<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>413741_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Declaratiefonds welzijns-, cultuur- en sportactiviteiten gemeente Baarn 2016 </dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-05</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-128873.html">Gemeenteblad, nr. 128873, 28 december 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Declaratiefonds gemeente Baarn 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights><dcterms:issued>2015-12-16</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-02-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling </overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15RV000087</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Financieel besluit behorende bij de "Verordening Declaratiefonds Welzijns-,
                    Cultuur- en sportactiviteiten 2016 </al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet><cursief>Raadsbesluit</cursief></vet></al><al>Openbaar</al><al>Voorstelnummer: 15RV000087</al><al>Onderwerp: Verordening Declaratiefonds welzijns-, cultuur- en
                        sportactiviteiten gemeente Baarn 2016.</al><al>De raad van de gemeente Baarn </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november
                                2015;</al></li><li nr="-"><al>gehoord het Debat in de raad d.d. 9 december 2015;</al></li><li nr="-"><al>overwegende dat het noodzakelijk en wenselijk is een nieuwe
                                verordening vast te stellen vanwege noodzakelijke en gewenste
                                aanpassingen;</al></li><li nr="-"><al>gelet op –voor zover nodig- op artikel 149 van de gemeentewet en de
                                Algemene wet bestuursrecht;</al><lijst><li nr=""><al>b e s l u i t :</al></li><li nr="1."><al>De "Verordening Declaratiefonds welzijns-, cultuur- en
                                        sportactiviteiten gemeente Baarn 2016" vast te stellen.</al><al></al></li></lijst></li></lijst><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><enig-artikel><al><vet>VERORDENING DECLARATIEFONDS WELZIJNS-, CULTUUR- EN SPORTACTIVITEITEN
                            2016 GEMEENTE BAARN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 1 Doelstelling van het declaratiefonds welzijns- en
                            sportactiviteiten en status regeling</vet></al><al>Het declaratiefonds heeft tot doel het bevorderen en het bereikbaar houden
                        van sociale participatie door het toekennen van een gemeentelijke
                        tegemoetkoming/bijdrage voor het kunnen deelnemen aan welzijns-, cultuur- en
                        sportactiviteiten. Door de verstrekking wordt tevens getracht een bijdrage
                        te leveren aan de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. </al><al><vet>Artikel 2 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Welzijns-, cultuur- en sportactiviteiten: het geheel van
                                activiteiten dat rechtstreeks bijdraagt aan de bevordering van
                                sociale participatie en ligt op het gebied van maatschappelijke
                                activiteiten, sport en recreatie, onderwijs en educatie en (sociaal)
                                culturele activiteiten, zoals deze verder uitgewerkt zijn in de
                                bijlage bij deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>Persoon: inwoner van de gemeente Baarn, ingeschreven in de
                                basisregistratie personen (BRP) op de datum van
                                aanvraagindiening;</al></li><li nr="c."><al>Kind: het eigen kind, stiefkind en/of pleegkind;</al></li><li nr="d."><al>Ten laste komende kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de
                                alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan
                                maken;</al></li><li nr="e."><al> Huishouden:</al><lijst><li nr="1."><al>Twee personen die, gehuwd of samenwonend (of daarmee
                                        gelijkgesteld ingevolge de bepalingen van de
                                        Participatiewet) een gezamenlijke en zelfstandige
                                        huishouding voeren, al dan niet met hun ten laste komende
                                        kinderen;</al></li><li nr="2."><al>Een alleenstaande ouder, zijnde de persoon, die een
                                        zelfstandige huishouding voert met zijn/haar ten laste
                                        komende kinderen;</al></li><li nr="3."><al>Een alleenstaande persoon met een leeftijd van 18 jaar of
                                        ouder, die op het moment van aanvraag een zelfstandige
                                        huishouding voert;</al></li><li nr="4."><al>De persoon, zijnde een niet ten laste komend kind, die woont
                                        bij een of beide ouders;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van Baarn;</al></li><li nr="g."><al>Aanvrager: de persoon die voor een huishouden de aanvraag
                                indient;</al></li><li nr="h."><al>Financieel besluit: een besluit waarin de bedragen voor de
                                basistegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming worden
                                vastgesteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Aanspraak op tegemoetkoming</vet></al><al>Het college verstrekt op aanvraag aan een huishouden een tegemoetkoming in
