<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR41686_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavingsverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena, 14-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavingsverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-02-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-1.844.5</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Handhavingsverordening IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 27
                        april 2010</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 8a van de Wet werk en
                        bijstand; </al><al>artikel 12, eerste lid, onderdeel c, Wet investeren in jongeren; artikel 35,
                        eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid Wet Inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen werknemers, alsmede
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al>overwegende dat met betrekking tot bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van een inkomensvoorziening, alsmede van misbruik en oneigenlijk
                        gebruik van de wet, in het kader van het financieel beheer regels gesteld
                        dienen te worden, welke in een verordening worden neergelegd; </al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>vast te stellen de </al><al>Handhavingsverordening inkomensvoorzieningen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk en
                            bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet Inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen werknemers, Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Aangiftegrens: het bedrag vermeld in de Aanwijzing Sociale
                                    Zekerheidsfraude waaronder in principe geen strafrechtelijke
                                    bevoegdheden worden ingezet.</al></li><li nr="b."><al>Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude: de aanwijzing ex artikel
                                    30, vierde lid van de Wet op de rechterlijke organisatie
                                    betreffende sociale zekerheidsfraude zoals deze is gepubliceerd
                                    in de Staatscourant 2008 nr 249.</al></li><li nr="c."><al>Inkomensvoorziening: een uitkering ingevolge de Wet Werk en
                                    bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet
                                    Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werklozen werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li><li nr="d."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Landerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bevoegdheid</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge
                                artikel 69 lid 3 van de Algemene bijstandswet (Abw) of artikel 54
                                lid 3 van de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>het terugvorderen van ten onrechte verleende inkomensvoorziening
                                zoals neergelegd in de artikelen 78 tot en met 90 van de Abw en de
                                artikelen 58 tot en met 60 van de WWB.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</titel></kop><al>Een besluit tot toekenning van inkomensvoorziening wordt herzien of
                        ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld
                                in artikel 17 lid 1 WWB, of de artikelen 30 c van de Wet Suwi, heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                inkomensvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog
                                bedrag is verleend. Van het nemen van een herzienings- of
                                intrekkingsbesluit kan op grond van dringende redenen worden
                                afgezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Inkomensvoorziening wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in
                        deze beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ten onrechte verleende inkomensvoorziening</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders vorderen de inkomensvoorziening terug van de
                        belanghebbende voorzover deze inkomensvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening
                                voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden
                                nagekomen;</al></li><li nr="c."><al>voortvloeit uit gestelde borgtocht;</al></li><li nr="d."><al>ingevolge artikel 52 WWB bij wijze van voorschot is verleend en
                                nadien is vastgesteld dat geen recht op inkomensvoorziening
                                bestaat;</al></li><li nr="e."><al>anderszins onverschuldigd is betaald en de belanghebbende dit
                                redelijkerwijs kon begrijpen, waaronder begrepen dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de belanghebbende met betrekking tot de periode waarover
                                        inkomensvoorziening is verleend, over in aanmerking te nemen
                                        middelen als bedoeld in artikel 31 WWB beschikt of kan
                                        beschikken;</al></li><li nr="2."><al>inkomensvoorziening is verleend met een bepaalde bestemming
                                        en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of
                                        tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die
                                        bestemming.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de
                                betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van
                                verzending van het besluit tot terugvordering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Terugvordering van gezinsleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde onder artikel 5 worden kosten van de
                            inkomensvoorziening, indien de inkomensvoorziening aan een gezin wordt
                            verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inkomensvoorziening als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten
                            worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat belanghebbende
                            de verplichting bedoeld in artikel 17 WWB, of de artikel 30 c van de Wet
                            Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de
                            inkomensvoorziening mede worden teruggevorderd van de gezinsleden met
                            wier middelen als bedoeld in artikel 31 WWB bij de verlening van de
                            inkomensvoorziening rekening had moeten worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de onder a. en b. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor
                            de terugbetaling van de kosten van de inkomensvoorziening die worden
                            teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zien af van het nemen van een
                        terugvorderingsbesluit indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het terug te vorderen bedrag lager is dan € 130,--( jaarlijks te
                                indexeren)</al></li><li nr="b."><al>hiertoe een dringende reden aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</titel></kop><al>In afwijking van artikel 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders besluiten
                        tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde
                        inkomensvoorziening indien:</al><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen
                                voortgaan met het betalen van zijn schulden, en</al></li><li nr="b."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking
                                tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 5 onder b. bedoelde
                                vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit
