<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR41690_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer, 16-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Agendapunt 19 raadsvergadering, 08-12-2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit nr. 19</al><al>Betreft: Wet Stimulering Arbeidsparticipatie (Wet STAP)-
                        Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        november jl.; </al><al/><al>overwegende dat de gemeenteraad een re-integratieverordening dient vast te
                        stellen;</al><al/><al>gelet op de bepalingen van de Gemeentewet, artikel 8 van de Wet werk en
                        bijstand en de Algemene</al><al>wet bestuursrecht;</al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al/><al>De “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Tynaarlo” vast te
                        stellen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>De wet</cursief>: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al><cursief>IOAW</cursief>: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze Werknemers;</al><al/><al>c.<cursief> IOAZ</cursief>: Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al><cursief>Uitkeringsgerechtigde</cursief>: degene die een
                                    periodiek uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van
                                    de wet, de IOAW of de IOAZ; </al></li><li nr="e."><al><cursief>Anw-ers</cursief>: personen met een uitkering volgens
                                    de Algemene nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen (CWI);</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al><cursief>Nugger</cursief>: een persoon als bedoeld in artikel 6
                                    onder a. van de wet, maar ouder dan 18 jaar;</al></li><li nr="g."><al><cursief>Awb</cursief>: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Belanghebbende</cursief>: een persoon die behoort tot
                                    de doelgroep en die aanspraak maakt op ondersteuning of aan wie
                                    de ondersteuning wordt geboden;</al></li><li nr="i."><al><cursief>Voorzieningen</cursief>: voorzieningen bedoeld in
                                    artikel 7 eerste lid onder a van de wet, deze verordening en het
                                    beleidsplan als bedoeld in artikel 3, eerste lid van deze
                                    Verordening;</al></li></lijst><lijst><li nr="j."><al><cursief>Het college</cursief>: het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Tynaarlo; </al></li><li nr="k."><al><cursief>De raad</cursief>: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Tynaarlo;</al></li><li nr="l."><al><cursief>Arbeidsinschakeling</cursief>: het verkrijgen van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, lid 1,
                                    onder a van de wet;</al><al/><al>m.<cursief> Algemeen geaccepteerde arbeid</cursief>: alle
                                    arbeid, zonder beperkende voorwaarden qua aard en omvang van het
                                    werk en aansluiting op opleiding en ervaring, met uitzondering
                                    van illegale arbeid en arbeid tegen een lager loon dan het
                                    wettelijk minimum en rekening houdend met gewetensbezwaren
                                    zodanig dat deze strikt persoonlijke omstandigheden zwaarwegend
                                    zijn en een onvermijdelijk conflict opleveren met het te
                                    verrichten werk;</al></li></lijst><lijst><li nr="n."><al><cursief>Gesubsidieerde arbeid</cursief>: werk, waarbij de
                                    werknemer over het algemeen wel in staat is om productieve
                                    arbeid te verrichten, maar waarbij een verschil bestaat tussen
                                    de loonkosten van de werkgever en de mate waarin een gemiddelde
                                    werknemer deze productieve arbeid verricht;</al></li><li nr="o."><al><cursief>Werknemers in gesubsidieerde arbeid</cursief>:
                                    werknemers als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de
                                    wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BELEID EN FINANCIEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan bijstandsgerechtigden tot 65 jaar, personen
                                met een nabestaanden- of halfwezenuitkering, niet-
                                uitkeringsgerechtigden, alsmede aan personen als bedoeld in artikel
                                10, tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                                en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening
                                gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40, 1e lid van de wet is
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze voor de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging
                                gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de
                                voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                belanghebbende het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in
                                de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor voldoende aanbod aan ondersteuning en
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><al>1. De gemeenteraad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                            beleidsplan vast, waarin beleidsprioriteiten worden aangegeven, alsmede
                            de hoogte en wijze van financiering. Dit plan omvat in elk geval: </al><lijst><li nr="·"><al>Een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende
                                    doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen,
                                    waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen;
                                </al></li><li nr="·"><al>De wijze waarop de aanbesteding wordt vorm gegeven;</al></li><li nr="·"><al>De criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de
                                    arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt
                                    besteed aan de combinatie van arbeid en zorg; </al></li><li nr="."><al>Het flankerend beleid ten aanzien van zorg en
                                    hulpverlening.</al><al/></li></lijst><al>2. Het college zendt éénmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag
                            over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. Dit verslag
                            wordt vorm gegeven conform het verslag als bedoeld in artikel 77 van de
                            wet.</al><al/><al>3. Het beleidsplan als bedoeld in het eerste lid, alsmede het verslag
                            als bedoeld in het tweede lid bevat het oordeel van de
                            cliëntenraad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><al>De subsidieverlening op grond van deze verordening vindt plaats met
                            inachtneming van afdeling 4.2.3 van de Awb en de Algemene
                            subsidieverordening van de gemeente Tynaarlo.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers, alsmede personen als
