<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR412186_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Reusel-De Mierden 2017</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.reuseldemierden.nl/inwoners-en-ondernemers/openbare-bekendmakingen_42527/item/algemene-subsidieverordening-gemeente-reusel-de-mierden-2017_32807.html">Gemeenteblad 2016-041, 15-07-2015 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Reusel-De Mierden 2017</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R 16-182</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Algemene Subsidieverordening 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening gemeente Reusel-De Mierden 2017</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Reusel-De Mierden;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24-05-2016, nummer
                        182-2016;</al><al>gelezen de nota van aanvulling van burgemeester en wethouders 30-06-16;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>gezien het advies van de adviescommissie Wonen, Zorg en Welzijn d.d. 21
                        april 2016; </al><al>besluit vast te stellen de:</al><al/><al><vet> Algemene subsidieverordening gemeente Reusel-De Mierden
                        201</vet>7</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr.
                                    800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6
                                    augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
                                    artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke
                                    markt verenigbaar worden verklaard („de algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening”) (PbEU L 214/3) , dan wel later
                                    daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de-minimisverordening: verordening (EG) nr. 1998/2006 van de
                                    Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006
                                    betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het
                                    Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379/5), verordening (EG) nr.
                                    1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20
                                    december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en
                                    88 van het Verdrag op de-minimissteun in de
                                    landbouwproductiesector (PbEU L 337/35) en verordening (EG) nr.
                                    875/2007 van de k. Commissie van de Europese Gemeenschappen van
                                    24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88
                                    van het Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot
                                    wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PbEU L 193/6), dan
                                    wel later daarvoor in de plaats tredende Europese
                                    regelgeving;</al></li><li nr="c."><al>Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling,
                                    besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van
                                    staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese
                                    Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 en 109 van
                                    het Verdrag heeft vastgesteld;</al></li><li nr="d."><al>onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze
                                    van financiering, die een economische activiteit uitoefent;</al></li><li nr="e."><al>Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese
                                    Unie.</al></li><li nr="f."><al>adviescommissie subsidies: commissie die het college adviseert
                                    over aanvraag en/of vaststelling van een subsidie</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door
                            burgemeester en wethouders, met uitzondering van subsidies waarvoor bij
                            afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en
                            subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig
                            is).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is
                            kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat deze verordening geheel of
                            gedeeltelijk van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Subsidieregelingen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen bij nadere regeling (hierna te noemen:
                        subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor
                        subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke
                        doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt
                        berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Europees steunkader</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader
                            noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling
                            afwijken van deze verordening en deze aanvullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden
                            gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar
                            het toepasselijke steunkader.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is,
                            verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van
                            het steunkader.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen
                            alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in
                            aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke
                            steunkader.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, komen
                            ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidies die voldoen aan de
                            voorwaarden van de de-minimisverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen subsidieplafonds vaststellen. In dat
                            geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de
                            betrokken subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een subsidieplafond verlagen:</al><lijst><li nr="a."><al>als het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het
                                    betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of</al></li><li nr="b."><al>als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking
                                    heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het
                                    betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd
                            overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van
                            verlaging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of
                            goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen
                            op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de
                            verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij burgemeester
                            en wethouders met gebruikmaking van een aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag legt de aanvrager de volgende gegevens over:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                                    aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden
                                    nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze
                                    activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen
                                    aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde
                                    activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken
                                    daarvan;</al></li><li nr="d."><al>als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een
                                    rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve
                                    op het moment van de aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een
                            exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, alsmede van het
                            jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar toe
                            aan de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt
                            ingediend uiterlijk 30 april voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop
                            de aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt wordt
                            uiterlijk tien weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Andere aanvragen om subsidie worden minimaal ingediend tien weken
                            voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten
                            waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar
                            waarin de aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een subsidie als
                            bedoeld in artikel 7, tweede binnen tien weken nadat de volledige
                            aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid,
                            van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de
