<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR410716_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gmb 2016-</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Versie: 15-06-2016</al><al>Arbeidsvoorwaarden</al><al>RAP stelt je in staat zelf de rechtspositieregelingen van de gemeente
                        Nijmegen te raadplegen. Hoewel de getoonde informatie met zorg wordt
                        samengesteld en geactualiseerd, kunnen hieraan geen rechten worden
                        ontleend.</al><al>1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de gemeente is
                                aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met
                                wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;
                            </al></li><li nr="b."><al><vet> functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat door de
                                ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1; </al></li><li nr="c."><al><vet> pensioenwet:</vet> de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals
                                die gold tot en met 31 december 1995; </al></li><li nr="d."><al><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="e."><al><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang van het
                                aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de
                                ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al></li><li nr="f."><al><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals die voor de
                                ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld; </al></li><li nr="g."><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur volgens de
                                aanstelling; </al></li><li nr="h."><al><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur zoals
                                die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld; </al></li><li nr="i."><al> vervallen;</al></li><li nr="j."><al><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis herleide formele
                                arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen; </al></li><li nr="k."><al><vet>dienstverband: </vet> een aanstelling voor bepaalde of
                                onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al></li><li nr="l."><al><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden die de ambtenaar, voor wie de
                                bijzondere werktijdenregeling geldt, in dienstopdracht verricht
                                buiten de feitelijke arbeidsduur per week; </al></li><li nr="m."><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                verrichten; </al></li><li nr="n."><al><vet> werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht; </al></li><li nr="o."><al><vet> uurloon: </vet> 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een
                                volledig dienstverband herberekende - salaris van de ambtenaar per
                                maand; </al></li><li nr="p."><al><vet> Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q."><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                                sector gemeenten; </al></li><li nr="r."><al><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst; </al></li><li nr="s."><al>vervallen;</al></li><li nr="t."><al>vervallen;</al></li><li nr="u."><al><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v."><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
                            </al></li><li nr="w."><al><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de zin van
                                artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al></li><li nr="x."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de WAO; </al></li><li nr="y."><al><vet> WIA:</vet> Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; </al></li><li nr="z."><al><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                                arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="aa."><al><vet> IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en duurzame
                                arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA; </al></li><li nr="bb."><al><vet> WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten; </al></li><li nr="cc."><al><vet> WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                arbeidsgeschikten op grond van de WIA; </al></li><li nr="dd."><al><vet> WAJONG:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                gehandicapten; </al></li><li nr="ee."><al><vet> WAZ:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                zelfstandigen;</al></li><li nr="ff."><al><vet>Wazo:</vet> Wet arbeid en zorg; </al></li><li nr="gg."><al><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                Inkomen; </al></li><li nr="hh."><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een uitvoeringsinstelling als
                                bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale
                                verzekeringen 1997; </al></li><li nr="ii."><al><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="jj."><al><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP; </al></li><li nr="kk."><al>vervallen;</al></li><li nr="ll."><al>vervallen;</al></li><li nr="mm."><al><vet>volledig dienstverband:</vet> een dienstverband waarvan de
                                arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per
                                week 36 uur bedraagt. Bij een deeltijd dienstverband bedraagt de
                                arbeidsduur minder dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur
                                minder dan 36 uur per week </al></li><li nr="nn."><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet; </al></li><li nr="oo."><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;
                            </al></li><li nr="pp."><al><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
                                als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI. </al></li><li nr="qq."><al><vet> Salaris:</vet> maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de
                                ambtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens formele
                                arbeidsduur.</al></li><li nr="rr."><al><vet> Salaristoelagen:</vet> de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3
                                genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de
                                waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de
                                buitendagvenstertoelage, de toelage beschikbaarheidsdienst, de
                                inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en
                                de afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend. Deze werden
                                tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging gerekend. </al></li><li nr="ss."><al><vet> Functieschaal:</vet> de salarisschaal die bij een functie
                                hoort; </al></li><li nr="tt."><al><vet> Periodiek:</vet> het maandbedrag in een salarisschaal; </al></li><li nr="uu."><al><vet>Salarisschaal:</vet> een reeks maandbedragen als opgenomen in
                                de bijlage bij dit hoofdstuk; </al></li><li nr="vv."><al><vet>Achterblijvende Partner:</vet> weduwe, weduwnaar, geregistreerd
                                partner van de overleden ambtenaar, of de ongehuwde partner die een
                                samenlevingscontract had met de overleden ambtenaar.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven
                        door de gemeente beheerd.</al><al>Artikel 1.1.0.1 Arbeidsduur per jaar</al><al>De gemiddelde arbeidsduur per jaar bedraagt in de gemeente Nijmegen 1827,3
                        uur in plaats van 1836 uur zoals vastgesteld in artikel 1:1 sub k. In de
                        gemeente Nijmegen zijn 5 mei en de vrijdagmiddag na de Nijmeegse vierdaagse
                        namelijk ook lokale feestdagen. Opgemerkt dient te worden dat de vergoeding
                        met betrekking tot zon- en feestdagen niet van toepassing is coor deze
                        lokale feestdagen.</al><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a."><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                onderwijs;</al></li><li nr="b."><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van
                                het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede
                                lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet; </al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot
                                onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder
                                opsporingsbevoegdheid; </al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op
                                grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van
                                de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is
                                bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de
                                sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van
                        de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de
                        ondernemingsraad, overeenstemming vereist is in het georganiseerd overleg of
                        instemming vereist van de ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                        brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.</al><al>Artikel 1:2a Stageplaats</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie of onderzoek
                        een stageplaats aanbieden op basis van een stage-overeenkomst.</al><al>Lid 2</al><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van
                        de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen 2:1A, 2:1B,
                        2:4.</al><al>Lid 3</al><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de duur
                        afhankelijk is van de leerdoelen van de stagiair.</al><al>Lid 4</al><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met de stagiair
                        en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van de stagiair centraal
                        staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al><al>Lid 5</al><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al><al>Lid 6</al><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                        Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan degene die daarom verzoekt een werkervaringsplaats aanbieden
                        op basis van een werkervaringsovereenkomst. </al><al>Lid 2</al><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                        uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17 en artikelen
                        2:1A, 2:1B en 2:4.</al><al>Lid 3</al><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, voor een
                        periode van maximaal 6 maanden. De werkervaringsovereenkomst kan eenmalig
                        worden verlengd met een periode van maximaal 6 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de medewerker,
                        waarbij het leerproces van de medewerker centraal staat. Het college zorgt
                        voor adequate begeleiding.</al><al>Lid 5</al><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al><al>Lid 6</al><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                        Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college salarisschaal A in
                        bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet
                        banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt
                        en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college vaststellen dat de
                        ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat
                        hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder
                        dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                        percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage
                        van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon, dan is het salaris van
                        de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon. </al><al>Lid 3</al><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel
                        3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in de
                        toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde minimumbedrag voor de
                        vakantietoelage.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in artikel 6a:7,
                        eerste lid genoemde minimumbedrag voor de levensloopbijdrage. </al><al>Lid 6</al><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de
                        eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag
                        naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor</al><al>Lid 7</al><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de
                        vakantietoelage het in de toelichting op artikel 6:3, tweede lid genoemde
                        minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor</al><al>Lid 8</al><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als minimumbedrag voor de
                        levensloopbijdrage het in artikel 6a:7 eerste lid genoemde minimumbedrag
                        naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.</al><al>Lid 9</al><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                        loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze
                        loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en
                        vergoedingen.</al><al>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                        aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de hoofdstukken 17 en 18
                        niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3,
                        7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3,
                        10d en 17 niet van toepassing. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in
                        het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter
                        draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                        te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al><al>Artikel 1:2:2 Vervallen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 1:2:3 Vervallen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 1:3 Toepassing</al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten
                        aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet
                        regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet
                        die rechtstoestand niet is geregeld.</al><al>Lid 2</al><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de
                        uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen
                        ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een
                        besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed -
                        gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor
                        LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al><al>Artikel 1:3a Toepassing</al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                functioneren van de dienst; </al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling,
                        van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter
                        uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden
                        getroffen.</al><al>Lid 2</al><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige
                        lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het
                                LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van
                                gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a
                                aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem
                        geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of
                        uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de
                        vervulling van zijn functie heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op
                        een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in
                        het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis
                        gebracht.</al><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                        dragen.</al><al>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal
                        te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling</al><al>Lid 1</al><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor
                        nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden
                        verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies
                        kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de
                        hoofdstuk 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet
                        overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                        functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd
                        overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                        regeling gevoerd bij het opstellen van even genoemde criteria en bij het
                        bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing
                        worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of
                        functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in
                        een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken
                        ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor
                        de inrichting van de werkzaamheden. </al><al>Artikel 1.6.0.1 Vrijstelling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor de functie van gemeentesecretaris of directeur van een directie kan de
                        vrijstellings-mogelijkheid in artikel 1:6 AGN van toepassing worden
                        verklaard. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In aanvulling op het gestelde in lid 1 worden de volgende uitgangspunten
                        gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>De functionaris krijgt een aanstelling voor bepaalde tijd;</al></li><li nr="b."><al>De aanvullende afspraken hebben betrekking op de duur van de
                                tijdelijke aanstelling, het salarisniveau en de hoogte en duur van
                                een uitkering;</al></li><li nr="c."><al>Tegenover bijvoorbeeld ‘plussen’ in het salaris zullen altijd
                                ‘minnen’ in andere arbeidsvoorwaarden moeten staan;</al></li><li nr="d."><al>Indien door de gemeentesecretaris of het College van B&amp;W wordt
                                overwogen tot aanstelling op grond van dit artikel over te gaan,
                                wordt altijd vooraf het hoofd P&amp;O-beleid geraadpleegd;</al></li><li nr="e."><al>Aanstelling in een dergelijke functie is voorbehouden aan het
                                College van B&amp;W.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikel zal vooralsnog gelden van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010,
                        waarbij de Ondernemingsraad jaarlijks zal worden geïnformeerd over de
                        toepassing van dit artikel”. </al><al>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</al><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al>Artikel 2.1 (Q) Aanstelling; het bevoegd gezag</al><al>Bij benoeming in vaste dienst na een tijdelijke aanstelling bij wijze van
                        proef dient een personeelsbeoordeling te worden opgemaakt.</al><al>Artikel 2.1.0.1 Aanstelling in algemene dienst</al><al>Tenzij anders bepaald, geschiedt aanstelling in algemene dienst.</al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1 </al><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter uitvoering van
                        dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de gemeente is met
                        ingang van 1 januari 2013 van rechtswege aangesteld in algemene dienst van
                        de gemeente.</al><al>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het belang van de
                        dienst een andere passende functie te aanvaarden. Een passende functie is
                        een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn
                        persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
                        kan worden opgedragen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht, is de
                        ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te
                                verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar te nemen;</al></li><li nr="b."><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c."><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie vastgestelde
                                werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten
                                van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig
                                kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden
                                verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en
                        omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs
                        niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij – onverminderd zijn
                        verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen – daarvan door
                        tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo
                        spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een
                        daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden
                        onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over
                        de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen
                        werkzaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                        gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek,
                        te allen tijde wordt gegarandeerd.</al><al>Lid 3</al><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het
                        bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet
                        justitiële en strafvorderlijke gegevens.</al><al>Lid 4</al><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts
                        voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een
                        tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten
                        krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.</al><al>Artikel 2.2 (Q) Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In aanvulling op de toelichting van artikel 2:2 wordt nog het volgende
                        vermeld: Als regel worden de bekwaamheids- en geschiktheidseisen op een
                        heldere manier vastgelegd in een functiebeschrijving of functieprofiel. Bij
                        de beoordeling of een kandidaat aan de benodigde bekwaamheids- en
                        geschiktheidseisen voldoet kan o.a. gebruik gemaakt worden van een
                        psychologisch onderzoek en/of andere gekwalificeerde toetsingsmethoden.
                        Indien daar gebruik van gemaakt wordt, dient daar in principe van tevoren,
                        bijvoorbeeld bij de interne vacaturemelding of bij de externe
                        personeelsadvertentie melding van te worden gemaakt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor wat betreft de vertrouwelijkheid van de gegevens en bejegening van de
                        kandidaten kan aansluiting worden gezocht bij de sollicitatiecode die de
                        Nederlandse Vereniging van Personeelsbeleid (NVP) daaromtrent heeft
                        vastgesteld. De code is gebaseerd op de conclusies van de zogenaamde
                        (regerings)commissie Hessel. Ook de Stichting van de Arbeid heeft
                        daaromtrent een aantal aanbevelingen gedaan die in grote lijnen overeenkomen
                        met de code van de NVP. In hoofdlijnen komen de rechten van de sollicitant
                        op het volgende neer.</al><lijst><li nr="§"><al>Recht op een eerlijke kans op aanstelling. Dat betekent gelijke
                                kansen bij gelijke geschiktheid. Maar ook het recht van de
                                arbeidsorganisatie om de meest geschikte kandidaat te kiezen.</al></li><li nr="§"><al>Het recht op goede informatie over o.a. de functie-inhoud, de
                                arbeidsorganisatie, de procedure, etc. De werkgever dient zich
                                hierbij actief op te stellen.</al></li><li nr="§"><al>Het recht op privacy. Hierbij wordt o.a. gedoeld op de soort en de
                                diepgang van de in te winnen informatie.</al></li><li nr="§"><al>Het recht op vertrouwelijke behandeling van persoonlijke gegevens.
                                Dat wil zeggen de vertrouwelijke wijze waarop met de ingewonnen
                                informatie wordt omgegaan.</al></li><li nr="§"><al>Het recht op een instrumenteel doelmatige procedure. Dat betekent
                                o.a. geen onnodig zware middelen (bijvoorbeeld een zware
                                selectiecommissie of psychologisch onderzoek) toepassen bij functie
                                waarbij dat niet nodig (functioneel) is.</al></li><li nr="§"><al>Het recht van klacht. De mogelijkheid van de sollicitant om zijn
                                beklag te doen als deze van mening is dat op voornoemde rechten
                                inbreuk is gedaan.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Gezien de complexiteit van deze regelgeving verdient het aanbeveling
                        hieromtrent informatie in te winnen bij de instantie die de vreemdelingenwet
                        uitvoert.</al><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
                        functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het
                        punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen
                        mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen
                        functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch
                        oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld
                        door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college. </al><al>Lid 2</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                        gemeente.</al><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al><al>Lid 2</al><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor bepaalde
                        tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste 6 maanden, een
                        periode van 24 maanden overschrijdt (de tussenpozen inbegrepen), geldt de
                        laatste aanstelling met ingang van die dag als een aanstelling voor
                        onbepaalde tijd.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                        hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden, geldt de
                        laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
                        aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een ambtenaar en verschillende
                        werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid of
                        geschiktheid van de ambtenaar, ten aanzien van de verrichte arbeid
                        redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, geldt de
                        aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf de dag waarop:</al><lijst><li nr="a."><al> de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van
                                niet meer dan zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 48
                                maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b."><al> meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben
                                opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes maanden.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal opvolgende
                        aanstellingen is overschreden, worden alleen de aanstellingen in tijdelijke
                        dienst in aanmerking genomen die zijn aangegaan na het bereiken van de
                        AOW-gerechtigde leeftijd.</al><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van
                        aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en
                                met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:</al></li><li nr="I."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al></li><li nr="II."><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III."><al>voor een project met een eenmalig en uniek karakter; </al></li><li nr="IV."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische
                                opleiding of vorming;</al></li><li nr="V."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de
                                overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                                tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                                groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar
                        kosteloos meegedeeld.</al><al>Lid 3</al><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2
                        december 1993 geschiedt kosteloos.</al><al>Artikel 2:4:2 Vacatures</al><al>Lid 1</al><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van
                        de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde
                        bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige
                        toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d
                        genieten ten laste van de gemeente.</al><al>Artikel 2.4.2.1 Vacaturevoorziening</al><al>Wat te doen als er binnen de gemeente een vacature ontstaat?</al><lijst><li nr="1."><al>Allereerst moet gekeken worden of de vacature kan worden vervuld
                                door "herschikkingkandidaten of de werkzoekende als gevolg van
                                arbeidsongeschiktheid” (zie herplaatsingbeleid) </al></li><li nr="2."><al> Als stap 1 niet kan leiden tot de vacaturevoorziening, wordt
                                vervolgens gekeken welke "andere interne kandidaten" voor de functie
                                in aanmerking zouden kunnen komen (zie artikel 2:4:2:2 van de AGN).
                            </al></li><li nr="3."><al> Als stap 2 ook niet tot resultaten leidt kan extern geworven
                                worden. Bij externe werving dient rekening te worden gehouden met de
                                regeling "Inspraak bij benoemingen". </al></li><li nr="4."><al> Voor de benoeming van "directeuren" geldt een aparte
                                sollicitatieprocedure (zie werving- en benoemingsprocedure
                                directeuren). </al></li><li nr="5."><al> Bij sollicitatieprocedures wordt de sollicitatiecode in acht
                                genomen (zie artikel 2:2 (Q)van de AGN). </al></li></lijst><al>Artikel 2.4.2.2 Interne kandidaten</al><al>Onder interne kandidaten wordt verstaan:</al><lijst><li nr="§"><al>De medewerker met een vast of tijdelijk dienstverband</al></li><li nr="§"><al> De medewerker met een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2:5
                                van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN); </al></li><li nr="§"><al> De inhuurkracht, die op grond van een uitzendovereenkomst of
                                payrollovereenkomst, werkzaam is bij de gemeentelijke organisatie;
                            </al></li><li nr="§"><al> De medewerker behorende tot een categorie personeel waarvan
                                instroom in de gemeentelijke organisatie in de rede ligt /de
                                bedoeling is, indien zulks in het overleg tussen bestuurder en
                                Ondernemingsraad is overeengekomen (bijvoorbeeld diegenen die
                                werkzaam zijn in het kader van de Participatiewet). </al></li><li nr="§"><al> Medewerkers in dienst van een gemeenschappelijke regeling, waaraan
                                de gemeente Nijmegen deelneemt, voor zover die gemeenschappelijke
                                regeling ook medewerkers van de gemeente Nijmegen als interne
                                kandidaten beschouwt.” </al></li></lijst><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</al><al>Lid 1</al><al>Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar
                        burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van
                        werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.</al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt
                        en door beide partijen ondertekend.</al><al>Lid 3</al><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de
                        persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</al><al>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de
                        artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</al><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum
                        van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15
                        uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats
                        indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt
                        gewerkt.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang
                                van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt
                                te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden
                                zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk
                                de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke
                                werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien
                                afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te
                                nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder
                                de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht
                                zich schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft
                                gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een
                                omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht
                                alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan
                                genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de
                                oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al></li></lijst><al>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</al><al>Lid 1</al><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van
                        de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in
                        artikel 2:5:2 .</al><al>Lid 2</al><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de oproepkracht geniet,
                        daaronder begrepen de vakantietoelage, worden uitgedrukt in een bedrag per
                        uur. </al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk
                        7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen
                        dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het
                        tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld
                        kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een
                        voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten
                        gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het
                        gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.</al><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht</al><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel
                        2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                        aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden
                        na het einde van de laatste aanstelling.</al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld
                        als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        formele arbeidsduur per week te verminderen of de formele arbeidsduur per
                        week uit te breiden tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 2</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is aangesteld
                        als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de
                        werktijden aan te passen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                        zich hiertegen verzetten.</al><al>Lid 3</al><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is aangesteld als
                        ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan het college
                        verzoeken tot aanpassing van zijn arbeidsplaats.</al><al>Lid 4</al><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon met wie een
                        arbeidsovereenkomst is aangegaan die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft
                        bereikt.</al><al>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd
                        naar maximaal 40 uur per week.</al><al>Lid 2</al><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te
                                bepalen periode;</al></li><li nr="2."><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3."><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4."><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="5."><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid,
                                evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="6."><al> de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a ,
                                eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="7."><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="8."><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college
                        dit vooraf aan de OR.</al><al>Lid 4</al><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het
                        gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40
                        uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Wervings- en benoemingsprocedure directeuren</al><al>Wervings- en benoemingsprocedure Directeuren</al><al>Vastgesteld door B&amp;W op 23 april 2002.</al><al>Deze procedure is tevens van toepassing op de commandant van de
                        brandweer.</al><al>De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor het wervings- en
                        selectieproces. Voorafgaand aan dit proces wordt door B&amp;W het
                        functieprofiel vastgesteld. Daarbij worden geraadpleegd: het directieteam,
                        de COR, het MT en de OR van de betreffende directie (zie verder bij
                        benoemingsprocedure). </al><al><vet>Artikel 1 Commissies</vet></al><al> Bij het proces spelen verder de volgende commissies een rol.</al><al><onderstreept>Selectiecommissie organisatie</onderstreept> Door de
                        gemeentesecretaris wordt een selectiecommissie gevormd die als volgt is
                        samengesteld:</al><lijst><li nr="§"><al>de gemeentesecretaris, tevens voorzitter;</al></li><li nr="§"><al>een lid van het directieteam;</al></li><li nr="§"><al>een lid van het managementteam van de betreffende directie;</al></li><li nr="§"><al>een adviseur van het bureau POI van DBO, tevens secretaris.</al></li></lijst><al><onderstreept>Selectiecommissie bestuur</onderstreept> Er wordt een
                        selectiecommissie bestuur gevormd die bestaat uit:</al><lijst><li nr="§"><al>de wethouder P&amp;O, tevens voorzitter;</al></li><li nr="§"><al>de burgemeester;</al></li><li nr="§"><al>een ander lid van het college;</al></li><li nr="§"><al>de gemeentesecretaris of een adviseur van het bureau POI, tevens
                                secretaris.</al></li></lijst><al><onderstreept>Inspraakcommissie</onderstreept> Door de gemeentesecretaris
                        wordt ook een inspraakcommissie gevormd, waarin zitting hebben:</al><lijst><li nr="§"><al>MT-leden van de betreffende directie;</al></li><li nr="§"><al>COR en OR-leden</al></li></lijst><al>Artikel 2 Benoemingsprocedure</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De Selectiecommissie Organisatie zorgt voor het opstellen van een
                        functieprofiel en advertentietekst en maakt tevens een planning voor het
                        werving- en selectieproces met inachtneming van artikel 2:4:2:1 van de
                        AGN.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De Selectiecommissie Organisatie maakt een voorselectie van de sollicitanten
                        en voert aan de hand van deze selectie sollicitatiegesprekken met de
                        kandidaten. Daarna maakt de Selectiecommissie Organisatie een keuze voor
                        meerdere kandidaten die worden voorgedragen aan de Selectiecommissie
                        Bestuur. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden volstaan met een
                        voordracht van één kandidaat.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De Selectiecommissie Bestuur voert selectiegesprekken met de voorgedragen
                        kandidaten en koppelt haar keuze via de gemeentesecretaris terug naar de
                        Selectiecommissie Organisatie. Indien geen kandidaat geschikt wordt
                        bevonden, worden nieuwe kandidaten gepresenteerd. Na terugkoppeling van de
                        Selectiecommissie Bestuur wordt de geselecteerde kandidaat voorgedragen aan
                        de Inspraakcommissie.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De Inspraakcommissie voert een gesprek met de geselecteerde kandidaat
                        waarbij opdracht is bijzondere aandacht te schenken aan de toekomstige
                        samenwerkingsrelatie. Zij koppelen hun bevindingen terug naar de
                        Selectiecommissie Organisatie.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De COR en/of de OR van de betreffende directie wordt in de gelegenheid
                        gesteld een advies uit te brengen. Hierna worden door de gemeentesecretaris
                        desgewenst de overige selectie-instrumenten zoals bijvoorbeeld psychologisch
                        onderzoek, assesment, en inwinnen referenties, e.d. benut. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Tenslotte vindt een voordracht plaats aan het college van Burgemeester en
                        Wethouders door de gemeentesecretaris. Het advies van de Inspraakcommissie
                        en de COR/OR wordt in de voordracht vermeld. De gemeentesecretaris
                        onderhandelt met de voorgedragen kandidaat over de arbeidsvoorwaarden en
                        doet daarover voorstellen aan het college als deze afwijkend zijn van de
                        gebruikelijke voorwaarden.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Het college beslist over de voordracht en de eventuele afwijkende
                        arbeidsvoorwaarden.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Na de benoeming wordt de raad geïnformeerd.</al><al>Artikel 3 Interne kandidaten en herschikking</al><al>De algemene richtlijn vacatureprocedure, zoals opgenomen in artikel 2:4:2:1
                        van de AGN, wordt gevolgd</al><al>Artikel 4 Privacy</al><al>Leden van de commissies behandelen de verkregen informatie strikt
                        vertrouwelijk. Referenties en uitkomsten van eventuele assesments of
                        psychologisch onderzoek worden niet ingewonnen c.q. aan de selectiecommissie
                        kenbaar gemaakt dan nadat de sollicitanten daarvoor toestemming hebben
                        gegeven.</al><al>Regeling inspraak bij benoemingen</al><al>Regeling inspraak bij benoemingen</al><al>Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 11 juni 1980</al><al><cursief><onderstreept>Raamprocedure</onderstreept></cursief> Bevattende de
                        richtlijnen voor het verlenen van inspraak bij benoemingen van
                        leidinggevenden.</al><al><vet>Artikel 1 De inhoud van de inspraak</vet></al><al>Het toevoegen van een inspraakprocedure aan de bestaande selectieprocedure
                        kan uiteraard géén afbreuk doen aan de formele benoemingsbevoegdheid, zoals
                        die nu is geregeld. De consequentie hiervan is, dat de bevoegdheid van een
                        inspraakcommissie beperkt moet blijven tot een adviserende functie, gericht
                        op het aandragen van bouwstenen voor een zo goed mogelijke
                        benoemingsbeslissing door hen die formeel ook voor die beslissing
                        verantwoordelijk zijn. Rekening houdend met deze beperking zal de inspraak
                        in grote lijnen betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten van het
                        selectieproces:</al><lijst><li nr="§"><al>de advisering met betrekking tot de inhoud van een interne oproep,
                                dan wel een advertentie;</al></li><li nr="§"><al>de advisering over de mogelijkheid tot interne vervulling van de
                                vacature;</al></li><li nr="§"><al>de advisering omtrent de mogelijkheid tot samenwerking met de
                                voorgeselecteerde kandidaat of kandidaten.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Functie waarop de inspraak betrekking heeft</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De regeling strekt zich uit tot leidinggevende functies, waarbij een
                        onderscheid is twee categorieën noodzakelijk is:</al><lijst><li nr="§"><al>diensthoofden: in geval van benoeming van een diensthoofd wordt een
                                inspraakcommissie gevormd;</al></li><li nr="§"><al>overige leidinggevende functionarissen.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het hoofd van dienst wijst de functies aan binnen zijn dienst, waarvoor de
                        inspraak geldt. Gestreefd dient te worden zoveel mogelijk leidinggevende
                        functies aan te wijzen, maar buiten dit kader vallen alle functies waarvan
                        de drager slechts partieel met de leiding van een eenheid is belast
                        (sous-chefs, plaatsvervangers en dergelijke).</al><al>Artikel 3 Samenstelling van de inspraakcommissie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de regel is het praktisch niet mogelijk alle tot inspraak gerechtigden
                        ondergeschikten ook rechtstreeks bij de inspraak te betrekken. Zulks zou tot
                        onhanteerbare en zeer tijdrovende procedures leiden, maar zou ook voor de
                        kandidaat/kandidate niet acceptabel zijn. Daarom zal bij iedere vacature
                        voor een functie, die in het kader van deze regeling voor inspraak is
                        aangewezen, een inspraakcommissie worden samengesteld, die zo goed mogelijk
                        de belangen van het betrokken organisatie-onderdeel kan
                        vertegenwoordigen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een vacature voor hoofd van dienst: de functionaris, op het moment van
                        bekend worden van de vacature belast met de leiding van de dienst (veelal
                        het vertrekkende hoofd van dienst zelf) draagt zorg voor een voordracht voor
                        een samen€stelling in het overleg met staf, MC of overleggroep. Bovendien
                        raadpleegt hij overleg over deze samenstelling met het hoofd van de
                        concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie. De definitieve
                        beslissing over de samenstelling is voorbehouden aan het college.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij een vacature voor andere leidinggevenden: Het hoofd van dienst (of een
                        door hem aan te wijzen functionaris) beslist met betrekking tot de
                        samenstelling van een te vormen inspraakcommissie op voorstel van de met de
                        selectie belaste chef en personeelsfunctionaris. Aan iedere te vormen
                        inspraakcommissie wordt bovendien de voor de dienst aangewezen
                        personeelsfunctionaris ter ondersteuning toegevoegd. Het aantal leden van de
                        inspraakcommissie dient beperkt te blijven tot drie.</al><al>Artikel 4 Taken en werkwijze van de inspraakcommissie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De hoofdtaak van een gevormde inspraakcommissie bestaat uit het zo goed
                        mogelijk inschatten van de mogelijkheden tot samenwerking in geval van
                        plaatsing van de betrokken kandidaat.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door toedoen van de betrokken personeelsfunctionaris zullen de leden van de
                        commissie worden voorzien van die informatie die strikt nodig is om het
                        onder lid 1 van dit artikel gestelde doel te bereiken. Ter bescherming van
                        de privacy van kandidaten zullen conclusies van psychologische onderzoeken
                        en naar aard vergelijkbare informatie niet aan de leden van de commissie
                        worden voorgelegd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het is de leden van de commissie verboden op persoonlijk initiatief bij
                        derden inlichtingen in te winnen over één of meer kandidaten. De mate van
                        behoefte aan dergelijke informatie kan in gezamenlijke overleg worden
                        vastgesteld, waarna de betrokken personeelsfunctionaris zorg draagt voor de
                        effectuering.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissieleden zijn verplicht tot geheimhouding van persoonlijke
                        gegevens, die aan hen in deze inspraakprocedure ter kennis komen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot interne vervulling van een
                        vacature, voor een voor inspraak aangewezen functie, wordt de commissie door
                        de personeelsfunctionaris daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Indien de meerderheid van de commissie bezwaren heeft tegen de voorgenomen
                        interne vervulling, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor
                        dat deze bezwaren schriftelijk ter kennis worden gebracht aan het hoofd van
                        dienst. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie
                        medegedeeld.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot externe werving wordt de
                        conceptadvertentie zo spoedig mogelijk door de betrokken
                        personeelsfunctionaris met de commissie besproken. Met de opmerkingen van de
                        commissie zal bij het vaststellen van de definitieve advertentietekst zoveel
                        mogelijk rekening worden gehouden.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Indien de commissie in meerderheid van mening is dat tot interne vervulling
                        dient te worden overgegaan, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er
                        zorg voor dat dit standpunt schriftelijk aan het hoofd van dienst wordt
                        voorgelegd. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie
                        medegedeeld.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Aan sollicitanten zal, tegelijk met de ontvangstbevestiging van hun
                        sollicitatiebrief, worden medegedeeld dat een gesprek met een
                        inspraakcommissie uit het personeel onderdeel kan uitmaken van de
                        selectieprocedure.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>De commissie wordt (indien van de kant van de kandidaat hiertegen geen
                        dringende bezwaren bestaan) in de gelegenheid gesteld een gesprek te voeren
                        met de daartoe geselecteerde kandidaat of kandidaten, die in principe in
                        aanmerking kunnen komen voor benoeming. De personeelsfunctionaris is daarbij
                        aanwezig. Indien de kandidaat niet wil en er desondanks grote behoefte
                        bestaat hem te benoemen, ontstaat er een impasse die op andere wijze moet
                        worden opgelost.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>De betrokken personeelsfunctionaris draagt er zorg voor dat de zienswijze
                        van de commissie inzake de verwachte samenwerkingsmogelijkheden met de
                        geselecteerde kandidaat of kandidaten schriftelijk ter kennis wordt gebracht
                        aan het hoofd van dienst.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Indien het hoofd van dienst voornemens is een kandidaat ter benoeming voor
                        te dragen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt door
                        hem nader overleg gepleegd met de commissie. </al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel
                        het afwijkende standpunt van de commissie te worden overlegd. De kandidaat
                        wordt van het standpunt van de commissie in kennis gesteld.</al><al><vet>Lid 14</vet></al><al>Indien het een vacature van een hoofd van dienst betreft, wordt in de leden
                        6, 8 en 11 van dit artikel in plaats van 'hoofd van dienst' gelezen: 'het
                        college'. In dat geval geldt in plaats van lid 12 en 13 van dit artikel het
                        volgende:</al><lijst><li nr="§"><al>indien het college voornemens is een kandidaat aan de Raad ter
                                benoeming voor te stellen, waartegen de commissie in meerderheid
                                bezwaren heeft, wordt namens hen door een lid van het college nader
                                overleg gepleegd met de commissie;</al></li><li nr="§"><al>indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het
                                benoemingsvoorstel aan de Raad het afwijkende standpunt van de
                                inspraakcommissie vertrouwelijk aan de Commissie van Bijstand te
                                worden overgelegd;</al></li><li nr="§"><al>de kandidaat wordt van het standpunt van de inspraakcommissie in
                                kennis gesteld.</al></li></lijst><al>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                uitkeringen</al></li></lijst><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                        gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al><al>Lid 2</al><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                        functiewaarderingssysteem.</al><al>Lid 3</al><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op basis van een
                        functiewaarderingssysteem. </al><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                        uitkeringen</al><al>Lid 1</al><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op salaris,
                        vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit
                        recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn
                        verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en de
                        uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling anders is
                        bepaald. </al><al>Paragraaf 2 Salaris</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al></li></lijst><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand van zijn
                        functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid en bekwaamheid. Het
                        salaris wordt vastgesteld met aanduiding van een periodiek in de
                        functieschaal.</al><al>Lid 2</al><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij al voldoet
                        aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van opleiding, ervaring en
                        bekwaamheid, kan zijn salaris overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal
                        dan de functieschaal worden vastgesteld.</al><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al><al>Lid 1</al><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende periodiek
                        toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtenaar functioneert voldoende; </al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet
                                bereikt; </al></li><li nr="c."><al> er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling , zijn
                                laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke salarisverhoging
                        aanvullende voorwaarden stellen.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke salarisverhoging
                        toekennen.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het college voor
                        de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste verhogingsdatum
                        vaststellen.</al><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al><al>Lid 1</al><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen salarisschaal gaan
                        gelden met een lager maximumsalaris, tenzij hiervoor in deze regeling, of
                        andere wet- en regelgeving, een grond aanwezig is.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn instemming worden
                        herplaatst in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een
                        overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
                        artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in een functie met een lager
                        maximumsalaris, met een overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door toepassing van
                        hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie met een lager maximumsalaris
                        en een mogelijk overeenkomstige aanpassing van het salaris, voor zover
                        geregeld in een sociaal plan of sociaal statuut.</al><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal overgaat, heeft
                        vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een hoger salaris. </al><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31 december 2015
                        in een lokale regeling was vastgelegd. De uitloopschaal is één schaal hoger
                        dan de functieschaal. In de lokale regeling worden voorwaarden en regels
                        gesteld die van toepassing zijn op de instroom in- en het doorlopen van de
                        uitloopschaal. </al><al>Paragraaf 3 Salaristoelagen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al></li></lijst><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed of uitstekend
                        heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties heeft geleverd, en die het
                        maximum van zijn functieschaal heeft bereikt, een functioneringstoelage
                        toekennen.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het voortduren van de
                        gronden waarop de toelage is toegekend, kan deze opnieuw worden toegekend. </al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage toekennen om hem
                        in dienst te kunnen nemen of te behouden, als schaarste op de arbeidsmarkt
                        daartoe aanleiding geeft en er in het betreffende vakgebied sprake is van
                        een ernstig tekort aan personeel.</al><al>Lid 2</al><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is vastgesteld,
                        met een maximum van 3 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                        (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt uitgedrukt in een
                        percentage van het uurloon gedurende de volgende tijdvakken van de week: </al><lijst><li nr="§"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00
                                uur en 22.00 uur: 20% </al></li><li nr="§"><al> maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen 22.00
                                en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="§"><al> zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="§"><al> zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid tussen
                                0.00 en 24.00 uur: 65%</al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het
                        uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 6.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een week slechts op
                        één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1
                        genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al><al>Lid 3</al><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt uitbetaald, kan
                        niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding (artikel 3:18) worden
                        uitbetaald.</al><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en die
                        door het college is aangewezen om te werken buiten het dagvenster (artikel
                        4:2, tweede lid), heeft recht op een buitendagvenstertoelage. </al><al>Lid 2</al><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="§"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte uren buiten
                                het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zaterdag; </al></li><li nr="§"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op
                                zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft
                        geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                        beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage beschikbaarheidsdienst. </al><al>Lid 2</al><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag tot en met
                        vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op zaterdag, zondag en op de
                        feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde lid.</al><al>Lid 3</al><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk aan het
                        uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van salarisschaal 7.</al><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage toekennen,
                        indien er sprake is van niet vermijdbare zware, onaangename of gevaarlijke
                        arbeid.</al><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een lager
                        salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage toekennen.</al><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage onregelmatige dienst, de
                        toelage beschikbaarheidsdienst, en/of de inconveniëntentoelage blijvend
                        wordt verlaagd of beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien: </al><lijst><li nr="§"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden
                                gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én</al></li><li nr="§"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is
                                gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="§"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of
                                9e) van toepassing is, of </al></li><li nr="§"><al> indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen in een
                                sociaal plan.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De afbouwtoelage
                        bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede jaar 50% en in het derde jaar
                        25% van het af te bouwen bedrag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen onderhevig
                        was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande
                        12 maanden.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij een functie
                        aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, wordt de
                        afbouwtoelage verrekend met de salarisverhoging. </al><al>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                prestaties</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in
                                en door de dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                zorgverzekering</al></li></lijst><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens werkzaam te zijn
                        als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel 15 van de
                        Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een anti-agressie- of
                        interventieteam, ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met
                        bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere regeling voor
                        de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een overwerkvergoeding. Over de
                        uren waarover een overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een
                        toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al><al>Lid 2</al><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, </al></li><li nr="b."><al> het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter hoogte van het
                                volgende percentage van het uurloon van de ambtenaar:</al><lijst><li nr="§"><al> 100% voor overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5)
                                        tussen 0.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;
                                    </al></li><li nr="§"><al> 75% voor overwerk op een maandag of de dag volgend op een
                                        feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of
                                        vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag
                                        donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="§"><al> 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag, donderdag
                                        of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur.</al></li></lijst></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg
                        mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van
                        de dienst dit toelaten wordt het verlof verleend op een tijdstip dat de
                        ambtenaar wenst.</al><al>Lid 4</al><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde lid, dan
                        bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat bestaat uit het
                        uurloon, vermeerderd met een percentage van het uurloon conform het tweede
                        lid onder b.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden van toepassing
                        is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over
                        de gewerkte tijd een overwerkvergoeding.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of hoger heeft
                        geen recht op een overwerkvergoeding.</al><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0 %
                        van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De
                        uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een
                        deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van
                        de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het
                        gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                        geweest.</al><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij 25, 40 en 50
                        jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst wordt verstaan de tijd die
                        hij in dienst is geweest bij een bij het ABP aangesloten werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                        maandsalaris over de maand van jubileren, plus de vakantietoelage berekend
                        over deze maand en de in deze maand toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50
                        jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van
                        jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen.</al><al>Lid 3</al><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 of 8:4
                        CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van ontslag, maar voor het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd recht zou hebben gehad op een
                        jubileumtoelage, ontvangt een evenredig deel van de toelage. In dat geval
                        wordt de laatste maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de
                        maatgevende maand aangemerkt. </al><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                        prestaties</al><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een
                        geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere
                        prestaties. </al><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor
                        reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij gebruik van
                        het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het 2e klasse
                        tarief.</al><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
                        toekennen. </al><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelagen eindigt
                        de dag na het overlijden van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of
                        bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen — een
                        overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal het laatst genoten salaris
                        vermeerderd met de vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen</al><al>Lid 3</al><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het voorgaande lid dan
                        wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen,
                        ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was.</al><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door
                        de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is
                        van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de achterblijvende
                        partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen partner nalaat,
                        wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige kinderen. </al><al>Lid 2</al><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de vakantietoelage en
                        de toegekende salaristoelagen, berekend over de 12 kalendermaanden
                        onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden. </al><al>Lid 3</al><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt
                        als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst,
                        bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor
                        het college zich heeft verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het
                        tweede lid genoemde uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste lid dan
                        wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de meerderjarige kinderen,
                        ouders, broers of zusters waarvoor de overledene kostwinner was. </al><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                        zorgverzekering</al><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten
                            Amsterdam en Den Haag)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of Extra Zorg 4
                        bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn Keuze 4 bij Zilveren
                        Kruis Achmea heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten. </al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                        maand december uitbetaald. </al><al>Lid 3</al><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                        ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. </al><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering</al><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de gemeenten
                            Amsterdam en Den Haag)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van
                        de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de
                        hoogste periodiek van schaal 6.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt
                        ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij
                        in dienst is geweest.</al><al>Lid 4</al><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december.
