<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR414900_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-115493.html">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=5.4 en 5.5">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-08-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>BRABANTBREDE </vet><vet>VERORDENING </vet></al><al><vet>KWALITEIT VERGUNNINGVERLENING, TOEZIC</vet><vet>HT EN HANDHAVING
                        OMGEVINGSRECHT</vet></al><al>De raad van de gemeente Oisterwijk; </al><al>overwegende dat</al><lijst><li nr="-"><al>gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die in
                                hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een gezonde en
                                veilige fysieke leefomgeving met oog voor de maatschappelijke
                                functies daarvan, waar die zorg gestalte krijgt in de
                                vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het
                                omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave gesteld zien om in
                                landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en handhaving
                                te bevorderen, te borgen en te beoordelen;</al></li><li nr="-"><al>het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te stellen,
                                in onderlinge afstemming op het niveau van omgevingsdiensten
                                ODBN, OMWB en ODZOB, door de deelnemende gemeenten en
                                provincie;</al></li><li nr="-"><al>het richtsnoer voor de kwaliteitsbevordering de in landelijke
                                samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria zijn die op basis van
                                technische en maatschappelijke ontwikkelingen, indien daartoe
                                aanleiding is, met betrokken partijen in landelijke afstemming
                                zullen worden aangepast; </al></li></lijst><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        17 mei 2016; </al><al>gelet op de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>gehoord gedeputeerde staten;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening kwaliteit vergunningverlening,
                        toezicht en handhaving omgevingsrechtOisterwijk:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="-"><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1
                                    van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is
                                    bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is;</al></li><li nr="-"><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen
                                    bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde
                                    kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en
                                    handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van
                                    organisaties die met de uitvoering en handhaving van de
                                    betrokken wetten zijn belast;</al></li><li nr="-"><al>uitvoering: vergunningverlening;</al></li><li nr="-"><al>bodemniveau: de spelregels zoals verwoord in de ‘Handreiking bij
                                    Brabantbrede Verordening kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht
                                    en Handhaving Omgevingsrecht’ versie 1, 10 maart 2016, opgesteld
                                    door de Brabantse werkgroep en welke breed gedragen wordt door
                                    gemeenten, provincie en omgevingsdiensten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en
                            wethouders.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                            leefomgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering
                                en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door
                                hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit
                                omgevingsrecht gestelde doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving
                                van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval
                                betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li><li nr="c."><al>de financiën.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de kwaliteitscriteria voor de
                                kwaliteit van uitvoering en handhaving vast, alsmede de daaruit
                                voortvloeiende uitvoeringskaders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is minimaal
                                gelijk aan het bodemniveau voor de kwaliteit van uitvoering en
                                handhaving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in
                                opdracht van burgemeester en wethouders zijn de in het eerste lid
                                bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                opgave.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking na bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving
                                    omgevingsrechtOisterwijk.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente
                        Oisterwijk; </ondertekening><ondertekening>7 juli 2016,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Nelleke van Wijk Hans Janssen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college
                    van [burgemeester en wethouders] uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting
                    beschrijft kort de achtergrond en aanleiding van deze verordening, licht de
                    reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de
                    verordening. </al><tussenkop>1. Achtergrond en aanleiding </tussenkop><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de
                    uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering
                    staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet
                    reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders,
                    d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De
                    verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten: </al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                            bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                    gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze
                    afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe
                    is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet,
                    dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van
                    omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria 2.1 voor de uitvoering van de Wabo
                    in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                    en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht<sup/>.
