<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR412698_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 mei 2016, nummer 817FAFD9 en provinciale staten van Utrecht van 6 juni 2016, nummer 817F5DDE, houdende regels voor de behandeling van bezwaarschriften, klachten en administratieve beroepen (Verordening bezwaarschriften, klachten en administratieve beroepen)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Utrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-4241.html">Provinciaal blad, 2016, 4241</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening bezwaarschriften, klachten en administratieve beroepen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 82</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 105, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 145</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 168</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, hfd. 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, afd. 9.1.3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>817FAFD9</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bezwaar, beroep, klachten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 mei 2016, nummer 817FAFD9 en provinciale staten van Utrecht van 6 juni 2016, nummer 817F5DDE, houdende regels voor de behandeling van bezwaarschriften, klachten en administratieve beroepen (Verordening bezwaarschriften, klachten en administratieve beroepen)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 17 mei 2016, nummer 817FAFD9
                        en provinciale staten van Utrecht van 6 juni 2016, nummer 817F5DDE, houdende
                        regels voor de behandeling van bezwaarschriften, klachten en administratieve
                        beroepen (Verordening bezwaarschriften, klachten en administratieve
                        beroepen)</al><al><vet>Gedeputeerde staten van Utrecht;</vet></al><al>Gelet op artikel 82 van de Provinciewet, hoofdstuk 7 en afdeling 9.1.3 van
                        de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>Overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten behoeve van de
                        behandeling van en advisering over bezwaarschriften, klachten en
                        administratieve beroepen en een adviescommissie in te stellen waarvan de
                        voorzitters en leden geen deel uitmaken van gedeputeerde staten of hun
                        commissies dan wel werkzaam zijn onder hun verantwoordelijkheid;</al><al><vet>Provinciale staten van Utrecht;</vet></al><al>Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van 17 mei 2016, nummer
                        817F5A81;</al><al>Gelet op de artikelen 105, eerste lid, 145 en 168 van de Provinciewet,
                        hoofdstuk 7 en afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>Overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten behoeve van de
                        behandeling van en advisering over bezwaarschriften, klachten, en een
                        adviescommissie in te stellen waarvan de voorzitters en leden geen deel
                        uitmaken van provinciale staten of hun commissies dan wel werkzaam zijn
                        onder hun verantwoordelijkheid;</al><al>Besluiten, ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft, de volgende
                        verordening vast te stellen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Arikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: Awb-adviescommissie van provinciale staten en
                                    gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 7:13, 7:19 en artikel
                                    9:14 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>bezwaarschrift: bezwaarschrift als bedoeld in artikel 1:5,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>klacht: klacht als bedoeld in artikel 9.1 van de wet die
                                    betrekking heeft op gedragingen van of toe te rekenen is aan
                                    provinciale staten of gedeputeerde staten;</al></li><li nr="d."><al>beroepschrift: administratief beroep als bedoeld in artikel
                                    1:5, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit
                                    heeft genomen of waartegen de klacht zich richt;</al></li><li nr="f."><al>wet: Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Taak van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie is belast met de behandeling van en advisering
                                    over: </al><lijst><li nr="a."><al>bezwaarschriften tegen besluiten van provinciale
                                            staten onderscheidenlijk gedeputeerde staten, met uitzondering van de gevallen genoemd in het
                                            derde lid en vierde lid;</al></li><li nr="b."><al>beroepschriften die aan de beslissing van
                                            gedeputeerde staten zijn onderworpen;</al></li><li nr="c."><al>klachten die betrekking hebben op provinciale staten
                                            of gedeputeerde staten;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De commissie adviseert tevens over verzoeken om
                                    kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15 en 7:28 van de wet
                                    in verband met de in het eerste lid genoemde bezwaar- en
                                    beroepschriften.</al></li><li nr="3."><al>De commissie heeft geen taak: </al><lijst><li nr="a."><al>voor zover provinciale staten onderscheidenlijk
                                            gedeputeerde staten een bijzondere adviescommissie
                                            hebben ingesteld;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van de beslissing op bezwaren tegen
                                            besluiten waarvan de behandeling bij mandaat aan een
                                            andere instantie is opgedragen.</al></li><li nr="c."><al>ten behoeve van de beslissing tegen besluiten op
                                            grond van een wettelijk voorschrift inzake provinciale
                                            belastingen of heffingen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid kunnen gedeputeerde staten
                                    onderscheidenlijk provinciale staten de voorbereiding en
                                    advisering van bepaalde bezwaarschriften aan zich houden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>II</nr><titel>Samenstelling commissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat per zitting uit een voorzitter en twee
                                    andere leden.</al></li><li nr="2."><al>Gedeputeerde staten benoemen één of meer voorzitters en twee
                                    of meer andere leden voor de commissie, nadat overleg plaats
                                    heeft plaatsgevonden met het fractievoorzittersconvent van
                                    provinciale staten over de voordracht van het kandidaatlid of
                                    kandidaatleden.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en andere leden van de commissie kunnen geen
                                    deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid
                                    van een van de bestuursorganen van de provincie Utrecht.</al></li><li nr="4."><al>De commissie regelt zelf de samenstelling van de commissie
                                    voor de behandeling van een bezwaarschrift, klacht of
