<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR412554_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht (VTH-taken) Gemeente Binnenmaas</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Binnenmaas</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoeksche Waard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht (VTH-taken) Gemeente Binnenmaas</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 5.4 Wabo, artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht (VTH-taken) Gemeente Binnenmaas</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><al>a.betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de
                            wet,</al><al>voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk
                            5 van de wet van toepassing is;</al><lijst><li nr="b."><al>kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen
                                    bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende
                                    kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en
                                    handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van
                                    organisaties die met de uitvoering en handhaving van de
                                    betrokken wetten zijn belast;</al></li><li nr="c."><al>wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de
                            betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders voor
                            wat betreft de taken die in het verband van een omgevingsdienst worden
                            uitgevoerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Betrokkenheid van de raad</titel></kop><al>De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het
                            licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke
                            leefomgeving.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Kwaliteitsdoelen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de
                                    uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht
                                    van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het
                                    Besluit omgevingsrecht gestelde doelen.</al></li><li nr="2."><al>De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en
                                    handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben
                                    in ieder geval betrekking op:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;</al></li><li nr="c."><al>de financiën;</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Kwaliteitsborging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of
                                    in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de
                                    kwaliteitscriteria van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en
                                    wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden
                                    nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd
                                    opgave.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na
                                    bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht
                                    (VTH-taken) gemeente Binnenmaas.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente
                        Binnenmaas; </ondertekening><ondertekening>7 juli 2016.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al/><al>ALGEMEEN</al><al>Deze verordening regelt de kwaliteit van de door de Omgevingsdienst
                            Zuid-Holland Zuid in opdracht van het college van burgemeester en
                            wethouders uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)
                            van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelichting
                            beschrijft kort de achtergrond en aanleiding van deze verordening, licht
                            de reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de
                            verordening. </al><al/><al>1.Achtergrond en aanleiding</al><al>Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren
                            van de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over
                            de verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008)
                            waarin het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de
                            commissie Mans, Oosting, Lodders, d’Hondt en de invoering van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De verbeterpunten zijn terug
                            te brengen tot drie hoofdpunten: </al><lijst><li nr="1."><al>De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en
                                    bestuurlijke drukte.</al></li></lijst><al>Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij
                            gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze
                            punten. Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29
                            september 2009). Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma
                            uitvoering met ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu
                            onder meer een landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn de
                            kwaliteitscriteria 2.1 voor de uitvoering van de Wabo in brede
                            samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld
                            en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en
                            strafrecht . Een deel van de afspraken uit 2009 is verankerd in de
                            voorgestelde wijziging van de Wabo (Kamerstukken II 2014/15, 33 872, nr.
                            2).</al><al>Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het
                            IPO nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is
                            geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en
                            decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de
                            besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal
                            plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is
                            de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet
                            worden gerealiseerd en behouden.</al><al/><al>2.Reikwijdte</al><al>Het gaat bij deze verordening om alle taken die door de Omgevingsdienst
                            Zuid-Holland Zuid, namens het college van burgemeester en wethouders op
                            grond van Wabo en betrokken wetten, worden uitgevoerd. Daarbij gaat het
                            om de basistaken die krachtens de wet in opdracht van het college door
                            de omgevingsdienst wordt verricht en eventuele plustaken, die het
                            college naast de basistaken heeft belegd bij de omgevingsdienst.</al><al>De eisen die deze verordening aan de omgevingsdienst stelt, berust op
                            het vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria 2.1 waarvoor een dynamische
                            begripsbepaling is opgenomen in artikel 1 van de verordening en die door
                            de betrokken organisatie toegepast dient te worden volgens de regel
                            “comply or explain” (zie daarover verder artikelsgewijs toelichting bij
                            artikel 5).</al><al/><al>3.Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening</al><al>De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving
                            omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de Wabo-taken voor
