<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR412663_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Parkeernota Oldebroek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oldebroek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">huis aan huis</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeernota Oldebroek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 2.5.30 van de Bouwverordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-10-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-70720</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Parkeernota Oldebroek</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Parkeernota Oldebroek</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Een weergave van de te hanteren beleidsuitgangspunten en daaruit
                        voortvloeiende parkeernormen in de </al><al>gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet en Oldebroek</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Versie 20 januari 2014</al><al/><al/><al>Inhoud Blz.</al><al/><al>Samenvatting - 3 -</al><al>Begrippenlijst - 4 -</al><al>1.1 Aanleiding - 5 -</al><al>1.2 Doel - 6 -</al><al>2 Parkeernormen - 7 -</al><al>2.1 Landelijke richtlijnen en stedelijkheidszone - 7 -</al><al>2.3 Parkeernormen wonen - 8 -</al><al>2.4 Parkeernormen voor functies anders dan wonen - 9 -</al><al>2.5 Dubbelgebruik parkeerplaatsen - 10 -</al><al>2.6 Halen en brengen bij scholen - 10 -</al><al>2.7 Fietsparkeervoorzieningen - 10 -</al><al/><al>3 Overige parkeeraspecten - 12 -</al><al>3.1 Parkeerregulering - 12 -</al><al>3.2 Parkeren op de rijbaan - 12 -</al><al>3.3 Vrachtwagenparkeren - 12 -</al><al>3.4 Parkeren elektrische voertuigen - 12 -</al><al>3.5 Parkeren gehandicapten - 13 -</al><al>3.6 Parkeerregulering in woonwijken - 13 -</al><al/><al/><al>Bijlage 1a – Parkeernormen voor de verschillende functies (per 100 m² bvo*,
                        tenzij anders vermeld) - 14 -</al><al>Bijlage 1b – Fietsparkeernormen voor de verschillende functies (per 100 m²
                        bvo, tenzij anders vermeld) - 18 -</al><al>Bijlage 1c – Overzicht berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij
                        woningen - 19 -</al><al>Bijlage 2 – Onderbouwing parkeernorm - 20 -</al><al>Bijlage 3 – Rekenmethode voor halen en brengen bij basisscholen en
                        kinderdagverblijven - 21 -</al><al>Bijlage 4 – Werkwijze berekening parkeerbehoefte (gedeeltelijke) nieuwbouw
                        en herbestemming - 22 -</al><al>Bijlage 5 – Kostenonderbouwing aanleg parkeervoorziening prijspeil 2013
                        (bedragen zijn exclusief btw) - 25 -</al><al>Bijlage 6 Beleidsregel Laadpalen Elektrisch vervoer (ter illustratie) - 27
                        -</al><al>Bijlage 7 Parkeerfonds…………………………………………………………………………. - 27 -</al><al/><al/><al>Samenvatting</al><al/><al>Hoofddoel</al><al>1 De gemeenten voeren een parkeerbeleid dat (afgezien van pieken in de
                        vraag) op acceptabele loopafstand voldoende parkeercapaciteit
                        genereert.</al><al/><al>Beleidsuitgangspunten</al><al>2 De gemeenten hanteren een vaste parkeernorm voor alle functies binnen de
                        bebouwde kom. Deze norm komt overeen met de maximale norm van “schil
                        centrum” uit publicatie 317 van de CROW.</al><al/><al>3 De gemeenten maken geen onderscheid in geografische ligging: centrum,
                        schil en rest bebouwde kom.</al><al/><al>4 Bij het toetsen van parkeernormen voor woningen moeten de
                        berekeningsnormen worden gebruikt, waarbij er per woning ten minste 0,3
                        parkeerplaats voor bezoekers in de openbare ruimte of openbaar toegankelijk
                        moet zijn, bij voorkeur binnen 100 m loopafstand.</al><al/><al>5 Garages zonder oprit of oprit waarop geen ruimte is om de auto te
                        parkeren, worden in de parkeernorm niet meegeteld.</al><al/><al>6 Parkeergelegenheid vindt zo veel mogelijk op eigen terrein plaats.</al><al/><al>7 De onderlinge uitwisselbaarheid (het dubbelgebruik) wordt door een
                        parkeeronderzoek (uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige) bepaald.
                        Het parkeeronderzoek wordt betaald door de aanvrager.</al><al/><al>8 Bij de herinrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met de
                        aanwezigheid van voldoende fietsparkeervoorzieningen. Toetsing vindt plaats
                        aan de hand van tellingen en van de kencijfers in bijlage1b.</al><al/><al>9 Een parkeerfonds is een goed instrument dat ruimte biedt om mee te werken
                        aan initiatieven die op eigen terrein onvoldoende parkeerplaatsen kunnen
                        realiseren.</al><al/><al>10 De gemeenten streven bij herinrichtingen en nieuwbouw naar een indeling
                        in parkeervakken om zodoende de herkenbaarheid te verbeteren.</al><al/><al>11 De gemeenten reserveren in ruimtelijke plannen parkeermogelijkheden voor
                        gehandicapten. Het initiatief daartoe wordt genomen door de
                        vergunningplichtige. </al><al/><al>Begrippenlijst</al><al>Acceptabele loopafstand</al><al>Als maat voor situering van de parkeerplaatsen ten opzichte van de functies
                        kan de acceptabele loopafstand tussen parkeerplaats en het bestemmingsadres
                        dienen. De acceptatie van die loopafstand hangt af van de parkeerduur en van
                        het motief van het bezoek aan het bestemmingsadres. De acceptatie van
                        loopafstanden vertoont marges. (publicatie 317, CROW, tabel 22; ASVV 2004
                        figuur 8.6/3).</al><al/><al>Activiteit</al><al>Evenement</al><al/><al>ASVV</al><al>Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom.</al><al/><al>Bezettingsgraad</al><al>Door het aantal geparkeerde voertuigen te delen op de parkeercapaciteit
                        wordt de bezettingsgraad berekend. De bezettingsgraad is een indicator voor
                        de beschikbaarheid van de parkeervoorzieningen. </al><al/><al>Bvo</al><al>De vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een
                        vastgoedobject gemeten (volgens NEN 2580) op vloerniveau langs de
                        buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de
                        desbetreffende ruimte(n) omhullen.</al><al/><al>CROW</al><al>Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare
                        ruimte.</al><al/><al>Drukste structurele parkeerbehoefte</al><al>De periodiek terugkerende parkeerbehoefte op de drukste momenten.</al><al/><al>Dubbelgebruik parkeerplaatsen</al><al>Onderlinge uitwisselbaarheid parkeerplaatsen indien meerdere functies
                        hiervan op verschillende tijdstippen gebruik maken.</al><al/><al>Functie</al><al>Gebruik.</al><al/><al>Functiewijziging</al><al>Wijziging van het gebruik.</al><al/><al>Parkeerbalans</al><al>Berekenen (on)balans tussen parkeervraag en parkeeraanbod binnen een bepaald
                        gebied.</al><al/><al>Parkeernorm</al><al>Dit cijfer geeft weer hoeveel parkeerplaatsen geëist worden bij een nieuwe
                        ruimtelijke ontwikkeling </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label/><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>1.1 Aanleiding</al><al>Op dit moment wordt in nieuwbouwsituaties, na functiewijzigingen en na
                        verbouwingen getoetst aan het parkeerartikel 2.5.30 in de bouwverordening.
                        Op termijn (wanneer is nu nog niet duidelijk) is dat niet meer mogelijk maar
                        zal het parkeren in bestemmingsplannen geregeld moeten worden. </al><al/><al>Het opnemen van alle concrete parkeernormen, zoals benoemd in bijlage 1 van
                        deze nota, in alle bestemmingsplannen zou ertoe leiden dat alle
                        bestemmingsplannen moeten worden gewijzigd wanneer de parkeernormen worden
                        geactualiseerd. Dat is niet efficiënt. Het is voldoende in de
                        bestemmingsplannen de algemene bepaling op te nemen dat binnen het plan
                        voldaan moet worden aan de parkeernormen, zoals vastgelegd in de door de
                        raad vastgestelde vigerende parkeernota. Dit ter aanvulling op het
                        Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP), dat het verkeers- en
                        parkeerbeleid op strategisch niveau behandelt. Bepalend voor de te hanteren
                        parkeernormen is het moment waarop de voorgeschreven openbare procedure
                        wordt opgestart. Bijvoorbeeld het moment van eerste publicatie. Omdat dat
                        voor het bestemmingsplan als geheel anders is dan voor latere wijzigingen,
                        kan dat ertoe leiden dat bij op verschillende tijdstippen vastgestelde
                        plannen, en wijzigingen daarop, verschillende parkeernormen van kracht
                        zijn.</al><al/><al>De in deze nota opgenomen fietsparkeernormen beogen een bijdrage te leveren
                        aan een fietssysteem dat voor lokale verplaatsingen een aantrekkelijk
                        alternatief is voor autoverplaatsingen. Desondanks is deze nota niet het
                        geëigende instrument om invulling te geven aan het streven naar minder
                        (auto)mobiliteit. Ook al zijn de parkeernormen in deze nota ca. 10 % lager
                        dan de maximum parkeernormen met een vergelijkbare stedelijkheidsgraad. De
                        bedoeling van deze nota is te voorzien in de parkeercapaciteit die hoort bij
                        een gegeven (auto)mobiliteit.</al><al/><al>Rijksbeleid </al><al>Door de sterke groei van het autobezit, is de auto in het dagelijks
                        straatbeeld steeds dominanter aanwezig. De toename van deze fysieke
                        aanwezigheid resulteert onder andere in een toenemende vraag naar
                        parkeergelegenheid. Deze landelijke trend doet zich ook voor in Elburg,
                        Nunspeet en Oldebroek. Omdat de in het verleden bebouwde gebieden niet
                        allemaal op deze toename van het autobezit zijn ontworpen, leidt dit op
                        verschillende plaatsen tot capaciteitsproblemen. Hierdoor hebben bewoners
                        niet altijd de ruimte om hun voertuig op redelijke afstand van de te
                        bezoeken locatie te parkeren wat leidt tot illegaal parkeren en frustratie.
                        Daarnaast geeft het rijksbeleid in de rijksnota’s Mobiliteit en Ruimte een
                        prikkel tot aanpassing van het gemeentelijk beleid.</al><al/><al>De nota Mobiliteit lijkt de sturing van de mobiliteit door de rijksoverheid
                        geheel achterwege te willen laten. Burgers en bedrijven zijn zelf
                        verantwoordelijk voor hun mobiliteitsgedrag en het maakt daarbij niet uit of
                        zij gebruikmaken van de auto, de fiets of het openbaar vervoer. De overheid
                        krijgt de taak de mobiliteitsvraag te faciliteren. Er wordt wel naar
                        gestreefd de gebruiker te verleiden een keuze te maken voor een in een
                        bepaalde situatie meest gewenste vervoersmiddel, zodat de leefbaarheid en de
                        bereikbaarheid gegarandeerd blijven. De behoefte aan verplaatsen is het
                        gevolg van de combinatie van de ruimtelijke spreiding van activiteiten. De
                        persoonsgebonden behoefte aan en/of noodzaak tot bepaalde activiteiten en de
                        persoonlijke vervoerwijzekeuze. Minder (auto)mobiliteit is dus het gevolg
                        van goed doordachte maatregelen op het vlak van de ruimtelijke ordening en
                        het doordacht inspelen op menselijke behoeften. </al><al/><al>De kern van de nota Ruimte is het toepassen van efficiëntere manieren om met
                        de ruimte om te gaan. Daarbij wordt gesteld: centraal regelen wat moet,
                        decentraal wat kan. De belangrijkste wijzigingen zijn:</al><al>- Vervallen van het ABC-locatiebeleid: woningen, bedrijven en voorzieningen
                        worden niet langer gescheiden maar met elkaar gemengd.</al><al>- Vervoermanagement: bedrijven en instellingen worden meer gestimuleerd om
                        hun verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van vervoer in relatie met
                        ruimtelijk beleid, milieuzorg en energiebesparing.</al><al>- Prijsbeleid: minder betalen voor bezit, meer betalen voor het gebruik van
                        de auto.</al><al>- Stimulering gedeeld autogebruik bij inwoners en werknemers.</al><al>1.2 Doel</al><al>Het doel is dat er in nieuwbouwsituaties, na functiewijzigingen en na
                        verbouwingen op acceptabele loopafstand voldoende parkeercapaciteit is om te
                        voorzien in de drukste structurele parkeerbehoefte.</al><al>De in hoofdstuk 2 en bijlage 1 beschreven parkeernormen (inclusief
                        fietsparkeernormen) fungeren als toetskader bij nieuwbouw, verbouw en
                        functiewijzigingen. Voor bestaande situaties kunnen geen rechten of
                        verplichtingen worden ontleend. Hoofdstuk 3 beschrijft het parkeerfonds.