                        Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum
                        voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in
                        dienst is geweest. </al><al>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd) </al><al>(gereserveerd) </al><al>Paragraaf 6 Overgangsrecht </al><al>§Overgangsrecht hoofdstuk 3</al><al>Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3</al><lijst><li nr="1."><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december 2015
                                zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden waaronder ze
                                zijn toegekend.</al></li><li nr="2."><al>Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt uitgezonderd
                                van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van het IKB,
                                tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de vakbonden anders
                                wordt besloten.</al></li><li nr="3."><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden die op al het personeel binnen
                                een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn
                                opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of
                                rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1
                                januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze
                                omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                (jaarbedrag) deel 1. </al></li><li nr="4."><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale
                                bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en
                                dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1
                                januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van
                                het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante
                                factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald: Het verschil
                                vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel 2. </al><lijst><li nr="a."><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                        ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor
                                        toelagen/vergoedingen </al></li><li nr="b."><al> hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                        ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage
                                overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                loonontwikkelingen.</al></li><li nr="6."><al> Er zijn geen anticumulatiebepalingen. </al></li><li nr="7."><al> Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een keer
                                per jaar wordt uitbetaald in de maand december. </al></li><li nr="8."><al> De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis
                                zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een
                                eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.</al></li><li nr="9."><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt, dan
                                wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd. </al></li><li nr="10."><al> Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de
                                toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="11."><al> Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                effect. </al></li><li nr="12."><al> Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of betaling
                                in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="13."><al> Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op 31
                                december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de
                                ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe
                                artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de
                                lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben
                                op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de
                                lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om
                                de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de
                                ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de
                                overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. </al></li></lijst><al>Lokale regelingen</al><al>Uitvoeringsregeling hoofdstuk 3 </al><al>Artikel 1 Inpassing in hogere schaal</al><al><cursief>Uitwerking artikel 3:6</cursief></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wanneer voor de ambtenaar op het moment van plaatsing in een andere functie,
                        dan wel als gevolg van een functiewaarderingsonderzoek of als gevolg van de
                        overstap van de aanloopschaal naar de functieschaal een schaal gaat gelden
                        met een hoger maximum schaalbedrag, wordt het schaalbedrag in de alsdan
                        geldende schaal vastgesteld op het bedrag, gelegen onmiddellijk boven het
                        schaalbedrag dat de ambtenaar in de oude schaal zou hebben genoten, zulks
                        met inachtneming van het bepaalde in lid 2. Van het bepaalde in de vorige
                        volzin kan voor wat betreft de bepaling van het schaalbedrag in voor de
                        ambtenaar gunstige zin worden afgeweken indien deze nieuwe schaal gaat
                        gelden na plaatsing in een andere functie. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In ieder geval wordt het schaalbedrag in de nieuwe schaal zodanig
                        vastgesteld, dat wordt gerealiseerd dat het verschil tussen het nieuwe
                        schaalbedrag en het oude schaalbedrag van de ambtenaar tenminste 75%
                        bedraagt van het verschil tussen het bedrag dat de ambtenaar laatstelijk
                        genoot en het naast hogere bedrag in die oude schaal, dan wel het naast
                        lagere bedrag in die oude schaal, indien het salaris in de oude schaal reeds
                        overeenkwam met het hoogste bedrag uit die schaal.</al><al>Artikel 2 Functioneringstoelage</al><al><cursief>Uitwerking artikel 3:8</cursief></al><al>Indien de ambtenaar bij de personeelsbeoordeling voor de daarbij gehanteerde
                        criteria gemiddeld minimaal de kwalificatie ‘gaat boven de eisen uit’
                        behaalt, terwijl daarnaast bij geen enkel criterium sprake is van een lagere
                        kwalificatie dan ‘voldoet aan de eisen’, wordt hem in ieder geval met ingang
                        van de datum waarop de beoordeling is vastgesteld, een tijdelijke toelage
                        als bedoeld in artikel 3:8 toegekend. </al><al>Artikel 3 Afbouwtoelage</al><al><cursief>Uitwerking artikel 3:16</cursief></al><al>De uitkeringsperiode van de toelage is drie jaar en deze periode wordt
                        gesplitst in drie gelijke deelperioden van een jaar. </al><al>Artikel 4 Ambtsjubileum</al><al><cursief>Uitwerking artikel 3:19 </cursief></al><al>De ambtenaar, in dienst op 31 december 2015, voor wie is bepaald dat de
                        jubileumdatum op grond van de thans geldende criteria zal vallen uiterlijk
                        op 31 december 2020, ontvangt op de vastgestelde datum de daarbij behorende
                        gratificatie, zoals vermeld in artikel 3.5.1.0 van de AGN, zoals deze luidt
                        op 31 december 2015.</al><al>Artikel 5 Garantie BHV-vergoeding, toelage vertrouwenspersoon,
                        inconveniententoelage en toelage bereikbaarheid in het kader van het
                        rampenplan</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Medewerkers, die op 1 januari 2016 in het genot zijn van een van
                        bovengenoemde vergoedingen behouden deze vergoeding. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zodra de inzet voor BHV, inzet als vertrouwenspersoon of inzet voor het
                        rampenplan wordt beëindigd wordt de vergoeding stop gezet.</al><al>Artikel 6 Uitbetaling TOR</al><al>Uitbetaling van de TOR, zoals opgenomen in artikel 7 van het overgangsrecht
                        zal maandelijks plaatsvinden. </al><al>4 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </al><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met inachtneming van
                        hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al><al>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </al><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al><al>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                        dagvenster.</al><al>Lid 2</al><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00 en 22:00
                        uur.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk kalenderjaar afspraken
                        over de werktijden, het verlof en de planning van de werkzaamheden van de
                        ambtenaar, voor het komende jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a."><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de ambtenaar en het
                                college;</al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet blijven;
                            </al></li><li nr="c."><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per week 50
                                uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan wordt afgeweken.
                            </al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken over de
                        werktijden aangepast worden. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de werktijden
                        in relatie tot de planning van de werkzaamheden. </al><al>Lid 7</al><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het ongewijzigd
                        voortzetten van de planning van de werkzaamheden leidt tot overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast.
                        Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat overschrijding
                        van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de omvang
                        van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt
                        voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het uurloon of
                        een uur vakantieverlof. </al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster wanneer dat
                        op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de uren die de ambtenaar
                        buiten het dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als bedoeld in
                        artikel 3:12. </al><al>Lid 9</al><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster vanwege
                        dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 10</al><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de werktijden in
                        overeenstemming vast te stellen, dan stelt het college wanneer het
                        dienstbelang dit vergt eenzijdig de werktijden vast met afweging van alle
                        betrokken belangen. In die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van
                        de ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                        hoofdstuk. </al><al>Lid 11</al><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang incidenteel
                        verzoeken om werkzaamheden te verrichten op werktijden die afwijken van de
                        afspraken die hierover gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
                        ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                        ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter hoogte van de
                        buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in artikel 3:12. Artikel 3:12,
                        derde lid, is van overeenkomstige toepassing. </al><al>Lid 12</al><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken over de
                        werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid om
                        verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen gemotiveerd kan
                        afwijken. </al><al>Lid 13</al><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een ruimer
                        dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede lid, dan blijft
                        vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster gelden. </al><al>Artikel 4.2.0.1 Kaderregeling werktijden en Regeling beschik- en
                        bereikbaarheidstoelage</al><al>In aanvulling op artikel 4:1 betreffende arbeidsduur en werktijden, vindt u
                        bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Kaderregeling werk- en
                        arbeidstijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage van de gemeente
                        Nijmegen.</al><al>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </al><lijst><li nr=""><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                        eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al><al>Lid 2</al><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt het college
                        deze vast in een rooster. </al><al>Lid 4</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels in acht
                        genomen: </al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang bekend
                                gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend vastgesteld op
                                een wijze waardoor een aanspraak op een ORT wordt ontweken. </al></li></lijst><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag, tenzij het
                        dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking hiervan is slechts
                        mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar. </al><al>Lid 2</al><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt zoveel mogelijk
                        gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke
                        feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig
                        mogelijk wordt beperkt. </al><al>Lid 3</al><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag
                        is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag,
                        de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide
                        Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit
                        artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook
                        voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende
                        feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop
                        de openbare dienst van de gemeente is gesloten.</al><al>Lid 5</al><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap
                        behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert,
                        overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft
                        ingediend.</al><al>Artikel 4.5.1.1 Resumé zon- en feestdagen en lokale vrije dagen</al><al>De gemeente Nijmegen kent de volgende zon- en feestdagen (zie artikel
                        1.1.0.1)</al><lijst><li nr="§"><al>Nieuwjaarsdag</al></li><li nr="§"><al>2e paasdag (1e paasdag valt altijd op een zondag)</al></li><li nr="§"><al>Koningsdag</al></li><li nr="§"><al>Hemelvaartdag</al></li><li nr="§"><al>2e Pinksterdag</al></li><li nr="§"><al>Beide kerstdagen</al></li><li nr="§"><al>Bevrijdingsdag 5 mei</al></li><li nr="§"><al>De vrijdagmiddag van de 4-daagse</al></li></lijst><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                        arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6 nadere
                        regels stellen. </al><al>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</al><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters </al><al>Lid 1 </al><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de ambtenaar die
                        bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster. </al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid van dit
                        artikel een werktijdenregeling vast. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er zorg voor
                        dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden. </al><al>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige verlofspaarmogelijkheid </al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet> het voor 1 april 2006
                                opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b."><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed:</vet> het
                                omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per
                                verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het
                                moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het
                        college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.
                        De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten
                        periode.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het
                        verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt
                        aan de levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt
                        gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke
                        bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het
                        opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de
                        ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie
                        van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan
                        dit verzoek kan worden voldaan. </al><al>Lid 4</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende
                        opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn.
                        In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn
                        zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het
                        aanvaarden van een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn
                        te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed
                        uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 5</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of 8:10 wordt
                        de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het
                        resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is,
                        wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                        bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 6</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar
                        verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van
                        de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het
                        ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde
                        verloftegoed. </al><al>Lid 7</al><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het
                        resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid. </al><al>Lid 8</al><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met
                        inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde
                        verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al><al>Lid 9</al><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk
                        ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken
                        gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed. </al><al>Lid 10</al><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald
                        naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar. </al><al>Lokale regelingen</al><al>Kaderregeling werk- en arbeidstijden</al><al>Artikel 1 Begrippenkader</al><al><vet>Kaderregeling werk- en arbeidstijden</vet></al><al>Bij het vaststellen van een werktijdenregeling dient rekening te worden
                        gehouden het begrippenkader, zoals opgenomen in de Arbeidstijdenwet (ATW) en
                        de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN).</al><al>Artikel 2 Bevoegdheid en voorwaarden</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 3</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 4 </al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 5</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 6</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 7</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 8</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 9</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 10 Het opstellen van roosters</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Er mogen collectief geen werkroosters worden vastgesteld waarbij structureel
                        4 x 9 uren dan wel 5 x 7,2 uren worden ingeroosterd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hoewel bij het opstellen van roosters zoveel als mogelijk is rekening zal
                        worden gehouden met belangen en wensen van deeltijders, komen de werktijden
                        van deeltijders indien nodig ook voor inroostering in aanmerking.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11, eerste en
                        eventueel achtste lid, worden deze extra uren in het rooster verwerkt. De
                        gemiddelde feitelijke arbeidsduur zal dan als gevolg daarvan langer zijn dan
                        de formele arbeidsduur (38 i.p.v. 36 uur bij een volledige betrekking indien
                        geen gebruik wordt gemaakt van bandbreedte).</al><al>Artikel 11 Compensatie-uren</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de regeling dient te worden verwerkt dat, indien de werknemer dit wenst,
                        op jaarbasis maximaal 101,6 uren bij een volledige betrekking als
                        compensatie-uren vrij opneembaar zijn, voor zover de werkzaamheden dat
                        toelaten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Compensatie-uren dienen in het begin van elk kalenderjaar, of aanvang van
                        het dienstverband, bijgeschreven te worden op de verlofkaart. Zij worden
                        echter wel apart vermeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De opname van compensatie-uren (compensatieverlof) geschiedt op dezelfde
                        wijze als opname van verlofuren; daarbij wordt wel vermeld dat het
                        compensatie-uren betreft. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Bij ziekte tijdens ingeroosterd compensatie-verlof worden deze uren als
                        opgenomen beschouwd.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Bij ziekte langer dan drie maanden, wordt de werknemer geacht voor elke 4
                        weken dat de ziekte langer duurt, 8 uren compensatieverlof te hebben
                        opgenomen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De aan het einde van een kalenderjaar niet opgenomen compensatie-uren kunnen
                        niet worden overgeschreven, en vervallen derhalve.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De teveel opgenomen compensatie-uren bij beëindiging van het dienstverband
                        worden verrekend (bijvoorbeeld met de resterende verlofdagen). Niet-genoten
                        compensatie-uren worden daarentegen uitbetaald.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Voor de werknemer met een niet-volledige betrekking wordt voorde toepassing
                        van het in het eerste en vijfde lid bepaalde een berekening naar
                        evenredigheid toegepast.</al><al>Artikel 12</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 13 Collectieve sluiting</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college behoudt zich het recht voor om, met instemming van de OR, tot
                        collectieve sluiting van de gemeentelijke organisatie te besluiten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Aanwijzing van deze collectieve sluiting voor het daaropvolgende
                        kalenderjaar geschiedt telkenjare zo mogelijk voor 1 december van het
                        lopende kalenderjaar.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Bij het vaststellen van de roosters en werktijden van enig kalenderjaar,
                        wordt rekening gehouden met de collectieve sluiting en kunnen daaromtrent
                        nadere afspraken worden gemaakt. Deze dagen worden derhalve, indien de
                        ambtenaar dat wenst, ingeroosterd.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien de collectieve sluiting niet conform het bepaalde in het vorige lid
                        in het rooster is verwerkt, dienen voor de collectieve sluiting
                        compensatie-uren c.q. verlofuren te worden ingezet.</al><al>Artikel 14 Overgangs- en slotbepalingen</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al>Toelichting</al><al>Algemene toelichting</al><al>Op basis van een sectoraal accoord inzake verdere arbeidsduurverkorting
                        geldt per 1 januari 1997 een gemiddeld 36-urige werkweek. Daarnaast zijn
                        afspraken gemaakt over mogelijkheden tot meer flexibele inzet van het
                        gemeentelijk personeel alsmede een spaarvariant in het kader van de
                        vormgeving van de arbeidsduurverkorting. Deze afspraken zijn in de
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) vastgelegd. </al><al>Een verdere detaillering van door sociale partners gemaakte afspraken
                        geschiedt op lokaal niveau. Daarbij komen lokaal bestaande afspraken omtrent
                        invulling van de vorige ADV-ronde van 40 naar 38 uur in beginsel te
                        vervallen. In het 'Accoord Arbeidsvoorwaarden april 1996-januari 1998 zijn
                        daarom enkele randvoorwaarden omtrent de vormgeving van de 36-urige werkweek
                        geformuleerd, en is besloten tot vaststelling van een kaderregeling werk- en
                        arbeidstijden, te hanteren bij de regeling van werk- en arbeidstijden op
                        directieniveau. </al><al>Deze randvoorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>er vindt geen algehele inkrimping van bedrijfstijden plaats.</al></li><li nr="b."><al>werkroosters van structureel 4 x 9 uur en van 5 x 7,2 uur worden
                                niet collectief vastgesteld; een dergelijk rooster kan wel in
                                voorkomende gevallen met individuele werknemers worden
                                overeengekomen.</al></li><li nr="c."><al>de onderlinge bereikbaarheid van diensten zal worden
                                gegarandeerd.</al></li><li nr="d."><al>bij de invulling van werktijden en roosters wordt waar mogelijk
                                rekening gehouden met individuele wensen en omstandigheden.</al></li></lijst><al>Bij het inrichten van de werkprocessen moet de 36-urige werkweek als
                        vertrekpunt worden genomen. Aangezien in de lokale CAO ook afspraken zijn
                        gemaakt omtrent het vrij opneembaar blijven van 101,6 uren per jaar -zoals
                        dat tot op heden ook het geval was in de vorm van 12 adv-dagen- zal dat,
                        indien de medewerker van deze regeling gebruik wenst te maken, in een
                        patroon van gemiddeld 38 arbeidsuren bij een volledige betrekking in het
                        rooster tot uitdrukking komen. </al><al>Indien er in enige periode meer dan 36 uren gemiddeld zijn ingeroosterd, kan
                        dat ook het gevolg zijn van:</al><lijst><li nr="§"><al>ingeroosterde uren als gevolg van het gebruik maken van de
                                bandbreedte, of:</al></li><li nr="§"><al>uren als gevolg van de spaarregeling als bedoeld in artikel 4:3 van
                                de AGN. </al></li></lijst><al>Indien individueel een spaarverlofregeling wordt overeengekomen, is het
                        noodzakelijk dat -alvorens feitelijk hiertoe wordt overgegaan- de afspraken
                        schriftelijk worden vastgelegd. De voorbeeld-spaarovereenkomst van het
                        College voor Arbeidszaken van de VNG dient hierbij als uitgangspunt.</al><al>De spaarregeling is opgenomen als artikel 4:3 in de AGN.</al><al>In het verleden gemaakte principe-afspraken over dagen waarop de
                        gemeentelijke directies of onderdelen collectief gesloten zullen zijn, zijn
                        nu formeel vastgelegd in deze kaderregeling.</al><al>Inventarisatie functies bijzondere regeling</al><al>Functies in de bijzondere regeling</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Functies in de bijzondere regeling</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</al><al>Artikel 4a:0:0:1 Arbeidsvoorwaardenregeling</al><al>In aanvulling op Hoofdstuk 4a betreffende het uitwisselen van
                        arbeidsvoorwaarden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” het
                        Keuzemenu Individueel Arbeidsvoorwaardenpakket Nijmegen (KIAN) en de
                        Fietsregeling.</al><al>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te
                        verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                        vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144
                        uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van
                        minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                        als minimum.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te
                        verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor
                        de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 4</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 5</al><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor
                        elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding
                        overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de
                        aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:1:1:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</al><al>In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:1 kan de ambtenaar bij het
                        college voor 1 februari van het betreffende jaar een verzoek indienen om
                        gedurende het kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel
                        6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in
                        het vijfde lid.</al><al>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te
                        vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                        lid.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond
                        van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36
                        uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Lid 4</al><al>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van
                        de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen
                        vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het
                        salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het
                        verzoek betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:2:2:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</al><al>In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:2 kan de ambtenaar kan bij het
                        college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende
                        kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste
                        lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het
                        vierde lid. </al><al>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                        vakantietoelage of urenvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:18a,
                        zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als
                        bedoeld in artikel 4a:1, verlagen voor door het college vastgestelde
                        bestedingsmogelijkheden.</al><al>Lid 2</al><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in
                        het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld. </al><al>Artikel 4a.3.0.1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november een verzoek indienen om
                        gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de
                        vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college
                        vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het deel van de
                        vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 21,6 uren. Voor de
                        ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager
                        aantal uren als maximum.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden,
                        dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen
                        een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het deel van de
                        vakantie-uren maximaal zoveel maal 1/12 gedeelte van de in het tweede lid
                        genoemde aantal vakantie-uren als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar
                        gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Hij ontvangt, in afwijking van
                        artikel 4a:1, vijfde lid voor elk vakantie-uur een vergoeding overeenkomend
                        met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet op de datum van
                        indiensttreding.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In afwijking van het eerste lid dient de ambtenaar het verzoek voor het
                        kalenderjaar 2005 uiterlijk voor 1 februari 2005 te hebben ingediend.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel
                        nadere voorschriften worden gesteld.</al><al>Artikel 4a:3:0:1:1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen</al><al>In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:3. kan de ambtenaar kan bij het
                        college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende
                        kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in
                        artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde
                        bestedingsmogelijkheden genoemd in lid 7 van artikel 4a:3:0:2.</al><al>Artikel 4a:3:0:2 Persoonlijk budget voor bestedingsdoelen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om hem
                        gedurende het betreffende kalenderjaar een bedrag aan persoonlijk budget
                        beschikbaar te stellen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar kan het toegekende bedrag van het persoonlijk budget slechts
                        benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking stelt het college het bedrag
                        van het persoonlijk budget per kalenderjaar vast. Voor de ambtenaar met een
                        deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager bedrag als persoonlijk
                        budget per kalenderjaar.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden,
                        dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen
                        een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het persoonlijk
                        budget zoveel maal 1/12 gedeelte van het in het derde lid genoemde bedrag
                        als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn
                        betrekking vervult.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar uit dienst treedt, hoeft
                        het op grond van dit artikel toegekende bedrag aan persoonlijk budget niet
                        terug te betalen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel
                        nadere voorschriften worden gesteld.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De bestedingsdoelen voor het persoonlijk budget zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>Fiets voor woon-werkverkeer </al></li><li nr="b."><al> Woonwerkverkeer </al></li><li nr="c."><al> Premie voor bijverzekering pensioen </al></li><li nr="d."><al> Lidmaatschap beroepsvereniging </al></li><li nr="e."><al> Abonnement(en) /supplementen vakliteratuur </al></li><li nr="f."><al> Aanvullende verhuiskostenvergoeding </al></li><li nr="g."><al> Vergoeding vakbondscontributie </al></li><li nr="h."><al> Bedrijfsfitness </al></li><li nr="i."><al> Studiekosten </al></li><li nr="j."><al> Levensloopregeling (overgangsregeling) </al></li></lijst><al>Lokale regelingen</al><al>Fietsregeling</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Deze regeling verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet> werkgever:</vet> de gemeente Nijmegen; </al></li><li nr="b."><al><vet> werknemer:</vet> de ambtenaar in de zin van de
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor zover deze een
                                vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld voor de duur
                                van tenminste één jaar; de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst
                                is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub a van de
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen voor tenminste één
                                jaar; Diegenen wier verzoek om de bestaande duurzame arbeidsrelatie
                                om te zetten in een dienstbetrekking zoals geregeld in artikel 4,
                                onderdeel f van de wet op de loonbelasting 1964, door de
                                Belastingdienst is ingewilligd. </al></li><li nr="c."><al><vet> fiets:</vet> Een fiets is een rijwiel zonder hulpmotor. Ook de
                                Spartamet en zoemfietsen zijn als fiets aan te merken. Zoemfietsen
                                zijn fietsen met een elektrisch of motorisch aangedreven
                                trapondersteuning zoals de Epacs en Saxonette.</al></li><li nr="d."><al><vet>verzekering:</vet> een gangbare verzekering voor de fiets voor
                                de duur van drie jaar, die dekking geeft tegen nieuwwaarde bij
                                diefstal en schade; </al></li><li nr="e."><al><vet>accessoires:</vet> de met de fiets samenhangende zaken die
                                direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, waaronder mede
                                begrepen fiets- en regenkleding. </al></li><li nr="f."><al><vet>brutoloon:</vet> de eindejaarsuitkering waarop de werknemer
                                aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de
                                datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog
                                opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van
                                uitbetaling; de vakantietoelage, voor zover meer bedragend dan 8%
                                van het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon als bedoeld
                                in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, waarop de werknemer
                                aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de
                                datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog
                                opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van
                                uitbetaling. </al></li><li nr="g."><al><vet> nettoloon:</vet> de bezoldiging na aftrek van verschuldigde
                                premies en loonbelasting; </al></li><li nr="h."><al><vet>AGN:</vet> de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2 Voorfinanciering fiets</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van een fiets met
                        verzekering , dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een
                        volledig ingevulde "Verklaring inzake aanschaf en terugbetaling van vergoede
                        fiets" te overleggen. Hierin verklaart de werknemer dat hij op meer dan de
                        helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het
                        woon-werkverkeer de fiets zal gebruiken, waaronder mede begrepen het gebruik
                        van de fiets in voor- of natransport (bijvoorbeeld van en naar NS-station).
                        Deze verklaring wordt door de werkgever bevestigd. In de verklaring wordt
                        tevens - op de wijze zoals in lid 4 van dit artikel is bepaald - aangegeven
                        op welke wijze het brutoloon van de werknemer zal worden verlaagd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De werknemer vult tevens een bestelformulier in, dat namens de werkgever
                        door de afdeling P&amp;O van de dienst\directie wordt voorzien van
                        handtekening en stempel.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Na ontvangst van de factuur (met kopie van het bestelformulier) betaalt de
                        werkgever rechtstreeks aan de leverancier dan wel de werknemer de kosten van
                        de te vergoeden fiets, en de verzekering. Een fiets wordt slechts één keer
                        per drie jaren vergoed. De verzekering dient bij de bestelling van de fiets
                        te worden afgesloten.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De werknemer dient schriftelijk te verklaren dat hij in een periode van
                        maximaal drie jaren na datum van vergoeding van de kosten afstand doet van
                        zijn brutoloon ter grootte van het aanschafbedrag van de fiets dan wel
                        maximaal het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de
                        Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien bij beëindiging van de arbeidsverhouding nog verrekening dient plaats
                        te vinden, wordt het restant verrekend met de vakantietoelage en eventueel
                        de eindejaarsuitkering. Indien de vakantietoelage en/of eventueel de
                        eindejaarsuitkering daartoe niet toereikend zijn, zal het restant op het
                        nettoloon in mindering worden gebracht.</al><al>Artikel 3 Voorfinanciering fiets</al><al>In verband met, en tegelijk met de overdracht van het eigendom van de fiets
                        en de vergoeding van de kosten daarvan aan de werknemer, wordt bij de
                        eerstvolgende loonbetaling aan de werknemer, indien het aankoopbedrag van de
                        fiets meer bedraagt dan het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de
                        Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001, eenmalig op zijn nettoloon
                        ingehouden het meerdere boven dit bedrag. </al><al>Artikel 4 Voorfinanciering accessoires</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van de met de fiets
                        samenhangende accessoires, dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe
                        overgaat, een door het college vastgesteld formulier inzake de vergoeding
                        van de accessoires volledig in te vullen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedurende de looptijd van de regeling kunnen de kosten van de met de fiets
                        samenhangende accessoires éénmaal per kalenderjaar worden gedeclareerd tot
                        het maximumbedrag als genoemd in artikel 37, lid 5 van de
                        Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001. Het gedeclareerde bedrag wordt
                        vervolgens in mindering gebracht op de vakantie-uitkering of op de
                        eindejaarsuitkering van de medewerker van het betreffende jaar.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien het gedeclareerde bedrag het in lid 2 van dit artikel bedoelde
                        maximumbedrag overstijgt, wordt het restant in mindering gebracht op het
                        eerstvolgende nettoloon. </al><al>Artikel 5 Slotbepalingen</al><al>Indien controle door de inspecteur der belastingen er toe leidt dat alsnog
                        een naheffing wordt opgelegd, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele
                        rente en boete) voor rekening van de werknemer. Voorts aanvaardt de
                        werkgever geen enkele verantwoordelijkheid voor de mogelijk in andere
                        (wettelijke) regelingen opkomende gevolgen van de verlaging van het
                        brutoloon bij het gebruikmaken van deze regeling. </al><al>Artikel 6 Slotbepalingen</al><al>De werknemer is verplicht een verzekering af te sluiten. </al><al>Artikel 7</al><al>Bij de toepassing van de regeling wordt geen rekening gehouden met eventuele
                        inruil.</al><al>Artikel 8</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze regeling treedt, onder intrekking van de regeling “Regeling
                        faciliteiten ter zake van verstrekking / aanschaf van een fiets 1 april
                        1999”, in werking met ingang van heden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De regeling kan worden aangehaald als regeling “Faciliteiten ter zake van
                        aanschaf van een fiets 2008".</al><al>5 Seniorenmaartregelen</al><al>Lokale regelingen</al><al>Regeling uitstroom ouderen</al><al>Artikel 1 Rechthebbende</al><al>Onder “ambtenaar” als bedoeld in deze regeling wordt verstaan: De ambtenaar
                        als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1:1, eerste lid onder a van de
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (verder: AGN) die de 55-jarige
                        leeftijd heeft bereikt en:</al><lijst><li nr="a."><al>die door het bevoegd gezag door organisatieverandering of
                                bezuinigingsmaatregel (meestal na toepassing van een sociaal
                                plan/personeelsplan) als herschikker is aangewezen of</al></li><li nr="b."><al>die door het bevoegd gezag als herplaatser is aangewezen omdat
                                betrokkene om andere redenen de functie niet meer kan uitoefenen
                                of</al></li><li nr="c."><al>wiens functie op basis van door het bevoegd gezag te maken
                                inschattingen op korte termijn dreigt te vervallen en daardoor
                                mogelijk als herschikker zal worden aangewezen of</al></li><li nr="d."><al>die weliswaar niet voldoet aan het bepaalde onder a., b. of c., doch
                                die door uit te treden de mogelijkheid biedt - al dan niet via
                                verschuiving - aan een herschikker of toekomstige herschikker in een
                                functie in te stromen, zulks ter beoordeling van het college.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Ontslag met FPU</al><al>Om voor toepassing van deze regeling in aanmerking te komen verplicht de
                        ambtenaar zich ontslag te nemen op grond van artikel 8:11 van de AGN. In
                        afwijking van het bepaalde in artikel 8:11, lid 2 van de AGN dient voor
                        toepassing van deze regeling het ontslag voor de volledige omvang van de op
                        dat moment geldende formele arbeidsuur per week te worden verzocht.</al><al>Artikel 3 Aanvulling FPU</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die een verzoek om ontslag heeft ingediend als bedoeld
                                in artikel 2 van deze regeling heeft recht op een aanvulling van
                                zijn FPU-uitkering tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het percentage van de FPU-grondslag waarop hij recht had
                                        kunnen doen gelden bij uitreden op de eerste dag van de
                                        maand volgende op die waarop hij de 58-jarige leeftijd zou
                                        hebben bereikt, indien hij op het moment van ontslag de
                                        leeftijd van 55, 56 jaren of 57 heeft bereikt; </al></li><li nr="b."><al>80% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van
                                        ontslag de leeftijd van 58 jaren heeft bereikt;</al></li><li nr="c."><al>82% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van
                                        ontslag de leeftijd van 59 jaren heeft bereikt en</al></li><li nr="d."><al>84% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van
                                        ontslag de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar in deeltijd werkzaam is, geldt het in lid 1 van
                                dit artikel genoemde percentage slechts voor dat gedeelte van de
                                betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van
                                deze regeling is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Indien de in het tweede lid bedoelde ambtenaar reeds eerder
                                gedeeltelijk van de FPU-regeling gebruik heeft gemaakt, zal de som
                                van de FPU-uitkering en aanvulling nooit meer bedragen dan waarop
                                hij recht zou kunnen doen gelden indien hij bij het bereiken van de
                                58- jarige leeftijd (1a) respectievelijk de voor hem geldende
                                spilleeftijd (1b, 1c en 1d) c.q. de datum van zijn 42-jarig
                                dienstjubileum volledig zou zijn uitgetreden.</al></li><li nr="4."><al>Voor de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in hoofdstuk 5
                                van de AGN bedoelde seniorenmaatregelen wordt een afzonderlijke
                                regeling getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de periode
                                en omvang van de verminderde arbeidsduur. </al></li></lijst><al>Artikel 4 Pensioenopbouw</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werkgever neemt voor de ambtenaar die is geboren vóór 1 april 1947 de aan
                        de pensioenopbouw van de ambtenaar verbonden kosten voor haar rekening
                        gedurende de periode dat deze regeling geldt, tot uiterlijk het moment
                        waarop de zogenoemde spilleeftijd voor FPU-ontslag zou worden bereikt,
                        evenwel met een maximum van vier jaren. <vet>Lid 2</vet> Deze voortgezette
                        pensioenopbouw is conform artikel 16.5 van het pensioenreglement qua duur de
                        helft van de gebruikelijke pensioenopbouw. De in het eerste lid genoemde
                        kosten worden voor rekening van de werkgever genomen, voor zover het betreft
                        dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in
                        artikel 2 van deze regeling is verzocht. </al><al>Artikel 5 Inkomsten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar dient van het verkrijgen van inkomsten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf, ter hand genomen op of na de datum van ontslag, onder
                        overlegging van de terzake noodzakelijk geachte specificaties, onmiddellijk
                        schriftelijk mededeling te doen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Naast een eventuele korting op de uitkering door het ABP, wordt door de
                        gemeente indien nog van toepassing een korting op de in artikel 3 bedoelde
                        aanvulling toegepast gelijk aan het gedeelte waarmee de som van de (gekorte)
                        fpu-uitkering, de aanvulling en de inkomsten 100% van de fpu-grondslag te
                        boven gaan.</al><al>Artikel 6 Geldigheidsduur</al><al>Van deze regeling kan gebruik gemaakt worden tussen 1 januari 2005 en 1
                        januari 2006</al><al>Artikel 7 Algemene bepalingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het belang van de organisatie moet met de beoogde maatregel duidelijk zijn
                        gediend; bij de afweging met het individuele belang van de ambtenaar is het
                        belang van de organisatie altijd doorslaggevend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Van de in artikel 1 onder d. genoemde medewerkers wordt een lijst gemaakt
                        van functies. Deze functielijst wordt in de organisatie bekend gemaakt om
                        het domino-effect te bevorderen en te kunnen bewerkstelligen. </al><al>Artikel 8 Niet-voorziene gevallen</al><al>In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet
                        kan een besluit worden genomen zonodig in afwijking van het in deze regeling
                        bepaalde.</al><al>Artikel 9 Besluit</al><al>Alle besluiten ten aanzien van de uitvoering van deze regeling worden door
                        het college -op voorstel en advies van de directeur van een directie-
                        genomen. </al><al>Artikel 10 Titel</al><al>Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling uitstroom ouderen 2005". </al><al>Artikel 11 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen
                                            2005</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 12 Melding kandidaat regeling uitstroom ouderen 2005</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Melding kandidaat Regeling Uitstroom Ouderen 2005</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al><al>5b Lokale FPU maatregelen</al><al>Artikel 5b:1:1:1 Rechthebbenden</al><al>Onder ambtenaar als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verstaan de ambtenaar als
                        bedoeld in artikel 1:1 lid 1, letter a, met dien verstande dat </al><lijst><li nr="1."><al> de betrokkene werkzaam moet zijn in een functie op grond waarvan,
                                op basis van de resultaten van een functiewaarderingsonderzoek
                                ingevolge de NMF, een inconveniëntentoeslag was toegekend op
                                peildatum 1 juli 2015 en </al></li><li nr="2."><al> betrokkene een aanstelling moet hebben van tenminste 18 uren per
                                week en</al></li><li nr="3."><al> betrokkene uiterlijk per 1 april 2021 gebruik maakt van deze
                                regeling. </al></li></lijst><al>Artikel 5b:1:1:2 Samenloop met andere seniorenregelingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>de feitelijke arbeidsduur van de ambtenaar, wordt op zijn verzoek
                        teruggebracht tot een niveau zoals in artikel 5b:1:1:3 is aangegeven. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>indien de betrokkene binnen de in artikel 5b:1:1:3 gestelde termijn gebruik
                        maakt van het keuzepensioen wordt de toepassing van dit hoofdstuk beëindigd. </al><al>Artikel 5b:1:1:3 Mogelijkheden</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>de feitelijke arbeidsduur kan met behoud van de volledige bezoldiging worden
                        teruggebracht als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al> een vijfde deel gedurende een periode van vijf jaren, of;</al></li><li nr="b."><al> twee vijfde deel gedurende een periode van twee en een half jaren,
                                of;</al></li><li nr="c."><al> de helft gedurende een periode van twee jaren.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan
                        van de op grond van het eerste lid teruggebrachte arbeidsduur. </al><al>Artikel 5b:1:1:4 Ingangsdatum</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De in artikel 5b:1:1:3, eerste lid bedoelde perioden gaan in op de dag
                        gelegen respectievelijk vijf, twee en een half of twee jaren vóór de door de
                        ambtenaar en zijn leidinggevende overeengekomen datum waarop de ambtenaar
                        ontslag neemt om voor honderd procent van ABP-(keuze)pensioen te gaan
                        genieten. Als voorwaarde geldt dat na dit ontslag het ABP-keuzepensioen van
                        toepassing is op de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>de ambtenaar verplicht zich om met ingang van de in lid 1 van dit artikel
                        genoemde datum ontslag te nemen op grond van artikel 8:1 van de AGN. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien de ambtenaar de verplichting als gesteld in lid 1 of 2 van dit
                        artikel niet nakomt, kan het bevoegd gezag, na het maken van een afweging
                        van de geldende omstandigheden, besluiten een terugbetalingsregeling te
                        treffen met de betrokken ambtenaar. </al><al>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 5a is vervallen.</al><al>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</al><al>Artikel 6:1 Recht op vakantie</al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt
                        verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan
                        wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al><al>Artikel 6:2 Duur vakantie</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten
                        minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar
                        wettelijk verlof.</al><al>Lid 2</al><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                        verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te
                        mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van
                        50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste
                        lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al>Lid 3</al><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Artikel 6.2.0.1 Duur vakantie</al><al>In aanvulling op artikel 6:2 betreffende de duur van de vakantie, vindt u
                        bij het onderdeel “Lokale regelingen” de vakantieregeling van de gemeente
                        Nijmegen.</al><al>Artikel 6:2:1 Nadere regels</al><al>Lid 1</al><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene
                        regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                        arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de
                        ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering
                        van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan
                        wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                        toepassing is.</al><al>Lid 4</al><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels
                        toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene,
                        bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:13, indien regelmatig en in belangrijke
                        mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in
                        artikel 3:13 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                        ambtenaar rust. </al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere
                        regels vast.</al><al>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</al><al>Lid 1</al><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3
                        deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat
                        betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in
                        het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid
                        gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met
                        geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in
                        artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed-
                        en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al><al>Lid 3</al><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend,
                        alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden
                        gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die
                        beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                        ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van
                        de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                        redenen van afwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt
                        ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat
                        hij zijn functie vervult.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid
                        , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn functie vervult, wordt de duur
                        van de vakantie naar evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het
                        derde lid. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                        vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling;</al></li><li nr="b."><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                        werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet
                        kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd
                        met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn
                        geweest.</al><al>Lid 5</al><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang
                        van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven.
