<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR412422_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Hilversum 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-06-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hilversum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">officielebekendmakingen.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Hilversum 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 12, 14, 15 en 38 Monumentenwet 1988</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 149 van de gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algmene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-07-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>monumenten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Hilversum 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hilversum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college d.d. 15 maart 2016, nr. 302346;</al><al/><al>gelet op de artikelen 12, 14, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988, artikelen
                        149 van de Gemeentewet, artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende:</al><al/><al><vet>Monumentenverordening Hilversum 2016.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Monumentenverordening Hilversum 201</vet><vet>6</vet></al><al>INHOUDSOPGAVE MONUMENTENVERORDENING HILVERSUM 2016</al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 3 </al><al>Hoofdstuk 2 De bescherming van gemeentelijke monumenten 4</al><al>Hoofdstuk 3 Instandhouding en vergunningverlening gemeentelijke
                            monumenten 5 </al><al>Hoofdstuk 4 Beschermde rijksmonumenten 6</al><al>Hoofdstuk 5 De bescherming van gemeentelijke stadsgezichten 6</al><al>Hoofdstuk 6 Archeologische waarden 7 </al><al>Hoofdstuk 7 Schadevergoeding 7</al><al>Hoofdstuk 8 Handhaving 8</al><al>Hoofdstuk 9 Overige bepalingen 8</al><al>Toelichting 9 </al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al><cursief>1. archeologisch monument</cursief>:</al><al>monument als bedoeld in onderdeel 19 onder b;</al><al><cursief>2. archeologisch onderzoek</cursief>: werkzaamheden met
                            betrekking tot het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische
                            monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld door het
                            college en de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en
                            op grond van een programma van eisen waarmee kaders worden gesteld voor
                            het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek conform de
                            eisen van het college en de KNA;</al><al><cursief>3</cursief><cursief>. archeologische waarde</cursief>: de aan
                            een gebied of specifiek element in een gebied toegekende of te verwachte
                            kenmerkende waarde op het gebied van archeologie;</al><al><cursief>4</cursief><cursief>. beschermd (archeologisch) monument:
                            </cursief>beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
                            de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al><cursief>5</cursief><cursief>. beschermd gemeentelijk</cursief><cursief>
                                (archeologisch) </cursief><cursief>monument</cursief>:</al><al>een overeenkomstig deze verordening als beschermd aangewezen
                            (archeologisch) monument;</al><al><cursief>6</cursief><cursief>. beschermd provinciaal
                            monument:</cursief></al><al>beschermd monument als bedoeld in de provinciale Monumentenverordening
                            Noord-Holland 2010;</al><al><cursief>7</cursief><cursief>. beschermd stadsgezicht:</cursief></al><al>beschermd stadsgezicht aangewezen ingevolge artikel 35 van de
                            Monumentenwet 1988;</al><al><cursief>8</cursief><cursief>. beschermd gemeentelijk
                                stadsgezicht</cursief>:</al><al>een overeenkomstig deze verordening als beschermd aangewezen
                            stadsgezicht;</al><al><cursief>9</cursief><cursief>. bouwhistorisch onderzoek en
                                waardering</cursief>: rapportage waarin de bouw- en
                            gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk of structuur wordt vastgesteld,
                            dat naar het oordeel van het college voldoet aan de ‘Richtlijnen
                            bouwhistorisch onderzoek’ uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
                            e.a.;</al><al><cursief>10</cursief><cursief>. bovengrondse cultuurhistorisch onderzoek
                                en waardering</cursief>: onderzoek naar en waardering van
                            bovengrondse sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of
                            niet zichtbaar onderdeel uitmaken van de leefomgeving en een beeld geven
                            van of herinneren aan een historische situatie of ontwikkeling en ter
                            goedkeuring aan het college wordt voorgelegd;</al><al><cursief>11</cursief><cursief>. college:</cursief></al><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Hilversum;</al><al><cursief>12</cursief><cursief>. </cursief><cursief>Commissie voor
                                Welstand en Monumenten</cursief><cursief>:</cursief></al><al>de op basis van artikel 15 van de Monumentenwet 1988 door de raad
                            ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                            beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Monumentenverordening en het
                            monumenten- en cultuurhistorisch beleid en over cultuurhistorische en
                            monumentale belangen in de sfeer van de ruimtelijke ordening; </al><al><cursief>13</cursief><cursief>. gemeentelijke archeologische
                                beleidskaart</cursief>:</al><al>topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop
                            archeologische monumenten, archeologische waarden en archeologische
                            verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al><al><cursief>14</cursief><cursief>. gemeentelijke
                            monumentenlijst</cursief>:</al><al>de lijst beschermde gemeentelijke monumenten;</al><al><cursief>15</cursief><cursief>. gemeentelijke lijst van beschermde
                                stadsgezichten</cursief>:</al><al>de lijst beschermde gemeentelijke stadsgezichten;</al><al><cursief>16</cursief><cursief>. gemeenteraad:</cursief></al><al>de raad van de gemeente Hilversum;</al><al><cursief>17</cursief><cursief>. monument:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                    betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.