                            termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft
                            genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet
                            bestuursrecht weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid,
                                    van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar
                                    is met de interne markt.</al></li><li nr="b."><al>als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot
                                    terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de
                                    Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar
                                    met de gemeenschappelijke markt is verklaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het vorige lid kunnen burgemeester en wethouders de
                            subsidie verder in ieder geval weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende
                                    mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze
                                    onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar
                                    ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het
                                    verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt
                                    gevraagd;</al></li><li nr="c."><al>in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                    de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur;</al></li><li nr="d."><al>als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor
                                    subsidie in aanmerking te komen;</al></li><li nr="e."><al>als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk
                                    voorschrift;</al></li><li nr="f."><al>de activiteiten een politieke, godsdienstige of
                                    levensbeschouwelijke boodschap hebben.</al></li><li nr="g."><al>als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de
                                    Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid,
                                    van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is
                                    met de interne markt;</al></li><li nr="h."><al>in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een subsidie in ieder geval intrekken
                            in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                            bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente terug als dit
                            nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese
                            Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de
                        verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de
                        besteding van de subsidie dient te verantwoorden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Algemene verplichtingen van subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de
                            subsidie is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht of dat
                            niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal
                            worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld aan
                            burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een subsidieontvanger informeert burgemeester en wethouders onverwijld
                            schriftelijk over:</al><lijst><li nr="a."><al>beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                    van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot
                                    ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                    verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de aan de
                                    subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel zullen
                                    kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de
                                    gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of
                                    bestuurders en het doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Eigen vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de subsidieaanvrager toegestaan om over eigen vermogen te
                            beschikken in de vorm van reserves.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aard en de hoogte van het eigen vermogen van de subsidieaanvrager kan
                            voor het college aanleiding zijn om de subsidie tot een lager bedrag
                            beschikbaar c.q. vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de subsidieaanvrager beschikt over reserves van meer dan 40% van
                            het totale vermogen, kan het college de subsidie tot een lager bedrag
                            beschikbaar c.q. vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het bepaalde in het vorige lid kan het college afwijken indien
                            gewichtige redenen, gebaseerd op een investeringsplan, tijdelijk een
                            hoger vrij beschikbaar eigen vermogen rechtvaardigt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit artikel hanteert het college een terughoudende
                            rol, maar houdt het wel de doelstellingen van het gemeentelijke
                            subsidiebeleid voor ogen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden 3. 4. 5.van dit artikel zijn van toepassing op subsidies vanaf
                            € 10.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieaanvrager een of meerdere voorzieningen aanhoudt,
                            dient per voorziening een actuele onderbouwing daarvan te worden
                            aangeleverd aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college van oordeel is dat voorzieningen onvoldoende zijn
                            onderbouwd, kan het college de subsidie tot een lager bedrag beschikbaar
                            c.q. vaststellen</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de voorzieningen hanteert het college in beginsel
                            een terughoudende rol, maar houdt het daarbij wel de
                            doelstellingstellingen van het gemeentelijke subsidiebeleid voor
                            ogen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is alleen van toepassing op subsidies vanaf € 10.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden
                            verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de
                            subsidie tot stand is gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij subsidies hoger dan € 25.000, verleend voor activiteiten die meer
                            dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot
                            het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan
                            verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De
                            verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot en met € 5.000 worden door burgemeester en wethouders
                            direct vastgesteld of verleend en – tenzij toepassing wordt gegeven aan
                            het volgende lid – binnen tien weken nadat de activiteiten uiterlijk
                            moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het vorige lid kan de
                            aanvrager worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te
                            tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn
                            verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen tien
                            weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 5.000 wordt
                            aanstonds een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende
                            subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 25.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies van meer dan € 5.000 doch ten hoogste € 25.000 dient de
                            subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in.</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op het betrokken
                                    kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al>in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk 12 weken na afloop van het betrokken boekjaar;</al></li><li nr="c."><al>in andere gevallen uiterlijk tien weken nadat de gesubsidieerde
                                    activiteiten zijn verricht</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                                    gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan
                                    verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                    jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting
                                    daarop</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of
                            andere gegevens worden verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies tussen € 25.000 en € 100.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies van tussen € 25.000 en € 100.000 dient de
                            subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op het betrokken