                                bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op
                                ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk geachte voorzieningen gericht op
                                arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en het in artikel 3 lid 1 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een uitkeringsgerechtigde die door het college een voorziening
                                    wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></li><li nr="2."><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                                    verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur
                                    Uitvoering Werk en Inkomen (Wet SUWI), alsmede aan de
                                    verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                                    heeft verbonden.</al></li><li nr="3."><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                                    voorziening niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid kan
                                    het college een maatregel opleggen conform hetgeen hierover is
                                    bepaald in de afstemmingsverordening.</al></li><li nr="4."><al>Indien de persoon die gebruik maakt van een voorziening niet
                                    voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de
                                    kosten van die voorziening dan wel de subsidie geheel of
                                    gedeeltelijk terugvorderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meerdere subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het beleidsplan, als bedoeld in artikel 3, wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden, alsmede de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet, aan de voorziening nadere verplichtingen verbinden.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 5 lid 2 van deze
                                        verordening niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>Indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>Indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;
                                    </al></li><li nr="d."><al>Indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in de
                                artikelen 9 tot en met 16 nadere regels stellen. Deze regels kunnen
                                betrekking hebben op :</al><lijst><li nr="a."><al>De voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen.</al></li><li nr="c."><al>De intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        –vaststelling.</al></li><li nr="d."><al>De aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
                                        premies.</al></li><li nr="e."><al>De betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten.</al></li><li nr="f."><al>Het vragen van een eigen bijdrage.</al></li><li nr="g."><al>Overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>INSTRUMENTEN VOOR REÏNTEGRATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Werkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
                                een werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring, met behoud
                                van uitkering, dan wel het leren functioneren in een
                                arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze werkstage duurt maximaal <vet>6</vet> maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt op de
                                reguliere arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Werkervaringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
                                een werkervaringsbaan aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de persoon als bedoeld in het eerste lid, kan de
                                werkervaringsbaan ook worden aangeboden aan de persoon die in het
                                kader van de WIW, dan wel het ID- besluit een dienstverband
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van de werkervaringsbaan is uitstroom naar een reguliere
                                baan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De werkervaringsbaan duurt maximaal 1 jaar en kan in bijzondere
                                gevallen met maximaal één jaar worden verlengd. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkervaringsbaan, alsmede de wijze waarop de
                                begeleiding plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels met betrekking tot de
                                overgangsregeling van de ID- werknemers en WIW- werknemers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatiebanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
                                een participatiebaan aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de participatiebaan is de deelname aan het
                                maatschappelijk leven en kan als eerste opstap naar reguliere arbeid
                                dienen. De participatiebaan wordt met behoud van uitkering
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De participatiebaan duurt maximaal twee jaar en bedraagt niet meer
                                dan 20 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De participatiebaan kan in bijzondere gevallen met twee jaar worden
                                verlengd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De participatiebaan wordt vastgelegd in een trajectplan waarin ten
                                minste het doel van de participatiebaan, de wijze waarop de
                                begeleiding plaatsvindt en de nadere specifieke afspraken worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Leerbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
                                tot 27 jaar een leerbaan aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de leerbaan is uitstroom naar een reguliere baan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leerbaan wordt vastgelegd in een trajectplan waarin ten minste de
                                wijze waarop de begeleiding plaatsvindt en de nadere specifieke
                                afspraken worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Instapbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
                                tot 27 jaar een instapbaan aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een instapbaan is het opdoen van werkervaring gedurende
                                minimaal 6 <cursief>en maximaal 12</cursief> maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de werkgever kan een tegemoetkoming in de loonkosten worden
                                verstrekt, gedurende de duur van het arbeidscontract.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instapbaan wordt vastgelegd in een trajectplan waarin ten minste
                                de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt en de nadere specifieke
                                afspraken worden vastgesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Jongeren Ontwikkelings- en ervaringsplaats (JOP)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1, onderdeel c,
                                tot 27 jaar een Jongeren Ontwikkelings- en
                                ervaringsplaatsaanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de Jongeren Ontwikkelings- en ervaringsplaats is het