                                niet tot stand zal komen, en</al></li><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde
                                inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid
                                met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</titel></kop><al>Van kwijtschelding als bedoeld in artikel 8 wordt afgezien indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de terugvordering van de inkomensvoorziening het gevolg is van
                                verwijtbaar gedrag van de belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of
                                goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen
                                verhaald kan worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens
                            schuldenproblematiek</titel></kop><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                        gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking
                        voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek</titel></kop><al>Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het
                        gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
                        nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een
                                schuldregeling is tot stand gekomen;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de
                                schuldregeling voldoet; of</al></li><li nr="c."><al>onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking
                                van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben
                                geleid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting</titel></kop><al>In afwijking van artikel 5 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van
                        terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
                        belanghebbende: </al><lijst><li nr="a."><al>gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft
                                voldaan;</al></li><li nr="b."><al>gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
                                heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode en de
                                op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
                            </al></li><li nr="c."><al>gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
                                aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;
                            </al></li><li nr="d."><al>of een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
                                één keer aflost.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verkorting van de periode van voldoen aan
                            betalingsverplichting</titel></kop><al>De in artikel 12 genoemde termijn is drie jaar indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de
                                beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
                                Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is
                                gegaan;</al></li><li nr="b."><al>en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
                                behoorlijk nakomen van de wet genoemde verplichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Geen kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting</titel></kop><al>Kwijtschelding als bedoeld in artikel 12 vindt niet plaats ten aanzien van
                        vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn
                        gedekt, behoudens voorzover zij niet op die goederen verhaald kunnen
                        worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Invorderingsbesluit</titel></kop><al>In het terugvorderingsbesluit delen burgemeester en wethouders aan de
                        belanghebbende mede:</al><lijst><li nr="a."><al>tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen
                                inkomensvoorziening wordt teruggevorderd;</al></li><li nr="b."><al>de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte
                                ontvangen inkomensvoorziening dient terug te betalen;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal
                                worden gelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot de invordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het terugvorderingsbesluit of
                            dat met de belanghebbende op grond van een minnellijke regeling tot
                            stand is gekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>ten minste één keer per jaar verrichten burgemeester en wethouders
                            onderzoek naar de betalingsverplichting.Indien het onderzoek daartoe
                            aanleiding geeft kan als gevolg van dit onderzoek de
                            betalingsverplichting gewijzigd worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek blijft achterwege indien de belanghebbende binnen vijf
                            jaar zijn betalingsverplichting nakomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verrekening en beslaglegging</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke
                        betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer
                        nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit tenuitvoer gelegd door middel
                        van:</al><al>a.verrekening met de maandelijks verleende inkomensvoorziening ingevolge de
                        Wet werk en bijstand, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, </al><al> of bij het ontbreken van deze mogelijkheid</al><al>b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g,
                        behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Kosten</titel></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als bedoeld
                        in artikel 17 dan wordt de vordering verhoogd met de door de deurwaarder
                        gemaakte kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nadere invulling van beleid</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen deze verordening nader uitwerken in een
                        beleidsnotitie inzake terugvordering en invordering van ten onrechte
                        verleende inkomensvoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het gemeentebestuur informeert de gemeenteraad jaarlijks over de uitvoering
                        en resultaten op het gebied van handhaving van de Wet Werk en bijstand, de
                        Wet investeren in jongeren, de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen werknemers, Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking
                            en werkt terug tot en met 1 juli 2010. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Handhavingverordening Wet werk en bijstand en Wet investeren in
                            jongeren 2009 (vastgesteld op 8 oktober 2009) wordt met ingang van 1
                            juli 2010 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Handhavingsverordening
                        inkomensvoorzieningen.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad der gemeente Landerd</ondertekening><ondertekening>van 1 juli 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn-Van der Houwen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De gemeenteraad dient regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte
                    ontvangen van inkomensvoorziening alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik
                    van de wet. De verordening dient te waarborgen dat aan de eisen van
                    rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.</al><tussenkop>Wet BUIG</tussenkop><al>In de Handhavingsverordening worden regels gesteld over de wijze waarop misbruik
                    en oneigenlijk gebruik van de inkomensvoorzieningen worden tegengegaan.