                                    Hieronder worden ook begrepen de roerende zaken die kennelijk
                                    deel uitmaken van, of behoren tot het onroerende monument.</al></li><li nr="b."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                    zaak bedoeld onder a.</al></li></lijst><al><cursief>18</cursief><cursief>.
                                stadsgezicht</cursief><cursief>:</cursief></al><al>groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun
                            schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel
                            hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep
                            zich één of meer monumenten bevinden;</al><al><cursief>29</cursief><cursief>. vergunning</cursief>:</al><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 of 2.2 van de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al><cursief>20</cursief><cursief>. waardering:</cursief></al><al>onderdeel van de redengevende omschrijving van het monument waarin de
                            waarden die het monument of stadsgezicht vertegenwoordigt, worden
                            omschreven.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De bescherming van gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college zendt zo spoedig mogelijk na ontvangst van het
                                    verzoek de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing aan de
                                    eigenaar.</al></li><li nr="3."><al>Het college besluit over de aanwijzing nadat de Commissie voor
                                    Welstand en Monumenten heeft geadviseerd en de eigenaren en
                                    andere beperkt zakelijk gerechtigden in de gelegenheid heeft
                                    gesteld om te worden gehoord. In spoedeisende gevallen kan het
                                    college hiervan afwijken.</al></li><li nr="4."><al>In het geval zich de situatie als bedoeld in het eerste lid
                                    voordoet en voor het betreffendemonument een aanvraag om een
                                    vergunning is ingediend, kan het verzoek wordenopgevat als een
                                    spoedeisend geval als bedoeld in het derde lid, tweede volzin
                                    van dit artikel.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van deMonumentenwet 1988 of op grond van
                                    artikel 2 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2010.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk
                                monument ontvangt, start het onderzoek naar de mogelijke aanwijzing,
                                en zijn artikelen 9 tot en met 11 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorbescherming eindigt op het moment dat de aanwijzing als
                                bedoeld in artikel 2, lid 1, plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het
                                monument niet wordt aangewezen en dit besluit onherroepelijk
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Commissie voor Welstand en Monumenten adviseert schriftelijk
                                binnen 8 weken na datum van ontvangst van het verzoek om advies van
                                het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12 weken na datum van ontvangst van het
                                advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten, maar in ieder
                                geval binnen 24 weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt schriftelijk
                            medegedeeld aan de eigenaren en andere beperkt zakelijk gerechtigden, en
                            voorts aan de eventuele verzoeker. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het beschermd gemeentelijk monument op
                                    de gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De registratie bevat de plaatselijke aanduiding, datum van de
                                    aanwijzing, kadastraleaanduiding, en een waardering. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op gemotiveerd verzoek van een
                                belanghebbende, een aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2, lid 3, en artikelen 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige
                                toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte
                                betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2
                                achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst geregistreerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                                intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2, lid 3 en
                                artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing op het
                                intrekkingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn als toepassing wordt
                                gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of artikel 2 van de
                                Monumentenverordening Noord-Holland 2010.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding en vergunningverlening gemeentelijke
                            monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Instandhoudingsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te
                                    beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    het college eenbeschermd gemeentelijk monument:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>geheel of gedeeltelijk te slopen, te verstoren, te verplaatsen
                                    of in enig opzicht te wijzigen of daaraan onderhoud te onthouden
                                    dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze,
                                    waardoor het wordt ontsierdof in gevaar gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De vergunningaanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vraagt advies aan de Commissie voor Welstand en
                                    Monumenten voordat het beslist op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bepalen dat bouw-, architectuur-,
                                    cultuurhistorisch, stedenbouwkundig, ofarcheologisch onderzoek
                                    wordt verricht. De eigenaren, beperkt zakelijk gerechtigden en
                                    gebruikers van het monument zijn desgevraagd verplicht het
                                    onderzoek uit te voeren dan wel aan uitvoering van het onderzoek
                                    mee te werken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het