                        de kosten van deelname aan welzijns- en sportactiviteiten, voor zover deze
                        vallen onder de toegestane kosten ingevolge deze verordening en voor
                        zover:</al><lijst><li nr="-"><al>voldaan wordt aan de voorwaarden van toekenning;</al></li><li nr="-"><al>en het netto inkomen van het huishouden lager dan wel gelijk is aan
                                de inkomensgrens, zoals genoemd in artikel 5;</al></li><li nr="-"><al>en het vermogen lager dan wel gelijk is aan de geldende
                                vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 6. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 De aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming kan eenmaal per kalenderjaar
                                worden ingediend in de periode van 1 februari van het kalenderjaar
                                tot en met 31 januari van het daarop volgende kalenderjaar.</al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag dient ingediend te worden via een daartoe bestemd
                                (digitaal) aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4:2 van de Algemene wet
                                bestuursrecht dienen bij de aanvraag bewijsstukken van inkomen en
                                vermogen te worden geleverd. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van lid 3, hoeft de aanvrager geen bewijsstukken van
                                inkomen en vermogen bij de aanvraag te leveren indien hij/zij een
                                periodieke bijstandsuitkering ontvangt op basis van de
                                Participatiewet.</al></li><li nr="5."><al>Voor zowel de basistegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming
                                zoals genoemd in artikel 7 dient de aanvrager aan te tonen dat
                                hij/zij hier kosten voor maakt in het kalenderjaar waarvoor de
                                aanvraag geldt.</al></li><li nr="6."><al>In afwijking van lid 5 geldt dat een bewijs van inschrijving over
                                het kalenderjaar waarvoor de aanvraag geldt voor een sport- of
                                cultuurvereniging voldoet als bewijsstuk.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5 Inkomensgrens </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De inkomensgrens bedraagt <cursief>120%</cursief> van de geldende
                                basisnorm, zoals genoemd in de artikelen 20, 21 en 22 van de
                                Participatiewet.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van het inkomen van het huishouden wordt vastgesteld op
                                het moment van indiening van de aanvraag.</al></li><li nr="3."><al>Voor wat betreft de vaststelling van het inkomen van het huishouden
                                zijn de bepalingen van de Participatiewet van toepassing. Dit wil
                                zeggen dat bepaalde inkomensbestanddelen en middelen wel en bepaalde
                                inkomensbestanddelen en middelen niet worden meegenomen in de
                                berekening van de hoogte van het inkomen. Een uitzondering op de
                                Participatiewet-bepalingen is dat de kostendelersnorm niet
                                gehanteerd wordt ingevolge deze verordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Vermogensgrens</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vermogensgrens voor het huishouden is de voor het huishouden
                                toepasselijke grens, die genoemd wordt in artikel 34 van de
                                Participatiewet. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van het vermogen van het huishouden wordt vastgesteld op
                                het moment van indiening van de aanvraag.</al></li><li nr="3."><al>Voor wat betreft de vaststelling van het vermogen van het huishouden
                                zijn de bepalingen van de Participatiewet van toepassing. Dit wil
                                zeggen dat bepaalde vermogensbestanddelen en middelen wel en
                                bepaalde vermogensbestanddelen en middelen niet worden meegenomen in
                                de berekening van de hoogte van het inkomen. Een uitzondering op de
                                Participatiewet-bepalingen is dat vermogen in de vorm van een eigen
                                woning die zelf bewoond wordt niet meetelt als vermogen ingevolge
                                deze verordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 De hoogte van de tegemoetkoming</vet></al><al>De hoogte van de basistegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming wordt
                        door het college vastgelegd in een separaat financieel besluit. Per
                        rechthebbend persoon uit het huishouden kan een bepaald maximum basisbedrag
                        gedeclareerd worden. In de bijlage van deze verordening staat aangegeven
                        welke activiteiten en voorzieningen voor declaratie in aanmerking komen. In
                        de situaties waar ten laste komende kinderen tot het huishouden behoren zijn
                        deze kinderen ook rechtgevenden. Voor kinderen van 4 tot 18 jaar kan een
                        aanvullende tegemoetkoming gedeclareerd worden. Het bedrag dat uitgaat boven
                        de basistegemoetkoming dient aangewend te worden voor sport- en/of
