<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR411679_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-07-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Noordwijkerhout;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 april 2016</al><al>gelet op de artikelen 1, eerste, derde en vierde lid, 2, zesde lid, 3,
                        eerste lid, en 7, eerste en vierde lid, van de Wet op de
                        bedrijveninvesteringszones;</al><al>gezien de uitvoeringsovereenkomst van 20 april 2016 gesloten met
                        BIZ-vereniging Gravendam en het advies van commissie Ruimte en Wonen;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening bedrijveninvesteringszone Gravendam
                        2016.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bedrijveninvesteringszone: het bij deze verordening aangewezen
                                    gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven.
                                    Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening
                                    behorende en daarvan deel uitmakende kaart;</al></li><li nr="-"><al>college: college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="-"><al>uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en de BIZ-vereniging
                                    Gravendam op 20 april 2016 gesloten overeenkomst als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, van de wet; </al></li><li nr="-"><al>wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Belastingbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en aard van de belasting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting
                                geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen
                                onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in
                                hoofdzaak tot woning dienen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn
                                verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die
                                zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid
                                in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de
                                economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Belastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van de Wet
                            waardering onroerende zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting
                                geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen
                                onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in
                                hoofdzaak tot woning dienen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een belastingobject
                                        in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door
                                        degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het
                                        deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage
                                        als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in
                                        gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een belastingobject voor
                                        volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                        dat belastingobject ter beschikking heeft gesteld; degene
                                        die het belastingobject ter beschikking heeft gesteld is
                                        bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene
                                        aan wie dat belastingobject ter beschikking is gesteld;</al></li><li nr="c."><al>als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is
                                        vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een belastingobject bij het begin van het kalenderjaar geen
                                gebruiker kent, wordt voor het belastingobject geen BIZ-bijdrage
                                geheven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV
                                van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject
                                vastgestelde waarde zoals deze geldt voor het kalenderjaar 2017.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is
                                vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject
                                bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige
                                toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en
                                20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al
                                is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                                waarde van: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                                daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                                glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of
                                teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                te gebruiken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                                teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de
                                in onderdeel a bedoelde grond;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                                zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                                uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                worden;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                aan te merken;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de
                                publieke dienst van de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het
                                belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri's, hekken en palen;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                                zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige
                                onroerende zaken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>n.</lidnr><al>belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor het
                                geven van onderwijs;</al></lid><lid><lidnr>o.</lidnr><al>belastingobjecten die worden beheerd door een vereniging of
                                stichting die geen onderneming drijft, voor zover die objecten
                                bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club-
                                en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport, kunst of cultuur, of
                                voor andere activiteiten van sociale of culturele aard;</al></lid><lid><lidnr>p.</lidnr><al>belastingobjecten voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de
                                publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing,
                                crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de
                                handhaving van de openbare orde en veiligheid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de gebruiker buiten
                                aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van het belastingobject
                                die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar
                                zijn aan woondoeleinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Tarief BIZ-bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de BIZ-bijdrage bedraagt jaarlijks voor de
                                    gebruiker het bedrag zoals aangegeven in onderstaande tabel