                    Uitgangspunt hierbij is dat het handhavingsbeleid voor
                    inkomensvoorzienings-gerechtigden niet of nauwelijks uiteenloopt. Het
                    handhavingsinstrumentarium in het kader van de WWB is evenzeer toepasbaar in de
                    WIJ of IOAW en IOAZ. Bovendien weegt het principiële bezwaar dat in een
                    verordening niet meerdere wetten worden uitgewerkt in deze minder zwaar, nu aan
                    de handhavingsverordening voor de inkomensvoorzieningsgerechtigde geen
                    individuele rechten zijn te ontlenen. Mede omdat een handhavingsverordening
                    doorgaans beperkt van omvang is, het biedt immers veelal een beperkt
                    beleidskader wordt aanbevolen om de bestaande handhavingsverordening om te
                    bouwen tot een combiverordening.</al><al>Samengevat pleiten diverse argumenten voor het ombouwen van de bestaande
                    verordening (Handhavingsverordening WWB en WIJ 2009):</al><lijst><li nr="·"><al>eenvoudig te regelen en te realiseren (beperkte aanpassing verordening
                            vaak voldoende);</al></li><li nr="·"><al>efficiënt (één verordening in plaats van twee);</al></li><li nr="·"><al>Het handhavingsbeleid in het kader van de IOAW en IOAZ wijken niet af
                            van het beleid in het kader van de WWB en WIJ;</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB, WIJ, IOAW en IOAZ.</al><al>In de Wet Werk en Bijstand, WIJ en na de invoering van de wet BUIG is het
                    terugvorderen van ten onrechte verleende inkomensvoorziening een algehele
                    bevoegdheid geworden van de gemeente. Dit houdt in dat het wettelijk kader op
                    zichzelf geen sluitende basis meer vormt voor de gemeentelijke
                    terugvorderingspraktijk. </al><al>Met onderhavige Handhavingsverordening wordt een “wettelijke” basis gecreëerd om
                    het bestaande terugvorderingsbeleid van onze gemeente te kunnen continueren.
                    Burgemeester en wethouders maken gebruik van de hierboven bedoelde bevoegdheid
                    in de gevallen en op grond van de bepalingen in deze verordening. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Herziening en intrekking</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</tussenkop><al>Evenals terugvordering van inkomensvoorziening is het met terugwerkende
                    gewijzigd vaststellen van het recht op inkomensvoorziening door middel van een
                    herzienings- of intrekkingsbesluit een algehele bevoegdheid geworden van
                    burgemeester en wethouders. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten
                    maken burgemeester en wethouders in beginsel in alle gevallen waarin er
                    aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen
                    gebruik van deze bevoegdheid.</al><tussenkop>Ad a.</tussenkop><al>indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de
                    belanghebbende ten onrechte inkomensvoorziening is verleend dan wordt in alle
                    gevallen het uitkeringsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste
                    situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar
                    zowel de gemeente als naar het Werkbedrijf.</al><tussenkop>Ad b.</tussenkop><al>In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct
                    toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de
                    belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking
                    van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.</al><al>Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door burgemeester en wethouders
                    onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening
                    staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit
                    beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden
                    gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het
                    niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn
                    klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit
                    niet het geval is dan gaan burgemeester en wethouders niet over tot
                    herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat
                    geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd
                    worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt
                    gebracht.</al><al>Een andere overweging is of burgemeester en wethouders als gevolg van een grove
                    fout een foutief besluit hebben genomen. Grove nalatigheid van het
                    bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het
                    bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout
                    betreft.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid.