                        cultuuractiviteiten van het rechtgevende kind. </al><al><vet>Artikel 8 Controle rechtmatigheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uit de bewijsstukken van artikel 4, lid 5 en 6 moet blijken dat
                                redelijkerwijs aangenomen kan worden dat het volledige bedrag benut
                                zal worden over het kalenderjaar waarvoor de aanvraag geldt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan op basis van een steekproef de aanvrager na afloop
                                van het kalenderjaar vragen om de volledige besteding van de
                                ontvangen tegemoetkoming(en) uit artikel 7 aan te tonen, indien bij
                                de aanvraag niet het volledig aangevraagde bedrag is
                                aangetoond.</al></li><li nr="3."><al>Met inachtneming van lid 2 dient de aanvrager de bewijsstukken voor
                                het resterende bedrag te bewaren tot en met het kalenderjaar dat
                                volgt op het jaar waarvoor de aanvraag is ingediend.</al></li><li nr="4."><al>Als uit de steekproef blijkt dat de aanvrager niet het volledig
                                toegekende bedrag heeft besteed, wordt het gedeelte dat niet is
                                besteed in mindering gebracht op een tegemoetkoming in een volgende
                                kalenderjaar.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Hardheidsclausule, financieel besluit en nadere
                        regels</vet></al><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist het college. Het
                        college is tevens bevoegd een financieel besluit en/of nadere regels vast te
                        stellen.</al><al><vet>Artikel 10 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Declaratiefonds gemeente
                        Baarn 2016.</al><al><vet>Artikel 11 Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De “Verordening Declaratiefonds welzijns-, cultuur- en
                                sportactiviteiten gemeente Baarn 2016” treedt in werking met ingang
                                van 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Op het tijdstip genoemd in lid 1 wordt de “Verordening
                                Declaratiefonds welzijns- en sportactiviteiten 2009”
                                ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de “Verordening Declaratiefonds
                                welzijns- en sportactiviteiten 2009” en waarop nog niet is beslist
                                bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld
                                krachtens deze verordening.</al></li><li nr="4."><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit van de “Verordening
                                Declaratiefonds welzijns- en sportactiviteiten 2009”, wordt beslist
                                met inachtneming van deze verordening.</al><al></al></li></lijst></enig-artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld in de openbare vergadering, </al><al>op 16 december 2015</al><al>griffier voorzitter</al><al></al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING “VERORDENING DECLARATIEFONDS WELZIJNS-, CULTUUR- EN
                        SPORTACTIVITEITEN 2016”</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Via het declaratiefonds wordt aan de inwoners van de gemeente Baarn met een laag
                    inkomen de mogelijkheid geboden om deel te nemen aan welzijns-, cultuur- en
                    sportactiviteiten in ruime zin. Een laag inkomen kan namelijk als ongewenst
                    neveneffect hebben dat de betrokkenen in een sociaal isolement dreigen te raken.
                    Door middel van het declaratiefonds kan voor een belangrijk deel de budgettaire
                    drempel worden verlaagd, zodat welzijns-, cultuur- en sportactiviteiten voor
                    mensen met een laag inkomen toegankelijk blijven. Dit draagt weer mede bij aan
                    een gezonde(re) levensstijl met alle gunstige gevolgen die daarbij horen.</al><al>Bij het instellen van een declaratiefonds hebben de volgende punten centraal
                    gestaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een nuttige en rechtvaardige regeling afgestemd op het doel waarvoor
                            deze in het leven geroepen is. Dit is het daadwerkelijk vergroten van de
                            mogelijkheden tot deelname aan welzijns-, cultuur- en
                            sportactiviteiten;</al></li><li nr="2."><al>een zo eenvoudig mogelijke aanvraag en afhandelingsprocedure. Enerzijds
                            om de cliënt een laagdrempelige voorziening te bieden. Anderzijds een
                            regeling voor de gemeente met lage uitvoeringskosten.</al></li></lijst><al><vet>Artikelsgewijze toelichting. </vet></al><al><onderstreept>Artikel 1</onderstreept></al><al>Van een zelfstandige huishouding is bij wijze van uitzondering ook sprake bij
                    bewoners van een woon-zorgcentrum, zoals bijvoorbeeld Santvoorde en Schoonoord,
                    mits voldaan wordt aan de inkomens en vermogensbepalingen. Personen die
                    verblijven in WLZ bekostigde verpleeginrichtingen, zoals bijvoorbeeld bewoners
                    van de Amerpoort ASVZ of Sherpa worden niet geacht een zelfstandige huishouding
                    te voeren voor deze regeling.</al><al><onderstreept>Artikel 2</onderstreept></al><al>De begripsbepaling van welzijns-, cultuur- en sportactiviteiten is heel ruim.