                        Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet
                        verleend vakantie-uur.</al><al>Artikel 6.2.3 (Q) Praktijkvoorbeeld opbouw vakantierechten</al><al>Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling
                        of ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten,
                        geen vermindering wordt toegepast gedurende de laatste zes maanden van de
                        periode van afwezigheid. Of er een vermindering plaatsvindt, kan pas na
                        afloop van de periode van afwezigheid worden vastgesteld. In praktijk
                        betekent dat het volgende. Vanaf het moment dat de ambtenaar ziek wordt
                        bouwt hij geen vakantierechten meer op. Gaat betrokkene na zijn
                        ziekteperiode weer aan het werk dan wordt voor de opbouw van vakantierechten
                        vanaf de hersteldatum 6 maanden teruggeteld. Is betrokkene bijvoorbeeld 7
                        maanden ziek, dan bouwt hij over de 6 maanden vóór zijn hersteldatum de
                        gebruikelijke vakantierechten op en voor 1 maand niet. Is iemand korter dan
                        6 maanden ziek, dan heeft dat geen enkel effect op de opbouw van zijn
                        vakantierechten. Hij bouwt dus gewoon het volle pond op. Is betrokkene ziek
                        en wil hij toch met vakantie, dan kan dat alleen met toestemming van de
                        bedrijfsarts. Geeft deze toestemming en blijft de ambtenaar tijdens de
                        vakantieperiode gewoon ziek, dan hoeft hij voor deze vakantie geen
                        vakantiedagen in te leveren.</al><al>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</al><al>Lid 1</al><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de
                        vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten
                        vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde
                        van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of
                        het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel
                        6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de
                        vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al><al>Artikel 6:2:5 Intrekking</al><al>Lid 1</al><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van
                        dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de
                        ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot,
                        worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen
                        bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke
                        schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al><al>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</al><al>Lid 1</al><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is
                        verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of
                                nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste
                                oefening,</al></li></lijst><al>wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij
                        het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                        daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven,
                        indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te
                        bepalen aantal uren. </al><al>Lid 2</al><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als
                        niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij,
                        ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest
                        zijn functie te vervullen.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de
                        ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan
                        anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal
                        uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk
                        anders is beslist.</al><al>Artikel 6.2.6.1 Overschrijving verlofdagen</al><al><vet>(Gedeelte uit) circulaire aan hoofden van diensten d.d. 14 december
                            1981</vet></al><al>Een verzoek tot overschrijving van niet-genoten vakantie-uren naar een
                        volgend jaar hoeft niet meer aan u als hoofd van dienst ter beslissing te
                        worden voorgelegd in die gevallen waarin dit aantal 20% of minder bedraagt
                        van het aantal uren waarop men recht heeft. Indien de uitkomst van de
                        berekening minder dan een uur bedraagt vindt afronding naar boven plaats op
                        een heel uur.</al><al>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking</al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn
                        dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden
                        toegekend.</al><al>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</al><al>Lid 1</al><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet
                        is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat
                        kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen
                        redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen,
                        of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk
                        in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in
                        lid 1 genoemde termijn verlengen.</al><al>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</al><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk
                        niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat
                        kalenderjaar.</al><al>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover
                        hij als zodanig salaris en de toegekende salaristoelage(n) heeft ontvangen.
                        Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn functie gaat vervullen
                        dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                        vakantietoelage over die maand.</al><al>Lid 2</al><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de ambtenaar
                        in die maand geldende salaris inclusief de toegekende salaristoelage(n), met
                        dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald
                        dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage,
                        welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar
                        evenredigheid wordt verminderd.</al><al>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</al><al>Lid 1</al><al>De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar
                        uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van
                        het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige
                        zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</al><al>Lid 2</al><lijst><li nr="a."><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van
                                toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk
                                is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren
                                militaire dienst;</al></li><li nr="b."><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan
                                voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of
                                te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet
                                gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst
                                gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd,
                                dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                                vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of
                                tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger
                                is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem
                                van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis
                                van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd
                        gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van
                        schorsing een gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelagen
                        wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat
                        bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en
                        vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op calamiteiten- en ander
                        kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen
                        aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) kan worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het
                        college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een
                        op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt
                        opgebouwd, is het verhaal van premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                        aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</al><al>Artikel 6.4.0.1 Informatie sociale premies</al><al>In aanvulling op artikel 6:4 betreffende buitengewoon verlof, vindt u bij
                        het onderdeel “Lokale regelingen” meer informatie over sociale premies e.d.
                        bij buitengewoon verlof van de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag dat het huwelijk of
                        geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het
                        huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</al><al>Artikel 6.4.1.1 Buitengewoon verlof i.v.m. zitting stembureau</al><al>In aanvulling op artikel 6:4:1 is door het college bepaald dat eveneens
                        verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend op de dag dat de ambtenaar
                        zitting heeft op een stembureau binnen de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 6.4.1.2 Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden</al><al>In aanvulling op artikel 6:4:1 lid 1 sub a betreffende buitengewoon verlof,
                        vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Richtlijnen verlof bij
                        ernstige ziekte familieleden van de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 6.4.1.3 Buitengewoon verlof i.v.m. consultatie eerste- en
                        tweedelijnsgezondheidszorg</al><al>Voor consultatie van de zogenoemde eerstelijns gezondheidszorg wordt geen
                        buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging toegekend. De medewerker
                        dient eigen verlof op te nemen voor bijvoorbeeld een bezoek aan huisarts,
                        tandarts of fysiotherapeut. Het verlof kan in uren van de verlofkaart worden
                        afgeschreven. Voor de zogenoemde tweedelijns gezondheidszorg wordt wel
                        buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Uiteraard slechts
                        voor de tijd die noodzakelijk is voor dit bezoek. Onder tweedelijns
                        gezondheidszorg wordt specialistische gezondheidszorg gerekend waar men
                        enkel van gebruik kan maken indien men door een (huis)arts is
                        doorverwezen.</al><al>Ter compensatie van het vervallen van aanspraken op buitengewoon verlof voor
                        o.a. het verzoek aan huisarts of tandarts is het vakantieverlof met ingang
                        van 1 januari 2001 vermeerderd met 14,4 uren voor de voltijder. De
                        deeltijder krijgt een compensatie naar evenredigheid.</al><al>Artikel 6.4.1.4 Vaderschapsverlof</al><al>De werknemer heeft na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij
                        het kind erkent, in aanvulling op het kraamverlof als bedoeld in het
                        bepaalde in artikel 6:4 recht op extra verlof (vaderschapsverlof) met behoud
                        van bezoldiging. Het aantal uren verlof waarop de werknemer in totaal recht
                        heeft bedraagt tweemaal de formele arbeidsduur per week. Het verlof dient
                        eenmalig of gespreid te worden opgenomen binnen vier weken, volgend op de
                        dag van de bevalling.</al><al>Artikel 6.4.1.5 Werktijdenverkorting 60 jaar en ouder</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar, die geboren is vóór 1 juli 1959 en de leeftijd van 60 jaar
                        heeft bereikt kan, indien hij zulks wenst, in aanmerking komen voor een
                        vermindering van zijn werktijd met 30 minuten per dag. Bij parttimers wordt
                        de arbeidsduurvermindering naar rato berekend naar het aantal te werken uren
                        per dag.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien naar het oordeel van het college het dienstbelang zich tegen
                        toepassing van het in het voorgaande lid bepaalde verzet, heeft de ambtenaar
                        recht op een vrije (halve) dag zodra een periode verstreken is waarin het
                        totaal aantal minuten dat hem met toepassing van het eerste lid aan
                        werktijdverkorting zou zijn toegestaan, overeenkomt met een of een halve
                        werkdag. </al><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend zorgverlof,
                        heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van
                        50% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet
                        in staat is zijn functie te vervullen vindt geen opschorting van het
                        langdurend zorgverlof plaats.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen
                        wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen heeft met ingang
                        van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet
                        wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend
                        zorgverlof. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen
                        en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van
                        de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie
                        beëindigd. </al><al>Lid 6</al><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof
                        geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling genoemd in het eerste
                        lid.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                        vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met
                        ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer
                        plaats op basis van het volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n). </al><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP); </al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs
                                        Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3."><al>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij
                                        overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke
                                zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van
                                overheidspersoneel. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het
                        college buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van
                                ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke
                                ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren,
                                voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het
                                hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van
                                een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor
                                iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee
                                afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                verleend; </al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is
                                van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen
                                indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van
                                groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke
                                groepsraad;</al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                                organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten,
                                indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                vergadering deelneemt. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het
                        college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof
                        met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als
                                bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten
                                vereniging is aangewezen.</al><lijst><li nr="§"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                        ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten
                                        vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                        apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze
                                        centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten
                                        vereniging te ondersteunen, het geheel voor ten hoogste 216
                                        uren per kalenderjaar; </al></li><li nr="§"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor
                                        een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten
                                        hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400
                                        medewerkers; </al></li><li nr="§"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per
                                        jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en
                                        ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400
                                        medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per
                                        organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                        arbeidsvoorwaardenadviseur</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als
                                cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de
                                leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles te
                                samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. </al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het aantal uren genoemd in het derde lid onder de a en b, naar evenredigheid
                        verminderd. </al><al>Lid 5</al><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de
                        ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste
                        244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8
                        uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel,
                                genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een
                                vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is
                                aangesloten. </al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                                eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of
                                sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur wordt
                        het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid
                        verminderd. </al><al>Lid 6</al><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de
                        ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het
                        eerste lid, onder b. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de
                        ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is
                        aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid,
                        buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) verleend voor het bijwonen van de vergadering van die
                        commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven
                        commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald,
                        geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                        waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al><al>Lid 8</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen,
                        waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid,
                        op een lager aantal uren kan worden gesteld. </al><al>Artikel 6:4:2a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per
                        kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz. </al><al>Lid 2</al><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder
                        dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al><al>Lid 3</al><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de
                        helft voor de rekening van de ambtenaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de
                        verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie
                        bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</al><al>Lid 1</al><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                        Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in
                        artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een vaste
                        vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en
                        de toegekende salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                        artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding
                        gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met
                        het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                        vaststellen.</al><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere
                        redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4.
                        Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</al><al>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van
                        een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen
                        voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee
                        jaren.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies
                        en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof
                        wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof,
                        heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt
                        vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over
                        13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                        percentage van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die
                        wordt gesalarieerd volgens:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="36*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col2"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col2"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col2"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col2"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald
                        ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan
                        hieromtrent nadere regels stellen. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op ouderschapsverlof is
                        artikel 6:9 niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een verzoek
                        indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te nemen. Tenzij een
                        zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet, stemt het college hiermee
                        in. Instemming heeft tot gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                        opgeschort.</al><al>Artikel 6:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen</al><al>Lid 1</al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                        ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                        overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                        kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                        mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al><al>Artikel 6:5:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                        geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling, die tijdens dit
                        ouderschapsverlof wordt uitbetaald. </al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes
                        maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid,
                        of artikel 8:13, is verplicht het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te
                        betalen.</al><al>Lid 2</al><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in
                        artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband bij een
                                andere gemeente; </al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan
                                doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot
                                of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende
                                oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie
                        maanden daarna op eigen verzoek een functie aanvaardt voor minder uren dan
                        hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5
                        heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug
                        te betalen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich
                        tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid
                        bepaalde.</al><al>Artikel 6:5:6 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al>Artikel 6:5a Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6:5a:1 Vervallen</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 6:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Lid 1</al><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                        doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in
                        mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste
                        lid recht heeft. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling
                        van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV. </al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en
                        dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
                        pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van
                        zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 2</al><al>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering
                        gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht
                        heeft.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof,
                        verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de
                        Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                        vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel
                        het recht op de Wazo-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en
                        dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het
                        salaris en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. </al><al>Lid 5</al><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3,
                        niet op.</al><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                        levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het
                        college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van
                        tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                        onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode
                        van onbetaald verlof. </al><al>Lid 3</al><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                        voorwaarden.</al><al>Lid 4</al><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of
                        op een deel daarvan. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste
                        ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt
                        ingediend.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na
                        ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de
                        beslissing van het college.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                        verlof geniet, kan het college het verlof intrekken. </al><al>Lid 8</al><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds
                        worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</al><al>Lid 9</al><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een
                        periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie
                        jaren.</al><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt
                        verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof. </al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen,
                        tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd
                        verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                        vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al><al>Lid 4</al><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en
                        premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies
                        en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof
                        wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van
                        de vijftiende kalenderdag. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald
                        verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende
                        gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof
                        voorafgaand aan pensionering. </al><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof. </al><al>Lokale regelingen</al><al>Buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging</al><al>Buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging</al><al><cursief>Circulaire van Burgemeester en Wethouders, afd. IV, nummer 4297/84,
                            aan directeuren van diensten en bedrijven en afdelingshoofden ter
                            Secretarie.</cursief></al><al>In december 1983 heeft de Raad het personeelsplan behorende bij de
                        Meerjarenbegroting 1984-1987 aanvaard. Doel van dit plan was zoveel mogelijk
                        te voorkomen dat de gemeente tot gedwongen ontslagen zou moeten gaan. Het
                        nemen van maatregelen tot vermindering van de loonkosten/arbeidstijd werd
                        als een van de middelen tot het bereiken van het gestelde doel beschouwd. In
                        verband daarmee heeft ons College de Raad medegedeeld een ruime toepassing
                        van artikel 6:4:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen te
                        willen bevorderen. Bedoeld artikel verschaft ons College ondermeer de
                        bevoegdheid om - indien een ambtenaar zulks verzoekt - buitengewoon verlof
                        zonder behoud van bezoldiging, dus voor eigen rekening van de ambtenaar te
                        verlenen. Wij hebben nu besloten om dergelijke verzoeken zo enigszins
                        mogelijk te verlenen, en wel tot een maximum van 20 dagen per jaar. Een
                        verzoek als hierboven bedoeld zal door ons College alleen dan worden
                        geweigerd indien het desbetreffende hoofd van dienst aantoont dat het
                        verlenen van verlof in strijd is met het dienstbelang. Wij verzoeken u uw
                        personeel op ruime schaal hierover te informeren. Voor wat betreft de
                        materiële consequenties nog het volgende: gedurende de periode van het
                        buitengewoon verlof zal geen bezoldiging worden doorbetaald. Voor rekening
                        van de ambtenaar komt bovendien de over de bedoelde periode verschuldigde
                        IZA-premie (zowel het werknemers- als het werkgeversaandeel) alsmede de
                        gebruikelijk op de ambtenaar te verhalen pensioenpremie. Overigens dient
                        betrokkene wel de keuze te worden gelaten om voor de duur van het
                        buitengewoon verlof al dan niet IZA-deelnemer te blijven. Bij de tijdelijke
                        beëindiging van het IZA-deelnemerschap is dan geen premie verschuldigd.
                        Hoewel op grond van de bestaande bepalingen bij een periode van langer dan
                        14 dagen ook de mogelijkheid bestaat de door de werkgever verschuldigde
                        pensioenpremie op de ambtenaar te verhalen, hebben wij van deze mogelijkheid
                        afgezien, aangezien het dienstbelang met het verlenen van buitengewoon
                        verlof mede is gediend. </al><al><vet>Circulaire dokters- en tandartsbezoek</vet></al><al>Tot 1-1-2001 was het gebruikelijk dat een werknemer voor een bezoek aan
                        huisarts, tandarts, specialist of fysiotherapeut buitengewoon verlof met
                        behoud van bezoldiging ontving. In de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                        Nijmegen (AGN) was daarvan feitelijk niets geregeld, maar er was een soort
                        gewoonterecht op dit terrein ontstaan. In het kader van een versobering en
                        vereenvoudiging van de bestaande verlofregelingen is besloten per 1 januari
                        2001 voor consultatie van de zogenoemde eerstelijns gezondheidszorg geen
                        buitengewoon verlof meer toe te kennen. Concreet betekent dit dat een bezoek
                        aan huisarts , fysiotherapeut of tandarts voor rekening van de werknemer
                        komt. Het verlof kan in uren van de verlofkaart worden afgeschreven. Voor
                        bezoeken aan specialist, etcetera wordt wel buitengewoon verlof met behoud
                        van bezoldiging verleend, uiteraard slechts voor de tijd die noodzakelijk is
                        voor dit bezoek. Ter compensatie van het vervallen van aanspraken op
                        buitengewoon verlof voor o.a. het bezoek aan huisarts of tandarts is het
                        vakantieverlof met ingang van 1 januari 2001 vermeerderd met 14,4 uren voor
                        de voltijder. De deeltijder krijgt een compensatie naar evenredigheid. </al><al>Premies bij buitengewoon verlof</al><al>Premies bij buitengewoon verlof</al><al><vet>1 IZA.</vet></al><al>Basisuitgangspunt. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 9, lid 3 van de
                        IZA-regeling Nederland kan de medewerker géén aanspraak maken op
                        voorzieningen ingevolge deze regeling en is geen procentuele en/of nominale
                        bijdrage verschuldigd.</al><al>Evenwel: Indien de medewerker wel IZA-deelnemer wenst te blijven gedurende
                        de verlofperiode, dient dit tijdig schriftelijk kenbaar te worden gemaakt
                        bij de IZA-correspondent van de dienst. Van gemeentewege zal dan aan het
                        IZA-regiokantoor Gelderland -ingevolge artikel 9, lid 4 van de IZA-regeling
                        Nederland- worden verzocht de medewerker ook tijdens de verlofperiode
                        IZA-deelnemer te laten zijn. Een dergelijk verzoek zal dezerzijds slechts
                        aan het IZA worden gericht, indien de werknemer schriftelijk verklaart zowel
                        de eigen bijdrage als die van de gemeente, alsmede de nominale premie voor
                        eigen rekening te nemen. Deze bijdragen zullen door het IZA-regiokantoor
                        Gelderland bij de werknemer in rekening worden gebracht.</al><al><vet>2. ABP-Pensioenreglement.</vet></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Verlof, uitsluitend in het persoonlijk belang.</cursief>
                                Dezerzijds wordt hieraan de voorwaarde verbonden dat alle
                                werkgeversafdrachten van de afzonderlijke premies die van
                                gemeentewege aan de betreffende fondsen zijn verschuldigd, voor
                                rekening van de werknemer komen. Het betreft i.c. de premies
                                OP/NP/ANW 8,55%, FPU-standaard 2,65%, VSG 0,05%, IP+ 1,35% en de
                                UFO-premie van 0,80%. Uiteraard komen ook de werknemerspremies voor
                                rekening van de verlofganger. Het betreft hier OP/NP/ANW 3,25%
                                (franchise ƒ. 30.900,--), FPU-standaard 2,65%, VSG 0,05% en IP+ 0,45
                                of 0,20% (franchise ƒ. 32.900,--), zulks afhankelijk van de situatie
                                of al dan niet tot 70% is bijverzekerd.</al></li><li nr="b."><al><cursief>Verlof, mede in het algemeen belang.</cursief> De
                                werkgeversafdrachten blijven voor rekening van de werkgever en op de
                                werknemer worden 'slechts' de verschillende werknemerspremies
                                verhaald.</al></li></lijst><al><vet>3. Sociale verzekeringswetten.</vet></al><al>Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging zijn werknemers niet
                        verplicht verzekerd ingevolge de sociale verzekeringswetten. Dat betekent
                        dat ook de premie-inhouding stopt bij de start van het onbetaalde verlof. Na
                        afloop van de verlofperiode herleeft de verplichte verzekering weer en start
                        dus ook weer de inhouding van de premies.</al><al><vet>3a. WAO.</vet></al><al>Op 1 oktober 1998 is de 'Wet onbetaald verlof' in werking getreden, bedoeld
                        om belemmeringen in de sociale verzekeringen voor het opnemen van onbetaald
                        verlof weg te nemen. De wet zorgt er voor dat werknemers na de verlofperiode
                        geen nadeel ondervinden voor ondermeer de WAO. Het normaal geldende
                        arbeidspatroon van de verlofganger blijft uitgangspunt voor vaststelling van
                        het recht op een uitkering. Een periode van verlof wordt er als het ware
                        tussenuit geknipt en telt niet mee voor het vaststellen van het recht. Het
                        wegnemen van deze belemmeringen geldt voor verlofperioden die niet langer
                        dan 18 maanden duren. In andere gevallen kan onder bepaalde voorwaarden een
                        vrijwillige WAO verzekering worden afgesloten. Tijdens voltijd onbetaald
                        verlof kan er geen sprake zijn van inkomensderving als gevolg van ziekte of
                        arbeidsongeschiktheid. Een zieke verlofganger is dus in beginsel niet
                        verzekerd voor de WAO. Als een werknemer tijdens onbetaald verlof ziek of
                        arbeidsongeschikt raakt, heeft hij desondanks na afloop van het verlof recht
                        op een uitkering. Als eerste ziektedag geldt de eerste werkdag na afloop van
                        het onbetaalde verlof. Ziekte van de verlofganger kan een reden zijn de
                        verlofperiode voortijdig af te breken. In overleg met de werkgever kan
                        daartoe worden besloten. Dan wordt ook de datum van de eerste ziektedag
                        vervroegd en kan zo spoedig mogelijk met de reïntegratie van de werknemer
                        worden gestart. Bij deeltijd onbetaald verlof kunnen de
                        reïntegratie-activiteiten direct beginnen. Een verzoek tot vrijwillige
                        verzekering WAO dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend en moet worden
                        gericht aan USZO BV Heerlen, ten name van de eenheid
                        Verzekerdenadministratie (VZA), Postbus 4837, 6401 JM HEERLEN.</al><al><vet>3b. WW.</vet></al><al>Daarnaast kwam tot 1 januari 2001 de pseudo-WW-premie voor rekening van de
                        werknemer. Hoewel de naam anders doet vermoeden ging het tot dat ogenblik
                        niet om een premie die aan een wettelijke verzekering was verbonden, maar om
                        een inkomensmaatregel. Vanaf 1 januari 2001 vallen ook ambtenaren onder de
                        WW. Bij buitengewoon verlof is er geen sprake van verzekering en dus mag er
                        geen pseudopremie WW meer worden ingehouden omdat de inhouding gekoppeld is
                        aan de verzekering. </al><al>Alle bovengenoemde premies en franchisebedragen gelden naar de toestand op 1
                        januari 2001.</al><al>Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden</al><al>Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden</al><al>Onder <vet>ernstige ziekte</vet> dient in dit verband te worden verstaan
                        “ziekte in een terminaal stadium”.</al><al>Na verzoek van de ambtenaar neemt het hoofd van dienst de beslissing. Indien
                        aangenomen kan worden dat dit buitengewoon verlof maximaal één week zal gaan
                        duren vindt geen vooroverleg met de bedrijfsarts plaats. </al><al>Indien verwacht wordt dat de periode van verlof langer dan één week zal gaan
                        duren, of indien er sprake is van regelmatige herhaling of van gevoelens
                        omtrent misbruik, dan zal de bedrijfsarts voor advies worden ingeschakeld.
                        Komt er een positief advies uit dan wordt dit de ambtenaar schriftelijk
                        medegedeeld met een indicatie omtrent de maximale duur van het buitengewoon
                        verlof.</al><al>Tevens zal er in overleg met de bedrijfsarts gezocht dienen te worden naar
                        alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld gezinshulp of opname in een
                        verpleeghuis e.d..</al><al>Mocht achteraf blijken dat het buitengewoon verlof ten onrechte is genoten
                        dan worden deze dagen op de vakantie ingehouden.</al><al>Vakantieregeling</al><al>1 Vakantieregeling</al><al><cursief>Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 4 juli 1972,
                            laatstelijk gewijzigd 19 november 1998.</cursief></al><al><vet>Artikel 1 Vakantieregeling</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof voor de ambtenaar in de zin van de
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, alsmede diegene met wie op
                        grond van het bepaalde in artikel 2:5 van die regeling een
                        arbeidsovereenkomst is aangegaan, en werkzaam is in een volledige
                        betrekking, wordt per kalenderjaar vastgesteld op het aantal uren dat is
                        aangegeven achter de salarisschaal waarin hij is ingedeeld.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schaal 1 t/m 8</al></entry><entry colname="col2"><al>172,8 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schaal 9 en 10</al></entry><entry colname="col2"><al>180 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schaal 11 en hoger</al></entry><entry colname="col2"><al>187,2 uren</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien voor het personeelslid als bedoeld in het voorgaande lid geen
                        salarisschaal is vastgesteld, bedraagt het vakantieverlof 172,8 uren per
                        kalenderjaar.</al><al>Artikel 2 Vakantieregeling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof wordt, met ingang van de kalenderjaren waarin
                        de leeftijd van respectievelijk 30, 40, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt wordt,
                        telkens met 7,2 uren vermeerderd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de ambtenaar die op of na 1 januari 1998 wordt aangesteld geldt, in
                        afwijking van het gestelde in het eerste lid, dat de duur van het
                        vakantieverlof telkens met 7,2 uren wordt vermeerderd met ingang van de
                        kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 45, 50, 55, of 60 jaar
                        wordt bereikt. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof van personeelsleden jonger dan 22 jaar wordt
                        vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>21,6 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd
                                bereikt wordt;</al></li><li nr="b."><al>14,4 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd
                                bereikt wordt;</al></li><li nr="c."><al>7,2 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 21-jarige leeftijd
                                bereikt wordt.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof wordt met ingang van 1 januari 2001 jaarlijks
                        vermeerderd met 14,4 uur, zulks ter compensatie van het vervallen van een
                        aantal buitengewoon verlofsituaties als gevolg van een vereenvoudiging van
                        de verlofregeling. De omvang van het hier bedoelde verlof wordt afzonderlijk
                        op de verlofkaart zichtbaar gehouden.</al><al>Artikel 3 Vakantieregeling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het vakantieverlof van de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt
                        vastgesteld op een evenredig deel van het vakantieverlof dat voor hem zou
                        gelden bij een volledige betrekking.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het vakantieverlof van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur op grond
                        van artikel 5:1 of 5:3 is teruggebracht, wordt naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>Artikel 4 Vakantieregeling</al><al>Deze regeling geldt niet voor het personeel van de vaste kern van de
                        Gemeente Brandweer.</al><al>Artikel 5 Vakantieregeling</al><al>Deze regeling welke wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari
                        1972, kan worden aangehaald als "Vakantieregeling". Met ingang van
                        laatstgenoemde datum vervalt de verordening, vastgesteld op 22 mei 1957,
                        zoals die nadien is gewijzigd.</al><al>Vakantieregeling brandweer</al><al>1 Vakantieregeling brandweer</al><al><cursief> Besluit van burgemeester en wethouders van 4 juli 1972,
                            laatstelijk gewijzigd 26 november 1996.</cursief></al><al><vet>Artikel 1 Vakantieregeling brandweer</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof wordt per kalenderjaar vastgesteld op het
                        aantal uren dat is aangegeven achter de schaal, waarin de personeelsleden
                        zijn ingedeeld:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schaal 1 t/m 8</al></entry><entry colname="col2"><al>172,8 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schaal 9 en 10</al></entry><entry colname="col2"><al>180 uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schaal 11 en hoger</al></entry><entry colname="col2"><al>187,2 uren</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 2 Vakantieregeling brandweer</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof wordt, met ingang van kalenderjaren waarin de
                        leeftijd van respectievelijk 30, 40, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt wordt,
                        telkens vermeerderd met 7,2 uur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de ambtenaar die op of na 1 januari 1998 wordt aangesteld geldt, in
                        afwijking van het gestelde in het eerste lid, dat de duur van het
                        vakantieverlof telkens met 7,2 uren wordt vermeerderd met ingang van de
                        kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 45, 50, 55, of 60 jaar
                        wordt bereikt. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof van personeelsleden jonger dan 22 jaar wordt
                        vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>21,6 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd
                                bereikt wordt;</al></li><li nr="b."><al>14,4 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd
                                bereikt wordt;</al></li><li nr="c."><al>7,2 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 21-jarige leeftijd
                                bereikt wordt.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De duur van het vakantieverlof wordt met ingang van 1 januari 2001 jaarlijks
                        vermeerderd met 14,4 uur, zulks ter compensatie van het vervallen van een
                        aantal buitengewoon verlofsituaties als gevolg van een vereenvoudiging van
                        de verlofregeling. De omvang van het hier bedoelde verlof wordt afzonderlijk
                        op de verlofkaart zichtbaar gehouden.</al><al>Artikel 3 Vakantieregeling brandweer</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ter bepaling van de duur van het vakantieverlof voor het brandweerpersoneel,
                        dat werkzaam is in de 24-uurdienst wordt een omrekeningsfactor toegepast van
                        1,5 met inachtneming van het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>als grondslag voor de omrekening geldt de duur van het
                                vakantieverlof bedoeld in artikel 1, vermeerderd met het aantal uren
                                als bedoeld in artikel 2 en artikel 6:2:1, vierde lid van de
                                AGN;</al></li><li nr="b."><al>afronding vindt plaats tot op één decimaal volgens de gangbare
                                afbreekregel.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de vakantiedag opgenomen in de 24-uurdienst worden 24 uren in mindering
                        gebracht.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Voor een vakantiedag opgenomen in de dagdienst wordt het aantal voor die dag
                        ingeroosterde uren in mindering gebracht.</al><al>Artikel 4 Vakantieregeling brandweer</al><al>Het volgens deze regeling vastgestelde vakantieverlof wordt verleend volgens
                        een door de commandant der brandweer vast te stellen rooster.</al><al>Artikel 5 Vakantieregeling brandweer</al><al>Deze regeling wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1972.
                        Met ingang van genoemde datum vervalt de regeling van het vakantieverlof
                        voor het personeel van de vaste kern van de Gemeente Brandweer, vastgesteld
                        op 9 april 1969, zoals die nadien is gewijzigd.</al><al>6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde
                                lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:2 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 6a:4.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit
                        levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij voldoet aan de
                        voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964 aan deelname stelt.</al><al>Artikel 6a:5 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                        bronnen.</al><al>Artikel 6a:6 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, heeft recht op een
                        levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar
                        geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledig
                        dienstverband minimaal €400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag
                        naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan
                        ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht
                        hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor
                        zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20
                        jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld
                        in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet
                        worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing
                        is.</al><al>Lid 4</al><al>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>Lid 5</al><al>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van
                        de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het
                        gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                        geweest.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid,
                        tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van
                        het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 6a:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de opname
                        van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en hoofdstuk 6 meldt
                        de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het
                        college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed.
                        Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b
                        van toepassing is. </al><al>Artikel 6a:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</al><al>Paragraaf 1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Artikel 7:1 Definities</al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten en
                                bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om
                                redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
                                kan worden gevergd; </al></li><li nr="b."><al><vet>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:</vet>
                                loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de
                                eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in
                                het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al><vet>scholing in het kader van de reïntegratie:</vet> scholing die
                                gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover
                                afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel
                                7:9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende
                                mate haar oorzaak vindt in: en die niet aan schuld of nalatigheid
                                van de ambtenaar is te wijten; </al><lijst><li nr="§"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
                                        omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht
                                        of;</al></li><li nr="§"><al>in een dienstongeval verband houdende met de aard van de
                                        opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden
                                        waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te stellen
                                inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden,
                                gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;</al></li><li nr="f."><al><vet>arbodienst:</vet> een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste
                                lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g."><al><vet>inactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering,
                                WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de
                                uitkering in dienst was van een gemeente;</al></li><li nr="h."><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering
                                functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van het ABP of ABP
                                keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit
                                pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                ambtenaar</al></li></lijst><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                        deskundige(n).</al><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                        overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een
                        arbodienst of gecertificeerd deskundige(n), overeenkomstig door het college
                        te stellen regels.</al><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                        consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn
                        arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een
                        geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding
                                bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de
                                ambtenaar; </al></li><li nr="b."><al> indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten
                                einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.
                            </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid,
                        te onderwerpen.</al><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al><al>Lid 1</al><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige
                        lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel
                        van de arbodienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij
                        de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn
                        werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst
                        gesteld. </al><al>Lid 2</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats
                        indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke
                        toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere
                        werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In
                        dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                        toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een
                        verhindering wegens ziekte.</al><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat,
                        verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor
                        maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn
                        gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de
                        bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk
                        in kennis gesteld.</al><al>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                                onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst><al>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als
                        rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
                        gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes
                        maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n).</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de
                        zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden
                        gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op
                        doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot
                        het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken
                        verstaan.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop hij: </al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de
                        doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende ten minste
                        50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden
                        in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader
                        van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht
                        op een extra percentage van 5% berekend over het salaris en de toegekende
                        salaristoelagen waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt
                        als maximum het salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in
                        het eerste lid. </al><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend
                        naar rato van zijn formele arbeidsduur.</al><al>Lid 10</al><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als
                        gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en
                        met het vierde lid, op. </al><al>Lid 11</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden
                        van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval
                        de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak.</al><al>Lid 12</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelagenzoals
                        genoemd in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de
                        ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie. </al><al>Lid 13</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op
                        beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al><al>Lid 14</al><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale
                        ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van
                        de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris
                        en de toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald</al><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                        onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</al><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft
                        recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een
                        hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen, indien
                        hij niet ziek zou zijn geweest. </al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt,
                        bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering
                        verleend. </al><al>Lid 2</al><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met
                        een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de
                        ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de
                        ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een
                        bepaald percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                        ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit
                        percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt
                        bij een arbeidsongeschiktheid van: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste
                                lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit
                        artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen
                        in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling
                        ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7.5.0.1 Verhaalwet ongevallen ambtenaren (VOA)</al><al>In aanvulling op artikel 7:5 van de AGN geldt het volgende:</al><al>De VOA kent aan de overheid een eigen verhaalsrecht toe. De wet is van
                        toepassing voor personeel waarvan de bezoldiging ten laste komt van de
                        openbare geldmiddelen, en aan de nagelaten betrekkingen van dat
                        personeel.</al><al>Jaarlijks gebeuren veel ongevallen die tijdelijke of blijvende
                        arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben. De VOA biedt overheidswerkgevers de
                        mogelijkheid loonkosten te vorderen op een aansprakelijke derde indien de
                        ambtenaar tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt is geworden.</al><al>Als een ambtenaar bij een ongeval betrokken is geweest en er sprake is van
                        lichamelijk letsel, is het belangrijk dat er door de ambtenaar zo snel
                        mogelijk een aanmeldingsformulier VOA wordt ingevuld. Desgewenst kunt u
                        contact opnemen met het bureau Verzekeringen van de directie Stadsbedrijven.
                        Dit bureau zal, nadat het aanmeldingsformulier door u en de betrokken
                        medewerker is ingevuld, voor verdere afwikkeling zorgen. </al><al>Artikel 7:6 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al><al>Lid 1</al><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar
                        vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college
                        noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                        verzorging.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de
                        vaststelling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                        ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. </al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                        artikel 2:7a</al><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan
                        voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald,
                        worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur
                        overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode
                        waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting
                        voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor
                        de formele arbeidsduur.</al><al>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                                ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                reïntegratie</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al></li></lijst><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen
                        en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar,
                        die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                        arbeid of passende arbeid te verrichten. </al><al>Lid 2</al><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen
                        de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is,
                        bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid
                        buiten de openbare dienst van de gemeente.</al><al>Lid 3</al><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt
                        het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als
                        bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                        medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                        bijgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met
                        betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding
                        van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen
                        daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij
                        in acht te nemen procedures.</al><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                        ziekte</al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                        reïntegratie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte
                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan
                                door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in
                                artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                        vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te
                        verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de
                        gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de
                        arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de
                        vragen:</al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder
                                a;</al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                                opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet
                                houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het
                                verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
                                uitgezonderd;</al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                                belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van
                                het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het
                                behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;
                            </al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden
                                hervat.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch
                        onderzoek. </al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12,
                                sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de
                                verhindering tot het vervullen van zijn functie heeft veroorzaakt,
                                tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand
                                geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                                halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige
                                keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste
                                informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of
                                gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat
                                tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen
                                bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar
                                aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. </al></li></lijst><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al><al>Lid 1</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld
                        in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen
                                van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen
                                medische onderzoek na te komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft
                                nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te
                                blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van
                                de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van
                                voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige
                                aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt
                                aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of
                                vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door
                                een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; </al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door
                                de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
                                geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft
                                in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang
                                van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;
                            </al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                                bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien
                                zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst
                                als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te verstrekken
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) vindt wel
                        plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen
                        verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel
                        7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens
                        plichtsverzuim.</al><al>Lid 2</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld
                        in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen
                                maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die
                                erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen
                                passende arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van
                                een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder
                                b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op
                                grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), als
                        genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van
                        zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag,
                        genoemd in het tweede lid.</al><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven,
                        bepalen dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet
                        uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele
                        aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen
                        gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en
                        7:14 het niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog
                        aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second
                        opinion die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd
                        inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld
                        wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al><al>Lid 1</al><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar
                        opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al> door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke duur, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; </al></li><li nr="b."><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van proef, zonder dat
                                dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder
                                dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11,
                        tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze
                        definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de
                        aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is
                        in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het
                        tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                        restverdiencapaciteit benut.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is
                        geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80%
                        arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24
                        maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid
                        50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een
                        andere functie mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder
                        andere voorwaarden.</al><al>Lid 6</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie tengevolge van
                        zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de
                        periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7,
                        niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden
                        perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
                        oorzaak.</al><al>Lid 8</al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die
                        nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al><al>Lid 1</al><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te
                        vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen
                        vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder
                        bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden. </al><al>Lid 2</al><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het
                        advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al><al>Lid 3</al><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien
                        de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig verhinderd is geweest zijn
                        functie te vervullen.</al><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit passende arbeid
                        of werkzaamheden in het kader van diens reïntegratie.</al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn
                        functie, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de
                        arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn
                        reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid
                        voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid
                        in mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar
                        de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een
                        herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook,
                        die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                        lid.</al><al>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al></li><li nr=""><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag
                        van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond
                        van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde
                        termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de
                        periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                        wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk
                        wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op
                        grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar
                        uitbetaald. </al><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op
                        een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</al><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het
                        vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering,
                        wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag
                        waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht
                        heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met
                        volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                        minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGAuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde
                        van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in
                        mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt
                        gedaan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA
                        gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor
                        de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor
                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                        ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt
                        voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden
                        verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                        IVA-uitkering.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het
                        recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit
                        redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                        uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor
                        vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag
                        plaatsvond.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het
                        via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of
                        IVA-uitkering.</al><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft
                        op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</al><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 6 Ziektekosten</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:24a Zorgverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de
                        Zorgverzekeringswet</al><al>Artikel 7:24a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7:25b Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Overige bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li nr=""><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000
                        recht heeft op salarisbetaling of uitkering op grond van dit hoofdstuk en
                        waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van
                        dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het
                        moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met
                        ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op
                        grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met
                        terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt
                        toegekend.</al><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c,
                        zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1
                        januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                        vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende
                        gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om
                        zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                        wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
                        betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.</al><al>Lid 2</al><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van aanvang van de
                        ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden
                        80% en daarna 33 maanden 70% van het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke
                        functie.</al><al>Lid 3</al><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar
                        ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend
                        geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen,
                        herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf
                        verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                        niveau is vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan
                        leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare
                        arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid
                        verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd
                        met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al><al>Lid 5</al><al>De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65
                                jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5,
                        7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december
                        2005, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht
                        heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14,
                        7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9,
                        7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van
                        toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel
                        7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                        zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 . </al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste
                        dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1
                        januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de
                        loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de
                        ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot
                        en met het vierde lid.</al><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold
                        op 31 december 2005 , van toepassing. </al><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel
                        7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni
                        2008, van toepassing.</al><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals
                        dat gold op 30 november 2008.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Verzuimprotocol</al><al>Verzuimprotocol</al><al><vet>De medewerker</vet></al><al>Van de medewerker wordt verwacht dat hij actief bijdraagt aan het voorkomen
                        van ziekte en het meewerken aan herstel indien hij toch ziek wordt. Anders
                        gezegd wordt er een actieve houding van de medewerker verwacht, tenzij dit
                        medisch gezien niet mogelijk is. Zo kan de medewerker al direct bij het
                        ontstaan van klachten gebruik maken van de interventietrajecten die IZA
                        biedt. Van de medewerker wordt ook verwacht dat hij van het hele proces een
                        logboek bijhoudt. Dit kan hij nodig hebben als zijn ziekte leidt tot een
                        WAO-aanvraag (zie ook reïntegratieverslag).</al><al><vet>De leidinggevende</vet></al><al>De rol van de leidinggevende is die van begeleider van het verzuimproces.