                        Hoofdstuk 4 gaat in op de overige parkeeraspecten.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2</nr><titel>Parkeernormen</titel></kop><structuurtekst><al>2.1 Landelijke richtlijnen en stedelijkheidszone</al><al>Beschikt de aanvrager over gegevens (onafhankelijke praktijkwaarnemingen,
                        onafhankelijk extern onderzoek door deskundig adviesbureau naar genoegen van
                        de gemeente) waaruit een parkeernorm voor het desbetreffende bedrijf en/of
                        het specifieke beoogde gebruik kan worden afgeleid? Zo ja, dan wordt die
                        parkeernorm als uitgangspunt voor de berekening gehanteerd.</al><al/><al>Anders wordt voor het bepalen van de parkeernorm gebruikgemaakt van de
                        cijfers van het CBS en de richtlijnen van CROW. Het betreft hier
                        CROW-publicatie 317 (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Deze
                        kencijfers zijn ook verwerkt in de ASVV 2012. Deze richtlijnen zijn
                        landelijk geaccepteerd en worden gezien als meest betrouwbare gegevens met
                        betrekking tot het bepalen van de benodigde parkeerplaatsen. Op basis
                        hiervan wordt voorgesteld de parkeernorm voor woningen, bedrijven en
                        voorzieningen te hanteren.</al><al/><al>De normen voor de functie wonen en de overige functies zijn gebaseerd op de
                        landelijke kencijfers. Hierbij is rekening gehouden met de autonome
                        ontwikkeling en autonome groei. In bijlage 1a wordt een overzicht gegeven.
                        De CROW-systematiek heeft parkeernormdifferentiatie op basis van de
                        stedelijkheidsgraad per gemeente, niet per kern. De gemeenten conformeren
                        zich daaraan, en zullen dus niet per kern de stedelijkheidsgraad bepalen. En
                        dus komen de gemeenten ook niet met verschillende parkeernormen per kern. Er
                        wordt voor geen enkele kern onderscheid gemaakt in geografische ligging:
                        centrum, schil centrum en rest bebouwde kom. Voor alle kernen geldt,
                        ongeacht de locatie binnen de kern, één norm zonder bandbreedte. De
                        vastgestelde norm die het meest aansluit bij de gemeentelijke praktijk komt
                        overeen met de maximale norm van “schil centrum”. In bijlage 2 wordt deze
                        praktijkbehoefte nader onderbouwd. </al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 2</al><al>De gemeenten hanteren één vaste parkeernorm voor alle functies binnen de
                        bebowde kom. Deze norm komt overeen met de maximale norm van “schil centrum”
                        uit publicatie 317 van de CROW</al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 3</al><al>De gemeenten maken geen onderscheid in geografische ligging: centrum, schil
                        en rest bebouwde kom</al><al/><al>In publicatie 317 is een nieuwe categorie: ‘buitengebied’ toegevoegd. Voor
                        nieuwbouw en functiewijzigingen buiten de bebouwde kom wordt de maximale
                        norm buitengebied gehanteerd. Vanwege het beperkt voorkomen van de
                        parkeertoets bij functies in het buitengebied wordt hiervoor verwezen naar
                        publicatie 317 van het CROW. In principe vindt parkeren buiten de bebouwde
                        kom op eigen terrein plaats. </al><al/><al>Ook de stedelijkheidsgraad (het aantal adressen per vierkante kilometer)
                        speelt een rol bij de vraag naar parkeergelegenheid. De volgende vijf
                        stedelijkheidsgraden worden onderscheiden:</al><al>1. niet stedelijk;</al><al>2. weinig stedelijk;</al><al>3. matig stedelijk;</al><al>4. sterk stedelijk;</al><al>5. zeer sterk stedelijk.</al><al/><al>Volgens de cijfers van het CBS en de richtlijnen van de CROW vallen de
                        gemeenten Elburg, Hattem, Nunspeet en Oldebroek onder de noemer ‘weinig
                        stedelijk’. Door hiervoor te kiezen, wordt impliciet rekening gehouden met
                        het aanbod aan openbaar vervoer, dat lager is dan in bijvoorbeeld (zeer)
                        sterk stedelijke gemeenten. Deze nota is geen instrument om het openbaar
                        vervoer te stimuleren.</al><al/><al>2.3 Parkeernormen wonen</al><al>De parkeernormen voor woningen geven de gelegenheid om te differentiëren per
                        type woning, ingedeeld naar prijsklasse. Deze verdeling komt overeen met de
                        categorieverdeling in de landelijke richtlijnen. De normen gelden bij
                        nieuwbouw en functiewijziging. </al><al/><al>Met de indeling in goedkoop , midden en duur worden voor koop- en
                        huurwoningen andere prijscategorieën bedoeld. </al><al/><al>Bij de totstandkoming van deze norm is rekening gehouden met bezoekers. Voor
                        alle woningen uit bijlage 1a is binnen de parkeernorm 0,3 parkeerplaats voor
                        bezoekers opgenomen. In verband met bezoekers moet deze 0,3 parkeerplaats
                        per woning in de openbare ruimte beschikbaar zijn dan wel openbaar
                        toegankelijk . Dit hoeft niet noodzakelijk voor de woning te zijn maar
                        binnen acceptabele loopafstand. Bij nieuwbouw moeten woningen in de dure
                        klasse in alle gevallen voorzien zijn van parkeergelegenheid op eigen
                        terrein. </al><al/><al/><al>Beleidsuitgangspunt 4</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Een voorbeeld ter illustratie: men stelt bij een uitbreidingsplan een norm
                        van 2,1. Er worden twee parkeervakken naast elkaar per woning als oprit
                        aangebracht. In dat geval tellen de twee parkeervakken als 1,7 parkeerplaats
                        (zie tabel 5.1) zodat er nog 0,4 parkeerplaats per woning in de openbare
                        ruimte gezocht zal gaan worden (de norm is immers 2,1). Dit voldoet daarmee
                        aan de wens om minimaal 0,3 parkeerplaats in de openbare ruimte aan te
                        leggen.</al><al/><al>Parkeren op eigen terrein</al><al>Bij het aanleggen van een parkeerplaats op eigen terrein bij een woning moet
                        rekening worden gehouden met het gebruik van de parkeerplaats.
                        Privéparkeerplaatsen worden over het dikwijls minder efficiënt gebruikt.
                        Deze zijn over het algemeen niet uitwisselbaar met andere gebruikers. Het
                        inrichten van de tuin als parkeerplaats is een mogelijkheid om zeker te zijn
                        van een vrije parkeerplaats. Voor het gebruik van deze plaats is een inrit
                        nodig. De aanleg van een inrit tot de tuin gaat meestal ten koste van het
                        parkeren op straat, zodat bij het beoordelen van de vergunning de
                        parkeerlast meegewogen moet worden. Dit geldt over het algemeen niet of
                        minder buiten de bebouwde kom.</al><al/><al>Het onttrekken van een openbare parkeerplaats voor bijvoorbeeld de aanleg
                        een parkeerplaats in de tuin mag alleen als: </al><al>- dit niet leidt tot een verhoging van de parkeerdruk in de straat;</al><al>- het niet ten koste gaat van beeldbepalend groen;</al><al>- het niet ten koste gaat van de bruikbaarheid en verkeersveiligheid van de
                        weg (niet op gebiedsontsluitende wegen).</al><al/><al>De Algemene plaatselijke verordening (artikel 2:12 maken, veranderen uitweg)
                        biedt hiervoor het wettelijke kader.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Bij het toepassen van de normen uit bijlage 1a (parkeernormen voor de
                        verschillende functies)moeten deze daarom verrekend worden met de
                        berekeningsaantallen uit bijlage 1c (overzicht berekeningsaantallen
                        parkeervoorzieningen bij woningen).</al><al/><al>Privéparkeerplaatsen bij de woning moeten bij voorkeur naast elkaar
                        gesitueerd worden. Hierdoor wordt de beschikbare ruimte zo effectief
                        mogelijk benut. Garages krijgen gaandeweg een andere legale functie dan het
                        stallen van de auto, bijvoorbeeld zoals berging, woon- of hobbyruimte.
                        Daarom worden garages bij de woning, zonder oprit of met een oprit waarop
                        geen ruimte is om de auto te parkeren, niet als parkeerplaats
                        beschouwd.</al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 5</al><al/><al/><al/><al/><al>De vormgeving van straten kan bewoners (en bezoekers) een belangrijke impuls
                        geven om toch vooral op eigen erf te parkeren. Door parkeren in de straat
                        niet toe te staan, kan bijvoorbeeld de loopafstand naar de
                        parkeervoorziening worden vergroot waardoor de behoefte om op eigen terrein
                        te parkeren toeneemt. </al><al/><al>Het stedenbouwkundig concept en besluiten zijn bepalend voor de verdeling en
                        gebruik van de parkeerplaatsen op eigen erf en op openbaar gebied. </al><al>Om de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren moet, met uitzondering
                        van de directe omgeving rond verkeersaantrekkende voorzieningen,
                        parkeergelegenheid zo veel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden. </al><al/><al>Locatie parkeervoorzieningen</al><al>Bewoners willen hun auto graag voor de deur parkeren. Wanneer zij de auto op
                        meer dan 100 m van de woning moeten plaatsen, wordt dit vaak gezien als een
                        lange loopafstand. Als iedereen zijn auto voor de deur zou willen parkeren
                        dan creëren wij als gemeenschap echter een groot probleem. De benodigde
                        ruimte hiervoor is ontoereikend. De acceptatie van een afstand wordt in de
                        praktijk bepaald door de aantrekkelijkheid van de looproute, de inrichting
                        van de parkeerplaats, concurrentiekracht van de alternatieven maar ook het
                        vertrouwen in een veilige omgeving. Voor het openbaar vervoer wordt in de
                        regel uitgegaan van een loopafstand van circa 500 m (circa 5 minuten lopen).
