<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR413313_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsnota Archeologie Urk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Urk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Urk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsnota Archeologie Urk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Archeologische Monumentenzorg</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Ruimtelijke Ordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015.07115</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-51598</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-51599</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsnota Archeologie Urk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.Inleiding en doelstelling project</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente Urk heeft aangegeven te willen komen tot een
                            archeologiebeleid, voortbouwend op de reeds opgestelde Archeologische
                            Basiskaart Urk (ABU). </al><al>Naar aanleiding van de uitbreiding van het grondgebied van de gemeente
                            in 2001 is een archeologische basiskaart gemaakt. Deze is door de Raad
                            in 2005 vastgesteld. De basiskaart geeft aan waar archeologische waarden
                            in de bodem van het grondgebied van Urk kunnen voorkomen. Naast een
                            basiskaart is een beleidskaart noodzakelijk, die aangeeft hoe met deze
                            waarden dient te worden omgegaan binnen bestemmingsplannen. De gemeente
                            is autonoom in haar archeologiebeleid mits de beslissing hieromtrent
                            goed gemotiveerd wordt. Stelt de gemeente geen beleid vast dan is de
                            landelijke wetgeving van kracht die uitgaat van het basisprincipe dat
                            archeologische bodemschatten ‘in situ’ bewaard dienen te worden en dat
                            de ‘verstoorder’ betaalt. Is door planontwikkeling het niet mogelijk om
                            de bodemschatten ongeroerd te laten dan dient een ‘veiligstellende
                            opgraving’ te worden verricht. </al><al>Omdat een veiligstellende archeologische opgraving kostbaar en
                            tijdrovend is, is de archeologische basiskaart van 2005 nog eens
                            kritisch bekeken. Dit heeft met name geresulteerd in een verkleining van
                            het gebied met een hoge archeologische verwachting langs de Urkerweg.
                            Ook zijn op het oude eiland gradaties (zone´s) aangebracht m.b.t. de
                            mate van archeologische vindplaatsen. </al><al>De voorliggende Archeologische Beleidskaart Urk is een vertaling van de
                            al bestaande en bijgewerkte Archeologische waarden- en
                            verwachtingenkaart. Op de voorliggende beleidskaart worden per
                            verwachtingseenheid de vergunningplicht, de oppervlakte en diepte
                            vrijstelling en de te stellen randvoorwaarden aan archeologisch
                            onderzoek benoemd. </al><al>Het primaire doel van een archeologiebeleid is het inzichtelijk maken
                            van de aanwezige waarden, en eventueel daaruit voortvloeiende
                            beperkingen, voor de spelers binnen de ruimtelijke ordening. </al><al>Voor het rapport is gebruik gemaakt van de bestaande rapportage voor de
                            ABU (Oudhof en Gouw 2003). Deze teksten zijn te herkennen aan de
                            inspringing en het kleine lettertype.</al><al/><al><vet>2.Juridische en planologische inkadering
                            archeologiebeleid</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt het kader geschetst waarbinnen de gemeente Urk
                            haar eigen archeologiebeleid kan opstellen.</al><al/><al><vet>2.1 Rijk</vet></al><al><cursief>Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ)</cursief></al><al>De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking
                            van het Europese Verdrag van Malta (Valetta). De wet is een raamwet die
                            gezien moet worden als een verzameling van aanpassingen en wijzigingen
                            binnen bestaande wetten, te weten: een wijziging van de monumentenwet
                            1988, de wet milieubeheer, de woningwet en de ontgrondingenwet. </al><al>De WAMZ regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke
                            plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. </al><al>De uitgangspunten zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem (in situ)
                                    bewaren.</al></li><li nr="·"><al>Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met
                                    archeologie. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij
                                    werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering hiervan
                                    wordt geregeld via bestemmingsplannen en vrijstellingen, de
                                    mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen.</al></li><li nr="·"><al>Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke
                                    opgravingen (principe verstoorder betaalt). </al></li></lijst><al>De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) –en namens deze
                            de Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed - is vanuit de Wamz wettelijk
                            adviseur voor de Commissie voor de milieueffectrapportage. In de
                            praktijk treedt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) zeer
                            terughoudend op.Op grond van artikel 3, lid 1, in de Monumentenwet 1988
                            kan de minister van OCW beschermdemonumenten aanwijzen. Bodemingrepen op
                            wettelijk beschermde monumenten zijn op grond vanartikel 11, lid 2
                            vergunningplichtig. De gemeente Urk kent echter geen vanuit het Rijk
                            aangewezen wettelijk beschermde archeologische terreinen.</al><al>Het Rijk neemt via de RCE deel aan de Planologische OmgevingsCommissie
                            Flevoland (POCF). Hierin heeft de RCE een adviesfunctie. De RCE ziet er
                            via de POCF op toe dat provincie en gemeenten in hun plannen rekening
                            houden met het behoud van belangrijke archeologische waarden. Als
                            advieskader hiervoor hanteert de RCE de Archeologische Monumentenkaart
                            (AMK), de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) en het
                            centraal Archeologische Informatiesysteem (ARCHIS). </al><al>In 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor behoud
                            en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien worden er
                            een aantal nieuwe bepalingen aan toegevoegd. Samen met de nieuwe
                            Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het
                            cultureel erfgoed mogelijk. </al><al/><al><vet>2.2 Provincie</vet></al><al>Sinds de invoering van de WAMZ en de nieuwe Wro is de provincie alleen
                            nog bevoegd gezag voor archeologie bij ontgrondingsvergunningen. Bij
                            hoge uitzondering treedt de provincie ook binnen de
                            omgevingsvergunningsprocedure als bevoegd gezag op. Wel heeft de
                            provincie Flevoland grote invloed verkregen op de archeologie binnen het
                            omgevingsvergunningstraject door hierover expliciete regels op te nemen
                            in het <cursief>Omgevingsplan Flevoland 2006</cursief>, in de
                                <cursief>Cultuurnota-2013-2016</cursief>en in de
                                <cursief>Beleidsregel archeologie en ruimtelijke ordening
                                2008.</cursief>De <cursief>Verordening voor de fysieke leefomgeving
                                Flevoland</cursief> bevat geen voorschriften ten aanzien van de
                            gemeentelijke planprocedures, maar wel ten aanzien van de archeologische
                            onderzoeksplicht bij ontgrondingsvergunningaanvragen.</al><al>Kort worden de belangrijkste aspecten uit het provinciale omgevingsplan
                            en de beleidsregel aangehaald.</al><al><vet><cursief>Omgevingsplan Flevoland 2006</cursief></vet></al><al><cursief>“In het archeologiebeleid maakt de provincie een onderscheid in
                                Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en),
                                archeologische aandachtsgebieden en de Top-10 archeologische
                                locaties. Deze gebieden en locaties acht de provincie van
                                provinciaal belang. De provincie zal het beleid voor de PArK'en en
                                de Top-10 archeologische locaties nader uitwerken. De uitwerking van
                                de archeologische aandachtsgebieden is een gemeentelijke
                                verantwoordelijkheid. Er zijn vier PArK'en, te weten:
                                Rivierduingebied Swifterbant, Unesco-monument Schokland,
                                    <onderstreept>Urk en omgeving</onderstreept> en Omgeving
                                Kuinderschans en Kuinderburchten. De provincie richt zich in PArK'en
                                op de ontsluiting en integrale instandhouding van de archeologische
                                waarden in samenhang met aardkundige en landschappelijke waarden.
                                Dit betekent dat archeologische waarden in PArK'en in principe niet
                                mogen worden geroerd. Aanvullend hierop en voor zover noodzakelijk
                                en mogelijk, nemen de provincie en gebiedspartners in PArK'en
                                maatregelen om de achteruitgang in kwaliteit van archeologische
                                waarden, als gevolg van bijvoorbeeld verdroging en verzuring, te
                                stoppen dan wel te vertragen. In 2015 moet sprake zijn van
                                structurele ontsluiting, bescherming en beheer (monitoring en
                                instandhouding) van alle PArK'en. </cursief></al><al><cursief>Naast de PArK'en heeft de provincie een Top-10 van
                                archeologische locaties samengesteld uit de vele honderden
                                archeologische locaties die Flevoland rijk is. De Top-10
                                vertegenwoordigt een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie.
                                De provincie vindt het van wezenlijk belang dat de Top-10 locaties
                                behouden blijven. In de bescherming en instandhouding van
                                individuele archeologische locaties geeft de provincie voorrang aan
                                de Top-10 locaties. Archeologische aandachtsgebieden zijn gebieden
                                met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde
                                archeologische waarden. Zij omvatten delen van de prehistorische
                                stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem, waarin onder andere
                                nederzettingen van de Swifterbantcultuur liggen. De inzet in
                                archeologische aandachtsgebieden beperkt zich tot het opsporen en
                                het planologisch beschermen, dan wel - indien niet anders mogelijk -
                                opgraven van individuele archeologische waarden. Terreinen die op de
                                landelijke Archeologische MonumentenKaart (AMK) staan vallen onder
                                de aandachtsgebieden, met dien verstande dat ze in principe altijd
                                planologische bescherming moeten krijgen.”</cursief></al><al><vet><cursief>Beleidsregel archeologie en ruimtelijke ordening
                                    2008</cursief></vet></al><al>In beleidsregel geven GS aan hoe zij verwachten dat gemeenten met de
                            archeologische waarden, zoals omschreven in het Omgevingsplan Flevoland
                            2006, omgaan. De beleidsregels geven ook aan in welke gevallen
                            Gedeputeerde Staten zienswijzen zullen indienen.</al><al><cursief>“In bestemmingsplannen, projectbesluiten, wijzigings- en
                                uitwerkingsplannnen dienen behoudenswaardige archeologische waarden
                                en hoge archeologische verwachtingen te zijn gekoppeld aan het
                                bouwverbod en/of te zijn opgenomen in stelsels van
                                aanlegvergunningen, waarbij ingrepen die de archeologische waarde of
                                verwachting kunnen beschadigen, vernietigen of
                                    <onderstreept>ontoegankelijk maken</onderstreept>,
                                vergunningplichtig moeten zijn.”</cursief></al><al><cursief>“In ieder geval behoudenswaardig zijn archeologische waarden
                                die op de Archeologische MonumentenKaart (AMK) staan. In de
                                Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK‘en) is
                                sprake van archeologische ensembles. Dat wil zeggen dat
                                archeologische waarden die in deze gebieden liggen op het
                                KNA-waarderingscriterium ‘ensemblewaarde’ altijd hoog scoren (i.e.