                                opdoen van aanvullende kennis en ervaring middels een boventallige
                                werkstage, met behoud van uitkering, van maximaal 3 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Jongeren ontwikkelings- en ervaringsplaats wordt vastgelegd in
                                een trajectplan waarin ten minste de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt en de nadere specifieke afspraken worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Direct aan het Werk</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan aan de personen, bedoeld in artikel 1,
                                        onderdeel c, een werktraject krachtens het project Direct
                                        aan het werk aanbieden.</al></li><li nr="2"><al>Het doel van het project Direct aan het Werk is het
                                        aanbieden van een werktraject aan personen zonder
                                        beperkingen, met uitstroompotentie maar met een hoog
                                        fraudeprofiel en blijkgevend om geen medewerking te verlenen
                                        aan traject richting uitstroom. </al></li><li nr="3"><al>Direct aan het Werk voorziet met behoud van uitkering voor
                                        drie maanden in een realistische werkomgeving bij Alescon.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de belanghebbende activiteiten aanbieden in het
                                kader van sociale activering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De activiteiten worden met behoud van uitkering
                                    verricht<cursief>.</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Sociale activering kan een onderdeel zijn van een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling of, als dat vooralsnog niet mogelijk is,
                                zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Sociale activering heeft als doel de uitkeringsgerechtigde, met
                                behoud van uitkering, werkritme op te laten doen en/of te
                                behouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Sociale activering wordt alleen verricht bij organisaties zonder
                                winstoogmerk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door burgemeester en
                                wethouders aan de hand van een onderzoek is vastgesteld dat de
                                uitkeringsgerechtigde geen perspectief of pas op (middel)lange
                                termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk en dat inzet
                                van de voorziening wenselijk is. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het doel van de sociale activering wordt vastgelegd in een
                                trajectplan waarin ten minste de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt en de nadere specifieke afspraken worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>a Premie additionele werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt aan uitkeringsgerechtigden die onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verrichten conform artikel 10a, zesde lid
                                van de wet een premie van telkens € 200,00.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid komen ook personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid van de wet voor een premie in aanmerking indien
                                zij aan alle voorwaarden voldoen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de
                                onbeloonde additionele werkzaamheden door het college bekeken in
                                hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de
                                kans op inschakeling in het arbeidsproces.</al><al> Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="a."><al>Het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende
                                        de additionele werkzaamheden uitvoert; </al></li><li nr="b."><al>De scholingswens van de belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>b</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de belanghebbende 18 maanden of meer
                                                additionele werkzaamheden heeft verricht kan, van
                                                degene in opdracht van wie hij deze werkzaamheden
                                                uitvoert, een halfjaarlijkse bijdrage verlangt
                                                worden.</al></li><li nr="2."><al>De bijdrage bedraagt een percentage van de in
                                                artikel 16a bedoelde premie.</al></li><li nr="3."><al>De bijdrage wordt enkel verlangd voor zover aan de
                                                belanghebbende de premie bedoeld in artikel 16a is
                                                uitgekeerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan personen, als bedoeld in artikel
                                                1 lid c, d en e, een vorm van scholing aanbieden
                                                gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan
                                                aangeboden worden in de vorm van een subsidie. </al></li><li nr="3."><al>In beginsel wordt scholing altijd gecombineerd met
                                                een werkstage of een werkervaringbaan.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten
                                                aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de
                                                duur en de maximale kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde met een grote
                                        afstand tot de arbeidsmarkt, die inkomsten uit arbeid geniet
                                        waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan
                                        de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm,
                                        gedurende 6 aaneengesloten maanden een vrijlating toekennen
                                        als bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van de
                                        wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Loonkostensubsidies gericht op werkervaringsbanen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers
                                                die met een persoon bedoeld in artikel 1 lid
                                                c,een arbeidsovereenkomst sluiten gericht
                                                op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten
                                                aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en
                                                de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                                verbonden. </al></li><li nr="3."><al>Minimaal eenmaal per jaar wordt in overleg met de
                                                werknemer en de werkgever bezien welke mogelijkheden
                                                er voor de werknemer zijn voor arbeidsinschakeling.