                                    oordeel van het college hetbelang van de monumentenzorg zich
                                    daartegen niet verzet. Het college houdt hierbij rekening met
                                    het gebruik van het monument.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het college kan aan een omgevingsvergunning, in aanvulling op de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voorschriften verbinden
                                    in het belang van het monument zoals bedoeld in artikel 2.22 lid
                                    4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Het college kan de vergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>Als de omstandigheden zoals die bekend waren ten tijde van de
                                    vergunningverlening zich zodanig hebben gewijzigd, dat het
                                    belang van het monument zwaarder moet wegen dan het belang bij
                                    de gebruikmaking van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>Als blijkt dat de vergunninghouder de aan de omgevingsvergunning
                                    verbonden voorschriften niet naleeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Beschermde Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor een monument als
                                    bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 om advies aan de
                                    Commissie voor Welstand en Monumenten en in voorkomende gevallen
                                    om advies aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bepalen dat bouw-, architectuur-,
                                    cultuurhistorisch, stedenbouwkundig, ofarcheologisch onderzoek
                                    wordt verricht. De eigenaren, beperkt zakelijk gerechtigden en
                                    gebruikers van het monument zijn desgevraagd verplicht het
                                    onderzoek uit te voeren dan wel aan uitvoering van het onderzoek
                                    mee te werken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend als naar het oordeel van het
                            college het</al><al>belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het college
                            houdt hierbij rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>De bescherming van gemeentelijke stadsgezichten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanwijzing van gemeentelijke stadsgezichten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een deel of delen van de gemeente op
                                    voorstel van het college aanwijzen als beschermd
                                    stadsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    zij advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten. In
                                    spoedeisende gevallen kan het college hiervan afwijken.</al></li><li nr="3."><al>De Commissie voor Welstand en Monumenten brengt advies uit
                                    binnen 12 weken na ontvangst van het verzoek om advies van het
                                    college.</al></li><li nr="4."><al>De gemeenteraad beslist binnen 36 weken na verzending van
                                    het besluit, als bedoeld in het tweede lid.</al></li><li nr="5."><al>De aanwijzing kan geen stadsgezicht betreffen dat is
                                    aangewezen op grond van artikel35 van de Monumentenwet 1988 of
                                    dat is aangewezen op grond van artikel 8 van
                                    deMonumentenverordening Noord-Holland 2010.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten</titel></kop><al>1.Het college registreert het gemeentelijke stadsgezicht op de
                            lijst van gemeentelijke</al><al>stadsgezichten.</al><al>2.De registratie bevat de datum van de aanwijzing, de kadastrale
                            begrenzing, en een waardering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan op voorstel van het college een aanwijzing
                                wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 15, lid 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte
                                betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing als bedoeld in lid 2
                                achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging wordt op de lijst van
                                gemeentelijke stadsgezichten geregistreerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de gemeenteraad de aanwijzing intrekt, zijn artikel 15, lid 2, 3
                                en 4 van overeenkomstige toepassing op het intrekkingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn als toepassing wordt
                                gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet of artikel 8 van de
                                Monumentenverordening Noord-Holland 2010.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de lijst van gemeentelijke stadsgezichten
                                geregistreerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Beschermende bestemmingsplannen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd
                                gemeentelijk stadsgezicht een beschermend bestemmingsplan vast als
                                bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot
                                aanwijzing van een gemeentelijk stadsgezicht kan hiertoe een termijn
                                worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk
                                stadsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende
                                bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid
                                kunnen worden aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verbodsbepaling, vergunningaanvraag en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanvragen om een vergunning tot sloop in het beschermde gezicht
                                    worden op grond van artikel 2.2, lid 2 onder c van de Wabo, door
                                    het college ter advisering voorgelegd aan de Commissie voor
                                    Welstand en Monumenten.</al></li><li nr="2."><al>Het college vraagt advies aan de Commissie voor Welstand en
                                    Monumenten voordat het beslist op de aanvraag.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het
                                    oordeel van het college hetbelang van het beschermde gezicht
                                    zich daartegen niet verzet.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd wanneer de