                                een maximale score van 3).”</cursief></al><al><cursief>“In principe mogen behoudenswaardige archeologische waarden
                                niet worden geroerd of verstoord. Maar indien niet anders mogelijk,
                                dat wil zeggen in het geval van een ‘zwaarder wegend belang’, mogen
                                behoudenswaardige archeologische waarden worden veiliggesteld door
                                middel van archeologische opgraving. In de afweging of er sprake is
                                van een zwaarder wegend belang weegt een collectief belang zwaarder
                                dan een individueel belang en weegt een situatie waarvoor geen
                                alternatieven zijn zwaarder dan een situatie waarvoor wel
                                alternatieven zijn. Per geval zal Gedeputeerde Staten beoordelen in
                                hoeverre er sprake is van een zwaarder wegend
                            belang.”</cursief></al><al>Het aanwijzen van een attentiegebied is een wettelijk recht (instrument)
                            dat de provincie toekomt. In het archeologiebeleid van de provincie
                            Flevoland wordt het aanwijzen van een attentiegebeid wel als
                            mogelijkheid genoemd, maar in de praktijk zelden toegepast. De provincie
                            Flevoland heeft in haar beleid (omgevingsplan) geen attentiegebieden
                            aangewezen, maar wel aandachtsgebieden: de PArK’en. Dit verschil in
                            terminologie is essentieel, want een aandachtsgebied is geen wettelijk
                            instrument en kan niet worden ingezet als juridische en beschermende
                            maatregel. Wel beschikt de provincie op grond van de Wro over het recht
                            zienswijzen in te dienen op bestemmingsplannen en aansluitend een
                            reactieve aanwijzing te geven indien de gemeente naar het oordeel van de
                            provincie onvoldoende recht doet aan de provinciale belangen. Met een
                            reactieve aanwijzing stelt de provincie delen van een gemeentelijk
                            bestemmingsplan buiten werking. Daarmee wordt een gemeente alsnog
                            gedwongen uitvoering te geven aan het provinciale omgevingsplan.</al><al>Daarnaast beschikt de provincie over bevoegdheden ten aanzien van het
                            bekendmaken van een voorbereidingsbesluit, het opstellen van een
                            inpassingsplan en het opstellen van een verordening.</al><al>Feitelijk dwingt de provincie Flevoland via het omgevingsplan en de
                            beleidsregel de provinciale visie ten aanzien van de omgang met
                            archeologie één-op-één over te nemen in gemeentelijke
                            bestemmingsplannen. Vooroverleg met de provincie is dus van belang bij
                            het tot stand komen van het archeologiebeleid, zodat er voor de
                            provincie geen reden meer is om gebruik te maken van de haar toegekende
                            instrumenten.</al><al/><al><vet>2.3 Gemeente</vet></al><al>Binnen het wettelijk kader hebben de gemeenten de verantwoordelijkheid
                            gekregen om zorg te dragen voor een goede omgang met archeologisch
                            erfgoed binnen hun grondgebied. Tegen deze achtergrond is de
                            belangrijkste stap het opstellen en actueel houden van beleid, waarin
                            wordt geregeld hoe binnen de gemeente wordt omgegaan met het
                            archeologisch bodemarchief. Een dergelijk gemeentelijk beleid dient
                            zodanig te worden opgesteld dat het aansluit bij de wettelijk bepaalde
                            uitgangspunten met betrekking tot de AMZ. De gemeente wordt daarmee het
                            bevoegd gezag inzake archeologie. Met onderhavig beleid neemt de
                            gemeente Urk haar verantwoordelijkheid voor een zorgzame omgang met het
                            archeologisch erfgoed in balans met alle andere maatschappelijke
                            belangen. </al><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Het bestemmingsplan is een juridisch document dat de ruimtelijke
                            ordening bepaalt. Een bestemmingsplan geeft de "bestemming" van een
                            gebied of de bestemmingen in dat gebied aan. Het projectgebied omvat
                            verschillende bestemmingsplannen in verschillende gemeenten. Per
                            bestemmingsplan zijn verschillende voorwaarden verbonden op het gebied
                            van archeologie. </al><al>Op de plankaart geeft de gemeente het gebied of de gebieden met
                            archeologische (verwachtings)waarde aan. Dit kan via de aanduiding
                            “Waarde-Archeologie-X”. Deze aanduiding moet in de planregels bij de
                            desbetreffende (dubbel)bestemming terugkomen. Bij de
                            doeleindenomschrijving wordt dan vermeld dat de gronden mede zijn
                            bestemd voor het behoud van archeologische waarden.</al><al>De dubbelbestemmingen archeologie zijn gekoppeld aan oppervlakte- en
                            dieptecriteria die aangeven welke ingrepen
                            (omgevings)vergunningsplichtig zijn en welke niet (zie hiervoor
                            hoofdstuk 5.2). </al><al/><al><vet>2.4 Externe middelen om archeologie goed in bestemmingsplannen te
                                verankeren</vet></al><al>Diverse partijen kunnen bezwaar maken tegen een voorgenomen
                            bestemmingsplan van Urk: Rijk, provincie, burgers en
                            belangenorganisaties. Binnen de gemeente Urk is er geen vereniging of
                            belangenorganisatie die zich direct inzet voor de archeologie. Wel is er
                            een stichting ‘vrienden van Urk’ die zich inzet voor de historische
                            aspecten. </al><al>In onderstaande tabel wordt uiteengezet welke instrumenten de
                            verschillende groepen eventueel hebben om bezwaar te maken tegen
                            bestemmingsplannen.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="34*"/><colspec colname="col2" colwidth="29*"/><colspec colname="col3" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Instrument/middel</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Relevante wet voor Urk</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Door wie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zienswijze</al></entry><entry colname="col2"><al>Wro art 3.6 lid 4</al></entry><entry colname="col3"><al>Burgers/belangenorganisaties</al><al>Provincie</al><al>Rijk</al><al>Belangenorganisaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bezwaar bij de gemeente Urk</al></entry><entry colname="col2"><al>Awb afd 3.4</al></entry><entry colname="col3"><al>Een ieder die een zienswijze heeft ingediend</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beroep bij de administratieve rechter</al></entry><entry colname="col2"><al>Awb afd 3.4</al></entry><entry colname="col3"><al>Idem</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoger beroep bij de Raad van State</al></entry><entry colname="col2"><al>Awb afd 3.4</al></entry><entry colname="col3"><al>Idem</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aanwijzing (buiten werking stellen deel gemeentelijk
                                                bestemmingsplan)</al></entry><entry colname="col2"><al>Wabo art 4.2</al></entry><entry colname="col3"><al>Provincie en het Rijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voorbereidingsbesluit inpassingsplan</al></entry><entry colname="col2"><al>Wro art 4.2</al></entry><entry colname="col3"><al>Provincie of het Rijk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inpassingsplan (aanvulling/vervanging op/van
                                                gemeentelijk bestemmingsplan. GS wordt gevoegd
                                                gezag)</al></entry><entry colname="col2"><al>Wabo art 3.26 lid 1</al></entry><entry colname="col3"><al>Provincie en het Rijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verordening of amvb (nadere regels stellen aan
                                                gemeentelijk bestemmingsplan)</al></entry><entry colname="col2"><al>Wabo art 4.1</al></entry><entry colname="col3"><al>Provincie resp. het Rijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ontgrondingsvergunning (indirect)</al></entry><entry colname="col2"><al>Ontgrondingswet</al></entry><entry colname="col3"><al>Provincie</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.Overzicht van aanwezige archeologische waarden en uitgevoerd
                            onderzoek</al><al>In onderstaande tabel wordt aangegeven in welke hoeveelheden bepaalde
                            archeologische zaken op Urk voorkomen. De aansluitende tekst licht deze
                            zaken toe.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Categorie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aantal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beschermd dorpsgezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beschermde archeologische monumenten</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AMK terreinen </al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Provinciale archeologische monumenten</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemeentelijke archeologische monumenten</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderzoeksmeldingen</al></entry><entry colname="col2"><al>35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderzoeken</al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Waarnemingen</al></entry><entry colname="col2"><al>55</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Beschermd dorpsgezicht</cursief></vet></al><al>Op 30 juni 2007 werd het voormalige eiland Urk door de ministers
                            Plasterk en Cramer, op grond van de Monumentenwet, aangewezen als
                            beschermd dorpsgezicht. De aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht houdt
                            o.a. in dat de bebouwingskarakteristiek in het dorp (Wijk 1 t/m 8 en
                            Bornholmlaan) vanwege schoonheid en samenhang niet zomaar gesloopt,
                            gewijzigd of verbouwd mag worden. Hiervoor is toestemming dan wel een
                            omgevingsvergunning nodig. De aanvraag omgevingvergunning wordt o.a.
                            getoetst aan de Welstandsnota en het Beeldkwaliteitplan. De
                            Welstandsnota geeft aan dat in de historische omgeving van het oude dorp
                            slechts traditionele materialen mogen worden gebruikt. Alleen bij gewoon
                            onderhoud, zonder dat het materiaal en/of de kleur en/of de uitvoering
                            wijzigt, kunnen de werkzaamheden zonder toestemming worden uitgevoerd.
                            Doordat buiten invloedsfeer van het beschermd gebied het vergunningvrije
                            bouwen ruimer is, heerst de mening dat dit ook van toepassing is binnen
                            het beschermd gebied. Vooral het toepassen van moderne (met name
                            kunststof) producten komt voor. Tegen het gebruik van moderne materialen
                            wordt handhavend opgetreden. Zowel voor de gemeente als de uitvoerder is
                            het achteraf verwijderen hiervan niet wenselijk. Binnen het beschermd
                            dorpsgezicht (Wijk 1 t/m 8) kent de gemeente Urk subsidiefaciliteiten
                            voor werkzaamheden aan het casco van het pand. Meer informatie hierover
                            kunt u vinden op de site van de gemeente Urk
                                <onderstreept>www.urk.nl</onderstreept> onder de naam
                            “Subsidieverordening Stedelijke Vernieuwing Urk 2009”.</al><al><vet><cursief>AMK-terreinen </cursief></vet>Urk heeft 5 AMK-terreinen.
                            Er is 1 terrein van zeer hoge archeologische waarde en er zijn 4
                            terreinen van hoge archeologische waarde. Urk heeft geen beschermde
                            AMK-terreinen. In onderstaande tabel zijn de beschrijvingen van de
                            AMK-terreinen opgenomen, overgenomen uit Archis. </al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1693</al></entry><entry colname="col2"><al>Kavel D134</al></entry><entry colname="col3"><al>Terrein van hoge archeologische waarde</al></entry><entry colname="col4"><al>Nederzetting onbepaald</al></entry><entry colname="col5"><al>Vroeg Neolithicum – Midden Neolithicum</al></entry><entry colname="col6"><al>Rivierduin met bewoningsresten uit de
                                                Swifterbantcultuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11948</al></entry><entry colname="col2"><al>Domineesweg; Urkervaart; Kavel E4</al></entry><entry colname="col3"><al>Terrein van zeer hoge archeologische waarde</al></entry><entry colname="col4"><al>Nederzetting onbepaald</al></entry><entry colname="col5"><al>Vroeg Neolithicum – Midden Neolithicum</al></entry><entry colname="col6"><al>Rivierduin met bewoningsresten uit de
                                                Swifterbantcultuur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11987</al></entry><entry colname="col2"><al>Oude stads- of dorpskern Urk</al></entry><entry colname="col3"><al>Terrein van hoge archeologische waarde</al></entry><entry colname="col4"><al>Nederzetting onbepaald</al></entry><entry colname="col5"><al>Middeleeuwen – Nieuwe Tijd</al></entry><entry colname="col6"><al>Resten van het dorp en eiland Urk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12082</al></entry><entry colname="col2"><al>Milieu-beschermings-gebied ‘omgeving urk’
                                                Keileembuld van Urk. Wrak 14, 15 en 16</al></entry><entry colname="col3"><al>Terrein van hoge archeologische waarde</al></entry><entry colname="col4"><al>Nederzetting onbepaald</al></entry><entry colname="col5"><al>Paleolithicum - IJzertijd</al><al>&amp;</al><al>Middeleeuwen – Nieuwe Tijd</al></entry><entry colname="col6"><al>Dit terrein was voorheen groter:</al><al>Op plaatsen waar het veen nog de Pleistocene
                                                opduiking bedekt, kunnen resten uit de prehistorie
                                                verwacht worden. Sporen van veenontginning en
                                                kavelontginningen uit de Middeleeuwen. Op de kavels
                                                D103, D104 en D105 bevindt zich op elk kavel een
                                                scheepswrak. De exacte ligging van de vaartuigen is
                                                onbekend. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15797</al></entry><entry colname="col2"><al>Domineesweg 28 Tollebeek</al></entry><entry colname="col3"><al>Terrein van hoge archeologische waard</al></entry><entry colname="col4"><al>Nederzetting onbepaald</al></entry><entry colname="col5"><al>Mesolithicum - Neolithicum</al></entry><entry colname="col6"><al>Terrein met sporen van bewoning uit de periode
                                                Mesolithicum - Neolithicum. Toelichting
                                                omschrijving: Het betreft een rivierduin waarop door
                                                middel van boringen is aangetoond dat er
                                                archeologische resten aanwezig zijn. Toelichting
                                                datering: De datering is gebaseerd op de
                                                hoogteligging van het duin en reeds bekende
                                                archeologische vindplaatsen in de Noordoostpolder.