                    Een deel van de afspraken uit 2009 is verankerd in de voorgestelde wijziging van
                    de Wabo (<cursief>Kamerstukken II </cursief>2014/15, 33 872, nr. 2).</al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe
                    afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is geschreven vanuit
                    een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat
                    een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering
                    decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin
                    is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden
                    gerealiseerd en behouden. Afgesproken is dat de VNG in samenwerking met het IPO
                    op basis van de kwaliteitscriteria 2.1. (een) modelverordening(en) zal
                    opstellen, die door alle gemeenteraden en provinciale staten kan worden
                    vastgesteld. De hierbij door de gemeenteraad vast te stellen verordening is
                    gebaseerd op de modelverordening, die voor gemeenten en provincies gelijkluidend
                    door VNG en IPO is opgesteld.</al><tussenkop>2. Reikwijdte: een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit</tussenkop><al>Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en
                    provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat
                    alle taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wabo
                    en de betrokken wetten, onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om
                    thuistaken, die het college “in eigen huis” verricht, de basistaken die
                    krachtens de wet in opdracht van het college door de omgevingsdiensten ODBN,OMWB
                    en ODZOB worden verricht en de plustaken, die het college naast de basistaken
                    heeft belegd bij de omgevingsdienst. </al><al>Deze reikwijdte vloeit voort uit het gegeven dat waar de zorg voor een gezonde
                    en veilige leefomgeving gestalte krijgt via vergunningverlening, het toezicht en
                    de handhaving, de regeling van de kwaliteit van deze verrichtingen niet dient te
                    berusten op een kunstmatig onderscheid naar de plaats waar een taak wordt
                    verricht, of op een opsplitsing van de omgevingsvergunning, het toezicht of de
                    handhaving.</al><al>In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving
                    afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken partijen bij de
                    vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor inzetten door
                    samenwerking. Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste schakel. </al><al>Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden bestaan in
                    het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en
                    deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens niet
                    alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor
                    omgevingsdiensten en voor verschillende Rijksdiensten. De eisen die deze
                    verordening aan de organisaties van gemeentebesturen en provinciebesturen en in
                    hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van
                    de Kwaliteitscriteria waarvoor een begripsbepaling is opgenomen in artikel 1 van
                    de verordening en die door de betrokken organisaties toegepast dienen te worden
                    volgens de regel “<cursief>comply or explain</cursief>”. Deze verordening stelt
                    eensluidende regels. In alle gevallen zal het college van burgemeester en
                    wethouders, als Wabo-bevoegd gezag, op grond van artikel 7.2, eerste lid, van
                    het Besluit omgevingsrecht beleid moeten voeren over de kwaliteit. Deze
                    verordening regelt waarover de doelen van dit beleid ten minste moeten gaan.
                    Deze verordening regelt bovendien dat de verrichtingen van de
                    gemeentelijkeorganisaties en de omgevingsdienst, waar het de VTH-taken
                    betreft, in het licht van die doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het dat
                    de gemeenteraad, elk in het kader van het horizontale toezicht, inhoudelijk
                    debat voert over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door het
                    college wordt gevoerd.</al><al>2.1.<onderstreept>Brabantbrede </onderstreept><onderstreept>verordening
                        kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                        Omgevingsrecht</onderstreept><onderstreept>; basisniveau en
                        bodemniveau</onderstreept></al><al>Voor de ontwikkeling van de Brabantbrede Verordening Kwaliteit
                    Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht (verder genoemd:
                    Brabantbrede Verordening Kwaliteit VTH Omgevingsrecht) is een werkgroep
                    samengesteld bestaande uit gemeenten (18), provincie en omgevingsdiensten. Het
                    resultaat van de werkgroep is een breed gedragen Brabantbrede verordening, die
                    ter vaststelling is aangeboden aan gemeenten en provincie. Het uitgangspunt voor
                    de Brabantbrede Verordening Kwaliteit VTH Omgevingsrecht zijn de
                    kwaliteitscriteria 2.1. </al><tussenkop>Basisniveau (Brabantbrede Verordening Kwaliteit VTH
                    Omgevingsrecht)</tussenkop><al>Het basisniveau voor kwaliteit op VTH-taken op Wabo-gebied voor iedere gemeente
                    in de Provincie Noord-Brabant is de Brabantbrede Verordening Kwaliteit VTH
                    Omgevingsrecht. Het staat gemeenten vrij om een hoger kwaliteitsniveau zoals
                    vastgelegd in de modelverordening VNG vast te stellen. Dit basisniveau is
                    uitgewerkt in de Handreiking bij Brabantbrede Verordening Kwaliteit VTH
                    Omgevingsrecht, versie 1 van 10 maart 2016. </al><tussenkop>Bodemniveau (Spelregels)</tussenkop><al>Indien de gemeente zich niet committeert aan het basisniveau van de Brabantbrede
                    Verordening Kwaliteit VTH Omgevingsrecht, dan committeert de gemeente zich in
                    ieder geval aan het bodemniveau met bijbehorende spelregels zodat een minimaal
                    kwaliteitsniveau ontstaat. Het bodemniveau houdt in ieder geval in dat de
                    basistaken uitgevoerd worden conform Kwaliteitscriteria 2.1. Daarnaast kan de
                    organisatie één of meerdere Brabantbrede explainmodules toepassen en moet de
                    organisatie de spelregels hanteren voor overige deskundigheidsgebieden
                    (behoudens de Basistaken). Dit bodemniveau is nader toegelicht in de Handreiking
                    bij Brabantbrede Verordening Kwaliteit VTH Omgevingsrecht, versie 1 van 10 maart
                    2016.</al><tussenkop>Gelijk speelveld</tussenkop><al>Het kwaliteitsniveau dat door de gemeente is vastgesteld geldt ook voor externe
                    partijen (waaronder de omgevingsdienst) die de taken voor die gemeente uitvoert.
