<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR41100_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2010 gemeente Hellendoorn</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hellendoorn Journaal, 24-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2010 Gemeente Hellendoorn</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/HoofdstukII/2/Artikel12">Monumentenwet 1988, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/HoofdstukII/2/Artikel15">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/Hoofdstuk2/21/Artikel21">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/15-09-2010/Hoofdstuk2/21/Artikel22">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10INT01283</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2010 gemeente Hellendoorn</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hellendoorn;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24
                        augustus 2010;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12 en 15 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al>Erfgoedverordening 2010 gemeente Hellendoorn</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: </al></li><li nr=""><al>een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    monument aangewezen: </al><lijst><li nr="1."><al> zaak, die van algemeen belang is wegens zijn
                                            schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                            cultuurhistorische waarde; </al></li><li nr="2."><al> terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: </al></li><li nr=""><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze
                                    verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of
                                    terreinen bedoeld in onderdeel a; </al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: </al></li><li nr=""><al>beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: </al></li><li nr=""><al>de door het college ingestelde commissie of aangewezen instantie
                                    op het gebied van monumentenzorg, met als taak burgemeester en
                                    wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over
                                    aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11 van de
                                    Monumentenwet 1988 of artikel 10, tweede lid, van deze
                                    verordening; </al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: </al></li><li nr=""><al>kaart, behorende bij de archeologische paragraaf van het
                                    bestemmingsplan; </al></li><li nr="f."><al>bevoegd gezag: </al></li><li nr=""><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>het college: </al></li><li nr=""><al>het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="h."><al>vergunning: </al></li><li nr=""><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                    of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="i."><al>Wabo: </al></li><li nr=""><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="j."><al>Monumentenraad: </al></li><li nr=""><al>de door het college ingestelde commissie of aangewezen instantie
                                    op het gebied van monumentenzorg, met als taak burgemeester en
                                    wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de
                                    toepassing van de Monumentenwet 1988, de verordening en het
                                    monumentenbeleid, anders dan over aanvragen om vergunning als
                                    bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 of artikel 10,
                                    tweede lid, van deze verordening; </al></li><li nr="k."><al>bouwhistorisch onderzoek: </al></li><li nr=""><al>in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de
                                    bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een
                                    monument. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentenraad. In spoedeisende gevallen kan
                                het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het
                                college overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing van
                                een onroerend monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen
                                dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentenraad adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst
                                van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentenraad, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een deel van een onroerende zaak beschermenswaardig is,
                                beperken de bescherming en registratie zich zo mogelijk tot dat
                                specifieke deel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan een
                                overeenkomstig artikel van de monumentenverordening van de provincie
                                Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd
                                met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>
                
                Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden, indien deze op papier worden ingediend,
                            in drievoud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 6 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al> De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="c."><al>gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning
                                    bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met
                                    gebruikmaking van de vergunning.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die
                                redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening hoort te
                                komen, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                                billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in
                                relatie staat tot:</al><al>a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                artikel 10 te verlenen;</al><al>b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                vergunning als bedoeld in artikel 10;</al><al>c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                artikel 10, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                Procedureregeling planschadevergoeding 2005 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10, wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening 2004 (rb. van 18 mei 2004, nr. 04.2009,
                            gewijzigd bij rb. van 2 maart 2006, nr. 06.471 en rb. van 26 juni 2007,
                            nr. 07INT00489) wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 19 ingetrokken
                                Monumentenverordening 2004 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd
                                te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 19 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2010 Gemeente
                            Hellendoorn.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>
          de griffier de voorzitter
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/></kop><al/><al><vet><onderstreept>A. Algemene toelichting</onderstreept></vet></al><al>De huidige wijziging van de model Erfgoedverordening houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor)
                    en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor). </al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert volledig in
                    de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is
                    in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al/><al>De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo
                    ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college
                    blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al/><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze verordening rekening gehouden met
                    de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook hierin zijn de bepalingen
                    van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als uitgangspunt
                    genomen.</al><al/><al><vet><onderstreept>B. Artikelsgewijze toelichting</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen </vet></al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en of bouwhistorische waarde. </al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met één of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip. </al><al/><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. </al><al/><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk. </al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet
                    1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument dat
                    is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op
                    de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing. </al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>De taken van de Monumentencommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening
                    en de Monumentenwet 1988. Door de Monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Monumentenwet
                    1988 te adviseren aan burgemeester en wethouders, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. </al><al/><al><cursief>Sub e</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen. </al><al/><al><cursief>Sub f</cursief></al><al>“Bevoegd gezag” is in artikel 1.1 Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht
                    gedefinieerd als “bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit
                    ten aanzien van een aanvraag om omgevingsvergunning of ten aanzien van een al
                    verleende omgevingsvergunning”. De Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht
                    bepaalt welk bestuursorgaan wanneer als bevoegd gezag moet worden aangemerkt
                    (niet alleen vergunningverlening, maar alle aspecten, zoals bijvoorbeeld ook
                    handhaving. Over het algemeen zal het college van burgemeester en wethouders
                    zijn aan te merken als bevoegd gezag. Slechts in uitzonderingsgevallen zal een
                    ander bestuursorgaan, bijvoorbeeld Gedeputeerde Staten of de minister van
                    Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd gezag zijn. </al><al/><al><cursief>Sub j</cursief></al><al>De taken van de Monumentenraad strekken zich uit over de Monumentenverordening
                    en de Monumentenwet 1988. Toevoeging van de Monumentenraad is nodig omdat in het
                    takenpakket van de Monumentencommissie niet is begrepen het adviseren over
                    andere monumentenaangelegenheden dan aanvragen om vergunning. Voor zowel de
                    Monumentencommissie en de Monumentenraad geldt dat beide worden ingesteld door
                    het college overeenkomstig het duale stelsel. </al><al/><al><cursief>Sub k</cursief></al><al>Een bouwhistorisch onderzoek maakt formeel niet langer deel uit van de
                    verordening. Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker echter
                    niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan
                    verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk
                    anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving
                    van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een
                    woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening opgenomen wordt. </al><al/><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al> De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten. </al><al/><al><vet> Artikel 2 Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook op het feitelijke gebruik van het object zelf. </al><al/><al><vet> Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument </vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. </al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument. </al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze,
                    weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing
                    in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet
                    van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                    voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging
                    kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen
                    tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                    achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                    monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentenraad als bedoeld onder
                    artikel 1, sub j. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentenraad bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats. </al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat, voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt, de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen. </al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking. </al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek
                    behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeente en kan worden gevraagd bij een
                    (aanvraag tot) aanwijzing als gemeentelijk monument en bij aanvragen voor
                    vergunning tot wijziging van een gemeentelijk monument. De bouwhistorische
                    waarde die door een verbouwing of andere wijziging aangetast wordt is van
                    invloed op de beslissing van het college. </al><al>Bij aanwijzing is deze mogelijkheid echter beperkter dan bij een aanvraag om
                    vergunning. Dit vindt zijn oorzaak in de daarmee gepaard gaande kosten en de
                    daarvoor nodige (maar niet verplichte) medewerking van de eigenaar van het pand.