                                                Toelichting waardebepaling: Dit monument is
                                                onderzocht in het kader van de update AMK Flevoland
                                                2003-2004. Tijdens het booronderzoek zijn kleine
                                                stukjes houtskool en enkele zeer kleine stukjes
                                                steen gevonden. Off-site informatie: Monument 15796
                                                hoort bij dit monument, maar is vanwege de ligging
                                                in een andere gemeente apart aangemaakt.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Onderzoeksmeldingen en onderzoeken</cursief></vet></al><al>In Urk zijn de afgelopen jaren diverse archeologische onderzoeken
                            uitgevoerd. Er zijn 35 onderzoeksmeldingen bekend. De onderzoeken hebben
                            plaatsgevonden tussen 2003 en 2015. In 7 gevallen heeft vooronderzoek
                            geleid tot het vrijgeven van een plangebied. Bij 6 onderzoeken werd een
                            vervolgonderzoek geadviseerd, waarbij dit in 2 gevallen pas werd
                            geadviseerd als planaanpassing niet mogelijk blijkt. Bij 3 onderzoeken
                            is het advies ‘behoudenswaardig’ afgegeven. In een aantal gevallen is
                            dit niet meer van toepassing, aangezien een opgraving heeft
                            plaatsgevonden. </al><al><vet><cursief>Waarnemingen</cursief></vet></al><al>Binnen Urk zijn 55 waarnemingen bekend. In de lijst met waarnemingen
                            wordt een begin- en einddatering vermeld (zie bijlage 3). In sommige
                            gevallen is deze datering zeer ruim, waardoor een er sprake kan zijn van
                            resten uit de steentijd t/m de Nieuwe Tijd. In dat geval telt de
                            waarneming mee voor alle drie de perioden, waardoor er sprake is van
                            overlap in de aantallen die hieronder genoemd worden: Bij 16
                            waarnemingen is er sprake van een steentijdvindplaats. 11 waarnemingen
                            worden gedateerd in de periode Bronstijd/IJzertijd/Romeinse tijd. In 34
                            van de gevallen zijn waarnemingen uit de Middeleeuwen/Nieuwe Tijd
                            gedaan. </al><al>4.Landschappelijke ontwikkeling</al><al>De jongste kwartaire sedimenten in de zuidelijke Noordoostpolder kunnen
                            onderverdeeld worden in pleistocene en holocene afzettingen. De holocene
                            afzettingen zijn afgezet in een kustvlakte terwijl de direct eronder
                            gelegen pleistocene afzettingen bestaan uit sedimenten met een
                            verschillende ontstaansgeschiedenis (onder andere door rivieren en
                            landijs).</al><al><vet>Pleistocene afzettingen</vet></al><al>In het zuidelijke deel van de Noordoostpolder komen twee grote
                            (fossiele) rivierdalen voor, die gebruikt zijn door voorlopers van de
                            IJssel (min of meer parallel aan de Zuidermeerdijk) en de Overijsselse
                            Vecht (Vollenhove-noordzijde Schokland-Urk). Volgens Gotjé wijst het
                            dalpatroon op een vlechtend riviersysteem en worden aan de top ervan
                            grove zanden gevonden, vaak bedekt door een leemlaag. Beide afzettingen
                            worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. In het westelijke deel
                            van de zuidelijke Noordoostpolder zijn in de rivierdalen een groot
                            aantal geulen herkend, met name in het geval van de Vecht. Deze geulen
                            representeren deels vlechtende en deels insnijdende meanderende
                            rivieren. De rivierdalen worden geflankeerd door enkele oost-west
                            georiënteerde rivierduinen, onder andere ten zuidoosten van Urk en ten
                            noorden van Schokland. De rivierduinafzettingen worden gerekend tot het
                            Laagpakket van Delwijnen binnen de Formatie van Twente.</al><al>Ten noorden van het Vechtdal (ongeveer ten noorden van de lijn
                            Vollenhove-Tollebeek) komen eolische zanden van de Formatie van Twente
                            voor, die volgens Wiggers van pleniglaciale ouderdom zijn
                            (Pleistoceen-Weichselien), zogenaamde Oude Dekzanden. </al><al>Op vier plaatsen in de zuidelijke Noordoostpolder dagzomen glaciale
                            afzettingen in de vorm van keileem, namelijk bij Urk, Tollebeek,
                            Schokland en Vollenhove. De keileem bestaat uit leem, grind en stenen en
                            maakt deel uit van een laag stuwwallencomplex. Deze afzettingen stammen
                            uit de Saale-ijstijd en worden gerekend tot de Formatie van Drenthe. </al><al><vet>Holocene afzettingen</vet></al><al>Het onderste deel van het holocene sedimentpakket is sterk organisch,
                            voornamelijk bestaande uit veen waarbinnen enkele klastische
                            inschakelingen voorkomen. De veenvorming is in het zuidelijke deel van
                            de Noordoostpolder in het Atlanticum begonnen. Lokaal kwam in deze
                            periode oligotroof veen tot ontwikkeling (met name veenmosveen en
                            heideveen) op de pleistocene ondergrond, onder andere bij Emmeloord. In
                            het Laat-Subboreaal, na de eerste mariene sedimentatie in het gebied
                            (zie onder), gebeurt dit op grote schaal. Langs watervoerende geulen was
                            er nog wel sprake van eutrofe veenvorming. Het veen wordt gerekend tot
                            de Formatie van Nieuwkoop. Door latere erosie zijn grote delen van het
                            voormalige veengebied verdwenen.</al><al>Vanaf het Atlanticum wordt mariene invloed uit het westen merkbaar in de
                            huidige zuidelijke Noordoostpolder. De sedimentatie van de mariene
                            afzettingen uit deze periode hangt sterk samen met de aanwezige
                            (fossiele) riviergeulen in het gebied. In de geulen werden mariene
                            sedimenten aangevoerd, die in en rondom de bedding werden afgezet. De
                            oudste mariene afzettingen uit het Atlanticum staan in de literatuur
                            bekend als de zogenaamde Uniokleien, thans worden ze gerekend tot het
                            Laagpakket van Wormer binnen de Formatie van Naaldwijk. Door Gotjé
                            (1993) worden twee sedimentatiefasen van deze mariene kleien
                            onderscheiden, namelijk de ‘Oudere Unioklei’ en ‘Jongere Unioklei’. De
                            ‘Oudere Uniokleien’ zijn alleen afgezet in de voormalige rivierdalen van
                            de Vecht (ten zuiden van Urk) en de IJssel. De jongere
                            ‘Unio-afzettingen’ komen over grotere oppervlakten voor. Belangrijk is
                            dat deze jongere mariene afzettingen niet meer ten zuiden van Urk de
                            huidige Noordoostpolder aangevoerd zijn, maar via een nieuw gevormde
                            geul ten noorden van Urk. Bij een latere mariene intrusie in het
                            Laat-Subboreaal is deze geul eveneens gebruikt. </al><al>Binnen het onderste voornamelijk organische pakket worden
                            detritus-gyttja’s aangetroffen, die enerzijds samenhangen met langzaam
                            stromend water in de voormalige rivierdalen van de Vecht en IJssel en
                            anderzijds met het voorkomen van meren (indien de gyttja over grotere
                            oppervlakten voorkomt). De top van het organische pakket wordt gevormd
                            door zogenaamde Jonge detritus-gyttja, die wordt gezien als een
                            afzetting in een zoetwatermeer. In de omgeving van Urk zijn deze
                            gyttja’s slechts in de geulen aanwezig. De gyttja’s bestaan uit een
                            mengsel van (verslagen) organisch materiaal en klastische afzettingen.
                            Ook komen schelp- en visresten voor. De Oude detritus-gyttja’s zijn
                            afgezet in de periode vóór afzetting van de Cardiumkleien en worden
                            gerekend tot het Laagpakket van Wormer. De Jonge detritus-gyttja behoort
                            tot de Flevomeer Laag binnen het Laagpakket van Lelystad (Formatie van
                            Naaldwijk). </al><al>Het bovenste deel van het holocene pakket bestaat in zijn geheel uit
                            klastische afzettingen gevormd in open water. Het onderste deel van dit
                            pakket bestaat uit sterk siltige en zandige zoetwater-afzettingen,
                            bekend onder de naam <cursief>sloef</cursief> (Almere Laag). Gedurende
                            de Middeleeuwen kreeg het milieu een steeds meer lagunair karakter
                            doordat er een verbinding met de Waddenzee ontstond. Hierdoor
                            weerspiegelen de bovenste afzettingen van het holocene pakket brakke tot
                            zoute condities (Zuiderzee Laag). </al><al><vet>Geologische opbouw en genese van Urk en omgeving </vet></al><al>De kern van Urk wordt gevormd door een keileembult, die deel uitmaakt
                            van een stelsel van lage stuwwallen gevormd tijdens een stilstandfase in
                            de terugtrekking van het landijs in het Saalien. In het noordwestelijke
                            deel van het grondgebied van de gemeente Urk (het Urkerbos en in ieder
                            geval een groot deel van het voormalige eiland) komt de keileem aan of
                            direct onder het maaiveld voor. In dit gebied is hierom zelfs een
                            geologisch reservaat gerealiseerd. De flanken van de keileembult worden
                            bedekt door eolische zanden, afgezet in het Weichselien. Lateraal gaan
                            deze zanden over in een dekzandvlakte, waarvan de top op circa 8 tot 9
                            m-NAP ligt. In deze zanden zijn in de boringen regelmatig (podzol)bodems
                            aangetroffen, wat duidt op geen of slechts geringe erosie van het
                            dekzandoppervlak. </al><al>Ten zuidoosten van Urk liggen de pleistocene afzettingen op grotere
                            diepte (9,5 tot 10 m-NAP), in het noorden begrensd door de keileembult.
                            Een deel van dit lager gelegen pleistocene vlak is versneden door een
                            geul tot circa 12,5 m-NAP. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat
                            het hier om het fossiele Vechtdal ten zuiden van Urk gaat, waarin vroege
                            holocene mariene afzettingen (Unioklei) zijn afgezet. Het dal is circa
                            één kilometer breed en ligt ongeveer rond de huidige Urkervaart. Verder
                            naar het oosten zijn meerdere oude lopen van de Vecht herkend, die om de
                            hoger gelegen rivierduinen heen hebben gestroomd. Ten oosten van Urk
                            komt een noordoost-zuidwest georiënteerd beekdal samen met het rivierdal
                            van de Vecht. Waarschijnlijk mondde de in dit dal gelegen beek hier uit
                            in de Vecht. Ten zuiden van de Urkervaart wordt het genoemde rivierdal
                            begrensd door een tot 4 m-NAP hoog gelegen rivierduin. Dit duin ligt in
                            een dekzandvlakte waarvan de top op circa 8 m-NAP ligt. Ook in de top
                            van deze dekzanden zijn podzolbodems aangetroffen. Het hoogteverschil
                            van de top van de pleistocene afzettingen bedraagt in de gemeente Urk
                            ruim elf meter.</al><al>Het pleistocene oppervlak wordt -met uitzondering van delen van de
                            keileembult, de rivierduinen en de (mariene) geul- bedekt door veen. Het
                            veenpakket heeft een maximale dikte van vier meter en bestaat
                            voornamelijk uit riet- en zeggeveen. In het rivierdal van de Vecht komen
                            binnen dit veenpakket mariene kleien voor die gecorreleerd kunnen worden
                            met de aanwezige geul. Vanuit de geul is marien sediment opgeslibt tot
                            een hoogte van circa 5 m-NAP. De top van deze afzettingen aan de flanken
                            van de voormalige bedding bestaan uit kalkloze, gerijpte en doorgroeide
                            kleien (oevers). De geul zelf is opgevuld met slappe kleien en
                            detritus-gyttja’s. Ook in het beekdal ten oosten van Urk zijn mariene
                            kleien afgezet. Blijkbaar is vanuit het westen marien water de
                            laaggelegen dalen binnengedrongen, waarbij de hoofdaanvoer was gelegen
                            in het Vechtdal. Volgens Gotjé (1993) zijn de genoemde mariene
                            sedimenten afgezet gedurende de eerste mariene fase in het
                            Noordoostpoldergebied (‘Oudere Unioklei’). </al><al>De top van het holocene pakket wordt gevormd door sedimenten afgezet in
                            het voormalige Almere en Zuiderzee.</al><al><vet>Landschapsgenese<sup/></vet></al><al>In het Weichselien bestond het huidige plangebied en omgeving uit een
                            poolwoestijn waar door de wind zand werd afgezet (dekzand). Ten zuiden
                            van de keileembult waar het huidige Urk op gelegen is stroomde een
                            vlechtende rivier (voorloper van de Overijsselse Vecht) in een brede
                            riviervlakte. Tijdens droge periodes kon zand opwaaien vanuit de
                            riviervlakte en werd het afgezet aan de rand ervan. Hierdoor ontstonden
                            rivierduincomplexen. </al><al>In het begin van het Holoceen warmde het klimaat op en steeg de
                            zeepiegel. Hierdoor kon zich in de huidige Noordoostpolder veen gaan
                            ontwikkelen. Het veen kwam het eerste in de laag gelegen delen van het
                            dekzandoppervlak tot ontwikkeling. Het rivierdal van de Vecht was
                            watervoerend en hier kon de veenontwikkeling niet starten. In het
                            Midden-Atlanticum was het grootste deel van het gebied rondom Urk bedekt
                            met riet- en zeggevegetaties. De hoger gelegen zandgronden
                            (rivierduinen) en de keileembult waren begroeid met eiken-berkenbossen.
                            In deze periode is vanuit het westen marien sediment het dal van de
                            Vecht binnengevoerd. Het water concentreerde zich in een hoofdgeul
                            (waarschijnlijk de toenmalige loop van de rivier de Vecht) en heeft rond
                            het rivierdal en in het aangrenzende beekdal de klei afgezet. Hierdoor
                            ontstond een oeverwal langs de bedding en een komgebied verder van de
                            geul af. Op de oeverwallen groeide riet en wilg en in de kommen riet- en
                            zeggerijke vegetaties. In de geul is onder rustige omstandigheden
                            detritus-gyttja afgezet nadat het rivierwater van de Vecht ten noorden
                            van Urk afgevoerd werd. </al><al>In de periode na deze mariene fase werd het gebied rondom Urk steeds
                            natter, waardoor ook op de hoger gelegen gronden veenvorming kon
                            optreden. Grote delen van de keileembult en de rivierduinen werden in
                            deze fase bedekt door veen, dat voornamelijk uit zeggeveen bestond. Ook
                            de inmiddels verlaten riviervlakte van de Vecht werd opgevuld met
                            zeggeveen. Ten westen van Emmeloord ontstond een groot binnenmeer waarin
                            klei werd afgezet.</al><al>Vanaf het Laat-Subboreaal bij het sluiten van de Noord-Hollandse kust en
                            het wegvallen van mariene invloed in de huidige Noordoostpolder begint
                            op grote schaal ontwikkeling van oligotrofe venen. In deze tijd
                            ontstonden er grote binnenmeren door erosie van het veen (onder meer ten
                            westen van het huidige Emmeloord). Na de Romeinse Tijd (Subatlanticum)
                            ontstond er een verbinding tussen de binnenwateren in het
                            IJsselmeergebied en de Waddenzee, wat leidde tot sedimentatie van
                            klastisch materiaal (afzettingen van het Almere en de Zuiderzee).
                            Hiermee was de veenvorming in het gebied definitief beëindigd. </al><al/><al><vet>5.Archeologische ontwikkeling</vet></al><al><cursief>Bewoningssporen uit de Vroege Steentijd en Midden-Steentijd
                            </cursief></al><al>In deze periode leefde de mens als rondtrekkende jager-verzamelaar.