                    Waar in de Kwaliteitscriteria 2.1 vermeld staat dat de activiteiten door een
                    marktpartij kunnen worden uitgevoerd, geldt de regel dat de opdrachtgever
                    bepaalt wat het niveau voor de opdrachtnemer is.</al><al>In de provincie Noord-Brabant wordt met de Brabantbrede verordening een gelijk
                    speelveld bereikt dat ervoor zorgt dat alle basistaken in Brabant op niveau van
                    Kwaliteitscriteria 2.1 worden uitgevoerd en dat de uniforme spelregels van
                    toepassing zijn voor afwijking tot een bodemniveau.</al><al>Om deze brabantbrede explainmodules en spelregels voor het bodemniveau toe te
                    kunnen passen is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft een
                    toelichting op de brabantbrede explainmodules en de spelregels voor het
                    bodemniveau. </al><tussenkop>3. Samenhang met veiligheid</tussenkop><al>Onderwerpen die tot het bereik van de verordening behoren, kunnen onderdeel
                    blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving alleen.
                    De verordening belemmert bijvoorbeeld niet dat onderwerpen met betrekking tot
                    fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen komen in beoordelingen of rapportages
                    op andere domeinen, zoals dat van de openbare orde en veiligheid binnen
                    gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussen bijvoorbeeld de Wabo en de Drank- en
                    Horecawet, Bibob en andere bijzondere wetten. </al><al>De eensluidende regeling van de verordening betekent ook dat voor bijvoorbeeld
                    Brzo geen specifieke, aanvullende eisen worden gesteld. Ook hier is het
                    relevante kader breder dan de Wabo alleen en vindt taakuitoefening plaats in
                    samenwerking met andere bevoegde gezagen. De basis van de kwaliteitscriteria
                    blijven ook hier de afspraken die in het kader van het Programma Uitvoering met
                    Ambitie (PUMA) zijn gemaakt. De criteria voor de Omgevingsdiensten met
                    Brzo-taken zijn in Nederland hetzelfde. In afstemming met de andere
                    Brzo-bevoegde gezagen kunnen aanvullende afspraken gemaakt worden. </al><tussenkop>4. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</tussenkop><al>De Verordening Kwaliteit VTH Omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit
                    van de Wabo-taken door de gemeente en in opdracht daarvan handelende
                    (omgevings)diensten. De verordening drukt het commitment uit van de
                    gemeenteraden aan kwaliteit. </al><al>De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambities voor kwaliteit aan
                    bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door procedurele of
                    inhoudelijke normering van vergunningverlening, toezicht en handhaving bijdragen
                    aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de Provinciewet, de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer, de Algemene
                    wet bestuursrecht en de Wet gemeenschappelijke regelingen. Op basis van deze
                    verordening wordt op het benodigde niveau verbinding gemaakt met deze kaders. </al><al>Van deze kaders is de Wabo en daarop gebaseerde regelgeving wellicht de
                    belangrijkste. Zo bevat artikel 7.1 e.v. van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    procedurele regels voor handhavingsbeleid door het Wabo-bevoegd gezag. Dit houdt
                    in dat burgemeester en wethouders verplicht zijn tot het stellen van doelen, het
                    identificeren van activiteiten ter uitvoering daaraan, de inrichting van de
                    uitvoeringsorganisatie, het monitoren en het rapporteren daarover. Volgens het
                    wetsvoorstel VTH gaan deze regels ook gelden voor de vergunningverlening. Het
                    Bor wordt hiervoor gewijzigd. </al><al>In de praktijk zijn bovendien verschillende kaders gebruikelijk voor het
                    beoordelen van de kwaliteit door de omgevingsdienst (respectievelijk de eigen
                    diensten), door burgemeester en wethouders en tot slot door de gemeenteraad.