                        Dat wil zeggen dat de leidinggevende inspanningen levert om verzuim te
                        voorkomen door het voeren van bijvoorbeeld preventief RSI-beleid, beleid
                        gericht op het voorkomen van bovenmatige werkdruk enz.. Daarnaast is de
                        leidinggevende eigenaar van het proces van verzuimbegeleiding. Hij kan
                        daarbij een beroep doen op de adviseurs van P&amp;O, arbodienst,
                        arbocoördinator e.d., echter nooit met het doel de regisseursrol uit handen
                        te geven. De leidinggevende kan ook gebruik maken van de mogelijkheden die
                        het IZA Bedrijfszorgpakket. Dit kan hij doen ten behoeve van de medewerker,
                        maar ook ten behoeve van versterking en ondersteuning bij zijn eigen rol als
                        verzuimbegeleider. Ook de leidinggevende houdt van het hele proces een
                        logboek bij over het ziekteverloop. </al><al><vet>De casemanager</vet></al><al>Deze rol wordt vervuld door de P&amp;O-adviseur. De casemanager bewaakt de
                        procedure rondom de Wet Verbetering Poortwachter. Hiertoe initieert en
                        signaleert de casemanager en ziet er op toe dat afspraken worden gemaakt en
                        nagekomen. Dit laat echter onverlet dat de regie voor de verzuimbegeleiding
                        bij de leidinggevende ligt en dat hij onverminderd verantwoordelijk is voor
                        het proces. De leidinggevende is verantwoordelijk voor het
                        reïntegratieproces, en daarmee voor het functioneren van de casemanager. de
                        casemanager houdt het ziekteverloop bij. Alle feitelijke gegevens,
                        documenten, gespreksverslagen en correspondentie worden door de casemanager
                        vastgelegd. Deze gegevens worden gebruikt voor het plan van aanpak en het
                        reïntegratieverslag. Relevante stukken worden voor de medewerker
                        gekopieerd.</al><al><vet>IZA BedrijfsZorgPakket</vet></al><al>Het IZA BedrijfsZorgPakket biedt de mogelijkheid van curatieve
                        interventietrajecten. Door de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van
                        deze curatieve interventietrajecten, krijgen deze een preventieve werking op
                        het ziekteverzuim. De medewerker hoeft – met andere woorden – niet ziek te
                        zijn om gebruik te maken van het pakket. Integendeel. Gehoopt wordt dat door
                        het tijdig inzetten van het pakket verzuim kan worden voorkomen. Bij het
                        curatief inzetten van interventietrajecten wordt altijd eerst gekeken of
                        deze gevonden kunnen worden in het IZA BedrijfsZorgPakket. Pas wanneer deze
                        niet in het pakket gevonden kunnen worden, kunnen andere
                        interventietrajecten overwogen worden. Hierover worden dan aanvullend
                        afspraken gemaakt met leidinggevende.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schema verzuimbegeleiding</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>8 Ontslag</al><al>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een
                        ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al><al>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een
                        datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum
                        waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid
                        worden afgeweken.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of
                        indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf
                        kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden
                        aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake
                        de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al><al>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij
                        de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                        instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al><al>Artikel 8.2.0.1 Ontslag wegens ouderdomspensioen</al><al><vet>Extra toelichting vanuit de Gemeente Nijmegen bij artikel
                        8:2</vet></al><al>Deze wijziging in het ABP Pensioenreglement geldt alleen voor medewerkers
                        die onder het ABP-keuzepensioen vallen. Niet voor medewerkers met recht op
                        FPU. Als zij niet voor hun vijfenzestigste volledige gebruik hebben gemaakt
                        van de FPU, dan blijft voor hen de ingangsdatum van het ouderdomspensioen
                        zoals die was: de eerste van de maand volgend op die waarin de deelnemer 65
                        jaar is geworden. </al><al><vet>Volledig FPU</vet></al><al>Medewerkers die met FPU gaan worden namelijk vóór hun 65ste ontslagen op
                        grond van artikel 8:11 (ontslag wegens FPU). De maand van ontslag waar
                        artikel 8:2 over gaat is voor deze medewerkers niet relevant.</al><al><vet>Deeltijd FPU</vet></al><al>Voor medewerkers die niet volledig met FPU gaan geldt het volgende. Zij
                        hebben op de eerste van de maand waarin zij 65 worden nog een gedeeltelijke
                        aanstelling bij de gemeente. Omdat het maar een beperkte groep betreft én
                        omdat artikel 8:2, tweede lid het mogelijk makt om af e wijken van de
                        ontslagdatum bij ouderdomspensioen, is het niet nodig om dit artikel aan te
                        passen. Voor medewerkers die op hun 65ste nog niet volledig met FPU zijn
                        gegaan, geldt dat het ontslag wegens ouderdomspensioen (voor de resterende
                        dienstbetrekking) toegekend moet worden op de eerste van de maand volgend op
                        die waarin betrokkene 65 jaar is geworden (de oude regel uit artikel 8:2).
                        Dit kan op grond van artikel 8:2 tweede lid. </al><al><vet>Geen gebruik maken van recht op FPU</vet></al><al>Het kan zijn dat een medewerker recht heeft op FPU, maar hier geen gebruik
                        van maakt. Er is dan geen sprake van ontslag op grond van 8:11 gedurende de
                        laatste fase van zijn loopbaan. Betrokkene werkt door tot 65 jaar. Voor deze
                        persoon geldt hetzelfde ontslagmoment als voor de medewerker die
                        gedeeltelijk met FPU was gegaan. Deze ontslagdatum is de eerste van de maand
                        volgend op die waarin betrokkene 65 is geworden. Het ontslag vindt dan
                        plaats op grond van 8:2, tweede lid. </al><al><vet>Geboren vóór 1950, geen FPU</vet></al><al>De medewerkers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en niet onder de
                        overgangsbepalingen FPU vallen, vallen onder het ABP-keuzepensioen. Ook voor
                        hen geldt de nieuwe standaard ingangsdatum: de eerste van de maand waarin de
                        medewerker 65 jaar wordt. Op die datum krijgen zij ontslag op grond van
                        artikel 8:2. </al><al>Artikel 8:2:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd </al><al>Lid 1</al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na het bereiken
                        van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is getreden van de gemeente,
                        alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid
                        3 wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij
                        wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een opzegtermijn van 13
                        weken.</al><al>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn
                        functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel
                        waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens
                        verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel
                        wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag
                        verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al><al>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de
                        betrokken ambtenaren medegedeeld. </al><al>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                                een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                                een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend. </al><al>Lid 3</al><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er
                        sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 5</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                        ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag. </al><al>Lid 6</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 7</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de functie
                        tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 9</al><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij
                        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                        zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-
                        of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 10</al><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd: </al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld. </al></li></lijst><al>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a."><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;</al></li><li nr="b."><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar
                                binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als
                                bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een
                        situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling
                        op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de
                        ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.</al><al>Lid 5</al><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen. </al><al>Lid 6</al><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid,
                        genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over
                        het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>Lid 7</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                        functie ten gevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen. </al><al>Lid 8</al><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld,
                        indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                        of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                        zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
                        in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak. </al><al>Lid 9</al><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt
                        verlengd</al><lijst><li nr="a."><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al> met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al>Lid 10</al><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als
                        bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf
                        24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel
                        mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde,
                        zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al><al>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke
                        grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door
                                het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid
                                te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe
                                het college hem in de gelegenheid stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede
                                lid, van de WIA;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste
                        lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV
                        in.</al><al>Artikel 8:5:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van
                        ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                        verleend.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan
                                gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                geldt;</al></li><li nr="b."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                                functie zou uitsluiten; </al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
                                uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan
                                worden gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet
                        eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop de reden voor het ontslag
                        voor het eerst aanwezig was.</al><al>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</al><al>Lid 1</al><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij
                        het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige
                        artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                        vermeld.</al><al>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is
                        ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige
                        functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve
                        dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al><al>Artikel 8:10 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:10:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:11:1 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van
                        rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de
                        datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de
                        tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan,
                        is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op
                        de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de
                        eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat
                        opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding
                        geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag
                        worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is
                        vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan,
                        kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend,
                        indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al><al>Lid 5</al><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet
                        plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn
                        overschreden.</al><al>Lid 6</al><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een
                        tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</al><al>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag
                        worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                        urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</al><al>Lid 1</al><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een
                        opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                twaalf maanden heeft geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk
                                de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft
                                geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                                urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken
                                korter dan zes maanden heeft geduurd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht
                        ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van zijn salaris en de
                        toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                        vakorganisaties</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>wet:</vet> Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b."><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                                wet; </al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                lid, van de wet. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als
                                bedoeld in artikel 9 van de wet; </al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                de wet; </al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest
                                van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de
                        ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                        vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een
                        daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er
                        toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en
                        de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op
                        grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het
                        ontslag toestemt. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                        toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die
                        secretaris. </al><al>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het
                        college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf
                                mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het
                                Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf
                                wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang
                                van de dienst.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                                omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding
                                heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                schorsing.</al></li></lijst><al>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</al><al>Lid 1</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c ,
                        kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor een derde gedeelte
                        worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere
                        vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag ,
                        plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid. </al><al>Lid 2</al><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a , kan tot
                        de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het
                        ontslag de doorbetaling geheel of gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens
                        het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt
                        de doorbetaling geheel gestaakt. </al><al>Lid 3</al><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                        kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de
                        schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een
                        bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor
                        pensioen.</al><al>Lid 4</al><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief de
                        toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing
                        niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook
                        indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt
                        besloten. </al><al>Lid 5</al><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en toegekende
                        salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing
                        bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</al><al>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</al><al>Lid 1</al><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</al><al>Lid 2</al><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met
                        vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving
                        of aanduiding van die datum.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                        ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op
                        verzoek van de ambtenaar vermeld.</al><al>Artikel 8:16:1 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst </al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur</al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt
                        teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit
                        te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk,
                        behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel
                        7:16.</al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing. </al><al>Lid 3</al><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is
                        gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben
                        op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a,
                        zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</al><al>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1
                        juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold
                        op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van
                        toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Sociaal Statuut en herplaatsingsbeleid Gemeente Nijmegen 2016</al><al>Voorwoord</al><al>Het Sociaal Statuut wordt toegepast bij organisatieveranderingen. Dit
                        document treedt in werking op 1 januari 2016 en komt in de plaats van
                        Sociaal Statuut 2010-2012 Herplaatsingsbeleid Gemeente Nijmegen en de
                        Leidraad bij Privatisering van 30 maart 1994 en gewijzigd op 10 juli 1996. </al><al>De tekst van het Sociaal Statuut is aangepast aan de wijzigingen van
                        hoofdstuk 10d AGN en is compacter geworden en geactualiseerd. Ook zijn
                        passages die het algemeen personeelsbeleid van de gemeente betreffen uit dit
                        document gehaald ten behoeve van de leesbaarheid en hanteerbaarheid.
                        Daarnaast zijn de bepalingen van het Sociaal Statuut bij privatisering
                        herzien en opgenomen in de nieuwe tekst. </al><al>Uitgangspunten en kaders</al><al>De samenleving ontwikkelt zich snel en de burger stelt andere eisen aan de
                        lokale overheid. Daarnaast zorgen de bezuinigingen en opschaling voor veel
                        turbulentie en dwingen de gemeente keuzes te maken. Onze vergrijsde
                        personele formatie krimpt door deze ontwikkelingen. In deze moeilijke tijden
                        is het een uitdaging op een zakelijke maar zorgvuldige wijze te voldoen aan
                        de veranderende eisen in de samenleving en van de individuele burger, de
                        inkrimping van onze formatie en de instroom van voornamelijk jongeren te
                        realiseren. Als werkgever stellen wij ook andere eisen aan onze medewerkers.
                        We vragen hun zich permanent bewust te zijn van de veranderingen en hierop
                        flexibel, tijdig en adequaat te anticiperen. We willen graag dat alle
                        medewerkers van onze gemeente zich realiseren dat zij dat eenduidige en
                        klantgerichte gezicht naar buiten zijn. Als organisatie bieden we onze
                        werknemers perspectief. Het management van onze organisatie draagt hieraan
                        bij door een ambiance te bieden waarin ontwikkelen kan en mag. Het aanbieden
                        van opleidingen, begeleiding en een goede aansturing op competenties,
                        houding en gedrag is een taak van het management.</al><al>Van werk-naar-werkgarantie</al><al>Zowel de werkgever als de werknemers hechten aan waarborgen rond
                        werkgelegenheid. De van werk-naar-werkgarantie is verlengd tot 1 mei 2019.
                        De garantie blijft echter onder druk staan wegens de jarenlange sterk
                        verslechterde economische omstandigheden. </al><al>Sociaal Statuut</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1 Definities</al><lijst><li nr="a."><al><vet>AGN:</vet> Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. </al></li><li nr="b."><al><vet>Ambtenaar:</vet> de ambtenaar als bedoeld in de AGN met een
                                vaste aanstelling dan wel een tijdelijke aanstelling bij wijze van
                                proef.</al></li><li nr="c."><al><vet>Anciënniteit:</vet> het aantal dienstjaren doorgebracht in
                                overheidsdienst. </al></li><li nr="d."><al><vet>Commissie voor Georganiseerd Overleg (GO):</vet> de commissie
                                voor georganiseerd overleg zoals bedoeld in artikel 12:1 van de
                                AGN.</al></li><li nr="e."><al><vet>Functie:</vet> het samenstel van werkzaamheden dat de ambtenaar
                                verricht. </al></li><li nr="f."><al><vet>Gelijke functie:</vet> een functie die (nagenoeg) overeen komt
                                met de functie die de ambtenaar voor de organisatiewijziging
                                vervulde. Onder "nagenoeg overeen komt" wordt in dit verband ook
                                verstaan: een wijziging waarbij één of meer niveaubepalende taken
                                uit de functie vervallen en/of de wijziging minder dan 25% van de
                                functieomvang betreft. Er is nooit sprake van een gelijke functie
                                als de inschaling afwijkt (naar boven of beneden) van de oude
                                functie. </al></li><li nr="g."><al><vet>Nulsituatie:</vet> de rechtspositie (functie, plaats in de
                                organisatie, salarispositie etc.) van de ambtenaar op het moment
                                vlak vóór de organisatiewijziging. </al></li><li nr="h."><al><vet>Organisatiewijziging:</vet> iedere inkrimping of wijziging van
                                de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel daarvan) of een
                                belangrijke wijziging van de laatst vastgestelde
                                organisatiestructuur van de gemeente (of een onderdeel daarvan), die
                                niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met zich
                                meebrengt. </al></li><li nr="i."><al><vet>Passende functie:</vet> een functie die de ambtenaar
                                redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden
                                en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen en dus
                                voldoet aan de criteria zoals geformuleerd in artikel 15:1:10,
                                eerste en tweede lid van de AGN. Een functie van meer dan twee
                                salarisschalen lager wordt in ieder geval als niet passend
                                beschouwd. Er is geen sprake van een passende functie als deze hoger
                                is ingeschaald dan de oude functie. </al></li><li nr="j."><al><vet> Personeelsplan:</vet> een overzicht waarin voor elke betrokken
                                ambtenaar de rechtspositionele gevolgen van de organisatiewijziging
                                zijn opgenomen, waarbij ook de nulsituatie van elke ambtenaar is
                                vermeld. </al></li><li nr="k."><al><vet>Personele gevolgen:</vet> gevolgen voor de functie of de
                                rechtspositie van de betrokken ambtenaren. </al></li><li nr="l."><al><vet>Privatisering:</vet> organisatiewijziging die het gevolg is van
                                de verzelfstandiging van een deel van de organisatie tot een nieuwe
                                (privaatrechtelijke) rechtspersoon of de overdracht van een deel van
                                de organisatie aan een derde (privaatrechtelijke) partij. </al></li><li nr="m."><al><vet>Publiekrechtelijke taakoverheveling:</vet> organisatiewijziging
                                als gevolg van de overheveling van een deel van de organisatie naar
                                een ander publiekrechtelijk orgaan.</al></li><li nr="n."><al><vet>Salarisperspectief:</vet> de opeenvolgende salarisperiodieken
                                tot en met het hoogste bedrag van de functieschaal van de ambtenaar
                                en eventuele diensttijduitlopen tot het moment van overplaatsing en
                                eventuele schriftelijk vastgelegde extra individuele
                                salarisafspraken. </al></li><li nr="o."><al><vet> Sleutelfunctie:</vet> een sleutelfunctie is een gezichts- en
                                resultaatsbepalende functie. Hieronder wordt in ieder geval verstaan
                                lid van de directieraad.. Daarnaast kunnen, in overleg met de OR,
                                ook andere functies als sleutelfunctie worden vastgesteld. </al></li><li nr="p."><al><vet> Toetsingscommissie: </vet> de commissie die bindend adviseert
                                over aangelegenheden van het “van Werk-naar-Werk-contract” . </al></li><li nr="q."><al><vet>Werkgever:</vet> de Gemeente Nijmegen.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Werkingssfeer</al><al>Dit Sociaal Statuut is van toepassing op alle organisatiewijzigingen in de
                        gemeentelijke organisatie. De artikelen 19 tot en met 22 zijn exclusief van
                        toepassing op privatisering en publiekrechtelijke taakoverheveling.
                        Paragraaf 2 is van toepassing tenzij de bestuurder en OR overeen komen dat
                        het een onbelangrijke organisatiewijziging betreft.</al><al>Artikel 2a Werk naar Werk-garantie</al><al>De “Werk-naar-werkgarantie” geldt voor medewerkers, waarvan als gevolg van
                        reorganisaties, privatiseringsoperaties of bezuinigingen de functie vervalt
                        in de periode tot 1 mei 2019. De garantie houdt in dat er vóór 1 mei 2019
                        geen ontslagdatum ingevolge artikel 8:3 AGN geldt ten aanzien van
                        medewerkers, die vóór 1 mei 2019 de boventalligenstatus krijgen als gevolg
                        van reorganisaties of bezuinigingen. De tweejarige termijn van artikel
                        10d:12 AGN geldt als minimum re-integratietermijn. Zowel de werkgever als de
                        werknemer zullen zich inspannen om de werknemer van werk naar werk te
                        leiden. Hierbij zal de aandacht en inspanning gericht zijn op het verwerven
                        en aanbieden van werk binnen en/of buiten de gemeentelijke organisatie. </al><al>Artikel 2b Boventalligenstatus</al><al>Medewerkers, die onder de van Werk-naar-werkgarantie vallen krijgen de
                        boventalligenstatus. De overige bepalingen van paragraaf 5 en van hoofdstuk
                        10d Voorzieningen bij werkloosheid zijn van overeenkomstige toepassing. Het
                        plaatsingsbeleid is van toepassing.</al><al>Artikel 3 Bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot
                        organisatiewijziging</al><al>Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd tot het nemen van
                        besluiten over de wijziging van de ambtelijke organisatie tenzij bij mandaat
                        anders is bepaald. De Raad is bevoegd tot het nemen van besluiten tot
                        privatisering of publiekrechtelijke taakoverheveling.</al><al>Artikel 4 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende individuele
                        ambtenaren</al><al>Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd tot het nemen van
                        besluiten over wijziging van de aanstelling, overplaatsing en ontslag van
                        ambtenaren, tenzij bij of krachtens wet, raadsbesluit of mandaat anders is
                        bepaald.</al><al>Paragraaf 2 Procedurele bepalingen</al><al>Artikel 5 Procedure</al><al>Bij een organisatiewijziging worden de volgende stappen doorlopen: stap 1.
                        Onderzoek organisatiewijziging (artikel 6) stap 2. Adviesfase (artikel 7)
                        stap 3. Kennisgeving en uitvoering besluit (artikel 8) stap 4. Vaststellen
                        plaatsingscriterium (artikel 9) stap 5. Vaststellen personeelsplan (artikel
                        10) stap 6. Plaatsing (artikel 11) stap 7. Invulling nieuwe en niet
                        ingevulde functies (artikel 12)</al><al>Artikel 6 Onderzoek naar organisatiewijziging</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Als de werkgever zich voorneemt de mogelijkheid en wenselijkheid van een
                        organisatiewijziging, waarop dit Sociaal Statuut van toepassing zal zijn, te
                        onderzoeken, wordende ondernemingsraad en de betrokken ambtenaren hierover
                        geïnformeerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tijdstip van kennisgeving van het voornemen is dusdanig, dat de
                        ondernemingsraad een advies over de onderzoeksopdracht kenbaar kan
                        maken.</al><al>Artikel 7 Advies over organisatiewijziging</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de
                        organisatiewijziging, wordt de ondernemingsraad schriftelijk om advies
                        gevraagd, conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het voorgenomen
                        besluit, de beweegredenen van het besluit, de verwachte personele gevolgen
                        van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen personele
                        maatregelen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De OR brengt advies uit conform artikel 25 van de WOR.</al><al>Artikel 8 Kennisgeving en uitvoering besluit</al><al>Zodra de werkgever een definitief besluit heeft genomen tot wijziging van de
                        organisatie, wordt dit besluit meegedeeld aan de ondernemingsraad en de
                        betrokken ambtenaren. De commissie voor Georganiseerd Overleg wordt
                        geïnformeerd over het besluit. Bij de mededeling wordt tevens op hoofdlijnen
                        een schets gegeven van de personele gevolgen van het besluit.</al><al>Artikel 8a Functieboek en sleutelfuncties</al><al>Bij de nieuwe organisatie te vormen functies worden uitgewerkt in een door
                        het college vast te stellen functieboek en ter advisering voorgelegd aan de
                        OR. Het functieboek wordt tijdig, vóór aanvang van de plaatsingsprocedure,
                        aan de betrokken ambtenaren ter kennis gebracht. In het functieboek worden
                        na instemming van de OR sleutelfuncties nader bepaald; sleutelfuncties
                        vallen buiten de plaatsingsprocedure. Sleutelfuncties worden ingevuld op
                        basis van geschiktheid. Het college stelt van te voren de geschiktheidseisen
                        vast en wijst de kandidatendoelgroepen aan. Kandidaten, die niet worden
                        geplaatst op een sleutelfunctie, volgen de plaatsingsprocedure als bedoeld
                        in paragraaf 3. </al><al>Artikel 9 Vaststellen plaatsingscriterium</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werkgever moet overeenstemming bereiken met de OR of het criterium
                        kwaliteit of het criterium anciënniteit bij plaatsing wordt gehanteerd, in
                        het geval er teveel ambtenaren zijn voor dezelfde gelijke functie. Indien
                        gekozen wordt voor het anciënniteitbeginsel, wordt ook over de toepassing
                        van lid vijf overlegd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De werkgever moet de keuze voor een van de twee criteria motiveren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Nadat overeenstemming is bereikt over het plaatsingscriterium worden alle
                        betrokken ambtenaren en het GO hierover geïnformeerd. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Als wordt gekozen voor 'kwaliteit' worden minstens twee beoordelingen
                        meegenomen voor zover deze langer dan een half jaar, maar niet langer dan 3
                        jaar geleden zijn opgemaakt , gerekend vanaf het moment dat de werkgever het
                        verzoek tot instemming over het plaatsingscriterium heeft voorgelegd aan de
                        OR. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Als wordt gekozen voor 'anciënniteit' kan, als er 10 of meer ambtenaren bij
                        de organisatiewijziging zijn betrokken, het afspiegelingsbeginsel toegepast
                        conform de bijlage. De peildatum voor de berekening van cohort is de datum
                        van reorganisatie. </al><al>Artikel 10 Vaststellen personeelsplan</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werkgever stelt een personeelsplan op. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De gemeentesecretaris stelt het personeelsplan vast bij
                        afdelingsoverstijgende processen nadat hij daarover overeenstemming heeft
                        bereikt met de OR.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het afdelingshoofd stelt het personeelsplan vast bij processen die zich
                        beperken tot zijn afdeling nadat hij daarover overeenstemming heeft bereikt
                        met de ondernemingsraad.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Pas nadat de OR zijn instemming heeft gegeven krijgen alle betrokken
                        ambtenaren een plaatsingsbesluit.</al><al>Paragraaf 3 Sociaal beleid</al><al>Artikel 11 Plaatsing</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Plaatsing van de bij de organisatiewijziging betrokken ambtenaren geschiedt
                        op de wijze zoals in de volgende leden aangegeven. </al><al><cursief>In een gelijke functie:</cursief></al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Plaatsing geschiedt zoveel mogelijk in gelijke functies volgens het principe
                        "mens volgt functie".</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als er voor een ambtenaar meerdere gelijke functies zijn, dan wordt de
                        ambtenaar geplaatst, waarbij rekening worden gehouden met zijn voorkeur. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Als er meer kandidaten dan gelijke functies zijn, dan wordt er geplaatst op
                        basis van kwaliteit of anciënniteit, volgens artikel 9. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Optie A: plaatsing in gelijke functie op basis van kwaliteit:</al><lijst><li nr="§"><al> Als eerste worden ambtenaren geplaatst die in hun laatste
                                beoordeling een gemiddelde waardering hebben van C of hoger hebben.
                                Indien er daarbij meer kandidaten zijn dan plaatsen, dan moet een
                                assessment uitsluitsel te geven. Geeft dat geen uitsluitsel dan
                                geldt anciënniteit. </al></li><li nr="§"><al> Vervolgens worden de ambtenaren geplaatst die gemiddeld lager score
                                dan een C op hun beoordeling. Indien ook daarbij meer kandidaten
                                zijn dan plaatsen, dan dient een assessment uitsluitsel te geven.
                                Geeft dat geen uitsluitsel dan geldt anciënniteit.</al></li></lijst><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Optie B: plaatsing in een gelijke functie op basis van anciënniteit. De
                        ambtenaren worden geplaatst in volgorde van anciënniteit met in achtneming
                        van het bepaalde in artikel 9, lid 5. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Aan een plaatsing in een gelijke functie worden geen extra voorwaarden of
                        eisen verbonden, dan die aan de vervulling van de functie zijn verbonden. </al><al><cursief>In een passende functie:</cursief></al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Is de ambtenaar niet plaatsbaar in een gelijke functie, dan wordt hij
                        geplaatst in een passende functie.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Als er voor een ambtenaar meerdere passende functies beschikbaar zijn, wordt
                        er bij de plaatsing rekening gehouden met de voorkeur van de ambtenaar. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Indien er meer ambtenaren zijn dan functies wordt er geplaatst volgens het
                        overeengekomen criterium als bedoeld in artikel 9, lid 4.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Optie A: plaatsing in passende functie op basis van kwaliteit: Er wordt
                        geplaatst op basis van een assessment. Indien dat geen uitsluitsel geeft dan
                        op basis van anciënniteit.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Optie B: plaatsing in passende functie op basis van anciënniteit: De
                        ambtenaren worden in een passende functie geplaatst in volgorde van
                        anciënniteit, met in achtneming van anciënniteit, met in achtneming van
                        artikel 9, lid 5. </al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Aan een plaatsing in een passende functie kunnen voorwaarden / eisen
                        verbonden worden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een
                        ontwikkelingstraject voor een ambtenaar. De werkgever moet de ambtenaar na
                        maximaal 1 jaar beoordelen. Als de beoordeling negatief is en de conclusie
                        luidt dat handhaven in de functie niet wenselijk is, wijst de werkgever de
                        ambtenaar aan als boventallig. Vindt er binnen een jaar geen beoordeling
                        plaats dan is de plaatsing definitief en vervallen alle voorwaarden.</al><al>Artikel 11a Remplaçantenregeling</al><al>Wanneer conform artikel 11 is vastgesteld welke medewerkers kunnen worden
                        geplaatst, wordt – indien er daarnaast sprake is van boventalligheid – de
                        geplaatste medewerker op basis van vrijwilligheid in de gelegenheid gesteld
                        om te kiezen voor de status van boventallige. Dit ten gunste van een bij de
                        inpassing boventallig geworden medewerker. Een dergelijk verzoek wordt in
                        beginsel, binnen de grenzen van een verantwoorde bedrijfsvoering,
                        gehonoreerd.”</al><al>Artikel 12 Invulling nieuwe en niet gevulde functies</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien na plaatsing bepaalde functies niet vervuld zijn, worden deze
                        functies vrij gegeven als vacature, volgens de geldende regels. Dit gebeurt
                        echter niet voordat is gebleken dat:</al><lijst><li nr="§"><al> bekeken is of de bij de reorganisatie betrokken ambtenaren
                                plaatsbaar zijn op die functies; </al></li><li nr="§"><al>alle bij de organisatiewijziging betrokken en al dan niet geplaatste
                                ambtenaren de kans hebben gekregen met voorrang te solliciteren.
                            </al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Aan de plaatsing op basis van een sollicitatie kunnen voorwaarden verbonden
                        worden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een ontwikkelingstraject voor
                        een ambtenaar. Hierbij kan het voorkomen dat de ambtenaar tijdelijk nog niet
                        bevorderd wordt naar de functieschaal van de nieuwe functie. De werkgever
                        moet de ambtenaar na maximaal 1 jaar beoordelen. Bij een positieve
                        beoordeling wordt de ambtenaar met terugwerkende kracht tot het moment van
                        plaatsing naar de functieschaal bevorderd. Als de beoordeling negatief is en
                        de conclusie luidt dat handhaven in de functie niet wenselijk is, wijst de
                        werkgever de ambtenaar aan als boventallig. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als geen functie voorhanden is wordt de ambtenaar aangewezen als boventallig
                        en is op hem de procedure als beschreven in het plaatsingsbeleid van
                        toepassing. Aanwijzing als boventallige geschiedt zo snel mogelijk en in
                        ieder geval uiterlijk drie maanden na vaststelling van de nieuwe
                        functieprofielen van de nieuwe organisatie. </al><al>Artikel 13 Functiewaardering</al><al>Maximaal één jaar na plaatsing op een functie met een indicatieve
                        waardering, zorgt de werkgever voor een definitieve waardering, in principe
                        met terugwerkende kracht.</al><al>Artikel 14 Salarisgarantie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de
                        gemeentelijke organisatie, behoudt bij plaatsing in een functie met gelijke
                        schaal of één schaal lager, recht op het schaalniveau en schaalnummer en de
                        doorgroei binnen de schaal zoals die voor hem golden in de oude functie. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij plaatsing in een nieuwe functie die twee of meer schalen lager is
                        gewaardeerd dan de oude functie, geldt dat het salaris op het moment van
                        plaatsing in de nieuwe functie wordt bevroren op het schaalniveau en
                        schaalnummer zoals dat bereikt was in de oude functie direct voorafgaand aan
                        de plaatsing in de nieuwe functie. Eventuele doorgroei binnen de schaal is
                        vervolgens alleen nog mogelijk tot aan het schaalbedrag dat overeenkomt met
                        het maximale schaalbedrag van de nieuwe functie waarin de ambtenaar is
                        geplaatst. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij plaatsing in een lagere schaal sluiten werkgever en werknemer een
                        loopbaancontract met elkaar af op voorwaarde van instemming van beide
                        partijen. Het contract heeft tot doel dat beide partijen actief streven naar
                        een functie op minimaal het oude schaalniveau.</al><al>Artikel 15 Vergoedingen en toe(s)lagen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Als en zodra de ambtenaar met een functie wordt belast waaraan geen, dan wel
                        in mindere mate toe(s)lagen en vergoedingen zijn verbonden voor gemaakte
                        kosten, ongerief e.d. komt hij in aanmerking voor een afbouwregeling van
                        maximaal twee jaar als hij deze vergoeding of toelage minstens gedurende één
                        jaar heeft genoten gerekend vanaf de dag van plaatsing in de nieuwe
                        functie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De som van de afbouwregeling bedraagt maximaal 150% van het bedrag dat per
                        jaar aan toelage of vergoeding wordt uitgekeerd en wordt in maximaal twee
                        jaar uitgekeerd. De som wordt bepaald op basis van het recht op vergoeding
                        zoals dat gold op de dag voor plaatsing.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien de regeling op grond waarvan de vergoeding of toe(s)lagen werd (en)
                        toegekend een eigen afbouwregeling heeft, wordt die regeling toegepast.</al><al>Artikel 16 Persoonsgebonden toelagen</al><al>De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de
                        gemeentelijke organisatie, behoudt recht op zijn persoonsgebonden
                        toelagen.</al><al>Artikel 17 Studiefaciliteiten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Toegekende rechten op grond van de studiefaciliteitenregeling (Hoofdstuk 17,
                        bijlage: studiefaciliteitenregeling) blijven gehandhaafd, indien de studie
                        wordt voortgezet</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de ambtenaar besluit te stoppen met zijn studie, wordt hij ontheven
                        van terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de
                        studiefaciliteitenregeling. Deze ontheffing is alleen mogelijk als
                        voltooiing van de studie geen vereiste is voor uitoefening van de nieuwe
                        functie en hierover afspraken zijn gemaakt met de leidinggevende.</al><al>Artikel 18 Aanvullende scholing</al><al>De werkgever onderzoekt of het nodig is de ambtenaar, die is overgeplaatst
                        naar een passende functie binnen de gemeentelijke organisatie, bij of om te
                        scholen voor het vervullen van zijn nieuwe functie. De kosten van dergelijke
                        scholing zijn voor rekening van de gemeente.</al><al>Paragraaf 4 Slotbepalingen</al><al>Artikel 19 Behoud werkgelegenheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werkgever zal zich bij privatisering en publiekrechtelijke
                        taakoverheveling tot het uiterste inspannen om ervoor te zorgen dat de
                        werkgelegenheid van de bij de privatisering of publiekrechtelijke
                        overheveling van taken betrokken ambtenaren meegaat naar de nieuwe
                        organisatie. Daarbij wordt het principe 'mens volgt werk' gehanteerd. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Aan kwetsbare groepen die bij taakoverheveling betrokken zijn wordt
                        bijzondere aandacht geschonken. Met de nieuwe werkgever wordt een afspraak
                        gemaakt over de termijn (-te rekenen vanaf de datum van taakoverheveling-)
                        gedurende welke een voormalig ambtenaar niet als gevolg van reorganisatie of
                        het opheffen van zijn functie mag worden ontslagen, anders dan wegens
                        faillissement of beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Bij
                        faillissement of beëindiging van de werkzaamheden van de nieuwe werkgever
                        wordt de werknemer terug in dienst genomen door de gemeente Nijmegen voor de
                        resterende periode van deze termijn. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien bij de taakoverheveling geen andere latende partijen betrokken zijn
                        dan de gemeente Nijmegen, zullen de overgenomen werknemers gedurende drie
                        jaar na de taakoverheveling niet ontslagen mogen worden wegens
                        reorganisatie. Mochten functies vervallen dan rust bij de nieuwe werkgever
                        de verplichting om plaatsing in een andere functie na te gaan. Een functie
                        van maximaal één schaal lager wordt als passende functie gezien. </al><al>Artikel 20 Sociaal Plan</al><al>Als de privatisering of taakoverheveling zodanig ingrijpende gevolgen met
                        zich meebrengt dat hierover aanvullende afspraken moeten worden gemaakt, of
                        op verzoek van de werknemersorganisaties wordt door de werkgever een sociaal
                        plan opgesteld. Dit plan regelt de rechtspositionele gevolgen en treedt in
                        de plaats van het bepaalde in paragraaf 1 tot en met 3. Over dit sociaal
                        plan moet overeenstemming worden bereikt in het Bijzonder Georganiseerd
                        Overleg. In dit overleg zijn vertegenwoordigd: de betrokken organisaties van
                        overheidspersoneel, het college van B en W van de gemeente Nijmegen, de
                        ontvangende werkgever en eventueel overige betrokken werkgevers. </al><al>Er worden geen definitieve besluiten genomen ten aanzien van ambtenaren
                        voordat er overeenstemming is over het sociaal plan.</al><al>Artikel 21 Garanties</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het personeel wordt overgenomen met behoud van hun primaire
                        arbeidsvoorwaarden. Vaste aanstellingen worden bij de nieuwe werkgever
                        omgezet in contracten voor onbepaalde tijd en aanstellingen voor bepaalde
                        tijd worden omgezet in contracten voor bepaalde tijd. De pensioenregeling
                        wordt zo mogelijk niet gewijzigd. Geldt voor de verkrijgende organisatie een
                        wettelijk verplichte deelneming in het pensioenfonds van een bedrijfstak dan
                        gaat de medewerker deelnemen aan de desbetreffende pensioenregeling. Over
                        een eventuele compensatie kunnen nadere afspraken gemaakt worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Over de secundaire arbeidsvoorwaarden worden, indien nodig, nadere afspraken
                        gemaakt en vastgelegd. De intentie van de Gemeente Nijmegen is daarbij om de
                        secundaire arbeidsvoorwaarden zo veel mogelijk te behouden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indiensttreding geschiedt zonder nadere selectie, psychologische keuring of
                        proeftijd, tenzij in een sociaal plan anders is vastgelegd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Medewerkers die in het kader van privatisering of publiekrechtelijke
                        taakoverheveling zijn overgegaan, worden bij sollicitatie naar een functie
                        bij de gemeente tot twee jaar na de overgang aangemerkt als interne
                        sollicitant.</al><al>Paragraaf 5 Slotbepalingen</al><al>Artikel 22 Bevoegdheden</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels ter
                        uitvoering van het Sociaal Statuut vast te stellen, met instemming van de
                        Commissie voor Georganiseerd Overleg.</al><al>Artikel 23 Hardheidsclausule</al><al>In geval toepassing van het sociaal statuut leidt tot een onbillijke
                        situatie of in geval waarin het sociaal statuut niet voorziet, beslist het
                        college van B en W. </al><al>Artikel 24 Werkingsduur</al><al>Dit Sociaal Statuut treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. Alle op
                        1 januari 2016 reeds lopende reorganisaties vallen onder de werking van de
                        oude sociaal statuten. </al><al>Artikel 25 Citeertitel</al><al>Deze regeling wordt aangehaald als 'Sociaal Statuut Gemeente Nijmegen'</al><al>Bijlage 1 Afspiegeling</al><al>Uitgangspunt voor het werken met leeftijdsgroepen, binnen het criterium
                        anciënniteit, is het afspiegelingsbeginsel. Dat betekent dat het voorstel
                        tot afbouw van formatie een afspiegeling moet zijn van de bestaande
                        verhoudingen tussen de verschillende leeftijdsgroepen. In de bijlage staan
                        vier rekenvoorbeelden die weergeven hoe met de toepassing van
                        leeftijdsgroepen omgegaan moet worden. In de voorbeelden is met hele
                        formatieplaatsen, vertaald in uren, voor de afbouw van formatie gewerkt. Dat
                        is het meest gangbaar wat betreft bezuinigingstaakstellingen. Uiteraard kan
                        dezelfde benadering ook met elke andere omvang aan afbouw toegepast worden.
                        Er zijn altijd meer voorbeelden te bedenken maar deze rekenvoorbeelden geven
                        een indicatie van de te volgen methodiek van werken vanuit het principe van
                        afspiegeling. De werkwijze verloopt als volgt: </al><lijst><li nr="1."><al> Bepaald moet worden wat het percentage bezuiniging per
                                leeftijdsgroep is. Hiervoor wordt het aantal per functie te
                                bezuinigen fte’s in uren gedeeld door het totaal aantal
                                bezettingsuren van medewerkers in de betreffende functie. Eén
                                volledige formatieplaats is voor alle duidelijkheid 36 uur. </al></li><li nr="2."><al> De medewerkers worden verdeeld over de verschillende
                                leeftijdsgroepen. De medewerkers worden daar in volgorde van
                                anciënniteit weergegeven (daarvoor geldt het aantal jaren in
                                overheidsdienst). </al></li><li nr="3."><al> Per leeftijdsgroep wordt a.d.h.v. het bezuinigingspercentage
                                bepaald wat de bezuinigingstaakstelling van de betreffende
                                leeftijdsgroep in uren is. </al></li><li nr="4."><al> Dan wordt bepaald welke medewerkers per leeftijdsgroep als eerste
                                boventallig worden conform de taakstelling voor die groep.
                                Uitgangspunt hierbij is dat er niet voor gekozen is om medewerkers
                                met één functie voor een deel van hun aanstelling boventallig te
                                maken. </al></li><li nr="5."><al> In veel gevallen resteert er dan op totaalniveau nog een aantal
                                uren bezuinigings-taakstelling. In de leeftijdsgroepen waar de
                                meeste rest-uren overblijven, na de uitvoering van stap 4, worden de
                                resterende noodzakelijke boventalligen aangewezen. Als er minder dan
                                18 rest-uren in totaal resteren wordt daar in principe geen extra
                                boventallig met een groter dienstverband voor aangewezen.