                                            </al></li><li nr="4."><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor
                                                de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord
                                                worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt
                                                ten opzichte van reguliere arbeid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Weigeren loonkostensubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidie kan worden geweigerd indien de werkgever
                                                voor de arbeidskosten van de werknemer een andere
                                                subsidie of vergoeding ontvangt.</al></li><li nr="2."><al>Indien de subsidie niet of in onvoldoende mate
                                                besteed wordt voor het doel waarvoor zij is
                                                verleend.</al></li><li nr="3."><al>De subsidie wordt geweigerd indien naar het oordeel
                                                van het college door de subsidieverlening de
                                                concurrentie verhoudingen verstoord worden, dan wel
                                                de subsidieverlening leidt tot het verdringen van
                                                reguliere arbeid.</al></li><li nr="4."><al>De subsidie wordt geweigerd indien het vastgestelde
                                                subsidieplafond is bereikt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERGOEDINGEN EN TERUGVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een deelnemer van een arbeidsmarktgerichte
                                    re-integratieactiviteit een bijdrage verstrekken in de directe
                                    kosten die hiervoor moeten worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels vast over het toekennen van de
                                    in lid 1 bedoelde vergoedingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Terugvordering en verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een persoon die deelneemt aan of heeft deelgenomen aan een
                                voorziening, zijn verplichtingen, als bedoeld in artikel 5 niet
                                nakomt of niet is nagekomen, kan het college de door hem in het
                                kader van die voorziening ten behoeve van deze persoon gemaakte
                                kosten terugvorderen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een uitkeringsgerechtigde kan daarnaast de bijstand worden
                                afgestemd conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                Afstemmingsverordening WWB, dan wel artikel 20 van de IOAW of IOAZ.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeerwijze en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                    “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente
                                    Tynaarlo”.</al></li><li nr="2."><al>Deze gewijzigde verordening treedt in werking op 1 januari
                                    2009.</al></li><li nr="3."><al>De Re-integratieverordening gemeente Tynaarlo vastgesteld op 26
                                    oktober 2004 wordt ingetrokken.</al><al/><al>Vries, 8 december 2009</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>F.A. van Zuilen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting op de RE-INTEGRATIEVERORDENING GEMEENTE
                                TYNAARLO / WET STIMULERING ARBEIDSPARTICIPATIE</vet></al><al/><al>Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft het college van
                            burgemeester en wethouders de opdracht om te zorgen voor re-integratie
                            van bijstandsgerechtigden, nuggers en Anw-ers. De WWB draagt de
                            gemeenteraad op om een verordening vast te stellen waarin het beleid van
                            de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd.
                            Tevens wordt hierin de aanspraak van burgers op ondersteuning bij
                            re-integratie geregeld. In de IOAW en de IOAZ zijn gelijkluidende
                            bepalingen opgenomen. In de aanhef zijn de betreffende bepalingen van de
                            IOAW en de IOAZ genoemd zodat deze verordening ook op deze groep van
                            toepassing is. Per 1 januari 2009 is de Wet Stimulering
                            Arbeidsparticipatie (Wet STAP) van kracht. Op grond hiervan heeft de
                            gemeenteraad de verplichting om bij verordening voorzieningen te treffen
                            voor scholing, activeringspremies en loonkostensubsidies. In de
                            re-integratieverordening zoals van kracht met ingang van 1 januari 2005
                            stonden in hoofdstuk 4 al bepalingen over scholing en
                            loonkostensubsidies. De invoering van de wet STAP heeft nu dan ook
                            alleen nog geleidt tot een aanpassing in verband met de invoering van
                            premies voor additionele werkzaamheden en de mogelijke rol van de
                            werkgever daarin, <cursief>(artikel </cursief><cursief>16
                                a</cursief><cursief> en b).</cursief></al><al>Duidelijk is dat met de invoering van de WWB het accent is komen te
                            liggen op de arbeidsinschakeling en re-integratie van
                            uitkeringsgerechtigden, met andere woorden “werk voor inkomen”. De
                            belanghebbende is hier zelf verantwoordelijk voor en is te zien als een
                            werkzoekende. Lukt dit om bepaalde redenen niet zelf, dan kan hij
                            ondersteuning vragen. </al><al>De klant kan aanspraak maken op ondersteuning. Dat wil echter niet
                            zeggen dat hij de ondersteuning ontvangt die hij het meest wenselijk
                            acht. Er wordt een individuele beoordeling gemaakt welke ondersteuning
                            het meeste bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. De klant is hier
                            verplicht aan deel te nemen. Als deze verplichting in onvoldoende mate
                            wordt nagekomen, kan een maatregel worden opgelegd op grond van de
                            Maatregelenverordening </al><al>De WWB en de Wet STAP vragen de gemeenteraad om het re-integratiebeleid
                            in een (re-integratie-) verordening vast te leggen. De gemeenten zijn
                            zelf verantwoordelijk voor het ontwikkelen van
                            re-integratie-instrumenten (voorziening in de terminologie van de WWB).