                                    administratief beroep. De commissie wijst hierbij uit haar
                                    midden per zitting een reservelid aan.</al></li><li nr="5."><al>Bij verhindering van de voorzitter wijst de commissie uit de
                                    zitting houdende andere leden, de vervanger van de voorzitter
                                    aan.</al></li><li nr="6."><al>Ten behoeve van de behandeling van administratief beroep
                                    bestaat de commissie per zitting uit een lid, aan te wijzen uit
                                    en door het college van Gedeputeerde Staten, alsmede twee
                                    voorzitters van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretariaat</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt bijgestaan door een of meer ambtelijk
                                    secretarissen.</al></li><li nr="2."><al>De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie
                                    uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de commissie.</al></li><li nr="3."><al>De secretarissen worden ondersteund door (door gedeputeerde
                                    staten aangewezen) medewerker(s) administratieve
                                    ondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De benoeming van de voorzitters en de andere leden van de
                                    commissie geldt voor ten hoogste vier jaar. Gedeputeerde staten
                                    kunnen hen schorsen en tussentijds ontslaan.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitters en de andere leden kunnen eenmaal herbenoemd
                                    worden.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitters en de leden van de commissie kunnen te allen
                                    tijde schriftelijk ontslag nemen, met inachtneming van een
                                    opzegtermijn van twee maanden.</al></li><li nr="4."><al>De aftredende voorzitters en de aftredende andere leden van
                                    de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de
                                    opvolging is voorzien.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>III</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift, klaagschrift of
                                beroepschrift</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het ingediende bezwaar-, klaag- of beroepschrift wordt de
                                    datum van ontvangst aangetekend.</al></li><li nr="2."><al>Het secretariaat draagt zorg voor het bericht van ontvangst
                                    aan de indiener van het bezwaar-, klaag- of beroepschrift.
                                    Daarin wordt tevens vermeld dat een commissie over het bezwaar-,
                                    klaagof beroepschrift zal adviseren.</al></li><li nr="3."><al>Het bezwaar-, klaag- of beroepschrift met de daarbij
                                    overgelegde stukken wordt zo spoedig mogelijk in handen van de
                                    commissie gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden als gevolg van de hierna genoemde artikelen van de wet
                            worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de
                            voorzitter van de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid (schriftelijke machtiging
                                    vragen);</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6 en 7:24, derde lid, voor wat betreft het stellen
                                    van een termijn aan de indiener (herstellen van verzuim);</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17, voor wat betreft de verzending van stukken
                                    tijdens de behandeling door de commissie (verzending van stukken
                                    aan de gemachtigde);</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, eerste lid (indienen van stukken) en tweede lid
                                    (het ter inzage leggen van stukken)</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid (geheimhouding om gewichtige redenen
                                    bij het horen).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd in verband met de
                                    voorbereiding van de behandeling van het bezwaarschrift,
                                    klaagschrift of beroepsschrift rechtstreeks alle gewenste
                                    inlichtingen in te winnen of te doen inwinnen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter van de commissie kan uit eigen beweging of op
                                    verlangen van de commissie bij deskundigen advies of
                                    inlichtingen inwinnen en hen, zo nodig, uitnodigen daartoe op de
                                    hoorzitting te verschijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al>De secretaris kan onderzoeken of het bezwaar in der minne kan worden
                            opgelost en daartoe de nodige handelingen verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van
                                    de zitting, waarop de belanghebbende(n) en het verwerend orgaan
                                    in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te doen
                                    horen.</al></li><li nr="2."><al>De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:3, 7:17
                                    en artikel 9:10 van de wet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de commissie op grond van het tweede lid besluit af te
                                    zien van horen, doet zij daarvan mededeling aan de
                                    belanghebbende en het verwerend orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter nodigt belanghebbenden en het verwerend orgaan
                                    ten minste tien werkdagen voor de zitting schriftelijk uit.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vijf werkdagen na de dag van verzending van de
                                    uitnodiging kunnen belanghebbenden of het verwerend orgaan
                                    zonder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het tijdstip
                                    van de zitting te wijzigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>Een voorzitter of een ander lid van de commissie maakt, uit eigen
                            beweging of op verzoek, geen deel uit van de commissie, indien hij bij
                            de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, een
                            persoonlijk belang heeft bij de zaak of in een bijzondere relatie tot de
                            indiener van het bezwaar of de klacht staat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                    commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of
                                    indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                    aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting
                                    verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren.</al></li><li nr="4."><al>De zitting van de commissie vindt in ieder geval achter
                                    gesloten deuren plaats voor wat betreft bezwaarschriften die
                                    zijn ingediend tegen rechtspositionele besluiten en