                        Daarnaast is een van de eisen voor het afgeven van een
                        gehandicaptenparkeerkaart dat de aanvrager minder dan 100 m zonder
                        onderbreking kan lopen. </al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 6</al><al>Parkeergelegenheid vindt zo veel mogelijk op eigen terrein plaats</al><al>2.4 Parkeernormen voor functies anders dan wonen</al><al>Naast de normen voor woningen moeten ook normen vastgesteld worden voor de
                        overige functies (bijlage 1a). Ook voor deze normen is de
                        stedelijkheidsgraad bepalend voor de hoogte van de norm. Hier geldt
                        hetzelfde als voor de normen voor de functie wonen. Bij opmerkingen in
                        bijlage 1 a, b en c wordt overige relevante informatie gegeven. In sommige
                        gevallen komen functies/voorzieningen op een bepaalde plek niet of
                        nauwelijks voor. Achtereenvolgens komen aan bod: werken, winkelen en
                        boodschappen, sport, cultuur en ontspanning, horeca en (verblijfs)recreatie,
                        gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen, onderwijs.</al><al/><al>2.5 Dubbelgebruik parkeerplaatsen</al><al>Bij het maken van herinrichting-, nieuwbouw- en (her)ontwikkelingsplannen
                        komt ook de onderlinge uitwisselbaarheid (dubbelgebruik) van parkeerplaatsen
                        aan de orde. Hierbij gaat het om de mate waarin een parkeervoorziening
                        afwisselend door bewoners of hun bezoekers of werknemers of de bezoekers van
                        kantoren, bedrijven, winkels en andere commerciële voorzieningen kunnen
                        worden gebruikt. Uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen zorgt er voor dat de
                        openbare ruimte efficiënt wordt benut. Om deze benutting te bepalen, wordt
                        gebruikgemaakt van aanwezigheidspercentages. Deze percentages worden
                        gebruikt wanneer minimaal twee functies gebruik kunnen maken van dezelfde
                        parkeervoorzieningen.</al><al/><al>Met een parkeerbalans wordt onderzocht of een gecombineerd gebruik van
                        parkeerplaatsen mogelijk is. Vaak blijkt dat het niet noodzakelijk is om in
                        een gebied de som van de vraag naar parkeerplaatsen van de afzonderlijke
                        functies aan te leggen, doch slechts een deel ervan. De mogelijkheid tot
                        gecombineerd gebruik binnen een gebied hangt af van de mate van openbaarheid
                        en de locatie van de parkeervoorzieningen en de loopafstanden naar de
                        bestemming. De opgenomen parkeernormen en aanwezigheidspercentages geven
                        indicatief de omvang aan van het benodigd aantal parkeerplaatsen. Elke
                        functie en elk gebied heeft zijn eigen karakter en omstandigheden. De
                        gebruiker moet zich daarom vooraf goed inleven in de kenmerken van de
                        functies en het gebied voordat hij de normen en aanwezigheidspercentages
                        toepast. Parkeeronderzoek kan nauwkeuriger inzicht geven in lokale
                        omstandigheden en in de te hanteren kencijfers.</al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 7</al><al>De onderlinge uitwisselbaarheid (het dubbelgebruik) wordt door een
                        parkeeronderzoek (uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige) bepaald.
                        Het parkeeronderzoek wordt betaald door de aanvrager.</al><al>2.6 Halen en brengen bij scholen</al><al>Bij het halen en brengen van kinderen wordt veelal gebruik gemaakt van de
                        auto. Door de ligging van de scholen in combinatie met een grote drukte
                        tijdens het aan- en uitgaan van de scholen ontstaan dikwijls opstoppingen in
                        de omliggende straten waardoor de verkeersveiligheid afneemt. Vanuit dit
                        oogpunt verdient het, niet altijd geoorloofde, parkeren bij basisscholen en
                        kinderdagverblijven/crèches bijzondere aandacht. Door een combinatie van
                        dubbelgebruik van parkeerplaatsen van bewoners, handhaving, voorlichting en
                        het stimuleren van fietsgebruik, kan het parkeerprobleem op de piekmomenten
                        worden teruggedrongen. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen is
                        afhankelijk van het type en grootte van de school. In bijlage 3 wordt voor
                        het halen en brengen een rekenmethode weergegeven.</al><al>2.7 Fietsparkeervoorzieningen</al><al>Om het verhaal over parkeernormen compleet te maken, is deze paragraaf met
                        fietsparkeerkencijfers toegevoegd (bijlage 1b). </al><al/><al>Voor afstanden tot 7,5 kilometer is de fiets een uitstekend alternatief voor
                        de auto. Met de in opkomst zijnde E-bike zijn afstanden tot 12,5 km, met
                        name voor woon-werkverkeer, goed te fietsen. Voldoende en goede
                        fietsparkeervoorzieningen kunnen leiden tot minder autogebruik en dus tot
                        een geringere behoefte aan parkeerplaatsen voor auto’s. Deze redenering
                        geldt in mindere mate voor woningen, omdat de eigen auto doorgaans in de
                        directe woonomgeving geparkeerd zal worden. Het gewenste aantal
                        fietsparkeervoorzieningen bij een kantoor, een winkel of openbare
                        voorziening wordt bij voorkeur bepaald op basis van tellingen. Dat biedt de
                        beste garantie dat het aanbod past bij de vraag.</al><al/><al>De fietsparkeerkencijfers zijn bedoeld voor ‘solitaire’ functies. Ze zijn
                        dus niet geschikt voor gebieden met een grote menging van functies, zoals
                        binnensteden. Het drukste moment in de week of in het jaar is maatgevend
                        voor het kencijfer. </al><al/><al>Standaard is een marge van plus twintig procent in de kencijfers verwerkt
                        (uitgezonderd woningen). Deze extra parkeercapaciteit is gewenst, omdat
                        fietsers de lege plekken ook moeten kunnen vinden (frictieleegstand).
                        Daarnaast wordt zo enige flexibiliteit geboden om een kleine groei van het
                        fietsgebruik te kunnen opvangen. Voor werklocaties wordt zo veel mogelijk
                        onderscheid gemaakt tussen werknemers en bezoekers. De fietsparkeerplekken
                        voor werknemers worden bij voorkeur inpandig gerealiseerd. Treinstations
                        zijn niet opgenomen in de cijfers. Daar waar geen kencijfers bekend zijn,
                        wordt door middel van tellingen of empirisch het aantal aan te leggen
                        fietsparkeervoorzieningen bepaald.</al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 8</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3</nr><titel>Overige parkeeraspecten</titel></kop><structuurtekst><al>In de voorgaande hoofdstukken is weergegeven op welke wijze parkeerproblemen
                        in de toekomst voorkomen kunnen worden. In dit hoofdstuk komen
                        parkeeraspecten aan de orde die de kwaliteit van de openbare ruimte in zowel
                        bestaande als nieuwe situaties kunnen verbeteren.</al><al>3.1 Parkeerregulering</al><al>Deze nota gaat vooral in op de totale parkeerbehoefte die nodig is voor een
                        bepaalde activiteit, of cluster van activiteiten. Juist bij clusters komt
                        het voor dat de ene activiteit andere eisen stelt aan loopafstand (in
                        relatie tot verblijfsduur) dan een andere activiteit. Het komt ook voor dat
                        bepaalde parkeerplaatsen specifiek voor een bepaalde doelgroep moeten worden
                        gereserveerd. In dat soort omstandigheden kan het parkeren worden
                        gereguleerd door het invoeren van betaald parkeren, een parkeerschijfzone
                        ("blauwe zone") of vergunninghoudersparkeren. Daarmee kan bijvoorbeeld
                        worden bereikt dat kortparkerende winkelbezoekers dichterbij de winkel
                        kunnen parkeren dan langparkerend winkelpersoneel. De gemeenten zien
                        parkeerregulering als een verbijzondering van de totale parkeerbehoefte,
                        zoals die volgt uit deze nota. De behoefte aan een dergelijke
                        verbijzondering blijkt doorgaans in de praktijk. Daarom valt gebiedsgebonden
                        parkeerregulering buiten de reikwijdte van deze nota, die zich vooral richt
                        op nieuwe locaties.</al><al>3.2 Parkeren op de rijbaan</al><al>In beginsel is het toegestaan om te parkeren op de rijbaan, zowel binnen als
                        buiten de bebouwde kom. De inrichting van de meeste woonwijken is zodanig
                        dat parkeren op de rijbaan plaatsvindt. Omdat er in die straten geen
                        vakaanduiding is, ligt de verantwoordelijkheid voor het (nette)
                        parkeergedrag bij de desbetreffende voertuigbestuurder. Het parkeren van
                        voertuigen op de rijbaan kan soms tot problemen leiden voor het normale
                        gebruik van de weg. De toegankelijkheid voor vooral grotere voertuigen,
                        zoals nooddiensten of vuilnisophaaldienst is dan niet meer gewaarborgd of
                        uitritten worden onbereikbaar. Om dit te reguleren, worden er
                        parkeerverboden geplaatst en zijn er in de wet bepalingen opgenomen. Daarom
                        streven De gemeenten naar meer herkenbaarheid bij de inrichting van de
                        openbare ruimte. </al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 10</al><al/><al/><al/><al/><al>3.3 Vrachtwagenparkeren</al><al>De gemeenten hebben een vrachtwagenparkeerverbod (voor de openbare weg) in
                        de kernen, de gemeente Elburg ook voor het buitengebied. De gemeenten Elburg
                        en Oldebroek hebben al een of meer vrachtwagenparkeerterrein(en), de
                        gemeente Nunspeet streeft ernaar dit te realiseren. De hoofdmotieven voor
                        dit vrachtwagenparkeerverbod zijn bescherming van het uiterlijk aanzien van
                        de gemeente, het voorkomen van excessief weggebruik en de
                        verkeersveiligheid. Bij ‘parkeerexces’ gaat het in de eerste plaats om het
                        parkeren dat buitensporig is naar andere weggebruikers toe met het oog op de
                        verdeling van de beschikbare parkeerruimte, en dat dit op grond daarvan niet
                        toelaatbaar is. In de tweede plaats betreft het parkeren dat onaanvaardbaar
                        is om andere redenen zoals de aantasting van de openbare orde en veiligheid,
                        het schaden van het uiterlijk aanzien van de gemeente, geluidhinder en
                        belemmering van het uitzicht. </al><al>3.4 Parkeren elektrische voertuigen</al><al>Het gebruik van elektrische voertuigen is in opkomst. Daarmee ontstaat ook
                        een claim op de openbare ruimte om oplaadpunten aan te brengen. Deze
                        ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt voor zover een aanvrager niet de
                        mogelijkheid heeft op eigen terrein te parkeren. De snelheid van de
                        ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen zijn op dit moment echter nog lastig
                        in te schatten. De ontwikkeling op dit gebied wordt gevolgd. Ter illustratie
                        is het Nunspeetse beleid bijgevoegd in bijlage 6.</al><al>3.5 Parkeren gehandicapten</al><al>Mensen met een handicap kunnen in aanmerking komen voor een
                        gehandicaptenparkeerkaart. Deze kaart geeft hen bijzondere rechten voor het
                        gebruik van parkeervoorzieningen. Gehandicapten mogen met een algemene
                        gehandicaptenparkeerkaart op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen parkeren.