                            de in opdracht van de gemeente handelende omgevingsdienst.</al><al>De verordening bindt de gemeenteraad, het college van burgemeester en
                            wethouders en de in opdracht daarvan handelende omgevingsdienst, aan een
                            uniforme ambitie voor kwaliteit.</al><al>Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd in
                            artikel 1 en artikel 5, zie voor een toelichting het artikelsgewijs
                            deel) en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al
                            veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als
                            doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te
                            waarborgen en te bevorderen.</al><al>Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door burgemeester
                            en wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van
                            de interne gemeentelijke organisatie. Burgemeester en wethouders zullen
                            dus beoordelen "of het goed gaat" op basis van de door henzelf
                            geformuleerde beleidsdoelen voor in ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten: de mate
                                    waarin een product voldoet aan de juridische doelen (zoals
                                    geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene
                                    beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de
                                    omgevingsdoelen. Ook wel aangeduid als de inhoudelijke
                                    kwaliteit;</al></li><li nr="-"><al>de dienstverlening: de manier waarop (in communicatie, snelheid,
                                    service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers,
                                    omgeving klagers, etc.) omgaat;</al></li><li nr="-"><al>de financiën: de inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit
                                    van de geleverde diensten/producten.</al></li></lijst><al>Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de
                            gemeenteraad (horizontale verantwoording). De leden van de gemeenteraad
                            vormen immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van
                            de kwaliteit van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen
                            van de leden van de gemeenteraad zullen betrekking hebben op de
                            meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische
                            kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de
                            diensten behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden
                            tussen de strategische plannen en visies over de hoofdlijnen van het
                            omgevingsbeleid binnen de gemeente, zoals een milieubeleidsplan, een
                            structuurvisie of omgevingsvisies.</al><al>De gemeenteraad oefent invloed uit op de formulering van doelen en
                            indicatoren door burgemeester en wethouders en op de bijstelling daarvan
                            zoals bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in de
                            verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders
                            voor de beoordeling van de gemeenteraad overgelaten aan het politieke
                            debat over kwaliteit.</al><al>Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht
                            en handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit
                            ieders competentie: </al><lijst><li nr="-"><al>De organisaties, werken onder leiding van hun directie
                                    overeenkomstig de kwaliteitscriteria 2.1 met betrekking tot
                                    deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan
                                    het college van burgemeester en wethouders die hiervoor
                                    verantwoording afleggen aan de raden en staten.</al></li><li nr="-"><al>Het college is, als bevoegde bestuursorganen belast met het
                                    stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de
                                    vergunningverlening, toezicht en handhaving, overeenkomstig de
                                    procesregels van het Besluit omgevingsrecht en de Regeling
                                    omgevingsrecht, in ieder geval over dienstverlening,
                                    uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad oefenen horizontaal toezicht uit op het college
                                    en gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan
                                    hun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de
                                    continuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als
                                    belangrijk onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde
                                    leefomgeving.</al><al/></li></lijst><al>ARTIKELSGEWIJS</al><al/><al>Artikel 1</al><al>In dit artikel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een
                            begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Wabo. </al><al>Als betrokken wetten worden aangemerkt de Wabo zelf, en de wetten
                            bedoeld in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die
                            wetten is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is. Op de
                            uitvoering of handhaving van een geheel andere wet, zoals bijvoorbeeld
                            de Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van toepassing (wat
                            onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt
                            gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelichting). De wetten
                            waarom het krachtens artikel 5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en
                            faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de
                            Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming
                            Antarctica, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake
                            de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke
                            ordening, de Waterwet en de Woningwet. </al><al>Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. De
                            kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende
                            Kwaliteitscriteria 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de
                            bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de
                            kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied
                            van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste
                            organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in
                            de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren
                            verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt
                            om de versie 2.1 op te volgen. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de
                            kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing
                            opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een
                            volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de
                            verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de