                    Indien de eigenaar of gebruiker een aanvraag voor vergunning tot wijziging van
                    het gebouw indient, kan de gemeente hieraan de voorwaarde verbinden dat
                    bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. In dat geval zullen (een deel van) de
                    kosten van het bouwhistorisch onderzoek ten laste van de eigenaar kunnen worden
                    gebracht, gezien het belang dat deze bij de vergunningverlening heeft (zie
                    verder bij 'Vergunning tot wijziging van een monument'). </al><al/><al><vet> Artikel 4 Voorbescherm</vet><vet>ing</vet></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit </vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentenraad moet
                    adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger. </al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentenraad niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan. </al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6). </al><al/><al><vet> Artikel 6 Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening. </al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><vet> Artikel 7 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst </vet></al><al>
          De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing). </al><al/><al><vet> Artikel 8 Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4). </al><al/><al><vet> Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing </vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentenraad nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de
                    aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor
                    gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</vet></al><al/><al><vet> Artikel 10 Instandhoudingbepaling </vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier. </al><al/><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar. </al><al/><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Hiertoe moet ook
                    worden gerekend het kunnen bepalen dat informatie over de bouwhistorische waarde
                    van het gebouw nodig is ter verkrijging van inzicht in de cultuurhistorische
                    waarde van de te wijzigen delen van een gebouw bij de beoordeling van de
                    aanvraag tot wijziging van een monument. De Wabo ziet alleen op vergunningen en
                    ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom
                    buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere
                    regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                    vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                    toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan
                    ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                    minder met administratieve lasten worden geconfronteerd. </al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast. </al><al/><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt. </al><al/><al><vet> Artikel 11 De schriftelijke aanvraag </vet></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen, is in overleg
                    met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. </al><al/><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag slechts maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Termijnen advies </vet></al><al>Op grond van de Wabo is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure niet
                    nodig geacht voor de vergunning betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter
                    indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en
                    voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd moet worden dan wordt voor
                    het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd.
                    Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er
                    sprake is van een samenloop van procedure geldt de zwaarste. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager, nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen, een bericht waarin het vermeldt dat hij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en, indien de reguliere procedure wordt gevolgd,
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in één of meer dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al/><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie. </al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het niet uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet
                    in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. </al><al/><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><al/><al><vet> Artikel 13 Weigeringsgronden</vet></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg. </al><al/><al><vet> Artikel 14 Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat, als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de
                    belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd
                    gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. </al><al>De bepaling onder c is nodig gelet op artikel 2.33, lid 2, onder g, van de Wabo,
                    teneinde dit onder alle omstandigheden gelijk te stellen aan de mogelijkheid tot
                    intrekking van de omgevingsvergunning die betrekking heeft op het bouwen. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMDE MONUMENTEN </vet></al><al/><al><vet> Artikel 15 Vergunning voor beschermd monument </vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging
                    kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden
                    zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld. </al><al/><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald. </al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld. </al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 5 OVERIGE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet> Artikel 16 Tegemoetkoming in schade</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling,
                    waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                    mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen. </al><al> Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden
                    toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te
                    maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure. </al><al/><al><vet> Artikel 17 Strafbepaling</vet></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder
                    vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt
                    aangemerkt als economisch delict. </al><al/><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 380,- (januari 2010); in
                    de tweede categorie maximaal € 3800,- (januari 2010). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. </al><al/><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp en de wens om
                    enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend. </al><al/><al><vet> Artikel 18 Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift. </al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. </al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten. </al><al/><al><vet> HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet> Artikel 19 Intrekken oude regeling </vet></al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de Monumentenverordening 2004, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling. </al><al/><al><vet> Artikel 20 Overgangsrecht </vet></al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10). </al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden, zet de Wabo
                    de bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op
                    lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege
                    onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de
                    bepalingen uit de Wabo. </al><al/><al><vet> Artikel 21 Inwerkingtreding </vet></al><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                    Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding. </al><al/><al><vet> Artikel 22 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>