                        Met de kaart mogen zij ook op andere plaatsen parkeren. De algemene regel:
                        andere verkeersdeelnemers niet in gevaar brengen of hinderen, moet hierbij
                        nageleefd worden.</al><al/><al>De plaatsen zijn:</al><al>- Op wegen met een parkeerverbod; maximaal drie uur aaneengesloten. In de
                        auto moet ook een parkeerschijf aanwezig zijn waarop de aankomsttijd
                        duidelijk zichtbaar is.</al><al>- In een erf, buiten de vakken; ook hier maximaal drie uur aaneengesloten en
                        duidelijk zichtbaar een parkeerschijf met daarop de aankomsttijd.</al><al>- Op wegen of parkeerterreinen met verplicht gebruik van een parkeerschijf;
                        hier mag zonder parkeerschijf geparkeerd worden.</al><al/><al>Met een algemene gehandicaptenparkeerkaart mag niet geparkeerd worden:</al><al>- Op wegen en terreinen die zijn aangeduid als parkeervoorziening voor
                        vergunninghouders.</al><al>- Op ruimte bestemd voor noodvoertuigen.</al><al>- Voor uitritten (openbaar en particulier).</al><al>- Bij een verbod om stil te staan.</al><al/><al>Aantal en plaats</al><al>Bij publieke voorzieningen zoals gemeentehuis en bibliotheek moeten 5% van
                        de parkeerplaatsen, algemene gehandicaptenparkeerplaatsen zijn. Deze
                        gehandicaptenparkeerplaatsen moeten zo dicht mogelijk bij de ingang van het
                        gebouw liggen. De afstand moet minder dan 100 meter zijn en bij voorkeur 50
                        meter of kleiner. </al><al>De verantwoordelijkheid voor het initiëren van een algemene
                        gehandicaptenparkeerplaats ligt bij de organisatie (bijvoorbeeld
                        winkeliersvereniging, school, kerkgenootschap, bedrijf, vereniging van
                        eigenaren, penvoerder namens gezamenlijke gebruikers van een gebouw) ten
                        behoeve waarvan de gehandicaptenparkeerplaats zal gaan functioneren.</al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 11</al><al/><al/><al/><al/><al>3.6 Parkeerregulering in woonwijken</al><al>Soms is in een straat/buurt de behoefte aan parkeerplaatsen groter dan het
                        aantal dat beschikbaar is. Vaak is er geen ruimte of geld om extra
                        parkeerplaatsen aan te leggen. Dan kunnen de gemeente en de straat/buurt in
                        onderling overleg besluiten het aantal voertuigen te beperken dat in het
                        betreffende gebied mag parkeren. Bijvoorbeeld door het instellen van
                        parkeren voor vergunninghouders (waarbij bijvoorbeeld per huishouden 1
                        vergunning wordt verleend). Of door een parkeerverbod voor een bepaalde
                        voertuigcategorie. Zo kan in de APV een bepaling worden opgenomen waarmee de
                        gemeente gebieden kan aanwijzen waarin het verboden is te parkeren met
                        'bedrijfsbusjes'. En zo zijn er nog wel meer mogelijkheden denkbaar.
                        Dergelijke maatregelen worden gezien als maatwerk per straat/buurt. Daarom
                        worden dergelijke maatregelen niet verder uitgewerkt in deze, voor het hele
                        grondgebied van de gemeenten bedoelde nota.</al><al/></structuurtekst></paragraaf></regeling-tekst><bijlage><al>Bijlage 1a – Parkeernormen voor de verschillende functies (per 100 m² bvo*,
                        tenzij anders vermeld)</al><al/><al>Bvo: de vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een
                        vastgoedobject gemeten (volgens NEN 2580) op vloerniveau langs de
                        buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de
                        desbetreffende ruimte(n) omhullen.</al><al/><al>Woningtype Parkeernorm</al><al>(per woning) Aandeel bezoeker</al><al>Koop, vrijstaand 2,5 0,3</al><al>Koop, twee-onder-een-kap 2,4 0,3</al><al>Koop, tussen/hoek 2,2 0,3</al><al>Koop, etage, duur 2,3 0,3</al><al>Koop, etage, midden 2,1 0,3</al><al>Koop, etage, goedkoop 1,8 0,3</al><al>Huurhuis, vrije sector 2,2 0,3</al><al>Huurhuis, sociale huur 1,8 0,3</al><al>Huur, etage, duur 2,1 0,3</al><al>Huur, etage, midden goedkoop 1,6 </al><al>Kamerverhuur, zelfstandig (niet studenten) 0,7 0,2</al><al>Kamerverhuur, studenten, niet zelfstandig 0,3 0,2</al><al>Aanleunwoning en serviceflat 1,3 0,3</al><al/><al>Werken Parkeernorm* opmerkingen</al><al>Kantoor (zonder baliefunctie)</al><al>Administratief en zakelijk. 2,6 </al><al>Commerciële dienstverlening</al><al>Kantoren met een baliefunctie. 3,2 </al><al>Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief</al><al>Bijvoorbeeld industrie, laboratorium, garagebedrijf of een werkplaats
                        (relatief veel werknemers en relatief weinig bezoekers). 2,2 Exclusief
                        vrachtwagenparkeren</al><al>Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief</al><al>Bijvoorbeeld loods, opslag of transportbedrijf (relatief weinig werknemers
                        en relatief weinig bezoekers). 1,1 Exclusief vrachtwagenparkeren</al><al>Bedrijfsverzamelgebouw </al><al>Mix van kantoren (zonder baliefunctie) en bedrijven. 2,0 Gelijkwaardige mix
                        van kantoren (zonder baliefunctie), arbeidsextensieve en arbeidsintensieve
                        bedrijven</al><al>Showroom 1,7 </al><al/><al>Winkelen en boodschappen Parkeernorm* opmerkingen</al><al>Buurtsupermarkt 4,2 </al><al>Discountsupermarkt 6,6 </al><al>Fullservice supermarkt (laag en middellaag prijsniveau) 6,3 </al><al>Fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau) 5,6 </al><al>Grote supermarkt 8,6 </al><al>Buurt- en dorpscentrum 4,3 </al><al>Weekmarkt 0,27 per m1 kraam </al><al>Kringloopwinkel 1,5 </al><al>Groothandel in levensmiddelen 8,1 </al><al>Bruin- en witgoedzaken 6,9 </al><al>Woonwarenhuis/woonwinkel (overig) 2,0 </al><al>Meubelboulevard/woonboulevard 2,4 </al><al>Winkelboulevard 4,2 </al><al>Outletcentrum 10,5 </al><al>Bouwmarkt 2,1 </al><al>Tuincentrum (inclusief buitenruimte) 2,6 </al><al>Groencentrum (inclusief buitenruimte) 2,6 </al><al/><al>Sport, cultuur en ontspanning Parkeernorm* opmerkingen</al><al>Bibliotheek 1,0 </al><al>Bioscoop 9,0 </al><al>Filmtheater/filmhuis 6,3 </al><al>Theater/schouwburg 9,5 </al><al>Musicaltheater 3,9 </al><al>Casino 6,6 </al><al>Bowlingcentrum 2,8 </al><al>Biljartcentrum/snookercentrum 1,4 </al><al>Dansstudio 4,4 </al><al>Sportschool 3,9 </al><al>Fitnesscentrum 5,0 </al><al>Wellnesscentrum 9,8 </al><al>Sauna/hammam 5,1 </al><al>Sporthal 2,4 wedstrijdsport</al><al>Sportzaal 2,2 gymzaal</al><al>Tennishal 0,5 </al><al>Squashhal 2,5 </al><al>Zwembad (overdekt) 11,7 </al><al>Zwembad (openlucht) 11,1 </al><al>Zwembad (combi) 12,5 </al><al>Kunstijsbaan Kleiner/groter dan 400 m 1,8/2,5 </al><al>Golfoefencentrum (ook wel pitch &amp; put) 53,1 Per centrum, uitgaande van 6
                        ha</al><al>Golfbaan (18 holes) 106 Per 18 holes/60 ha</al><al>Indoorspeeltuin/kinderspeelhal 6,4 </al><al>Volkstuin 1,4/10 tuinen </al><al>Museum 0,9 </al><al>Sportveld 27,0/ha netto terrein </al><al>Stadion 0,2/zitplaats </al><al>Ski- en snowboardhal 5,7 Per 100 m² sneeuw, exclusief oefenpistes </al><al>Jachthaven 0,7/ligplaats </al><al>Kinderboerderij (stadsboerderij) 18,8/gemiddelde boerderij </al><al>Manege (paardenhouderij) 0,5/box </al><al>Dierenpark 12,0/ha. </al><al>Netto terrein </al><al>Attractie- en pretpark 12,0/ha. </al><al>Netto terrein </al><al>Evenementen 0,1/bezoeker op het drukste uur </al><al/><al>Horeca en (verblijfs)recreatie Parkeernorm* opmerkingen</al><al>Camping (kampeerterrein) 1,3/standplaats Exclusief 10% voor gasten en
                        bezoekers</al><al>Bungalowpark (huisjescomplex) 1,8/bungalow </al><al>1 t/m 5 *hotel 11,8/10 kamers </al><al>Discotheek 15,9 </al><al>Café/bar/cafetaria 8,0 </al><al>Restaurant 16* </al><al>Evenementenhal/beursgebouw/congresgebouw 8,0 </al><al>* Voor onbebouwd terras geldt geen parkeernorm. Grondslag hiervoor is dat
                        aangenomen moet worden dat men of binnen of buiten eet en niet allebei.
                        Zodoende is er geen sprake van extra bezetting van de horecagelegenheid en
                        dus geen verkeersaantrekkende werking, zodat realisatie van extra
                        parkeerplaatsen niet nodig is.”</al><al/><al>Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen Parkeernorm* opmerkingen</al><al>Huisartsenpraktijk (-centrum) 3,0/behandelkamer </al><al>Apotheek 3,1/apotheek </al><al>Fysiotherapiepraktijk (-centrum) 1,9/behandelkamer </al><al>Consultatiebureau 2,0/behandelkamer </al><al>Consultatiebureau voor ouderen 1,7/behandelkamer </al><al>Tandartsenpraktijk 2,4/behandelkamer </al><al>Gezondheidscentrum 2,3/behandelkamer Een gezondheidscentrum is een locatie
                        waar verschillende gezondheidsinstellingen onder een dak gevestigd zijn.
