<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR413099_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfverordening Boxmeer 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl/gemeenteblad">Boxmeers Weekblad en website, 2 augustus 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Boxmeer 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Erfgoedwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-08-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-05-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R-REV/2016/5624</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfverordening Boxmeer 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij
                            anders is bepaald, verstaan onder:</al><al>-gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is
                            ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;</al><al>-minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; -
                            omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2,
                            eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht;</al><al>-stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen
                            belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of
                            structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of
                            cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer
                            monumenten bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Gemeentelijk erfgoedregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen
                                gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening
                                onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk
                                erfgoedregister).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het
                                        aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;</al></li><li nr="b."><al>gegevens over door burgemeester en wethouders van de
                                        minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een
                                        rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in
                                        artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en
                            verzamelingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde
                                gemeentelijke verzameling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een
                                    cultuurgoed datvan bijzondere cultuurhistorische of
                                    wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en
                                    dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden
                                    voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de
                                    gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan
                                    te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. </al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een
                                    verzameling van bijzondere cultuurhistorische of
                                    wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer
                                    van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de
                                    verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te
                                    worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in
                                    eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente
                                    is toevertrouwd aan te wijzen als beschermde gemeentelijk
                                    verzameling.</al><al/></li><li nr="3."><al>Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling
                                    die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming
                                    van de eigenaar vereist.</al><al/></li><li nr="4."><al>Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of
                                    tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd
                                    gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke
                                    verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen
                                    burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld
                                    in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.</al><al/></li><li nr="5."><al>Dit artikel is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>beschermde cultuurgoederen en beschermde
                                            verzamelingen als bedoeld in artikel1 van de Erfgoedwet,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een
                                            provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel
                                            3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als
                                beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke
                                verzameling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als
                                bedoeld in artikel 3, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige
                                toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis
                                betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing
                                betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed
                                of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt
                                aangewezen als:</al><lijst><li nr="a."><al>beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld
                                        in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of</al></li><li nr="b."><al>beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale
                                        erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid,
                                        van de Erfgoedwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing
                                onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het
                                gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijk monument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanwijzing als gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of
                                archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente
                                vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk
                                monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>rijksmonumenten, en</al></li><li nr="b."><al>monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen
                                        op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld
                                        in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Voornemen tot aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5 wordt door
                                burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle
                                zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de
                                openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
                                Kadasterwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester
                                en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op
                                het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een
                                voornemen als bedoeld in artikel 6 is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment
                                van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk
                                erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt
                                herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Advies gemeentelijke adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing
                                te geven aan artikel 5 advies aan een gemeentelijke adviescommissie
                                waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de
                                monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van
                                het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die
                                deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het
                                advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na
                                ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk
                                gemotiveerd advies uit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26
                                weken na ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van
                                het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale
                                aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en
                                inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk
                                gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare
                                registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de
                                Kadasterwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze
                                onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een
                                monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig
                                gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval
                                aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de
                                vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26
                                weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit
                                hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat
                                belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het
                                besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het
                                monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk
                                monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing op deze
                                aanwijzing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing
                                monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke
                                monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve
                                wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf
                                3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het
                                archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als
                                zodanig is tenietgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of
                                het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is
                                ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal
                                erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de
                                Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld
                                bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming gemeentelijk monument</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument</titel></kop><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                            vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding
                            daarvan noodzakelijk is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Omgevingsvergunning gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en
                                wethouders een gemeentelijk monument:</al><lijst><li nr="a."><al>te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht
                                        te wijzigen, of</al></li><li nr="b."><al>te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                                        wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover
                                        detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en
                                        kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de
                                        aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een
                                        onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van
                                        monumentenzorg zonder betekenis is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de
                                monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de
                                uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze
                                regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld
                                in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen
                                bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Intrekken van de omgevingsvergunning</titel></kop><al>De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14, eerste lid, kan door
                            burgemeester en wethouders worden ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en
                                    de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben
                                    geleid;</al></li><li nr="b."><al>voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking
                                    tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend,
                                    zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde
                                    voortzetting van die activiteit verzetten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de
                                monumentenzorg zich daartegen niet verzet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet
                                verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Advies omgevingsvergunning rijksmonument</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de
                            ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als
                            bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie,
                            bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn
                            van overeenkomstige toepassing. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en
                                dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders,
                                stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads-
                                of dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de
                                adviescommissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid. Artikel 8, tweede
                                en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het
                                voorstel, bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld
                                opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het
                                eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een
                                bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij
                                het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht
                                kan hiertoe een termijn worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende
                                bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid
                                kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als
                                bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid,
                                opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid,
                                van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking
                                van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende
                                gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en
                                dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste
                                lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als
                                bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als
                                beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een
                                besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid,
                                wijzigen of intrekken. Artikel 18, tweede en derde lid, is hierop
                                van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van
                                ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht
                                waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en
                                dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35,
                                        eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of</al></li><li nr="b."><al>beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een
                                        provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2,
                                        eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing
                                onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het
                                gemeentelijk erfgoedregister.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Verbodsbepaling en aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden
                                om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste
                                lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar
                                het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat
                                op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of
                                zal worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een
                                verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de
                                Woningwet.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>Handhaving en toezicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene die handelt in strijd met artikel 13 of het bepaalde
                                krachtens artikel 14, derde lid, van deze verordening wordt gestraft
                                met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten
                                hoogste drie maanden. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                        krachtens deze verordening zijn belast de in het kader van
                                        het toezicht op de naleving van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht aangewezen toezichthouders.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere personen
                                        met dit toezicht belasten.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>8.</nr><titel>Vangnet archeologie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Vangnet archeologie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch
                                        monument of een gebied waar archeologische vondsten worden
                                        verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is
                                        voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit
                                        ruimtelijke ordening, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in
                                        artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het de verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale
                                        archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve
                                        kaart van archeologische waarden en het verrichten van de
                                        activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en
                                        wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van
                                        verstoring;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke
                                        beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied
                                        aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond
                                        aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt
                                        gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden
                                        wordt voorkomen, of</al></li><li nr="d."><al>met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen
                                        archeologische waarden aanwezig zijn.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over
                                        het verrichten van archeologisch onderzoek.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Erfgoedverordening 2010 Gemeente Boxmeer wordt ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een krachtens Erfgoedverordening 2010 Gemeente Boxmeer
                                        aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden
                                        geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                        bepalingen van deze verordening.</al><al/></li><li nr="2."><al>Aanvragen om vergunningen die zijn ingediend voorafgaand aan
                                        de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld
                                        met inachtneming van de Erfgoedverordening 2010 Gemeente
                                        Boxmeer.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                        die van de bekendmaking.</al><al/></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening
                                        Boxmeer 2016.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente
                        Boxmeer, 30 juni 2016,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A.W.J.M. Cornelissen MMC K.W.T. van Soest</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMEEN DEEL</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van
                                wetgeving in één Erfgoedwet en de verwachte invoering van de
                                Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk
                                erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel
                                is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering
                                van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke
                                Erfgoedverordening in vergelijking met de voorgaande verordening
                                zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als
                                smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of
                                bescherming van stads- en dorpsgezichten of archeologische waarden
                                en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening
                                en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Omgevingswet,
                                het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een
                                vereenvoudigde Erfgoedverordening.</al><al>De Erfgoedverordening wordt vernieuwd vanwege de invoering van de
                                nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en
                                integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het
                                cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over
                                cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via
                                de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de
                                Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de
                                Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van
                                de Omgevingswet. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de
                                Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988.</al><al>In de Omgevingswet zal materieel gezien het bestaande stelsel van
                                monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-één worden
                                overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en
                                inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de
                                samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende
                                vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden
                                van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van
                                beschermde stads- en dorpsgezichten en in dat kader het opstellen
                                van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de
                                bepalingen over de archeologische monumentenzorg in
                                bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen zullen overgaan naar de
                                Omgevingswet.</al><al/><al><vet>Reikwijdte</vet></al><al>De Erfgoedwet integreert de Regeling materieelbeheer museale
                                voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de
                                Monumentenwet 1988 (Mw 1988), de Wet tot behoud van cultuurbezit
                                (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige
                                invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet
                                tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. In
                                aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede
                                Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet
                                op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend
                                cultureel erfgoed (cultuurgoederen). </al><al>Deze verordening ziet in beginsel niet meer op archeologie.
                                Archeologische waarden moeten worden geborgd via het ruimtelijke
                                spoor (lees: de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis
                                van de Wabo) op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke
                                ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht. Omdat er
                                binnen de gemeente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming
                                van archeologische monumenten niet is opgenomen, is in het
                                overgangsrecht afzonderlijk in een vangnetbepaling voorzien (artikel
                                23).</al><al/><al><vet>Wettelijke grondslag</vet></al><al>De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de
                                Erfgoedwet en, op de voet van het overgangsrecht van artikel 9.1 van
                                de Erfgoedwet, de artikelen 12 ,15 en 38 van de Monumentenwet 1988.
                                Deze laatste wetgeving blijft op grond van het overgangsrecht van de
                                Erfgoedwet van kracht tot de invoering van de Omgevingswet.