                                    totstandkoming vannieuwbouw binnen de karakteristiek van het
                                    beschermde gebied onvoldoende is verzekerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Archeologische waarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Betreding</titel></kop><al>Het college kan bepalen dat een terrein in het belang van archeologisch
                            onderzoek wordtbetreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel
                            daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter
                            voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in artikel
                            3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 2.1 van de Wet algemene
                            bepalingen</al><al>omgevingsrecht. De rechthebbende ten aanzien van dit terrein moet
                            desgevraagd duldendat dit terrein in het belang van archeologisch
                            onderzoek wordt betreden, dat daarop metingenworden verricht, dan wel
                            daarin opgravingen worden gedaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Schade</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld
                                            in artikel 9 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een
                                            vergunning als bedoeld in artikel 9,schade lijdt of zal
                                            lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen
                                            laste behoort te blijven,kan het college hem op zijn
                                            verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                                            toekennen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de
                                    Procedureverordeningplanschade bij toepassing van artikel 6.1
                                    van de Wet ruimtelijke ordening van
                                    overeenkomstigetoepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast, naast de in artikel 141 van het Wetboek van
                            Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de bij besluit van het
                            college dan aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels vast te stellen ten behoeve van een
                            zorgvuldige bescherming en omgang met het boven- en ondergrondse
                            erfgoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 9 en artikel 20
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete uit de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag
                                waarop zij is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Monumentenverordening Hilversum 2001, vastgesteld d.d. 13 juni
                                2001, komt met de inwerkingtreding van deze verordening te
                                vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op rijksmonumenten,
                                treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in artikel 15,
                                tweede lid van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr></kop><al><vet>Overgangsbepalingen</vet></al><al>De op grond van de Monumentenverordening Hilversum 2001 aangewezen
                            gemeentelijke monumenten, worden geacht te zijn aangewezen en
                            geregistreerd overeenkomstig de bepalingen van deze verordening;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening
                            Hilversum 2016”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 11 mei 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>Het belangrijkste motief van de Monumentenverordening Hilversum 2016 is het
                    beschermen van de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de
                    gemeente Hilversum en regelt onder meer de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="§"><al>de aanwijzing van monumenten tot gemeentelijke monumenten;</al></li><li nr="§"><al>de aanwijzing van stadsgezichten tot gemeentelijke beschermde
                            gezichten;</al></li><li nr="§"><al>voorbescherming;</al></li><li nr="§"><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke en beschermde
                            (rijks)monumenten;</al></li><li nr="§"><al>de inschakeling van de Commissie voor Welstand en Monumenten als
                            adviesorgaan voor de aanwijzing tot gemeentelijk en beschermd
                            (rijks)monument en gemeentelijk stadsgezicht en de verlening van een
                            vergunning voor gemeentelijke en beschermde (rijks)monumenten;</al></li><li nr="§"><al>het regelen van bovengrondse cultuurhistorische waarden in
                            bestemmingsplannen;</al></li><li nr="§"><al>eisen die worden gesteld aan cultuurhistorisch onderzoek, bouw-,
                            architectuurhistorisch, stedenbouwkundig-, landschappelijk- of
                            archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="§"><al>de regeling van betreding in het belang van archeologisch onderzoek in
                            het kader van planologische procedures, zoals een bestemmingsplan.</al></li></lijst><al/><al>De Monumentenwet 1988 bevat een aantal bepalingen die van belang zijn voor de
                    reikwijdte van de Monumentenverordening. In de tekst van de verordening wordt,
                    daar waar dit nodig is, naar de relevante artikelen in de Monumentenwet 1988
                    verwezen. In de toelichting op de betreffende artikelen in de verordening wordt
                    de samenhang tussen wet en verordening nader aangegeven.</al><al/><al>Het vaststellen van een Monumentenverordening is een bevoegdheid van de
                    gemeenteraad.</al><al/><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</tussenkop><al/><al>Artikel 1. <cursief>Begripsbepalingen</cursief></al><al/><al>Sub 1</al><al>Een archeologisch monument kan alleen een terrein met een zaak zijn, omdat een
                    archeologisch monument niet uit losse structuren kan bestaan.</al><al/><al>Sub 2, 3, 4, 13</al><al>Voor archeologisch onderzoek bestaat een pakket maatregelen waarvoor het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) kwaliteitsnormen heeft
                    opgesteld: de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De maatregelen gaan
                    uit van een gefaseerde aanpak afhankelijk van de locatie, de aard van de
                    bodemingreep en de archeologische verwachting. Voor het onderzoek wordt een op