                        Vaak zijn dit huisartsen, fysiotherapeuten, verloskundigen en/of een
                        consultatiebureau.</al><al>Crematorium 35,1/deels gelijktijdige plechtigheid </al><al>Begraafplaats 36,6/deels gelijktijdige plechtigheid </al><al>Religiegebouw 0,2/zitplaats </al><al>Verpleeg- en verzorgingstehuis 0,7/wooneenheid inclusief parkeren
                        personeel</al><al>Onderwijs Parkeernorm* opmerkingen</al><al>Kinderdagverblijf (crèche) </al><al> 1,3 Exclusief halen en brengen</al><al>Basisschool </al><al>De grootste parkeer- en verkeersdruk bij basisscholen ontstaat door het
                        brengen en halen van kinderen. De hoeveelheid auto’s die hiermee gemoeid is,
                        is mede afhankelijk van de grootte van de school (aantal kinderen), hoeveel
                        kinderen begeleid naar school komen, hoeveel kinderen met de auto worden
                        gebracht en hoeveel kinderen er overblijven. Er is een systematiek
                        ontwikkeld waarmee dit berekend kan worden. 1,0/leslokaal Exclusief halen en
                        brengen</al><al>Middelbare school 5,6/100 leerlingen </al><al>ROC 6,4/100 leerlingen </al><al>Hogeschool 12,1/100 studenten </al><al>Universiteit 17,4/100 studenten </al><al>Avondonderwijs of vrijetijdsonderwijs 6,7/10 studenten </al><al/><al/><al>Bijlage 1b – Fietsparkeernormen voor de verschillende functies (per 100 m²
                        bvo, tenzij anders vermeld)</al><al/><al>Functie fietsparkeereis opmerkingen</al><al>Kantoor (personeel) 1,7 Hoe meer gespecialiseerde functies, hoe lager het
                        fietsgebruik. Ook de cultuur van de branche heeft invloed</al><al>Kantoor met balie (bezoekers) 5 Minimaal 10</al><al>Basisschool (leerlingen) 5/10 leerlingen </al><al>Basisschool (medewerkers) 0,4/10 leerlingen </al><al>Middelbare school (leerlingen) 14 </al><al>Middelbare school (medewerkers) 0,5 </al><al>Winkelcentrum 2,7 </al><al>Supermarkt 2,9 </al><al>Bouwmarkt 0,25 </al><al>Tuincentrum 0,4 </al><al>Restaurant (eenvoudig) 18 Bijvoorbeeld pannenkoekenhuis (terras
                        meetellen)</al><al>Restaurant (luxe) 4 </al><al>Apotheek (bezoekers) 7/locatie </al><al>Apotheek (medewerkers) 4/locatie </al><al>Begraafplaats/crematorium 5/gelijktijdige plechtigheid </al><al>Gezondheidscentrum (bezoekers) 1,3 </al><al>Gezondheidscentrum (medewerkers) 0,4 </al><al>Kerk/moskee 40/100 zitplaatsen </al><al>Ziekenhuis (bezoekers) 0,5 </al><al>Ziekenhuis (medewerkers) 0,4 </al><al>Bibliotheek 3 </al><al>Bioscoop 4,3 </al><al>Fitness 3,7 </al><al>Museum 0,9 </al><al>Sporthal 2,5 wedstrijdsport</al><al>Sportveld 61/ha netto terrein </al><al>Sportzaal 4 gymzaal</al><al>Stadion 9/100 zitplaatsen </al><al>Evenement 32/100 bezoekers </al><al>Theater 21/100 zitplaatsen </al><al>Zwembad (openlucht) 28/100 m² bassin </al><al>Zwembad (overdekt) 20/100 m² bassin </al><al>Busstation 42/halterende buslijn </al><al>Carpoolplaats 0,8/autoparkeerplaats </al><al>Rij- en vrijstaande woning (bewoners) 6/woning </al><al>Appartement (met fietsenberging) (bewoners) 3/woning </al><al>Appartement (zonder fietsenberging) (bewoners) 1/woning </al><al/><al/><al>Bijlage 1c – Overzicht berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij
                        woningen</al><al/><al>Parkeervoorziening Theoretisch</al><al>aantal Berekenings-</al><al>aantal Opmerking </al><al>Geclusterde parkeerplaats</al><al>appartement 1 1 </al><al>Enkele oprit zonder garage 1 0,8 Oprit minimaal 3 m breed en 5,5 m diep</al><al>Lange oprit zonder garage of</al><al>carport 2 1,0 Oprit minimaal 10,0 m diep</al><al>Dubbele oprit zonder garage 2 1,7 Oprit minimaal 4,5 m breed en 5,5 m
                        diep</al><al>Lange dubbele oprit met garage 5 2,2 </al><al>Garage zonder oprit (bij woning) 1 0 </al><al>Garagebox (niet bij woning) 1 0,5 </al><al>Garage met enkele oprit 2 1,0 Oprit minimaal 5,5 m diep </al><al>Garage met lange oprit 3 1,3 Oprit minimaal 10,0 m diep</al><al>Garage met dubbele oprit 3 1,8 Oprit minimaal 4,5 m breed en 5,5 m diep</al><al/><al/></bijlage><bijlage><al>Bijlage 2 – Onderbouwing parkeernorm</al><al/><al>Het gemiddeld autobezit per inwoner bedroeg in 2007 in Elburg 0,45, in
                        Nunspeet 0,43 en in Oldebroek ook 0,43. (geen recentere CBS-cijfers
                        beschikbaar) Het gemiddeld aantal bewoners per woning bedroeg op 1/1/10 in
                        Elburg 2,66, in Nunspeet 2,72 en in Oldebroek 2,75. (bron: Statistisch
                        Zakboek Provincie Gelderland). Beide kentallen met elkaar combinerend, is
                        het gemiddeld aantal auto’s per woning in Elburg 1,20, in Nunspeet 1,17 en
                        in Oldebroek 1,18.</al><al/><al>De verwachting is dat het autobezit in 2030 14% hoger is dan in 2005 (bron:
                        planbureau voor de leefomgeving). Landelijk wordt een daling verwacht van
                        het aantal bewoners per woning met 8% (van 2,26 in 2005 tot 2,08 in 2030;
                        bron: CBS). Het toepassen van deze trends op het bovengenoemde gemeentelijke
                        autobezit en de gemeentelijke grootte van het huishouden, zal per saldo
                        leiden tot een stijging van het aantal auto's per woning met 0,05 (+ 4%) in
                        25 jaar.</al><al/><al>De gemiddelde levensduur van een woning is 120 jaar (bron: kennisbank
                        bestaande woningbouw). Bij een nu te bouwen woning zal het gemiddeld aantal
                        auto’s aan het einde van de levensduur dus circa 1,20 + (5 x 0,05) = 1,45
                        zijn. Hierbij is uitgegaan van extrapolatie van de trends uit de afgelopen
                        25 jaar naar de komende 125 jaar.</al><al/><al>Een steekproef leert dat momenteel de parkeerbehoefte bij sociale
                        huurwoningen rond de 1,25 ligt, bij middeldure rijtjes(koop)woningen op 1,5.
                        Gaat ook die behoefte met 0,05 per 25 jaar omhoog, dan is deze behoefte -bij
                        extrapolatie- aan het einde van de levensduur 1,5 respectievelijk 1,75.
                        Daarbij opgeteld 0,3 parkeerplaats voor bezoekers, en De gemeenten komen uit
                        op een parkeernorm voor sociale huurwoningen van 1,8 en voor middeldure
                        rijtjes(koop)woningen van 2,1.</al><al/><al/></bijlage><bijlage><al>Bijlage 3 – Rekenmethode voor halen en brengen bij basisscholen en
                        kinderdagverblijven</al><al/><al>Groepen 1 t/m 3</al><al>aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,5¹ x 0,75²</al><al/><al> +</al><al>Groepen 4 t/m 8</al><al>aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,25¹ x 0,85²</al><al/><al> +</al><al>Kinderdagverblijf</al><al>aantal leerlingen x % leerlingen met auto x 0,25¹ x 0,75²</al><al> =</al><al>Het totaal aantal parkeerplaatsen voor halen en brengen.</al><al/><al>¹ = reductiefactor parkeerduur</al><al>groepen 1 t/m 3 gemiddeld 10 minuten in periode van 20 minuten = 0,5</al><al>groepen 4 t/m 8 gemiddeld 2,5 minuten in periode van 10 minuten = 0,25</al><al>kinderdagverblijf gemiddeld 15 minuten in periode van 60 minuten = 0,25</al><al>² = reductiefactor aantal kinderen per auto</al><al>groepen 1 t/m 3 = 0,75</al><al>groepen 4 t/m 8 = 0,85</al><al>kinderdagverblijf = 0,75</al><al/><al>Het percentage leerlingen dat wordt gebracht en gehaald kan door middel van
                        locatiespecifiek parkeeronderzoek worden vastgesteld. Zijn geen
                        locatiespecifieke cijfers beschikbaar, dan wordt uitgegaan van de volgende
                        percentages:</al><al/><al>groepen 1 t/m 3: 60%</al><al>groepen 4 t/m 8: 40%</al><al>kinderdagverblijf: 80%</al><al>Het drukste tijdstip is maatgevend</al><al/></bijlage><bijlage><al>Bijlage 4 – Werkwijze berekening parkeerbehoefte (gedeeltelijke) nieuwbouw
                        en herbestemming</al><al/><al>Stap 1 -Parkeernorm</al><al>Beschikt de aanvrager over gegevens (onafhankelijke praktijkwaarnemingen,
                        onafhankelijk extern onderzoek door deskundig adviesbureau naar genoegen van
                        de gemeente) waaruit een parkeernorm voor het desbetreffende bedrijf en/of
                        het specifieke beoogde gebruik kan worden afgeleid? </al><al/><al>Zo ja, dan wordt die parkeernorm als uitgangspunt voor de berekening
                        gehanteerd.</al><al>Zo nee, dan wordt teruggevallen op de normen uit de geldende Parkeernota.
                        Die zijn gebaseerd op de meest recente landelijke kentallen (momenteel CROW
                        317).</al><al/><al>Stap 2 - Bepaling van de huidige/voormalige parkeerbehoefte</al><al>Is er in het verleden een bouw-/omgevingsvergunning voor het desbetreffende
                        perceel verleend, waarbij de toenmalige parkeerbehoefte is vastgesteld?</al><al/><al>Zo ja, dan wordt die toenmalige parkeerbehoefte overgenomen.</al><al>Zo nee, dan wordt in kaart gebracht wat het huidige/voormalige gebruik op
                        het desbetreffende perceel is (met bijbehorende oppervlaktes), en wordt de
                        parkeerbehoefte daarvan bepaald met gebruikmaking van de maximale
                        parkeernorm voor het desbetreffende gebruik zoals die is opgenomen in het
                        ASVV1996. De huidige/voormalige parkeerbehoefte wordt zowel bepaald voor het
                        moment van de week dat het huidige/voormalige gebruik maximaal is, als voor
                        het moment dat de parkeerbehoefte in de omgeving van het perceel maximaal is
                        (voor woongebieden: doorgaans op weekendavonden; voor winkelgebieden:
                        doorgaans op koopavonden en zaterdagen voor bedrijven doorgaans op
                        weekdagen).</al><al/><al>Stap 3 - Bepaling van de nieuwe parkeerbehoefte</al><al>Er wordt in kaart gebracht wat het beoogde gebruik op het desbetreffende
                        perceel is (met bijbehorende oppervlaktes). Is er een locatiespecifieke
                        parkeernorm voor (onderdelen van) dit gebruik, dan wordt aan de hand daarvan
                        de nieuwe parkeerbehoefte bepaald. Is er geen locatiespecifieke parkeernorm,
                        dan wordt de nieuwe parkeerbehoefte bepaald op basis van de normen zoals
                        aangegeven in de Parkeernota. Ook de nieuwe parkeerbehoefte wordt zowel
                        bepaald voor het moment van de week dat het nieuwe gebruik maximaal is, als
                        voor het moment dat de parkeerbehoefte in de omgeving van het perceel
                        maximaal is (voor woongebieden: doorgaans op weekendavonden; voor
                        winkelgebieden: doorgaans op koopavonden en zaterdagen, voor bedrijven
                        doorgaans op weekdagen). De parkeerbehoefte wordt berekend tot op 1 cijfer
                        achter de komma. Het eindtotaal wordt altijd afgerond op het eersthogere
                        hele getal (zo wordt 11,1 afgerond op 12).</al><al/><al>Stap 4 - Bepaling veilig bruikbare parkeercapaciteit op eigen terrein</al><al>In veel gevallen gaat de aanvraag vergezeld van een nieuwe
                        terreinindelingstekening, waarop de aanvrager aandacht besteed aan het
                        parkeren. Of de beoogde parkeerplaatsen veilig bruikbaar zijn wordt de
                        tekening getoetst op de volgende criteria:</al><al>a. er wordt in principe niet toegestaan dat over een grotere lengte dan
                        circa 4 m verkeer van/naar het perceel de openbare weg kan af- of
                        oprijden;</al><al>b. de ‘rijbaan’ naast een haaksparkeerplaats moet in principe 6 m breed
                        zijn, langs langsparkeerplaatsen ten minste 3,0 m breed; bij zogenoemde
                        ‘gestoken parkeren’ (dat wil zeggen onder een andere hoek dan 90°