                                    gebaseerd op de heffingsmaatstaf voor het kalenderjaar
                                    2017.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Woz</vet><vet>-</vet><vet>waarde </vet><vet>van </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>tot </vet><vet>W</vet><vet>oz</vet><vet>-</vet><vet>aarde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>bijdrage</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 0 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 100.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 200.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 125</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 200.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 300.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 150</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 300.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 400.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 200</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 400.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 500.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 250</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 500.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 800.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 300</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 800.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.000.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 350</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 1.000.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.500.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 450</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 1.500.001 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000.000 </al></entry><entry colname="col3"><al>€ 550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&gt; € 2.000.000</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>€ 600</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2."><al>Bij een heffingsmaatstaf van minder dan €10.000 wordt geen
                                    BIZ-bijdrage geheven. </al></li><li nr="3."><al>Voor belastingbedragen tot €10 vindt geen invordering plaats.
                                    Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de
                                    op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt
                                    als één belastingbedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                worden de aanslagen betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                                eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                twee maanden later. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste
                                lid gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Looptijd belastingheffing</titel></kop><al>De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en
                            de invordering van de BIZ-bijdrage.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Subsidiebepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Aanwijzing vereniging</titel></kop><al>BIZ-vereniging Gravendam wordt aangewezen als de vereniging bedoeld in
                            artikel 7 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Buiten toepassing algemene subsidieverordening</titel></kop><al>Op de subsidie bedoeld in artikel 14 is de algemene subsidieverordening
                            Noordwijkerhout niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie voor de uitvoering van de activiteiten die zijn
                                opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst wordt verstrekt aan de in
                                artikel 12 aangewezen vereniging. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te
                                ontvangen BIZ-bijdragen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover dit niet reeds is geschied in de uitvoeringsovereenkomst,
                                kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de
                                verplichtingen van de subsidieontvanger.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van deachtste
                                dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun
                                als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                            bedrijveninvesteringszone Gravendam 2016</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 28 april 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. G. Goedhart mr. drs. C.B.H. Heusingveld</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening bedrijveninvesteringszone</titel></kop><tussenkop>A Algemeen</tussenkop><tussenkop>1 Inleiding</tussenkop><al>Van 2009 tot en met 2011 maakte de Experimentenwet bedrijveninvesteringszones
                    het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk investeren in een veilige en
                    aantrekkelijke bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen. Het
                    instrument dat hiervoor wordt ingezet, is een gebiedsgerichte heffing die door
                    de gemeente op verzoek van een (nader bepaalde) meerderheid van de ondernemers
                    kan worden ingesteld. Uit de evaluatie van deze experimentenwet is naar voren
                    gekomen dat het opnieuw en permanent beschikbaar stellen van deze faciliteit
                    gewenst is. Om die reden heeft de regering in april 2014 het voorstel voor de
                    Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ; Kamerstukken 33 917) naar het
                    parlement gestuurd. De wet van 19 november 2014 is gepubliceerd in Stb. 2014,
                    506 (ingangsdatum: Stb. 2014, 507).</al><tussenkop>2 Doel van de Wet BIZ</tussenkop><al>Zowel ondernemers als gemeenten hebben belang bij investeringen in de
                    bedrijfsomgeving. Voor het bedrijfsleven is de kwaliteit en veiligheid van de
                    bedrijfsomgeving een belangrijke factor voor de aantrekkelijkheid van een
                    onderneming voor klanten. Voor de lokale overheid is een veilige en leefbare
                    openbare ruimte van belang om bedrijven (werkgelegenheid) en bezoekers aan te
                    trekken. Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het
                    omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te
                    werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt
                    op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige
                    bedrijfsomgeving. Gezamenlijke investeringen liggen voor de hand omdat dit
                    synergievoordelen oplevert en het effect van de investeringen groter wordt.</al><al>Gemeenten hebben met de Wet BIZ de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen (de
                    bedrijveninvesteringszone (BIZ)) waarbinnen een bestemmingsbelasting (de
                    BIZ-bijdrage) mag worden geheven ter financiering van door een meerderheid van
                    de bijdrageplichtigen gewenste extra voorzieningen. De voorzieningen dienen
                    zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ
                    kan echter niet worden ingezet voor de financiering van concrete
                    verantwoordelijkheden die de wetgeving exclusief aan de gemeente opdraagt. De
                    BIZ is alleen bedoeld om een hogere kwaliteit aan voorzieningen tot stand te
                    brengen die de gemeente op grond van een optimale verdeling van de beschikbare
                    middelen zelf niet kan en hoeft te realiseren.</al><al>Hoewel de Wet BIZ evenals de Experimentenwet BIZ vooral bedoeld is om
                    ondernemers te faciliteren, is de wettelijke opzet ruimer. Door de gekozen