                                    kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al>in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk12 weken na afloop van het betrokken boekjaar;</al></li><li nr="c."><al>in andere gevallen uiterlijk tien weken nadat de gesubsidieerde
                                    activiteiten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                                    gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan
                                    verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                    jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting
                                    daarop; en</al></li><li nr="d."><al>een afschrift van de samenstellings-, beoordelings-, of
                                    controleverklaring opgesteld door een onafhankelijk
                                    accountant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of
                            andere gegevens worden verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Eindverantwoording subsidies van meer dan € 100.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij subsidies van meer dan € 100.000 dient de subsidieontvanger een
                            aanvraag tot vaststelling in:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op het betrokken
                                    kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al>in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt,
                                    uiterlijk12 weken na afloop van het betrokken boekjaar;</al></li><li nr="c."><al>in andere gevallen uiterlijk tien weken nadat de gesubsidieerde
                                    activiteiten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de
                                    gesubsidieerde activiteiten zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan
                                    verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                    jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting
                                    daarop; en</al></li><li nr="d."><al>een afschrift van de beoordelings- of controleverklaring,
                                    opgesteld door een onafhankelijk accountant.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of
                            andere gegevens worden verlangd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de subsidie vast binnen tien weken na
                            de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij
                            subsidieregeling anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste tien weken worden
                            verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden
                            aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een
                            aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip,
                            bedoeld in de artikelen 14,15, 16 en 18 is ingediend, kunnen
                            burgemeester en wethouders de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe
                            termijn stellen. Wordt de aanvraag niet binnen deze termijn ingediend
                            dan kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van
                            uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met
                            gebruikmaking van een bij de subsidieregeling of bij de
                            subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven
                            wordt uitgegaan van bij de subsidieregeling of bij de subsidieverlening
                            voorgeschreven definities.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen
                            alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de
                            eisen van het toepasselijke steunkader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het bij en krachtens deze verordening
                            bepaalde, met uitzondering van de artikelen 2, 3 en 4 van deze
                            verordening, in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan
                            afwijken voor zover de toepassing van die bepalingen voor de
                            subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn
                            in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit en
                            hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ‘Algemene subsidieverordening Gemeente Reusel-De Mierden 2011’ wordt
                            ingetrokken per 1 januari 2017.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar
                            bekendmaking en is van toepassing op de uitvoering van activiteiten
                            vanaf 1 januari 2017.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op aanvragen om subsidie voor activiteiten voor deze datum zijn de
                            bepalingen van de Algemene subsidieverordening Gemeente Reusel-De
                            Mierden 2011 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Algemene subsidieverordening
                            gemeente Reusel-De Mierden 2017´.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de vergadering van 12 juli 2016.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter (wnd),</ondertekening><ondertekening>J.C.M. van Berkel H.W.S.M. Nuijten</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop>Artikel 2. Reikwijdte</tussenkop><al>Eerste lid </al><al>Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid toegewezen om te besluiten
                    over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening
                    (hierna: ASV) van toepassing is. </al><al>Dit betreft in beginsel alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor
                    bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies
                    waar overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
                    geen wettelijke grondslag nodig is.</al><al>Tweede lid</al><al>Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van
                    de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals bijvoorbeeld incidentele
                    subsidies) is de ASV in beginsel niet van toepassing. Dit lid geeft het college
                    de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe
                    aanleiding bestaat. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Subsidieregelingen</tussenkop><al>Met dit artikel verplicht de raad het college om in nadere regels, hier en
                    verder subsidieregeling genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor
                    zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die
                    voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van
                    uitbetalen, dient dit eveneens in de subsidieregeling te gebeuren. </al><al>In andere artikelen van ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die
                    betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van
                    termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie, de wijze
                    van verdelen van het subsidieplafond. </al><al/><tussenkop>Artikel 4. Europees steunkader</tussenkop><al>Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het
                    toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er
                    afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt
                    het college daartoe bevoegd.</al><al>Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese
                    Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het
                    Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.</al><al>Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard
                    alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in
                    aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het
                    betreffende steunkader (lid 4). Net goed als dat bij subsidies waarop de
                    de-minimisverordening van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking
                    komen voor subsidies die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening
                    (lid 5). </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</tussenkop><al>Het college stelt de subsidieplafonds vast (lid 1); bij de bekendmaking daarvan
                    wordt tevens de door hen bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid in
                    combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb) en wordt er, indien van
                    toepassing, gewezen om de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede
                    en derde lid). De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in
                    de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de
                    subsidieplafonds kan vaststellen. </al><al>Het college, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te
                    besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met
                    de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde
                    gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een
                    begrotingsvoorbehoud te maken (vierde lid). </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Aanvraag </tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient
                    te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’.