                        [haaksparkeren] of 0° [langsparkeren] met de rijbaan) naar verhouding; zie
                        ASVV 2004, blz. 898;</al><al>c. een parkeerplaats moet bij haaksparkeren ten minste 5 x 2,5 m zijn en bij
                        langsparkeren ten minste 6 x 2 m. De vakindeling moet op straat zijn
                        aangegeven;</al><al>d. achteruitrijden is redelijkerwijs geminimaliseerd, en wordt over een
                        grotere afstand dan circa 5 m niet toegestaan;</al><al>e. bij uitritten en nabij kruispunten van openbare wegen moeten
                        uitzichtdriehoeken met rechthoekszijden van minimaal 10 m (buiten de
                        bebouwde kom: minimaal 40 m) te worden vrijgehouden.</al><al>Parkeerplaatsen die niet voldoen aan een of meer van deze criteria, tellen
                        niet mee bij de bepaling van de veilig bruikbare parkeercapaciteit. Van
                        criteria kan worden afgeweken wanneer de aanvrager daarvoor naar het oordeel
                        van de gemeente goede argumenten aandraagt en/of op andere wijze voorziet in
                        een veilige bruikbaarheid. De aanvrager krijgt gelegenheid de
                        terreinindelingstekening aan te passen aan de hand van de gemaakte
                        opmerkingen. Dit moet in ieder geval gereed zijn voordat de
                        omgevingsvergunning is verleend.</al><al/><al>Stap 5 - Vergelijking van parkeercapaciteit op eigen terrein en nieuwe
                        parkeerbehoefte</al><al>De uitkomsten van de stappen 3 en 4 worden met elkaar vergeleken. Als de
                        veilig bruikbare (nieuwe) parkeercapaciteit groter is dan de benodigde
                        (nieuwe) parkeercapaciteit, dan wordt in het kader van de aanvraag
                        omgevingsvergunning positief geadviseerd op het aspect parkeren.</al><al>Zo niet, dan worden de volgende stappen doorlopen.</al><al/><al>Stap 6 - Parkeerbehoefte op drukste dagdeel in de omgeving</al><al>De parkeerbehoefte is niet op alle 24 dagdelen van de week even groot. Zoals
                        al bij de stappen 2 en 3 is aangegeven, is het dagdeel waarop de
                        parkeerbehoefte het grootst is afhankelijk van het gebruik. Soms is het
                        gebruik van een bepaald perceel afwijkend van het gebruik van percelen in de
                        omgeving. (Bijvoorbeeld kantoren in een woon- of winkelgebied.) Dat kan
                        leiden tot een verschillend piekmoment. Wanneer op eigen terrein wel
                        voldoende veilig bruikbare parkeercapaciteit is op het drukste dagdeel in de
                        omgeving, maar niet op het drukste moment voor het perceel zelf, dan kan
                        worden gekeken of er op het drukste moment voor het perceel zelf voldoende
                        vrij beschikbare parkeercapaciteit is op de openbare weg binnen de voor het
                        desbetreffende gebruik aanvaardbare loopafstand (volgens landelijke
                        kentallen). Is dat het geval, dan kunnen deze parkeerplaatsen ingezet worden
                        ten behoeve van het beoogde gebruik/bestemming. Voor het inzetten van deze
                        parkeerplaatsen dient dan een bedrag ter hoogte van 50 % van de vastgestelde
                        bijdrage zoals opgenomen in het parkeerfonds te betalen. Dit bedrag is 50 %
                        omdat de parkeerplaatsen/parkeermogelijkheden reeds aanwezig zijn en het
                        daarom niet redelijk is het volledige bedrag in rekening te brengen.</al><al/><al>Stap 7- Parkeerfonds (facultatief)</al><al>Wanneer</al><al> de aanvraag niet op eigen terrein voorziet in de voor het desbetreffende
                        perceel (nieuwe) parkeerbehoefte, verminderd met de huidige/voormalige
                        parkeerbehoefte in het geval het een gedeeltelijke nieuwbouw dan wel
                        herbestemming is;</al><al> de aanvraag niet op eigen terrein voorziet in de parkeerbehoefte op het
                        drukste dagdeel in de omgeving, terwijl er op het moment van de maximale
                        behoefte voor het desbetreffende gebruik ook niet voldoende vrije openbare
                        parkeercapaciteit beschikbaar is binnen aanvaardbare loopafstand op de
                        openbare weg,</al><al>wordt op het aspect parkeren negatief geadviseerd.</al><al>Een omgevingsvergunning kan dan alleen worden verleend wanneer een bijdrage
                        wordt gestort in het parkeerfonds. De hoogte van deze storting wordt bepaald
                        door de extra parkeerbehoefte. Deze is afhankelijk van de benodigde
                        parkeerbehoefte verminderd met het aantal bruikbare parkeerplaatsen op eigen
                        terrein (stap 4). Een tekort kan eventueel gecompenseerd worden door
                        openbare parkeerplaatsen, stap 6 (hier zijn kosten aan verbonden van 50 %
                        van de vastgestelde bijdrage).</al><al/><al>Voorbeeld</al><al>De voorgaande stappen worden nu toegelicht met een voorbeeld.</al><al>In dit voorbeeld wordt in een winkelgebied een winkel (300 m² b.v.o.) met
                        middelgrote bovenwoning verbouwd tot restaurant (300 m² b.v.o.) met kantoor
                        op de bovenverdieping (150 m² b.v.o.). Er zijn geen parkeerplaatsen op eigen
                        terrein. Er zijn geen specifieke parkeercijfers beschikbaar. Er is geen
                        eerdere bouw-/omgevingsvergunning bekend. De openbare parkeercapaciteit in
                        de omgeving wordt volledig benut.</al><al/><al>Stap 1</al><al>Zie inleiding.</al><al/><al/><al>Stap 2</al><al>De maximale parkeerbehoefte van een winkel van 300 m² b.v.o. was (volgens
                        ASVV1996) 3 x 2,4 = 7,2 parkeerplaatsen (pp). De maximale parkeerbehoefte
                        van de bovenwoning was 1,1 pp. Samen 8,3 pp. In een winkelgebied zijn de
                        koopavond en de zaterdag (overdag) de drukste dagdelen. Gedurende vooral de
                        koopavond zijn ook de winkel en de woning volledig in gebruik. De
                        parkeerbehoefte op het perceel tijdens het drukste moment in de omgeving is
                        dus in de oude situatie gelijk aan de maximale parkeerbehoefte.</al><al/><al>Stap 3</al><al>De maximale parkeerbehoefte van een restaurant is 3 x16,0 = 48,0 pp. De
                        maximale parkeerbehoefte van een kantoor is 1,5 x 2,8 = 4,2 pp. Samen 52,2
                        pp. Op de drukste dagdelen in een winkelgebied (koopavond en zaterdag) is
                        het kantoor gesloten. De parkeerbehoefte van het perceel is in de nieuwe
                        situatie dan 48,0 pp.</al><al/><al>Stap 4</al><al>Omdat er geen plan is voor parkeren op eigen terrein, is deze stap niet van
                        toepassing.</al><al/><al>Stap 5</al><al>Het plan kent dus een maximaal tekort van 52,2 pp. Afgerond (naar boven): 53
                        pp</al><al/><al>Stap 6</al><al>Het plan kent dus op de drukste dagdelen in het gebied een tekort van 48,0
                        pp.</al><al/><al>Stap 7(facultatief)</al><al>De storting in het Parkeerfonds is gebaseerd op: 48,0 (stap 3) – 8,3 (stap
                        2, op drukste tijdstip in omgeving) – 0 (stap 4) = 39,7 pp. Afgerond (naar
                        boven): 40 pp. Deze 40 pp wordt vermenigvuldigd met € 6.038,--. Dit komt uit
                        van een storting in het fonds van € 241.520,--.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/></bijlage><bijlage><al>Bijlage 5 – Kostenonderbouwing aanleg parkeervoorziening prijspeil 2013
                        (bedragen zijn exclusief btw)</al><al/><al/><al>Opnemen bestaande band 13/15*25 10 m € 4,00 € 40,00 </al><al>Opnemen bestaand trottoir 18 m2 € 4,00 € 72,00 </al><al>Frezen graszoden 25 m2 € 2,00 € 50,00 </al><al>Zagen bestaande asfaltverharding 10 m € 12,00 € 120,00 </al><al>Opnemen en verwijderen bestaande asfaltverharding 2,5 m2 € 40,00 € 100,00 </al><al/><al>GRAAFWERKZAAMHEDEN </al><al>Ontgraven zwarte grond 8 m3 € 3,00 € 24,00 </al><al>Ontgraven zand 8 m3 € 3,00 € 24,00 </al><al>Ontgraven rioolsleuf 2,5 m3 € 4,00 € 10,00 </al><al/><al>RIOLERING </al><al>Leveren en aanbrengen pvc 125 5 m1 € 32,00 € 160,00 </al><al>leveren en aanbrengen hulpstukken 6 st € 20,00 € 120,00 </al><al>Boren rioolleiding 1 st € 100,00 € 100,00 </al><al>Leveren en aanbrengen opzetstuk 1 st € 200,00 € 200,00 </al><al>aanvullen grond sleuf 2,5 m2 € 8,00 € 20,00 </al><al>Rijbaan maken 20 m2 € 15,00 € 300,-</al><al>VERHARDINGEN </al><al>Blokken BSS 2,5 m2 € 20,00 € 50,00 </al><al>Leveren en aanbrengen straatkolk 1 st € 230,00 € 230,00 </al><al>Leveren en aanbrengen Bkk geel 8,5 m2 € 25,00 € 212,50 </al><al>Leveren en aanbrengen Bkk zwart 7,6 m2 € 30,00 € 228,00 </al><al>Leveren en aanbrengen hoekstukken 4 st € 40,00 € 160,00 </al><al>Leveren en aanbrengen trottoirband 12 m € 25,00 € 300,00 </al><al>Leveren en aanbrengen tegels (incl. zagen) 14 m2 € 15,00 € 210,00 </al><al>Leveren en aanbrengen asfalt € 500,00 </al><al/><al>ALGEMEEN </al><al>Inzaaien groen 10 m2 € 5,00 € 50,00 </al><al>Afvoeren puin 1 ?? € 250,00 € 250,00 </al><al/><al>AANKOOP GROND </al><al>Openbaar groen (inclusief kosten notaris + ambtelijke uren) 20 m2 € 65* €
                        1300,00</al><al>* gemiddelde van de deelnemende gemeenten </al><al>Subtotaal € 4.830,50 </al><al/><al>Uitvoeringskosten 10% € 483,05 </al><al>voorbereiding, toezicht 15% € 724,58 </al><al> € 1.207,63 </al><al/><al>TOTAAL € 6038,13 </al><al/><al/><al>Opnemen bestaande band 13/15*25 10 m € 4,00 € 40,00 </al><al>Opnemen bestaand trottoir 18 m2 € 4,00 € 72,00 </al><al>Frezen graszoden 25 m2 € 2,00 € 50,00 </al><al>Zagen bestaande asfaltverharding 10 m € 12,00 € 120,00 </al><al>Opnemen en verwijderen bestaande asfaltverharding 2,5 m2 € 40,00 € 100,00 </al><al/><al>GRAAFWERKZAAMHEDEN </al><al>Ontgraven zwarte grond 8 m3 € 3,00 € 24,00 </al><al>Ontgraven zand 8 m3 € 3,00 € 24,00 </al><al>Ontgraven rioolsleuf 2,5 m3 € 4,00 € 10,00 </al><al/><al>RIOLERING </al><al>Leveren en aanbrengen pvc 125 5 m1 € 32,00 € 160,00 </al><al>leveren en aanbrengen hulpstukken 6 st € 20,00 € 120,00 </al><al>Boren rioolleiding 1 st € 100,00 € 100,00 </al><al>Leveren en aanbrengen opzetstuk 1 st € 200,00 € 200,00 </al><al>aanvullen grond sleuf 2,5 m2 € 8,00 € 20,00 </al><al>Rijbaan maken 20 m2 € 15,00 € 300,-</al><al>VERHARDINGEN </al><al>Blokken BSS 2,5 m2 € 20,00 € 50,00 </al><al>Leveren en aanbrengen straatkolk 1 st € 230,00 € 230,00 </al><al>Leveren en aanbrengen Bkk geel 8,5 m2 € 25,00 € 212,50 </al><al>Leveren en aanbrengen Bkk zwart 7,6 m2 € 30,00 € 228,00 </al><al>Leveren en aanbrengen hoekstukken 4 st € 40,00 € 160,00 </al><al>Leveren en aanbrengen trottoirband 12 m € 25,00 € 300,00 </al><al>Leveren en aanbrengen tegels (incl. zagen) 14 m2 € 15,00 € 210,00 </al><al>Leveren en aanbrengen asfalt € 500,00 </al><al/><al>ALGEMEEN </al><al>Inzaaien groen 10 m2 € 5,00 € 50,00 </al><al>Afvoeren puin 1 ?? € 250,00 € 250,00 </al><al/><al>AANKOOP GROND </al><al>Openbaar groen (inclusief kosten notaris + ambtelijke uren) 20 m2 € 65* €
                        1300,00</al><al>* gemiddelde van de deelnemende gemeenten </al><al>Subtotaal € 4.830,50 </al><al/><al>Uitvoeringskosten 10% € 483,05 </al><al>voorbereiding, toezicht 15% € 724,58 </al><al> € 1.207,63 </al><al/><al>TOTAAL € 6038,13 </al><al/></bijlage><bijlage><al>Bijlage 6 Beleidsregel Laadpalen Elektrisch vervoer (ter illustratie)</al><al/><al>Onderwerp</al><al/><al>De hier aan de orde zijnde beleidsregel is bedoeld als afwegingskader ter
                        beoordeling van particuliere aanvragen om (privaatrechtelijke) toestemming
                        te verlenen voor het realiseren van oplaadlocatie’s voor elektrische
                        auto’s.</al><al/><al>Juridisch kader</al><al/><al>Op basis van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht (AWB) jo. artikel 160,