                                    klachten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag, zoals bedoeld in artikel 7:7, 7:21 en 9:15,
                                    vierde lid van de wet, vermeldt de namen van de aanwezigen, met
                                    daarbij een vermelding van hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag bevat een beknopte weergave van het ter
                                    hoorzitting verhandelde.</al></li><li nr="3."><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk niet openbaar was,
                                    of indien belanghebbenden respectievelijk hun gemachtigden niet
                                    in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, wordt hiervan melding
                                    gemaakt in het verslag.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde
                                    bescheiden. Deze worden aan het verslag gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt, nadat dit door de commissie is
                                    vastgesteld, ondertekend door de secretaris van de
                                    commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afloop van de zitting, maar voordat het advies is
                                    uitgebracht, naar het oordeel van de commissie een nader
                                    onderzoek wenselijk is, geschiedt dit door of onder leiding van
                                    de voorzitter van de commissie.</al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in
                                    afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en
                                    de belanghebbende(n) gezonden, met het verzoek daarop binnen een
                                    te stellen termijn te reageren.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                    belanghebbende(n) kunnen binnen een week na verzending van de
                                    nadere informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek
                                    richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De
                                    voorzitter beslist op een dergelijk verzoek.</al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze
                                    verordening die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>IV</nr><titel>Advies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren
                                    over het door haar uit te brengen advies.</al></li><li nr="2."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit
                                    te brengen advies.</al></li><li nr="3."><al>Het advies wordt gegeven door minimaal drie personen, waar
                                    onder in ieder geval de voorzitter en het lid dat bij de
                                    hoorzitting aanwezig is geweest.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie brengt het advies, het verslag, bedoeld in
                                    artikel 14, en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                    informatie, uit aan het bestuursorgaan dat op het bezwaar-,
                                    klaag- of beroepschrift beslist.</al></li><li nr="2."><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te
                                    nemen beslissing op het bezwaar-, klaag- of beroepschrift.</al></li><li nr="3."><al>Het advies wordt, nadat dit door de commissie is vastgesteld,
                                    door de voorzitter en de secretaris van de commissie
                                    ondertekend.</al></li><li nr="4."><al>Het advies wordt met inachtneming van de termijnen van de wet
                                    zo spoedig mogelijk uitgebracht.</al></li><li nr="5."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter de wettelijke
                                    beslistermijn ontoereikend is voor achtereenvolgens het
                                    uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing,
                                    ontvangen belanghebbenden voor de beslistermijn een verdaging
                                    van de beslissing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>V</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks een schriftelijk verslag uit over haar
                            werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Ingetrokken worden:</al><lijst><li nr="a."><al>Verordening administratieve beroepen en geschillen provincie
                                    Utrecht.</al></li><li nr="b."><al>Verordening bezwaarschriften en klachten provincie
                                    Utrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van de voor de inwerkingtreding van deze
                                    verordening ingediende bezwaarschriften, behoudt de voorheen
                                    geldende verordening haar gelding, als al een hoorzitting is
                                    gehouden of advies aan het bestuursorgaan is uitgebracht.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de andere dan de in lid 1 genoemde ingediende
                                    bezwaarschriften die voor de inwerkingtreding van deze
                                    verordening zijn ingediend en waarop nog niet is beslist, geldt
                                    deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>De leden en voorzitters van de commissie die zijn benoemd
                                    onder de werking van het Besluit adviescommissie
                                    bezwaarschriften GS, de Verordening bezwaarschriften en klachten
                                    provincie Utrecht en de Verordening administratieve beroepen en
                                    geschillen provincie Utrecht worden geacht te zijn benoemd onder
                                    de werking van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit besluit treedt in werking met ingang met ingang van de eerste dag na
                            bekendmaking in het Provinciaal blad van Utrecht. Deze is te vinden op
                            www.overheid.nl</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening bezwaarschriften,
                            klachten en administratief beroep provincie Utrecht’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Utrecht van
                        17 mei 2016 en de vergadering van provinciale staten van 6 juni 2016.</ondertekening><ondertekening>Gedeputeerde Staten van Utrecht,</ondertekening><ondertekening>Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Secretaris,</ondertekening><ondertekening>Provinciale staten van Utrecht,</ondertekening><ondertekening>Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting: Provinciaal blad 2016, 4241</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet><vet>Verordening Bezwaarschriften,
                        klachten en administratieve beroepen Provincie Utrecht 2016 </vet>In deze
                    verordening is geregeld dat de behandeling (horen en adviseren) van
                    bezwaarschriften, klachten en administratieve beroepen wordt opgedragen aan de
                    Awb-adviescommissie van provinciale staten en gedeputeerde staten. Ieder bevoegd
                    orgaan stelt zelf zijn eigen commissies in. Daarom is in de aanhef van deze
                    verordening bepaald dat provinciale staten en gedeputeerde staten ieder voor
                    zover het hun bevoegdheid betreft, besluiten de verordening vast te stellen.