                                Daarnaast zijn ook de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van belang in verband met
                                de bescherming van monumenten door middel van
                                omgevingsvergunningen.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJS</vet></al><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden
                                hieronder behandeld.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden
                                onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening,
                                nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en
                                derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel
                                1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen
                                “gemeentelijk monument”, “minister”, “omgevingsvergunning” en
                                “stads- en dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden
                                omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in
                                deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. </al><al>De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet
                                zijn:</al><al>-<cursief>archeologisch monument</cursief>: terrein dat deel
                                uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige
                                overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke
                                aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen,
                                voorwerpen en sporen;</al><al><cursief>- </cursief><cursief>archeologische vondst:</cursief>
                                overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in
                                het verleden afkomstig van een archeologisch monument; </al><al><cursief>- </cursief><cursief>beschermd cultuurgoed:</cursief>
                                cultuurgoed dat:</al><lijst><li nr="a."><al>als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste
                                        lid[, van de Erfgoedwet];</al></li><li nr="b."><al>voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde
                                        lid[, van de Erfgoedwet]; of</al></li></lijst><al>c.in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond
                                van artikel 3.8, eerste lid, [van de Erfgoedwet] zolang nog geen
                                opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder
                                de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;</al><al><cursief>- beschermde verzameling:</cursief> verzameling die is
                                aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid[, van de
                                Erfgoedwet];</al><al><cursief>- cultureel erfgoed:</cursief> uit het verleden geërfde
                                materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand
                                gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens
                                en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan,
                                identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich
                                voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en
                                tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een
                                referentiekader bieden; </al><al><cursief>- cultuurgoed:</cursief> roerende zaak die deel uitmaakt
                                van cultureel erfgoed; </al><al><cursief>- kerkelijk monument:</cursief> monument dat eigendom is
                                van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een
                                lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander
                                genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een
                                overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de
                                godsdienst of levensovertuiging; </al><al><cursief>- monument:</cursief> onroerende zaak die deel uitmaakt van
                                cultureel erfgoed; </al><al><cursief>- normaal onderhoud:</cursief> noodzakelijke reguliere
                                werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde; </al><al><cursief>- rijksmonument:</cursief> monument of archeologisch
                                monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; </al><al><cursief>- rijksmonumentenregister:</cursief> register als bedoeld
                                in artikel 3.3[, van de Erfgoedwet];</al><al><cursief>- verzameling:</cursief> cultuurgoederen die uit
                                cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister</vet></al><al>Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het
                                (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat
                                krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het
                                gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten
                                of cultuurgoederen. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook
                                informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in
                                het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de
                                Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in
                                afschrift van de minister bij de inschrijving in het
                                rijksmonumentenregister. </al><al>Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16,
                                derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het
                                cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken
                                gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. </al><al>Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing
                                geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder
                                    of beschermde gemeentelijke verzameling</vet></al><al>Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk
                                cultuurbezit worden aangewezen als beschermde gemeentelijke
                                cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzamelingen, voor
                                zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde
                                cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van
                                artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond
                                van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de
                                Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een
                                cultuurgoed of verzameling als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of
                                beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel
                                2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in
                                het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde
                                lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een
                                adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de
                                gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of
                                de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was
                                toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische
                                betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt
                                in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling. </al><al>De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en
                                verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen
                                en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of
                                cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is
                                toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                                cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit
                                collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke
                                cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste.
                                Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een
                                schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of
                                andere juridische voorwaarden in acht nemen.</al><al>Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de
                                aanwijzing van cultuurgoederen van derden als beschermde
                                gemeentelijke cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming
                                van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij
                                verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een
                                andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau
                                beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van
                                een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking
                                uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor
                                burgemeester en wethouders te creëren.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing
                                    als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde
                                    gemeentelijke verzameling</vet></al><al>Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte
                                aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als
                                beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke
                                verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de
                                aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester
                                en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18
                                van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis
                                kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing
                                van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het
                                in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier
                                bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de
                                verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een
                                provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde
                                verzameling.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument</vet></al><al>Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk
                                monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een
                                park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De
                                aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing
                                te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen,
                                waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik
                                van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is
                                ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de
                                Erfgoedwet.</al><al>Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing
                                van een monument of archeologisch monument als beschermd
                                gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de
                                voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de
                                afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de
                                belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen
                                monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen.