                        eerste lid Gemeentewet.</al><al/><al>Artikel 1 - Definities</al><al>Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:</al><al>a. Aanvraag: de bij de gemeente ingediende aanvraag voor toestemming tot het
                        plaatsen van een laadpaal op grond die in eigendom is van de gemeente.</al><al>b. Elektrische auto: een motorvoertuig zoals bedoeld in artikel 1, eerste
                        lid, onderdeel c van de Wegenverkeerwet 1994 dat bij de RDW staat
                        geregistreerd als auto en geheel of gedeeltelijk door een elektromotor wordt
                        aangedreven waarvoor de elektrische energie geleverd wordt door een batterij
                        en waarvan de batterij (mede) kan worden opgeladen door een oplaadpunt.</al><al>c. Laadpaal: openbare voorziening, inclusief alle daarbij behorende en
                        achterliggende installaties, waar een elektrische auto kan worden opgeladen:
                        een laadpaal kan een of meer oplaadpunten bevatten.</al><al>d. Oplaadlocatie: locatie in de openbare ruimte waar een laadpaal en een of
                        meer parkeerplaatsen uitsluitend voor het opladen van elektrische auto’s
                        aanwezig zijn.</al><al>e. Oplaadpunt: een op de laadpaal aanwezige voorziening waarmee de houder
                        van een elektrische auto deze van stroom kan voorzien.</al><al>f. Opladen: het gedurende een aaneengesloten periode opladen van een
                        elektrisch voertuig bij een openbaar toegankelijke laadpaal;</al><al>g. Bewoner: degene die daadwerkelijk woont in Nunspeet, volgens inschrijving
                        in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;</al><al>h. Houder van een motorvoertuig: degene die naar de omstandigheden als
                        houder van een motorvoertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat
                        voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de
                        Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als
                        houder wordt aangemerkt:</al><al>1. degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten
                        tijde van het parkeren in het register was ingeschreven, of</al><al>2. degene die een leasecontract heeft met een erkend autoverhuurbedrijf dan
                        wel in dienst is van een bedrijf op wiens naam het voor het motorvoertuig
                        opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was
                        ingeschreven en die in het bezit is van dat motorvoertuig of een
                        leasecontract heeft met een erkend autoverhuurbedrijf, of</al><al>3. degene die een contract heeft voor een auto op afroep met een erkend
                        autoverhuurbedrijf op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven
                        kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven en die
                        in het bezit is van dat motorvoertuig.</al><al/><al>Artikel 2 - Elektrische auto</al><al>1. Op een aanvraag wordt toestemming verleend als de elektrische auto een
                        volledig elektrisch bereik heeft van meer dan 60 km.</al><al>2. De elektrische auto mag met inbegrip van de lading een lengte hebben van
                        niet meer dan 6 m en/of een hoogte van niet meer dan 2.40 m, en mag geen
                        woonwagen, kampeerwagen, kampeerauto, aanhangwagen, keetwagen of ander
                        dergelijk voertuig zijn dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend
                        of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd.</al><al>3. De elektrische auto mag niet voorzien zijn van een handelaarskenteken
                        (groene kentekenplaat).</al><al/><al>Artikel 3 - Parkeergelegenheid op eigen terrein</al><al>Een aanvraag wordt geen toestemming verleend wanneer:</al><al>a. De particuliere aanvrager over een privéparkeergelegenheid op het
                        woonadres kan beschikken. Aan het hebben van een privéparkeergelegenheid
                        wordt gelijkgesteld de situatie dat men woont in gebouwen die gerealiseerd
                        zijn inclusief een parkeergelegenheid in het gebouw.</al><al>b. De zakelijke aanvrager over een parkeergelegenheid op het zakelijke adres
                        binnen de gemeente, zoals geregistreerd in het register van de kamer van
                        koophandel, beschikt.</al><al>Artikel 4 - Gebieden met parkeerschijfzone</al><al>In gebieden waar van gemeentewege een parkeerschijfzone is ingesteld, wordt
                        geen toestemming verleend, tenzij aanvrager ook ontheffinghouder is of
                        hiervoor in aanmerking komt in dit gebied en daarvoor een aanvraag heeft
                        ingediend. Het streven is dat medewerking aan de realisatie van een
                        oplaadpunt in gebieden waar de parkeerdruk op maatgevende momenten boven de
                        80% is, niet ten koste gaat van de bestaande parkeercapaciteit. In dat geval
                        moet het mogelijk zijn een extra parkeergelegenheid te realiseren.</al><al/><al>Artikel 5 - Eén oplaadpunt per perceel, woning of per voertuig</al><al>a. Per perceel of woning geldt een maximum van één oplaadpunt in de openbare
                        ruimte.</al><al>b. Per voertuig geldt een maximum van één oplaadpunt in de openbare
                        ruimte.</al><al/><al>Artikel 6 - Locatiebepaling</al><al>a. Aan een particulier verzoek wordt geen medewerking verleend als de
                        locatie van het oplaadpunt niet in de directe nabijheid van het perceel of
                        de woning is gepland.</al><al>b. Aan het nabijheidscriterium wordt voldaan voor zover de afstand tot de
                        woning hemelsbreed gezien niet meer bedraagt dan 250 m.</al><al>c. Voor zover de aanvrager al een parkeerplaats van gemeentewege is
                        aangewezen en deze is ingericht als gehandicaptenparkeerplaats, wordt deze
                        aangemerkt als zijnde de locatie als bedoeld onder a.</al><al>d. Op een aanvraag wordt geen toestemming verleend als er een openbaar
                        toegankelijk oplaadpunt is binnen 500 m van het perceel of de woning van de
                        aanvrager.</al><al/><al>Artikel 7 - Tenaamstelling elektrische auto</al><al>Op een aanvraag wordt geen toestemming verleend als de aanvrager niet de
                        houder is van de elektrische auto.</al><al/><al>Artikel 8 - Openbaarheid</al><al>1. De oplaadlocatie is een openbare voorziening voor het laden van
                        elektrische auto’s. </al><al>2. Op een aanvraag wordt geen toestemming verleend wanneer blijkt dat
                        aanvrager niet de intentie heeft de oplaadlocatie openbaar toegankelijk te
                        houden voor het opladen van elektrische auto’s. </al><al>3. De oplaadlocatie mag, met uitzondering van de situatie zoals onder 6d
                        geschetst, niet zijn voorzien van een bord waaruit zou blijken dat de
                        locatie slechts voor een of meerdere bepaalde nader aangegeven elektrische
                        auto’s is bedoeld.</al><al/><al>Artikel 9 - Dubbele laadvoorziening</al><al>Er wordt alleen toestemming verleend als de laadpaal is voorzien of kan
                        worden voorzien van een dubbele laadvoorziening zodat er gelegenheid is voor
                        twee elektrische auto’s tegelijk om te kunnen laden.</al><al/><al>Artikel 10 - Maximum aantal laadpalen</al><al>Er wordt toestemming verleend voor ten hoogste twintig openbare laadpalen op
                        gemeentelijk grondgebied naast de al door e-laad.nl gerealiseerde vier
                        openbaar toegankelijke laadpalen. Bij het bereiken van het maximum wordt de
                        beleidsregel geëvalueerd.</al><al/><al>Artikel 11 - Kosten plaatsen, onderhoud, beheer en aansprakelijkheid ten
                        gevolge van schade door laadpaal en oplaadpunt</al><al>1. Alle kosten voor het plaatsen, onderhouden, beheren van en schade
                        veroorzaakt door de laadpaal en het oplaadpunt, die niet worden gedragen
                        door degene die de laadpaal en het oplaadpunt realiseert (bijvoorbeeld de
                        netbeheerder of de leverancier), zijn voor rekening van de aanvrager.</al><al>2. De gemeente aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor kosten,
                        onderhoud en (vervolg)schade die het realiseren en gebruiken van de laadpaal
                        met zich mee kan brengen.</al><al>3. De gemeente verleent alleen toestemming op een aanvraag wanneer in een
                        overeenkomst met de leverancier ervan is vastgelegd, dat alle
                        aansprakelijkheid waaronder voor het gebruik en onderhoud van de laadpalen
                        en het oplaadpunt en eventuele schade hierdoor voor rekening van de
                        aanvrager of de leverancier komen.</al><al/><al>Artikel 12 - Realisatie</al><al>Om voor toestemming op een aanvraag in aanmerking te komen, moet een
                        oplaadpunt op de oplaadlocatie daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. In
                        dat kader wordt ook de (technische) haalbaarheid bezien. Daarbij is de
                        aanwezigheid van (hoofd)kabels en leidingen en het voorhanden zijn van een
                        netwerk van belang.</al><al/><al>Artikel 13 - Deelauto</al><al>Als uit de aanvraag blijkt dat er meerdere gebruikers van één elektrische
                        auto zijn (bijvoorbeeld bij een deelauto), kan in afwijking van deze
                        regeling toestemming worden gegeven.</al><al/><al>Artikel 14 - Hardheidsclausule</al><al>Er kan van deze regeling worden afgeweken wanneer toepassing ervan gelet op
                        het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zal leiden tot een
                        onbillijkheid van overwegende aard.</al><al/><al>Artikel 15 - Inwerkingtreding</al><al>Deze beleidsregel treedt in werking de dag na bekendmaking.</al><al/><al/></bijlage><bijlage><al>Bijlage 7 </al><al/><al>3 Parkeerfonds (zoals gebruikt door Elburg en Nunspeet)</al><al/><al>3.1 Parkeerfonds </al><al>De afgelopen jaren is gebleken dat het bij diverse bouwplannen niet mogelijk
                        is om op eigen terrein te voorzien in parkeerruimte volgens de gemeentelijke
                        parkeernorm. In dit soort gevallen zijn er vaak geen aangrenzend terrein
                        aanwezig waarop die ruimte kan worden gerealiseerd en ook de bestaande
                        openbare parkeerruimte biedt in de regel geen soelaas voor de extra
                        parkeerdruk. Dat betekent concreet dat in zo’n geval een omgevingsvergunning
                        niet kan worden verleend en dat de realisatie van de door de gemeente
                        gewenste functies op bepaalde locaties niet mogelijk is. Een parkeerfonds
                        kan hier uitkomst bieden. In bepaalde omstandigheden kan dan door het
                        college van burgemeester en wethouders in afwijking van de parkeereis een
                        omgevingsvergunning worden verleend. Voorwaarde is dat de aanvrager van de
                        omgevingsvergunning voor bouwen een financiële bijdrage stort in het
                        parkeerfonds. De middelen in dit fonds worden vervolgens door de gemeente
                        gebruikt voor de aanleg van openbare parkeerplaatsen. Op die manier kan het
                        totale gemeentelijke parkeerareaal in evenwicht worden gehouden en blijft de
                        bereikbaarheid en leefbaarheid binnen de gemeente gewaarborgd. </al><al/><al>Hieronder wordt eerst het juridisch kader van het parkeerfonds uiteengezet.