                    Daarnaast zal de commissie op verzoek van de Commissaris van de Koning tevens
                    bezwaarschriften en klachten behandelen, die de Commissaris van de Koning
                    betreffen.Op deze manier is het mogelijk dat provinciale staten en gedeputeerde
                    staten samen één en dezelfde commissie instellen en de behandeling van
                    bezwaarschriften, klachten en administratief beroep opdragen aan deze commissie.
                    De Commissaris van de Koning stelt deze verordening niet mede vast, maar draagt
                    bij besluit wel de behandeling van bezwaarschriften en klachten op aan de
                    commissie.</al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen </vet>In dit artikel zijn een beperkt aantal
                    begripsbepalingen opgenomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip
                    'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het
                    bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt behoudens wanneer
                    het gaat om een beroepsschrift, in de verordening aangeduid als 'verwerend
                    orgaan'. Dit kan gedeputeerde staten betreffen, provinciale staten, de
                    Commissaris van de Koning of een commissie waaraan via delegatie bepaalde
                    bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn overgedragen.</al><al><vet>Artikel 2 Inleidende bepaling </vet>De adviescommissie adviseert
                    gedeputeerde staten, provinciale staten en de Commissaris van de Koning over
                    bezwaarschriften tegen door deze bestuursorganen genomen besluiten, over
                    klachten tegen gedragingen van of onder verantwoordelijkheid van deze
                    bestuursorganen werkzame personen en over administratieve beroepen.</al><al>Bij de vaststelling van de vorige verordening op 19 september 2011 zijn de
                    regels voor de adviescommissies voor gedeputeerde staten en die voor provinciale
                    staten reeds samengevoegd in een verordening over de bezwaarschriften- en
                    klachtenbehandeling door de adviescommissie. In de praktijk wordt het ontbreken
                    van een regeling voor advisering bij bezwaarschriften en klachten tegen
                    besluiten of gedragingen van of namens de Commissaris van de Koning ervaren als
                    een omissie. Om die reden vindt de behandeling van bezwaarschriften en klachten
                    aan het adres van de Commissaris van de Koning door deze commissie plaats.</al><al>Ten tijde van de vaststelling van de vorige verordening is de verordening
                    Administratieve beroepen en geschillen provincie Utrecht nog separaat
                    vastgesteld. De procedure voor afhandeling van administratieve beroepen of
                    geschillen lijkt veel op die voor bezwaarschriften. Het grote verschil is dat
                    bij een administratief beroep/geschil sprake is van een besluit dat is genomen
                    door B&amp;W of de Raad van een gemeente. Veel komen deze procedures niet meer
                    voor. Daarom, en vanuit de wens tot stroomlijning van procedures en
                    deregulering. is de verordening Administratieve beroepen en geschillen opgenomen
                    in de nu voorliggende verordening Bezwaarschriften, klachten en administratieve
                    beroepen Provincie Utrecht.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat de commissie tevens adviseert over de beslissing op
                    een verzoek om vergoeding van kosten van beroepsmatig juridisch advies in de
                    bezwaarfase en de fase van administratief beroep (artikel 7:15 lid 2 en artikel
                    7:28 lid 2 Awb).</al><al>In het derde lid zijn categorieën opgesomd die van de werking van de verordening
                    zijn uitgezonderd. Het derde lid vormt een uitzondering op de hoofdregel dat de
                    adviescommissie adviseert over bezwaarschriften, klachten en administratief
                    beroep. Het betreft naast de gebruikelijke belastingzaken, zoals aanslagen leges
                    en precariobelasting, bijvoorbeeld ook de bezwaarschriften die betrekking hebben
                    op de behandeling van bezwaarschriften, die in het kader van de uitvoering van
                    onder meer de subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht;
                    de subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016; de
                    subsidieregeling kwaliteitsimpuls Natuur en landschap provincie Utrecht, aan de
                    Rijksdienst voor Ondernemend Nederland toebedeeld zijn.</al><al>Op grond van lid 4 kunnen gedeputeerde staten en provinciale staten bij hoogste
                    uitzondering besluiten, voor categorieën bezwaarschriften of een individueel
                    bezwaarschrift, om de behandeling van de bezwaarschrift(en) aan zich te houden.