                    maat gesneden programma van eisen opgesteld. De archeologische
                    verwachtingsgebieden, en gebieden van archeologische waarde zijn opgenomen in
                    het archeologische beleid van de gemeente, evenals het archeologische
                    onderzoeks- en besluitvormingsproces. De eisen omtrent archeologisch onderzoek
                    zijn opgenomen in het betreffende bestemmingsplan.</al><al/><al>Sub 4</al><al>Met beschermd (archeologisch) monument wordt een beschermd rijksmonument
                    bedoeld. Op de vergunningverlening voor deze categorie monumenten zijn de
                    artikelen 11 t/m 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al/><al>Sub 5</al><al>Een gemeentelijk monument is een beschermd gemeentelijk monument. Daaronder
                    worden verstaan zowel de bovengrondse monumenten als bedoeld in 17 sub a, als de
                    archeologische monumenten als bedoeld in sub b.</al><al/><al>Sub 7</al><al>Met beschermd stadsgezicht wordt een rijksbeschermd stadsgezicht bedoeld.</al><al/><al>Sub 12</al><al>De inschakeling van een commissie die het college adviseert over aanvragen om
                    vergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder f Wabo is verplicht op grond
                    van artikel 15 van de Monumentenwet 1988. In Hilversum is dit de Commissie voor
                    Welstand en Monumenten. Deze commissie adviseert over aanwijzingen en aanvragen
                    om vergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder f Wabo en artikelen 2,
                    4, 7, 8, 13, 15, 17, 18 van deze verordening. Zij laat zich daarbij inhoudelijk
                    ondersteunen door team Advies (monumentenzorg) van Beleidsontwikkeling gemeente
                    Hilversum om haar adviestaak uit te kunnen voeren.</al><al/><al>Sub 14</al><al>Dit is de lijst waarop het college van burgemeester en wethouders de
                    overeenkomstig deze verordening aangewezen monumenten registreert. De
                    registratie van een monument is slechts een administratieve handeling, dus niet
                    gericht op enig rechtsgevolg.</al><al/><al>Sub 15</al><al>Dit is de lijst waarop het college van burgemeester en wethouders de
                    overeenkomstig deze verordening aangewezen stadsgezichten registreert. De
                    registratie van een stadsgezicht is slechts een administratieve handeling, dus
                    niet gericht op enig rechtsgevolg.</al><al/><al>Sub 17 </al><al>Bij de omschrijving van het begrip monument is aansluiting gezocht bij de
                    Monumentenwet 1988. Cultuurhistorische waarde is volgens de toelichting bij de
                    Monumentenwet 1988 de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt
                    door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de
                    geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Deze
                    cultuurhistorische waarde heeft ook betrekking op zaken en gebieden met
                    geschiedkundige waarde. Het onder 18 sub b genoemde terrein kan bijvoorbeeld een
                    park, tuin of perceel met één of meer bomen zijn. Het is niet nodig dat op dit
                    terrein mede een bouwkundig monument voorkomt; een "zaak" is immers een veel
                    ruimer begrip. Roerende en onroerende monumenten kunnen worden beschermd; dit in
                    tegenstelling tot de Monumentenwet 1988 waar alleen sprake is van onroerende
                    monumenten. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld (kleinere) schepen, schilderijen,
                    kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Aandachtspunt bij de bescherming van
                    roerende zaken is het effectueren van de bescherming. Roerende monumenten kunnen
                    vaak eenvoudig worden verplaatst, daardoor over de gemeentegrens en daarmee
                    buiten de werking van de verordening worden gebracht.</al><al/><al>Sub 18</al><al>Bij de omschrijving van het begrip stadsgezicht is aansluiting gezocht bij de
                    Monumentenwet 1988. </al><al/><al>Sub 20</al><al>Voor de beschermde gemeentelijke monumenten en stadsgezichten wordt een
                    redengevende omschrijving gemaakt, waarin het monument wordt beschreven en een
                    waardering wordt opgesteld waarin de waarden die het monument of stadsgezicht
                    vertegenwoordigt.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2 De bescherming van gemeentelijke monumenten</tussenkop><al/><al>Artikel 2. <cursief>Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                    monument</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Belanghebbend in het kader van het aanwijzen van gemeentelijke monumenten zijn
                    de eigenaar en (beperkt) zakelijk gerechtigde of een vereniging of stichting ten
                    behoud van monumenten. Ook de gemeente is belanghebbend als er sprake is van
                    erfpacht (een zakelijk recht). Voorwaarde voor een vereniging of stichting om in
                    aanmerking te komen als belanghebbende is dat de doelstelling en/of feitelijke
                    werkzaamheden (mede) gericht moeten zijn op behoud en bescherming waarin de
                    verordening voorziet. </al><al>Het aanwijzen van een monument tot beschermd monument is geen verplichting maar
                    een discretionaire bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders.
                    Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    monumentale belangen komen tot uitdrukking in de waardering. Aangezien de
                    Algemene wet bestuursrecht op deze verordening van toepassing is moeten de
                    belanghebbenden worden gehoord voordat over de aanwijzing wordt besloten
                    (artikelen 4:8 en 4:9 Awb).</al><al>Overigens geeft de enkele aanwijzing van een monument, zo blijkt uit constante
                    jurisprudentie, geen recht op een schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                    immers niets aan het huidige gebruik van het monument. Burgemeester en
                    wethouders kunnen, ten behoeve van de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                    monument, bepalen dat nader onderzoek wordt verricht. </al><al/><al>Lid 3</al><al>Het college van burgemeester en wethouders moet het advies inwinnen van de
                    Commissie voor Welstand en Monumenten. De wijze waarop en de vorm waarin dit
                    gebeurt is niet in deze verordening geregeld, maar in de Verordening op de
                    Commissie voor Welstand en Monumenten. Opneming van dit lid is nodig omdat het