                    begrippen zijn alle gebruikers en/of eigenaren van niet-woningen in de
                    bedrijveninvesteringszone onderworpen aan de BIZ-bijdrage. Naast ondernemers die
                    commerciële activiteiten verrichten, kunnen dat ook maatschappelijke
                    organisaties zonder winstoogmerk zijn zoals club- en buurthuizen,
                    sportverenigingen, culturele instellingen, kerken of overheidsinstellingen.
                    Ondanks deze nuancering zal hierna kortweg steeds over ondernemers worden
                    gesproken.</al><tussenkop>3 Stappenplan</tussenkop><al>In de kern komt de opzet van de Wet BIZ erop neer dat de gemeente haar
                    exclusieve recht om belastingen te heffen, inzet om initiatieven van een groep
                    ondernemers te financieren. Om die reden is de Wet BIZ gebouwd op een groot
                    aantal waarborgen tussen initiatief en uitvoering. Na een informele fase waarin
                    eerst de ondernemers onderling en vervolgens met de gemeente de mogelijkheden
                    voor een bedrijveninvesteringszone verkennen, volgt de formele fase die bestaat
                    uit (1) de oprichting van een BIZ-organisatie, (2) het opstellen van een
                    uitvoeringsovereenkomst (3) het vaststellen van een verordening (4) een
                    draagvlakmeting en (5) inwerkingtreding van de verordening. Deze opzet leidt tot
                    het volgende stappenplan.</al><al/><tussenkop>Stap 1 - Ondernemersinitiatief</tussenkop><al>De bedrijveninvesteringszone is er voor en door ondernemers. Het is dus aan de
                    ondernemers in een bepaald gebied om met elkaar te bekijken of zij in hun gebied
                    activiteiten willen uitvoeren om de aantrekkelijkheid en veiligheid van dat
                    gebied te verbeteren. De wetgever gaat ervan uit dat de initiatiefnemers de
                    animo voor hun plannen bij de overige ondernemers in het gebied toetsen en
                    vervolgens in onderling overleg de plannen uitwerken in een projectplan.
                    Overigens bleek tijdens de experimentenwet dat ondernemers voor raad en advies
                    vaak ook terechtkonden bij adviseurs van de Kamer van Koophandel en
                    gemeentelijke gebiedsmanagers.</al><al>Aandachtspunten bij een projectplan zijn:</al><al>-Wat willen de ondernemers bereiken met de BIZ? </al><al>-Welke activiteiten willen zij daartoe gaan ontplooien?</al><al>-In welke periode willen zij dat bereiken (maximaal 5 jaar)?</al><al>-Wat zijn de kosten?</al><al>-Hoe moeten deze kosten worden verdeeld?</al><al>-Hoe groot is het gebied van de bedrijveninvesteringszone en hoe wordt de zone
                    afgebakend?</al><al>-Hoe wordt de organisatie geregeld? </al><al>Maar ook:</al><al>-Wat gaat er gebeuren als er te weinig geld is, of juist te veel geld?</al><al>-Wat gebeurt er als een bedrijveninvesteringszone tussentijds wordt
                    opgeheven?</al><al>De ervaring leert dat stap 1 een van de allerbelangrijkste fases is die tijd
                    kost omdat de ondernemers onderling draagvlak voor de plannen moeten
                    creëren.</al><al/><tussenkop>Stap 2 - Overleg met gemeente</tussenkop><al>Zodra de initiatiefnemers een goed beeld hebben van de wensen en de mogelijke
                    uitvoering ervan, start het overleg met de gemeente. De ondernemers en de
                    gemeente bekijken samen de plannen. Passen de plannen wel binnen de kaders van
                    de wet? In hoeverre voert de gemeente de activiteiten al uit? Is de gemeente
                    bereid een deel extra bij te dragen?</al><al>Stap 1 en stap 2 lopen door elkaar heen. Eerst moeten ondernemers een goed beeld
                    hebben van wat zij willen. Maar door in een vroeg stadium al met de gemeente te
                    overleggen kunnen de ondernemers sneller tot een concreet eindplan komen en
                    kunnen eventuele teleurstellingen worden voorkomen.</al><al/><tussenkop>Stap 3 - Oprichten BIZ-organisatie</tussenkop><al>Als duidelijk is dat bij de ondernemers een breed draagvlak is voor hun plan en
                    de gemeente bereidheid heeft getoond hieraan mee te werken, richten de
                    ondernemers een vereniging of stichting op die de bedrijveninvesteringszone gaat
                    uitvoeren. Artikel 7 Wet BIZ stelt speciale eisen aan de inhoud van de statuten
                    van deze BIZ-organisatie. Zo mag de BIZ-organisatie zich alleen bezighouden met
                    de uitvoering van de BIZ-activiteiten. Als de BIZ-organisatie een vereniging is,
                    moeten daarnaast de betrokken ondernemers tegen betaling van een kleine
                    contributie lid kunnen worden van die vereniging. Bij een stichting moeten de
                    betrokken ondernemers in voldoende mate bij het bestuur betrokken zijn.</al><al/><tussenkop>Stap 4 - Uitvoeringsovereenkomst</tussenkop><al>Voordat de gemeenteraad de BIZ-verordening vaststelt, moet het college met de
                    BIZ-organisatie een zogenoemde uitvoeringsovereenkomst hebben gesloten. Deze
                    overeenkomst bevat de afspraken tussen de ondernemers en de gemeente. De meeste
                    zaken kunnen direct overgenomen worden van het projectplan, zoals de
                    doelstelling van BIZ, het tijdpad en dergelijke. Daarnaast kunnen afspraken
                    worden vastgelegd over een eventuele extra subsidie van de gemeente, en over de
                    verdeling van de perceptiekosten die de gemeente in rekening kan brengen.</al><al>Uit de Wet BIZ kan worden opgemaakt dat de uitvoeringsovereenkomst in ieder
                    geval het volgende moet regelen:</al><lijst><li nr="-"><al>de activiteiten die de BIZ-organisatie gaat uitvoeren gedurende de
                            verschillende jaren van de BIZ;</al></li><li nr="-"><al>het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode
                            van de BIZ-bijdrage (de zogenoemde service level agreement (SLA));</al></li><li nr="-"><al>de verplichting dat de BIZ-organisatie de activiteiten verricht waarvoor
                            de subsidie wordt verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop>Stap 5 – BIZ-verordening</tussenkop><al>De gemeenteraad kan de BIZ-verordening vaststellen nadat de initiatieven
                    voldoende zijn uitgewerkt en de afspraken zijn vastgelegd in de
                    uitvoeringsovereenkomst. De BIZ-verordening is tweeledig. Enerzijds regelt de
                    verordening de noodzakelijke voorwaarden om de BIZ-bijdrage te kunnen heffen en
                    invorderen. Anderzijds regelt de BIZ-verordening dat de belastingopbrengst als
                    subsidie zal worden verstrekt aan de BIZ-organisatie.</al><tussenkop>Stap 6 - Draagvlakmeting</tussenkop><al>Als de gemeenteraad instemt met de BIZ-verordening kan de verordening pas in
                    werking treden nadat een draagvlakmeting is gehouden. Uit de draagvlakmeting
                    moet blijken of de bedrijveninvesteringszone op voldoende steun onder de
                    ondernemers in het gebied kan rekenen. Van voldoende steun is sprake als aan de
                    volgende vereisten is voldaan:</al><lijst><li nr="-"><al>De respons bij de draagvlakmeting is minimaal 50%.</al></li><li nr="-"><al>Van de respondenten is minimaal 2/3 voor.</al></li><li nr="-"><al>En bij een tarief afhankelijk van de WOZ-waarde: de voorstemmers
                            vertegenwoordigen meer WOZ-waarde dan de tegenstemmers.</al></li></lijst><al>Als zowel eigenaren als gebruikers de BIZ-bijdrage moeten gaan betalen, vindt de
                    hiervoor beschreven toets plaats voor alle belanghebbenden gezamenlijk.