                            Binnen de gemeente Urk zijn diverse gebieden aan te wijzen die in de
                            ogen van deze jagers-verzamelaars zeer interessant waren om hun kamp op
                            te slaan. Uit vindplaatsen elders in de provincie Flevoland blijkt ook
                            wel dat in deze periode de regio door rondtrekkende groepen
                            jagers-verzamelaars is bezocht. Toch zijn er binnen de gemeente Urk tot
                            op heden weinig vondsten bekend die aantoonbaar aan deze periode kunnen
                            worden toegeschreven (ARCHIS 28795). Enerzijds zal dit te maken hebben
                            met het feit dat bewoningssporen uit deze tijd per definitie
                            kleinschalig en relatief schaars zijn. De kans dat vondsten uit deze
                            periode nog min of meer in context zich in de bodem bevinden is
                            bovendien relatief klein. De grootste kans op het aantreffen van
                            redelijk goed geconserveerde vindplaatsen uit deze periode geldt voor
                            plaatsen waar het pleistocene oppervlak is afgedekt door latere
                            afzettingen. Een goed voorbeeld hiervan is het deel van de pleistocene
                            opduiking dat nog door veen is afgedekt aan de noordoostzijde van Urk.
                            In de dekzandvlakte aan de oostzijde van Urk is op verschillende
                            plaatsen een (podzol)bodem aangetroffen, vergelijkbaar met het gebied
                            Emmelhage in de gemeente Noordoostpolder. Deze laag gelegen
                            dekzandvlakte is naar alle waarschijnlijkheid al aan het begin van het
                            Neolithicum met veengroei overdekt. In de podzolbodems kunnen in
                            principe goed geconserveerde Steentijd-sites uit het Paleolithicum of
                            het Mesolithicum aangetroffen worden. </al><al><cursief>Bewoningssporen uit de Nieuwe Steentijd en Late Prehistorie
                            </cursief></al><al>De zone langs het Vechtdal in het zuidoosten van de gemeente vormde in
                            deze periode een zeer aantrekkelijk vestigingsgebied. In dit gebied
                            kwamen verschillende landschapstypen voor met ieder zijn eigen
                            mogelijkheden voor jacht, visserij, verzamelen, akkerbouw en veeteelt.
                            Ten Anscher en Gehasse gaan er vanuit dat de bewoningsgeschiedenis voor
                            het gebied sterk wordt bepaald door de mate waarin de hoge en droge
                            lokaties, zoals oeverwallen en rivierduinen bereikbaar waren via het
                            water. Op momenten dat deze plaatsen goed te bereiken waren nam de
                            bevolking in omvang toe. Naarmate de bereikbaarheid afnam nam ook de
                            bevolkingsdichtheid af. Ten Anscher en Gehasse (1993) stellen dat
                            vrijwel direct na het hoogtepunt van een zogenaamde transgressieperiode
                            (een periode waarin de invloed van de zee in een gebied sterk toeneemt)
                            de toegankelijkheid van het gebied goed was. Naarmate de rivier in de
                            periode daarop langzamerhand verland raakte en de oevers steeds meer
                            begroeid raakte met een moeilijk doordringbare (broek)bosvegetatie, nam
                            de bevolking weer af en zocht men meer geschikte woongronden elders op.
                            In een volgende transgressieperiode werden grote delen van de klei- en
                            plantenafzettingen en de broekbossen langs de oevers weer opgeruimd.
                            Hierdoor werd het gebied weer beter toegankelijk en ging men zich weer
                            meer in het gebied vestigen. Afbeelding 4 geeft de relatie weer tussen
                            de landschappelijke veranderingen en de menselijke activiteiten in het
                            gebied. Het archeologisch onderzoek op het bedrijvenpark A6 op kavel J97
                            in de gemeente Noordoostpolder toont aan dat de bewoning misschien wel
                            afnam, maar niet volledig verdween. Op deze plaats zijn namelijk
                            restanten aangetroffen van visweren die juist in gebruik zijn geweest
                            tijdens de verlandingsfasen. </al><al>Op de kavels D133, D134, E4 en E5 aan weerszijde van de Urkerweg heeft
                            archeologisch onderzoek naar bewoningssporen uit deze periode plaats
                            gevonden. Op kavel D133 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd naar
                            bewoningssporen uit de Vroege IJzertijd op een oeverwal van de
                            voormalige Vecht (ARCHIS 29322, 29317, 32196). Hoewel het onderzoek
                            heeft aangetoond dat de bewoningssporen ter plaatse grotendeels door
                            erosie waren verspoeld, zijn op deze lokatie mogelijk wel aanwijzingen
                            gevonden voor een laat-prehistorische visweer in de voormalige
                            Vechtstroom. Het onderzoek op kavel D134 heeft op de rivierduin in de
                            ondergrond bewoningssporen opgeleverd die tot de Swifterbantcultuur
                            gerekend kunnen worden (ARCHIS 28840, 29220, 30002, 30039). Een deel van
                            de vindplaats is ingepast in het nieuwe bestemmingsplan en heeft een
                            planologische bescherming. De bewoningssporen op de rivierduin ter
                            hoogte van kavels E4 en E5 dateren eveneens uit de periode van de
                            Swifterbantcultuur (ARCHIS 29325, 29455, 32891). Tijdens het onderzoek
                            zijn verschillende haardkuilen, paalresten en eergetouwkrassen
                            aangetroffen. </al><al>De verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat deze bewoningssporen
                            kwetsbaar zijn voor bodemverstoringen. De bewoningssporen op de
                            rivierduinen liggen vrij dicht onder het maaiveld, waardoor deze sporen
                            door diepploegen en egalisatiewerkzaamheden snel worden aangetast. Op
                            elke onderzochte rivierduinlokatie waren de bewoningssporen in meer of
                            mindere mate aangetast door bodembewerkingen. </al><al>Op verschillende lokaties aan de noordzijde van de gemeente zijn losse
                            of verspoelde vondsten uit deze periode gedaan, maar tot op heden zijn
                            daar geen bijbehorende bewoningssporen aangetroffen (ARCHIS 29360,
                            28202, 27825). </al><al>Vanaf de Midden-IJzertijd tot aan de 10<sup>de</sup> eeuw AD lijkt het
                            gebied niet geschikt geweest voor bewoning. De open verbinding met zee
                            verwijnt in deze periode vanaf het Laat-Subboreaal door het sluiten van
                            de Noord-Hollandse kust. Hierdoor begint op grote schaal veengroei in
                            het gebied. In deze tijd ontstonden er grote binnenmeren door erosie van
                            het veen (onder meer ten westen van het huidige Emmeloord). Binnen de
                            gemeente Urk zijn tot op heden dan ook geen vondsten aangetroffen die
                            wijzen op bewoning of andere activiteiten in deze periode binnen het
                            gebied. Mogelijk zijn menselijke activiteiten nog wel te verwachten op
                            de hoger gelegen keileembulten en de rivierduinen. </al><al><cursief>Bewoningssporen uit de Middeleeuwen </cursief></al><al>Het uitgestrekte veengebied verloor in de Romeinse Tijd steeds meer
                            terrein op het Flevomeer. Langzamerhand ontstond een uitgestrekt
                            merengebied met daarin verschillende eilanden. Tussen 300 en 800 AD werd
                            op veel plaatsen in het gebied een kleilaag over het veen afgezet. Uit
                            archeologische onderzoek is bekend dat delen van dit klei-op veendek in
                            de Noordoostpolder vanaf de 10<sup>de</sup> eeuw bewoond zijn geraakt.
                            Toen de eerste bewoners in deze periode het gebied binnen kwamen vormden
                            Urk, en Schokland nog één eiland. Zij vestigden zich niet op de plaats
                            van het voormalige eiland Urk, maar in verschillende nederzettingen rond
                            de pleistocene opduiking. Uit de historische gegevens blijkt dat op het
                            toenmalige eiland akkerlanden, weidelanden, hooilanden, een hof van de
                            St. Vitusabdij uit Elten, een hof van de St. Pantaleonklooster bij
                            Keulen en een hof van het St. Odulphus klooster uit Stavoren hebben
                            gelegen. De meest belangrijke plaats op dit oude eiland was
                            waarschijnlijk Espelo. Deze nederzetting, waar waarschijnlijk ook de
                            parochiekerk van oud-Urk stond, heeft ten zuidwesten van het huidige Urk
                            gelegen. In de loop van de 16<sup>de</sup> eeuw is de nederzetting
                            langzamerhand in de zee verdwenen. De bewoning verplaatste zich in die
                            tijd naar de lokatie van de huidige kern van Urk. Een andere
                            nederzetting op dit oude eiland was Nagele. Deze nederzetting was
                            gelegen ten noordoosten van het huidige Urk. Tijdens de drooglegging van
                            de Noordoostpolder zijn resten van deze nederzetting waargenomen. Op
                            basis van het vondstmateriaal en de historische bronnen kan worden
                            gesteld dat deze nederzetting aan het einde van de 14<sup>de</sup> eeuw
                            door de Zuiderzee verspoeld is geraakt. De meest belangrijke
                            nederzettingen uit deze periode bestaan dus niet meer en liggen zelfs
                            niet binnen de gemeentegrenzen van Urk. Toch zijn binnen de huidige
                            gemeente Urk nog verschillende sporen uit deze periode aangetroffen. Het
                            gaat hierbij om de volgende relicten:</al><lijst><li nr="-"><al>verkavelingssloten,</al></li><li nr="-"><al>veenputten,</al></li><li nr="-"><al>aardewerkvondsten,</al></li><li nr="-"><al>esdek en</al></li><li nr="-"><al>dijkresten en kustbescherming.</al></li></lijst><al>Op een luchtfoto uit 1948, ten tijde van de inpoldering van de
                            Noordoostpolder, is ter hoogte van het huidige Urkerbos nog duidelijk
                            een verkavelingspatroon zichtbaar dat uit deze periode stamt. Het gaat
                            hierbij om circa 1 meter in het veen ingegraven sloten met een breedte
                            van circa 1,5-2 meter. De sloten zijn in de loop der tijd met zand
                            dichtgeslibd. Wiggers heeft aangetoond dat het moeilijk is om de
                            restanten van deze ontginningssloten op dit moment nog te onderscheiden
                            van natuurlijke inzakkingen van het klei op veendek. Ter hoogte van deze
                            verkavelingssporen zijn ook de restanten van veenputten aangetroffen.
                            Het gaat hierbij om 2 tot 4 meter brede rechthoekige kuilen met een
                            breedte van circa 2 meter. De gaten zijn in eerste instantie opgevuld
                            met brokken veen en klei. In een later stadium zijn deze gaten dicht
                            geslibd met grindrijk zand. Geen van de tot nu toe onderzochte kuilen
                            heeft aardewerkvondsten opgeleverd, zodat ze lastig te dateren zijn.
                            Wiggers gaat er vanuit dat de veenwinningskuilen uit de 14<sup>de</sup>
                            eeuw dateren, maar een eerdere datering valt niet uit te sluiten. </al><al>Op verschillende plaatsen binnen de gemeente Urk is aardewerk
                            aangetroffen uit de 11<sup>de</sup> tot en met de 13<sup>de</sup> eeuw.
                            De verspreiding van dit aardewerk blijft niet alleen beperkt tot het
                            gebied rond de voormalige nederzetting Nagele. In het zuidoosten van de
                            gemeente zijn, ver buiten het voormalige eiland, ook op diverse lokaties
                            aardewerkvondsten uit deze periode aangetroffen. De kans dat
                            nederzettingssporen uit deze tijd worden aangetroffen in dit gebied is
                            klein. De eventuele bewoningssporen zullen zijn verdwenen door de
                            ontwikkeling van de Zuiderzee en de latere inpoldering en
                            bodembewerking. </al><al>De enige plaats waar nog wel bewoningssporen uit deze periode
                            aangetroffen kunnen worden is op het voormalige eiland zelf. Hier zijn
                            ook verschillende aardewerkvondsten gedaan uit deze periode, al lijkt
                            het er op dat het materiaal buiten de oude kern van het eiland
                            nauwelijks voor komt (ARCHIS 27406 en 29360). Binnen de oude dorpskern
                            zijn op diverse lokaties kleinschalige archeologische waarnemingen
                            uitgevoerd. Deze waarnemingen hebben aangetoond dat onder een deel van
                            de historische kern van Urk een esdek aanwezig is. Het gaat hierbij om
                            een circa 1 meter dik homogeen grijsbruin pakket leemrijk zand. Op
                            verschillende plaatsen is onder in dit esdek een podzolering zichtbaar.
                            Op basis van aardewerkvondsten uit het esdek en de onderliggende bodem
                            gaat men er vanuit dat deze es tussen circa de 8<sup>ste</sup> en de
                            14<sup>de</sup> eeuw tot ontwikkeling is gekomen. De enige
                            bewoningssporen uit deze periode beperken zich tot een paalgat met een
                            mogelijke veldkeien fundering en een aantal grondsporen in het
                            dekzand.</al><al>Buiten de historische dorpskern is de kans op het aantreffen van
                            bewoningssporen uit de Middeleeuwen op het voormalige eiland niet groot.