                    Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd in artikel 1 en
                    artikel 5, zie voor een toelichting het artikelsgewijs deel) en andere
                    standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd.
                    Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van
                    vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen.</al><al>Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door burgemeester en
                    wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van de interne
                    gemeentelijke organisatie. Burgemeester en wethouders zullen dus beoordelen "of
                    het goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen voor in
                    ieder geval de dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten
                    of de financiën. Daarnaast zijn ook andere doelen mogelijk. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan de veiligheid of de duurzaamheid (in de zin van natuur
                    en milieukwaliteit) met inbegrip van daarvoor geselecteerde indicatoren. </al><al>Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de
                    gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad vormen
                    immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit
                    van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van de leden van de
                    gemeenteraad zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het
                    beleid, niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de
                    competentie van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook het
                    verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de
                    hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente, zoals een
                    milieubeleidsplan, een structuurvisie of omgevingsvisies. De gemeenteraad oefent
                    invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren door burgemeester en
                    wethouders en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij
                    willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het college. In die zin
                    worden de kaders voor de beoordeling van de gemeenteraadovergelaten aan
                    het politieke debat over kwaliteit. </al><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders
                    competentie: </al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties, werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de
                            kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot deskundigheid en
                            beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan het college van
                            burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording afleggen aan de
                            raden en staten.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegde bestuursorganen belast met het stellen van
                            beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en
                            handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Besluit
                            omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over
                            dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën. </al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefent horizontaal toezicht uit op het college en
                            gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun
                            toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                            continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk
                            onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. </al></li></lijst><tussenkop>5. Doelen voor kwaliteit en kwaliteitscriteria</tussenkop><al>Binnen een systeem van kwaliteit in het omgevingsrecht kan onderscheid gemaakt
                    worden tussen inputcriteria, throughputcriteria, outputcriteria en
                    outcomecriteria. Deze criteria zijn cyclisch met elkaar verbonden en hebben
                    allemaal invloed op elkaar. Om bij de laatste te beginnen: outcome-criteria
                    zeggen iets over de omgevingskwaliteit, de veiligheid en gezondheid van de
                    fysieke leefomgeving, etc. Het gaat om het maatschappelijke effect van beleid
                    (dus het maatschappelijke effect van de geleverde Wabo-diensten). Deze
                    criteria/doelstellingen moeten bepaald worden in samenspel tussen bestuur en
                    ambtelijke organisatie. Gemeenteraad en burgemeester en wethouders stellen
                    kaders, bijvoorbeeld op basis van het collegeakkoord of het handhavingsplan.
                    Outputcriteria zeggen iets over concrete prestaties die geleverd worden om het
                    beleidsdoel te realiseren. In dit geval gaat het om aan de samenleving geleverde
                    Wabo-diensten, bijvoorbeeld het aantal vergunningen, het aantal toezichtsacties,
                    het aantal subsidies, voorlichtingen, etc. De throughputcriteria, ofwel
                    procescriteria, beschrijft de processen die moeten leiden tot producten op het
                    gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Inputcriteria gaan over
                    middelen, mensen en tijd. Voor outputcriteria en outcomecriteria zijn tot op
                    heden nog geen concrete voorbeelden beschikbaar in tegenstelling tot
                    throughputcriteria en inputcriteria die in kwaliteitscriteria 2.1 zijn
                    beschreven. Het is aan elke organisatie zelf om output- en outcomecriteria te
                    bepalen. Ervaringen uit pilots die in 2012 bij gemeenten zijn uitgevoerd hebben
                    geleerd dat door een samenspel tussen bestuur en ambtenaren er breed gedragen
                    resultaten kunnen ontstaan. In een aantal werksessies in 2010 met verschillende
                    partijen en twee jaar later in bovengenoemde pilots bij gemeenten, zijn er wel
                    onderwerpen bepaald waarop deze doelen het beste bepaald kunnen worden. Deze
                    lijst onderwerpen is uiteraard niet limitatief, maar is een lijst waar men in
                    bovengenoemde sessies op uit is gekomen:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Dienstverlening</cursief>: de manier waarop (in communicatie,
                            snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers,
                            omgeving klagers, etc.) omgaat.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Uitvoeringskwaliteit van producten en diensten</cursief>: de
                            mate waarin een product voldoet aan de juridische doelen (zoals
                            geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene
                            beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen.