                    Benadrukt wordt dat de inkomensvoorziening uitsluitend wordt teruggevorderd in
                    de gevallen waarin dit in de verordening is vastgelegd. </al><tussenkop>Artikel 5 Ten onrechte verleende inkomensvoorziening</tussenkop><al>De hier omschreven situaties waarin inkomensvoorziening wordt teruggevorderd
                    zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58 WWB. Om echter geen misverstand
                    te laten bestaan over wanneer inkomensvoorziening moet worden teruggevorderd
                    zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 58 WWB,
                    dwingend geformuleerd.</al><al>Wij wijzen verwijzen hierbij naar de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude nr:
                    2373 d.d. 23 december 2008)</al><al/><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De inkomensvoorziening is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend
                    wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot
                    een lager bedrag, recht op inkomensvoorziening bestond. Voorafgaande aan deze
                    terugvordering eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen. </al><al/><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>aan de inkomensvoorziening die in de vorm van een geldlening is verleend dient
                    in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze
                    verplichting wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze
                    verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende
                    bedrag van de lening een terugvorderingsbesluit genomen. Hiermee ontstaat er ten
                    aanzien van het resterende deel van de lening een executoriale titel.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het
                    toekenningsbesluit vastgelegd moet zijn dat de gemeente de inkomensvoorziening
                    heeft verleend in de vorm van een borgstelling. Deze inkomensvoorziening komt
                    echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in
                    gebreke blijft met het terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende
                    geldlening. Op het moment van uitbetaling van de inkomensvoorziening ontstaat
                    tevens een vordering. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een
                    geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk.</al><al/><tussenkop>Ad d</tussenkop><tussenkop>Een voorschot wordt op grond van artikel 52 WWB van rechtswege
                    (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit
                    impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 3
                    WWB regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende
                    uitkering over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort
                    verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat
                    kan zijn omdat er geen toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de
                    toegekende uitkering niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot
                    ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van
                    belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 sub d WWB. Wanneer
                    deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit
                    noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend
                    met de toegekende inkomensvoorziening.</tussenkop><al/><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin
                    de inkomensvoorziening bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat
                    hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening
                    of intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer
                    inkomensvoorziening is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van
                    middelen (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt
                    ontvangen voor kosten waarvoor in een eerder stadium ook reeds (bijzondere)
                    inkomensvoorziening is ontvangen. Ook de onverschuldigd betaalde
                    inkomensvoorziening als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond
                    deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt dat alleen kan
                    worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat
                    hij ten onrechte inkomensvoorziening ontving. Voor de hier bedoelde vorm van
                    terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Terugvordering van gezinsleden</tussenkop><al/><tussenkop>De inkomensvoorziening die als gevolg van schending van de
                    inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar wel als
                    gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van
                    degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger
                    gesteld: inkomensvoorziening die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf
                    een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen
                    partner worden teruggevorderd.</tussenkop><al>Duidelijk moet zijn dat:</al><lijst><li nr="·"><al>de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met