                    Zie voor een totaalbeschrijving de bij deze verordening behorende bijlage. De
                    bedoeling is om zoveel mogelijk activiteiten te stimuleren en voor
                    tegemoetkoming in aanmerking te laten komen. Niet alleen is dat voor de
                    rechthebbende plezierig maar ook is dat voor de uitvoering eenvoudiger. De term
                    rechtstreeks in de omschrijving houdt in dat het moet gaan om de kosten van de
                    welzijns-, cultuur- en/of sportactiviteit zelf en niet om de bijkomende kosten,
                    zoals bijvoorbeeld reiskosten die gemaakt moeten worden om een activiteit te
                    bezoeken, kledingkosten voor een sportactiviteit of aanschaf van een (mobiel)
                    telefoontoestel. Voor de doelgroep kinderen van 4 tot 18 jaar waarvoor een
                    aanvullende tegemoetkoming geldt (zie artikel 7 plus toelichting) geldt dat het
                    bedrag van de tegemoetkoming dat uitgaat boven de basistegemoetkoming volledig
                    aangewend moet voor sport- en/of cultuuractiviteiten.</al><al><onderstreept>Artikel 3</onderstreept></al><al>Voor de doelgroep is de aard van het inkomen niet bepalend en daarmee is de
                    voorziening niet beperkt tot uitkeringsgerechtigden. Ook personen, die
                    bijvoorbeeld een inkomen uit arbeid of studiebeurs ontvangen komen in beginsel
                    in aanmerking. Indien het inkomen of vermogen hoger is dan de geldende grenzen
                    is een tegemoetkoming niet mogelijk. Om de regeling niet onnodig bewerkelijker
                    te maken is niet gekozen voor gedeeltelijke tegemoetkoming middels een
                    draagkrachtberekening o.i.d. bij hogere inkomens dan het grensinkomen.</al><al><onderstreept>Artikel 4</onderstreept></al><al>In dit artikel is bepaald dat ieder huishouden slechts éénmaal per kalenderjaar
                    een aanvraag kan indienen. </al><al>Gevraagde inkomens- en vermogensgegevens/bewijzen zoals aangegeven op het
                    aanvraagformulier en bestedingsbewijzen dienen aangeleverd te worden door de
                    aanvrager. Als de aanvrager een periodieke bijstandsuitkering op basis van de
                    Participatiewet ontvangt, is dit bekend bij het college en is het dus niet nodig
                    dat deze inkomens- en vermogensgegevens aangeleverd en getoetst worden. De
                    aanvrager voldoet daarmee aan artikel 5 en artikel 6. Er is bij het
                    declaratiefonds sprake van een doelverstrekking, dat houdt in dat bewijzen
                    omtrent besteding van de tegemoetkoming overgelegd moeten worden. Zie voor de
                    wijze en tijdstip hiervoor ook artikel 8 en de toelichting daarop.</al><al><onderstreept>Artikel 5</onderstreept></al><al>In dit artikel staat aangegeven waar beneden het inkomen van het huishouden moet
                    blijven. Dit is gerelateerd aan de bijstandsnormen. Bijstand wordt echter
                    afgestemd op het wel of niet kunnen delen van kosten met anderen. Voor
                    afhandeling van aanvragen van het declaratiefonds zou het te ver gaan en te
                    ingewikkeld worden om vast te stellen welke verlaging c.q. toeslag van
                    toepassing zou zijn. </al><al><onderstreept>Artikel 6</onderstreept></al><al>Als het vermogen te hoog is, is er geen recht op een tegemoetkoming ingevolge
                    het declaratiefonds. Voor wat betreft de hoogte van het vrij te laten vermogen
                    is aansluiting gezocht bij de vermogensbepalingen in de Participatiewet. In
                    artikel 34 van de Participatiewet staat aangegeven met welke
                    vermogensbestanddelen wel of geen rekening gehouden moet worden. Tevens staat in
                    dit artikel de vermogensgrens aangegeven. Uitzondering is dat er bij de bepaling
                    van het vermogen voor het declaratiefonds geen rekening hoeft te worden gehouden
                    met vermogen in de vorm van een eigen en bovendien zelf bewoonde woning.</al><al><onderstreept>Artikel 7</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt voor de hoogte van de tegemoetkoming per rechtgevend
                    persoon verwezen naar het financieel besluit dat het college vast zal stellen.