                            Ook wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Financiën</cursief>: de inzet van middelen in relatie tot de
                            kwaliteit van de geleverde diensten/producten. </al></li></lijst><al>Bij de voorbereiding van de modelverordening is door het IPO en de VNG
                    voortgebouwd op de ervaringen uit de pilots. </al><tussenkop>6. Impact van deze verordening: meer dan regels alleen</tussenkop><al>Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen en borgen
                    van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Blijvende
                    goede verrichtingen in dit kader vergen meer dan regels alleen. Zo zullen de
                    bestaande kwaliteitscriteria 2.1 na verloop van tijd, gelet op wijzigingen in de
                    omringende wetgeving en met het oog op de brede reikwijdte die ze krijgen met
                    deze verordening, een levend instrument blijven. Dat betekent dat ze op termijn
                    in brede samenwerking met andere gemeenten en provincies en omgevingsdiensten
                    geactualiseerd moeten worden. Hetzelfde geldt voor de doelen en de daarvoor
                    gehanteerde indicatoren, die door bevoegde gezagen worden gebruikt. </al><tussenkop>7. Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en
                    handhaafbaarheid</tussenkop><al>Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage
                    en informatiestromen, op basis van het Besluit omgevingsrecht en de organieke
                    wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen maar vereist wel
                    extra input voor bestaande rapportages. Wel is het van groot belang dat een
                    tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de
                    mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de
                    politiek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad om ieders rol in de
                    kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande
                    competentieverdeling gericht op horizontaal toezicht. Van regeldruk voor burgers
                    en bedrijven is geen sprake.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een
                    begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo. </al><al>Als <cursief>betrokken wetten</cursief> worden aangemerkt de Wabo zelf, en de
                    wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, <cursief>voor zover bij of krachtens
                        die wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing
                        is</cursief>. Op de uitvoering of handhaving van een geheel andere wet,
                    zoals bijvoorbeeld de Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van
                    toepassing (wat onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt
                    gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelichting). De wetten waarom het
                    krachtens artikel 5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en faunawet, de
                    Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de
                    Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet
                    geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet
                    ruimtelijke ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is
                        <cursief>kwaliteitscriteria</cursief>. De kwaliteitscriteria waar het hier
                    om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria voor VTH, die in brede
                    samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                    voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied
                    van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties.
                    Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Met deze begripsbepaling en de
                    verankering in artikel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria aan de
                    basis van deze verordening.</al><al>Voor het begrip <cursief>omgevingsdienst</cursief> is aangesloten bij de
                    omgevingsdiensten waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo,
                    zoals dat zal komen te luiden wanneer wetsvoorstel 33 872 tot wijziging van de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening,
                    toezicht en handhaving) tot wet is verheven.<sup/></al><al>Het begrip <cursief>bodemniveau</cursief> is nader gedefinieerd. Dit minimum
                    kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is tot stand gekomen in
                    samenwerking met gemeenten, provincie en omgevingsdiensten in Noord-Brabant en
                    is vastgelegd in de Handreiking bij Brabantbrede Verordening Kwaliteit
                    Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht. </al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en een
                    afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving van de betrokken wetten. De terminologie “uitvoering en handhaving”
                    is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in het Besluit
                    omgevingsrecht zoals dat op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd.