                        Vervolgens wordt aangegeven hoe de gemeentelijke parkeereis wordt
                        vastgesteld en onder welke voorwaarden in afwijking van de parkeereis een
                        omgevingsvergunning wordt verleend. Tot slot komen de hoogte van de
                        parkeerbijdrage en de aanwending van de middelen uit het parkeerfonds aan de
                        orde.</al><al>3.2 Juridisch kader </al><al>Het vragen van een parkeerbijdrage vindt zijn juridische grondslag in de
                        bouwverordening, het zogenoemde ‘parkeerartikel’ 2.5.30 vierde lid. Hierin
                        staat dat het college in afwijking van het bepaalde in het eerste en derde
                        lid van artikel 2.5.30 een omgevingsvergunning kan verlenen als de aanvrager
                        een parkeerbijdrage stort in het gemeentelijk parkeerfonds. Als financiële
                        voorwaarden worden gesteld, neemt de gemeente de verplichting van de aanleg
                        van parkeerplaatsen over. De in afwijking van de parkeereis verleende
                        omgevingsvergunning met financiële consequentie wordt verleend volgens een
                        publiekrechtelijke regeling. De parkeerbijdrage moet op dezelfde wijze als
                        de bouwleges door de aanvrager worden betaald. Er is geen sprake van een
                        contract tussen partijen. </al><al/><al>In bijlage 1a zijn de parkeernormen opgenomen. In de volgende paragraaf
                        wordt ingegaan op de voorwaarden waaronder vrijstelling van de parkeereis
                        wordt verleend.</al><al>3.3 Beoordeling en verlening omgevingsvergunning in afwijking van de
                        gemeentelijke parkeereis</al><al>In deze paragraaf wordt aangegeven welke stappen worden doorlopen in de
                        beoordeling om in afwijking van de parkeereis een omgevingsvergunning te
                        verlenen. </al><al/><al>a) Uitgangspunt daarbij is dat de parkeereis op eigen terrein wordt
                        gerealiseerd (het voldoen aan de gemeentelijke parkeereis). </al><al>b) Als realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet
                        mogelijk is, wordt beoordeeld of een aanpassing van het bouwplan
                        (bijvoorbeeld minder bouwvolume) kan leiden tot het wel voldoen aan de
                        gemeentelijke parkeereis op eigen terrein. </al><al>c) Als op omliggende percelen onvoldoende restparkeercapaciteit beschikbaar
                        is, kan de aanvrager door een onafhankelijk verkeersadviesbureau onderzoek
                        laten doen naar de drukste structurele parkeerbehoefte. Wanneer blijkt dat
                        op het moment met de drukste structurele parkeerbehoefte de bezettingsgraad
                        lager is dan 85%, kan de aanvrager aan de gemeente verzoeken het verschil
                        tussen de feitelijke bezettingsgraad (inclusief reserveringen voor al
                        verleende, maar nog niet gerealiseerde omgevingsvergunningen) en de
                        85%-bezettingsgraad in te mogen zetten voor de aangevraagde
                        omgevingsvergunning. Per gecompenseerde parkeerplaats dient aanvrager 50 %
                        van de vastgelegde bijdrage zoals opgenomen in het parkeerfonds te betalen
                        (deze bijdrage is lager omdat de parkeermogelijkheden er al wel zijn maar de
                        gemeente wel de grond ter beschikking moet stellen en in stand moet houden).
                        In de regel doet de drukste structurele parkeerbehoefte zich voor:</al><al>- in woonwijken: op het drukste uur van negen gemiddelde weekendavonden
                        (vrijdag, zaterdag, zondag);</al><al>- bij winkels en hun invloedsgebied (500 m hemelsbreed vanaf het middelpunt
                        van het gebied): op de drukste van drie koopavonden en drie zaterdagen;</al><al>- bij toeristische bezienswaardigheden en weersafhankelijke activiteiten: op
                        het drukste dagdeel in de op-2-na-drukste week van het jaar.</al><al/><al>Als a, b, c niet mogelijk blijken, kan de aanvrager van een
                        omgevingsvergunning, een schriftelijk verzoek indienen bij het college van
                        burgemeester en wethouders om in afwijking van de parkeereis toch een
                        omgevingsvergunning te verlenen. Het verzoek van de aanvrager moet gegronde
                        redenen bevatten om aan te tonen en/of aannemelijk te maken dat de
                        realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk
                        is en dat de parkeerbehoefte door een privaatrechtelijke overeenkomst niet
                        elders kan worden gecompenseerd door (een combinatie van) de hiervoor
                        genoemde mogelijkheden. Het college van burgemeester en wethouders kan
                        besluiten in afwijking van de parkeereis een omgevingsvergunning te
                        verlenen. Dit doet het college als zij de realisatie van het initiatief
                        belangrijker acht dan de (tijdelijke) nadelige gevolgen op het gebied van
                        bereikbaarheid en leefbaarheid en het college bereid is de verplichting van
                        de aanvrager over te nemen om te zorgen voor voldoende parkeerplaatsen. Bij
                        dit besluit moet aannemelijk worden gemaakt dat door de gemeente binnen een
                        redelijke termijn (maximaal tien jaar) wordt voorzien in de gecompenseerde
                        parkeerplaatsen binnen een hemelsbrede (redelijke) afstand van maximaal 750
                        meter van het bouwplan. Per afwijking van de norm moet dus gemotiveerd
                        worden aangegeven waar en wanneer de parkeerplaatsen gecompenseerd worden
                        door de gemeente. </al><al/><al>De bevoegdheid om te beslissen over het gebruik van het parkeerfonds ligt
                        bij het college. Een aanvrager kan geen rechten ontlenen aan het bestaan van
                        het fonds. Wanneer het college in afwijking van de parkeereis een
                        omgevingsvergunning verleent, moet de aanvrager van een omgevingsvergunning
                        een parkeerbijdrage per ontbrekende parkeerplaats in het parkeerfonds
                        storten. </al><al>3.4 Berekeningswijze hoogte storting</al><al>Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
                        van State, onder meer de uitspraken van 14 december 2005 (LJN: AU7951) van 1
                        september 2010 (LJN: BN5727) moet bij beoordeling van de vraag of wordt
                        voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen worden gelet op de toename
                        van de parkeerbehoefte als gevolg van het (bouw)plan. </al><al/><al>Het bedrag dat de aanvrager in het parkeerfonds moet storten = het aantal
                        parkeerplaatsen behorend bij de nieuwe situatie berekend volgens de
                        parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage 1, (minus) de parkeerbehoefte
                        behorend bij het laatst actieve gebruik berekend op basis van het ASVV 1996
                        of als het laatst actieve gebruik is begonnen na een nieuwere versie van het
                        ASVV deze nieuwere versie (minus) de extra parkeercapaciteit op eigen
                        terrein. </al><al/><al>De uitkomst van bovenstaande som wordt vermenigvuldigd met het tarief van €
                        6.038,--, exclusief btw (per parkeerplaats).</al><al/><al>In bijlage 4 wordt de werkwijze voor de berekening van de parkeerbehoefte
                        toegelicht. Ook is in deze bijlage een voorbeeld opgenomen hoe de hoogte van
                        de bijdrage in het parkeerfonds wordt berekend.</al><al>3.5 Tarief per parkeerplaats</al><al>In deze paragraaf wordt aangegeven hoe hoog de parkeerbijdrage is en binnen
                        welke voorwaarden de gemeente na storting in het parkeerfonds voorziet in de
                        aanleg van parkeerplaatsen. </al><al/><al>De hoogte van het te storten bedrag bij realisatie van minder
                        parkeerplaatsen dan de parkeerverplichting voorschrijft, is afgeleid van de
                        reële gemiddelde aanlegkosten of stichtingskosten (inclusief de kosten voor
                        grondverwerving). Daarmee wordt gewaarborgd dat de gemeente ook
                        daadwerkelijk de aan te leggen parkeerplaatsen kan bekostigen, zonder dat
                        zij zelf extra middelen beschikbaar hoeft te stellen. Hoewel dat mogelijk
                        niet in alle gevallen lukt, is het uitgangspunt van het parkeerfonds dat
                        deze kostenneutraal functioneert. Voor het hele grondgebied van de gemeente
                        wordt één gelijke parkeerbijdrage gehanteerd. Ook in de parkeernormen is
                        geen onderscheid gemaakt tussen verschillende gebieden. In bijlage 5 is een
                        overzicht opgenomen van de reële aanlegkosten van een parkeerplaats. De
                        hoogte van de storting is onafhankelijk van de soort ontwikkeling. De
                        bijdrage voor de storting in het gemeentelijk parkeerfonds bedraagt €
                        6.038,-- exclusief btw per parkeerplaats. </al><al/><al>Het tarief wordt niet geïndexeerd. Jaarlijks wordt door het college een
                        toets uitgevoerd of het gehanteerde bedrag nog toereikend is. Als het nodig
                        is, wordt een voorstel gedaan tot wijziging van het tarief. Er vindt geen
                        restitutie plaats in het geval het betaalde bedrag te hoog blijkt. Omgekeerd
                        geldt dat geen nabetaling plaatsvindt in het geval het betaalde bedrag niet
                        toereikend is.</al><al/><al>3.6 Besteden gelden parkeerfonds</al><al>De gemeente heeft bij een storting van € 6.038,-- per parkeerplaats in het
                        fonds de verplichting om binnen tien jaar het aantal financieel
                        gecompenseerde parkeerplaatsen te realiseren. De 10 jaar is reëel in relatie
                        tot de tijd die gemoeid is met de realisatie van een bouwproject. Deze
                        periode (van initiatief tot realisatie bedraagt gemiddeld namelijk 8 jaar.
                        De parkeerplaatsen moeten openbaar toegankelijk zijn en gelegen zijn binnen
                        een straal van hemelsbreed 750 m van het bouwplan. Voldoet de gemeente niet
                        aan deze verplichting dan wordt het gestorte bedrag terugbetaald inclusief
                        de wettelijk verschuldigde rente. </al><al/><al>Omdat de stortingen middelen zijn ter compensatie van het niet voldoen aan
                        de parkeernorm, worden deze middelen gestort in de ‘voorziening
                        parkeerfonds’. Het is niet mogelijk deze gelden later anders te bestemmen
                        dan voor de aanleg van openbare parkeerplaatsen. Aan een storting in het
                        fonds kan de aanvrager van de omgevingsvergunning geen rechten ontlenen
                        aangaande het parkeren in de openbare ruimte en/of gebouwde
                        parkeervoorziening. Er is geen sprake van een verworven eigendomsrecht.</al><al/><al>Beleidsuitgangspunt 9</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Oldebroek/i276954.pdf">Parkeernota gemeente Oldebroek.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>