                    Wanneer hiertoe besloten wordt, kan, met in achtneming van de eisen van artikel
                    7:5 lid 1 Awb, het horen ambtelijk plaatsvinden. De procedure via de
                    adviescommissieheeft echter de voorkeur. Een dergelijk besluit kan aangewezen
                    zijn in het geval van bulkzaken met soortgelijke bezwaren, zoals bijvoorbeeldde
                    bezwaren tegen de stikstofbesluiten, of indien het gaat om (een) spoedeisende
                    za(a)k(en) die vanwege de betrokken belangen, naar het oordeel van het
                    bestuursorgaan, niet kan c.q. kunnen wachten op de procedure via de
                    adviescommissie.</al><al>Het ambtelijk horen vindt als gevolg van artikel 7:5 lid 1 Awb plaats door een
                    of meer personen die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit
                    betrokken zijn geweest.</al><al>De mogelijkheid van het horen door de voorzitter of een ander lid is reeds in
                    artikel 7:13 lid 3 Awb geregeld. Hiervoor hoeft geen regeling in de verordening
                    getroffen te worden. De voltallige commissie kan het horen opdragen aan de
                    voorzitter of een ander lid.</al><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de commissie </vet>In artikel 7:13 lid 1 Awb is
                    reeds geregeld dat de commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee
                    andere leden. De commissie bestaat per zitting uit een voorzitter en twee andere
                    leden. Er worden per zittingsduur meerdere voorzitters en meerdere leden
                    benoemd, zodat voldoende gerouleerd kan worden.</al><al>Benoeming vindt plaats nadat overleg plaats heeft plaatsgevonden met het
                    fractievoorzittersconvent van provinciale staten over de voordracht van het
                    kandidaatlid of kandidaatleden aan gedeputeerde staten. Dit overleg heeft een
                    vertrouwelijk karakter.</al><al>In aanvulling op artikel 7:13 lid 1 maken ook de andere leden van de commissie
                    geen deel uit van of zijn werkzaam onder verantwoordelijkheid van een van de
                    bestuursorganen van de provincie Utrecht. Dit om alle schijn van partijdigheid
                    te voorkomen.</al><al>De commissie stelt zelf de samenstelling per zitting vast door het vaststellen
                    van een (half-)jaarlijks rooster. Hierbij wordt een reservelid alvast ingepland.
                    Wanneer een lid onverhoopt verhinderd is, schuift het reservelid in. Wanneer de
                    voorzitter ter zitting verhinderd is, wijst de zittende commissie uit haar
                    midden een plaatsvervanger voor de voorzitter aan. Deze zal voor deze zitting
                    alle taken van de voorzitter waarnemen.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid van artikel 7:13, derde lid
                    Awb, waarin de commissie de voorzitter of een ander lid heeft opgedragen om te
                    horen, of met twee leden wordt gehoord, is het wel van belang dat het advies
                    door de voltallige commissie wordt uitgebracht.</al><al>Ten behoeve van de behandeling van administratief beroep wordt de commissie per
                    zitting gevormd door een GS-lid en twee voorzitters van de commissie. Het GS-lid
                    treedt in die gevallen op als voorzitter. Voor deze afwijking ten opzichte van
                    de behandeling van bezwaar- en klachtschriften is gekozen omdat het karakter van
                    administratief beroep anders is. Immers, bij administratief beroep wordt aan een
                    ander (vaak hoger) bestuursorgaan gevraagd om een besluit te beoordelen en te
                    dien aanzien eventueel een andere beslissing te nemen. Belangrijk verschil
                    tussen administratief beroep en bezwaar/klachten is aldus dat
                    bezwaarschriften/klachten worden ingediend bij hetzelfde bestuursorgaan als die
                    het besluit heeft genomen. Door ten behoeve van de behandeling van
                    administratief beroep een GS-lid onderdeel uit te laten maken van de commissie,
                    wordt aangesloten bij het doel en de achterliggende gedachte van administratief
                    beroep, GS actief betrokken (ten behoeve van een goede oordeelsvorming, nu zij
                    niet het orgaan is dat het bestreden besluit heeft genomen) en wordt meer
                    gewicht in de schaal gelegd.</al><al><vet>Artikel 4 Secretariaat </vet>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris
                    wordt gesproken, is het gebruikelijk dat een commissie beschikt over een
                    secretariaat ter ondersteuning van de werkzaamheden. Dit secretariaat bestaat
                    uit één of meer juridisch medewerkers die in ieder geval het advies van de
                    commissie uitwerken en verslag van de hoorzitting maken en een administratief
                    ondersteuner die zorg draagt voor registratie, correspondentie, archivering en
                    bewaking van het proces van bezwaarafhandeling.</al><al>Voor de inhoudelijke strekking van de adviezen en de uitvoering van bevoegdheden
                    van de commissie uit artikel 8, is de secretaris uitsluitend verantwoording
                    schuldig aan de commissie. Dit is inherent aan zijn taakvervulling in dienst van
                    de adviescommissie. De secretaris verwoordt het oordeel van de commissie in het
                    advies en schrijft brieven in het kader van de procedure. Het is niet wenselijk
                    dat een hiërarchisch leidinggevende de strekking van het advies kan laten
                    aanpassen, of de secretaris aanspreekt op het uitvoeren van bevoegdheden van de
                    commissie.</al><al><vet>Artikel 5 Zittingsduur </vet>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip
                    van dat ontslag bepalen. Het lid kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende
                    eventueel nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. Van
                    de bepaling van het derde lid kan in voorkomende gevallen worden afgeweken.</al><al><vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift of klaagschrift </vet> Over de
                    ontvangstbevestiging wordt opgemerkt dat naast verzending per post, bij afgifte
                    aan de balie van het provinciehuis, ook uitreiking van een ontvangstbewijs in
                    aanmerking komt.</al><al>Een bezwaarschrift kan digitaal worden toegezonden, via een daartoe bestemd
                    elektronisch formulier. Voorwaarde is dat bezwaarmaker zich met behulp van DigiD
                    dient te identificeren om redenen van betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid.