                            De markt op dit terrein is sterk in beweging en voorzieningen worden
                            verder ontwikkeld. Van belang is dat effectief ingespeeld wordt op deze
                            ontwikkelingen. Deze verordening is dan ook niet uitputtend, maar deels
                            kaderstellend. Via een door de raad vast te stellen beleidsplan en de
                            jaarlijkse verantwoording hierover door het college, kan adequaat worden
                            ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen. Verder is het van belang dat er bij
                            re-integratie maatwerk wordt geleverd. Om hier goed op in te kunnen
                            spelen is er voor gekozen het college de bevoegdheid te geven om binnen
                            het door deze verordening aangegeven kader nadere beleids- en
                            uitvoeringsregels vast te kunnen stellen. </al><al/><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen van de
                            WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan
                            artikel 7 van de WWB. Hoewel belanghebbende aanspraak kunnen maken op
                            ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de
                            manier zoals de belanghebbende dat het liefst zou zien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><al>Het door de gemeente vorm te geven re-integratiebeleid is nieuw en in
                            ontwikkeling. Dit betekent dat niet vaststaat op welke wijze
                            voorzieningen en instrumenten het meest effectief ingezet kunnen worden.
                            Zoals ook in de algemene toelichting is vermeld, is mede daarom gekozen
                            voor de systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook
                            gebruik te maken van beleidsplannen en uitvoeringsregels. Het beleidspan
                            geeft het kader aan waarbinnen het college dient te handelen. Het plan
                            wordt periodiek opnieuw vastgesteld en geldt voor een termijn van
                            maximaal 4 jaar. </al><al>Omdat het re-integratiebeleid nog in ontwikkeling is, is ervoor gekozen
                            om niet uitputtend vast te leggen welke onderwerpen in het
                            re-integratieplan opgenomen moeten worden.</al><al>Het tweede lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. Het
                            college doet jaarlijks verslag over de uitvoering van het
                            re-integratieplan en aan de hand van dit verslag kan het plan worden
                            bijgesteld. Hierdoor kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen. </al><al>In het derde lid wordt de participatie van de cliëntenraad betrokken bij
                            het verslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieverlening</titel></kop><al>Door de verwijzing in dit artikel naar de betreffende bepalingen uit de
                            Algemene wet bestuursrecht en de Algemene subsidieverordening, hoeft in
                            deze verordening niet uitvoerig in te gaan op de wijze van
                            subsidieverlening en de algemene voorwaarden die er aan gesteld
                            worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>De belanghebbende kan aanspraak maken op voorzieningen. Het college
                            bepaalt echter of, en zo ja welke voorziening wordt aangeboden. Dit
                            wordt aan de belanghebbende bij besluit meegedeeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><al>Indien is vastgesteld welke voorziening het meeste bijdraagt aan zijn
                            arbeidsinschakeling c.q. re-integratie, is de belanghebbende verplicht
                            deze te accepteren. In die zin wordt deelname aan een voorziening,
                            gelijk gesteld met het aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Subsidie- en budgetplafonds</titel></kop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling
                            maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput
                            zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen
                            voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken dient in de
                            verordening te worden opgenomen dat het mogelijk is subsidie- en
                            budgetplafonds in te stellen.</al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden
                            kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te
                            gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit
                            houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel
                            kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de
                            mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken. Het
                            college heeft de bevoegdheid om plafonds in te stellen. De vastgestelde
                            plafonds moeten binnen het in het re-integratieplan vastgestelde kader
                            blijven.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in
                            het kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor
                            voorzieningen die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel
                            bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27
                            lid 1 Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe
                            enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook
                            die voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen.
                            Het eerste lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende
                            opsomming van voorzieningen bevat.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening
                            nadere verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van
                            diverse aard zijn. Zo kan bepaald worden dat met de belanghebbende
                            gedurende het traject op gezette tijden de voortgang wordt besproken. </al><al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                            en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                            ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. </al><al>Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
                            voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om
                            bij subsidieverstrekking de uitvoering zo veel mogelijk aan het college
                            over te laten. De bepaling over het vragen van een eigen bijdrage heeft
                            betrekking op de doelgroep Nuggers. Immers van deze groep is het niet
                            vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen
                            van een eigen bijdrage, eventueel gerelateerd aan de hoogte van het
                            inkomen, kan dan op zijn plaats zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Werkstages</titel></kop><al>De werkstage wordt ingezet om personen uit het kansrijke bestand actief
                            te houden en werkervaring en arbeidsritme niet verloren te laten gaan.