                    Aanvullend daarop moet er ook onder de eigenaren en onder de gebruikers
                    voldoende draagvlak zijn. Dit zal moeten blijken uit de volgende aanvullende
                    vereisten:</al><lijst><li nr="-"><al>De respons van de betrokken eigenaren bij de draagvlakmeting is minimaal
                            50%.</al></li><li nr="-"><al>De respons van de betrokken gebruikers bij de draagvlakmeting is
                            minimaal 50%.</al></li><li nr="-"><al>Van de responderende eigenaren heeft ten minste 50% zich voor
                            inwerkingtreding uitgesproken.</al></li><li nr="-"><al>Van de responderende gebruikers heeft ten minste 50% zich voor
                            inwerkingtreding uitgesproken.</al></li></lijst><al>Zodra de gemeenteraad de BIZ-verordening heeft vastgesteld, organiseert de
                    gemeente de draagvlakmeting. Deze wordt dus georganiseerd in de loop van het
                    jaar (en niet op 1 januari). De draagvlakmeting vindt plaats onder de potentiële
                    belastingplichtigen ten tijde van die draagvlakmeting. Dit vereiste brengt met
                    zich dat de gemeente niet een-op-een de bestanden van de aanslagregeling in het
                    jaar van de draagvlakmeting kan volgen, maar op zijn minst moet nagaan welke
                    mutaties er hebben plaatsgevonden tot aan de draagvlakmeting.</al><al>Het college is verantwoordelijk voor de draagvlakmeting en moet ervoor zorgen
                    dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de
                    verordening. Daarnaast moet het college waarborgen dat de schriftelijke
                    draagvlakmeting vertrouwelijk plaatsvindt. Omdat het college verantwoordelijk is
                    voor de draagvlakmeting, zal hij ook de uitslag moeten vaststellen. Naast een
                    (verkorte) weergave van de uitslag, kan dit collegebesluit ook de beslissing
                    inhouden dat de verordening zal worden gepubliceerd op de daarvoor gebruikelijke
                    wijze. Het collegebesluit over de vaststelling van de uitslag zal op grond van
                    artikel 139 Gemeentewet bekend moeten worden gemaakt.</al><al>De eis van voldoende draagvlak staat los van de gebruikelijke regels voor de
                    bekendmaking van de verordening. Zo moet de verordening worden opgenomen in de
                    daartoe bestemde digitale registers en op internet raadpleegbaar zijn.</al><tussenkop>Stap 7 - Heffing, subsidie en uitvoering</tussenkop><al>Nadat de verordening in werking is getreden, kan de bedrijveninvesteringszone
                    van start gaan. De gemeente zal zorgdragen voor de heffing en invordering van de
                    BIZ-bijdrage en afdoening van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. De
                    BIZ-organisatie zal de activiteiten uitvoeren en zorgdragen voor de
                    verantwoording van de inkomsten en uitgaven.</al><al>Op afgesproken momenten (meestal jaarlijks) controleert de gemeente of de
                    BIZ-organisatie nog steeds aan de subsidievoorwaarden voldoet. Dit zal het geval
                    zijn als ondernemers hun afgesproken plan uitvoeren.</al><tussenkop>Stap 8 - Einde bedrijveninvesteringszone</tussenkop><al>De bedrijveninvesteringszone kan op twee manieren eindigen.</al><lijst><li nr="1."><al>De bedrijveninvesteringszone eindigt doordat de looptijd van de
                            BIZ-verordening eindigt. </al></li><li nr="2."><al>De bedrijveninvesteringszone eindigt voortijdig omdat gaande weg het
                            draagvlak wegvalt. Ondernemers kunnen tussentijds verzoeken om een
                            hernieuwde draagvlakmeting met als doel de opheffing van de BIZ. Dit
                            verzoek moet door minimaal 20% van de ondernemers worden ondersteund en
                            kan pas na een jaar na de vorige draagvlakmeting worden ingediend. In
                            afwijking van de voorwaarden bij eerste draagvlakmeting hoeft niet 2/3
                            maar 50% voor voortzetting van de draagvlakmeting te zijn.</al></li></lijst><tussenkop>4 Aandachtspunten gemeenteraad</tussenkop><al>De vaststelling van de bedrijveninvesteringszone door de gemeenteraad is een
                    belangrijk moment bij de totstandkoming van de BIZ. Het is goed om te
                    benadrukken dat de gemeenteraad een autonome positie heeft om de
                    bedrijveninvesteringszone in te voeren. De gemeenteraad heeft dan ook de
                    vrijheid om af te zien van het vaststellen van de verordening, of deze op punten
                    anders in te richten. Het is aan de gemeenteraad om te besluiten dat zij het
                    exclusieve recht om belastingen te heffen wil inzetten voor een groep
                    ondernemers.</al><al>Naast de aandachtspunten die uit de Wet BIZ voortvloeien, is bij de
                    parlementaire behandeling van de wet ook een aantal aandachtspunten meegegeven
                    aan de gemeenteraad. Met het oog op een eventuele rechterlijke toetsing van de
                    bedrijveninvesteringszone tijdens een beroepsprocedure tegen de BIZ-bijdrage, is
                    het goed om deze aandachtspunten in de besluitvorming te betrekken. Dat kan door
                    er aandacht aan te schenken in de begeleidende stukken. </al><al>Het gaat hierbij om de volgende aandachtspunten:</al><al>-Statuten BIZ-organisatie: De gemeenteraad zal zich ervan moeten overtuigen dat
                    de aan te wijzen BIZ-organisatie voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7,
                    tweede lid, Wet BIZ. In het bijzonder vraagt de (beperkte) statutaire
                    doelstelling en de samenstelling van het bestuur aandacht.</al><al>-Uitvoeringsovereenkomst: Deze verordening moet de verplichting bevatten dat de
                    activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk worden
                    uitgevoerd (de afdwingverplichting). Daarnaast is van belang dat de
                    uitvoeringsovereenkomst alleen van toepassing is als de verordening uiteindelijk
                    ook daadwerkelijk in werking treedt.</al><al>-Activiteiten: De gemeenteraad kan het initiatief van de ondernemers niet
                    klakkeloos overnemen omdat de gemeenteraad dient te waken tegen instelling van
                    een bedrijveninvesteringszone die leidt tot willekeurige of onredelijke
                    belastingheffing. De gemeenteraad zal daarom elementen als tariefstelling, de
                    verdeling van de lasten, de wijze waarop de grens van de
                    bedrijveninvesteringszone is getrokken en het soort activiteiten zorgvuldig en
                    in het licht van het algemeen belang moeten bezien. Wat de activiteiten betreft
                    zal de gemeenteraad kenbaar moeten aangeven in hoeverre de afgesproken concrete
                    activiteiten aansluiten op het abstracte begrip “activiteiten in de openbare
                    ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de
                    leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke
                    kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone”. Zie
                    over de mogelijke activiteiten ook de toelichting op artikel 2, tweede lid,
                    verordening.</al><al>-Vastlegging basisserviceniveau: Op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet BIZ
                    moeten gemeenteraad en de BIZ-organisatie schriftelijke afspraken maken over het
                    minimale niveau van de gemeentelijke dienstverlening voor de periode dat de
                    BIZ-bijdrage wordt geheven. Deze verplichting brengt met zich dat de
                    gemeenteraad vastlegt welke diensten en activiteiten in de
                    bedrijveninvesteringszone tot het reguliere takenpakket van de gemeente horen.