                            deze partner heeft verzwegen.</al></li><li nr="·"><al>de verzwegen partner van de bijstandsverlening op de hoogte was.</al></li></lijst><al>Alle gezinsleden waarvan in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd
                    zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de
                    praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In
                    gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige)
                    bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele
                    (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die
                    hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar
                    te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 7 Afzien van het terugvorderingsbesluit</tussenkop><al>In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van
                    terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te
                    nemen. De vordering komt in dat geval niet tot stand. Ten tweede kan worden
                    afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. Deze variant, ook wel
                    kwijtschelding genoemd, wordt behandeld in hoofdstuk 4 van deze Verordening
                    .</al><al>In voorkomende gevallen kunnen er redenen zijn om in het geheel geen
                    terugvorderingsbesluit te nemen. Dit kan enerzijds worden ingegeven door
                    doelmatigheidsoverwegingen, in gevallen waarin de ten onrechte verleende
                    inkomensvoorziening dermate laag is dat de kosten die de terugvordering met zich
                    meebrengen hoger zijn dan de vordering (kruimelbedragen). Hiertoe is artikel 78
                    b Abw letterlijk overgenomen in deze beleidsregel. De WWB kent een dergelijke
                    bepaling niet meer. Burgemeester en wethouders zijn vrij tot het bepalen van de
                    hoogte van het grensbedrag.</al><al>Verder kunnen er in de individuele situatie
                        <cursief>dringende</cursief><cursief>redenen</cursief> zijn op grond waarvan
                    van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Hiervan kan sprake zijn
                    wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende, en hem
                    hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval
                    aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten
                    onrechte inkomensvoorziening ontving.</al><al>In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is
                    kan van een dergelijk besluit reeds worden afgezien wegens en dringende reden
                    (zie artikel 3). In dat geval is ook geen grond tot het nemen van een
                    terugvorderingsbesluit.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Kwijtschelding</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 tot en met 11. Kwijtschelding wegens
                    schuldenproblematiek</tussenkop><al>Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is
                    vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering
                    (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Dit is noodzakelijk om het gemeentelijke
                    kwijtscheldingsbeleid te continueren. </al><tussenkop>Artikel 12 tot en met 14 Kwijtschelding na voldoen aan
                    betalingsverplichting</tussenkop><al>Op grond van artikel 78c Abw kon een restant van de nog openstaande vordering
                    worden kwijtgescholden indien de belanghebbende gedurende een periode van 5 jaar
                    aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Het gemeentelijk
                    kwijtscheldingsbeleid dat na de invoering van de Wet herziening debiteurenbeleid </al><al>(1 augustus 1998) is geformuleerd kan op deze wijze worden gecontinueerd. De
                    bepalingen van artikel 78c Abw zijn in deze beleidsregels ongewijzigd
                    overgenomen aangezien in de WWB een dergelijke bepaling niet meer voorkomt. Het
                    nader uitwerken van dit kwijtscheldingsbeleid in een notitie of handboek is
                    noodzakelijk omdat in deze beleidsregel, evenals in de oude Abw-bepaling, sprake
                    is van een “kan-bepaling”. Daar waar in beleidsregels opnieuw gemeentelijke
                    beleidsvrijheid wordt gecreëerd, dient deze vrijheid nog nader te worden
                    ingevuld.</al><al>Overigens wordt met de onder artikel 12 sub d. genoemde mogelijkheid tot afkoop
                    van 50% van de restsom tegen finale kwijting van het restant zeer terughoudend
                    omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties
                    waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder
                    oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het restant kan worden
                    geïncasseerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 nvordering van teruggevorderde
                    inkomensvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Invorderingsbesluit</tussenkop><al>In deze regel is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van