                    Indienen van een bezwaarschrift per e-mail is vanwege dezelfde redenen (nog)
                    niet mogelijk. Wordt een bezwaarschrift per e-mail ingediend, dan dient de
                    verzender hiervan op de hoogte te worden gebracht en gevraagd te worden om het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen.</al><al>Een per e-mail ingediend bezwaarschrift kan niet zonder meer niet-ontvankelijk
                    worden verklaard, maar pas nadat de indiener in de gelegenheid gesteld dit
                    verzuim te herstellen (artikel 6:6 Awb).</al><al>Het indienen van een klaagschrift middels de website van de provincie is uit het
                    oogpunt van laagdrempeligheid mogelijk gemaakt. De commissie heeft eerder
                    geoordeeld dat door het verschijnen van de klager ter hoorzitting, de
                    verificatie van de klacht voldoende heeft plaatsgevonden.</al><al>Voor de behandeling van klachten geldt dat de klacht in handen van de commissie
                    wordt gesteld indien niet naar tevredenheid van de klager aan diens klacht is
                    tegemoetgekomen. Vervolgens zal de wettelijke procedure gevolgd worden. Indien
                    het bestuursorgaan naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is
                    gekomen is het niet meer noodzakelijk de wettelijke procedure te volgen (artikel
                    9:5 Awb).</al><al><vet>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden </vet> De commissie oefent een aantal
                    bevoegdheden van het bestuursorgaan uit, omdat de commissie vanaf het moment van
                    ontvangst tot de verzending van het advies verantwoordelijk is voor de
                    behandeling van het bezwaar-, klaag- of beroepschrift.</al><al>In artikel 7:13 lid 4 Awb is reeds bepaald dat de commissie beslist over
                    toepassing van artikel 7:4 lid 6 (achterwege laten van terinzagelegging vanwege
                    geheimhouding), artikel 7:5 lid 2 (niet openbaar horen) en artikel 7:3 Awb
                    (afzien van horen). Omdat deze taken reeds bij wet rechtstreeks bij de commissie
                    zijn belegd, zijn die niet in de verordening opgenomen. Deze bevoegdheden worden
                    onder eigen verantwoordelijkheid van de commissie uitgevoerd. De bevoegdheden
                    die in artikel 8 aan de voorzitter van de commissie zijn toegekend, zijn
                    bevoegdheden die namens het bestuursorgaan worden uitgevoerd. Dit verschil moet
                    ook blijken uit de correspondentie van de commissie.</al><al>Vanwege praktische overwegingen van overleg tussen de secretaris en de commissie
                    is in de verordening gekozen om de bevoegdheden van artikel 8 aan de voorzitter
                    toe te kennen. De toegekende bevoegdheden zijn overigens precies dat:
                    bevoegdheden. Zo hoeft bijvoorbeeld een machtiging aan vertegenwoordiger van
                    belanghebbende(n) niet gevraagd te worden, maar kan de voorzitter besluiten
                    hierom te vragen als er vragen zijn over de vertegenwoordigingsbevoegdheid.</al><al>Artikel 7:4 lid 1 is opgenomen, omdat de commissie de tijdige indiening van
                    stukken voorafgaand aan de hoorzitting dient te bewaken. Indien nieuwe stukken
                    minder dan 10 dagen voor de hoorzitting of ter zitting worden overgelegd, dient
                    de commissie te bepalen of deze stukken kunnen worden betrokken bij het advies
                    van de commissie. Doorslaggevend is de vraag of de goede procesorde wordt
                    geschaad doordat een van de partijen niet in de gelegenheid is (geweest) op deze
                    nieuwe stukken te reageren. De commissie kan op grond van artikel 15 van deze
                    verordening echter nader onderzoek gelasten. In dat geval kan tevens een tweede
                    hoorzitting plaatsvinden.</al><al>Het mag duidelijk zijn dat de voorzitter taken en bevoegdheden heeft op het vlak
                    van de organisatie van de commissie en het functioneren van haar leden. Overige
                    taken en bevoegdheden van de voorzitter voortvloeiend uit de wet en de
                    verordening zijn, in ieder geval: • het horen door alleen de voorzitter; • het
                    besluiten over te laat ingediende stukken; • het verlangen van een schriftelijke
                    machtiging; • het stellen van een hersteltermijn; • het inwinnen van advies of
                    inlichtingen bij partijen en/of deskundigen; • het adviseren c.q. opdragen van
                    bemiddeling door de secretaris; • het afzien van horen van belanghebbenden; •
                    het bepalen van plaats en tijdstip van de zitting; • het op verzoek wijzigen van
                    het tijdstip van de zitting; • het excuseren van een ander lid wegens (de schijn