                    voeren van overleg meer inhoudt dan het naar voren brengen van zienswijzen op
                    grond van de Awb. Het voeren van overleg veronderstelt dat het initiatief van
                    het college komt.</al><al/><al>Lid 4</al><al>In situaties die ernstige gevolgen hebben voor het aan te wijzen monument, kan
                    de spoedprocedure bewerkstelligen dat binnen korte tijd de betrokken zaak of het
                    betrokken terrein kan worden aangewezen als gemeentelijk monument. De
                    verbodsbepalingen van deze verordening zijn dan van toepassing.</al><al/><al>Lid 5</al><al>Monumenten die aangewezen zijn als beschermd rijksmonument komen niet voor
                    aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument in aanmerking. Deze mogelijkheid
                    bestaat wel voor zelfstandige bouwdelen. Zo kan bijvoorbeeld een boerderij
                    aangewezen zijn als gemeentelijk monument en het (oudere) inrijhek als
                    rijksmonument.</al><al/><al>Artikel 3. <cursief>Voorbescherming</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Door het opnemen van dit lid kunnen ongewenste ontwikkelingen gedurende de
                    aanwijzingsprocedure met betrekking tot het monument worden voorkomen. De
                    bescherming geldt vanaf het moment dat de eigenaar de kennisgeving van het
                    voornemen tot aanwijzing van zijn monument ontvangt. Overigens is deze bepaling
                    analoog aan de Monumentenwet 1988.</al><al/><al>Artikel 4. <cursief>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</cursief></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Commissie voor Welstand
                    en Monumenten moet adviseren respectievelijk het college moet beslissen. Indien
                    het college niet tijdig beslist, is aansluiting gezocht bij de Monumentenwet
                    1988 waarin sprake is van een termijn van orde voor wat betreft de
                    beslissingstermijn van de Minister. </al><al/><al>Artikel 5. <cursief>Mededeling aanwijzingsbesluit</cursief></al><al>De mededeling van de aanwijzing is voor de eigenaar en beperkt zakelijk
                    gerechtigden van groot belang. De wijze van bekendmaking van het besluit van het
                    college is geregeld in afdeling 3.6. van de Awb.</al><al/><al>Artikel 6. <cursief>Registratie op de gemeentelijke
                    monumentenlijst</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op het moment van de registratie vervalt de voorbescherming als bedoeld in
                    artikel 3. De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling. De
                    voorbescherming vervalt ook indien het college besluit het monument niet aan te
                    wijzen.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Door de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument is het gehele object,
                    inclusief het interieur, onder de werking van de Monumentenverordening
                    geplaatst. Andere (zelfstandige) zaken die zich op het kadastrale perceel van
                    het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen, bomen en tuininrichting,
                    moeten expliciet in de redengevende omschrijving zijn opgenomen, willen zij
                    onder de werking van de verordening vallen.</al><al/><al>Artikel 7. <cursief>Wijzigen van de aanwijzing</cursief></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van een beschermd
                    gemeentelijk monument te wijzigen. Voor deze wijziging geldt dezelfde
                    voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing, tenzij de wijziging van
                    ondergeschikte betekenis is. Van een ondergeschikte betekenis is bijvoorbeeld
                    sprake bij wijziging van straatnamen, huisnummers etc. De voorbescherming is ook
                    bij wijziging van toepassing.</al><al/><al>Artikel 8. <cursief>Intrekken van de aanwijzing</cursief></al><al>Op grond van dit artikel kan de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk
                    monument worden ingetrokken. Ook hier moet de normale voorbereidingsprocedure
                    worden gevolgd. Een beschermd gemeentelijk monument, waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken, omdat dit is gesloopt of door brand is teniet gegaan, wordt door
                    het college van de monumentenlijst gehaald. Het derde lid regelt dat een
                    beschermd gemeentelijk monument dat na aanwijzing wordt geregistreerd als
                    beschermd rijksmonument of provinciaal monument, vanaf dat moment geacht wordt
                    niet meer te zijn aangewezen. Hiervoor is geen apart besluit meer van het
                    college vereist.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3 Instandhouding en vergunningverlening gemeentelijk
                    monument</tussenkop><al/><al>Artikel 9. <cursief>Instandhoudingsbepaling</cursief></al><al>Dit artikel vertoont veel gelijkenis met de verbodsbepaling in de Monumentenwet
                    1988. Met ingang van 01-01-2012 gelden bepaalde vergunningsvrije activiteit
                    bouwen ook voor gemeentelijke monumenten. Dit betekent dat op grond van Bijlage
                    II artikel 4a Bor de meeste vergunningsvrije bouwactiviteiten ook van toepassing
                    zijn op gemeentelijke monumenten, mits het onderdelen van het monument betreft
                    zonder monumentale waarde. Een aantal vergunningsvrije activiteiten is op grond
                    van Bijlage II artikel 4a lid 1 Bor echter niet van toepassing bij monumenten.
                    Gewoon onderhoud is niet vergunningsplichtig: uit de toelichting Bor: “met
                    gewoon onderhoud worden werkzaamheden bedoeld die erop gericht zijn om te
                    behouden wat er is, zoals het herstel van een beperkt deel van het voegwerk of
                    het schilderen in dezelfde kleur”. Geadviseerd wordt te overleggen met team
                    Advies (monumentenzorg) van Beleidsontwikkeling gemeente Hilversum.</al><al/><al>Lid 2 a</al><al>Analoog aan de Erfgoedwet die medio 2016 van kracht wordt heeft ook de eigenaar
                    van een gemeentelijk monument de plicht om een monument zodanig te onderhouden
                    dat instandhouding gewaarborgd is. Deze instandhoudingsplicht is toegevoegd in
                    het verlengde van het verbod een monument te beschadigen of te vernielen en ter
                    onderbouwing van recente jurisprudentie die de gemeente een kader biedt om
                    bijvoorbeeld verwaarlozing tegen te gaan. Het gaat nadrukkelijk over het behoud