                            De werkstage vindt plaats met behoud van uitkering en duurt ten hoogste
                            6 maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Werkervaringsbanen of re-integratiebanen</titel></kop><al>De werkervaringsbaan is onderdeel van het traject om uitstroom te
                            realiseren. Het gaat om een combinatie van loonkostensubsidies en
                            jobcoaching om de belanghebbende werkervaring te laten opdoen.
                            Afhankelijk van de afstand tot de arbeidsmarkt kan de hoogte van de
                            loonkostensubsidie variëren. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatiebanen</titel></kop><al>Een participatiebaan wordt ingezet om de belanghebbende met een grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt actief en betrokken te houden bij de
                            maatschappij. Het werk zal plaatsvinden op maatschappelijk van groot
                            belang geachte functies. Aan participatiebanen kan worden deelgenomen
                            met behoud van uitkering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Leerbanen</titel></kop><al>Deze banen zijn voor jongeren tot 27 jaar, zonder startkwalificaties, om
                            te kunnen deelnemen aan het MKB-leerbanen project. Het project richt
                            zich primair op het preventieve traject binnen het onderwijs. Daarnaast
                            gaat het om reguliere arbeidsplaatsen waarbij een interne opleiding
                            wordt geboden, vaak nog met een officiële startkwalificatie.
                            Bijvoorbeeld politie, landmacht, NS, gezondheidszorg, etc.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Instapbanen</titel></kop><al>Jongeren tot 27 jaar die geen regulier werk kunnen vinden wordt via
                            zogenaamde instapbanen de kans geboden om gedurende 6 maanden
                            werkervaring op te doen. De werkgever krijgt een tegemoetkoming in de
                            loonkosten via de gemeente. De bedoeling van instapbanen is om
                            bovenformatief of regulier extra banen voor jongeren te creëren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Jongeren Ontwikkelings- en ervaringsplaatsen (JOP)</titel></kop><al>Een JOP is een tijdelijke boventallige werkstage van drie maanden.
                            Jongeren tot 27 jaar kunnen via een JOP aanvullende kennis en
                            (werk)ervaring opdoen. Aan een JOP kan worden deelgenomen met behoud van
                            uitkering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Direct aan het Werk</titel></kop><al>Dit betreft een project waarbij belanghebbenden met een hoog
                            frauderisicoprofiel en perspectief op werk geen mogelijkheden mogen
                            krijgen om andere activiteiten te ontplooien dan legaal aan het werk te
                            zijn. Het project voorziet in een werkplek voor 36 uur per week, bij
                            Alescon voor drie maanden, met behoud van uitkering. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>De gemeente wil voorkomen dat (groepen) mensen buitengesloten raken van
                            het maatschappelijk verkeer. Sociale activering is één van de
                            instrumenten die de gemeente in dit kader inzet. Doel van de sociale
                            activering is het bevorderen van zelfstandige maatschappelijke
                            participatie (zelfredzaamheid) voor personen die naar verwachting niet,
                            of pas op langere termijn kunnen worden toegeleid naar de arbeidsmarkt.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>a en b Premie additionele werkzaamheden (Wet STAP)</titel></kop><al>De Wet STAP regelt een aantal zaken met betrekking tot de
                            participatieplaatsen en loonkostensubsidies. Artikel 8 van de WWB -
                            zoals dit per 1 april 2009 luidt - verlangt van de Raad dat zij regels
                            stelt met betrekking tot de hoogte van de premie, alsmede de eventuele
                            inzet van scholing of opleiding, als er sprake is van een persoon die
                            algemene bijstand ontvangt en die in het kader van een door het college
                            aangeboden voorziening onbeloonde additionele arbeid verricht. Daarbij
                            vraagt artikel 8, tweede lid van de WWB specifiek om regels te stellen
                            met betrekking tot de hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval.