                    van) partijdigheid; • het besluiten tot het beleggen van een nieuwe
                    hoorzitting.</al><al><vet>Artikel 8 Vooronderzoek </vet> Het spreekt voor zich dat de commissie er
                    zorg voor dient te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de
                    behandeling van het bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel
                    intern bij de provincie – de commissie krijgt de bevoegdheid alle gewenste
                    inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de
                    bezwaarmaker in contact te treden om nadere informatie in te winnen of
                    bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke
                    ongegrondheid door het nader toelichten van de motivering van het bestreden
                    besluit in overweging te geven het bezwaarschrift in te trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie bij de voorbereiding van de te behandelen zaken
                    kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en bijzondere kosten te
                    onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen
                    voor de leden. Het inschakelen van externe deskundigen zal bijzondere kosten
                    meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de begroting. In de begroting is
                    voorzien in de normale, maar ook de bijzondere kosten van een commissie. De
                    commissie kan hierover alleen niet vrijelijk beschikken. Hiervoor is toestemming
                    van het management van de afdeling vereist.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><al><vet>Artikel 9 Bemiddeling </vet>Dit artikel geeft de basis voor premediation
                    aan. Verplicht is het niet. Ook zonder dit artikel is premediation mogelijk. Het
                    artikel heeft dan ook meer een symbolische waarde: er is nadrukkelijk nagedacht
                    over alternatieve geschillenbeslechting. Het primaat van premediation ligt
                    voorlsnog bij de vakafdeling van het verwerend orgaan. Dit om een duidelijke
                    taakscheiding te waarborgen.</al><al><vet>Artikel 10 Hoorzitting </vet> Op grond van artikel 7:2 en artikel 7:16 Awb
                    geldt een hoorplicht. Artikel 7:3 en artikel 7:17 Awb geven aan in welke
                    gevallen van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een
                    ingediend bezwaar (voor beroepschriften geldt soortgelijk) is dat indien: a. het
                    bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is; b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;
                    c. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                    recht te worden gehoord, of d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen
                    en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                    geschaad.</al><al>De commissie is op grond van artikel 7:13 lid 4 reeds bevoegd om, in
                    bovengenoemde gevallen, te besluiten af te zien van het horen van
                    belanghebbenden. Deze bevoegdheid is om die reden dan ook niet herhaald in de
                    verordening. Voor administratief beroep geldt een dergelijke bepaling niet. De
                    Awb kent voor de klachtenprocedure eveneens geen soortgelijke
                    bevoegdheidsattributie. Het ligt voor de hand, om de bevoegdheid voor klachten
                    en beroep op een zelfde wijze te regelen in de verordening.</al><al><vet>Artikel 11 Uitnodiging zitting </vet> Ingevolge het eerste lid van deze
                    bepaling wordt ook het verwerend orgaan uitgenodigd voor de zitting. Het is van
                    belang dat dit orgaan zich ook ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan
                    worden voorkomen dat er, vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig
                    beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe commissie van belang om van
                    bestuurlijke zijde te vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders
                    kan het voor de commissie moeilijk worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. Gekozen is voor een termijn van tien werkdagen,
                    mede in verband met de termijn van tien weken waarbinnen, behoudens verdaging,
                    op het bezwaar moet zijn beslist (zie artikel 7:10 Awb) en de termijn voor het
                    indienen van stukken (artikel 7:4 Awb).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Wijziging van het tijdstip kan op grond van de regeling binnen
                    vijf werkdagen zonder opgaaf van reden worden verzocht. Indien het verzoek
                    binnen vijf werkdagen wordt gedaan, zal aan het verzoek worden voldaan.