                    Daarnaast is het raadzaam om een bepaling op te nemen die de invloed op het
                    afgesproken basisserviceniveau regelt van latere ingrijpende aanpassingen in de
                    algemene gemeentelijke dienstverlening en activiteiten. Het basisserviceniveau
                    geldt immers voor de looptijd van de BIZ-bijdrage (maximaal 5 jaar) en in die
                    periode kunnen </al><al>-Staatssteun: Door de systematiek van de bedrijveninvesteringszones kan volgens
                    de wetgever de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie geen staatssteun
                    zijn. Maar dat de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie niet leidt tot
                    staatssteun laat onverlet dat gemeenten wel moeten nagaan in hoeverre het
                    gerechtvaardigd is dat de perceptiekosten eventueel niet in mindering op de
                    ontvangen BIZ-bijdragen wordt gebracht. Ook moeten gemeenten zich bewust zijn
                    van staatssteunaspecten bij eventuele aanvullende bijdragen aan
                    bedrijveninvesteringszones uit de algemene middelen.</al><tussenkop>5 Wettelijke basis</tussenkop><al>De verordening bedrijveninvesteringszone is gebaseerd op artikel 1, eerste,
                    derde en vierde lid, artikel 2, artikel 3, eerste lid, en artikel 7, eerste en
                    vierde lid, van de Wet BIZ. Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed model’,
                    dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de
                    duidelijkheid, is overgenomen. Bij deze keuze speelt mee dat de gemeenteraad
                    moet laten zien dat hij bij de invoering van de belasting alle essentiële
                    elementen in ogenschouw heeft genomen. De meest voor de hand liggende manier
                    waarop de gemeenteraad dat kan laten zien, is de tekst van de verordening. Die
                    is immers bedoeld om de belastingschuldigen de omvang van de belastingschuld
                    kenbaar te maken alsook de omstandigheden waaronder.</al><al>De wetgever heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om voor de
                    heffing zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen voor de
                    onroerendezaakbelastingen in de Gemeentewet. Daardoor zijn naast de bepalingen
                    in de Wet BIZ ook de artikelen 220a, 220b, eerste lid, 220d, 220e en 220h van de
                    Gemeentewet voor de vormgeving van de verordening van belang.</al><tussenkop>B Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk I Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening
                    voorkomende begrippen, is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.</al><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘bedrijveninvesteringszone’ is aangegeven dat
                    het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan
                    deel uitmakende kaart..</al><tussenkop>Hoofdstuk II Belastingbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting</tussenkop><al>Het eerste lid beschrijft het belastbaar feit. In de bepaling wordt benadrukt
                    dat het een jaarlijkse heffing betreft gedurende de looptijd van de verordening.
                    Dit is gedaan om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat het om een eenmalige
                    bijdrage zou gaan. Door de verwijzing naar artikel 220a Gemeentewet wordt
                    aangegeven dat het begrip niet-woning conform de daar gegeven regels moet worden
                    uitgelegd. De jurisprudentie die voor artikel 220a Gemeentewet is gewezen, is
                    daarmee ook van toepassing op de BIZ-bijdrage. Een nadere toelichting inclusief
                    relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de
                    verordening onroerendezaakbelastingen.</al><al>Het tweede lid is opgenomen om er geen twijfel over te laten bestaan dat de
                    heffing alleen bedoeld is ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan
                    de wettelijk toegestane activiteiten. Dit zijn activiteiten in de openbare
                    ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of
                    de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de
                    economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Inpandige
                    activiteiten kunnen in beginsel niet met een BIZ-bijdrage worden gefinancierd,
                    tenzij het gaat om activiteiten die gericht zijn op een publiek belang in de
                    openbare ruimte. Deze bepaling impliceert ook dat de gemeenteraad bij haar
                    besluitvorming van mening is dat de afgesproken activiteiten voldoen aan de
                    eisen van de Wet BIZ. Naar onze mening is het niet nodig om de omschrijving
                    nader af te stemmen op afgesproken activiteiten.</al><al>Nieuw ten opzichte van de Experimentenwet zijn de activiteiten die op of via het
                    internet plaatsvinden. De wenselijkheid van deze aanvulling komt voort uit het
                    gegeven dat de detailhandel zich meer en meer richt op de mogelijkheden die het
                    internet en het ‘nieuwe winkelen’ biedt. Deze activiteiten kunnen ook de
                    economische ontwikkeling stimuleren en daarmee in het publiek belang zijn.