                                Afwijkingen van dit principe kunnen gemotiveerd aan de OR voorgelegd
                                worden. </al></li></lijst><al>Vier rekenvoorbeelden </al><al><onderstreept>Voorbeeld 1 </onderstreept> In functie X zijn 12 medewerkers
                        werkzaam. De bezetting bedraagt in totaal 325 uur. Voor deze functie geldt
                        dat er vier formatieplaatsen (144 uur) bezuinigd moeten worden. Het
                        bezuinigingspercentage is 44,30%. </al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="13*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijdsgroep</al></entry><entry colname="col2"><al>15-24 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>25-34 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>35-44 jaar</al></entry><entry colname="col5"><al>45-54 jaar</al></entry><entry colname="col6"><al>55+</al></entry><entry colname="col7"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Huidige bezetting medewerkers in uren op
                                            anciënniteit</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>17 uur 18 32 <vet>36</vet></al></entry><entry colname="col4"><al>30 <vet>36*28</vet></al></entry><entry colname="col5"><al>36 <vet>20</vet></al></entry><entry colname="col6"><al>24 16 <vet>32</vet></al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>103 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>94 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>56 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>72 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>325 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bezuinigings-taakstelling</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>45 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>42 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>25 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>32 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>144 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Boventalligen per leeftijdsgroep </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>36 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>28 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>20 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>32 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>116 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rest uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>9 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>14 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>5 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>0 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>28 uur</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Er kunnen vier medewerkers aangewezen worden op basis van de verdeelde
                        taakstelling. Dan resteren er aan bezuiniging nog 28 uur. Omdat in de
                        leeftijdsgroep 35-44 jaar de meeste resturen overblijven wordt daar de
                        laatste medewerker* aangewezen. </al><al><onderstreept>Voorbeeld 2 </onderstreept> In functie X zijn 12 medewerkers
                        werkzaam. De bezetting bedraagt in totaal 325 uur. Voor deze functie geldt
                        dat er één formatieplaats (36 uur) bezuinigd moet worden. Het
                        bezuinigingspercentage is 11,07%. </al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="13*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijdsgroep</al></entry><entry colname="col2"><al>15-24 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>25-34 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>35-44 jaar</al></entry><entry colname="col5"><al>45-54 jaar</al></entry><entry colname="col6"><al>55+</al></entry><entry colname="col7"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Huidige bezetting medewerkers in uren op
                                            anciënniteit</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>17 uur 18 32 <vet>36*</vet></al></entry><entry colname="col4"><al>30 36 28</al></entry><entry colname="col5"><al>36 20</al></entry><entry colname="col6"><al>24 16 32</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>103 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>94 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>56 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>72 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>325 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bezuinigings-taakstelling</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>11 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>11 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>6 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>8 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>36 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Boventalligen per leeftijdsgroep </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rest uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>11 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>11 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>6 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>8 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>36 uur</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Op basis van de verdeling van de taakstelling kan er géén medewerker worden
                        aangewezen. Omdat binnen de leeftijdsgroep 25-34 jaar de meeste resturen
                        overblijven (cijfer achter de komma) wordt daar de medewerker* in aangewezen
                        die boventallig wordt. </al><al><onderstreept>Voorbeeld 3 </onderstreept> In functie X zijn 12 medewerkers
                        werkzaam. De bezetting bedraagt in totaal 325 uur. Voor deze functie geldt
                        dat er twee formatieplaatsen (72 uur) bezuinigd moeten worden. Het
                        bezuinigingspercentage is 22,15%.</al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="13*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijdsgroep</al></entry><entry colname="col2"><al>15-24 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>25-34 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>35-44 jaar</al></entry><entry colname="col5"><al>45-54 jaar</al></entry><entry colname="col6"><al>55+</al></entry><entry colname="col7"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Huidige bezetting medewerkers in uren op
                                            anciënniteit</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>17 uur 18 32 <vet>36</vet></al></entry><entry colname="col4"><al>30 36 <vet>28*</vet></al></entry><entry colname="col5"><al>36 20</al></entry><entry colname="col6"><al>24 16 32</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>103 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>94 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>56 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>72 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>325 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bezuinigings-taakstelling</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>23 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>21 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>12 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>16 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>72 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Boventalligen per leeftijdsgroep </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rest uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>23 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>21 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>12 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>16 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>72 uur</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Op basis van de verdeelde taakstelling kunnen er geen medewerkers worden
                        aangewezen. Omdat de meeste resturen respectievelijk bij de leeftijdsgroepen
                        25-34 jaar en 45-44 jaar overblijven worden daar de twee medewerkers*
                        aangewezen die boventallig worden. Voor de dan nog resterende 8 uur wordt
                        geen boventallige extra meer aangewezen. </al><al><onderstreept>Voorbeeld 4</onderstreept> In functie X zijn 12 medewerkers
                        werkzaam. De bezetting bedraagt in totaal 325 uur. Voor deze functie geldt
                        dat er zeven formatieplaatsen (252 uur) bezuinigd moeten worden. Het
                        bezuinigingspercentage is 77,53%. </al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="15*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="13*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijdsgroep</al></entry><entry colname="col2"><al>15-24 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>25-34 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>35-44 jaar</al></entry><entry colname="col5"><al>45-54 jaar</al></entry><entry colname="col6"><al>55+</al></entry><entry colname="col7"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Huidige bezetting medewerkers in uren op
                                            anciënniteit</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>17 uur <vet>18*3236</vet></al></entry><entry colname="col4"><al>30 <vet>3628</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>36*20</vet></al></entry><entry colname="col6"><al>24 <vet>1632</vet></al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>103 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>94 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>56 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>72 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>325 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bezuinigings-taakstelling</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>60 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>73 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>43 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>55 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>252 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Boventalligen per leeftijdsgroep </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>68 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>64 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>20 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>48 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>200 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rest uren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>13 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>9 uur</al></entry><entry colname="col5"><al>23 uur</al></entry><entry colname="col6"><al>7 uur</al></entry><entry colname="col7"><al>52 uur</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Er kunnen zeven medewerkers aangewezen worden op basis van de verdeelde
                        taakstelling. Omdat de meeste rest-uren respectievelijk bij de
                        leeftijdsgroepen 45-44 jaar en 25-34 jaar overblijven worden daar de
                        resterende twee medewerkers* aangewezen die boventallig worden. </al><al>Naar ander werk</al><al>Naar Ander Werk</al><al>Het belangrijkste uitgangspunt van ons plaatsingsbeleid is, dat alle
                        werknemers die om welke reden dan ook een andere functie moeten krijgen op
                        hun zoektocht zo goed mogelijk begeleid worden door de werkgever. De
                        aandacht en de inspanning bij die zoektocht zal gericht zijn op het
                        verwerven van ander werk binnen of buiten de gemeentelijke organisatie. Dit
                        vraagt, zeker in combinatie met de van Werk-naar-werk-garantie voor
                        boventalligen, uiterste flexibiliteit en creativiteit van zowel de werkgever
                        als de werknemer. De voorwaarden waaronder deze inspanningen worden geleverd
                        zijn bepaald in de AGN, 'Sociaal Statuut Gemeente Nijmegen interne
                        reorganisatiewijzigingen' en deze regeling. Een belangrijke rol bij het
                        bovenstaande spelen de leidinggevende, de P en O-adviseur en de
                        plaatsingscommissie. </al><al>Artikel 1 Begrippen</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Boventallige:</vet> Medewerker, waarvan de functie door een
                                besluit van het college wordt opgeheven, als gevolg van een
                                organisatieverandering</al></li><li nr="b."><al><vet>Transferkandidaat: </vet> Medewerker, die uit zijn functie is
                                ontheven vanwege problemen in zijn functioneren en die ontslag is
                                aangezegd op grond van artikel 8:6 (ongeschiktheidsontslag).</al></li><li nr="c."><al><vet>Werkzoekende wegens arbeidsongeschiktheid:</vet> De medewerker
                                die door langdurige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek,
                                zijn functie niet meer zal kunnen uitoefenen. </al></li><li nr="d."><al><vet>Re-integratiekandidaat:</vet> Boventallige, werkzoekende wegens
                                arbeidsongeschiktheid of transferkandidaat, die zoekend is naar werk
                                binnen of buiten de gemeentelijke organisatie.</al></li><li nr="e."><al><vet>Voorrangspositie:</vet> Voorrang bij de vervulling van
                                vacatures boven andere interne kandidaten, voor zover betrokkene
                                voor die functie geschikt is of geschikt te maken is binnen een
                                redelijke termijn. </al></li><li nr="f."><al><vet>Uitkeringsgerechtigde: </vet> Ex-medewerker, aan wie een WW
                                en/of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering is toegekend ingevolge
                                de AGN. </al></li><li nr="g."><al><vet>IRO: </vet> Individuele re-integratie overeenkomst</al></li><li nr="h."><al><vet>Plaatsingscommissie:</vet> Interne commissie, waarvan de
                                voorzitter bevoegd is om boventalligen en werkzoekenden wegens
                                arbeidsongeschiktheid te plaatsen op grond van artikel 15:1:10. Dit
                                mandaat wordt niet uitgeoefend tenzij na raadpleging van de overige
                                leden van de plaatsingscommissie.</al></li><li nr="i."><al><vet>Passende functie: </vet> Een functie (intern óf extern) die de
                                ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid,
                                omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                opgedragen en dus voldoet aan de criteria zoals geformuleerd in
                                artikel 15:1:10, eerste en tweede lid van de AGN. Een functie van
                                meer dan twee salarisschalen lager wordt in ieder geval als niet
                                passend beschouwd. Er is geen sprake van een passende functie als
                                deze hoger is ingeschaald dan de oude functie.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Boventalligen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De status van boventallige wordt door middel van een besluit toegekend. De
                        status wordt verleend vanaf het moment dat bekend is dat de functie gaat
                        vervallen, maar op zijn vroegst een half jaar voorafgaand aan de datum
                        waarop de functie daadwerkelijk vervalt en uiterlijk drie maanden na
                        vaststelling van de functieprofielen van de nieuwe organisatie. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Medewerkers die de boventalligenstatus krijgen hebben bij vacaturevervulling
                        een voorrangspositie. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De re-integratietermijn gaat in op de eerste dag, volgend op de dag waarop
                        het besluit tot toekenning van de boventalligenstatus is bekend
                        gemaakt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Artikel 10d:9 AGN (re-integratieplan) is van toepassing. In het
                        re-integratieplan worden afspraken met betrekking tot wederzijdse
                        inspanningen, rechten en verplichtingen (gedurende de re-integratietermijn)
                        schriftelijk vastgelegd en ondertekend door de medewerker en de
                        leidinggevende.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het zoeken naar ander werk/functie gebeurt eerst intern, vervolgens
                        regionaal via de stichting “Werken in Gelderland” en vervolgens ook daar
                        buiten. De boventallige wordt tijdens de re-integratietermijn in staat
                        gesteld om zijn aandacht en inspanning te richten op het verwerven van een
                        passende in- of externe functie. Om het bovenstaande te realiseren, bestaat
                        de mogelijkheid dat de boventallige tijdelijk of voor de duur van de
                        re-integratietermijn geheel of gedeeltelijk wordt vrijgesteld van de
                        verplichting werkzaamheden in dienst van de gemeente Nijmegen uit te
                        oefenen. Ook bestaat de mogelijkheid de medewerker gedurende de
                        re-integratietermijn in te zetten voor tijdelijke werkzaamheden (in- of
                        extern) omdat deze tijdelijke werkzaamheden bijdragen aan een verbetering
                        van de positie c.q. kansen van de medewerker op de arbeidsmarkt. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De boventallige behoudt zijn salarispositie en salarisperspectief met
                        inachtneming van het bepaalde in artikel 14 van het Sociaal Statuut</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Het aanbieden van tijdelijk werk/functie dat minimaal 2 jaar duurt wordt in
                        deze regeling gezien als regulier werk en betekent dat de
                        boventalligenstatus wordt opgeheven. Dit geldt ook voor tijdelijke
                        functievervulling die verlengd wordt en daarmee de grens van 2 jaar
                        passeert. Ook in dat geval wordt met terugwerkende kracht de
                        boventalligenstatus opgeheven. Pas als het werk na die 2 jaar eindigt en
                        betrokkene verliest daardoor weer zijn functie dan kan opnieuw aan hem of
                        haar een boventalligenstatus worden verleend, ingevolge deze regeling. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Tijdelijk werk van minder dan twee jaar schort de activiteiten voor het
                        zoeken van werk niet op. </al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Indien binnen een jaar na herplaatsing op een reguliere functie blijkt dat
                        de nieuwe functie toch niet passend of geschikt is, kan de medewerker zijn
                        status terugkrijgen en het re-integratietraject hervatten. </al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10d:5 AGN, vijfde lid geldt als
                        periode van de re-integratiefase 18 maanden, ongeacht de duur van het vaste
                        dienstverband. De boventallige kan op grond van reorganisatieontslag
                        (artikel 8:3 AGN) niet worden ontslagen voor 1 januari 2019, voor zover hij
                        de boventalligenstatus heeft verkregen vóór 1 januari 2019, tenzij hij zijn
                        herschikkingsverplichtingen niet nakomt. De minimumre-integratietermijn van
                        artikel 10d:12 AGN geldt onverminderd. </al><al>Artikel 3 Flankerende maatregelen voor boventalligen</al><al>Om het mogelijk en aantrekkelijk te maken zich buiten de gemeentelijke
                        organisatie een positie te verwerven, kan de boventallige een beroep doen op
                        een of meer in dit artikel genoemde maatregelen. Toepassing van deze
                        maatregelen vindt alleen dan plaats, indien daarmee naar het oordeel van het
                        college een bijdrage wordt geleverd aan een reële plaatsing. De volgende
                        maatregelen kunnen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="a."><al><vet> Ontheffing van terugbetalingsverplichtingen</vet> Aan de
                                betrokken medewerker wordt ontheffing verleend van
                                terugbetalingsverplichtingen op grond van de Regeling
                                Studiefaciliteiten, de Verplaatsingskostenregeling en de Regeling
                                Ouderschapsverlof.</al></li><li nr="b."><al><vet>Verlof bij sollicitaties</vet> Er zal soepel worden omgegaan
                                met het verlenen van buitengewoon verlof i.v.m. sollicitaties.
                                Reiskosten voor sollicitatiebezoek worden vergoed overeenkomstig de
                                regeling voor dienstreizen; een en ander voor zover die kosten niet
                                door anderen worden vergoed.</al></li><li nr="c."><al><vet>Opzegtermijn</vet> Op verzoek van betrokkene zal de minimum
                                opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek, te weten één maand,
                                worden gehanteerd.</al></li><li nr="d."><al><vet> Uitbreiding studiefaciliteiten</vet> Indien aannemelijk is dat
                                door het volgen van een opleiding de kansen op het verkrijgen van
                                een functie buiten de gemeente worden vergroot, kunnen extra
                                studiefaciliteiten worden verleend.</al></li><li nr="e."><al><vet>Training e.d. sollicitatiegesprekken</vet> Op verzoek kan een
                                training of cursus worden gevolgd, teneinde de kans bij
                                sollicitatiegesprekken te vergroten.</al></li><li nr="f."><al><vet>Outplacementbegeleiding</vet> In bijzondere gevallen kan in
                                onderling overleg worden besloten een outplacementbureau in te
                                schakelen.</al></li><li nr="g."><al><vet> Loonsuppletie</vet> Teneinde de overgang naar een andere
                                werkkring met een lager salaris mogelijk te maken, kan een
                                aanvulling op het nieuwe salaris worden gegeven tot het niveau van
                                de oude bezoldiging. De suppletie geldt voor maximaal twee
                                jaar.</al></li><li nr="h."><al><vet>Afkoopsom i.v.m. eigen bedrijf</vet> Aan de medewerker die
                                ontslag verzoekt om een eigen bedrijf te beginnen, kan bij wijze van
                                startkapitaal een bedrag ineens worden gegeven tot maximaal één
                                jaarsalaris. Bij de vaststelling van de hoogte van dit bedrag kan
                                rekening worden gehouden met hetgeen betrokkene op grond van
                                wettelijke bepalingen kan ontvangen.</al></li><li nr="i."><al><vet>Ontslag met terugkeergarantie</vet> Afgesproken kan worden dat
                                de medewerker die een eigen bedrijf begint, binnen een periode van
                                één jaar weer in dienst kan treden van de gemeente Nijmegen. Er zal
                                naar worden gestreefd betrokkene een functie aan te bieden,
                                gelijkwaardig aan die welke hij voor het ontslag vervulde.</al></li><li nr="j."><al><vet>Reiskosten woon-werkverkeer</vet> Indien bij een nieuwe
                                werkgever geen vergoeding voor woon-werkverkeer wordt ontvangen, kan
                                betrokkene in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in die
                                reiskosten voor een periode van twee jaar; De kosten worden vergoed
                                op basis van 50%, gebruik van openbaar vervoer, tweede klas.</al></li><li nr="k."><al><vet>Tegemoetkoming in de woonlasten</vet> Een medewerker die in
                                verband met het aanvaarden van een andere werkkring moet verhuizen,
                                kan indien als gevolg daarvan zijn woonlasten hoger zijn dan
                                voorheen, in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in die
                                meerkosten. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 100,- per maand,
                                gedurende maximaal twee jaar. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd
                                en in redelijkheid afgerond.</al></li><li nr="l."><al><vet>Verlof met gedeeltelijke bezoldiging</vet> Om een medewerker in
                                de gelegenheid te stellen activiteiten te ontplooien voor het
                                opzetten van een eigen bedrijf o.i.d., kan hem buitengewoon verlof
                                worden verleend met behoud van 50% van zijn bezoldiging gedurende
                                maximaal één jaar.</al></li><li nr="m."><al><vet>Detachering</vet> Teneinde de positie c.q. kansen van de
                                medewerker op de arbeidsmarkt te verbeteren bestaat de mogelijkheid
                                de medewerker gedurende de herplaatsingstermijn tijdelijk elders
                                (in- of extern) te detacheren. </al></li><li nr="n."><al><vet>Overige maatregelen</vet> In overleg kunnen ook nog andere
                                re-integratiebevorderende afspraken worden gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 4 Werkzoekende als gevolg van arbeidsongeschiktheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werkzoekende als gevolg van arbeidsongeschiktheid heeft een
                        voorrangspositie, die wordt toegekend op het moment dat de bedrijfsarts
                        adviseert dat betrokkene wegens ziekte of gebreken redelijkerwijs niet meer
                        terug kan keren in de eigen functie. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De re-integratietermijnen en -voorschriften van de Wet Verbetering
                        Poortwachter, AGN en WIA en WAO gelden onverminderd.</al><al>Artikel 5 Transferkandidaten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op de transferkandidaat is de procedure van artikel 10d:5 AGN e.v. van
                        toepassing. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de transferkandidaat geplaatst wordt in een passende functie,
                        waarvoor een lagere salarisschaal geldt dan de salarisschaal waar hij
                        ingeschaald is, wordt hij ingeschaald in de bij die functie horende
                        salarisschaal. </al><al>Artikel 6 Uitkeringsgerechtigden</al><al>De uitkeringsgerechtigde kan, zodra er een uitkering ten laste van de
                        gemeente is toegekend, contact opnemen met de P en O-adviseur voor
                        begeleiding naar ander werk. Indien de uitkering voor langer dan een half
                        jaar wordt toegekend door UWV, kan een IRO deel uitmaken van het
                        begeleidingstraject. De kosten van het door de uitkeringsgerechtigde te
                        kiezen IRO-bureau zijn voor rekening van de directie waar betrokkene het
                        laatst heeft gewerkt. Daarnaast kunnen opleidingskosten, reis-en
                        verblijfkosten en kosten van kinderopvang worden vergoed, conform
                        UWV-richtlijnen. De re-integratieactiviteiten zijn uitsluitend gericht op
                        het vinden van werk buiten de gemeente Nijmegen. </al><al>Artikel 7 Overgangsbepalingen</al><al>Met het vaststellen van deze regeling komt het Plaatsingsbeleid
                        herschikkers- en herplaatskandidaten, ingegaan d.d. 1 oktober 2004, te
                        vervallen per diezelfde datum met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>Op medewerkers die op dat moment ingevolge de oude regeling de
                                herschikkerstatus hebben is de nieuwe regeling van toepassing. </al></li><li nr="b."><al>Op medewerkers die op dat moment de herplaatserstatus hebben is de
                                regeling van 1 oktober 2004 onverminderd van toepassing. </al></li></lijst><al>Artikel 8 Werkingsduur</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en is
                        aangepast per 1 januari 2016. Deze regeling wordt aangehaald onder de naam:
                        “Regeling Naar Ander Werk”.</al><al>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</al><al>Artikel 9.9.1.1 Leeftijdsgrenzen betrekkingen</al><al><cursief>Besluit van de raad d.d. 18 oktober 1995, laatstelijk gewijzigd 10
                            juli 1996.</cursief></al><al>Voor de hiernavolgende betrekkingen worden leeftijdsgrenzen gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de leeftijdsgrens van 55 jaar voor de betrekking van lid van de
                                vaste kern van de Brandweer, belast met repressieve brandbestrijding
                                en hulpverlening;</al></li><li nr="b."><al>de leeftijdsgrens van 60 jaar voor de betrekking van commandant van
                                de Brandweer.</al></li></lijst><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9 is vervallen.</al><al>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie</al><al>Artikel 9a:1 Algemeen</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in
                        dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 .</al><al>Artikel 9a:2 Definities</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge belasting
                                door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten
                                en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk
                                met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die
                                past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                        functie.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar
                        mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie
                        een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de gemeentelijke
                        dienst.</al><al>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende
                        bepalingen.</al><al>Lid 2</al><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de
                        afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en
                        vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding
                        en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar
                        gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen.
                        Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn
                        om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden
                        tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend
                        worden.</al><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het
                        opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.</al><al>Lid 4</al><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld.</al><al>Lid 5</al><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd,
                        geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al><al>Lid 6</al><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het
                        college als met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Lid 7</al><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd
                        verlof en eventuele verdere medewerking van het college die de ambtenaar in
                        staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.</al><al>Lid 8</al><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan
                        opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.</al><al>Lid 9</al><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten
                        en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit
                                plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te
                                volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al>Artikel 9a:6 Terugbetaling</al><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het
                        college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten
                        dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te
                        betalen.</al><al>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan binnen of
                        buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief plaats.</al><al>Lid 2</al><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        aanpassing van de aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats door
                        ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.</al><al>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan,
                        niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende
                        functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden,
                        wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag
                        verleend.</al><al>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                        wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college zijn
                                verplichtingen uit het loopbaanplan niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en de
                                ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende
                        functie door te werken.</al><al>Lid 2</al><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen
                        wordt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch
                        geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure,
                        bedoeld in artikel 9a:10.</al><al>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie
                        door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering. </al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren
                        dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is geweest.</al><al>Lid 3</al><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                        overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                        overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld,
                        stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al><al>Lid 5</al><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100%
                        van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.</al><al>Lid 6</al><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur
                        van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Lid 7</al><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan
                        de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.</al><al>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom van:</al><lijst><li nr="a."><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel b,
                            </al></li><li nr="b."><al> de vakantieuitkering, </al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d."><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e."><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend,
                                berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande
                                aan het begin van de tweede loopbaan. Indien verlofopname door de
                                ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een wijziging van de
                                feitelijke uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging door
                                in de oude bezoldiging. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede loopbaan
                        begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil
                        tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet
                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                        gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al><al>Lid 3</al><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag
                        waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende
                        bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage de oude bezoldiging
                        overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van
                        de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de
                        bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een
                        percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en
                        eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De
                        afbouwtoelage bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d."><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee
                        het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de
                        nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de afbouwtoelage de oude
                        bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                        generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de
                        gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil
                        tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                        toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de
                        ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Uitvoeringsregeling 2e loopbaanbeleid Brandweer </al><al>Uitvoeringsregeling 2e loopbaanbeleid Brandweer </al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr=""><al> 1 Samenvatting</al></li><li nr=""><al> 2 Visie, doelen en resultaten</al></li><li nr=""><al> 3 Consequenties CAO- afspraken</al></li><li nr=""><al> 4 Medewerkers in dienst na 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>4.1 Loopbaantrajecten nieuwe medewerkers</al></li><li nr=""><al>4.2 Fasering 2e loopbaanbeleid</al></li><li nr=""><al>4.2.1 Ontwikkelfase (periode 0 - 5 jaar)</al></li><li nr=""><al>4.2.2 Oriëntatie en opleidingsfase (periode 6 - 17 jaar)</al></li><li nr=""><al>4.2.3 Uitstroomfase (periode 18 - 20 jaar)</al></li><li nr=""><al>4.3 Rolverdeling </al></li><li nr=""><al>4.3.1 Rol Medewerker</al></li><li nr=""><al>4.3.2 Rol Loopbaancoach</al></li><li nr=""><al>4.3.3 Rol Leidinggevende</al></li><li nr=""><al>4.4 Aanpassing van fasering</al></li><li nr=""><al> 5 Medewerkers in dienst voor 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>5.1 Loopbaantrajecten zittende medewerkers</al></li><li nr=""><al>5.2 Fasering 2e loopbaanbeleid</al></li><li nr=""><al>5.3 Doorwerken of tweede loopbaan?</al></li><li nr=""><al> 6 Regionalisering</al></li><li nr=""><al> Bijlage 1: Samenvatting kaders uitvoering 2e loopbaanbeleid</al></li><li nr=""><al>Bijlage 2: fasering, activiteiten en rolverdeling</al></li><li nr=""><al> Bijlage 3: Format Loopbaanplan</al></li><li nr=""><al>Bijlage 4: Inzet instrumenten</al></li></lijst><al><vet>1 Samenvatting</vet></al><al><vet>Introductie 2e loopbaanbeleid brandweer</vet></al><al>In het onderhandelingsakkoord CAO Gemeenten 2005-2007 is het Functioneel
                        Leeftijdsontslag (FLO) voor personeel in een bezwarende functie afgeschaft
                        en is de 2e loopbaan voor deze mensen geïntroduceerd. Deze wijze van werken
                        en denken was nieuw voor de meeste brandweerkorpsen in Nederland. De
                        gemeente Nijmegen was al geruime tijd actief bezig met personeelsbeleid en
                        beschikte over een mobiliteitscentrum. Vanuit het Strategische
                        Personeelsbeleid, als onderdeel van de speerpunten van het college van
                        B&amp;W, is de beleidsnotitie 2e loopbaanbeleid 2007 opgesteld. Daarnaast is
                        op basis van het Strategische Personeelsbeleid nieuwe vorm gegeven aan het
                        mobiliteitscentrum door het Huis van je Toekomst.</al><al><vet>Pilot </vet></al><al>De uitgangspunten voor het 2e loopbaanbeleid zijn vastgelegd in de
                        beleidsnotitie van 2007. Besloten is om deze uitgangspunten te toetsen op
                        personele en financiële consequenties door middel van een pilot. Deze pilot
                        is onderdeel geworden van de landelijke pilot 2e loopbaanbeleid van het
                        A&amp;O-fonds Gemeenten. In 2008 en 2009 is de pilot uitgevoerd. Ten behoeve
                        van deze pilot zijn een kerngroep, een klankbordgroep en een pilotgroep
                        ingesteld. Samen met de loopbaancoaches vanuit het Huis van je Toekomst zijn
                        de diverse stadia van het 2e loopbaanbeleid doorlopen. Gaandeweg zijn de
                        kaders voor de uitvoering van het 2e loopbaanbeleid ontwikkeld en zijn de
                        personele en financiële consequenties in beeld gebracht.</al><al><vet>Doelgroepen 2e loopbaanbeleid</vet></al><al>Het 2e loopbaanbeleid kent twee doelgroepen, namelijk de medewerkers in
                        dienst na 1 januari 2006 (de nieuwe medewerkers) en medewerkers in dienst
                        voor 1 januari 2006 (de zittende medewerkers). Voor de eerste groep geldt
                        dat zij maximaal 20 jaar in een bezwarende functie mogen werken en daarna
                        moeten uitstromen naar een niet-bezwarende functie. Voor de tweede groep
                        geldt het overgangsrecht en de bepaling dat zij tot hun uitdiensttreding in
                        een bezwarende functie mogen blijven werken. In het AGN zijn de rechten en
                        plichten van deze groepen vastgelegd.</al><al><vet>Fasering</vet></al><al>Bij de uitvoering van het 2e loopbaanbeleid is een fasering aangebracht.
                        Deze fasering wordt toegepast op zowel de nieuwe medewerkers als de zittende
                        en is als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>0 tot en met 5 bezwarende dienstjaren: ontwikkeling in de eigen
                                functie = <vet>ontwikkelfase</vet></al></li><li nr="2."><al>6 tot en met 17 bezwarende dienstjaren: bewustwording en oriëntatie
                                op mogelijkheden = <vet>oriëntatie en opleidingsfase</vet></al></li><li nr="3."><al>18 tot en met 20 bezwarende dienstjaren: realiseren van tweede
                                loopbaan = <vet>uitstroomfase</vet></al></li><li nr="4."><al>&gt;20 jaar: <vet>nazorgfase</vet></al></li></lijst><al>In deze notitie is voor de twee doelgroepen aangegeven wat de
                        loopbaanactiviteiten zijn die bij de verschillende fasen horen en welke
                        ondersteuning daarbij geboden wordt. Daarnaast is de rolverdeling van de
                        medewerker, de leidinggevende en de loopbaancoach beschreven. De
                        aangebrachte fasering is slechts een hulpmiddel en een richtlijn.
                        Uiteindelijk is elk loopbaantraject maatwerk door een samenspel tussen de
                        medewerker, de leidinggevende en de loopbaancoach. Zo kan de fasering worden
                        aangepast op de noden of mogelijkheden van de medewerker en heeft de
                        zittende medewerker de keuze om te blijven werken in de bezwarende functie
                        of ook uit te stromen naar een niet-bezwarende functie.</al><al><vet>Regionalisering</vet></al><al>Het 2e loopbaanbeleid voor de medewerkers van brandweer Nijmegen is geënt op
                        het loopbaanbeleid en de rechtspositieregeling (AGN) van de gemeente
                        Nijmegen. De nieuwe Veiligheidsregio zal een eigen rechtspositieregeling
                        opstellen. Bij de overgang naar de Veiligheidsregio wenst brandweer Nijmegen
                        aansluiting te behouden bij de gemeente Nijmegen ten aanzien van de
                        uitvoering van het 2e loopbaanbeleid.</al><al><vet>2 Visie, doelen en resultaten</vet></al><al>Uitgangspunt voor het loopbaanbeleid is het verlengen en verbreden van de
                        inzetbaarheid van medewerkers in repressieve (bezwarende) functies, opdat
                        medewerkers gezond en gemotiveerd tot aan hun pensioen kunnen blijven
                        werken. De medewerker is en blijft zelf verantwoordelijk voor zijn loopbaan,
                        maar wordt daarbij ondersteund door een loopbaanadviseur en zijn
                        leidinggevende. Een belangrijke randvoorwaarde hierbij is de aansluiting met
                        het gemeentelijke loopbaan- en mobiliteitsbeleid “Huis van je
                        Toekomst”.</al><al>Met het loopbaanbeleid wordt beoogd dat:</al><lijst><li nr="1."><al>Nieuwe medewerkers na 20 jaar uitstromen in een tweede
                                loopbaanfunctie, die qua competenties en inkomen aansluit bij de
                                mogelijkheden en wensen van de medewerker;</al></li><li nr="2."><al>Zittende medewerkers zo lang mogelijk behouden blijven voor de
                                bezwarende functie;</al></li><li nr="3."><al>Zittende medewerkers met twintig bezwarende dienstjaren een keuze
                                maken om uit te stromen of langer in de bezwarende functie werkzaam
                                te blijven;</al></li><li nr="4."><al>Zittende medewerkers zich voorbereiden op eventuele
                                arbeidsongeschiktheid voor de bezwarende functie en de financiële
                                gevolgen daarvan;</al></li><li nr="5."><al>Zittende medewerkers de mogelijkheid krijgen in een andere (niet
                                bezwarende) functie langer door te werken ten behoeve van een beter
                                pensioen.</al></li></lijst><al>Het loopbaanbeleid levert de volgende resultaten op:</al><lijst><li nr="1."><al>Een cultuur waarin loopbaanontwikkeling als een kans wordt
                                gezien;</al></li><li nr="2."><al>Een cultuur waarin medewerkers en leidinggevenden elkaar aanspreken
                                op gemaakte afspraken;</al></li><li nr="3."><al>Instromers worden getest op MBO niveau 4 en worden geworven voor een
                                loopbaan;</al></li><li nr="4."><al>Door- en uitstroom van medewerkers met een bezwarende functie is
                                vergroot.</al></li></lijst><al><vet>3 Consequenties CAO- afspraken</vet></al><al>De afschaffing van het FLO voor bezwarende functies bij de brandweer heeft
                        consequenties voor alle brandweerlieden, ongeacht het aantal jaren dat zij
                        in repressieve dienst zijn. Het college heeft vastgesteld welke functies als
                        bezwarend worden aangemerkt. Deze zijn te vinden in bijlage 6. We gaan in op
                        de gevolgen voor het personeel en onderscheiden twee hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Nieuw personeel dat vanaf 1 januari 2006 in dienst gekomen is;</al></li><li nr="2."><al>Personeel dat al voor 1 januari 2006 in dienst was.</al></li></lijst><al>Ad 1. Deze groep mensen wordt in de notitie vaak aangeduid met de term
                        “nieuwe” medewerkers. Voor mensen in de eerste categorie geldt dat zij
                        maximaal 20 jaar een bezwarende functie kunnen uitoefenen. Na 20 jaar
                        repressief werk gedaan te hebben, moeten zij voor een tweede loopbaan
                        kiezen. Met hen moet binnen een jaar na indiensttreding het eerste
                        loopbaangesprek hebben plaatsgevonden. Deze mensen hebben de plicht om een
                        MBO-diploma niveau 4 te halen.</al><al>Ad 2. Deze groep mensen wordt in deze notitie vaak als de “zittende”
                        medewerkers aangehaald. Voor de tweede categorie medewerkers geldt dat zij
                        te maken krijgen met overgangsrecht, waardoor ze toch nog eerder dan hun 65e
                        jaar kunnen stoppen met werken. De meeste van hen moeten echter wel een plan
                        hebben voor een tweede loopbaan. Deze medewerkers hebben het recht om een
                        MBO-diploma niveau 4 te halen. De brandweerloopbaan voor deze groep
                        medewerkers verloopt als volgt:</al><lijst><li nr="§"><al> tot 55 jaar aan het werk </al></li><li nr="§"><al> 55 - 59 jaar geheel of gedeeltelijk buitengewoon verlof
                                (doorbetaald) </al></li><li nr="§"><al> 59 - 62 jaar onbetaald verlof: levensloopregeling </al></li><li nr="§"><al> 62 uit dienst </al></li></lijst><al>Voor medewerkers van de gemeente Nijmegen is de rechtspositieregeling AGN
                        van toepassing. De rechten en plichten die het gevolg zijn van de afspraken
                        over het afschaffen van het FLO zijn beschreven in hoofdstuk 9 van het AGN.
                        Hoofdstuk 9a gaat in op de consequenties voor het personeel in dienst na 1
                        januari 2006, terwijl in 9b de gevolgen voor het personeel in dienst voor 1
                        januari 2006 zijn beschreven. </al><al><vet>4 Medewerkers in dienst na 1 januari 2006</vet></al><al><vet><cursief>4.1 Loopbaantrajecten nieuwe medewerkers</cursief></vet></al><al>Bij de gemeente Nijmegen is gemeentelijk loopbaanbeleid ingesteld, dat wordt
                        vormgegeven vanuit het “Huis van je Toekomst”. Voor medewerkers bij de
                        brandweer is aanvullend beleid afgesproken: daar waar er sprake is van
                        bezwarende functies mogen medewerkers maximaal 20 jaar in een bezwarende
                        functie werkzaam zijn. Zij worden ondersteund bij het ontwikkelen van een
                        tweede loopbaan.</al><al>In de beleidsnotitie 2de Loopbaan Brandweer zijn de doelstellingen en
                        uitgangspunten verwoord, die van toepassing zijn bij loopbaantrajecten voor
                        brandweermedewerkers in bezwarende functies. </al><al>In aansluiting op deze beleidsnotitie worden hier de opzet en de fasering
                        nader uitgewerkt van de loopbaantrajecten die aan de brandweermedewerkers
                        worden aangeboden. Doel van deze notitie is helderheid te bieden in de
                        organisatie aan medewerkers en leidinggevenden over wat zij in het kader van
                        het loopbaanbeleid kunnen verwachten en wat er van hen verwacht wordt.</al><al>In de aanpak van de loopbaantrajecten is een fasering aangebracht. In grote
                        lijn is deze fasering gebaseerd op het aantal jaren dat een medewerker
                        werkzaam is in een bezwarende functie. Hoe dichterbij een medewerker komt
                        bij 20 jaar werken in een bezwarende functie, hoe intensiever de inzet van
                        de loopbaancoach wordt. Hieronder wordt dit nader uitgewerkt. De gedachte
                        hierachter is dat de medewerker in de eerste 17 jaar (zo lang mogelijk)
                        wordt behouden voor de brandweer. In de laatste fase wordt de overstap naar
                        een tweede loopbaan het belangrijkste richtpunt. </al><al><vet><cursief>4.2 Fasering 2e loopbaanbeleid</cursief></vet></al><al>In de loopbaantrajecten voor brandweermedewerkers in het kader van hun 2e
                        loopbaan onderscheiden we 3 verschillende fasen, namelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>0 tot en met 5 bezwarende dienstjaren: ontwikkeling in de eigen
                                functie = <vet>ontwikkelfase</vet></al></li><li nr="2."><al>6 tot en met 17 bezwarende dienstjaren: bewustwording en oriëntatie
                                op mogelijkheden = <vet>oriëntatie en opleidingsfase</vet></al></li><li nr="3."><al>18 tot en met 20 bezwarende dienstjaren: realiseren van tweede
                                loopbaan = <vet>uitstroomfase</vet></al></li></lijst><al>Hierna volgt een overzicht van de loopbaanactiviteiten in de verschillende
                        fases.</al><al><vet>4.2.1 Ontwikkelfase (periode 0 - 5 jaar)</vet></al><al>In deze fase ontwikkelt de medewerker zich tot volleerd brandweermedewerker.
                        De aandacht is gericht op de huidige functie en niet zozeer op de tweede
                        loopbaan.</al><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Activiteiten in het kader van 2e loopbaan worden in deze fase niet actief
                        gestimuleerd. Als een medewerker in deze fase een andere functie wil, valt
                        dit onder een gebruikelijke loopbaanwens, waarvoor de medewerker vooral zelf
                        verantwoordelijk is.</al><al><vet>Loopbaanactiviteiten</vet></al><al>Bij indiensttreding wordt de medewerker geïnformeerd over de maximale
                        termijn van 20 jaar in een bezwarende functie en consequenties hiervan.</al><al>De medewerker volgt de benodigde opleidingen om zich te kwalificeren voor
                        zijn functie bij de brandweer.</al><al>Het eerste loopbaangesprek vindt plaats binnen een jaar na datum
                        indiensttreding. Hierbij worden de samenwerkingsovereenkomst en het
                        loopbaanplan deel 1 opgesteld.</al><al><onderstreept>Focus:</onderstreept></al><lijst><li nr="§"><al>huidige functioneren </al></li><li nr="§"><al> benodigde ontwikkeling t.b.v. huidige functie </al></li><li nr="§"><al> fasering loopbaantraject 0-20 jaar (hoe is het geregeld) </al></li><li nr="§"><al> polsen of medewerker al ideeën heeft </al></li><li nr="§"><al> evt. vragen van de medewerker n.a.v. het beleid </al></li></lijst><al>Vervolgens wordt een loopbaangesprek elke drie jaar gehouden. In het 4e jaar
                        vindt weer een loopbaangesprek plaats. Daarnaast heeft de medewerker
                        jaarlijks POP- en beoordelingsgesprekken. Ook hierin kan de link met de
                        loopbaan van de medewerker worden gelegd.</al><al><onderstreept>Focus:</onderstreept> goed functioneren in huidige functie en
                        bewust zijn van 2e loopbaan in de toekomst.</al><al><vet>4.2.2 Oriëntatie en opleidingsfase (periode 6 - 17 jaar)</vet></al><al>In deze fase is de aandacht gericht op functioneren in huidige functie en op
                        oriëntatie op andere mogelijkheden. De medewerker heeft 1x/3jaar een
                        loopbaangesprek.</al><al><onderstreept>Algemeen:</onderstreept> De richtlijnen zijn:</al><lijst><li nr="§"><al> 6e tot 12e jaar: 1x/3 jaar gesprekken en bewustwording </al></li><li nr="§"><al> 12e tot 18e jaar: oriëntatie op wensen en mogelijkheden t.a.v. 2e
                                loopbaan en plan van aanpak </al></li><li nr="§"><al> v.a. 15e tot 18e jaar: medewerker start daadwerkelijk met
                                opleiding. </al></li></lijst><al><vet>Loopbaanactiviteiten</vet></al><al>Medewerkers hebben 1x/3 jaar een loopbaangesprek. Het loopbaanplan deel 2
                        dient hierbij als leidraad. Daarnaast wordt jaarlijks een
                        POP/functioneringsgesprek gevoerd waarin ook de link naar de loopbaan van de
                        medewerker kan worden gelegd. <onderstreept>Focus:</onderstreept> behoud van
                        de medewerker in de eigen functie. </al><al>Na het 12e jaar verandert het accent in de loopbaangesprekken; de medewerker
                        gaat zich in deze periode daadwerkelijk oriënteren op een andere functie
                        (als dit nog niet is gebeurd). Er worden gesprekken gevoerd met een
                        loopbaancoach en er komt een plan van aanpak. Dit wordt beschreven in het
                        loopbaanplan deel 3. Afhankelijk van de duur van de opleiding start de
                        medewerker met de opleiding tussen het 15e en 18e jaar. (bv: uiterlijk in
                        het 15e jaar start de medewerker met een 3-jarige opleiding, als dit nodig
                        is, om een MBO-niveau te halen.)</al><al><vet>4.2.3 Uitstroomfase (periode 18 - 20 jaar)</vet></al><al>In deze fase is de aandacht gericht op het realiseren van een nieuwe functie
                        in- of extern.</al><al><vet>Loopbaanactiviteiten</vet></al><al>De medewerker krijgt nu een intensievere loopbaancoaching. Afhankelijk van
                        de vraag van de medewerker wordt een maatwerktraject opgesteld waarin wordt
                        toegewerkt naar een nieuwe functie, conform het doel van de medewerker.