                    Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem
                    vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. In het
                    tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag
                    overlegd dienen te worden.</al><al>Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken (vierde
                    lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Aanvraagtermijn</tussenkop><al>De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt
                    onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar of per boekjaar worden
                    verstrekt, en andersoortige subsidies. Bij subsidieregeling kan het college
                    besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het
                    eerste tot en met derde lid (vierde lid).</al><al/><tussenkop>Artikel 8. Beslistermijn</tussenkop><al>Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen
                    op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op
                    een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies
                    per kalenderjaar of boekjaar, en andere. Bij subsidieregeling kan het college
                    besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste
                    en tweede lid (derde lid).</al><al>De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie
                    aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een
                    eindebeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie
                    wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van
                    het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en vervolgens
                    teruggevorderd dient te worden. </al><al/><tussenkop>Artikel 9. Weigerings- en intrekkingsgronden</tussenkop><al>In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen
                    4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden
                    aangevuld.</al><al>Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te
                    verstrekken op basis van een vrijstelling. Als dat niet mogelijk is, kan
                    goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele melding.
                    Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college
                    overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond onder a). In
                    aanvulling daarop wordt met onderdeel b bepaald dat ondernemingen waartegen een
                    terugvorderingsactie loopt niet in aanmerking komen voor subsidie.</al><al>In het tweede lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het
                    college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.</al><al>Onderdelen a, d en e spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de
                    subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen
                    beschikt.</al><al>Onderdeel c betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de
                    Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet
                    Bibob) niet kan doorstaan. Bij deze weigeringsgrond is niet van belang of de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel
                    zijn. Het gaat hierbij louter om de integriteit van de persoon dan wel
                    rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob
                    geen subsidie wenst te verlenen. Naast subsidie weigeren, kan het college in
                    dergelijke gevallen ook een reeds verleende en vastgestelde subsidies intrekken
                    (derde lid).</al><al>Onder f is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan
                    weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze
                    overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is
                    goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking
                    die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke
                    cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun.
                    In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de
                    subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te
                    verkrijgen. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op
                    een andere grond worden geweigerd.</al><al>Onderdeel g ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling
                    nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die
                    specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen. </al><al>Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in
                    overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de
                    Werking van de Europese Unie, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en
                    teruggevorderd worden (inclusief rente). Het vierde lid geeft het college de
                    bevoegdheid om hier uitvoering aan te geven.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger</tussenkop><al>Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede
                    lid) die voor alle subsidie-ontvangers geldt.</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Eigen vermogen</tussenkop><al>Het is niet de bedoeling dat organisaties met behulp van subsidie oneindig groot
                    eigen vermogen opbouwen. Uitzonderingen worden gevormd door vermogen vastgelegd
                    in materialen (en gebouwen) die voor de activiteiten van de organisatie
                    essentieel zijn en de daarvoor noodzakelijke reserves. In dit artikel staan de
                    bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het creëren van reserves. </al><al>Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag zal rekening worden gehouden met het
                    eigen vermogen van de organisatie en met een mogelijke bestemming hiervoor. Als
                    de reserves meer bedragen dan maximaal 40% van het totale vermogen dan kan dat
                    voor het college een reden zijn om het subsidie bedrag lager te beschikken of
                    vast te stellen. Het college kan op grond van lid 4 zonodig van dit percentage
                    afwijken. Indien het college meent dat een aanvrager grote financiële risico’s
                    loopt, heeft het de mogelijkheid het percentage te verhogen. Dit kan zij doen op
                    eigen initiatief of op een daartoe strekkend verzoek. Bij de toepassing van dit
                    artikel hanteert het college een terughoudende rol, maar houdt het wel de