                                Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen
                                derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude
                                verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van
                                de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert
                                echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als
                                gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het
                                (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van
                                artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
                                Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de
                                Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een
                                besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van
                                het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het
                                cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan
                                niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als
                                een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet
                                afzonderlijk te worden benoemd.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de
                                Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder
                                archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het
                                terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen,
                                voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het
                                verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen,
                                gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt
                                aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk
                                gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het
                                voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van
                                belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a,
                                onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet
                                kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder
                                zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten
                                aanzien van de onroerende zaak.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg
                                met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat
                                eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel
                                daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van
                                een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of
                                voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk
                                belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de
                                Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in
                                artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet
                                recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als
                                plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of
                                levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8
                                van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten
                                worden gehoord. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Voorbescherming</vet></al><al>Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in
                                voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De
                                voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen
                                tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.
                                Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die
                                voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat
                                luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding
                                van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).</al><al/><al><vet>Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie</vet></al><al>Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de
                                invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten
                                minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de
                                inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg
                                die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een
                                omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
                                eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.”
                                Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie
                                zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg.
                                Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg.</al><al>De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor
                                monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in
                                de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht.
                                In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel
                                gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 8
                                maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de
                                Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke
                                adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de
                                Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel
                                uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat
                                voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde
                                daartoe overgenomen in deze verordening. </al><al>Onder de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat
                                op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal een
                                adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te
                                adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
                                rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische
                                monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te
                                zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de
                                Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de
                                omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van
                                aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van
                                bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en
                                landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de
                                menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de
                                intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit
                                van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt
                                uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze commissie
                                mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Beslistermijn en inhoud
                                aanwijzingsbesluit</vet></al><al>Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd
                                wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).</al><al/><al><vet>Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden
                                    en inschrijving</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking
                                van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door
                                burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van
                                belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a,
                                onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet
                                kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een
                                aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk
                                gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister
                                is een louter administratieve verrichting en niet een besluit.
                                Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het
                                gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op
                                grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid
                                publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk
                                    monument</vet></al><al>Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in
                                spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als
                                gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de
                                adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de
                                voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter
                                vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn
                                gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus
                                geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing
                                dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief
                                wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming
                                door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister
                                plaatsvindt vervalt de bescherming.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen
                                    aanwijzing monument</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een
                                aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als
                                bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de
                                aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is
                                opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal
                                erfgoedregister. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Instandhoudingsplicht gemeentelijk
                                monument</vet></al><al>Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met
                                artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals
                                dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip
                                van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk
                                monument</vet></al><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk
                                grotendeels gelijk aan de oude verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Weigeringsgronden</vet></al><al>In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet
                                worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het
                                gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de
                                vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument
                                aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Advies omgevingsvergunning rijksmonument</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 8. De term “rijksmonument” is
                                gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9
                                van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is
                                geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling
                                van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij
                                rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de
                                Monumentenwet 1988).</al><al/><al><vet>Artikel 18. Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en
                                    dorpsgezicht</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om
                                gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens
                                krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is
                                vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de
                                Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen.
                                Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de
                                inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen
                                gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het
                                omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het
                                gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de
                                Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 13 van deze
                                verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en
                                dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de
                                Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij
                                moeten overnemen in hun omgevingsplan.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Wijziging, intrekking en vervallen van de
                                    aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en
                                    dorpsgezicht</vet></al><al>Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte
                                aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als
                                beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure
                                geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een
                                aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de
                                aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt
                                aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging
                                van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen
                                i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of
                                huisnummers.</al><al/><al><vet>Artikel 20. Verbodsbepaling en aanvraag vergunning</vet></al><al>Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft
                                gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen
                                in een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een
                                omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering
                                gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is uitsluitend voor overtreding van de
                                instandhoudingsplicht van artikel 13 en de nadere regels krachtens
                                artikel 14, derde lid, noodzakelijk. De strafbaarstelling van
                                handelen zonder of in strijd met de voorschriften van de
                                omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is via de Wabo en
                                de Wet op de economische delicten (artikel 1a) geregeld. Langs deze
                                weg is ook overtreding van artikel 14, eerste lid, en 20, eerste
                                lid, van deze verordening strafbaar.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Toezichthouders</vet></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk
                                voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving
                                van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                                (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als
                                categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19
                                Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke
                                plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming
                                van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet
                                alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).
                                Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond
                                van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de
                                naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor
                                zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast
                                ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een
                                woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Vangnet archeologie</vet></al><al>Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening
                                dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het
                                bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze
                                waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en
                                in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is
                                gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming
                                archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn
                                echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van
                                deze eisen. Gelet op de geldigheidstermijn van een bestemmingsplan
                                van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven. Om,
                                mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor
                                de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de
                                bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel
                                opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat
                                mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet
                                worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die
                                gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit
                                ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de
                                verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat
                                aan die eisen kan voldoen.</al><al>Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het
                                verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht
                                worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van
                                aanpak.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>