                        Loopbaanplan deel 4 wordt hiervoor toegepast.</al><al><vet><cursief>4.3 Rolverdeling </cursief></vet></al><al>Het succes van het 2e loopbaanbeleid is afhankelijk van de inzet van drie
                        actoren: de medewerker, de leidinggevende en de loopbaancoach. Elke actor
                        speelt bij de uitvoering van het loopbaanbeleid zijn eigen rol. Het start
                        met de verantwoordelijkheid van de werkgever om medewerkers een 2e loopbaan
                        te laten voorbereiden en uitstroom naar een andere functie mogelijk te
                        maken. Het eindigt met de medewerker die zich verantwoordelijk weet en voelt
                        voor zijn eigen toekomst en zijn plicht om in dat kader een 2e loopbaan te
                        ontwikkelen.</al><al><vet>4.3.1 Rol Medewerker</vet></al><al>De medewerker heeft het meeste belang bij een goede voorbereiding op de 2e
                        loopbaan, immers of hij nu onder het overgangsrecht valt of niet, het beleid
                        is erop gericht om vroegtijdige uitval te voorkomen en medewerkers op een
                        goede manier zo lang mogelijk te laten participeren in het arbeidsproces.
                        Bij de medewerker liggen de grootste (financiële) risico’s en hebben
                        eventuele consequenties (op het gebied van inkomen en werkbeleving) de
                        grootste (emotionele) impact. Weliswaar hebben de zittende medewerkers niet
                        gekozen voor een situatie waarin verplicht gewerkt dient te worden aan
                        ontwikkeling van een 2e loopbaan, toch doen zij er verstandig aan stil te
                        staan bij de persoonlijke situatie, de persoonlijke risico’s, de
                        mogelijkheden die er zijn om deze te minimaliseren en de kansen die het
                        loopbaanbeleid biedt. Nieuwe medewerkers die niet onder het overgangsrecht
                        vallen, zullen vanaf het begin van hun loopbaan weet hebben van de noodzaak
                        en plicht te werken aan een 2e loopbaan. Het loopbaanbeleid biedt hiervoor
                        ruime mogelijkheden en van de medewerker wordt dan ook verwacht dat hij
                        hiervan actief gebruik maakt (niets doen kan tot rechtspositionele
                        maatregelen leiden). Dit betekent onder begeleiding van een loopbaancoach en
                        in nauwe samenspraak met de leidinggevende, het voortouw nemen tijdens de
                        verschillende fasen van het loopbaanbeleid en de gemaakte afspraken daarin
                        nakomen.</al><al><vet>4.3.2 Rol Loopbaancoach</vet></al><al>De medewerker en de leidinggevende staan er niet alleen voor. Beiden worden
                        in hun rol ondersteund door een onafhankelijke loopbaancoach. De
                        onafhankelijkheid van de loopbaancoach waarborgt de garantie dat de inhoud
                        van de gesprekken vertrouwelijk wordt behandeld. De loopbaancoach begeleidt
                        medewerkers bij het krijgen van inzicht in hun persoonlijke situatie en
                        risicoprofiel, het doorlopen van de verschillende fasen van het
                        loopbaanbeleid, motiveert, geeft adviezen en feedback. Hij wordt hierin,
                        indien nodig, ondersteund door de personeelsfunctionaris, bijvoorbeeld bij
                        het ophelderen van rechtspositionele vraagstukken. De loopbaancoach
                        ondersteunt daarnaast bij het maken van concrete (resultaat)afspraken en
                        faciliteert, indien wenselijk, gesprekken tussen medewerkers en
                        leidinggevenden. Dit laat onverlet dat de verantwoordelijkheid voor de
                        gesprekken primair een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van medewerker
                        en leidinggevende.</al><al><vet>4.3.3 Rol Leidinggevende</vet></al><al>De medewerker stelt samen met de leidinggevende de loopbaanplannen deel 1 en
                        deel 2 op. De medewerker bereidt de inhoud van zijn loopbaanplan deel 3 en
                        deel 4 voor met ondersteuning van een loopbaancoach. Zij stellen
                        concept-plannen op inclusief voorstellen voor doelen, resultaten en
                        middelen. De medewerker legt de concept-plannen voor aan de leidinggevende,
                        die uitvoering geeft aan het loopbaanbeleid door per fase de voorgestelde
                        plannen te accorderen (rekening houdend met de kaders van het
                        loopbaanbeleid). De leidinggevende draagt daarnaast zorg voor de planning en
                        uitvoering van voortgangs- en eindgesprekken. De leidinggevende bewaakt dus
                        de voortgang van het loopbaanontwikkelingstraject en stuurt bij indien
                        gemaakte afspraken, doelen en resultaten in kwantitatief cq. kwalitatief
                        opzicht niet worden gerealiseerd. Vanuit het managementteam is het hoofd
                        Repressie eindverantwoordelijk voor het gehele proces van loopbaanplanning
                        en -uitvoering voor de medewerkers met een bezwarende functie. </al><al><vet><cursief>4.4 Aanpassing van fasering</cursief></vet></al><al>Er kunnen meerdere redenen zijn om van de voorgestelde fasering af te
                        wijken: </al><lijst><li nr="§"><al>medische aanleiding. De zittende mensen mogen in repressieve dienst
                                blijven “mits medisch goedgekeurd”. Als de verwachting is dat in de
                                nabije toekomst het repressieve werk te zwaar wordt kan ook versneld
                                aan een 2e loopbaantraject worden gewerkt. </al></li><li nr="§"><al> tijdens loopbaangesprekken of functioneringsgesprekken kan blijken
                                dat er andere redenen zijn om actiever naar een tweede loopbaan toe
                                te werken. </al></li><li nr="§"><al> een aanleiding voor maatwerk kan ook worden ingegeven door de
                                leeftijd van de medewerker; een versnelling kan een betere positie
                                op de arbeidsmarkt betekenen. </al></li></lijst><al>Het gaat hier om maatwerkoplossingen waarover in de brandweerorganisatie
                        afstemming wordt gezocht. Hoewel er dan formeel sprake is van een 2e
                        loopbaantraject, ligt het voor de hand om aanvullende afspraken te maken en
                        deze op schrift te stellen. Wanneer het eigen belang van de medewerker bij
                        een opleiding groter is, dan is het ook terecht om een grotere eigen inbreng
                        te verwachten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet
                        compenseren van de studietijd, die volgens de spelregels van het 2e
                        loopbaanbeleid volledig wordt vergoed.</al><al>Naast het loopbaantraject vanuit de brandweer bestaat voor de
                        brandweermedewerker die eerder wil uitstromen uit zijn functie, net als voor
                        alle andere medewerkers van de Gemeente Nijmegen, de mogelijkheid om gebruik
                        te maken van de loopbaancoaching van Huis van je Toekomst. In dat geval zijn
                        ook de kaders van het “Huis van je Toekomst” van toepassing en kan er geen
                        beroep worden gedaan op de regelingen van het 2e loopbaanbeleid. </al><al><vet>5 Medewerkers in dienst voor 1 januari 2006 </vet></al><al><vet><cursief>5.1 Loopbaantrajecten zittende
                        medewerkers</cursief></vet></al><al>Voor deze categorie medewerkers geldt dat zij gebruik kunnen maken van het
                        overgangsrecht, dus langer dan 20 jaar in een bezwarende functie kunnen
                        doorwerken en dan vervroegd uit kunnen treden. Voorwaarde voor het
                        doorwerken is wel dat de gezondheid dit toelaat. Al geruime tijd worden de
                        medewerkers met een bezwarende functie periodiek medisch gekeurd. In de
                        toekomst zal het PPMO hiertoe een belangrijke rol vervullen. PPMO staat voor
                        Preventief Periodiek Medisch Onderzoek en is momenteel in ontwikkeling als
                        deelproject van het landelijke project 2e loopbaanbeleid. Met het PPMO wordt
                        periodiek gekeken naar de fysieke en psychische belastbaarheid van de
                        medewerkers en de te verwachten ontwikkeling op dat gebied. Als uit het PPMO
                        blijkt dat de fysieke en/of psychische belastbaarheid van de medewerker
                        achteruitgaat of tekortschiet, kan dit aanleiding zijn om maatregelen te
                        nemen. Welke maatregelen dit zijn hangt natuurlijk af van de omvang van de
                        achteruitgang en de mogelijkheid hier al dan niet iets aan te doen. Een te
                        ver achteruitgaande fysieke en psychische belastbaarheid heeft tot gevolg
                        dat de medewerker de bezwarende functie niet langer kan uitvoeren. Het PPMO
                        heeft in die zin een preventief effect. De medewerker met minder dan 20
                        bezwarende dienstjaren moet zich om die reden voorbereiden op een tweede
                        loopbaan. Er is echter geen algemene formele verplichting om na 20
                        bezwarende jaren te stoppen met de bezwarende functie en dus gebruik te
                        maken van de tweede loopbaan, ook al heeft de medewerker er zich op
                        voorbereid. Er is dus wel een verplichting om aan de slag te gaan met
                        loopbaanbeleid, met de voorbereiding op de tweede loopbaan. Wanneer een
                        medewerker niet meewerkt aan het loopbaanbeleid kan de werkgever maatregelen
                        nemen. Tegenover de verplichtingen van de werknemer staat overigens ook de
                        inspanningsverplichting van de werkgever om voor een nieuwe functie binnen
                        de gemeentelijke organisatie te zorgen. </al><al><vet>Dreigende arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>De zittende medewerkers hebben een groot belang bij de mogelijkheid tot een
                        2e loopbaan. Vooral wat betreft arbeidsongeschiktheid zijn er namelijk
                        verschillende risico’s. Op basis van het PPMO kan de conclusie zijn dat
                        doorwerken in een bezwarende functie niet langer mogelijk is. Daarnaast is
                        het zo dat wanneer een medewerker arbeidsongeschikt wordt tijdens de periode
                        waarin hij bezwarend werk verricht, het reguliere verzuimbegeleidings- en
                        re-integratiebeleid van toepassing is. Dat betekent dat er uiteindelijk
                        sprake kan zijn van een WIA-uitkering, die op termijn forse
                        inkomensconsequenties kan hebben of herplaatsing in een andere functie
                        waarbij geen salarisgarantie geldt of eventueel ontslag. Weliswaar komt de
                        mogelijkheid van ontslag vanaf het 50e jaar te vervallen , maar herplaatsing
                        blijft mogelijk. Is er een 2e loopbaan ontwikkeld, dan kan de medewerker in
                        principe daar instromen en kan hij aanspraak maken op de inkomensgaranties .
                        De inkomensgaranties van het zittend personeel komen er op neer dat het
                        nieuwe inkomen wordt aangevuld tot het (bevroren) niveau van de oude
                        bezoldiging (dus salaris en vaste toelagen). De medewerker moet bij de
                        keuzes dus goed rekening houden met de mogelijkheid van
                        arbeidsongeschiktheid en het perspectief van herplaatsing met alle mogelijke
                        inkomensconsequenties van dien.</al><al><vet>Hoger pensioen</vet></al><al>Een ander belang kan liggen bij het pensioenvooruitzicht. Gezien de
                        veranderingen in de pensioenwet- en regelgeving, waardoor
                        pensioenvooruitzichten minder gunstig worden, kan de behoefte ontstaan om
                        langer door te werken. De pensioenleeftijd kan dan later ingaan en er kan
                        langer pensioen worden opgebouwd. Langer doorwerken in een bezwarende
                        functie kan alléén bij een goede gezondheid. Een alternatief is overstappen
                        naar een niet-bezwarende functie, daarin later stoppen met werken en zo meer
                        pensioen opbouwen. </al><al>Voor de ontwikkeling van het loopbaanbeleid geldt daarom als uitgangspunt
                        dat er maximaal 20 jaar in de bezwarende functie wordt gewerkt. Ondertussen
                        worden, op basis van individueel perspectief, afspraken gemaakt over hoe na
                        die twintig jaar verder wordt gegaan. De werknemer heeft daarbij in principe
                        keuzevrijheid. De risico’s voor de werknemer en de mogelijke
                        toekomstperspectieven vormen daarbij echter belangrijke
                        aandachtspunten.</al><al><vet><cursief>5.2 Fasering 2e loopbaanbeleid</cursief></vet></al><al>De zittende medewerkers hebben na twintig bezwarende dienstjaren de keuze of
                        zij uitstromen naar een 2e loopbaanfunctie of het risico aanvaarden en hun
                        huidige functie handhaven. In het eerste geval zal tijdens de uitstroomfase
                        een plan worden ontwikkeld en activiteiten worden uitgevoerd ten behoeve van
                        uitstroom naar een niet bezwarende functie. In het tweede geval zal tijdens
                        de uitstroomfase een onderhoudsplan worden opgesteld om ervoor te zorgen dat
                        de investeringen die zijn gepleegd tijdens de overige fasen hun rendement
                        blijven behouden.</al><al><vet>Uitstroom na 20 bezwarende jaren</vet></al><al>Hierbij richt de medewerker zich op een geheel nieuwe loopbaan, waarbij een
                        forse investering in zijn ontwikkeling mag worden verwacht. De medewerker
                        die hiervoor kiest, zal bij de keuze van een 2e loopbaanfunctie rekening
                        moeten houden met het verlies van ORT (onregelmatigheidstoelage).</al><al>Deze keuze is vooral geschikt voor medewerkers in de leeftijd tot 35 jaar.
                        Voor deze groep geldt namelijk dat zij, bij het bereiken van de 20
                        bezwarende jaren, nog relatief veel kans maken op de arbeidsmarkt en daarom
                        het ontwikkelen van een 2e loopbaan passend bij hun inkomensniveau veel
                        perspectief biedt. Alle inspanningen zijn er dan ook op gericht dat een
                        medewerker na 20 jaar een andere functie gaat verrichten die
                        salaristechnisch goed aansluit bij het huidige inkomen. Deze keuze brengt
                        een relatief hoge opleidingsinvestering met zich mee, omdat de kans groot is
                        dat de medewerker een vakdiploma moet halen.</al><al><vet>Handhaven bezwarende functie binnen repressieve dienst </vet></al><al>Bij deze keuze richt de medewerker zich primair op een loopbaan bij de
                        brandweer tot de pensioengerechtigde leeftijd. De medewerker bereidt zich
                        echter ook voor op een situatie van (dreigende) arbeidsongeschiktheid,
                        waardoor noodgedwongen een andere functie moet worden gezocht.</al><al>Deze keuze is vooral geschikt voor medewerkers in de leeftijd vanaf 40 jaar.
                        Voor deze groep geldt namelijk dat de kansen op de arbeidsmarkt relatief
                        klein zijn wanneer de voorbereidingen voor een 2e loopbaan zijn afgerond. De
                        gezondheid staat bij deze categorie medewerkers voorop, want daar zit (mede
                        afhankelijk van het aantal dienstjaren) de grootste risicofactor voor
                        werknemer en werkgever. Maar met het oog op bijvoorbeeld pensioenopbouw kan
                        de werknemer zelf de wens hebben nog met een 2e loopbaan te starten. De
                        inspanningen zijn er dan ook op gericht dat een medewerker bij dreigende
                        arbeidsongeschiktheid of omdat hij het zelf wil, in staat is om op soepele
                        wijze door te stromen naar een andere functie.</al><al>Wanneer een medewerker ervoor kiest zijn bezwarende functie tot de
                        pensioengerechtigde leeftijd te handhaven, zal in de periode vanaf twintig
                        bezwarende dienstjaren nazorg worden gepleegd. Dit om, in geval van
                        onvoorziene omstandigheden, toch doorstroom naar een niet bezwarende functie
                        mogelijk te maken. Daarnaast is het ook in die nazorgfase van groot belang
                        om de mentale en fysieke gezondheid van de medewerker op peil te houden en
                        daarmee het risico op arbeidsongeschiktheid te minimaliseren.</al><al>De scheiding valt niet eenduidig te maken als het gaat om leeftijd en de
                        keuze om uit te stromen of te handhaven in de bezwarende functie. Dit zijn
                        individuele keuzes die door werkgever en werknemer samen gemaakt zullen
                        worden. De bovengenoemde leeftijden van 35 en 40 jaar zijn niet meer dan een
                        richtlijn.</al><al><vet>Fasering</vet></al><al>Door uit te gaan van de keuzemogelijkheid bij 20 bezwarende jaren wordt
                        aansluiting gevonden bij de fasering zoals deze bij de groep medewerkers in
                        dienst na 1 januari 2006 is gekozen, met de toevoeging van een nazorgfase
                        :</al><lijst><li nr="5."><al>0 tot en met 5 bezwarende dienstjaren: ontwikkeling in de eigen
                                functie = <vet>ontwikkelfase</vet></al></li><li nr="6."><al>6 tot en met 17 bezwarende dienstjaren: bewustwording en oriëntatie
                                op mogelijkheden = <vet>oriëntatie en opleidingsfase</vet></al></li><li nr="7."><al>18 tot en met 20 bezwarende dienstjaren: realiseren van tweede
                                loopbaan = <vet>uitstroomfase</vet></al></li><li nr="8."><al>&gt;20 jaar: <vet>nazorgfase</vet></al></li></lijst><al>De richtlijnen, taken en verantwoordelijkheden zoals deze in paragraaf 5.2,
                        5.3 en 5.4 zijn weergegeven voor de medewerkers uit categorie 1 (de nieuwe
                        medewerkers), zijn hiermee integraal ook op de medewerkers van categorie 2
                        (de zittende medewerkers) van toepassing. </al><al><vet><cursief>5.3 Doorwerken of tweede loopbaan?</cursief></vet></al><al>De ervaring binnen brandweer Nijmegen heeft geleerd dat het repressieve werk
                        tot 55-jarige leeftijd over het algemeen goed haalbaar is. Naar verwachting
                        zal dit ook opgaan voor het doorwerken tot 56 jaar. Er zijn geen
                        ervaringsgegevens van mensen in repressieve dienst op 57-, 58- en 59-jarige
                        leeftijd. Wij kunnen er niet zondermeer van uit gaan, dat het merendeel van
                        de mensen zonder problemen tot deze leeftijd zal kunnen doorwerken in de
                        bezwarende functie. Omdat de kans steeds groter wordt, dat men de medische
                        keuring niet meer met goed resultaat doorkomt, moet er wel een plan voor een
                        tweede loopbaan liggen, waarop de medewerker kan terugvallen. </al><al>Vroegtijdig signaleren dat tot het einde doorwerken in een bezwarende
                        functie niet haalbaar is, betekent dat op tijd gestart kan worden met de
                        ontwikkeling van kennis en vaardigheden voor een andere niet-bezwarende
                        functie. Deze functie zou qua bezoldiging aan moeten sluiten bij de huidige
                        bezoldiging (inclusief vergoedingen), zodat het risico op inkomstenterugval
                        als gevolg van arbeidsongeschiktheid wordt verminderd. </al><al>Een ander argument om een tweede loopbaan te starten is de mogelijkheid in
                        die functie langer door te werken en daarmee een hoger pensioen op te
                        bouwen. Kortom: de keuze tussen doorwerken of een tweede loopbaan
                        ontwikkelen en starten hangt ondermeer af van de arbeidsgeschiktheid om door
                        te werken in de bezwarende functie, het risico van inkomstenterugval bij
                        arbeidsongeschiktheid en de wens om een hoger pensioen op te bouwen.</al><al><vet>6 Regionalisering</vet></al><al>Per 1 januari 2013 zal het personeel van brandweer Nijmegen over gaan naar
                        de Veiligheidsregio Gelderland- Zuid. De uitvoering van het 2e
                        loopbaanbeleid bij de brandweer is geënt op het loopbaanbeleid van de
                        gemeente Nijmegen. Hiervoor dienen de kaders zoals deze in het AGN zijn
                        vastgelegd en de werkwijzen en protocollen van de medewerkers van het “Huis
                        van je Toekomst” (o.a. de loopbaancoaches). </al><al>De Veiligheidsregio is te klein om een faciliteit als het “Huis van je
                        Toekomst” op te zetten en te onderhouden. Om die redenen blijft men voor de
                        uitvoering van het 2e loopbaanbeleid aansluiting houden bij de gemeente
                        Nijmegen. Hiervoor wordt een dienstverlenings-overeenkomst opgesteld. </al><al>Bij beleidswijzigingen van de gemeente Nijmegen zal de Veiligheidsregio
                        Gelderland - Zuid nieuwe afspraken moeten maken met de gemeente.</al><al><vet>Bijlage 1: Samenvatting kaders uitvoering 2e loopbaanbeleid</vet></al><al>§ Uitgangspunt is om personeel zo lang mogelijk voor de repressieve dienst
                        te behouden.</al><al><onderstreept>Werving en Selectie</onderstreept></al><lijst><li nr="§"><al>Nieuw personeel werven op loopbaan.</al></li><li nr="§"><al>Bij instroom test op MBO-niveau 4.</al></li></lijst><al><onderstreept>Loopbaan</onderstreept></al><lijst><li nr="§"><al>Iedereen werkzaam in een bezwarende functie zorgt voor opbouw van de
                                portfolio.</al></li><li nr="§"><al>POP wordt LOP (loopbaan ontwikkelingsplan)</al></li><li nr="§"><al>Elke drie jaar een gesprek waarin het loopbaanplan wordt besproken.
                            </al></li><li nr="§"><al>De categorie nieuwe medewerkers vanaf 16 dienstjaren in een
                                bezwarende functie, dient minimaal mee te werken aan een oriëntatie
                                op een andere functie en het vaststellen van competenties. </al></li><li nr="§"><al>De medewerker kan, indien nodig, advies inwinnen bij het
                                loopbaancentrum (Huis van je Toekomst) over zijn mogelijkheden,
                                vaardigheden en competenties. </al></li><li nr="§"><al>Om de overstap naar ander werk gemakkelijker en veiliger te maken,
                                kunnen stages en detachering worden ingezet, liefst in combinatie
                                met een terugkeergarantie.</al></li><li nr="§"><al>Medewerkers die in het kader van het 2e loopbaanbeleid doorstromen
                                naar een niet-bezwarende functie krijgen de status van herplaatser.
                            </al></li><li nr="§"><al>Zittend personeel met dreigende arbeidsongeschiktheid heeft voorrang
                                voor het volgen van de opleiding.</al></li></lijst><al><onderstreept>Opleiding</onderstreept></al><lijst><li nr="§"><al>De periode tussen de opleiding in het kader van de 2e loopbaan en de
                                daadwerkelijke start in de 2e loopbaan dient zo kort mogelijk te
                                zijn.</al></li><li nr="§"><al>Opleiding op landelijk erkend MBO- diploma niveau 4 is verplicht
                                voor alle mensen in dienst na 1-1-2006. </al></li><li nr="§"><al>Opleiding op landelijk erkend MBO- diploma niveau 4 is mogelijk voor
                                alle mensen met overgangsrecht. </al></li><li nr="§"><al>Er wordt slechts 1 opleiding gefaciliteerd in het kader van de 2e
                                loopbaan.</al></li><li nr="§"><al>Zeker bij zittend personeel kan het van belang zijn om
                                ervaringsgerichte competenties (EVC) vast te laten stellen als stap
                                naar het MBO- diploma. </al></li><li nr="§"><al>Opleiding vanaf MBO- diploma niveau 4 is maatwerk. </al></li><li nr="§"><al>Indien personeel sneller een opleiding wil volgen, kan dat binnen de
                                kaders van de studieregeling volgens het AGN. Daarbij spreken we
                                over loopbaanbeleid.</al></li><li nr="§"><al>Opleidingen om te voldoen aan de MBO- startkwalificatie hebben
                                voorrang boven opleidingen als gevolg van maatwerkafspraken.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 2: fasering, activiteiten en rolverdeling</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="37*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Fase </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Loopbaanactiviteiten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Rolverdeling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet><onderstreept>0 t/m 5 jaar</onderstreept></vet> In
                                            deze fase ontwikkelt de medewerker zich tot volleerd
                                            brandweermedewerker. De aandacht is gericht op de
                                            huidige functie en niet zozeer op de tweede loopbaan.
                                                <onderstreept>Algemeen</onderstreept> Activiteiten
                                            in het kader van 2e loopbaan worden in deze fase niet
                                            actief gestimuleerd. Als een medewerker in deze fase een
                                            andere functie wil, valt dit onder een gebruikelijke
                                            loopbaanwens, waarvoor de medewerker vooral zelf
                                            verantwoordelijk is. </al></entry><entry colname="col2"><al>a. bij indiensttreding wordt de medewerker geïnformeerd
                                            over de maximale termijn van 20 jaar in bezwarende
                                            functie en consequenties hiervan. </al><al>b. medewerker volgt de benodigde opleidingen om zich te
                                            kwalificeren voor zijn functie bij de brandweer. </al><al>c. het eerste loopbaangesprek vindt plaats binnen een
                                            jaar na datum indiensttreding. Hierbij worden de
                                            samenwerkingsovereenkomst en het loopbaanplan deel 1
                                            opgesteld. <onderstreept>Focus</onderstreept>:</al><al>§ huidige functioneren </al><al>§ benodigde ontwikkeling t.b.v. huidige functie </al><al>§ fasering loopbaantraject 0-20 jaar (hoe is het
                                            geregeld) </al><al>§ polsen of medewerker al ideeën heeft </al><al>§ evt. vragen van de medewerker n.a.v. het beleid </al><al>d. loopbaangesprek 1x per drie jaar. In het 4e jaar
                                            vindt weer een loopbaangesprek plaats. Daarnaast heeft
                                            de medewerker jaarlijks POP- en beoordelingsgesprekken.
                                            Ook hierin kan de link met de loopbaan van de medewerker
                                            worden gelegd. <onderstreept>Focus</onderstreept>: goed
                                            functioneren in huidige functie en bewust zijn van 2e
                                            loopbaan in de toekomst. </al></entry><entry colname="col3"><al>ad a: leidinggevende en P&amp;O zorgen dat medewerker op
                                            de hoogte is van de maximale termijn van 20 jaar en het
                                            2e loopbaantraject. ad b: leidinggevende is hierin
                                            bepalend. ad c: </al><al>§ leidinggevende voert het eerste loopbaangesprek en
                                            legt verslag t.b.v. loopbaandossier/portfolio. </al><al>§ leidinggevende kan, indien gewenst, bij dit gesprek
                                            ondersteuning vragen van loopbaancoach.</al><al> ad d: vooral de leidinggevende is in deze fase degene
                                            die met de medewerker praat over zijn huidige functie en
                                            toekomst van de medewerker. Indien nodig kan een
                                            loopbaancoach worden betrokken. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 t/m 17 jaar </vet> In deze fase is de aandacht
                                            gericht op functioneren in huidige functie, en op
                                            oriëntatie op andere mogelijkheden . De medewerker heeft
                                            1x/3jaar een loopbaangesprek.
                                                <onderstreept>Algemeen:</onderstreept> richtlijnen
                                            zijn:</al><al>§ 5e tot 12e jaar: 1x/3 jaar gesprekken en bewustwording </al><al>§ 12e tot18e jaar: oriëntatie op wensen en mogelijkheden
                                            t.a.v. 2e loopbaan en plan van aanpak </al><al>§ v.a.15e tot 18e jaar: medewerker start daadwerkelijk
                                            met opleiding </al></entry><entry colname="col2"><al>a. medewerkers hebben 1x/3 jaar een loopbaangesprek. Het
                                            loopbaanplan deel 2 dient hierbij als leidraad.
                                            Daarnaast wordt jaarlijks een POP/functioneringsgesprek
                                            gevoerd waarin ook de link naar de loopbaan van de
                                            medewerker kan worden gelegd.
                                                <onderstreept>Focus</onderstreept>: behoud van de
                                            medewerker in de eigen functie. </al><al>b. Na het 12e jaar verandert het accent in de
                                            loopbaangesprekken; de medewerker gaat zich in deze
                                            periode daadwerkelijk oriënteren op een andere functie
                                            (als dit nog niet is gebeurd). Er worden gesprekken
                                            gevoerd met een loopbaancoach, er komt een plan van
                                            aanpak. Dit wordt beschreven in het loopbaanplan deel 3.
                                            Afhankelijk van de duur van de opleiding start de
                                            medewerker met de opleiding tussen het 15e en 18e jaar.
                                            (bv: uiterlijk in het 15e jaar start de medewerker met
                                            een 3-jarige opleiding, als dit nodig is, om een
                                            MBO-niveau te halen.) </al></entry><entry colname="col3"><al>ad a: de leidinggevende voert de loopbaangesprekken met
                                            de medewerker iedere 3 jaar. In deze fase kan de
                                            leidinggevende de medewerker verwijzen naar de
                                            loopbaancoach voor een “second opinion”. ad b:
                                            medewerker gaat een gesprek voeren met een
                                            loopbaancoach. Er wordt een traject uitgezet voor :</al><al>§ oriëntatie op andere functie (gesprekken, evt.
                                            beroepskeuze of assessment e.d.) </al><al>§ opstellen plan van aanpak </al><al>§ starten met gewenste opleiding </al><al> De leidinggevende blijft verantwoordelijk voor
                                            medewerker en zijn ontwikkeltraject en houdt zicht op
                                            het proces. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>18 t/m 20 jaar </vet> In deze fase is de aandacht
                                            gericht op het realiseren van een nieuwe functie in- of
                                            extern. </al></entry><entry colname="col2"><al>a. de medewerker krijgt nu een intensievere
                                            loopbaancoaching. Afhankelijk van de vraag van de
                                            medewerker wordt een maatwerktraject opgesteld waarin
                                            wordt toegewerkt naar een nieuwe functie, conform het
                                            doel van de medewerker. Loopbaanplan deel 4 wordt
                                            hiervoor toegepast. </al></entry><entry colname="col3"><al>De loopbaancoach heeft in deze fase een belangrijke rol;
                                            coacht de medewerker op voortgang in zijn plan van
                                            aanpak. Stelt traject op waarin o.a. de volgende
                                            elementen kunnen zitten: coachingsgesprekken ,
                                            sollicitatietraining, netwerkgesprekken, voorbereiden
                                            van sollicitatiegesprekken, detachering of stage e.d. De
                                            leidinggevende blijft verantwoordelijk voor de
                                            medewerker, houdt vinger aan de pols over de voortgang,
                                            bijvoorbeeld door tussentijdse evaluatiegesprekken met
                                            medewerker en coach. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 3: Format Loopbaanplan</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Format Loopbaanplan</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bijlage 4: Inzet instrumenten</vet></al><al><onderstreept>Het loopbaanplan</onderstreept></al><al>Werkgever en werknemer leggen in een persoonlijk loopbaanplan de afspraken
                        vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden,
                        alsmede de in dat kader door de medewerker te volgen opleiding en de te
                        ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te
                        hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen. Het
                        loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn om
                        de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is op te leiden tot MBO- niveau.
                        Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden. Het
                        loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld en wordt ten
                        minste een keer per drie jaar geëvalueerd, geactualiseerd en zo nodig
                        bijgesteld. In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                        activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                        vastgelegd:</al><lijst><li nr="1."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="2."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                                wordt;</al></li><li nr="3."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit
                                plaatsvindt;</al></li><li nr="4."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="5."><al>afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof </al></li><li nr="6."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te
                                volgen scholing;</al></li><li nr="7."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al></li><li nr="8."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                scholing;</al></li><li nr="9."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="10."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                                ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="11."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Functioneringsgesprekken</onderstreept></al><al>De huidige functionerings- POPgesprekken kunnen uitgebreid worden met
                        gesprekken over 2de loopbaan en om de 3 jaar herhaald worden. Het thema
                        daarvan is om te bespreken wat werknemers op de langere termijn willen
                        bereiken, en welke ondersteuning in de vorm van opleidingen en coaching ze
                        daarbij nodig hebben. Bij medewerkers die na 1 januari 2006 in dienst komen
                        dient dit meteen te gebeuren. </al><al><onderstreept>Format</onderstreept></al><al>Voor het houden van dergelijke loopbaangesprekken wordt de standaard-format
                        gehanteerd die is opgenomen in de landelijke handreiking 2e loopbaanbeleid.
                        Deze is onderverdeeld in 4 delen. Het verslag van elk deel wordt bewaard in
                        het PD van de medewerker.</al><al><onderstreept>Training</onderstreept></al><al>Belangrijk is dat leidinggevenden werk maken van loopbaanontwikkeling. Om
                        dat te kunnen is het van belang om ze te trainen in het regelmatig
                        bespreekbaar maken van loopbaanontwikkeling met hun medewerkers, hoe ze een
                        dergelijk loopbaangesprek kunnen voeren en hoe ze een dergelijk traject
                        kunnen begeleiden. </al><al><onderstreept>Competenties/vaardigheden</onderstreept></al><al>De medewerker kan, indien nodig, advies inwinnen van een loopbaanadviseur
                        over zijn mogelijkheden, vaardigheden en competenties. Zeker bij zittend
                        personeel kan het van belang zijn om ervaringsgerichte competenties (EVC)
                        vast te laten stellen als stap naar het MBO-niveau. Tevens is er de
                        mogelijkheid van een psychologische test of het volgen van trainingen bij de
                        NijmegenSchool op het gebied van sollicitatietraining, loopbaantraining of
                        effectieve presentatie.</al><al><onderstreept>Opleiding</onderstreept></al><al>Het volgen van opleiding dan wel bijscholing zoals afgesproken in het
                        loopbaanplan met als doel een startkwalificatie te verkrijgen voor een
                        niet-bezwarende functie.</al><al><onderstreept>Stages/detachering</onderstreept></al><al>Om de overstap naar ander werk gemakkelijker en veiliger te maken, kunnen
                        stages en detachering ingezet worden, liefst in combinatie met een
                        terugkeergarantie. Als een stage of detachering wederzijds goed bevalt, dan
                        kunnen werknemers vaak op dergelijke plaatsen blijven werken. Tevens is dit
                        een goede manier om ervaring op te doen. </al><al><onderstreept>Werving op loopbaan</onderstreept></al><al>Een belangrijke loopbaanmaatregel is om werknemers te werven en te
                        selecteren voor een loopbaan, niet alleen maar voor de baan van dat moment.
                        Dit houdt ten eerste in dat geselecteerd wordt op bredere competenties op
                        een wat hoger niveau dan gezien de functie strikt is vereist, wat de
                        overgang naar een tweede loopbaan kan vergemakkelijken. Ten tweede betekent
                        het dat de werkgever al bij het selectiegesprek vertelt dat het
                        dienstverband voor de operationele taken eindig is, en dat zowel zijzelf als
                        de werkgever verplicht zijn om de werknemer klaar te stomen voor een functie
                        daarna.</al><al>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht
                        gaf op functioneel leeftijdsontslag</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke ambulancedienst;
                                en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                                college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft vervuld, op
                                grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                                2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                ouder.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                                ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan wel
                                naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap
                                tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie
                        waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond
                        waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag
                        werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:4</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren
                                na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                ziekte</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al></li><li nr="I."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b, </al></li><li nr="II."><al> de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV."><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V."><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI."><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en
                                emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met
                                uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van
                                artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met
                                uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25,
                                na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals
                                deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien
                                verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot
                                een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                                genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging
                                door in de bezoldiging. </al></li><li nr="b."><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                belasting door het frequent draaien van piket of het werken in
                                roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden
                                in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op
                                gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c."><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in dienst
                                van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als
                                buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een
                                functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel
                                leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits
                                het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is
                                ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als
                                vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren
                                hij als vrijwilliger is ingezet; </al></li><li nr="d."><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet> de jaren werkzaam
                                bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een
                                ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de
                                particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of
                                trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die
                                op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e."><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet valt onder
                                de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="f."><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de organisatie
                                van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het
                                kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie; </al></li><li nr="g."><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de formele
                                arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al></li></lijst><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand volgend
                        op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                        ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats van het
                        volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de
                        volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een bonus
                                wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar geldende
                                jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus;
                            </al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen
                                doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt
                                verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in
                                het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                        werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief
                        voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling
                        van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid bedoelde
                        datum het college door middel van een verzoek bekend naar welke variant zijn
                        voorkeur uitgaat. </al><al>Lid 3</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a en b moet
                        medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het derde lid, de in het eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later
                        laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is
                        dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                        functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover het
                        dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat de bonus van
                        artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd
                        die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij
                        geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                        optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere
                        keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 gebruik
                        maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van
                        dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan
                        salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode €
                        500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig
                        kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag
                        naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                        december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                        vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                        waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de
                        reeds ontvangen vergoeding.</al><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</al><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt
                        geen pensioen opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                        vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en
                        onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk
                        artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                        volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                        bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                        bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de
                        laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:4 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:4.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee de
                        keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie. </al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:18 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de
                        gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter
                        hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe
                        totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe
                        bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met
                        zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt
                        in een functie met een lager totaal inkomen buiten de organisatie van de
                        gemeente, maken het college en de ambtenaar afspraken over een financiële
                        regeling.</al><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                        of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal
                        de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking gesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het tweede lid, het in
                        het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment
                        van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                        wordt berekend tot het moment van uittreden.</al><al>Lid 4</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 5</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van
                        de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,277</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,432</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,673</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,445</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,693</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,458</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,472</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,735</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,486</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,757</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,321</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,501</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,780</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,516</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,531</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,351</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,547</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,564</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,878</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,580</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,904</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,598</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,395</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,616</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,407</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,634</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,988</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,419</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,653</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,018</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december
                        2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een
                        WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij
                                tweede loopbaan gestart wordt</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                                op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voorde
                                ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                                2006 in een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:26 en artikel 9b:28</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren
                                na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar
                                geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in
                                een bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met
                                minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                        loopbaan gestart wordt</al><al>Lid 1</al><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder toepassing van
                        artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de ambtenaar in
                        het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken maken.</al><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin
                        hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van toepassing, met
                        inachtneming van de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede loopbaan eerst
                        gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie van de gemeente. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure voor
                        erkenning verworven competenties zijn competenties laten erkennen.</al><al>Lid 5</al><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan heeft de
                        ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover redelijk, van een
                        extern loopbaanadvies.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie
                        aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt, in afwijking van
                        artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een garantietoelage ter hoogte
                        van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                        bezoldiging. </al><al>Lid 7</al><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan
                        afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het kader van
                        de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente een functie
                        aanvaardt met een lager totaalinkomen.</al><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006 in een bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de voor hem
                        geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van 90% van de voor
                        de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                        vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt
                        voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van een volledige betrekking
                        werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                        bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in het
                        eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt ziek gemeld. Op
                        hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing. </al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming
                        van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde moment later laten
                        ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met
                        inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden
                        voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al>Artikel 9b:27 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                        van toepassing.</al><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                        bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft, wordt
                        vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij een bepaalde
                        leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling
                        van een bepaald percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                        leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                        januari 2006. De leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig
                        buitengewoon verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment
                        wordt betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a."><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c."><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het
                        eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die periode,
                        waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het vijfde
                        lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:28</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        9b:28</al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                        opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                        ambtenaar werkt. </al><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                        artikel 9b:28</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel
                        9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:26
                        van toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                        vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede
                        de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                        bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:26 van toepassing is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:26.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                        met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                        verlof verleend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                        volledig verlof</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal
                        van de pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan
                        het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn
                        verschuldigd.</al><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                        verlof</al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.</al><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren
                        na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.</al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                        1 januari 2006</al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 9e van toepassing. </al><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                        januari 2006</al><al>Lid 1</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor
                        fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende dienstjaren heeft op het
                        moment van storting, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra
                        Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de
                        leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar.