                            Het zuidoostelijk deel van het eiland zal nooit erg geschikt zijn
                            geweest voor bewoning. Het bestaat voor een groot deel uit laag gelegen
                            gronden en wordt in de historische bronnen en op oude kaarten aangeduid
                            als het “verdronken land”. Rond het voormalige eiland kunnen wel andere
                            vondsten uit deze periode gedaan worden. Het gaat hierbij om dijkresten
                            en kustversterkingen. </al><al>Op twee lokaties zijn in het verleden dijkrestanten aangetroffen (ARCHIS
                            27867 en 27835). Op de laatste lokatie (ARCHIS 27835) zijn naast de
                            dijkrestanten ook paalwerken en aanplempingen met afval uit de
                            14<sup>de</sup> en 15<sup>de</sup> eeuw aangetroffen. Uit de historische
                            bronnen is bekend dat men op Urk in ieder geval in de loop van de
                            15<sup>de</sup> eeuw de kustafslag probeert te verminderen door het
                            versterken van de kuststrook met paalwerken. Na 1500, gaat men hiermee
                            grootschalig en georganiseerd van start. </al><al><cursief>Bewoningssporen en Scheepswrakken uit de Nieuwe
                            Tijd</cursief></al><al>Door de steeds verder toenemende kustafslag gaat het rond 1600
                            economisch erg slecht met Urk. Allerheiligen 1570 scheurt de kerk van
                            Urk zelfs van het eiland af. De kerk, vanaf dat moment op een eilandje
                            voor de zuidwestkust van Urk gelegen, blijft tot circa 1600 nog in
                            gebruik. In 1663 is er van het eiland niets meer over dan een met
                            kerkstenen bedekte ondiepte voor Urk. </al><al>In 1581 wordt men op het eiland vrijgesteld van de belastingverhoging in
                            het kader van de Tachtigjarige Oorlog. In 1638 wordt bij gebrek aan
                            aanvoer de korenmolen op het eiland stilgelegd. Rond 1650 moeten steeds
                            meer landbouwproducten worden ingevoerd. Door het wassende water en het
                            landverlies nam het aantal boeren sterk af en stapte steeds meer mensen
                            over op de visserij en zeevaart. In de zeevaart gaat het eiland een
                            steeds belangrijkere rol spelen. De in 1617 opgetrokken vuurboet is van
                            groot belang voor de scheepsnavigatie op de Zuiderzee. Door de afkalving
                            moet de vuurboet in 1649 verplaatst worden. Omdat de vuurboet van Urk zo
                            belangrijk is voor de scheepvaart en omdat men zich zorgen maakt over de
                            kustafslag rond de vuurboet en het onderhoud, koopt de stad Amsterdam in
                            1660 de eilanden Urk en Emmeloord voor fl 14.000,- op. De interesse van
                            Amsterdam voor het eiland blijft duidelijk beperkt tot het in stand
                            houden van de vuurtoren. Om deze te behouden begint men, naast het slaan
                            van palen, met het versterken van de kust met stenen. Om de
                            kustverdediging te kunnen bekostigen, schrijft de stad Amsterdam in de
                            18<sup>de</sup> eeuw tot twee keer toe een loterij uit. Ondanks alle
                            inspanningen blijft de zee stukken van het eiland wegslaan. Bij de
                            stormvloed van 1711 wordt een reep van circa 211 bij 18 meter
                            weggeslagen en tijdens de storm van 1775 worden twee huizen van het
                            eiland af geslagen. Aan het einde van de 18<sup>de</sup> eeuw ontwikkeld
                            men een kustwering die afdoende lijkt te zijn. Voor het klif gaat men
                            een schuin talud met palen aanbrengen. Dit talud wordt aangevuld met
                            riet, wier, puin en afval. Daarnaast worden haaks op deze wering
                            krabhoofden geplaatst met een lengte van circa 29 meter. Tussen de
                            krabhoofden moet zand gaan bezinken. Rond 1789 heeft men circa 2747
                            meter aan de noordwest en zuidzijde van Urk “ bepaald” en heeft men 52
                            krabhoofden aangelegd. Net als uit de vorige periode, zullen uit deze
                            periode restanten van deze kustbewaking in de ondergrond bewaard zijn
                            gebleven. </al><al>Rond het voormalige eiland Urk zijn een drietal scheepswrakken bekend.
                            Deze wrakken liggen alle drie ten noorden van het voormalige eiland (CMA
                            Monumentnummer: 12082). De wrakken zijn gelegen op de kavels D103, D104
                            en D105). De datering en exacte lokatie van de wrakken op deze kavels is
                            niet bekend. Onderzoek naar de exacte lokatie is op dit moment ook
                            lastig, aangezien deze kavels op dit moment een functie als sportvelden
                            hebben. </al><al>Op het voormalige eiland zelf zijn ook archeologische sporen terug te
                            vinden uit dit meer recente verleden. In de oude dorpskern kan
                            informatie verzameld worden over de ontwikkeling die het dorp heeft
                            meegemaakt van meer agrarische samenleving tot een vissersdorp en de
                            verandering die dat te weeg heeft gebracht in de huizenbouwtraditie.
                            Binnen de oude kern zijn bij verbouwingswerkzaamheden in de kelder op
                            twee verschillende plaatsen muntschatten uit de 16<sup>de</sup> eeuw
                            aangetroffen (ARCHIS 27494 en 29439). </al><al/><al><vet>6.Gehanteerd verwachtingsmodel en gedefinieerde
                                verwachtingszones</vet></al><al>Binnen de gemeente zijn vijf verschillende landschappelijke zones aan te
                            wijzen:</al><al>A De keileembult van het voormalige eiland Urk;</al><al>B De keileemopduiking aan de noordzijde van de gemeente;</al><al>C Het gebied met rivierduinen langs de voormalige Vechtloop aan de
                            zuidoostzijde van de gemeente;</al><al>D Het buitendijkse gebied;</al><al>E De pleistocene dekzandvlakte aan de oostzijde van de gemeente
                            ingeklemd tussen de keileembult van zone B en de Vechtgeul in het
                            zuiden; F Het recent overbouwde gebied tussen de oude Vechtloop en de
                            keileembult.</al><al>De verschillende archeologische indicaties binnen deze zones zullen in
                            onderstaande tekst besproken worden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>A De keileembult van het voormalige eiland Urk</titel></kop><structuurtekst><al>De oude dorpskern en esdek van het voormalige eiland hebben een hoge
                            indicatieve verwachtingswaarde gekregen. In dit gebied kunnen onder het
                            aanwezige esdek goed geconserveerde archeologische resten worden
                            aangetroffen uit de Middeleeuwen en eventueel zelfs de prehistorie. In
                            de dorpskern zijn ook archeologische sporen terug te vinden uit het meer
                            recente verleden, de Nieuwe Tijd. Uit deze periode kan in de oude
                            dorpskern informatie verzameld worden over de ontwikkeling die het dorp
                            heeft meegemaakt van meer agrarische samenleving tot een vissersdorp. Op
                            basis van oud kaartmateriaal is vrij nauwkeurig te bepalen waar de
                            postmiddeleeuwse bebouwing op het eiland verwacht mag worden. </al><al>De kustzone van het voormalige eiland heeft een middelhoge indicatieve
                            waarde gekregen. In deze zone </al><al>rond het voormalige eiland kunnen restanten van dijkresten en
                            kustversterkingen aangetroffen worden uit de Middeleeuwen en de Nieuwe
                            Tijd. Deze sporen zullen door latere bebouwing in bepaalde mate
                            aangetast zijn. Toch zijn op verschillende lokaties langs deze
                            voormalige kust, restanten van kustverdedigingswerken en dijken
                            aangetroffen.</al><al>Het middendeel van het voormalige eiland heeft een lage indicatieve
                            verwachtingswaarde gekregen. Uit de benaming “verdronken land” kan
                            worden opgemaakt dat dit gebied de laatste 300 jaar erg drassig is
                            geweest. Het gebied is bovendien momenteel volledig bebouwd, hetgeen een
                            negatieve invloed heeft op de indicatieve waarde. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>B De keileemopduiking aan de noordzijde van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>Ondanks dat in het gebied tot op heden weinig archeologische vondsten
                            bekend zijn, is een hoge indicatieve verwachtingswaarde toegekend aan de
                            hoge en droge delen van het gebied waar het pleistocene oppervlak
                            waarschijnlijk in tact is. Het gaat hierbij om die delen van de
                            keileembult waar het pleistocene oppervlak is afgedekt door veen. </al><al>Bebouwing in dit deel van het gebied heeft over het algemeen en
                            negatieve invloed gehad op eventuele archeologische resten. In veel
                            gevallen is het veen namelijk voorafgaande aan de bouw afgegraven. Deze
                            terreinen hebben dan ook slechts een middelhoge indicatieve
                            verwachtingswaarde gekregen.</al><al>De lage delen in het oosten van zone B die eveneens zijn afgedekt met
                            een veenpakket hebben een lage verwachting gekregen. Deze gebieden zijn
                            naar alle waarschijnlijkheid in het verleden door hun lage ligging niet
                            interessant geweest voor bewoning.</al><al>Het westelijk deel van de keileembult heeft in zijn geheel een
                            middelhoge indicatieve verwachtingswaarde gekregen. In dit deel van het
                            gebied is geen veenpakket (meer) aanwezig. De kans op het aantreffen van
                            archeologische vondsten in situ is in dit gebied klein, aangezien
                            eventuele resten uit de Steentijd nooit (of niet meer) zijn afgedekt
                            door jongere sedimenten en dus direct aan maaiveld aangetroffen kunnen
                            worden. </al><al>Het meest zuidwestelijke deel van zone B heeft eveneens een lage
                            indicatieve verwachtingswaarde gekregen. In dit deel van het gebied
                            ontbreekt niet alleen de afdekkende veenlaag, maar heeft men grote delen
                            intensief bebouwd. Dit gegeven heeft een negatieve invloed op eventuele
                            archeologische resten in dit gebied. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>C Het gebied met rivierduinen langs de voormalige Vechtloop aan de
                            zuidoostzijde van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al>De zone langs het Vechtdal in het zuidoosten van de gemeente vormde,
                            zoals archeologisch onderzoek ook al heeft aangetoond, in de periode
                            Neolithicum tot en met Vroege IJzertijd een zeer aantrekkelijk
                            vestigingsgebied. In dit gebied kwamen verschillende landschapstypen
                            voor met ieder zijn eigen mogelijkheden voor jacht, visserij,
                            verzamelen, akkerbouw en veeteelt. De oeverwallen en de rivierduinen in
                            deze zone die niet bebouwd zijn hebben een hoge archeologische
                            verwachtingswaarde. De delen die wel bebouwd zijn, of waar egalisaties
                            en ontgrondingen hebben plaats gevonden, krijgen een middelhoge
                            indicatieve verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek op o.a. kavel
                            D134 heeft aangetoond dat dergelijke bodemverstoringen een negatieve
                            invloed hebben op de archeologische resten, maar dat archeologisch
                            onderzoek op dit soort verstoorde lokaties nog wel archeologische
                            informatie kunnen opleveren. Terreinen die volledig zijn vergraven in
                            dit deelgebied hebben een lage indicatieve verwachtingswaarde. De zone
                            tussen de rivierduinen in de zuidoostelijke hoek van de gemeente, heeft
                            eveneens een lage indicatieve verwachtingswaarde, hoewel de kans op het
                            aantreffen van archeologische (<cursief>off-site</cursief>) sporen
                            natuurlijk nooit volledig uitgesloten kan worden. In het kader van de
                                <cursief>off-site</cursief> problematiek, moet ook de Vechtgeul zelf
                            besproken worden. De laatste jaren is vanuit de archeologie steeds meer
                            aandacht gekomen voor archeologische sporen die aangetroffen kunnen
                            worden buiten nederzettingen, ook wel ‘<cursief>off-site</cursief>
                            archeologie’ genoemd. Door dit soort onderzoek in de polder heeft men op
                            verschillende lokaties verrassende vondsten gedaan. In de gemeente
                            Noordoostpolder heeft men bijvoorbeeld in een oude rivierarm sporen
                            aangetroffen van grootschalige visvangst door middel van zogenaamde
                            visweren, waarbij zeer veel visfuiken zijn aangetroffen. Dergelijke
                            sporen leveren zeer belangrijke aanvullende informatie op over de
                            prehistorische mens en zijn manier van leven in het gebied. Binnen de
                            gemeente Urk bestaat de kans dat vergelijkbare sporen aangetroffen
                            kunnen worden in de voormalige Vechtloop. Waarschijnlijk zijn tijdens
                            het archeologisch onderzoek op kavel D133 zelfs sporen van een dergelijk
                            visweren-systeem waargenomen, maar niet als zodanig herkend. Het grote
                            probleem met dergelijke vindplaatsen is dat ze een zeer dunne spreiding
                            in het landschap hebben en daarom zeer moeilijk tijdens regulier
                            archeologisch vooronderzoek te traceren zijn en in wezen vallen onder de
                            categorie toevalsvondst. In het vervolgtraject zal in het kader van de
                            archeologische beleidskaart na moeten worden gedacht op welke manier met
                            dit soort vindplaatsen rekening zou moeten worden gehouden. De kans op
                            het aantreffen van <cursief>off-site</cursief> archeologie is om
                            bovenstaande redenen niet beleidsmatig meegewogen in de indicatieve
                            verwachtingswaarde van het gebied. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>D Het buitendijksgebied</titel></kop><structuurtekst><al>Voor het buitendijkse gebied is zowel rekening gehouden met verdronken
                            nederzettingssporen als ook scheepswrakken. Voor nederzettingssporen is
                            het vervolg van de Vechtloop van belang. Voor scheepswrakken geldt dat
                            hoe harder de meerbodemoppervlakte is, hoe kleiner de kans is dat
                            behoudenswaardige (scheeps)archeologische resten aangetroffen kunnen
                            worden. De havenkom van Urk en de vaargeul naar de haven toe hebben een
                            lage indicatieve verwachtingswaarde gekregen. Deze gebieden worden zeer
                            intensief door de scheepvaart gebruikt en daarom ook op diepte gehouden.
