                    gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                    door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                    verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                    mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende weigering van de uitkering. De
                    sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart hoofdstuk
                    opgenomen.</al><al>Artikel 11</al><al>In het tweede lid is uitwerking gegeven aan de binnen de IOAW geboden
                    mogelijkheid om ook bij het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid de uitkering (gedeeltelijk) te weigeren.</al><al>Bij volledige weigering, kan de belanghebbende in wezen per direct aankloppen
                    voor een aanvulling in het kader van de WWB. Binnen het kader van de WWB zal dan
                    moeten worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op WWB (in afwijking van
                    de IOAW en IOAZ kent de WWB een beperkte vermogensvrijlating en een ruimer
                    inkomensbegrip) en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook binnen de</al><al>WWB tot een verlaging zou hebben geleid.</al><al>Artikel 12 en 13</al><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                    uitkering (geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt.</al><al>Artikel 14 tot en met 17</al><al>Deze bepalingen zijn identiek aan de bepalingen binnen de
                    WIJ-afstemmingverordening. Hier is gekozen voor overname van de bepalingen in de
                    WIJ-afstemmingverordening nu deze ten opzichte van de bepalingen in de</al><al>WWB-afstemmingsverordening beter zijn uitgewerkt als het gaat om de afstemming
                    bij zeer ernstige misdragingen.</al><al>In artikel 15 zijn daarbij de benadelingbedragen aangepast nu eerst bij een
                    benadelingbedrag van € 12.000,00 of meer een melding naar het OM dient te gaan. </al><al>Artikel 18</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Bij inwerkingtreding na 1 juli 2010 is vanwege
                    het sanctiekarakter van deze regelgeving geen terugwerkende kracht
                    mogelijk.</al><al>Artikel 19</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>