                    Voorbeelden hiervan zijn een gezamenlijke website of activiteiten die via de
                    sociale media worden ontplooid. Concreet betekent de toevoeging dat activiteiten
                    die op het internet plaatsvinden en volgens de gemeente bijdragen aan de
                    leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke
                    kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ, ook kunnen worden
                    gefinancierd met opbrengsten van de BIZ-bijdrage.</al><al>Een bedrijveninvesteringszone is uitdrukkelijk gericht op het verrichten van
                    aanvullende activiteiten ten opzichte van de diensten van de gemeente. Het
                    bestaande voorzieningenniveau dient als uitgangspunt te worden genomen bij het
                    bepalen van de gewenste voorzieningen. Een bedrijveninvesteringszone kan alleen
                    dan tot een verbetering van de kwaliteit leiden als het bestaande
                    voorzieningenniveau minimaal gehandhaafd blijft. De activiteiten die de
                    ondernemers in aanvulling daarop willen uitvoeren kunnen nieuwe aanvullende
                    voorzieningen betreffen of kunnen gaan om een intensivering van bestaande
                    activiteiten.</al><al>Activiteiten waar concreet aan gedacht kan worden zijn: het verbeteren van de
                    verkeersvoorzieningen, de bewegwijzering, de groenvoorziening, afvalinzameling,
                    verlichting, schoonmaak, onderhoud, brandveiligheid, graffitiverwijdering, het
                    vergroten van de veiligheid door bijvoorbeeld extra surveillance, hekwerken en
                    camerabewaking. Bij activiteiten die zich richten op de economische ontwikkeling
                    gaat het om het versterken van de economische kracht van een gebied, door het
                    versterken van het ondernemerschap in de zone. Dit kan bijvoorbeeld door het
                    versterken van het zelf organiserend vermogen, bepaalde vormen van
                    gebiedspromotie, of de inzet van een park- of winkelstraatmanager. Onder
                    ‘economische ontwikkeling’ zijn allerlei activiteiten te rangschikken die men
                    als winkeliers- of ondernemersgroep kan ondernemen omdat men ervan denkt dat men
                    er in economisch opzicht met elkaar beter van kan worden. Meer concreet is te
                    denken aan kerst- of sfeerverlichting, sinterklaasintocht of speciale
                    evenementen.</al><al>De BIZ beperkt zich overigens niet tot winkelcentra of industrieterreinen. Ook
                    land- en tuinbouwgebieden of toeristische gebieden kunnen gebruikmaken van
                    bedrijveninvesteringszones. De wettelijke systematiek gaat uit van aanwijzing
                    van een bepaald gebied in de gemeente, maar stelt geen beperkingen aan het soort
                    gebied waar het om moet gaan.</al><tussenkop>Artikel 3 Belastingobject</tussenkop><al>Doordat artikel 220a Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, is de
                    objectafbakening zoals die voor de Wet WOZ en de OZB geldt, ook van toepassing
                    voor de BIZ-bijdrage. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 3. Voor de
                    leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om hier niet te verwijzen naar
                    artikel 220a Gemeentewet zoals de Wet BIZ doet, maar direct naar artikel 16 Wet
                    WOZ.</al><al>Artikel 16 Wet WOZ merkt als belastingobject aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een ongebouwd eigendom;</al></li><li nr="c."><al>een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd
                            eigendom;</al></li><li nr="d."><al>een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een
                            zelfstandig gedeelte daarvan;</al></li><li nr="e."><al>een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of
                            meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige
                            gedeelten;</al></li><li nr="f."><al>het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een
                            ongebouwd eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als
                            verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel.</al></li></lijst><al>Op grond van jurisprudentie zijn schepen roerende zaken zodat daarvan geen
                    BIZ-bijdrage kan worden geheven.</al><al>Een nadere toelichting op de objectafbakening inclusief relevante jurisprudentie
                    is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de verordening
                    onroerendezaakbelastingen. Ook de Waarderingsinstructie jaarlijkse
                    waardebepaling op de website van de Waarderingskamer bevat een nadere
                    toelichting op de objectafbakening.</al><tussenkop>Artikel 4 Belastingplicht</tussenkop><al>De volgende artikelleden zijn van toepassing als de BIZ-bijdrage wordt geheven
                    van:</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Onder de Experimentenwet werd de BIZ-bijdrage geheven van de gebruikers van de
                    niet-woningen in de bedrijveninvesteringszone. De Wet BIZ is hier echter
                    verruimd en biedt de mogelijkheid om te heffen van de gebruikers, de eigenaren
                    of van beide categorieën. De keuze die de gemeente voor de
                    bedrijveninvesteringszone heeft gemaakt, ligt vast in dit artikellid.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan de begrippen
                    ‘gebruik’ en ‘eigenaar’. Deze begrippen zijn overeenkomstig van toepassing op de
                    BIZ-bijdrage.</al><al><cursief>Tweede lid, onderdeel a</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid kunnen in bepaalde situaties belastingplichtigen
                    aangewezen worden die niet feitelijk gebruik maken van een niet-woning. Zo
                    regelt artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de verordening dat gebruik door
                    degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, wordt
                    aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door
                    deze bepaling is de verhuurder (al of niet tevens eigenaar) ook
                    belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage als hij niet zelf gebruiker (van een
                    deel) van de niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met
                    meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ als één object kunnen gelden), de
                    verhuurder in de heffing van de BIZ-bijdrage moet worden betrokken. De huurders
                    zijn dan niet belastingplichtig. Voor alle duidelijkheid: de bepaling ziet
                    alleen op situaties waarin (onzelfstandige) delen van de onroerende zaak worden
                    gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel
                    gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker worden
                    aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één onderneming of
                    één persoon. Verhuurt hij de verschillende (onzelfstandige) delen aan
                    verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter
                    de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één
                    onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan immers niet een
                    deel van de niet-woning in gebruik af. Degene die het gebruik afstaat, mag
                    overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op degene aan wie het gebruik van
                    een deel wordt afgestaan.</al><al><cursief>Tweede lid, onderdeel b</cursief></al><al>Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van
                    een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door
                    degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet vooral op
                    niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de
                    eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig
                    gebruik. Dit is alleen anders indien gebruik wordt gemaakt van een
                    verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële risico
                    van meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit handen
                    geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage van de
                    verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze
                    verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari
                    2001, nr. 35865, ECLI:NL:HR:2001:AA9843 (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002,
                    nr. 37361, ECLI:NL:HR:2002:AF0960 (Oostburg). Degene die de niet-woning ter
                    beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die
                    zaak ter beschikking is gesteld<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>In sommige gevallen is er als gevolg van leegstand geen
                    sprake van een gebruiker in de zin van de Wet BIZ. In de verordening is bepaald
                    dat als een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik
                    is, de BIZ-bijdrage niet wordt geheven. </al><tussenkop>Artikel 5 Maatstaf van heffing</tussenkop><al>Algemeen </al><al>Artikel 2 Wet BIZ benoemt de heffingsmaatstaf voor de BIZ. </al><al>Eerste lid </al><al>De Wet BIZ hanteert de vastgestelde WOZ-waarde als heffingsmaatstaf. De
                    heffingsmaatstaf voor het eerste kalenderjaar wordt ook gehanteerd in de latere
                    belastingjaren </al><al>Tweede lid</al><al> Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling'. Deze bepaling maakt het
                    mogelijk om toch een aanslag BIZ-bijdrage op te leggen in het geval er voor het
                    belastingobject geen WOZ-waarde is vastgesteld. De vangnetbepaling is niet van
                    toepassing als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld maar niet is bekendgemaakt.