                        Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                        dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per
                        betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit
                        enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is
                        geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                        heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het eerste lid gedeeld door
                        20 en vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren dat de ambtenaar heeft op
                        de leeftijd van 53 jaar. </al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de bezwarende
                        functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van 59 jaar of tot een
                        moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in
                        ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                        deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke factor, die
                        hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op uitbetaling. De
                        leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op
                        31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra
                        Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar overgemaakt.</al><al>Lid 5</al><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit
                        een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het vierde lid, het in
                        het eerste lid genoemde of, indien van toepassing, het in het tweede lid
                        genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen, gestort op het moment van uittreden,
                        waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                        leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend
                        tot het moment van uittreden. </al><al>Lid 6</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het
                        pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 7</al><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 8</al><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als bedoeld
                        in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaren na 59 jaar.</al><al>Lid 9</al><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met
                        het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het
                        een functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60
                        jaar was verbonden. </al><al>Lid 10</al><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het
                        verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de
                        ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.</al><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan
                        20 dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk
                        van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.</al><al>Lid 2</al><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>leeftijd </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>factor </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>leeftijd</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>factor </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,277</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,432</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,673</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,445</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,693</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,458</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,472</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,735</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,486</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,757</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,321</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,501</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,780</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,516</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,531</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,351</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,547</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,564</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,878</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,580</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,904</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,598</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,395</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,616</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,407</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,634</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,988</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,419</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,653</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,018</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen
                        LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.</al><al>Paragraaf 4 Vervallen</al><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 zijn vervallen.</al><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende functie</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende
                                functie</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                                9b:52</al></li></lijst><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                        functie.</al><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                        januari 2006, in een niet bezwarende functie</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren
                        of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet bezwarende functie
                        bekleed heeft, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                        levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over
                        het jaar dat de functie werd bekleed.</al><al>Lid 2</al><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die direct
                        voorafgaan aan 1 januari 2006.</al><al>Lid 3</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen als
                        bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Artikel 9b:52 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9b:52a Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 9b:53 Vervallen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in een
                        bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke moment
                        van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 -
                        als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                        uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:56</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de
                                leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie
                        en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 – als bedoeld in artikel
                        9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO-uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel 9b:22,
                        artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk
                        doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen
                        voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag
                        van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt
                        volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen
                        doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60
                        jaar.</al><al>Lid 3</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van
                        artikel 9b:4, later is ingegaan. </al><al>Lid 4</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het
                        college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde
                        hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 6</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op volledig buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 7</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zesde
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met vijfde lid.</al><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:56</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:56 </al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56, inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:56 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:56.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig buitengewoon
                        verlof.</al><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                        50 jaar</al><al>Lid 1 </al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en
                        die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt,
                        is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel,
                        voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met
                        artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62 van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die
                        wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet
                        ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op
                        grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer
                        mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn
                        medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus
                        van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de
                        tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem
                        blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing.</al><al>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                        een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                        moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december
                        2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                        werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                9b:67</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr=""><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</al></li></lijst><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende
                        functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                        werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor
                        een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                        ontvangen.</al><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel 9b:45a
                        en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                        waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                        verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen doorbetaling van 70% van
                        zijn bezoldiging. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20 dienstjaren zijn
                        bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof als bedoeld in het
                        eerste lid verleend naar rato van het aantal dienstjaren, dat op dat moment
                        is bereikt.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof,
                        bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                        maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 60 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee
                        het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid
                        van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Lid 5</al><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het
                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld
                        van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                        telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het college
                        uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al>Lid 7</al><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van
                        het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht
                        op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid naar rato van aantal
                        dienstjaren op dat moment met een maximum van 20 dienstjaren.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zevende
                        lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het
                        eerste tot en met zesde lid.</al><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                        respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                        toepassing.</al><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                        9b:67</al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                        ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:67</al><al>Lid 1 </al><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 inkomsten
                        geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is
                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan. </al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof,
                        vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop
                        artikel 9b:67 van kracht is geworden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de
                        inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen,
                        of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg
                        zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met
                        de toepassing van artikel 9b:67.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan
                        inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Lid 6</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van
                        arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden
                        uit arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 7</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of
                        in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen
                        daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</al><al>Lid 8</al><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan
                        het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te
                        passen.</al><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof </al><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof, bedoeld
                        in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</al><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk bezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel
                        9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter
                        gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28. </al><al>Lid 2</al><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50 jaar valt
                        en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
                        raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de
                        datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</al><al>Lid 4</al><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op
                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december
                        2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld
                        dan 55 jaar.</al><al>Lid 5</al><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van
                        herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot en met
                        9b:73 van toepassing.</al><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering </al><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de
                        nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf
                        van toepassing. </al><al>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een
                        betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                        leeftijdsgrenzen zijn bepaald</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al><al>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                        beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of
                        die geboren is voor 1950, maar...</al><al>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                        gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                        geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                        geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006
                        werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 , leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald.</al><al>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31 december
                        2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag
                        zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof verleend met behoud van de
                        volledige bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar FLO-ontslag
                        zou zijn verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk totdat
                        het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al><al>Artikel 9d:3 Slotbepaling</al><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                        buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging,
                        worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b
                        gebracht.</al><al>Artikel 9d:4 Slotbepaling</al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op
                        de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al><al>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</al><al>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van
                        hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</al><al>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</vet>: een
                                regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde
                                lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;</al></li><li nr="f."><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis Levensloop
                                Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als productnaam
                                “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de ambtenaar wordt
                                gestort;</al></li><li nr="g."><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op de netto
                                spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>: het product
                                van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het FLO-overgangsrecht, dat
                                bestaat uit een levensloopverzekering en een netto
                                spaarverzekering.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                                en,</al></li><li nr="b."><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in te
                                leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                                dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige
                                leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:3 Doel</al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde
                        voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet
                        op de loonbelasting 1964.</al><al>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht meldt dit bij het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                        kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals
                        genoemd in artikel 9e:5.</al><al>Lid 3</al><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij
                        de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                        inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in
                        dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien
                        van dit levenslooptegoed. </al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college
                        informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de
                        ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een
                        andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat. </al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn
                        deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht niet
                        deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de
                        loonbelasting 1964. </al><al>Artikel 9e:6 Inleg</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste bedrag van de inleg per
                        jaar.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze
                        en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen. </al><al>Lid 3</al><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde
                        bronnen. </al><al>Artikel 9e:7 Bronnen</al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de
                        volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a."><al> het salaris</al></li><li nr="b."><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;</al></li><li nr="e."><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                        op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van ingang van het
                        onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                        half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                        140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De
                        controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de
                        datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP.</al><al>Lid 6</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1.</al><al>Lid 7</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2.</al><al>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                        dienstjaren op 1 januari 2006 </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft
                        recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig,
                        dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid,
                        en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een
                        tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het
                        netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een
                        half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd
                        volledig verlof.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie
                        een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het
                        bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof,
                        bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren of meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                        bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van
                        het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle
                        hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van
                        ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al>Lid 4</al><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59 jaar. </al><al>Lid 5</al><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld
                        in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60 jaar. </al><al>Lid 6</al><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210%
                        respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt. </al><al>Lid 7</al><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog geen 20
                        dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in een tegoed naar
                        rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk
                        60-jarige leeftijd is bereikt. </al><al>Lid 8</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld
                        in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 9</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        3:1. </al><al>Lid 10</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel
                        9b:2. </al><al>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                        FLO-overgangsrecht</al><al>Lid 1</al><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee
                        maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het
                        college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.</al><al>Lid 2</al><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt
                        daarnaast: </al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al> op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede lid,
                        wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond
                        van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang
                        van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste
                        lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde lid, wiens
                        deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van
                        artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van
                        onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid,
                        of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 4</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het tweede
                        lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend
                        met 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed
                        de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al><al>Lid 5</al><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt,
                        voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen
                        uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige leeftijd naar rato van het
                        aantal dienstjaren op het moment van ontslag. </al><al>Lid 6</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: </al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag
                                voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b."><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele
                                maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in
                        artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP. </al><al>Lid 8</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1. </al><al>Lid 9</al><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2. </al><al>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</al><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                        ambtenaar</al><lijst><li nr="§"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit
                                de bezwarende functie wordt ontslagen en</al></li><li nr="§"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,
                                geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot
                                afkoop.</al></li></lijst><al>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</al><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie
                        naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1,
                        tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde
                        voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het
                        afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in
                        Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al><al>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</al><al>Lid 1</al><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode
                                van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en
                                zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;</al></li><li nr="b."><al> ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet
                                op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                        tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil
                        beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast
                        hoe de melding moet plaatsvinden. </al><al>Lid 3</al><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval
                        van beëindiging van het dienstverband. </al><al>Lid 4</al><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                        afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp
                        van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k
                        Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van
                        de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders. </al><al>10 Wachtgeld</al><al>Artikel 10:1 Betrokkene</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5
                                van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling
                                        ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in
                                        een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8
                                van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven
                                aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel
                                8:8, tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het
                        eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op
                        grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem
                        schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Artikel 10:2 Lichamen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al>Artikel 10:3 Diensttijd</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel
                        10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst
                        doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is
                        verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in
                        artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar
                                daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van
                                artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en
                                met vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld
                                ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in
                        aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 10.3 (Q) Diensttijd (o.a. Stichting Wijkcentra)</al><al>In aanvulling op de toelichting van artikel 10:3, worden de volgende leden
                        toegelicht:</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op grond van het raadsbesluit van 11 juni 1981, afd. VII-B, nr. 4900/81 ter
                        zake van de omzetting van de Stichting Wijkcentra in een bestuurscommissie
                        ex. artikel 61 dient als diensttijd tevens te worden beschouwd: de tijd vóór
                        1 januari 1982 bij de Stichting Wijkcentra doorgebracht. Zie hoofdstuk 3
                        (Personele aspecten) van het desbetreffende raadsvoorstel.</al><al><vet>Lid 3d</vet></al><al>Met tijd bedoeld in art 5,4 van het pensioenreglement wordt bedoeld de tijd
                        doorgebracht door de deelnemer als gewezen werknemer tot de eerste dag van
                        de maand volgende op die waarin betrokkene de leeftijd van 62 jaar heeft
                        bereikt en er recht bestond op een ontslaguitkering. Verder de tijd
                        betreffende de gewezen werknemers die, voor zolang dat recht is toegekend,
                        op 1 april 1997 recht hadden op een ontslaguitkering. Ook betreft het de
                        tijd van de gewezen werknemers die zouden hebben voldaan aan de voorwaarden
                        voor het verkrijgen van het recht op een vut-uitkering indien hen met ingang
                        van 1 april 1997 of een daarvoor gelegen tijdstip ontslag zou zijn verleend,
                        mits zij, voor zolang dat recht is toegekend, recht hebben op een in de
                        fpu-regeling bedoelde uitkering ten laste van de Stichting Vut-fonds
                        overheidspersoneel. Op grond van genoemd artikel 5,4 tellen voornoemde
                        tijden voor de helft mee.</al><al>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:5 Bezoldiging</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór
                        het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de
                        vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                        eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld
                        met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het
                                bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in
                                hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op
                        wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld
                        wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de
                        duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van
                        de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld
                        indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c,
                        op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is
                        verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden
                        vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                        de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel
                        11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                        wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou
                        zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van
                        het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                        wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt
                        vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</al><al>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                        ontslag ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
                                per week werkzaam is geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="§"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al></li><li nr="§"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al></li><li nr="§"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al></li><li nr="§"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al></li><li nr="§"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al></li><li nr="§"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al></li><li nr="§"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al></li><li nr="§"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van: </al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
                                tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                        perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn
                        huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid
                                volledig; en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid; of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakantie.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere
                        wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere
                        verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het
                        wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                        voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk
                                aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande
                        lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is
                        vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een
                        uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid
                        van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op
                        basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij
                        de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                        toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur
                        wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                        uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid,
                        in mindering gebracht.</al><al>Lid 4</al><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde
                        van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
                        minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en
                        diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop
                        van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                        verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij de
                        AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval,
                        dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging
                        reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd,
                        voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In
                        dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                        verlenging, buiten aanmerking</al><al>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op
                        een vervolgwachtgeld. </al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid,
                                heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een
                                vervolgwachtgeld. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                        vervolgwachtgeld een jaar. </al><al>Lid 4</al><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar. </al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                        artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                        bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend
                        recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                        beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige
                        volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie
                        uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een
                        wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
                        10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                        vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip
                        gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
                        zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de
                        in de vorige volzin bedoelde datum. </al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld
                        van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld. </al><al>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van
                        die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de
                        Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in
                        de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld
                        daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene
                        recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op
                        wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd
                        naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                        berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in
                        de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de
                        verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van
                        het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende
                        het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van
                        de bezoldiging.</al><al>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Artikel 10:12 Verplichtingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen
                        die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                        verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in
                        het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het
                        verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden
                        overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van
                        artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig
                        ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al>Lid 7</al><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe
                        te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke
                        inlichtingen geven.</al><al>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 10:14 Verhuiskosten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
                        de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
                        daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 10:15 Vermindering</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot
                        het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                        gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt,
                        wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel
                        10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                        ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op
                        wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin
                        van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als
                        volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag
                        waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                        wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                        betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking
                        van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige
                        wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het
                        bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met
                        invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                        vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                        inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke
                        bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan
                        overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld
                        of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                        overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of
                        dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle
                        evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                        eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        10:15, derde en vierde lid.</al><al>Artikel 10:17 Verlenging</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
                        een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
                        vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
                        betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
                        van het wachtgeld toegevoegd.</al><al>Artikel 10:18 Opschorting</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
                        laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking
                        waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering
                        van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde
                        van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 10:19 Samenloop</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="74*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde
                        wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                        wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
                        overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in
                        mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de termijn
                        waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover
                        het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</al><al>Artikel 10:20 Betaling</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 10:21 Afkoop</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
                        wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en
                                tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet; </al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde
                                of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                                redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven; </al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld; </al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven; </al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo
                                deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid,
                        niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen
                        met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou
                        zijn gegaan. </al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                        op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan wie in dat geval
                        een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend. </al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst. </al><al>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd
                                bereikt;</al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid,
                                bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het
                                arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen; </al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                                wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg
                                te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel
                                die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor
                                hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te
                                aanvaarden. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht
                        verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met
                        dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend
                        aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen
                        vanaf de datum van ontslag. </al><al>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                        nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk
                        aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie
                        maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan
                        geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                        natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook
                        zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers,
                        zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een
                        vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie
                        maanden. Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                        naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering,
                        berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag
                        aangevuld.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling
                        zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30
                        juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met
                        ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                        de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de
                        duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende
                        wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling
                        wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld,
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de
                        wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling
                        wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de
                        uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in
                        de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is
                        gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1
                        augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een
                        overgangsuitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat
                        de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in
                        direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en
                        wordt in maandelijkse termijnen betaald.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan
                        70% van de bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</al><al>Lid 5</al><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd
                        in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                            ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29
                            lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10:29 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</al><al>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van artikel 16 van
                                de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b."><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden is;</al></li><li nr="c."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet,
                                zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22
                                Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste
                                lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d."><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de ambtenaar
                                kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering
                                als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende
                                uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld
                                in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                suppletie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen
                                die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen
                                op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:11 Scholing</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al></li></lijst><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                        suppletie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering,
                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                        aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                        op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
                        aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
                        inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
                        ontleend.</al><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en
                        1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde
                        wijze.</al><al>Lid 2</al><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering wijzigt.</al><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering
                        bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de
                        Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                        berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>Lid 4</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag</al><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                        11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee
                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste
                        dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de
                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende 3,5
                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid,
                        is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                        rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en
                        vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde uitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                        op de aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2
                        gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                        Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een
                        aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                        vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben
                        gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou
                        hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt,
                        indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                        aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                        bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld
                        aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al>Artikel 10a:11 Scholing</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering. </al><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en
                        dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld),
                        heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin
                        van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                        aanvulling van dat ziekengeld.</al><al>Lid 2</al><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen
                        een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou
                        zijn om arbeid te verrichten.</al><al>Lid 3</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op
                        de aanvulling op het ziekengeld.</al><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het
                        voor haar geldende dagloon.</al><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en
                        scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van
                        de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben
                        op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk
                        wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad,
                        bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen
                        tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende
                        uitkering zou ontvangen.</al><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op
                        artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering
                        toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                        gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over
                        een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene
                        buiten Nederland woont en in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a
                        ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht
                        op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht
                        op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                        Nederland woont.</al><al>Lid 2</al><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte
                                of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te
                                aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld
                                in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het
                                enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde
                                wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
                                uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                WW-uitkering. </al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft,
                        is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering
                        waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou
                        hebben gewoond. </al><al>Lid 4</al><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens
                        ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van
                        zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid
                        gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de
                        maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet
                        arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan
                        de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende
                        uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in
                        Nederland had gewoond. </al><al>Lid 5</al><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                        zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar
                        het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering
                        gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode. </al><al>Lid 6</al><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op
                        grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering
                        op grond van de Wet arbeid en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een
                        uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een
                        uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van
                        dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering
                        op grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                        wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op
                        grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan
                        wel niet of niet geheel is betaald. </al><al>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                                suppletie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                geworden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor
                                mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                                toepassing is</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:24 Scholing</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al></li></lijst><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het ontslag
                        voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede
                        tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien
                        aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van
                        overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164)
                        het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten
                                laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met
                        suppletie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door
                        het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6
                        slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt
                        van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</al><al>Lid 4</al><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de
                        werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet is verstreken.</al><al>Lid 5</al><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op
                        de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                        aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de
                        verlengde uitkering is verstreken.</al><al>Lid 6</al><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van
                        toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                        werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                        uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
                        verstreken</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en
                        voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht
                        heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80%
                        of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur,
                        als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en
                        hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. </al><al>Lid 9</al><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen. </al><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze
                                is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en </al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene,
                        genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het
                        ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of
                        ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de dag
                        waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                        tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op
                        een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1
                        augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde
                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld
                                op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde
                                uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de
                        eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt,
                        heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de
                        kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft
                        bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in
                        mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                        toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in
                        mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                        artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang
                        een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid
                        nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid,
                        van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in
                        mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende
                        uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
                        wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                        uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet
                        zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat
                        geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de
                        uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig
                        artikel 10a:16.</al><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
                        van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering
                        gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht
                        op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                        zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003,
                        Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:24 Scholing</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                        overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                        Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                        bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                        betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel
                        10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij
                        recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.</al><al>Lid 2</al><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede, vijfde
                        en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</al><al>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al></li></lijst><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en
                        recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
                        indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou
                        hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden
                        toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                        verhuizing.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde
                        tegemoetkoming in mindering gebracht.</al><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                        aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met
                                tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk
                                vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met
                                een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het
                                arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de
                                nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze
                                standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet
                                bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde
                                ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de
                                uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding
                                verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als
                        vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</al><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt
                                en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan
                                90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met
                                inachtneming van het tweede lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                        dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de
                        omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                        reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude
                        betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                        berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard
                        is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
                        overeengekomen.</al><al>Lid 5</al><al>In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32 van
                        de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde
                        reïntegratietoeslag.</al><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de
                        betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende
                        uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben
                        verkregen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het
                        eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op
                        een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</al><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden
                                het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te
                                boven zijn gegaan.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de
                        situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per
                        kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren
                                resteren.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking,
                        blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog
                        werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</al><al>Lid 4</al><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te
                        verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die
                        maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een
                        recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                        zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid,
                        onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</al><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot
                        90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde
                        lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking,
                        omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van
                        de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                                werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat
                                uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10
                        weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door
                        betrokkene te worden ingediend.</al><al>Lid 3</al><al>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek
                        betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend,
                        wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door
                        het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde
                        rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                        10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al>Lid 5</al><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                        werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een
                        besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een
                        reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</al><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                        maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog
                        recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard
                        en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou
                        hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                        nieuwe werkgever.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de
                        berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van
                        toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al><al>Lid 3</al><al>Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op
                        de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon
                        van de betrokkene.</al><al>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al></li></lijst><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
                        het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                        vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                        maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                        1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen.</al><al>Lid 2</al><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet,
                        voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze
                        artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al><al>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid</al><al>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een
                        organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van, 8:5, 8:6 of
                        8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6
                        of 8:8 ontslagen is.</al><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>aanvullende uitkering:</vet> uitkering tijdens de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al><vet>grondslag:</vet> het gemiddelde van het salaris, de toegekende
                                salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3,
                                berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de
                                start van de re-integratiefase of de start van het Van werk naar
                                werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
                                eindejaarsuitkering. Deze wordt geïndexeerd met de generieke
                                salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al><vet>gemeentelijke sector:</vet> de gemeenten en gemeenschappelijke
                                regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al><vet>boventalligheid:</vet> de situatie dat een ambtenaar wegens
                                reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                reorganisatie;</al></li><li nr="e."><al><vet>na-wettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop van de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid als bedoeld in de
                                Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de
                                beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                                gemeente;</al></li><li nr="g."><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al><al>Lid 1</al><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in
                        dit hoofdstuk.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan
                        die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in
                        de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden
                        overgegaan van deze lokale afspraken.</al><al>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</al><al>Lid 1</al><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het
                        college een passende regeling.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het
                        college gehoord.</al><al>Lid 3</al><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de
                        paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor
                        zover dit redelijk en billijk is.</al><al>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                        onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                gemeente</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                levensloop</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>re-integratiefase: </vet> de fase voorafgaand aan ontslag,
                                waarin door middel van een reintegratieplan afspraken worden gemaakt
                                over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot
                                stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b."><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven
                                staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te
                                bevorderen; </al></li></lijst><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel
                        8:6.</al><al>Lid 3</al><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                        overhandiging van het besluit tot ontslag.</al><al>Lid 4</al><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de
                        gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het
                        dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente,
                        waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                        re-integratiefase.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van: </al><lijst><li nr="a."><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c."><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar
                        geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan
                        niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt.</al><al>Lid 2</al><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6
                        gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet
                        houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde
                        reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                        na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</al><al>Lid 1</al><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de
                        re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                        re-integratieplan.</al><al>Lid 2</al><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                        oorspronkelijke reintegratiefase.</al><al>Lid 3</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid
                        naar de mate waarin dat mogelijk is.</al><al>Lid 4</al><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het
                        reintegratieplan van kracht.</al><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12
                        maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald
                        verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de
                        reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn
                        re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur;
                                en</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt
                                op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden
                                ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden
                        waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn
                        neergelegd in het reintegratieplan, tijdens de verlenging van de
                        re-integratiefase worden voortgezet.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na
                        aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op. </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college
                        gehoord. </al><al>Lid 3</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                        re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd
                        worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: </al><lijst><li nr="§"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd
                                zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="§"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin
                                van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te
                                behalen resultaten;</al></li><li nr="§"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="§"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de
                        verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de
                        activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk,
                        volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al><al>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</al><al><vet>Toelichting</vet> In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen opgenomen
                        voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li nr=""><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al></li><li nr=""><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                werk-contract</al></li><li nr=""><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                    werk-trajecten</vet></al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid
                        ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende
                        gemeente.</al><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar werk-traject</al><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                        werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot
                        verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</al><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde
                        ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van
                        werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op
                        plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of
                        aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</al><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot
                        boventalligverklaring in werking is getreden.</al><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al><al>Lid 1 </al><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college
                        en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de
                        ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van
                        de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al><al>Lid 2</al><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd
                        loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al><al>Lid 3</al><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de datum waarop het
                        Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die
                        datum afgerond.</al><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al><al>Lid 1 </al><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek
                        stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op. </al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen
                        die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan
                        verbonden termijnen.</al><al>Lid 3</al><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="§"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding en de
                                tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="§"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="§"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar
                                werk-traject verricht; </al></li><li nr="§"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare
                                budget;</al></li><li nr="§"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het
                                Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="§"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het
                                vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20%
                                van de omvang van de aanstelling; </al></li><li nr="§"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende
                                voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een
                        bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten
                        die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.</al><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</al><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt
                        de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie
                        maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een
                        verslag opgemaakt.</al><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al
                        dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente
                        aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere
                        reden.</al><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al><al>Lid 1 </al><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een
                        passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een
                        aangeboden functie buiten de gemeente weigert. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van
                        werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan
                        de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of
                        tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar
                        werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake
                        is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende
                        uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al><al>Lid 1 </al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de
                        start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere
                        reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een
                        maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden
                        in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht
                        genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies. </al><al>Lid 2</al><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van
                        het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op
                        korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of
                        geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.</al><al>Lid 3</al><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt
                        overgenomen.</al><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over
                        het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in
                        kennis van deze beslissing. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt
                        voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel
                        8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</al><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</al><al>Lid 1 </al><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een
                        werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden
                        gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans
                        op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot,
                        kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze
                        verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan
                        niet meer dan één keer worden verleend. </al><al>Lid 2</al><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar
                        werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de
                        ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 3</al><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop
                        van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.</al><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract </al><al>Lid 1 </al><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet
                        houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract,
                        maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit
                        gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al><al>Lid 2</al><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid
                        in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract
                        vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor
                        de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de
                        andere partij kenbaar.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze
                        verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de
                        niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de
                        periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken
                        die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                        ontstaan.</al><al>Lid 4</al><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt,
                        kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van
                        artikel 10d:19 tweede lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al><al>Lid 5</al><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract
                        of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat,
                        kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.</al><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al><al>Lid 1 </al><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd
                        toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf. </al><al>Lid 2</al><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van
                        het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, vijfde lid,
                        voorleggen aan deze commissie.</al><al>Lid 3</al><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil een bindend
                        advies uit.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden
                        en werkwijze van de commissie worden vastgelegd.</al><al>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al><al>Lid 1 </al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft
                                doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7
                                tweede en derde lid niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar
                                werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven
                                in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze
                                ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de
                        ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle
                        gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                        van zijn aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt
                        uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel
                        10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20%; </al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al> voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10%; </al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20%;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al><al>Lid 1</al><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de
                        dag na de dag van ontslag.</al><al>Lid 2</al><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de
                        eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</al><al>Artikel 10d:28 Sancties</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de
                        werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de
                        aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond
                        van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het
                        college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of
                        gedeeltelijk te laten vervallen.</al><al>Lid 4</al><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.</al><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een
                        na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering
                                voortduurt;</al></li><li nr="b."><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente
                                overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag
                        gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de
                        hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet. </al><al>Lid 2</al><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van
                        de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                        werkloos is.</al><al>Lid 3</al><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband
                        met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag zoals
                        gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden. Het meerdere
                        wordt gekort op de na-wettelijke uitkering. </al><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a."><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
                                jaar </al></li><li nr="c."><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al><al>Lid 1</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                        verstreken.</al><al>Lid 2</al><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.</al><al>Lid 3</al><al>Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag waarop de
                        ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
                        sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
                        informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek
                        van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke
                        uitkering. </al><al>Lid 2</al><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                        waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al><al>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                        arbeidsongeschiktheid</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van
                                artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                7:16</al></li><li nr=""><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                        ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende
                        het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op
                        grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel
                        7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij
                        arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                        definitief is vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten
                        aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van
                        invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.</al><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>Lid 1</al><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                        totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de toegekende
                        salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al>Lid 2</al><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering
                        gebracht.</al><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                        8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16</al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke uitkering
                        voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                                sector en</al></li><li nr="b."><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan (0,25 +
                                (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien
                                verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X
                                staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
                                factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                sector.</al></li></lijst><al>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met
                        op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al><al>11 Uitkeringsregeling ontslag</al><al>Artikel 11:1 Betrokkene</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan
                        wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin
                                hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan
                                vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van
                                kennelijk tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met
                                uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek
                                is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten; en
                                die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de
                        gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot
                        of geregistreerde partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende
                        oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al>Artikel 11:2 Lichamen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met
                        verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</al><al>Artikel 11:3 Diensttijd</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel
                        11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst
                        doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet
                        privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een
                        verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou
                        zijn verklaard.</al><al>Lid 2</al><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>Lid 3</al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand
                                daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking
                                welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij
                                vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de
                                uitkering ingaat.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in
                        aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van
                        de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:5 Bezoldiging</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld
                        in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het
                        ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage
                        bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld
                        in artikel 3:6.</al><al>Lid 2</al><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al>Artikel 11:6 Recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens
                        het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer
                                als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is
                                geweest, ingevolge artikel 11:7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar
                                onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7,
                                dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe
                                aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de
                        betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was
                        werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                        artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft
                        herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12
                        maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde
                        verhindering.</al><al>Lid 3</al><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen,
                        voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de
                        betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor
                        eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze
                        niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op
                        uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken,
                        waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.</al><al>Lid 5</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van
                        de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de
                        verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het
                        recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het
                        arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</al><al>Lid 7</al><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering,
                                berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                                suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65
                                jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet
                                worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag
                                zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden
                                betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn
                                omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                aanvaarden.</al></li></lijst><al>Lid 8</al><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering
                        met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                        percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt
                        vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur
                        van de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang
                                waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage
                                wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid
                                tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de
                        betrokkene.</al><al>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag
                                ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3
                                van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
                                per week werkzaam is geweest of;</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                                uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur van de
                                uitkering verlengd met: 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten
                                minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                jaar; 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5
                                jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij een
                                arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld
                                in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of
                                meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en; </al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de
                                dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
                                Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk
                                invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt
                                die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld
                                onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                                middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
                                zijn berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                                arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                                arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van
                                dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
                                dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op
                                grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29,
                                tweede lid, van die wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met
                                een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen
                                worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8
                                of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
                                drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in
                                de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in
                                het derde lid.</al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden
                        behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of
                                een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid,
                                volledig, en;</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                                verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer
                                uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen
                                als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                genomen.</al></li></lijst><al>Lid 6</al><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet
                        meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                                regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake
                                van werkloosheid of;</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                                vakanties.</al></li></lijst><al>Lid 7</al><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als
                        bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>Lid 8</al><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden
                                en opgevoed.</al></li></lijst><al>Lid 9</al><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt
                        tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
                        bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is
                        begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende
                        leden.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan
                        1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op
                        hele maanden.</al><al>Lid 3</al><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste
                        vastgesteld op 24 maanden.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten
                        minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd,
                        die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt,
                        wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend
                        aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                        verleend.</al><al>Artikel 11:9 Vervolguitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                        tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op
                        een vervolguitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste
                                lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid,
                                onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen
                                recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                vervolguitkering.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                        vervolguitkering een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                        heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                        uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop
                        zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar
                        na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 6</al><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan
                        wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend
                        recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn
                        uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en
                        een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>Lid 7</al><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van
                        overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.</al><al>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens
                        67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere
                        verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.</al><al>Lid 3</al><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de
                        percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten
                        verhoogd.</al><al>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Artikel 11:12 Verhuiskosten</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                        voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                        van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Artikel 11:13 Vermindering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een
                        vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                        samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede
                        de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                        bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering ingevolge
                        artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is
                        verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering
                        doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
                        pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt
                        verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop
                        het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de
                        met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend
                        over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden
                        betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid,
                        geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk
                        toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al
                        dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de
                        oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging
                        overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van
                        de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                        uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</al><al>Lid 3</al><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</al><al>Lid 4</al><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde
                        vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>Lid 5</al><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al><al>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de
                        dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan
                        van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het
                        college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet
                        hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                        verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of
                        blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                        het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene
                        zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn
                        opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het
                        bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van
                        de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                        inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet
                        langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
                        wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud
                        van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al>Lid 3</al><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>Lid 4</al><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        11:13, het derde en vierde lid.</al><al>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel
                        11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een
                        tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                        geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn
                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige
                        pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                        overledene kostwinner was.</al><al>Lid 2</al><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering
                        een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie
                        maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                        gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan
                        het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>Lid 4</al><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 3</al><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt
                        en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>Lid 5</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een
                        van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel
                        uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is
                        arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die
                        verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze
                        over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De
                        bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1
                        januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 11:18 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
                        aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                        en met 11:15, opgeschort.</al><al>Artikel 11:19 Afkoop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                        geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                        voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                        uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt
                        met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer
                        intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende
                        duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat,
                        tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                        aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens
                        enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid
                        begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar
                                zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever,
                                voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk
                                is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op
                                uitkering bestaat.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht
                        op een uitkering, mits de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond
                                als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in
                                dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als
                                bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</al></li></lijst><al>Lid 4</al><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene
                        zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte
                        weken.</al><al>Lid 5</al><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden,
                        verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid.</al><al>Lid 6</al><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld
                        in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het
                        derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al><al>Lid 7</al><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag,
                        bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een
                        termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht
                        bij het college is ingekomen.</al><al>Artikel 11:21 Verplichtingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>Lid 2</al><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te
                        doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag
                        ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving
                        als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>Lid 4</al><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                        betrokkenen.</al><al>Lid 5</al><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te
                        gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of
                        voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van
                        een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>Lid 6</al><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te
                        stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking
                        komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen
                        geven.</al><al>Artikel 11:22 Opschorting</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage
                        van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem
                        ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het
                        tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in
                        militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Artikel 11:23 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht
                        op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
                        bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten
                        indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                        overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al>Lid 3</al><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                        geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                        onverminderd te zijn genoten.</al><al>Artikel 11:24 Samenloop</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die
                        aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen
                        niet uitbetaald.</al><al>Artikel 11:25 Betaling</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.</al><al>Lid 2</al><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Artikel 11:26 Verval van uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in
                                artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21,
                                tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het
                                college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in
                                evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid,
                                gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs
                                geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens
                                gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk
                                te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                                buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te
                                verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                                krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn
                                verleend als hij in dienst was gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende
                                ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo
                                deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als
                                ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag
                                te verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid,
                        niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                        wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door
                        nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                        arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in
                        verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                        opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de
                        uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of
                        verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al>Lid 4</al><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden
                        betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die
                                waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene
                        recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de
                        duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de
                        hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al>Lid 3</al><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de
                        resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal
                        zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1
                        augustus 1991.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991,
                        de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende
                        uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>Lid 3</al><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11,
                        eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus
                        1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen,
                        behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en
                        overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw
                        toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder
                        toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat
                        de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                        tweede lid.</al><al>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</al><al><cursief>Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                            arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                            later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat
                        betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn
                        vastgelegd in evengenoemde verordening.</al><al>Lid 2</al><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 11:31 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 11:32 Slotbepaling</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant
                        die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>Lid 2</al><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000. </al><al>11a Suppletie</al><al>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a."><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid in de zin
                                van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b."><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die
                                voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c."><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="d."><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2
                                van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op
                                grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking
                                wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80%
                                arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn
                                resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                                betrekkingen;</al></li><li nr="e."><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
                                eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;</al></li><li nr="f."><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al></li><li nr="g."><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op de
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie,
                                bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen
                                privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de
                                betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit
                                Algemene Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h."><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het dagloon van
                                betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan
                                hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking
                                heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op
                                suppletie wordt ontleend;</al></li><li nr="i."><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering ter zake
                                van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband
                                van betrokkene.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag
                        is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte.</al><al>Lid 2</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag
                        wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van
                        zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor
                        het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                        samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                        opvolgen.</al><al>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                        Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid.