                            Door het regelmatig uitbaggeren van vaargeul en havenkom is de
                            indicatieve verwachtingswaarde voor deze gebieden dan ook laag. In oude
                            literatuur wordt gewezen op de (mogelijke) vondst van restanten van een
                            hunebed in het IJsselmeer voor Urk. Nadere gegevens over lokatie en
                            vondsten ontbreken echter. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>E Het buitengebied aan de oostzijde van de gemeente, de pleistocene
                            dekzandvlakte </titel></kop><structuurtekst><al>Het booronderzoek heeft aangetoond dat in dit gebied op een diepte van
                            vier tot zes meter onder maaiveld een pleistocene dekzandvlakte aanwezig
                            is, met een (min of meer) goed bewaarde podzolbodem. Het gaat hierbij om
                            een bodem die in het Neolithicum al vrij snel door veengroei is
                            afgedekt. Dit betekent dat in de top van deze podzolbodem eventueel
                            archeologische resten aangetroffen kunnen worden uit de Vroege Steentijd
                            en Midden-Steentijd. </al><al>Het naar alle waarschijnlijkheid ontbreken van reliëf in de pleistocene
                            ondergrond van dit gebied, de grote diepte waarop deze resten eventueel
                            aangetroffen kunnen worden en de zeer kleine trefkans om eventuele
                            vindplaatsen op te sporen hebben ons doen besluiten om een lage
                            indicatieve verwachtingswaarde aan dit gebied toe te kennen, ondanks het
                            mogelijk goed bewaard gebleven bodemprofiel. </al><al>De kans dat eventuele vindplaatsen in dit gebied aangetast worden door
                            ontgravingswerkzaamheden is, gezien de grote diepte waarop zij
                            aangetroffen kunnen worden zeer gering. De enige reële bedreiging gezien
                            de diepte zou gevormd worden door heipalen. Gezien de beperkte omvang
                            van de (eventueel) te verwachten vindplaatsen lijkt een discussie over
                            dergelijke sites en de eventuele bedreiging zuiver theoretisch. In het
                            vervolgtraject zal in het kader van de archeologische beleidskaart na
                            moeten worden gedacht op welke manier met dit soort vindplaatsen
                            rekening zou kunnen worden gehouden. De kans op het aantreffen van
                            Steentijdvindplaatsen is -gezien de diepteligging- niet meegewogen in de
                            indicatieve verwachtingswaarde van het gebied. Het is aan te bevelen om
                            voorafgaand aan verdere planvorming in dit gebied aanvullend onderzoek
                            uit te laten voeren naar het paleoreliëf in relatie tot de
                            bewoningsmogelijkheden van het gebied in het verleden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>F Het recent overbouwde gebied tussen de oude Vechtloop en
                            keileembult</titel></kop><structuurtekst><al>Deze zone bestaat uit een laag gelegen komgebied ten noorden van de oude
                            loop van de Vecht. Dit laag gelegen gebied zal in het verleden een
                            weinig interessante vestigingsplaats zijn geweest. Zone F is in de loop
                            der tijd bovendien vrijwel volledig bebouwd geraakt en heeft om deze
                            redenen dan ook een lage indicatieve verwachtingswaarde gekregen.</al><al>Samenvattend zijn de gegevens per zone naar indicatieve
                            verwachtingswaarde weergegeven in tabel 1.</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colwidth="58*"/><colspec colname="col3" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Zone </cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Omschrijving</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Indicatieve
                                                verwachtingswaarde</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>Oude dorpskern en esdek</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B</al></entry><entry colname="col2"><al>Keileembult waar veendek in tact is</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C</al></entry><entry colname="col2"><al>Onbebouwde delen van de oeverwallen en rivierduinen
                                            </al></entry><entry colname="col3"><al>Hoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D</al></entry><entry colname="col2"><al>Ongestoorde, “zachte” delen van de
                                                IJsselmeerbodem</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E</al></entry><entry colname="col2"><al>NIET AANWEZIG IN DEZE ZONE</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F</al></entry><entry colname="col2"><al>NIET AANWEZIG IN DEZE ZONE</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>De kustzone van het voormalige eiland</al></entry><entry colname="col3"><al>Middelhoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B</al></entry><entry colname="col2"><al>Keileembult waar veendek niet meer in tact is, maar
                                                geen bebouwing aanwezig is</al></entry><entry colname="col3"><al>Middelhoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C</al></entry><entry colname="col2"><al>Bebouwde en / of geëgaliseerde delen van de
                                                oeverwallen en rivierduinen</al></entry><entry colname="col3"><al>Middelhoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D</al></entry><entry colname="col2"><al>Ongestoorde, “matig zachte” delen van de
                                                IJsselmeerbodem</al></entry><entry colname="col3"><al>Middelhoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E</al></entry><entry colname="col2"><al>NIET AANWEZIG IN DEZE ZONE</al></entry><entry colname="col3"><al>Middelhoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F</al></entry><entry colname="col2"><al>NIET AANWEZIG IN DEZE ZONE</al></entry><entry colname="col3"><al>Middelhoge verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>Het middeldeel van het voormalige eiland</al></entry><entry colname="col3"><al>Lage verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B</al></entry><entry colname="col2"><al>Delen van de keileembult waar geen veendek (meer)
                                                aanwezig is of de flanken in het oosten van de
                                                keileembult </al></entry><entry colname="col3"><al>Lage verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C</al></entry><entry colname="col2"><al>afgegraven delen van de oeverwallen en
                                                rivierduinen</al></entry><entry colname="col3"><al>Lage verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D</al></entry><entry colname="col2"><al>“Harde” delen van de IJsselmeerbodem en
                                                uitgebaggerde zones van de vaargeul en de haven</al></entry><entry colname="col3"><al>Lage verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E</al></entry><entry colname="col2"><al>DE VOLLEDIGE ZONE</al></entry><entry colname="col3"><al>Lage verwachtingswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F</al></entry><entry colname="col2"><al>DE VOLLEDIGE ZONE</al></entry><entry colname="col3"><al>Lage verwachtingswaarde</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 1.</al><al/><al>De kaart bevat voor de gehele gemeente, inclusief een zone van drie
                            kilometer buitendijks, een archeologische indicatieve verwachtingswaarde
                            in drie klassen (zie bijlage 1);</al><lijst><li nr="·"><al>gebieden met een lage indicatieve verwachtingswaarde;</al></li><li nr="·"><al>gebieden met een middelhoge indicatieve verwachtingswaarde;</al></li><li nr="·"><al>gebieden met een Hoge indicatieve verwachtingswaarde;</al></li><li nr="·"><al>AMK-terreinen</al></li></lijst><al>De basiskaart houdt daarnaast rekening met de (verwachte)
                            conserveringsgraad en kwetsbaarheid van archeologische sites. In de
                            kaart zijn namelijk de gegevens van de verstoringskaart meegewogen en is
                            rekening gehouden met de diepte waarop archeologische resten verwacht
                            mogen worden.</al><al>Het waarderen van vindplaatsen of een groep vindplaatsen en het doen van
                            uitspraken over de behoudenswaardigheid ervan zal in een later stadium
                            plaatsvinden. Het vaststellen van de behoudenswaardigheid gebeurt op
                            basis van in de KNA vastgelegde criteria:</al><lijst><li nr="·"><al>belevingsaspecten (zichtbaarheid en herinneringswaarde),</al></li><li nr="·"><al>fysieke criteria (gaafheid en conservering) en</al></li><li nr="·"><al>inhoudelijke criteria (zeldzaamheid, informatiewaarde, context-
                                    of ensemblewaarde en representativiteit).</al></li></lijst><al><cursief>Bureauonderzoek</cursief></al><al>Om de archeologische verwachting voor het gebied nader te definiëren is
                            een uitvoerig bureauonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zijn
                            relevante gegevens die beschikbaar zijn over de gemeente Urk
                            geïnventariseerd en bestudeerd. Door een analyse van deze gegevens kan
                            een beeld worden verkregen van de landschappelijke en archeologische
                            kenmerken van het gebied. Dit bureauonderzoek vormt bovendien de
                            primaire richtlijn voor het latere booronderzoek. Een gedetailleerd
                            inzicht in de geologie, geomorfologie en bodem vormen de basis voor
                            ieder lokatiegericht archeologisch vooronderzoek. Op basis hiervan
                            kunnen uitspraken worden gedaan over de ontwikkeling van het landschap,
                            de bodemopbouw en kunnen de archeologische resten die in de gemeente
                            worden aangetroffen in een ruimtelijk kader worden geplaatst. De
                            (historische) topografische kaarten en kadasterkaarten zijn een
                            belangrijke bron van informatie over het gebruik van het landschap in
                            historische tijd. De combinatie van de verschillende kaarten geeft
                            bovendien informatie over verstoringen van de bodem in het gebied. </al><al><cursief>AHN-bewerking</cursief></al><al>Ter aanvulling op de archeologische en geologische gegevens is een
                            bewerking van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN, editie 2001)
                            uitgevoerd voor de gemeente Urk. Uit recent onderzoek (o.a. in het kader
                            van de Hanzelijn) is gebleken dat door middel van een digitale bewerking
                            van het AHN begraven landschappen herkend kunnen worden. Voor Urk is
                            gekeken in hoeverre elementen als rivierduinen, geulen en grote
                            reliëfverschillen in de pleistocene ondergrond zichtbaar zijn in het
                            microreliëf aan de oppervlakte.Om deze informatie te achterhalen is
                            gebruik gemaakt van het 5 x 5 meter gridbestand van het AHN. Dit bestand
                            is ter beschikking gesteld door de gemeente Urk. De hoogtegegevens van
                            dit bestand zijn door de afdeling milieu en ruimte van DHV Milieu &amp;
                            Infrastructuur verwerkt tot een gedetailleerde hoogtekaart van de
                            gemeente Urk, waarbij gezocht wordt naar de meest gunstige
                            hoogte-intervallen. Deze kaart is door W. Laan van het Archeologisch
                            Diensten Centrum omgewerkt tot de definitieve eindversie. </al><al><cursief>Booronderzoek</cursief></al><al>In het kader van het maken van de archeologische basiskaart voor de
                            gemeente Urk is een kleinschalig booronderzoek uitgevoerd in het
                            oostelijke (onbebouwde) deel van de gemeente. Het doel van het
                            booronderzoek was drieledig:</al><lijst><li nr="·"><al>het karteren van de ‘Unio-oeverwallen’ langs de oude loop van de
                                    Vecht ten noorden van de Urkerweg,</al></li><li nr="·"><al>het bepalen van de gaafheid en diepteligging van het rivierduin
                                    ten zuiden van de Urkervaart en</al></li><li nr="·"><al>het verifiëren en aanvullen van de kaart met de diepteligging
                                    van de pleistocene afzettingen.</al></li></lijst><al>In totaal zijn 42 boringen gezet verdeeld over zeven boorraaien (zie
                            afbeelding 8). De boringen zijn gezet met handboormateriaal (Edelmanboor
                            met een diameter van 6 cm en een guts met een diameter van 3 cm). De
                            afstand tussen de raaien ten noorden van de Urkerweg bedraagt circa 300
                            meter, die tussen de boringen binnen de raaien circa 100 meter. Ten
                            zuiden van de Urkervaart ligt daarnaast nog een raai, waarbinnen op een
                            afstand van 50 meter is geboord. Van de 42 boringen zijn 20 boringen tot
                            op de pleistocene ondergrond gezet ten behoeve van de dieptekaart van de
                            pleistocene afzettingen. Daarnaast bieden deze boringen een goed beeld
                            van het gehele holocene sedimentpakket en de aard van de pleistocene
                            afzettingen. </al><al/><al><vet>7. Beschrijving van het tot stand komen van de archeologische
                                waarden- en verwachtingenkaart</vet></al><al>De waarden- en verwachtingenkaart geeft gemeentebreed aan welke
                            archeologische waarden op welke locatie kunnen worden verwacht. Deze
                            kaart wordt gebruikt wanneer een archeologische onderzoek noodzakelijk
                            is. De kaart dient dan als naslagwerk voor wat er in welke mate verwacht
                            wordt. In 2005 is door de Raad de Archeologische Basiskaart Urk (ABU)
                            vastgesteld. Deze kaart geeft aan wat de bekende en de te verwachten
                            archeologische waarden zijn binnen het grondgebied van de gemeente Urk.