                            verankering in artikel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria
                            2.1 aan de basis van deze verordening.</al><al>Voor het begrip omgevingsdienst is aangesloten bij de omgevingsdiensten
                            waarvan melding wordt gemaakt in artikel 5.3 van de Wabo, zoals dat zal
                            komen te luiden wanneer wetsvoorstel 33 872 tot wijziging van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening,
                            toezicht en handhaving) tot wet is verheven. </al><al/><al>Artikel 2</al><al>De reikwijdte van de verordening heeft een inhoudelijke afbakening en
                            een afbakening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de
                            uitvoering of handhaving van de betrokken wetten. De terminologie
                            “uitvoering en handhaving” is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt
                            ook gehanteerd in het Besluit omgevingsrecht zoals dat op grond van het
                            wetsvoorstel zal worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving” betekent
                            dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle
                            taken tot uitvoering of handhaving van de Wabo en van de wetten, bedoeld
                            in artikel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelichting bij artikel 1. </al><al>Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving in opdracht van
                            burgemeester en wethouders door de omgevingsdienst. De verordening is
                            dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken wetten
                            in opdracht van het college door een omgevingsdienst. </al><al>Uitvoering van wetten die genoemd zijn in artikel 5.1 van de Wabo of van
                            de Wabo zelf door andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en
                            andere gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde
                            model vaststellen, het waterschapsbestuur of de Minister van
                            Infrastructuur en Milieu of de Minister van Economische Zaken, valt
                            buiten het bereik van deze verordening. De uitvoering en handhaving van
                            de Wet bescherming Antarctica of de Kernenergiewet wordt bijvoorbeeld
                            niet door de besturen van gemeenten of provincies uitgeoefend en valt
                            dus buiten deze verordening. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de
                            Waterwet voor zover die door het Rijk of door waterschappen wordt
                            uitgevoerd. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving
                            van taken door of in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de
                            uitvoering door gemeentelijke diensten en regionale uitvoeringsdiensten. </al><al/><al>Artikel 3</al><al>Dit artikel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de
                            gemeenteraad en burgemeester en wethouders. Ingevolge de systematiek van
                            het Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en
                            rapportage over kwaliteit een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil
                            zeggen: burgemeester en wethouders. Bezien vanuit de Gemeentewet, is
                            kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad.</al><al>De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling
                            van deze verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de
                            samenhang met het Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te
                            geven aan het feit dat de gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen
                            betrokken zijn bij het beleid en zullen toezien op de continuïteit van
                            de kwaliteit over meerdere jaren.</al><al>Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale)
                            uitvoerings- en handhavingsbeleid door burgemeester en wethouders zal
                            daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op
                            hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals
                            omgevingsvisies, milieubeleidsplannen en structuurvisies.</al><al>Artikel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van
                            belang voor burgemeester en wethouders, en de omgevingsdiensten die in
                            hun opdracht werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de
                            meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken
                            van deze rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die
                            de organieke wetgeving hen biedt en de kaders die zijn op strategisch
                            niveau voor de fysieke leefomgeving in plannen en visies hebben
                            vastgelegd. </al><al>Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat
                            het college de raad daartoe door tijdige informatieverstrekking in staat
                            stelt. Dat daarvoor eveneens informatie van de omgevingsdienst van
                            belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet
                            gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten
                            voldoende gewaarborgd.</al><al/><al>Artikel 4</al><al>Artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het
                            bevoegd gezag (lees: burgemeester en wethouders) om beleid te formuleren
                            voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van
                            deze bepaling (art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelmatige en
                            programmatische handhaving, maar zal op grond van de wijziging van de
                            Wabo en het Bor door het wetsvoorstel VTH, ook gaan gelden voor
                            uitvoering (vergunningverlening). Er is dan sprake van een
                            uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming
                            plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de
                            omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Bor
                            inhoudelijk open. Dit artikel strekt ertoe een inhoudelijke ambitie te
                            geven aan de procesverplichting om kwaliteitsbeleid te vormen. </al><al>Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethouders naar de
                            kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken in het licht van het
                            geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid
                            betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke
                            thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit
                            elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het
                            perspectief van de prestaties en kwaliteit van de uitvoering van de
                            eigen organisaties. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening,
                            uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om financiën.</al><al>In paragraaf 4 van deze toelichting is de herkomst van de in dit artikel
                            gehanteerde begrippen toegelicht. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>