                    “Uitvoering en handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht en
                    handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo
                    en van de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de
                    toelichting bij artikel 1. Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of
                    handhaving door of in opdracht vanburgemeester en wethouders. De
                    verordening is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken
                    wetten door burgemeester en wethouders zelf of, in opdracht van het college door
                    een omgevingsdienst of een private partij (maar vanwege het college). Uitvoering
                    van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door
                    andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en andere
                    gemeentebesturendie hun verordeningen op basis van hetzelfde model
                    vaststellen, het waterschapsbestuur of de Minister van Infrastructuur en Milieu
                    of de Minister van Economische Zaken, valt buiten het bereik van deze
                    verordening. De uitvoering en handhaving van de Wet bescherming Antarctica of de
                    Kernenergiewet wordt bijvoorbeeld niet door de besturen van gemeenten of
                    provincies uitgeoefend en valt dus buiten deze verordening. Hetzelfde geldt
                    bijvoorbeeld voor de Waterwet voor zover die door het Rijk of door waterschappen
                    wordt uitgevoerd. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van
                    taken <cursief>door of in opdracht van</cursief> het bevoegd gezag wordt gedoeld
                    op de uitvoering door gemeentelijke diensten en regionale uitvoeringsdiensten. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad
                    en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van het Besluit
                    omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit
                    een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethouders.
                    Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de
                    gemeenteraad. </al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze
                    verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met het
                    Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de
                    gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het beleid en
                    zullen toezien op de continuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. </al><al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale) uitvoerings- en
                    handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders, zal daarom plaatsvinden in
                    het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de
                    fysieke leefomgeving, zoals omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en
                    structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang
                    voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht
                    werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                    meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze
                    rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke
                    wetgeving hen biedt en de kaders die zijn op strategisch niveau voor de fysieke
                    leefomgeving in plannen en visies hebben vastgelegd. </al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het
                    college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat stelt. Dat
                    daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt
                    voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de
                    opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het bevoegd
                    gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren voor de
                    kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling
                    (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelmatige en programmatische handhaving,
                    maar zal op grond van de wijziging van de Wabo en het Bor door het wetsvoorstel
                    VTH, ook gaan gelden voor uitvoering (vergunningverlening). Er is dan sprake van
                    een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming
                    plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de
                    omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Bor inhoudelijk
                    open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te geven aan de
                    procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethoudersnaar de
                    kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                    geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking
                    moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er
                    daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die
                    daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspectief van de prestaties en
                    kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisaties. Het gaat dan in ieder
                    geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om
                    financiën. </al><al>In paragraaf 4 van deze toelichting is de herkomst van de in dit artikel
                    gehanteerde begrippen toegelicht. </al><al>Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschriften te geven over de te
                    gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor de bevoegde
                    gezagen, die daarmee in de praktijk al ruime ervaring hebben. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel geeft een verankering aan de kwaliteitscriteria (zie ook de
                    toelichting bij artikel 1, waarin een begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is
                    opgenomen). Lid 1 is opgenomen zodat het college van burgemeester en wethouders
                    de rechtsopvolgers van de kwaliteitscriteria 2.1 expliciet van toepassing moet
                    verklaren. Het strekt ertoe te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de
                    uitvoering van VTH-taken in de praktijk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers
                    om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de
                    betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input
                    leveren voor de kwaliteit. Dat geeft vanzelfsprekend geen garantie dat de doelen
                    die door het college zijn gesteld op grond van artikel 3 ook zonder meer in alle
                    gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen
                    afhankelijk zijn van de goede verrichtingen van de uitvoerende
                    organisaties.</al><al>Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan
                    moeten worden aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke
                    mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages,
                    in de op grond van het Besluit omgevingsrecht op te stellen documenten.</al><al>Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle
                    relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per definitie te wensen zal
                    overlaten. In dit geval zal echter wel gemotiveerd moeten worden waarom de
                    criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde
                    kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria zijn derhalve een cruciaal
                    richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “<cursief>comply or
                        explain</cursief>”. In de provincie Noord-Brabant is binnen een werkgroep,
                    bestaande uit gemeenten (18), provincie en omgevingsdiensten. Brabantbrede
                    explainmodules uitgewerkt (zie toelichting bij artikel 1 en de Handreiking en
                    explainmodules). Daarbij is ook een bodemniveau opgesteld. Dit is een
                    minimumniveau voor de kwaliteit van uitvoering en handhaving in Noord-Brabant en
                    dit minimum kwaliteitsniveau is verankerd in lid 2 van artikel 5. Dit om in de
                    provincie Noord-Brabant voor alle drie de omgevingsdiensten een gelijk speelveld
                    voor de uitvoering van de basistaken te realiseren (conform kwaliteitscriteria
                    2.1) en voor de overige taken is in ieder geval een bodemniveau
                    gerealiseerd.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op de
                    aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in overgangsrecht te
                    voorzien. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>