                    het terugvorderingsbesluit.</al><tussenkop>Artikel 16 Verplichtingen met betrekking tot de invordering</tussenkop><al>In deze verordening wordt meerdere keren gesproken over het aflossingsbedrag als
                    betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat in dit
                    verband van een verplichting wordt gesproken wordt hier bepaalde dat elk
                    aflossingsbedrag, of dit nu is overeengekomen ingevolge een minnelijke
                    betalingsregeling, of op basis van het terugvorderingsbesluit éénzijdig wordt
                    medegedeeld, kan worden beschouwd als een betalingsverplichting.</al><al>Burgemeester en wethouders verrichten regelmatig onderzoek naar de hoogte van
                    het inkomen. Dit gebeurt tenminste éénmaal per jaar of zoveel vaker als
                    wijzigingen in het inkomen hiertoe aanleiding geven. Dit onderzoek blijft
                    achterwege indien de betalingsverplichting nog vijf jaar duurt maar de
                    belanghebbende zijn opgelegde betalingsverplichting correct nakomt.</al><tussenkop>Artikel 17 Verrekening en beslaglegging</tussenkop><al>Verrekening met de inkomensvoorziening is gebaseerd op artikel 6:127 van het
                    Burgerlijk Wetboek.</al><al>Voor deze vorm van verrekenen moet aan de navolgende vereisten worden
                    voldaan:</al><lijst><li nr="·"><al>er moet een wederkerig schuldenaarschap bestaan. Het gaat hier om het
                            over en weer voldoen van een schuld. De door de belanghebbende te
                            ontvangen inkomensvoorziening, en de ten onrechte verleende
                            inkomensvoorziening die moet worden terugbetaald, worden beschouwd als
                            de hier bedoelde wederkerige schuld;</al></li><li nr="·"><al>er moet gelijksoortigheid van schuld en prestatie zijn. Hieruit vloeit
                            voort dat inkomensvoorziening alleen met inkomensvoorziening kan worden
                            verrekend. Dit betekent dat een ten onrechte verleende
                            inkomensvoorziening niet met bijvoorbeeld een WMO-vergoeding kan worden
                            verrekend;</al></li><li nr="·"><al>er moet een bevoegdheid zijn om betaling van de vordering af te dwingen.
                            Verrekening is een vorm van tenuitvoerlegging. Dit kan niet zonder
                            executoriale titel. Het tenuitvoerleggen van deze titel gebeurt pas als
                            debiteur niet aan de (al dan niet minnelijk) vastgestelde
                            betalingsverplichting voldoet;</al></li><li nr="·"><al>bij verrekening is de gemeente gehouden aan de beslagvrije voet</al></li><li nr="·"><al>verrekening kan alleen voor zover de uitkering voor beslag vatbaar is
                            (dus bijvoorbeeld niet met bijzondere bijstand voor specifieke
                            kosten)</al></li></lijst><al>Tenuitvoerlegging door middel van beslag geschiedt conform de regels van het
                    Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft de mogelijkheid van
                        <cursief>vereenvoudigd derdenbeslag</cursief> op loon of uitkering. </al><al>De procedure is als volgt:</al><lijst><li nr="·"><al>de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het
                            terugvorderingsbesluit naar degene van wie debiteur een periodieke
                            uitkering ontvangt</al></li><li nr="·"><al>hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven</al></li><li nr="·"><al>de derde-beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien
                            terugzenden aan de gemeente</al></li><li nr="·"><al>door de terugzending is het beslag gelegd. De derde-beslagene wordt
                            hiermee verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de
                            gemeente</al></li><li nr="·"><al>de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving
                            een afschrift van die kennisgeving aangetekend toezenden aan de
                            debiteur. Als de gemeente dit nalaat kan debiteur de President van de
                            rechtbank vragen het beslag op te heffen.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Kosten</tussenkop><al>Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt, dan dienen voor
                    de onder artikel 17 genoemde vormen van dwanginvordering kosten te worden
                    gemaakt. </al><tussenkop>Artikel 19 Nadere invulling van beleid</tussenkop><al>In sommige artikelen is gekozen voor het (opnieuw) creëren van beleidsruimte. In
                    principe zijn de beleidsregels dwingendrechtelijk geformuleerd. Zij dienen
                    immers ter invulling van wettelijk gecreëerde beleidsruimte. Daar waar
                    beleidsregels, bijvoorbeeld ten aanzien van kwijtschelding, lokaal zeer sterk
                    van elkaar verschillen, is gekozen voor een kan-bepaling in de beleidsregels.
                    Dit heeft wel als consequentie dat deze beleidsruimte nog zal moeten worden
                    ingevuld in een notitie of handboek.</al><tussenkop>De slotbepalingen spreken verder voor zich.</tussenkop><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>