                    Er is geen begrenzing naar het aantal gezinsleden. De maximumtegemoetkoming is
                    het aantal rechtgevende gezinsleden maal de basistegemoetkoming uit het
                    financieel besluit. Voor kinderen van 4 tot 18 jaar bedraagt de
                    maximumtegemoetkoming de basistegemoetkoming plus de aanvullende tegemoetkoming.
                    Het bedrag dat uitgaat boven de basistegemoetkoming, moet aantoonbaar aangewend
                    worden voor sport- en/of cultuuractiviteiten van dat kind. Desgewenst kunnen het
                    basisbedrag en de aanvullende tegemoetkoming samen aangewend worden voor sport-
                    en cultuuractiviteiten. Voor wat betreft de leeftijdsgrens kan een eerste
                    tegemoetkoming verleend worden over het jaar waarin het kind 4 jaar wordt. Een
                    laatste tegemoetkoming kan worden verleend over het jaar waarin het kind 18 jaar
                    wordt. De bedragen moeten wel naar de afzonderlijke gezinsleden toegerekend
                    kunnen worden. Als voor het ene gezinslid wel declaraties worden ingediend en
                    voor het andere niet dan zal de tegemoetkoming lager uitvallen dan het voor het
                    huishouden geldende maximumbedrag. Zie voor de kostenverantwoording de
                    toelichting bij artikel 8.</al><al><onderstreept>Artikel 8</onderstreept></al><al>Uit de bewijzen moet blijken dat het aannemelijk is dat de aanvrager het
                    volledige aangevraagde bedrag besteed gedurende het kalenderjaar waarvoor de
                    aanvraag is ingediend.</al><al>Veelal wordt uit een maandelijkse (automatische) betaling/incasso duidelijk dat
                    er over een heel kalenderjaar voldoende kosten worden gemaakt om het
                    aangevraagde bedrag aan te tonen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de
                    abonnementskosten voor een alles-in-1-pakket voor internet, bellen en telefonie
                    of de contributiekosten voor een vereniging. Om de administratieve last voor de
                    aanvrager te verminderen, is het voldoende één maandelijkse betaling aan te
                    tonen bij de aanvraag. Voor de aanvullende tegemoetkoming blijft artikel 4 lid 5
                    wel van toepassing. Per rechthebbend kind tussen de 4 en 18 jaar moet aangetoond
                    worden dat hij/zij is ingeschreven bij een sport- of cultuurvereniging en/of dat
                    er kosten gemaakt worden zoals in de bijlage staat omschreven.</al><al>Op deze manier blijft het mogelijk om per 1 februari de volledige
                    basistegemoetkoming en eventuele aanvullende tegemoetkoming(en) aan te vragen.