                    Verzoeken buiten de genoemde termijn, zullen niet altijd worden gehonoreerd. Een
                    gemotiveerd verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te
                    worden beperkt tot een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het
                    bezwaarschrift een te grote vertraging kan ondervinden. Betrokkene dient wel
                    tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.</al><al><vet>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling </vet> Artikel 2:4 Awb geeft
                    aan dat het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervult. Deze eis
                    geldt ook voor de adviescommissie als adviseur van het bestuursorgaan. Het
                    advies moet onpartijdig worden gegeven. Het advies moet berusten op hun
                    deskundigheid en op hun oordeel over de wet en het beleid, maar moet ten
                    opzichte van de belanghebbenden onpartijdig zijn. Zelfs de schijn van
                    partijdigheid, moet in het kader van de onafhankelijkheid van de adviescommissie
                    vermeden worden. Wanneer de voorzitter of een ander lid bijvoorbeeld bij de
                    voorbereiding van het bestreden besluit of de gedraging betrokken is geweest,
                    een persoonlijk belang heeft bij de zaak, in een bijzondere relatie tot de
                    indiener van het bezwaar of klacht staat of zijn mening over soortgelijke zaken
                    in de (vak)media bekend heeft gemaakt, is er sprake van (schijn) van
                    partijdigheid en verwacht het bestuursorgaan dat het bewuste commissielid zich,
                    uit eigen beweging dan wel op verzoek van de voorzitter, terugtrekt uit de
                    behandeling. In dit artikel wordt aansluiting gezocht bij de afdeling 8.1.4 ten
                    aanzien van de wraking en verschoning van rechters.</al><al><vet>Artikel 13 Openbaarheid zitting </vet> Vanwege de persoonlijke,
                    privacygevoelige aspecten van een bezwaarschrift ingediend tegen
                    rechtspositionele besluiten en bejegeningsklachten gericht tegen een ambtenaar
                    vindt in ieder geval in die gevallen de zitting plaats achter gesloten
                    deuren.</al><al><vet>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging </vet> Het verslag speelt ook een
                    rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het
                    horen en de stemmen staken in de adviescommissie, hoeft er bij de hernieuwde
                    behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord <vet>te worden (CRvB, 2 april
                        1996, AB 1997/23).</vet></al><al><vet>Artikel 15 Nader onderzoek </vet> Artikel 16 moet onder andere gelezen
                    worden tegen de achtergrond van de plicht van het bestuursorgaan om ex nunc, dat
                    wil zeggen op grond van de actuele omstandighedenn van dat moment, op het
                    bezwaarschrift te beslissen.</al><al>Bovendien houdt een zorgvuldige procedure in dat het bestuursorgaan zich niet
                    rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden, zonder dat andere
                    belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande
                    kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB, 1999/311).</al><al><vet>Artikel 16 Raadkamer en advies</vet> De hoorzitting is in principe openbaar
                    (zie echter het bepaalde in artikel 15); de hier bedoelde beraadslaging vindt
                    achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het advies wordt te allen tijde gegeven door minimaal drie personen. Ook wanneer
                    het horen op grond van artikel 13 door alleen de voorzitter heeft plaatsgevonden
                    of bij verhindering van een derde lid, met twee leden. Het is dan ook niet
                    mogelijk een advies over het kennelijk niet-ontvankelijk verklaren of het
                    kennelijk ongegrond verklaren door alleen de voorzitter te laten afgeven. Ook in
                    die gevallen dient een voltallige commissie te adviseren.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al><vet>Artikel 17 Uitbrengen advies en verdaging</vet>Volgens artikel 7:13, zesde
                    lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het verslag van de hoorzitting deel
                    uit van het advies van de commissie en wordt het schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijnen zijn in de wet vastgelegd, behoudens in het geval van
                    opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De in
                    artikel 19 lid 1 genoemde bepalingen verlangen van de commissie dat, indien zij
                    voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, zij tijdig de
                    beslissing op het bezwaar verdaagt.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking, waartegen bezwaar open staat.</al><al>Door een veranderde interne werkwijze, is de commissie vanaf 1 januari 2015 niet
                    meer verantwoordelijk voor het opstellen van een concept beslissing op bezwaar.
                    Dit doen de vakafdelingen namens het verwerende orgaan. Hiermee wordt meer recht
                    gedaan aan de onafhankelijke positie van de commissie ten opzichte van de
                    bestuursorganen.</al><al>Om aan te geven dat het advies door de voltallige commissie is uitgebracht,
                    ondertekent de voorzitter samen met de secretaris het advies. Bij uitspraak van
                    de Centrale Raad van Beroep (1 augustus 2005, AB 2005/422) is uitgemaakt dat het
                    advies door tenminste drie leden moet worden uitgebracht, maar dat ondertekening
                    door de voorzitter en de secretaris voldoende is. De voorzitter ondertekent voor
                    de inhoud van het advies, de secretaris voor het feit dat deze het advies heeft
                    opgetekend als verzocht door de commissie. Onderzocht wordt of hiervoor een
                    digitale ondertekening kan worden gebruikt.</al><al><vet>Artikelen 18, 19 </vet>Spreken voor zich.</al><al><vet>Artikel 20 </vet>De ingangsdatum van de benoemingstermijn genoemd in de
                    desbetreffende benoemingsbesluiten van de voorzitter en de leden zijn bepalend
                    voor hun zittingsduur. Om te voorkomen dat de voorzitter en de leden met de
                    vaststelling van deze verordening opnieuw moeten worden benoemd is in dit
                    artikel geregeld dat zij worden geacht te zijn benoemd onder de werking van deze
                    verordening. Overigens wijkt de procedure in deze verordening niet af van de in
                    te trekken Verordening bezwaarschriften en klachten provincie Utrecht, het in te
                    trekken Besluit adviescommissie bezwaarschriften GS en de in te trekken
                    Verordening administratieve beroepen en geschillen provincie Utrecht. Derhalve
                    behoeft niet te worden voorzien in overgangsbepalingen die zich richten op
                    bezwaren, beroepen en klachten die zijn ingediend ten tijde van de nog in
                    werking zijnde voornoemde regelingen.</al><al><vet>Artikel 21 </vet> Spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 22 </vet> Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>