                            In 2010 is de kaart geactualiseerd door Buro de Brug. De kaart (bijlage
                            1) is nu aangevuld met de AMK-terreinen en niet langer onderverdeeld in
                            cultuurhistorische zones, maar gebaseerd op verwachtingseenheden. </al><al/><al><vet>8.Beschrijving van het tot stand komen van de
                            beleidskaart</vet></al><al>Tijdens het proces hebben diverse overleggen plaatsgevonden met de
                            gemeente Urk en de provincie Flevoland, zodat vooraf afgestemd kon
                            worden of met de voorgestelde maatregelen geen meningsverschillen zouden
                            ontstaan. </al><al>De Archeologische Beleidskaart Urk is een vertaling van de al bestaande
                            Archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Op de beleidskaart is per
                            verwachtingseenheid de vergunningsplicht, de oppervlakte en diepte
                            vrijstelling en de te stellen randvoorwaarden aan archeologisch
                            onderzoek benoemd. Deze oppervlakte en diepte vrijstellingen zijn veelal
                            gebaseerd op het beleid van de omliggende gemeenten, waarmee de
                            provincie Flevoland eerder al heeft ingestemd. Voor een beschrijving van
                            de verschillende categorieën, wordt verwezen naar hoofdstuk 9
                            (Categorieën op de beleidskaart).</al><al/><al><vet>9.Categorieën op de beleidskaart</vet></al><al><vet>9.1 Inleiding </vet></al><al>De vrijstellingsgrenzen voor oppervlakte en diepte van bodemingrepen
                            zijn bepaald op basis van een complexe afweging. Enerzijds is het de
                            bedoeling om kleine ontwikkelingen en normaal agrarisch landgebruik
                            zonder onderzoek op bepaalde locaties mogelijk te maken, anderzijds moet
                            worden voorkomen dat teveel belangrijke archeologische informatie
                            ongezien verloren gaat. Zowel het archeologische als het
                            maatschappelijke belang speelt hierbij een rol. </al><al><vet>9.2 Voorgestelde vrijstellingsgrenzen voor oppervlakte en diepte
                                van bodemingrepen</vet></al><al>In het kader van de Wro wordt gemeenten gevraagd een afweging te maken
                            tussen de verschillende belangen en deze te laten doorklinken in de
                            gemeentelijke planvorming. Archeologie is één van aspecten die daarbij
                            aan bod behoren te komen. Weliswaar is het nooit uit te sluiten dat
                            tijdens graafwerkzaamheden, hoe klein ook, archeologische sporen of
                            vondsten aan het licht komen. Dat betekent echter geenszins dat elke
                            spoor en elke vondst een relevante bijdrage levert aan de beantwoording
                            van de wetenschappelijke vraagstelling die aan de archeologische
                            onderzoeksplicht ten grondslag ligt. </al><al>Het archeologiebeleid van Urk kent een onderverdeling in acht
                            categorieën, die hieronder kort besproken zullen worden (kleuren conform
                            beleidskaart in de bijlage). Per categorie is een afweging gemaakt van
                            de toegestane verstoringsoppervlaktes en -dieptes.</al><al><vet>Categorie 1 (Groen)</vet></al><al>Vrijgestelde oppervlakte: 0 m2</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 30 cm</al><al>Het betreft drie AMK-terreinen, een drietal bekende scheepswrakken in de
                            waterbodem en een scheepswrak op kavel ND 68:</al><lijst><li nr="·"><al>AMK-terrein (kavel D134) dat reeds op basis van een vastgesteld
                                    bestemmingsplan (De Staart 1993) beschermd is. Deze planregels
                                    worden niet gewijzigd. Op deze locatie is een rivierduin
                                    aanwezig waarop bewoningsresten uit de Swifterbantcultuur zijn
                                    gevonden. Tevens zijn oeverwallen aanwezig, alwaar zich ook
                                    bewoningsresten in de bodem bevinden.</al></li><li nr="·"><al>AMK-terrein Domineesweg 28, terrein met sporen van bewoning uit
                                    het Mesolithicum - Neolithicum op een rivierduin.</al></li><li nr="·"><al>Kavel E4. Het betreft een rivierduin waarop bewoningssporen zijn
                                    aangetroffen van de Swifterbantcultuur.</al></li><li nr="·"><al>Waarnemingsnr’s 412597, 46507 en 46527 zijn scheepswrakken die
                                    in de waterbodem liggen. Waarnemingnr 54872 betreft een
                                    scheepswrak op kavel ND 68. </al></li></lijst><al><vet>Categorie 2 (Rood met zwarte strepen)</vet></al><al>Vrijgestelde oppervlakte: 50 m2</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 30 cm</al><al>Tot deze categorie behoren twee zones met bekende archeologische
                            waarden:</al><al>·Op elk van de kavels D103, D104 en D105 bevindt zich een scheepswrak.
                            De exacte ligging van de vaartuigen is onbekend. Op de
                            scheepswrakkenkaart 1992 staan de wrakken 14, 15 en 16 respectievelijk
                            op de kavels D129, D130 en D131. De toewijzing is dus onzeker.</al><al>In het geval van de scheepswrakken is het erg onzeker of deze nog
                            aanwezig zijn. Navraag bij Nieuwland Erfgoedcentrum en de Rijksdienst
                            voor het Cultureel erfgoed heeft geen enkele nadere informatie over de
                            eventuele ligging binnen de percelen opgeleverd. Enerzijds wil de
                            gemeente niet het risico lopen de scheepswrakken te verstoren,
                            anderzijds kan de gemeente het niet verantwoorden het gehele gebied op
                            slot te zetten op grond van onzekere aanwezigheid van scheepswrakken.
                            Omdat de gemeente Urk een vrijstelling van 100 m2 te ruim acht, stelt de
                            gemeente een vrijstellingsoppervlakte van 50 m2 voor. Wat betreft de
                            vrijstellingsdiepte houdt Urk de minimale bouwvoordiepte aan: 30
                            cm.</al><al><vet>Categorie 3 (Rood)</vet></al><al>Vrijgestelde oppervlakte: 50 m2</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 50 cm</al><al>Tot deze categorie behoren twee zones met bekende archeologische
                            waarden:</al><lijst><li nr="·"><al>De oudste kern van Urk; wijk 4, 5 en 6. </al></li><li nr="·"><al>Dijkrestanten, zoals al is vastgesteld in de vigerende
                                    bestemmingsplannen Hooilanden en Urkerkhard.</al></li></lijst><al>Zeer kleine opgravingen, zoals ingegeven door de kleine
                            verkavelingsstructuur van een compacte stads- of dorpskern, leveren in
                            de praktijk slechts geringe archeologische informatie op. Bij kleine
                            projecten (zogenaamde ‘postzegel projecten’) is het ‘zichtvenster’ op
                            het bodemarchief bovendien zeer beperkt. Tot slot beperkt de aard van
                            het aanwezige bodemarchief binnen een historische kern ook de
                            toegevoegde waarde van een archeologisch onderzoek: het gaat vooral om
                            stenen muren, vloeren en kelders. Om deze goed in kaart te brengen en
                            verbanden te kunnen leggen, is enig overzicht - dus enige omvang van het
                            onderzoeksgebied - noodzakelijk. Gemeenten als Gouda en Utrecht, met een
                            zeer rijke en lange archeologische traditie kiezen er daarom voor de
                            eerste 50 m2 vrij te stellen van vergunningplicht. </al><al>Bij zeer kleine ontwikkelingen - op Urk gaat het voornamelijk om
                            uitbreidingen binnen de toch al zeer kleine huispercelen - staan de
                            noodzakelijke archeologische kosten niet in verhouding tot de
                            ontwikkelingskosten en weegt de beperkte archeologische kenniswinst niet
                            op tegen de te maken kosten. Het maatschappelijke draagvlak voor een
                            kleiner vrijstellingsoppervlakte is bovendien afwezig.</al><al>Op basis van bovenstaande punten is voor de kern van Urk en ook voor de
                            dijkrestanten gekozen voor een vrijstellingsoppervlakte van 50 m2.
                            Hiermee worden kleine (particuliere) ontwikkelingen zoals schuurtjes,
                            kleine uitbouwen, schuttingen etc. mogelijk gemaakt, maar wordt
                            tegelijkertijd voorkomen dat te grote delen van het bodemarchief
                            ongezien verloren gaan.</al><al>De vrijstellingsdiepte is ingegeven door de zeer beperkte
                            onderzoeksmogelijkheden in de eerste 50 cm onder maaiveld. Uit de reeds
                            uitgevoerde onderzoeken blijkt in de eerste 50 cm een voornamelijk
                            verrommelde laag te worden aangetroffen, veroorzaakt bij de bouw van de
                            huidige woning.</al><al><vet>Categorie 4 Roze</vet></al><al>Vrijgestelde oppervlakte: 100 m2</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 50 cm</al><al>Tot deze categorie behoren drie zones met archeologische waarden en/of
                            verwachtingen:</al><lijst><li nr="·"><al>Het overige deel van de kern van Urk (m.u.v. wijk 4, 5 en 6).
                                </al></li><li nr="·"><al>Flank van het oude eiland, zoals al is vastgesteld in het
                                    vigerende bestemmingsplan Hooilanden. </al></li></lijst><al>Voor de categorie 4 is grotendeels aangesloten op het vastgestelde
                            archeologiebeleid van de omliggende gemeentes in de provincie Flevoland.
                            In deze gebieden is er voor gekozen om niet af te wijken van de
                            wettelijk bepaalde vrijstellingsgrens van 100 m2. Zo ontstaat voldoende
                            ruimte voor kleinschalige ontwikkelingen door bijvoorbeeld
                            particulieren, maar wordt ook het veiligstellen of
                            onderzoeken/documenteren van archeologische waarden gewaarborgd als er
                            grotere oppervlakten aan de orde zijn. </al><al><vet>Categorie 5 Oranje</vet>Vrijgestelde oppervlakte: 500 m2</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 50 cm</al><al>Tot deze categorie behoren de zones met een hoge verwachting in het
                            buitengebied van de gemeente. In dit gebied is de kans op het aantreffen
                            van archeologische waarden in de bovenste 50 cm gering. In het algemeen
                            geldt voor alle gebieden met deze waarde dat de kans op het aantreffen
                            van archeologische sporen bij een ingreep groot is. De trefkans blijft
                            natuurlijk afhankelijk van de omvang van de ingreep. Hoe groter de
                            ingreep, hoe groter de kans dat iets wordt aangetroffen. Daarbij geldt
                            dat gegevens uit kleinschalige opgravingen over het algemeen moeilijk te
                            duiden zijn omdat de samenhang tussen de sporen niet duidelijk naar
                            voren komt. Bij dergelijke kleinschalige onderzoeken is veelal alleen
                            mogelijk vast te stellen dat er iets aanwezig is uit een bepaalde
                            periode zonder dat veel relevante conclusies kunnen worden getrokken.
                            Vanaf een oppervlakte van 500</al><al>m2 <sup/>ontstaat een meer samenhangend beeld van de onderzochte sporen.
                            Daarom is in gebieden met een hoge verwachting in het buitengebied
                            onderzoek verplicht bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm.
                                <vet>Categorie 6 Geel</vet></al><al>Vrijgestelde oppervlakte: 5000 m2</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 50 cm</al><al> Tot deze categorie behoren de zones met een middelhoge verwachting in
                            het buitengebied. Er wordt een lagere dichtheid aan archeologische
                            resten verwacht dan in zones met een hoge verwachting. De kans dat een
                            bodemingreep in een gebied met een middelhoge verwachting archeologische
                            resten verstoort, is kleiner dan in de gebieden met een hoge
                            verwachting. Wanneer dezelfde ondergrens voor oppervlakte zou worden
                            gehanteerd als in de gebieden met een hoge verwachting, leidt dit bij
                            een geringere trefkans automatisch tot een ongunstiger evenwicht tussen
                            de inspanning die nodig is voor de verschillende (voor)onderzoeken en de
                            uiteindelijke (eventuele) resultaten. In buurgemeente Noordoostpolder is
                            onderzoek verplicht bij ingrepen die groter zijn dan 5000 m2 en dieper
                            gaan dan 50 cm. Urk sluit bij deze maatregelen aan. </al><al><vet>Categorie 7 Lichtgeel</vet></al><al>Vrijgestelde oppervlakte: 1,5 ha</al><al>Vrijgestelde verstoringsdiepte: 50 cm</al><al> In de zones met lage verwachting zijn er weinig aanwijzingen voor
                            archeologische vindplaatsen. Op basis van de huidige theorieën zijn het
                            gebieden die niet specifiek geschikt waren voor bewoning en er zijn niet
                            eerder archeologische vondsten gedaan. Dat er echter nog geen vondsten
                            zijn gedaan, wil niet zeggen dat er ook helemaal geen archeologisch
                            waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn: het is alleen nog niet
                            aangetroffen. </al><al>Door deze zones geheel vrij te geven, doet zich de onwenselijke situatie
                            voor dat de lage verwachting nooit wordt getoetst en er in feite een
                            vicieuze cirkel ontstaat. Immers: er is een lage verwachting omdat er
                            (nog) geen archeologische vondsten zijn gedaan, daardoor wordt er geen
                            onderzoek uitgevoerd, dus kunnen er ook geen vondsten gedaan worden en
                            blijft de lage verwachting gehandhaafd. Om die cirkel te doorbreken en
                            te controleren of de lage verwachting gerechtvaardigd is, zal in
                            gebieden met lage verwachting bij relatief grootschalige ontwikkelingen
                            (groter dan 1,5 ha) door middel van verkennend onderzoek de
                            verwachtingskaart worden getoetst en gepreciseerd. Het betreft dan een
                            verkennend onderzoek dat, zeker gezien de omvang van de ontwikkeling,
                            nauwelijks een verzwaring van het project vormt, maar wel cruciale
                            gegevens kan opleveren. Uiteraard dient wel een vervolgonderzoek plaats
                            te vinden in het geval de resultaten van het verkennend onderzoek daar
                            aanleiding voor geven. Een aandachtspunt in dit gebied is de kans op het
                            aantreffen van scheepswrakken. Deze vormen echter een ‘speld in een
                            hooiberg’ en zijn niet in een verwachtingsmodel te vatten. Deze
                            beleidsmaatregel wordt ook toegepast in de gemeente Zeewolde. </al><al><vet>Categorie 8 Wit</vet>Geen onderzoek noodzakelijk. </al><al>Het gaat hier om de volgende gebieden:</al><lijst><li nr="1."><al>uitgebaggerde delen in het water</al></li><li nr="2."><al>Het gebied aan de oostzijde van de gemeente. Dit gebied is door
                                    T&amp;A reeds geofysisch onderzocht en bleek een verspoelde
                                    vlakte te zijn.</al></li></lijst><al>In deze gebieden zijn geen archeologische resten (meer) te verwachten.