                    doelstellingen van het gemeentelijke subsidiebeleid voor ogen. </al><al/><tussenkop>Artikel 13. Bestemmingsreserves en voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid aan een aanvrager om naast reserves ook
                    voorzieningen te vormen. Onder een voorziening wordt verstaan een op de balans
                    opgenomen bedrag voor de betaling van reeds aangegane, maar nog niet opeisbare
                    verplichtingen. Om een goed gebruik van de financiële middelen te waarborgen,
                    dient voor voorzieningen een goede onderbouwing te worden aangeleverd. Het
                    college kan aan de hand van die onderbouwingen besluiten dat voorzieningen op
                    een oneigenlijke wijze worden gebruikt. Net als bij de reserves gaan we hierbij
                    uit van een terughoudende rol met de doelstellingen van het subsidiebeleid voor
                    ogen.</al><al/><tussenkop>Artikel 14. Aan een subsidie te verbinden bijzondere
                    verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat een aanvullende bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan
                    de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op
                    wat reeds mogelijk is direct op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). </al><al>De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere
                    verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een
                    grondslag biedt. Die grondslag is in artikel 10 gegeven met betrekking tot
                    verplichtingen in het kader van het beheer en gebruik van datgene wat met de
                    subsidie tot stand is gebracht.</al><al/><tussenkop>Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000</tussenkop><al>Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat deze op basis van vertrouwen
                    worden verleend; er wordt niet meer standaard om verantwoording gevraagd. In
                    plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij
                    niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 9). Achteraf kan een
                    risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger.</al><al>Verder wordt het voorschot in één termijn (lump sum) verstrekt en hoeft de
                    subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te
                    dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                    subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid),
                    wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten
                    moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen een nader bepaalde
                    termijn ambtshalve vastgesteld door de subsidieverstrekker. In het tweede lid is
                    een afwijkende termijn opgenomen voor situaties waarin speciale
                    rapportageverplichtingen worden opgelegd. </al><al/><tussenkop>Artikel 16. Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en €
                    25.000</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen €
                    5.000 en € 25.000 aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag
                    tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk
                    verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht
                    en een overzicht van de gerealiseerde kosten en baten (tweede lid). Ingevolge
                    artikel 8 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van
                    de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt. Het derde lid biedt de
                    basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder minder,
                    gegevens gevraagd worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Eindverantwoording subsidies tussen € 25.000 en €
                    100.000</tussenkop><al>De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde
                    activiteiten en gerealiseerde kosten. Daarbij worden verschillende instrumenten
                    gebruikt, zoals een inhoudelijk verslag, een financieel verslag, een balans en
                    een samenstellings-, beoordelings-, of controleverklaring opgesteld door een
                    onafhankelijk accountant. Het derde lid biedt de basis om in een
                    subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder minder, gegevens
                    gevraagd worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 18. Eindverantwoording subsidies van meer dan €
                    100.000</tussenkop><al>De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde
                    activiteiten en gerealiseerde kosten. Daarbij worden verschillende instrumenten
                    gebruikt, zoals een inhoudelijk verslag, een financieel verslag, een balans en
                    een beoordelings-, of controleverklaring opgesteld door een onafhankelijk
                    accountant. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen
                    dat er ook andere, waaronder minder, gegevens gevraagd worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Subsidievaststelling</tussenkop><al>Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn
                    waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Het merendeel van de
                    aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer
                    ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn
                    – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn –
                    biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging is appellabel.</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Berekening van uurtarieven, uniforme
                    kostenbegrippen</tussenkop><al>Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de
                    subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan
                    en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling of bij de
                    subsidieverlening vastgelegd dienen te worden. Bij subsidies waarop een Europees
                    steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en
                    kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.</al><al/><tussenkop>Artikel 21. Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de hardheidsclausule is aangegeven op welke onderdelen van de regeling deze
                    clausule van toepassing is. De te treffen voorziening, die niet in de
                    verordening is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie
                    te passen.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Slotbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>