                    van het monument.</al><al/><al>Artikel 10. <cursief>De vergunningaanvraag</cursief></al><al>Het laten verrichten van onderzoek behoort tot de beleidsvrijheid van de
                    gemeente. De gemeente kan dit onderzoek vragen bij een (verzoek) tot aanwijzing
                    als gemeentelijk monument, en bij aanvragen voor vergunning tot wijzigen van een
                    gemeentelijk monument en rijksmonument, en tijdens de bouwwerkzaamheden waartoe
                    ook het verstrekken van documentatie behoort.</al><al/><al>Artikel 11. <cursief>Voorschriften, beperkingen en
                    weigeringsgronden</cursief></al><al>Dit criterium voor vergunningverlening wordt voor beschermde monumenten geregeld
                    in artikel 2.15 van de Wabo. Het college behoudt wel de mogelijkheid om
                    gemotiveerd af te wijken van het advies van de Commissie voor Welstand en
                    Monumenten.</al><al/><al>Artikel 12. <cursief>Intrekken van de vergunning</cursief></al><al>Dit artikel bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder a. heeft
                    betrekking op de situatie dat, als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen
                    plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval
                    heeft het college de mogelijkheid de vergunning in te trekken. Het ligt voor de
                    hand om de Commissie voor Welstand en Monumenten advies te vragen alvorens over
                    de intrekking wordt besloten. Overigens kan de Commissie voor Welstand en
                    Monumenten ook ongevraagd advies verstrekken.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 4 Beschermde rijksmonumenten</tussenkop><al/><al>Artikel 13. <cursief>Vergunning voor beschermd rijksmonument</cursief></al><al>De procedure met betrekking tot de vergunningverlening voor beschermde
                    rijksmonumenten staat beschreven in de artikelen 11 t/m 21 van de Monumentenwet
                    1988. Dit artikel vloeit voort uit artikel 15, eerste lid Monumentenwet 1988,
                    zijnde de basis om de beslissingsbevoegdheid omtrent rijksmonumenten bij het
                    college neer te leggen. Standaard geldt de reguliere procedure uit de Wabo voor
                    vergunningaanvragen voor rijksmonumenten. Bij aanvragen met een hoge impact op
                    de monumentale waarden zoals:</al><al>1°. het slopen van een beschermd monument of een deel daarvan voor zover van
                    ingrijpende aard, </al><al>2°. het ingrijpend wijzigen van een beschermd monument of een belangrijk deel
                    daarvan, voor zover de gevolgen voor de waarde van het beschermde monument
                    vergelijkbaar zijn met de gevolgen van het geval, bedoeld onder 1° [lees:
                    vergelijkbaar met het slopen van een monument of een deel daarvan, voor zover
                    van ingrijpende aard], </al><al>3°. het reconstrueren van een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan,
                    waarbij de staat van het monument wordt teruggebracht naar een eerdere staat of
                    een veronderstelde eerdere staat van dat monument, of </al><al>4°. het geven van een nieuwe bestemming en het daarvoor ingrijpend wijzigen van
                    een beschermd monument of een belangrijk deel daarvan, </al><al>geldt de procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten vermeld in Artikel 3.10, eerste lid, onder d, jo 2.26, derde
                    lid, Wabo in samenhang met artikel 6.4, eerste lid, onder a, van het Besluit
                    omgevingsrecht en afdeling 3.4 van de Awb (uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure). </al><al>Ook in de Wabo is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning in het geval van een rijksmonument dit artikel van
                    toepassing (Wabo artikel 3.10 eerste lid onder d). De aanvraag wordt niet meer
                    ter inzage gelegd. Eerst wordt een ontwerpbesluit (de vergunning in concept)
                    verzonden naar de aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd (een
                    aantal zaken moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten
                    slotte zes weken ter inzage gelegd (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er
                    zienswijzen binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid
                    gesteld te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (3:15, derde lid
                    Awb). De verwerking van de zienswijzen in het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen
                    zienswijzen zijn binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken
                    van de ter-inzage-termijn gepubliceerd worden en neemt het college het
                    definitieve besluit binnen vier weken na het einde van de ter-inzage-termijn
                    (Awb artikel 3:18.4). </al><al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verlengen met een redelijke termijn
                    (maximaal zes weken zie artikel 3.12,lid 8 Wabo) kan alleen in de eerste acht
                    weken van de proceduretermijn gebruik gemaakt worden, als de aanvraag een
                    complex of omstreden onderwerp betreft én de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                    is hierover zijn zienswijze kenbaar te maken (3:18, tweede lid Awb). </al><al>De krappe beoordelingstermijn kan ertoe leiden dat er sneller dan voorheen tot
                    een weigering van de vergunning wordt overgegaan. Het verdient dan ook
                    aanbeveling op basis van een schetsplan overleg te plegen voordat de
                    vergunningaanvraag wordt ingediend. </al><al>Omdat de mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te
                    dienen, is tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk, en wel
                    alleen door de minister van OCW (voor deze: de RCE), - buiten de bebouwde kom -
                    GS, de aanvrager, belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben
                    gebracht (Awb 3:41 en 3:43) en belanghebbenden die een goede reden hebben niet
                    eerder zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13). </al><al/><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat een "deskundige commissie" op het gebied
                    van de monumentenzorg wordt ingeschakeld bij deze vergunningsprocedure. Om te
                    voorkomen dat dit wettelijk vereiste door het ontbreken van het advies van de
                    Commissie voor Welstand en Monumenten tot problemen leidt bij de