                    In dat geval geldt de gewone hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge
                    Raad 13 mei 2005, nr. 39569, ECLI:NL:HR:2005:AR6816). De waardebepaling
                    geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel mogelijk op gelijke wijze
                    als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel een WOZ-beschikking is
                    vastgesteld. Voor de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst
                    van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 6 Vrijstellingen</tussenkop><al>Bij de toepassing van de WOZ-waarden gelden de wettelijke vrijstellingen zoals
                    vermeld in artikel 220d Gemeentewet. Ter voorkoming van misverstanden daarover
                    zijn deze als uitzondering geformuleerde vrijstellingen overgenomen in de
                    verordening. Dit geldt ook voor de facultatieve vrijstellingen die de
                    verordening onroerendezaakbelastingen vermeldt. Gelet op de beoogde doelmatige
                    uitvoering is zoveel mogelijk aangesloten bij de OZB, de facultatieve
                    vrijstellingen opgenomen.</al><al>Naast de vrijstellingen uit de onroerendezaakbelastingen, vermeldt artikel 6 nog
                    enkele mogelijke vrijstellingen voor onroerende zaken die als niet-woning worden
                    aangemerkt, maar die niet in gebruik zijn bij ondernemers. Tijdens de
                    parlementaire behandeling zijn amendementen die niet-commerciële objecten
                    standaard vrijstellen, verworpen omdat deze verplichte vrijstellingen te veel de
                    autonome vrijheid van de gemeenteraad zouden aantasten. Dat laat onverlet dat
                    deze vrijstellingen op lokaal niveau wel worden ingevoerd. </al><tussenkop>Artikel 7 Belastingtarief</tussenkop><al>Algemeen </al><al>Artikel 2 Wet BIZ benoemt de heffingsmaatstaf voor de BIZ. </al><al>Eerste lid </al><al>De heffingsmaatstaf gaat uit van gelijkluidende tarieven gedurende de hele
                    periode. De basisvorm is een vast bedrag afhankelijk van de WOZ waarde van het
                    object volgens de tabel.</al><al>Leden 2 en 3 </al><al>Deze facultatieve bepalingen voorkomen dat de gemeente grote inspanningen moet
                    verrichten waarbij de kosten niet opwegen tegen de kosten. De genoemde
                    maximumbedragen zijn ontleend aan artikel 220h Gemeentewet dat overeenkomstig
                    van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 8 Wijze van heffing</tussenkop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. In de verordening hebben wij gekozen voor de heffing bij wege van
                    aanslag. Voor een toelichting wordt verwezen naar de Verordeningen gemeentelijke
                    belastingen (algemene toelichting) - Wijze van heffing, onder 'Heffing bij wege
                    van aanslag'.</al><tussenkop>Artikel 9 Termijnen van betaling</tussenkop><al>Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Verordeningen gemeentelijke
                    belastingen (algemene toelichting) - Termijnen van betaling.</al><tussenkop>Artikel 10 Looptijd belastingheffing</tussenkop><al>De Wet BIZ schrijft voor dat een BIZ-bijdrage voor ten hoogste vijf jaar kan
                    worden geheven. Een kortere termijn is ook mogelijk. De gemaakte keuze wordt in
                    dit artikel geregeld. Overigens kan de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van
                    de bijdrageplichtigen, besluiten de verordening eerder in te trekken. Een
                    dergelijk besluit moet bij afzonderlijke belastingverordening worden
                    vastgesteld.</al><al>Op grond van artikel 6 Wet BIZ kunnen ondernemers de gemeenteraad vragen om de
                    BIZ-verordening in te trekken. Een dergelijk verzoek moet afkomstig zijn van
                    minimaal 20% van de bijdrageplichtigen. Als de gemeente een voldoende
                    ondersteund verzoek krijgt, organiseert het college van burgemeester en
                    wethouders onder alle bekende bijdrageplichtigen een draagvlakmeting.</al><al>Het verschil met de draagvlakmeting bij de invoering is dat bij een tussentijdse
                    draagvlakmeting wordt gevraagd naar steun voor intrekking. Voor een geldige
                    tussentijdse draagvlakmeting is vereist dat tenminste de helft van de
                    bijdrageplichtigen deelneemt. Omdat in deze situatie artikel 5, derde lid, Wet
                    BIZ niet van toepassing is, is bij een heffing van gebruikers en eigenaren
                    gezamenlijk niet vereist dat in iedere categorie afzonderlijk de helft
                    deelneemt. Van voldoende steun voor intrekking is gebleken als ten minste de
                    helft van deelnemers voor intrekking hebben gestemd en deze deelnemers ten
                    minste de helft van de som aan WOZ-waarden representeert. </al><tussenkop>Artikel 11 Nadere regels door het college</tussenkop><al>Een uitgebreide toelichting op dit artikel is opgenomen in de Verordeningen
                    gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) - Nadere regels door het
                    college van burgemeester en wethouders. Deze nadere regels zijn uitgewerkt in de
                    uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen.</al><tussenkop>Hoofdstuk III Subsidiebepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Aanwijzing vereniging</tussenkop><al>De wet stelt verplicht dat er een vereniging of stichting wordt opgericht die de
                    bedrijveninvesteringszone feitelijk beheert. Deze vereniging of stichting is ook
                    de rechtspersoon die de subsidies ontvangt. Voor de leesbaarheid van deze
                    toelichting wordt hierna gesproken over BIZ-organisatie.</al><al>Op grond van artikel 7 Wet BIZ moet de BIZ-organisatie aan strikte vereisten
                    voldoen. Zo moet de BIZ-organisatie uitsluitend ten doel hebben de
                    BIZ-activiteiten uit te voeren. Dat hoeven niet altijd met BIZ-bijdrage
                    gesubsidieerde activiteiten te zijn. Vereist is dat de activiteiten van de
                    BIZ-organisatie zijn aan te merken als activiteiten in de openbare ruimte en op
                    internet, gericht op het bevorderen van de leefbaarheid in, de veiligheid in, de
                    ruimtelijke kwaliteit van of de economische ontwikkeling van die zone. Artikel 7
                    Wet BIZ verhindert wel dat de BIZ-organisatie de algemene belangenbehartiging
                    overneemt van een bestaande ondernemersvereniging.</al><al>Bij een vereniging is daarnaast vereist dat alle beoogde bijdrageplichtigen lid
                    kunnen zijn van de vereniging en dat de jaarcontributie niet hoger is dan € 50.