                            Per 1 januari 2005 waren reeds regels opgenomen over scholing,
                            participatieplaatsen en loonkostensubsidies. Met betrekking tot de
                            hoogte van de participatiepremies is aansluiting gezocht bij de hoogte
                            van de meedoenpremies die verstrekt worden bij de vaststelling van een
                            plan van aanpak of in het kader van een traject gericht op
                            arbeidsre-integratie. </al><al/><al><vet>Bijdrage van de inlenende organisatie</vet></al><al>In artikel 16b van deze verordening is de mogelijkheid opgenomen om van
                            de organisatie waar de betrokkene zijn werkzaamheden verricht een
                            bijdrage te vragen in de uit te keren premie. In de praktijk komt het
                            veelvuldig voor dat participatieplaatsen worden vormgegeven in
                            organisaties die geheel of grotendeels afhankelijk zijn van
                            gemeentelijke subsidie. In dat geval is het vragen van een bijdrage in
                            de premie niet logisch. In het ISD beleidsplan voor 2010 wordt
                            beschreven in welke gevallen een bijdrage gevraagd wordt en hoe hoog die
                            bijdrage behoort te zijn. </al><al/><al><vet>Besluit</vet></al><al>Het (niet) aanbieden van scholing door het college is géén besluit in de
                            zin van de Awb. In de wet wordt namelijk gesproken over het aanbieden
                            van scholing, en niet van vaststellen. Een aanbod sec is niet gericht op
                            een rechtsgevolg. Verstrekking van de premie en verlenging van de
                            participatieplaats vloeien rechtstreeks voort uit artikel 10a WWB en
                            hebben daarmee wel een zelfstandig rechtsgevolg, en zijn dus wel een
                            besluit in de zin van de Awb.</al><al/><al><vet>Huidige trajecten werken met behoud van uitkering</vet></al><al>De Wet STAP kent geen overgangsrecht en heeft dus in beginsel
                            onmiddellijke werking. Dit houdt in dat indien iemand op dit moment
                            reeds langer dan 6 maanden additionele arbeid heeft verricht deze op
                            grond van artikel 10a WWB een recht kan doen gelden op een premie en
                            aanspraak kan maken op een scholingsaanbod.</al><al/><al><vet>Maximale termijn participatieplaatsen</vet></al><al>De Wet STAP is een kaderwet die regels stelt ingeval een
                            participatieplaats langer duurt dan zes maanden. De maximale termijn is
                            – na de twee mogelijke verlengingen – 4 jaar. Het staat de gemeente dus
                            vrij om te kiezen voor een kortere termijn, bijvoorbeeld van 2 jaar. In
                            dat geval zijn de bepalingen van de Wet STAP alleen van toepassing voor
                            zover deze betrekking hebben op die periode van 2 jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Het aanbieden van scholing als een voorziening staat niet op zich. In
                            beginsel wordt scholing altijd gecombineerd met een werkstage of een
                            werkervaringbaan. Voorop staat dat de aansluiting met de wereld van werk
                            niet verloren gaat. In individuele gevallen kan hiervan worden
                            afgeweken, bijvoorbeeld bij alleenstaande ouders met kinderen. Zij
                            kunnen wellicht de opleiding combineren met zorgtaken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>De WWB biedt de gemeenten de mogelijkheid om in individuele gevallen
                            inkomsten uit arbeid voor de periode van maximaal zes aaneengesloten
                            maanden vrij te laten tot 25% van deze inkomsten tot een wettelijk
                            vastgesteld maximum per maand indien naar het oordeel van het College
                            van burgemeester en wethouders de vrijlating bijdraagt aan
                            arbeidsinschakeling. Er is voor gekozen om belanghebbenden die een grote
                            afstand hebben tot de arbeidsmarkt voor deze inkomstenvrijlating in
                            aanmerking te laten komen. Dit houdt in dat belanghebbenden die door het
                            CWI zijn ingedeeld in fase 1en 2 niet voor de vrijlating in aanmerking
                            komen. Het argument is dat deze categorie niet beloond hoeft te worden
                            voor iets waartoe zij op grond van de afstand tot de arbeidsmarkt in
                            staat moeten worden geacht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Loonkostensubsidies gericht op werkervaringsbanen</titel></kop><al>Voor het in dienst nemen van een werknemer op een werkervaringsbaan kan
                            de werkgever een loonkostensubsidie verkrijgen. Een tijdelijke
                            loonkostensubsidie maakt het voor werkgevers aantrekkelijk om een
                            werkervaringsbaan aan te bieden aan personen die wat minder productief
                            zijn of een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Bij
                            gesubsidieerde arbeid kan het gaan om een dienstbetrekking met een
                            reguliere werkgever of met een re-integratiebedrijf. </al><al>Er wordt uitgegaan van een werkweek van 32 uur. Dit betekent niet dat er