                    vergunningverlening, kan het college zonder advies een beslissing nemen, of om
                    het te laat uitgebrachte advies toch in zijn overwegingen betrekken.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 5 De bescherming van gemeentelijke stadsgezichten</tussenkop><al>Artikel 15. <cursief>Aanwijzing van gemeentelijke stadsgezichten</cursief></al><al>De aanwijzing als gemeentelijk stadsgezicht is een erkenning van het bijzondere
                    cultuurhistorische karakter van het gebied. Doorgaans bestaat dit karakter uit
                    een samenspel van de stedenbouwkundige structuur, het aanzien van de bebouwing
                    en de wijze waarop grond en gebouwen worden gebruikt. Bij veranderingen is het
                    de bedoeling dat de kwaliteiten worden behouden en versterkt, en wordt
                    voortgebouwd op de kwaliteiten.</al><al/><al>Artikel 16. <cursief>Registratie op de gemeentelijke lijst van
                        stadsgezichten</cursief></al><al>De registratie bevat een topografische kaart waarop de gebieden waarvoor de
                    aanwijzing geldt zijn aangegeven, en een waardering die de aanwijzing
                    motiveert.</al><al/><al>Artikel 17. <cursief>Wijziging van de aanwijzing</cursief></al><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarin het mogelijk moet zijn in de aanwijzing
                    ambtshalve wijzigingen aan te brengen zonder dat het nodig is de gehele
                    aanwijzingsprocedure te volgen. Het gaat daarbij om wijzigingen van
                    ondergeschikte aard. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan veranderingen van
                    bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. </al><al/><al>Artikel 19. <cursief>Beschermende bestemmingsplannen</cursief></al><al>Hierbij is aansluiting gezocht bij de Monumentenwet 1988, artikel 36 en de Wet
                    ruimtelijke ordening.</al><al/><al>Artikel 20. <cursief>Verbodsbepaling, vergunningaanvraag en
                        weigeringsgronden</cursief></al><al>Het verbod tot sloop in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads-
                    of dorpsgezicht: de omgevingsvergunningplicht bestaat op grond van artikel 2.2,
                    lid 2 onder c van de Wabo. Op grond van artikel 2.18 Wabo moeten gronden voor
                    weigering of verlening worden opgenomen in de verordening. De vergunning tot
                    sloop kan in ieder geval worden geweigerd wanneer de totstandkoming van
                    nieuwbouw binnen de karakteristiek van het beschermde gezicht onvoldoende is
                    verzekerd. Dit kan het geval zijn als nader onderzoek uitwijst dat het belang
                    van het beschermde gezicht zich verzet tegen sloop. Het verbod tot geheel of
                    gedeeltelijk slopen is dus geregeld in de Wabo. Aanvragen tot sloop worden voor
                    advies voorgelegd aan de Commissie voor Welstand en Monumenten. Het belang van
                    het beschermde gezicht is verwoord in de waardering van het stadsgezicht in de
                    aanwijzing. De omschreven waarden vormen het afwegingskader om een
                    omgevingsvergunning tot sloop te weigeren. Het college kan nader onderzoek eisen
                    (bouw-, architectuur-, cultuurhistorisch-, stedenbouwkundig of archeologisch
                    onderzoek) ten behoeve van de afweging. Dit betekent dat ook ten aanzien van de
                    waarde van het bestaande object nader onderzoek gevraagd kan worden en het
                    college advies vraagt aan de Commissie voor Welstand en Monumenten over de
                    waarde daarvan en het belang voor het beschermde stadsgezicht. In het beschermde
                    bestemmingsplan wordt hiertoe regels opgenomen. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 6 Archeologische waarden</tussenkop><al/><al>Artikel 21. <cursief>Betreding</cursief></al><al>Grondslag is art. 57.2 van de Monumentenwet 1988. Hierop is artikel 5:27 Awb van
                    toepassing.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 7 Schadevergoeding</tussenkop><al/><al>Artikel 22. <cursief>Schade</cursief></al><al>Hoewel de Afdeling rechtspraak heeft bepaald dat opneming van dit
                    schadevergoedingsartikel niet verplicht is, is er toch voor gekozen om daarmee
                    uniformiteit met de Monumentenwet 1988 te krijgen. Uit jurisprudentie blijkt dat
                    de aanwijzing tot beschermd monument geen grond voor schadevergoeding oplevert.
                    Eventuele schade treedt pas op als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 8 Handhaving</tussenkop><al/><al>Artikel 23. <cursief>Toezicht</cursief></al><al>Artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering noemt de ambtenaren met een
                    algemene opsporingsbevoegdheid (bijvoorbeeld politieagenten). Uit de
                    bewoordingen van Artikel 142 blijkt dat de gemeentelijke wetgever bevoegd is om
                    in zijn verordeningen buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 9 Overige bepalingen</tussenkop><al/><al>Artikel 24</al><al>Het college is bevoegd om nadere regels vast te stellen als uitwerking van de
                    Monumentenverordening Hilversum 2016. Een dergelijke uitwerking is bijvoorbeeld
                    criteria voor de aanwijzing van monumenten en stadsgezichten, en voor de
                    restauratie van monumenten. Overigens worden de landelijk vastgestelde criteria
                    hierbij als uitgangspunt aangehouden.</al><al/><al>Artikel 25</al><al>Bij de bepaling van de geldboete is de Wet indeling geldboete categorieën II van
                    11 februari 1988 van belang. Op overtreding van een verordening kan, op grond
                    van artikel 154, eerste lid Gemeentewet, een geldboete van de eerste of de
                    tweede categorie worden gezet.</al><al/><al>Artikel 26. <cursief>Inwerkingtreding</cursief></al><al>De datum van inwerkingtreding van deze verordening is geregeld in het eerste
                    lid. Ingevolge Artikel 15, tweede lid van de Monumentenwet 1988 moet de
                    vastgestelde verordening onverwijld ter kennis van de minister worden gebracht
                    en treedt zij twee maanden na toezending in werking. De op grond van de oude
                    verordening op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatste monumenten worden
                    geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig deze verordening. </al><al/><al>Artikel 28. <cursief>Citeerartikel</cursief></al><al>Dit artikel geeft de naam van de verordening aan.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>