                    Bij een stichting is vereist dat ten minste 2/3 van de bestuursleden afkomstig
                    is uit de kring van de beoogde bijdrageplichtigen.</al><tussenkop>Artikel 13 Algemene Subsidieverordening</tussenkop><al>Veel gemeenten hebben een algemene subsidieverordening die de essentiële
                    elementen bevat van het proces van subsidieverstrekking, zoals een omschrijving
                    van de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een
                    subsidieplafond en de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Daarnaast bevat de
                    algemene subsidieverordening een grondslag voor de verplichtingen die het
                    bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden voor zover die grondslag
                    niet al in de Awb is neergelegd.</al><al>Aan de totstandkoming van de BIZ-verordening gaan stappen vooraf waardoor de te
                    subsidiëren activiteiten bekend zijn en ook duidelijk is dat de BIZ-organisatie
                    de belastingopbrengst (eventueel na aftrek van de perceptiekosten) zal
                    ontvangen. Daarnaast is de BIZ-organisatie verplicht om die subsidie te besteden
                    aan de overeengekomen activiteiten. Deze verplichtingen liggen vast in de
                    BIZ-verordening (zie artikel 14 hierna). De totstandkoming en verstrekking van
                    de BIZ-subsidie wijkt daarmee sterk af van de overige subsidies die de gemeente
                    verstrekt. Vanwege deze afwijkingen is bepaald dat de Algemene
                    Subsidieverordening niet van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 14 Subsidievaststelling</tussenkop><al>Rode draad in de BIZ is het heffen van de BIZ-bijdrage om daarmee de afgesproken
                    activiteiten te subsidiëren. Deze rode draad is vastgelegd in artikel 14 waar in
                    het eerste lid is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de afgesproken
                    activiteiten. Het tweede lid bepaalt dat de subsidie maximaal het bedrag is van
                    de ontvangen BIZ-bijdragen (eventueel na aftrek van de perceptiekosten).</al><al/><al>Derde lid</al><al>Op grond van afdeling 4.2.4 van de Awb kan het bestuursorgaan verplichtingen
                    opleggen aan de subsidieontvanger. Omdat de subsidie op grond van het eerste lid
                    door de raad wordt toegekend, terwijl de uitvoering bij het college berust, kan
                    onduidelijkheid ontstaan welk bestuursorgaan bevoegd is de verplichtingen op te
                    leggen. Het derde lid neemt deze onduidelijkheid weg en legt de bevoegdheid bij
                    het college neer.</al><al>De nader te regelen verplichtingen kunnen onder meer zien op wijze waarop de
                    subsidie wordt uitgekeerd (bevoorschotting, vaststelling definitieve subsidie)
                    en de wijze waarop de BIZ-organisatie verantwoording aflegt. Maar de
                    verplichtingen kunnen ook zien op het melden van verandering of beëindiging van
                    de activiteiten, of van veranderingen in de statuten of in de financiële
                    situatie van de BIZ-organisatie.</al><al>In de voorbereiding van de BIZ zijn al veel afspraken gemaakt over de uit te
                    voeren activiteiten en de subsidiëring daarvan via een BIZ-bijdrage. Als deze
                    afspraken verplichtingen vastliggen in de uitvoeringsovereenkomst, is het niet
                    nodig om de verplichtingen van de subsidie-ontvanger ook nog eens in nadere
                    regels vast te leggen. Dit is in het derde lid tot uitdrukking gebracht met de
                    zinsnede “voor zover dit niet reeds is geschied in de
                    uitvoeringsovereenkomst”.</al><al>Mocht het voorkomen dat de BIZ-organisatie de afgesproken activiteiten niet
                    uitvoert, dan kan de gemeente via de burgerlijke rechter nakoming afdwingen op
                    grond van de uitvoeringsovereenkomst. Als dat tot niets leidt, kan de
                    gemeenteraad de subsidie intrekken (artikel 4:49 Awb). De al betaalde bedragen
                    kunnen dan als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. In dat geval zal de
                    gemeenteraad zich ook moeten uitlaten over de vraag hoe de betaalde
                    BIZ-bijdragen worden teruggegeven aan de ondernemers. De opbrengst van de
                    bestemmingsheffing kan immers niet voor andere doeleinden worden aangewend.</al><tussenkop>Hoofdstuk IV Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Na volledige afweging van alle belangen door de gemeenteraad en vaststelling van
                    de verordening vindt de draagvlakmeting plaats. Dit betekent dat de verordening
                    pas in werking kan treden nadat de draagvlakmeting is gehouden en er gebleken is
                    van voldoende draagvlak. Om die reden kan artikel 142 Gemeentewet niet
                    zondermeer worden toegepast. In plaats daarvan is voor de inwerkingtreding
                    aangesloten bij de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting.</al><tussenkop>Artikel 16 Citeertitel</tussenkop><al>Een toelichting op dit artikel is opgenomen in de Verordeningen gemeentelijke
                    belastingen (algemene toelichting) - Citeertitel.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>