                            niet meer uren gewerkt mogen worden, alleen zal de subsidie niet
                            toenemen. Deze blijft afgestemd op een werkweek van 32 uur. Het is ook
                            mogelijk dat er minder dan 32 uur wordt gewerkt. In dat geval zal de
                            subsidie evenredig afnemen. Bij een werkervaringbaan van 16 uur wordt de
                            subsidie op maximaal 50% van de maximale subsidie vastgesteld. </al><al>De subsidie is aan een maximum gebonden. Al naar gelang de situatie kan
                            een lager bedrag aan subsidie worden verleend, ook al gaat het om een
                            werkweek van 32 uur.</al><al>Werkervaringsbanen zijn zowel in de collectieve sector als in de
                            marktsector mogelijk. Er is geen limiet aan het aantal medewerkers dat
                            in dienst wordt genomen. De subsidieverlening voor werkervaringsbanen
                            mag echter niet tot concurrentievervalsing leiden. Ook moet verdringing
                            van reguliere arbeid worden voorkomen. </al><al>Het is van belang dat de subsidie wordt aangevraagd voordat het
                            dienstverband wordt aangegaan. Dit om goed te kunnen beoordelen in
                            hoeverre het dienstverband voldoet aan de voorwaarden van een
                            werkervaringsbaan.</al><al>Ter uitvoering van de subsidieverlening kan het college nadere
                            beleidsregels vaststellen. In deze beleidsregels zal voornamelijk worden
                            ingegaan op de uitvoering van de subsidieverlening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Weigeren subsidie</titel></kop><al>In dit artikel is een aantal specifieke weigeringsgronden opgenomen die
                            gelden naast de weigeringsgronden die genoemd zijn in de Awb. Op grond
                            van de Awb kan een subsidie worden geweigerd indien gegronde reden
                            bestaat dat:</al><lijst><li nr="·"><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="·"><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de subsidie verbonden
                                    verplichtingen;</al></li><li nr="·"><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                    verantwoording zal afleggen over de verrichte activiteiten en de
                                    daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                    vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Verder kan de subsidie worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="·"><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                    heeft verstrekt en deze verstrekking tot een onjuiste
                                    beschikking op de aanvraag heeft geleid;</al></li><li nr="·"><al>failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is
                                    verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                                    ingediend.</al></li></lijst><al>Wil de subsidieverlening niet tot concurrentievervalsing leiden, dan
                            moet een cumulatie van subsidies worden voorkomen. Om dit te bereiken is
                            in het derde bepaald dat alleen subsidie wordt verleend indien de
                            werkgever geen andere subsidie ontvangt voor de arbeidskosten van de
                            werknemer (lid 1).</al><al>Subsidieverlening mag de concurrentieverhouding niet verstoren. Ook mag
                            het niet leiden tot verdringen van reguliere arbeid. Er wordt dan ook
                            geen subsidie verleend indien in een periode van 6 maanden voor de
                            aanvang de werkervaringsbaan een of meer arbeidsovereenkomsten of
                            aanstellingen tot het verrichten van vergelijkbare arbeid zijn beëindigd
                            op grond van bedrijfseconomische redenen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om vergoedingen te
                            verstrekken in de kosten van een arbeidsmarktgerichte
                            re-integratieactiviteit. Naast de in deze verordening genoemde
                            voorzieningen, kan het noodzakelijk zijn om kosten voor de
                            belanghebbende te vergoeden om de laatste belemmeringen richting
                            arbeidsinschakeling weg te nemen. Het kan bijvoorbeeld niet zo zijn dat
                            het ontbreken van financiële middelen om reiskosten te betalen het
                            voeren van een sollicitatiegesprek in de weg staat. De vergoeding c.q.
                            subsidie dient ten dienste van de arbeidsinschakeling te staan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Terugvordering en verlaging</titel></kop><al>In dit artikel wordt het verband met de afstemmingsverordening gelegd.
                            In het tweede en derde lid wordt bepaald dat verleende subsidie of
                            gemaakte kosten in geval van het in onvoldoende mate deelnemen aan een
                            voorziening of het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie,
                            kunnen worden teruggevorderd. Bij uitkeringsgerechtigden geldt dat ook
                            kan worden overgegaan tot verlaging van de uitkering op grond van de
                            afstemmingsverordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>