                    De kosten die in januari van dat jaar gemaakt worden, kunnen dan bij de aanvraag
                    aangetoond worden. </al><al>Nieuw is dat het college de mogelijkheid heeft om op basis van steekproef te
                    controleren of het aangevraagde en toegekende bedrag volledig is besteed. Indien
                    uit de steekproef blijkt dat het bedrag niet volledig is besteed, wordt het
                    gedeelte dat niet is besteed in mindering gebracht wanneer de aanvrager in een
                    volgend kalenderjaar een aanvraag indient. Het college kan dus geen bedragen
                    terugvorderen.</al><al>Omdat het niet redelijk is om de aanvrager de bewijsstukken meerdere jaren te
                    laten bewaren, kan het college hooguit één kalenderjaar terugvragen. De
                    aanvrager moet de bewijsstukken bewaren tot en met het jaar dat volgt op het
                    jaar waarover de tegemoetkoming is verleend. Als voorbeeld: doet de aanvrager
                    zijn aanvraag op 22 februari 2016, dan moet hij de bewijsstukken bewaren tot en
                    met 31 december 2017. </al><al><onderstreept>Artikel 9</onderstreept></al><al>Het is niet mogelijk de zaken uitputtend te regelen. In die gevallen waarbij de
                    verordening geen uitsluitsel biedt beslist het college. Hierbij zal het
                    voornamelijk gaan om individuele situaties. Tevens kan het college als de
                    uitvoering van de verordening dat nodig maakt nadere regels vaststellen. Hierbij
                    zal veelal gaan om het regelen van algemene(r)e zaken. </al><al><onderstreept>Artikel 10</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><al><onderstreept>Artikel 11</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><al></al><al><vet>Bijlage behorende bij de Verordening Declaratiefonds welzijns- cultuur- en
                        sportactiviteiten 2016.</vet></al><al>De volgende categorieën van activiteiten en voorzieningen komen voor de
                    basistegemoetkoming in aanmerking.</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Algemeen (ondersteunende) maatschappelijke activiteiten:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Lidmaatschap van belangenorganisaties;</al></li><li nr="b."><al>Lidmaatschap vak-/ ouderenbond;</al></li><li nr="c."><al>Lidmaatschap consumentenorganisaties;</al></li><li nr="d."><al>Lidmaatschap ideële organisaties;</al></li><li nr="e."><al>Lidmaatschap organisatie van minderheden;</al></li><li nr="f."><al>Abonnement op een krant/tijdschrift;</al></li><li nr="g."><al>Abonnementskosten telefoon, gesprekskosten telefoon,
                                    telefoonkaart mobiele telefoon;</al></li><li nr="h."><al><cursief>Abonnementskosten internet</cursief></al></li><li nr="i."><al>Kinderopvang, peuterspeelzaalopvang.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Sport en recreatie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Zwemkaartjes, -abonnement;</al></li><li nr="b."><al>Zwemles;</al></li><li nr="c."><al>Lidmaatschap sport-, hobby- en of cultuurvereniging*;</al></li><li nr="d."><al>Toegangskaarten/abonnementen voor sportverenigingen*;</al></li><li nr="e."><al>Sportieve recreatie-activiteiten;</al></li><li nr="f."><al>Lidmaatschap speeltuin- en tuindersvereniging;</al></li><li nr="g."><al>Deelname aan fitness-, sportcentra etc.</al></li></lijst></li></lijst><al>*Voor kinderen van 4 tot 18 jaar die een aanvullende tegemoetkoming krijgen voor
                    sport- en/of cultuuractiviteiten (artikel 7 van de verordening) mag de
                    tegemoetkoming naast de betaling van contributie ook worden aangewend voor de
                    aanschaf van sportkleding en sportattributen die nodig zijn voor de
                    desbetreffende sport, alsmede voor cultuuractiviteiten.</al><lijst><li nr="3."><al><vet>(Sociaal-) culturele activiteiten:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Museumjaarkaart;</al></li><li nr="b."><al>Cultureel jongerenpaspoort;</al></li><li nr="c."><al>Educatieve tijdschriften of boeken op het gebied van
                                    cultuur</al></li><li nr="d."><al>Kortingspassen/ voordeelurenkaart NS</al></li><li nr="e."><al>Toegangsbewijs/abonnement voor culturele voorstellingen (muziek,
                                    toneel, dans, cabaret etc.);</al></li><li nr="f."><al>Entreebewijs/abonnement voor evenementen;</al></li><li nr="g."><al>Deelname aan cursussen en/of activiteiten op cultureel
                                    terrein;</al></li><li nr="h."><al>Deelname aan cursussen en/of activiteiten op sportief
                                    terrein;</al></li><li nr="i."><al>Lidmaatschap bibliotheek;</al></li><li nr="j."><al>Deelname kunstzinnige/creatieve vorming;</al></li><li nr="k."><al>Lidmaatschap buurt-/wijkvereniging;</al></li><li nr="l."><al>Lidmaatschap jeugdclub, scouting etc.;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Onderwijs/educatie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Bijkomende kosten basis/voortgezet onderwijs (schoolreisje
                                    e.d.);</al></li><li nr="b."><al>Deelname aan cursussen en/of activiteiten op educatief
                                    terrein;</al></li><li nr="c."><al>Deelname vormingswerk;</al></li><li nr="d."><al>Deelname natuur/milieu-educatie.</al></li></lijst></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>