                            Er hoeven dus geen maatregelen getroffen te worden m.b.t. archeologie. </al><al> Wanneer tijdens het uitvoeren van bodemingrepen onverhoopt toch
                            archeologische sporen of vondsten worden aangetroffen, is men wettelijk
                            verplicht hiervan direct melding te doen bij het bevoegd gezag, conform
                            artikel 53 van de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische
                            monumentenzorg. </al><al/><al><vet>10.Voorbeeld bestemmingsplanregels</vet></al><al>De beleidskaart en bestemmingsplanregels zijn onlosmakelijk met elkaar
                            verbonden. De beleidskaart geeft de grenzen aan van de zones waarop de
                            (dubbel)bestemming ‘Waarde - Archeologie X’ rust en kan beschouwd worden
                            als één van de kaartlagen waaruit de (bestemmings)plankaart is
                            opgebouwd. In de bestemmingsplanregels wordt - voor zones met en
                            (dubbel)bestemming ‘Waarde - Archeologie X’ - aangegeven bij welke
                            verstoringsdiepte en -oppervlakte een archeologisch onderzoek vereist
                            is. </al><al>Hieronder zijn voorbeeld bestemmingsplanregels opgenomen, die per
                            beleidsmaatregel aangepast moeten worden. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Waarde – Archeologie – X</titel></kop><al><vet>1.1 Bestemmingsomschrijving</vet></al><al>De voor ´Waarde - Archeologie X’ aangewezen gronden zijn, behalve voor
                            de daar</al><al>voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en
                            veiligstelling van de</al><al>aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.</al><al><vet>1.2 Bouwregels</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op de in 1.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten
                                    behoeve van een</al><al> overige aan deze gronden toegekende bestemming met
                                    omgevingsvergunning worden</al><al> gebouwd, mits op basis van archeologisch onderzoek is
                                    vastgesteld dat ter plaatse geen</al><al> behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de
                                    archeologische waarden</al><al> in voldoende mate zijn zeker gesteld dan wel de aanwezige
                                    behoudenswaardige</al><al> archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 1.3 sub 1 is niet van toepassing op aanvragen voor een
                                    omgevingsvergunning in</al><al> de op de verbeelding als ´Waarde - Archeologie X´ aangewezen
                                    gronden, die betrekking</al><al> hebben op plangebieden die niet groter zijn dan X m2 en
                                    ingrepen die niet dieper dan</al><al> X cm de bodem verstoren.</al></li></lijst><al><vet>1.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen
                                bouwwerkzijnde, of van werkzaamheden</vet></al><al>1.Op of in de in 1.1 bedoelde gronden is het verboden zonder of in
                            afwijking van een</al><al>1. omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders, de volgende
                            werken en</al><al>werkzaamheden uit te voeren:</al><lijst><li nr="a."><al>het vergraven en egaliseren van gronden;</al></li><li nr="b."><al>het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden,
                                    waaronder begrepen het</al></li></lijst><al>kweken en telen van bomen, struiken en heesters;</al><al>c.het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en
                            parkeergelegenheden en</al><al>het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;</al><al>d.het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van
                            bestaande</al><al>waterlopen;</al><lijst><li nr="e."><al>het aanbrengen van leidingen, constructies, installaties en
                                    apparatuur;</al></li><li nr="f."><al>het ophogen van gronden en aanleggen van (geluids)wallen;</al></li><li nr="g."><al>werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of
                                    waterstand</al></li></lijst><al>beogen of tengevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van
                            putten.</al><lijst><li nr="2."><al>Een omgevingsvergunning als bedoeld in 1.3 sub 1 mag alleen
                                    worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>door de uitvoering van de werken en werkzaamheden dan
                                            wel door de daarvan hetzij</al></li></lijst></li></lijst><al>direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvende
                            onevenredige afbreuk</al><al>wordt gedaan aan de archeologische waarden dan wel hieraan door het
                            stellen van</al><al>voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen, of de mogelijkheden
                            voor het</al><al>herstel van die waarden niet onevenredig worden verkleind; en</al><al>b.vooraf door aanvrager van de aanlegvergunning een rapport op basis van
                            de in de</al><al>beroepsgroep geldende normen is overgelegd waaruit naar het oordeel
                            van</al><al>burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat:</al><al>de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of</al><al>er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of</al><al>de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.</al><lijst><li nr="3."><al>Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 1.3 sub 2 is vereist
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>werken en werkzaamheden behorende bij het normale
                                            onderhoud, gebruik en beheer;</al></li><li nr="b."><al>werken en werkzaamheden welke op het moment van het van
                                            kracht worden van het</al><al> plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd
                                            krachtens een voor dat tijdstip</al><al> geldende dan wel aangevraagde vergunning.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>1.4 Wijzigingsbevoegdheid</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het plan te wijzigen op grond
                            van artikel XX Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van:</al><lijst><li nr="1."><al>het bestemmen van de gronden met de bestemming ´Waarde -
                                    Archeologie X´ zoals</al><al> bedoeld in lid 1.1, indien uit nader deskundig archeologisch
                                    (voor-) onderzoek is</al><al> gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig
                                    zijn;</al></li><li nr="2."><al>het verwijderen van de bestemming ´Waarde - Archeologie X´ zoals
                                    bedoeld in lid 1.1,</al><al> indien uit nader deskundig archeologisch onderzoek is
                                    gebleken:</al><lijst><li nr="a."><al>dat ter plaatse geen sprake is van behoudenswaardige
                                            archeologische waarden</al></li></lijst></li></lijst><al>aanwezig zijn; en</al><al>b.het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan
                            voorziet in de</al><al>bescherming van deze waarden.</al><al/><al><vet>11.Literatuurlijst</vet></al><al>Bij het tot stand komen van de beleidskaart is het archeologiebeleid van
                            de omliggende gemeenten uit Flevoland geraadpleegd: </al><al>Nota Archeologische Monumentenzorg 2009 Almere</al><al>Archeologiebeleid gemeente Dronten: <cursief>Archeologische beleidskaart
                                en voorbeeldplanregels ten behoeve van
                            bestemmingsplannen.</cursief></al><al>Archeologische Monumentenzorg in Lelystad</al><al>Archeologische Basis- en Beleidsadvieskaart voor het grondgebied van
                            Noordoostpolder</al><al>Archeologiebeleid gemeente Zeewolde: <cursief>Archeologische
                                beleidskaart, standaardregels voor bestemmingsplannen en procedure
                                voor archeologisch onderzoek &amp; selectiebesluiten.</cursief></al><al>Op de kavels D103, D104 en D105 bevindt zich op elk kavel een
                            scheepswrak. De exacte ligging van de vaartuigen is onbekend. Op de
                            scheepswrakkenkaart 1992 staan de wrakken 14, 15 en 16 respectievelijk
                            op de kavels D129, D130 en D131. Met behulp van dhr. Dick Velthuizen van
                            het Nieuwland Erfgoedcentrum is nog een poging gedaan om de locatie
                            nader te duiden, maar dit is niet gelukt. </al><al>Bij het opstellen van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart
                            zijn eerder de volgende digitale bronnen geraadpleegd: </al><lijst><li nr="-"><al>Centraal Archeologisch Archief (CAA).</al></li><li nr="-"><al>Centraal Monumenten Archief (CMA).</al></li><li nr="-"><al>Indicatieve kaart van Archeologische Waarden (IKAW).</al></li><li nr="-"><al>Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS).</al></li><li nr="-"><al>KICH cultuur-historische kaart www.kich.nl.</al></li><li nr="-"><al>Website van het AHN: www.ahn.nl.</al></li><li nr="-"><al>Luchtfoto’s via Google Earth.</al><lijst><li nr="A."><al>Kerkhoven, 2004: <cursief>Voorstel voor een
                                                bouwvergunningen-protocol en planologische
                                                verankering ten behoeve van het behoud van
                                                archeologische waarden in de historische kern van
                                                Urk.</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al>Oudhof, J.W.M. en M.J.P. Gouw, 2003: <cursief>Archeologische Basiskaart
                                Urk</cursief>. Vestigia rapport V65.</al><al>Bunschoten.</al><al>Oudhof, J.W.M., R. Schrijvers en M.S. van Oers, 2004: <cursief>Urk,
                                aanvulling archeologische basiskaart - </cursief></al><al><cursief>Aanvullend Geo-fysisch en archeologisch onderzoek ter
                                waardering van een pleistocene</cursief></al><al><cursief>dekzandvlakte (gebied E) en kavel C1659 te Urk.</cursief></al><al>Teekens, P.C. en H.E. Bouter, 2008. <cursief>Bureauonderzoek en
                                Inventariserend veldonderzoek plangebied Watergangen Zwolsehoek Fase
                                5 te Urk. Een verkennend booronderzoek.</cursief> Archeologische
                            Rapporten Oranjewoud 2008/28.</al><al>Vissinga, A. 2008. <cursief>Inventariserend veldonderzoek - karterende
                                fase plangebied Watergangen Zwolsehoek Fase 5 te Urk. Een karterend
                                booronderzoek. </cursief>Archeologische Rapporten Oranjewoud
                            2008/106. Oranjewoud, Heerenveen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Bijlagekaart met archeologische waarden- en
                        verwachtingenkaart</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="i66b2b8cc-1d7b-4390-b8fe-dd92cb69f7ba" naam="i277073i66b2b8cc-1d7b-4390-b8fe-dd92cb69f7ba.jpg" type="foto" breedte="7.9cm" hoogte="5.6cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><al><plaatje><illustratie id="iabd0790e-da0a-4898-8af0-398aac40eca0" naam="i277074iabd0790e-da0a-4898-8af0-398aac40eca0.jpg" type="foto" breedte="7.9cm" hoogte="5.6cm"/></plaatje></al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 Bijlagekaartmet archeologische beleidskaart</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="i36a34986-21fc-4f94-a052-b4a8a8bd8ed4" naam="i277075i36a34986-21fc-4f94-a052-b4a8a8bd8ed4.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.2cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><al><plaatje><illustratie id="i78d6fdc0-2e04-4e02-85bb-afe29997e7f2" naam="i278512i78d6fdc0-2e04-4e02-85bb-afe29997e7f2.jpg" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="11.2cm"/></plaatje></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 Catalogus van waarnemingen per periode</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Urk/i278519.pdf">bijlage 3</extref></al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Urk/i278513.pdf">
                    [Klik hier om het document te downloaden]
                  </extref></al></bijlage><bijlage><kop><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><al/><al>1. Inleiding en doelstelling project 4</al><al/><al>2. Juridische en planologische inkadering archeologiebeleid 4</al><al/><al>2. 1 Rijk 4</al><al/><al>2. 2 Provincie 5</al><al/><al>2. 3 Gemeente 6</al><al/><al>3. Overzicht van aanwezige archeologische waarden en uitgevoerd onderzoek 7</al><al/><al>4. Landschappelijke ontwikkeling 9</al><al/><al>5. Archeologische ontwikkeling 11</al><al/><al>6. Gehanteerd verwachtingsmodel en gedefinieerde verwachtingszones 13</al><al/><al>7. Beschrijving van het tot stand komen van de archeologische waarden- en
                    verwachtingenkaart 16</al><al/><al>8. Beschrijving van het tot stand komen van de beleidskaart 16</al><al/><al>9. Categorieën op de beleidskaart 17</al><al/><al>10. Voorbeeld bestemmingsplanregels 20</al><al/><al>11. Literatuurlijst 22</al><al/><al>Bijlage 1 Kaartbijlage met archeologische waarden- en verwachtingenkaart 23</al><al>Bijlage 2 Kaartbijlage met archeologische beleidskaart 23</al><al>Bijlage 3 Catalogus van waarnemingen per periode 23</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>