                        Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde
                        arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
                        is.</al><al>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                                arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                                ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het
                                pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                                overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de
                                leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:6 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor
                        de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al>Lid 3</al><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:7 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel
                        11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop
                        de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24
                        maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde
                        periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en
                        het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft
                        geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode
                        gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                        van de suppletie. </al><al>Lid 2</al><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden
                        worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al><al>Artikel 11a:8 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie,
                        ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan,
                        een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde
                        uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de
                        suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                        dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering,
                        wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan
                        de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend,
                        naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die
                        kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op
                        een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                        zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na
                        laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de
                        arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van
                        die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van
                        twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                        WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin
                        toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                        van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel
                        geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk
                        onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste
                        van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de
                        strekking van dit artikel overeenkomt.</al><al>Artikel 11a:9 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie
                        inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan
                        bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie
                        verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al>Lid 2</al><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het
                        eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                                voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                                suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie
                                is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel
                                11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die
                                dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene,
                                terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte
                                daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel
                                verband houden met het ontslag.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene
                        afwijken van het tweede lid.</al><al>Artikel 11a:10 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
                        handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
                        werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan
                        wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                        uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst><al>Artikel 11a:11 Suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                        suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan
                        de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van
                        drie maanden.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s)
                                indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of
                                geregistreerde partner gescheiden leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen
                                ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het
                                bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                        geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of
                        gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
                        betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                        bestaat.</al><al>Lid 4</al><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts
                        sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
                        huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
                        huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al><al>Lid 5</al><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de
                        betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                        uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en
                        strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene
                        recht had.</al><al>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                        bestaat.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan
                        beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al><al>Lid 3</al><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch
                        uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft
                        vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand
                        achteraf.</al><al>Lid 4</al><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3
                        maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het
                        bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken
                        van de eerste volzin.</al><al>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen
                        voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de
                        hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te
                        betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in
                        artikel 11a:3.</al><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid
                        vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid
                        bestaat omtrent het recht op suppletie.</al><al>Lid 3</al><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een
                        suppletie.</al><al>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan
                        te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen
                        beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of
                        scholing in dagonderwijs.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een
                        voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of
                        scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht
                        op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al><al>Lid 3</al><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid,
                        worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking
                        tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde
                        opleiding of scholing.</al><al>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan
                        mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al><al>Lid 2</al><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde
                        activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.</al><al>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot :</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel
                        11a:15.</al><al>Artikel 11a.16.0.1 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al>In aanvulling op artikel 11a:16 vindt u bij het onderdeel “Lokale
                        regelingen” de Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling van de gemeente
                        Nijmegen. </al><al>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Lid 1</al><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector
                        gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K
                        4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                        zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog
                        niet is verstreken, heeft recht op suppletie.</al><al>Lid 2</al><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31
                        december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="45*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3</al><al>De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9,
                        11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als
                        bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van
                        het in dit artikel bepaalde.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
                        verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de
                        betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde
                        en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van
                        artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Lid 6</al><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                        herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond
                        op een hele maand.</al><al>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
                        1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                        arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
                        Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene
                        invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste
                        15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                        ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                        Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen
                        een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem
                        als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid,
                        van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                        eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                        neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen
                        zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                        gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                        doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding
                        van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                            ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al><al>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen,
                        met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                        WAO-uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is
                        ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de
                        ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al>Artikel 1 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al><cursief>Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 30 januari
                            1996.</cursief></al><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>suppletieregeling: </vet> de suppletieregeling die is opgenomen
                                in hoofdstuk 11a van de AGN;</al></li><li nr="b."><al><vet>suppletie</vet>: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6 van de
                                suppletieregeling;</al></li><li nr="c."><al><vet>betrokkene:</vet> de betrokkene, bedoeld in artikel 11a:1,
                                onder d, van de suppletieregeling;</al></li><li nr="d."><al><vet>Tica:</vet> het Tijdelijke instituut voor coördinatie en
                                afstemming dat is erkend op grond van artikel 31 van de
                                Organisatiewet sociale verzekeringen en is ingesteld op grond van
                                artikel 35 van die wet;</al></li><li nr="e."><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> de instelling aan wie het
                                bestuursorgaan, belast met de uitvoering van de suppletieregeling,
                                de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering van de
                                suppletieregeling, heeft opgedragen.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De artikelen 1 tot en met 8 van het Model-uitkeringsreglement
                        Werkloosheidswet gelden voor zoveel mogelijk als uitvoeringsvoorschriften
                        ten behoeve van een doelmatige controle van betrokkenen en als
                        uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie
                        tijdens de duur van de suppletie, met dien verstande dat voor de hierna te
                        noemen begrippen uit het model-uitkeringsreglement moet worden gelezen:</al><lijst><li nr="a."><al>bedrijfsvereniging: het bestuursorgaan belast met de uitvoering van
                                de suppletieregeling;</al></li><li nr="b."><al>bestuur: de uitvoeringsinstelling;</al></li><li nr="c."><al>werknemer: betrokkene;</al></li><li nr="d."><al>werkgever: het bestuursorgaan dat bevoegd is betrokkenen ontslag te
                                verlenen;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: suppletie;</al></li><li nr="f."><al>Werkloosheidswet, wat de toepassing van artikel 7 betreft:
                                suppletieregeling.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                        suppletie gelden als uitvoeringsvoorschriften de Regels betreffende het
                        begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op
                        uitkering, vastgesteld bij besluit van de toenmalige Sociale
                        Verzekeringsraad d.d. 23 januari 1992 (Stcrt. 1992, 19), welke ingevolge
                        artikel Regels vakantieperiode met behoud van recht op uitkering XLVII van
                        de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen gelden als het besluit
                        van het Tica op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet,
                        met dien verstande dat voor uitkering dient te worden gelezen:
                        suppletie.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wijzigingen in het in het eerste lid genoemde modelreglement
                        onderscheidenlijk die in het tweede lid genoemde Regels, gelden, voor zover
                        deze als uitvoeringsvoorschriften van de suppletieregeling zijn aangeduid,
                        als wijzigingen van deze uitvoeringsvoorschriften.</al><al>Artikel 3 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al>Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen van
                        de uitvoeringsinstelling, het ontstaan van de ziekte als gevolg waarvan hij
                        verhinderd is arbeid te verrichten, aan de uitvoeringsinstelling te melden,
                        alsook zijn herstel daarvan.</al><al>Artikel 4 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al>Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem
                        naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of
                        scholing, blijft bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd,
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt van
                                het reïntegratieplan dat door de uitvoeringsinstelling in
                                samenspraak met betrokkene is vastgesteld en naar aard en omvang
                                niet meer omvat dan in het reïntegratieplan is vastgesteld; of</al></li><li nr="b."><al>de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er geen
                                reïntegratieplan is, zoals bedoeld in onderdeel a, de
                                uitvoeringsinstelling daarvoor toestemming geeft.</al></li></lijst><al>Artikel 5 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling</al><al>In afwijking van artikel 4 blijft het recht op suppletie van de betrokkene
                        die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de
                        uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, na afloop van de
                        ingevolge de artikelen 11a:2, 11a:6 en 11a:7, onderscheidenlijk artikel
                        11a:17 van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van de suppletie
                        niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of
                                scholing recht bestaat op een voorziening in de derving van de
                                inkomsten;</al></li><li nr="b."><al>de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop daarvan
                                werkzaamheden bij één bepaalde onderneming of één bepaald
                                bestuursorgaan te gaan verrichten;</al></li><li nr="c."><al>de opleiding of scholing langer duurt dan één jaar;</al></li><li nr="d."><al>tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten van
                                productieve werkzaamheden.</al></li></lijst><al>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</al><al>Artikel 12.0.0.1 (Q) Inleiding</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de
                        organisaties van overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen
                        belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
                        regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd; een en ander
                        voor zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd. Bedoeld
                        overleg vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.). Zie in dit verband
                        ook bij “Lokale regelingen” het Protocol voor Lokale
                        Arbeidsvoorwaardenoverleg inzake de totstandkoming van een gemeentelijke
                        pakket arbeidsvoorwaarden, en de Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap. </al><al>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</al><al>Lid 1</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                                georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b."><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de collectieve
                                arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op
                                basis van een arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c."><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende groeperingen van
                                de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij
                                de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het
                                College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                Gemeenten.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de
                        toegelaten organisaties.</al><al>Lid 3</al><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van
                        Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en
                        Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere
                        Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) ,
                        dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze
                        centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                        worden.</al><al>Lid 4</al><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de
                        commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of
                        NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden
                        ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO
                        FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling
                        van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het
                        aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende
                        bepalingen.</al><al>Lid 5</al><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden
                        indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek
                        wordt in het georganiseerd overleg besproken.</al><al>Lid 6</al><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen
                        hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief
                        geacht worden.</al><al>Artikel 12:1:1 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld
                        in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer
                        vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij
                        elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van
                        hen die ophouden lid van het college te zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie,
                        bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing
                        geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren
                        tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van
                        een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                        organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                        bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al><al>Artikel 12.1.1.0 Samenstelling</al><al>Het minimum aantal ambtenaren zoals bedoeld in lid 2 van artikel 12:1:1 is
                        gesteld op 10.</al><al>Artikel 12:1:2 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel
                        12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal der op 1 januari
                        van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al><al>Lid 2</al><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                        aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of
                        geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan het
                        college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of
                        plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk
                        een opvolger aangewezen.</al><al>Artikel 12:1:3 Samenstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al><al>Lid 2</al><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging
                        van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens
                        plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het
                        secretariaat ter beschikking.</al><al>Lid 3</al><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</al><al>Lid 1</al><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot
                        overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het
                        college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval
                        het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg
                        waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan
                        de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang
                        voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                        volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                        overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het
                        College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de
                        centrales van overheidspersoneel.</al><al>Lid 2</al><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al>Lid 3</al><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet
                        worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.</al><al>Artikel 12.2.1.0 Taak en bevoegdheden</al><al>Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke verplichtingen
                        schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele ambtenaren
                        rechten kunnen ontlenen vindt niet plaats dan nadat daarover overeenstemming
                        is bereikt met de centrales van overheidspersoneel.</al><al>Artikel 12.2.1.1 Reorganisatie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie voert overleg over invoering en wijziging van de Leidraad bij
                        Organisatieveranderingen. Deze leidraad is een regeling als bedoeld in
                        artikel 12.2.1.0.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie voert overleg over aspecten van werkgelegenheid verband
                        houdende met een reorganisatie, met inbegrip van een eventuele termijn
                        verbonden aan de herschikkingsstatus van de bij de reorganisatie betrokken
                        ambtenaren. Op het overleg over de lengte van deze termijn is artikel
                        12.2.1.0 van toepassing.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien een reorganisatie ingrijpend is, wordt de commissie door het college
                        geïnformeerd. Ook tijdens het verloop van het veranderingsproces wordt de
                        commissie regelmatig actief geïnformeerd.</al><al>Artikel 12.2.1.2 Privatisering</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie voert overleg over invoering en wijziging van de Leidraad bij
                        Privatisering. Deze leidraad is een regeling als bedoeld in artikel
                        12.2.1.0. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie voert overleg over een proces van privatisering op basis van de
                        in het voorgaande lid bedoelde leidraad. Op het overleg over het in verband
                        daarmee vast te stellen sociaal plan is artikel 12.2.1.0 van
                        toepassing.</al><al>Artikel 12.2.1.3 Convenant</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In verband net het bepaalde in artikel 27 lid 3, juncto artikel 32 van de
                        Wet op de Ondernemingsraden, dient de verdeling van bevoegdheden tussen de
                        commissie en de organen van medezeggenschap als bedoeld in de Wet op de
                        Ondernemingsraden nader te worden geregeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De in het voorgaande lid bedoelde regeling wordt vastgelegd in een convenant
                        tussen de organisaties en het college. Met betrekking tot de inhoud van de
                        regeling dient de ondernemingsraad van advies.</al><al>Artikel 12.2.1.4 Lokaal Akkoord Arbeidsvoorwaarden</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het finale overleg over het "Lokaal Akkoord Arbeidsvoorwaarden" wordt
                        gevoerd in de commissie. De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn daarbij
                        onverkort van toepassing.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De wijze waarop het overleg over het "Lokaal Akkoord Arbeidsvoorwaarden"
                        wordt gevoerd, wordt geregeld in het 'protocol voor lokale
                        arbeidsvoorwaardenoverleg inzake de totstandkoming van een gemeentelijk
                        pakket arbeidsvoorwaarden'. Op dit protocol is artikel 12.2.1.0 van
                        toepassing.</al><al>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd
                        aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen
                        te doen aan het college.</al><al>Lid 2</al><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid
                        van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort
                        het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het
                        voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.</al><al>Lid 3</al><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de
                        commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties
                        en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.</al><al>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</al><al>Lid 1</al><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te
                        wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald
                        onderwerp nodig wordt geacht.</al><al>Lid 2</al><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij
                        kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel
                        12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem
                        te bepalen tijdstippen.</al><al>Lid 2</al><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van
                        de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel
                        uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.</al><al>Artikel 12.2.4.1 Schriftelijke afhandeling</al><al>In aanvulling op artikel 12:2:4 is in de gemeente Nijmegen het volgende
                        bepaald: De voorzitter is bevoegd onderwerpen, welke naar zijn oordeel geen
                        mondelinge bespreking vereisen, dan wel in geval van spoed, schriftelijk te
                        doen afhandelen. </al><al>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering
                        opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen
                        onderwerpen.</al><al>Lid 2</al><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties
                        is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                        plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                        gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd.</al><al>Lid 3</al><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering
                        niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de
                        voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe
                        vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                        behandeld.</al><al>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
                        zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al>Lid 2</al><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering
                        laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.</al><al>Lid 3</al><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door
                        een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn
                        voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een
                        doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in
                        eigen kring te onderwerpen.</al><al>Lid 4</al><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de
                        inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze
                        geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad,
                        alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende
                        organisaties.</al><al>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                        tijd.</al><al>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</al><al>Lid 1</al><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging,
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.</al><al>Lid 2</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door
                        hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij
                        staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</al><al>Lid 3</al><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door
                        stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie
                        zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten
                        op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een
                        organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                        stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij
                        staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben
                        gestemd.</al><al>Lid 4</al><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt
                        voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op
                        dat tijdstip.</al><al>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
                        in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn
                        slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies-
                        en arbitragecommissie.</al><al>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd
                                in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie
                                ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van
                        toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2,
                        eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van
                        ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
                        instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
                        oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
                        overleg.</al><al>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de
                        voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg.
                        De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is
                        uitgeschreven.</al><al>Lid 2</al><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het
                        overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering
                        nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de
                        inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden
                        gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                        ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping
                        van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al><al>Lid 3</al><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging
                        van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties,
                        als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.</al><al>Lid 4</al><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist
                        tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten
                        organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde
                        in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Lid 1</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het
                        verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het
                        overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat
                        ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                        vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen
                        alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud
                        van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie
                        op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                        eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie.</al><al>Lid 2</al><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het
                        verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle
                        deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
                                en inhoud van het geschil.</al></li></lijst><al>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Collectieve acties gemeenten</al><al>Artikel 1 Voorwoord</al><al>Zoals u bekend zal zijn is het stakingsrecht voor personeel in dienst van de
                        overheid nog steeds niet wettelijk geregeld, ondanks de ratificatie door
                        Nederland van het Europees Sociaal Handvest waarin ten principale het recht
                        op collectieve acties in geval van belangengeschillen wordt erkend. In feite
                        wordt de beantwoording van de vraag of een collectieve actie rechtmatig is
                        aan de civiele c.q. de administratieve rechter overgelaten, die bij gemis
                        aan een wettelijke regeling toetst aan algemene rechtsbeginselen. Uit een
                        aantal recente uitspraken kan de conclusie worden getrokken dat collectieve
                        acties in beginsel als rechtmatig kunnen worden beschouwd, mits aan een
                        aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo dient het middel van de staking slechts
                        gehanteerd te worden als er geen andere middelen meer openstaan, het
                        zogenaamde 'ultimum remedium'. Verder moeten de door de staking gediende
                        belangen opwegen tegen de door de staking aan de overheid en derden
                        toegebrachte schade, waarbij in deze afweging uiteraard de vraag een rol
                        speelt in welke mate de rechtspositie van het overheidspersoneel wordt
                        bedreigt, alsmede de vraag in hoeverre van de zijde van het personeel en hun
                        organisaties maatregelen zijn getroffen om de uit de acties voortvloeiende
                        schade zoveel mogelijk te beperken. Ook het tijdstip van aankondigen van de
                        acties en de mogelijkheid nog tijdig maatregelen te treffen, spelen een
                        belangrijke rol. Gelet op de aard van de recente gerechtelijke uitspraken,
                        en in navolging van de rijksoverheid, hebben wij besloten de rechtmatigheid
                        van collectieve acties van personeel in dienst van de gemeente Nijmegen -
                        mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan - als gegeven te accepteren.
                        Daarnaast zijn wij ons terdege bewust van de noodzaak over concrete
                        richtlijnen en instructies te kunnen beschikken in verband met de vraag hoe
                        gehandeld dient te worden bij (dreigende) acties mede gezien in het licht
                        van de meest recente ontwikkelingen.</al><al>Wij hebben daarom de volgende regelingen opgesteld. Wij wijzen U er nog op
                        dat het door of vanwege ons College verlenen van medewerking aan het in
                        goede banen leiden van acties c.q. het beperken van de schade daarvan, niet
                        impliceert dat wij de rechtmatigheid van de desbetreffende actie erkennen.
                        Wij behouden ons uitdrukkelijk het recht voor om in die gevallen waarin een
                        actie door ons College als evident-onrechtmatig wordt beschouwd, zonodig een
                        gerechtelijke voorziening te vragen. Bovendien zullen de organiserende
                        vakorganisaties altijd door ons College aansprakelijk kunnen worden gesteld
                        voor de door de gemeente geleden schade. Daarenboven zal elke (voorgenomen)
                        actie worden beoordeeld tegen de achtergrond van de specifieke
                        omstandigheden; afwijking van het gestelde in de hierna volgende regeling is
                        dus - indien de omstandigheden naar het oordeel van ons College daartoe
                        noodzaken - in principe mogelijk, echter niet eerder dan na overleg met het
                        betrokken hoofd van dienst. Tot slot delen wij U nog mede dat wij U tijdig
                        zullen informeren over de inwerkingtreding van een wettelijke regeling
                        m.b.t. het stakingsrecht en de als gevolg daarvan noodzakelijke wijzigingen
                        in richtlijnen en instructies.</al><al>Artikel 2 Richtlijnen en instructies met betrekking tot (voorgenomen)
                        collectieve acties van gemeentepersoneel</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onder een collectieve actie wordt verstaan:</al><lijst><li nr="§"><al><vet>werkstaking</vet>: het collectief en volledig neerleggen van de
                                arbeid voor een dag of langer;</al></li><li nr="§"><al><vet>werkonderbreking</vet>: het collectief neerleggen van de arbeid
                                voor een gedeelte van de dag;</al></li><li nr="§"><al><vet>stiptheidsactie</vet>: het collectief verrichten van (alle)
                                werkzaamheden naar de letter van instructie en opdracht;</al></li><li nr="§"><al><vet>'wilde' staking</vet>: het collectief neerleggen van de arbeid
                                buiten verantwoordelijkheid en medewerking van de erkende
                                vakorganisaties.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zodra een mogelijke collectieve actie wordt vermoed, dient dit door het
                        betrokken hoofd van dienst onmiddellijk aan het college, in casu de
                        portefeuillehouder personeelsbeleid, te worden gemeld. Van de
                        vakorganisaties wordt verwacht dat zij het hoofd van dienst/het college
                        tijdig, en in ieder geval in een zo vroeg mogelijk stadium, informeren over
                        op handen zijnde collectieve acties, uiteraard alleen voorzover deze
                        plaatsvinden onder verantwoordelijkheid en medewerking van de erkende
                        vakorganisaties.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Er zal onmiddellijk met de verantwoordelijke vakorganisaties overleg worden
                        gepleegd teneinde zoveel mogelijk inzicht te krijgen in/afspraken te maken
                        over ondermeer:</al><lijst><li nr="§"><al>de omvang van de collectieve actie (welke categorie personeel, welke
                                functies/werkzaamheden);</al></li><li nr="§"><al>de mogelijkheid en bereidheid van de vakorganisaties om met name
                                genoemde maatregelen te nemen teneinde de schade voor overheid en
                                derden zoveel mogelijk te beperken, onder andere door de bemanning
                                van vitale functies en het beschikbaar houden van personeel in
                                verband met optreden bij mogelijke calamiteiten. Het hoofd van
                                dienst dient overigens het college een nominatieve opgave te
                                verstrekken van de functies welke bemand zullen moeten blijven om de
                                minimaal-noodzakelijke werkzaamheden in het belang van veiligheid,
                                openbare orde en volksgezondheid uit te kunnen voeren;</al></li><li nr="§"><al>welke vakbondsleden met de organisatie van de actie worden
                                belast;</al></li><li nr="§"><al>de houding ten opzichte van werkwilligen;</al></li><li nr="§"><al>onderwerpen van organisatorische aard als de communicatie tussen
                                gemeentebestuur en stakingsleiding e.d.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Deelnemers aan werkstakingen en werkonderbrekingen dienen voor de duur van
                        de staking c.q. onderbreking vakantieverlof aan te vragen. Vakbondsleden
                        belast met de organisatie van de staking of werkonderbreking genieten
                        buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op basis van artikel 6:4:2,
                        derde lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. In
                        beide situaties geldt uiteraard het voorbehoud: 'voor zover het dienstbelang
                        zulks toelaat' (zie ook punt 2 voor wat betreft de bemanning van vitale
                        functies). Indien het aantal vakantiedagen niet meer toereikend is, dan wel
                        indien betrokkenen zulks wenst in plaats van op te nemen verlof, zal op
                        grond van artikel 3:1:1, vierde lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling
                        Gemeente Nijmegen over de tijd gedurende welke niet werd gewerkt, de
                        bezoldiging niet worden doorbetaald. Het werkgeversaandeel in de IZA- en
                        pensioenpremie blijft voor rekening van de gemeente. Bij acties van korte
                        duur kan het college beslissen, dat de verzuimde uren ingehaald mogen
                        worden. Aangezien het voor de uitvoering van het hierboven staande
                        essentieel is onderscheid te maken tussen hen die aan de staking hebben
                        deelgenomen en hen die als werkwillige kunnen worden beschouwd, danwel
                        afwezig waren wegens ziekte of op grond van vakantieverlof, zal er in geval
                        van een collectieve actie tussen het college c.q. de portefeuillehouder
                        personeelsbeleid enerzijds, en het betrokken hoofd van dienst anderzijds,
                        een afspraak moeten worden gemaakt over de wijze waarop - gelet op de
                        specifieke omstandigheden - een dergelijk inzicht kan worden verkregen. Dit
                        overleg dient op een zo vroeg mogelijk tijdstip plaats te vinden. Na afloop
                        van de actie kunnen deelnemers dan aangeven hoe de niet-gewerkte tijd
                        verrekend moet worden (afschrijven van verlofdagen of inhouding op de
                        bezoldiging). De verkregen gegevens zullen niet in het persoonsdossier
                        worden opgenomen en binnen twee maanden na afloop van de actie worden
                        vernietigd. Ten aanzien van een 'wilde staking' zal voor zoveel mogelijk op
                        dezelfde wijze worden gehandeld.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Personeelsleden die zich als werkwillige wensen te beschouwen dienen zich
                        tijdens de actie op hun werkplek te melden, of - indien dat niet mogelijk is
                        - op een andere door het hoofd van dienst tijdig bekend gemaakte plaats.
                        Indien nodig kunnen andere dan de normaal te verrichten werkzaamheden worden
                        opgedragen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor tegen deelnemers aan
                        'wilde stakingen' disciplinaire maatregelen te nemen als bedoeld in
                        hoofdstuk 13 en zonodig artikel 8:12 van de Arbeidsvoorwaardenregeling
                        Gemeente Nijmegen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>In geval van acties bij het openbaar vervoer wordt van het
                        gemeentepersoneel, dat niet aan de actie deelneemt, het volgende verwacht:
                        zij die in Nijmegen woonachtig zijn, alsmede zij die buiten Nijmegen
                        woonachtig zijn en voor het woon-/werkverkeer onder 'normale' omstandigheden
                        geen gebruik maken van het openbaar vervoer, dienen tijdig op hun werk te
                        verschijnen. Voor hen die buiten Nijmegen woonachtig zijn en bovendien zijn
                        aangewezen op openbaar vervoer kan een uitzondering worden gemaakt,
                        afhankelijk van de omstandigheden (onder andere tijdstip van aankondiging
                        van actie, mogelijkheid tot car-pooling en dergelijke). Eventueel kunnen
                        oplossingen worden gezocht in de sfeer van thuiswerken, inhalen of iets
                        dergelijke. In het algemeen kan worden gesteld, dat deze moeilijkheden op
                        een zo laag mogelijk niveau dienen te worden opgelost via overleg tussen
                        betrokkenen en directe chefs.</al><al>Artikel 3 Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 22 november 1983
                        aan alle personeelsleden van de gemeente</al><al>Momenteel vinden er op meerdere plaatsen stakingen en andere acties van
                        personeelsleden in dienst bij de overheid plaats of worden voorbereid.
                        Hierbij doen zich verschillende vormen van acties voor zoals stakingen,
                        werkonderbrekingen, (gedeeltelijke) werkweigering, stiptheidsacties en
                        dergelijke. Deze acties zijn gericht tegen het arbeidsvoorwaardenbeleid van
                        de regering. Wij hebben gemerkt, dat er onder u vragen bestaan over de
                        gevolgen voor ambtenaren van deze gemeente bij deelname aan bedoelde acties.
                        Voor de duidelijkheid volgt daarom hieronder informatie over een aantal
                        'spelregels' en mogelijke gevolgen bij deelname aan acties.</al><al>Deze spelregels hebben echter een algemeen karakter en zijn niet speciaal
                        opgesteld in verband met de op dit moment plaatsvindende acties. Afhankelijk
                        van de concrete situatie kan daarvan worden afgeweken. Op 12 oktober 1983 is
                        uw hoofd van dienst reeds schriftelijk geïnformeerd over de hiernavolgende
                        regels; aangezien het een zaak is waarbij elk personeelslid in principe is
                        betrokken, hebben wij nu gekozen voor informatieverstrekking op ruimere
                        schaal. Deze mededelingen zijn alleen bedoeld ter informatie in uw eigen
                        belang.</al><al><vet>Verlenen van verlof</vet></al><al>Voor het deelnemen aan acties, zoals het bijwonen van manifestaties moet
                        vrijwel altijd verlof worden opgenomen. Bij acties van korte duur kunnen
                        deelnemers in de gelegenheid worden gesteld de verzuimde uren in te halen,
                        danwel via de klokkaart te verrekenen. Wij hebben er geen bezwaar tegen dat
                        aanvragen voor verlof met dit doel worden ingewilligd voor zover het belang
                        van de dienst het toelaat.</al><al><vet>Inhouding bezoldiging</vet></al><al>Indien door deelname aan acties niet wordt voldaan aan de verplichting tot
                        werken wordt, indien het aantal vakantiedagen niet meer toereikend is, de
                        bezoldiging voor de verzuimde werktijd inhouden. Het werkgeversaandeel in de
                        IZA- en pensioenpremie wordt in principe niet op de deelnemers aan acties
                        verhaald. De bezoldiging van werkwilligen, die als gevolg van acties hun
                        normale werkzaamheden niet kunnen verrichten, wordt normaal
                        doorbetaald.</al><al><vet>Registratie werkwilligen</vet></al><al>Om te voorkomen dat bezoldiging wordt ingehouden, dienen werkwilligen zich
                        als zodanig te later registreren indien zij door acties niet aan de
                        verplichting tot werken kunnen voldoen. Ieder, die niet geregistreerd is,
                        wordt geacht aan de actie deel te nemen, tenzij hij of zij ten tijde van de
                        actie vrij of (buitengewoon) verlof heeft of ziek gemeld is. Registratie
                        dient te geschieden op een zodanig tijdstip en een zodanige wijze dat een
                        juist inzicht wordt verkregen in de vraag wie als werkwillige wenst te
                        worden beschouwd. Over tijdstip en wijze van registratie zult u in geval van
                        een concrete actie tijdig worden geïnformeerd. De gegevens uit de
                        registratie worden uitsluitend gebruikt om te bepalen of al dan niet
                        uitbetaling van bezoldiging zal plaatsvinden c.q. verlof moet worden
                        opgenomen. De gegevens mogen niet in de personeelsdossiers worden opgenomen.
                        Van werkwilligen kan verlangd worden dat zij tijdens de normale werkuren op
                        een door het diensthoofd aangewezen plaats aanwezig zijn.</al><al><vet>Positie ongeorganiseerden</vet></al><al>Wellicht ten overvloede wijzen wij erop, dat georganiseerde leden van de
                        erkende vakorganisaties bij deelname aan acties meestal kunnen rekenen op
                        een bijdrage uit de stakingskassen (mits uiteraard de vakorganisaties achter
                        de actie staan). Voor ongeorganiseerden, die deelnemen aan (staking-)acties,
                        geldt dat niet; zij lopen het risico voor de duur van de actie in het geheel
                        geen salaris te ontvangen en aansprakelijk gesteld te worden voor eventueel
                        veroorzaakte schade.</al><al><vet>Disciplinaire maatregelen</vet></al><al>Wij zullen in principe deelname aan een collectieve actie niet aanmerken als
                        plichtsverzuim. Dit houdt in dat wij in dat geval geen straf zullen
                        opleggen. (Wel wordt dus de bezoldiging ingehouden c.q. vindt verrekening
                        via het vakantieverlof plaats.) Bij sommige actievormen - te denken valt
                        daarbij aan zogenaamde 'wilde stakingen' - zullen wij moeten bepalen of
                        sprake is van plichtsverzuim. Alleen bij plichtsverzuim zullen wij naast
                        inhouding van bezoldiging ook strafoplegging overwegen. In het algemeen kan
                        gesteld worden dat het risico voor disciplinaire maatregelen veel minder is
                        als erkende vakorganisatie(s) zich achter de actie hebben gesteld en het
                        niet om zogenaamde 'vitale' functies gaat.</al><al><vet>Gebruik gemeentelijk materieel</vet></al><al>Gebruik van gemeentelijk materieel als bedrijfswagens, gereedschappen en
                        dergelijke is buiten de gemeentegrenzen zonder meer niet toegestaan. Gebruik
                        binnen de gemeentegrenzen is alleen toegestaan als wij tevoren daartoe
                        toestemming hebben verleend. Belangrijk daarbij is of te voren afspraken
                        gemaakt zijn over aspecten van verzekering en aansprakelijkheid.</al><al><vet>Aansprakelijkheid voor schade</vet></al><al>Ieder is verantwoordelijk voor de door hem/haar veroorzaakte schade aan
                        gemeentematerieel en (materiaal van) derden. Indien de actie wordt gesteund
                        door een erkende vakorganisatie zal die organisatie daarnaast aansprakelijk
                        voor schade worden gesteld.</al><al><vet>Afspraken met vakorganisaties</vet></al><al>Ten behoeve van een verantwoorde afweging van belangen en een aanvaardbaar
                        verloop van de acties voeren wij regelmatig overleg met de organiserende
                        vakorganisaties. Dit betreft overleg over tijdige melding, aanwijzing van
                        vitale functies en werkzaamheden, gebruik van gemeentelijk materieel,
                        communicatie tussen bestuur, dienstleiding en vakorganisaties en dergelijke.
                        Voor eventuele individuele gevolgen is van groot belang of vakorganisaties
                        de acties steunen en welke afspraken met die organisaties zijn gemaakt. Het
                        is daarom in uw belang om bij het voeren van en deelnemen aan acties tevoren
                        overleg te hebben met (vertegenwoordigers van) die vakorganisaties. Dit
                        kunnen zijn de leden van de medezeggenschapscommissie van uw dienst of de
                        leiding van de plaatselijke organisaties. In geval van 'wilde' acties (niet
                        gesteund door erkende vakorganisaties) zullen wij trachten zoveel mogelijk
                        overleg te hebben met de actieleiding. Dergelijke acties erkennen wij echter
                        onder geen beding!</al><al><vet>Tenslotte</vet></al><al>Als werkgever streven wij naar een goede verstandhouding met onze
                        medewerk(st)ers; als gemeentebestuur moeten wij echter ook de belangen van
                        de burgerij en dus een goede dienstverlening behartigen. Wij streven daarom
                        naar een handelwijze, waarbij het verloop van acties zodanig zal zijn, dat
                        de risico's voor de openbare veiligheid en persoonlijk welzijn worden
                        vermeden. Daarnaast proberen wij bij afweging van belangen de
                        dienstverlening voorzover mogelijk in stand te houden. Wij verzoeken hieraan
                        mede te werken zowel in uw belang als dat van de gemeente. Wij vertrouwen
                        erop u met deze informatie van dienst te zijn geweest en verzoeken u met het
                        vermelde rekening te houden.</al><al>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</al><al>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Lid 1</al><al>Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1: De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
                        overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.</al><al>Lid 2</al><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de
                        bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                        verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de
                        bepalingen van deze regeling.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit
                        het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van
                        individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                        vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al><al>Lid 4</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                        artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid,
                        11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24
                        en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus
                        1993.</al><al>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige dienstverband
                        heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1 januari 1997 naar
                        rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
                        het aantal uren van het dienstverband per 31 december 1996 en dit verzoek
                        niet is afgewezen.</al><al>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de
                        artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,
                        terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al>14 Medezeggenschap</al><al>Artikel 14.0.0.1 Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap</al><al>In aanvulling op Hoofdstuk 14 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen”
                        de Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap voor de gemeente Nijmegen. </al><al>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
                        het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                        zittingstermijnen.</al><al>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                        ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen
                        daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad
                        in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
                        personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de
                        WOR.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap</al><al>Artikel 1 Overlegstructuur</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Er is een <vet>commissie voor Georganiseerd Overleg</vet>, verder te noemen
                        GO; een <vet>ondernemingsraad</vet> en door de OR ingestelde
                            <vet>onderdeelcommissies.</vet></al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Er is een SBO dat bestaat uit maximaal uit 12 vakbondsleden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De personeelsafvaardiging uit de SBO in het GO bestaat uit 4 leden: twee
                        leden van de Abvakabo-FNV en twee leden van de CNV-Publieke Zaak.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Aan de SBO zijn als adviseur de regiobestuurders van beide bonden
                        verbonden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De regiobestuurders van de bonden nemen formeel deel aan het GO.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De OR heefi in afwijking van de wet (WOR) 11 zetels.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De OR wordt gekozen door de kiesgerechtigde medewerkers conform het bepaalde
                        in het OR-reglement, dat aangeeft dat er een afgevaardigde per directie
                        gekozen wordt naast leden rechtstreeks uit en door de gehele
                        organisatie.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Een Onderdeelcommissies bestaat uit rechtstreeks gekozen leden en een lid
                        van de OR (bij voorkeur het door de kiesgroep van een directie in de OR
                        gekozen lid).</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>De onderdeelcommissies worden ingesteld door de Ondernemingsraad voor de
                        diverse directies.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Het aantal gekozen commissieleden bedraagt voor de Directie Stadsbedrijven 7
                        leden, de Directie Inwoners 7 leden, de Directie Grondgebied 7 leden, de
                        Brandweer 3 leden, de Directie Wijk en Stad 3 leden en de directie Concern 3
                        leden.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>De in lid 10 genoemde leden worden via aparte verkiezingen conform het
                        bepaalde in het OR-reglement gekozen binnen twee weken na de
                        OR-verkiezing.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>De OR heeft de mogelijkheid leden het aantal leden van een
                        onderdeelcommissie uit te breiden, indien dit voor de medezeggenschap van
                        een onderdeel beter is. Dit geschiedt in overeenstemming met de directeur
                        van de betreffende directie (onderdeelcommissie). Er wordt geen extra budget
                        beschilcbaar gesteld voor uitbreiding van de onderdeelcommissies.</al><al>Artikel 2 Verdeling bevoegdheden met betrekking tot instemming</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor wat betreft de instemmingbevoegdheid is er sprake van een enkelvoudige
                        bevoegdheid. Dit betekent dat voor ieder onderwerp slechts een
                        medezeggenschapsorgaan bevoegd is instemming te geven.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Waar aspecten spelen, die onder de competentie van meerdere organen vallen,
                        kunnen deze deelaspecten bij zowel het Georganiseerd Overleg als de
                        Ondememingsraad besproken worden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In principe worden de onderwerpen die in de Arbeidsvoorwaardenregeling
                        Gemeente Nijmegen of in de landelijke of lokale CAO geregeld zijn of worden,
                        voorgelegd aan het Georganiseerd Overleg.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien niet geheel duidelijk is waar een onderwerp thuis hoort, wordt dit
                        besproken met een afvaardiging van de bestuurder, van de SBO en van de
                        OR.</al><al>Artikel 3 Bevoegdheden commissie voor Georganiseerd Overleg</al><al>Onder het overeenstemmingvereiste vallen de onderwerpen die opgenomen zijn
                        in de landelijke of lokale CAO en die opgenomen zijn of worden in de
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. Van adviesrecht is sprake bij
                        werkgelegenheidsbeleid, verzelfstandiging van onderdelen en algemeen
                        personeelsbeleid. In bijlage 2 staan de onderwerpen, die in het GO besproken
                        worden in het kader van het overeenstemmingvereiste het adviesrecht.</al><al>Artikel 4 Bevoegdheden Ondernemingsraad</al><al>In de Wet op de Ondernemingsraden, artikel 27 staan de onderwerpen
                        geformuleerd waarvoor het instemmingsrecht van de Ondernemingsraad geldt.
                        Indien in de CAO of het Georganiseerd Overleg al overeenstemming bereikt is
                        over een in de wet genoemd onderwerp, wordt dit onderwerp niet meer ter
                        instemming aan de OR voorgelegd. In aanvulling op de WOR heeft de OR ook
                        instemmingsrecht met betrekking tot het personeelsplan bij een
                        organisatiewijziging. Onder het adviesrecht vallen de in de wet (artikel 25)
                        genoemde onderwerpen. In bijlage 2 staan de onderwerpen, die in de OR
                        besproken worden in het kader van de instemmingvereiste of het
                        adviesrecht.</al><al>Artikel 5 Bevoegdheden OC</al><al>In de Wet op de Ondernemingsraden, artikel 27 staan de onderwerpen
                        geformuleerd waarvoor de instemmingsrecht van de Ondernemingsraad geldt.
                        Deze gelden voor de onderdeelcommissie in plaats van de OR voor zover een
                        onderwerp slechts een directie betreft. Indien in de CAO of het
                        Georganiseerd Overleg al overeenstemming bereikt is over een in de wet
                        genoemd onderwerp, wordt dit onderwerp niet meer ter instemming aan de OR of
                        OC voorgelegd. Onder het adviesrecht vallen de in de wet (artikel 25)
                        genoemde onderwerpen, voor zover het een directie betreft. In bijlage 1
                        staan de onderwerpen nader gespecificeerd (maar wel in grote lijn), die in
                        de OC besproken worden in het kader van de instemmingvereiste of het
                        adviesrecht.</al><al>Artikel 6 Informatierecht</al><al>Ter uitvoering van het bepaalde in de wet verstrekt de ondernemer, mede ter
                        bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste
                        eenmaal per jaar aan de OR mondeling of schriftelijk alle gegevens omtrent
                        de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming in het verstreken
                        tijdvak, in het bijzonder met betrekking tot de aangelegenheden van WOR
                        artikel 25 (adviesrechtonderwerpen). Tevens doet de ondernemer tenminste
                        eenmaal per jaar mededeling over de verwachtingen van werkzaamheden en
                        resultaten in het komend tijdvak. Onverminderd het bepaalde in WOR artikel
                        25, verstrekt de ondernemer informatie over:</al><lijst><li nr="1."><al>voorgenomen besluiten van de ondernemer die directe of indirecte
                                personele gevolgen kunnen hebben; </al></li><li nr="2."><al> ambtelijke voorstellen die directe of indirecte personele gevolgen
                                kunnen hebben; </al></li><li nr="3."><al> voorstellen tot aanpassing en wijziging van het personeelsbeleid /
                                sociaal beleid; </al></li><li nr="4."><al> per jaar de belangrijkste kengetallen: formatie vast/tijdelijk,
                                inhuur, vacaturegegevens, doorstroom, uitstroom, fiexibel belonen,
                                gratificaties, ziekteverzuim; </al></li><li nr="5."><al> jaarverslag, jaarrekening inclusief sociaal jaarverslag en
                                arbojaarverslag.</al></li><li nr="6."><al>adviezen van de Arbo-dienst; </al></li><li nr="7."><al> het (concept) directie-/dienst-/afdelingsplan inclusief
                                ARBO-jaarplan;</al></li></lijst><al>Over genoemde onderwerpen 1, 2 en 3 wordt ook het GO geïnformeerd.</al><al>Artikel 7 Uren Georganiseerd Overleg / Samenwerkende Bonden
                        Overheidspersoneel</al><al>Leden SBO die in het GO zitting hebben: Voor het dagelijks bestuur
                        (voorzitter en secretaris) staat 180 uur per jaar per persoon ter
                        beschikking. Voor de twee overige SBO/GO-leden staat per lid per jaar 86 uur
                        ter beschikking, uitgaande van 6 vergaderingen, 4 overlegvergaderingen,
                        scholing en overleg met de achterban. Afdelingen zorgen zelf voor vrij
                        roostering van de leden voor de vergaderuren. Uren dienen in de taakplannen
                        van de medewerkers opgenomen te worden (gewoon werk / officiele taak). De
                        medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst zijn
                        vastgelegd.</al><al>Leden SBO die geen zitting in het GO hebben: Deze leden krijgen gelegenheid
                        van de afdeling waar ze werken de SBO-vergaderingen (ongeveer 6 per jaar) te
                        bezoeken. Afdelingen zorgen zelf voor vrij roostering van de leden voor deze
                        uren. Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden
                        (werktaak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst
                        zijn vastgelegd. De uren worden niet centraal gecompenseerd, maar komen ten
                        laste van de directie.</al><al>Artikel 8 Uren Ondernemingsraad</al><lijst><li nr="§"><al>Voor de voorzitter staat per jaar 440 uur ter beschikking. </al></li><li nr="§"><al>Voor de twee vicevoorzitters staat per jaar per persoon 320 uur ter
                                beschikking. </al></li><li nr="§"><al>Voor de gewone OR-leden staat per jaar per persoon 200 uur ter
                                beschikking.</al></li><li nr="§"><al> Voor de OR-leden die tevens afgevaardigd zijn naar een OC staan per
                                jaar 150 uur ter beschikldng (naast OC-uren).</al></li></lijst><al>Afdelingen zorgen zelf voor vrij roostering van de leden voor deze uren.
                        Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden (gewoon
                        werk / officiele taak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze
                        overeenkomst zijn vastgelegd.</al><al>Artikel 9 Uren Onderdeelcommissie</al><lijst><li nr="§"><al>Voor de voorzitter van een onderdeelcommissie staat per jaar 23 6
                                uur ter beschikking. </al></li><li nr="§"><al> Voor de vicevoorzitter van de drie grote directies (DIW, DGG en
                                DSB) staat per jaar 196 uur ter beschikking. </al></li><li nr="§"><al> Voor de OC-leden staat per jaar per persoon 116 uur ter
                                beschikking. </al></li><li nr="§"><al> Mocht er sprake zijn van een situatie waarin een tijdelijke
                                uitbreiding van uren wenselijk of noodzakelijk is (bijvoorbeeld bij
                                een omvangrijk advies- of instemmingtraject), dan kan in overleg met
                                en na goedkeuring van de bestuurder hiertoe worden besloten.</al></li></lijst><al>Afdelingen zorgen zelf voor vrij roostering van de leden voor deze uren.
                        Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden
                        (werktaak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst
                        zijn vastgelegd.</al><al>Artikel 10 Scholing</al><al>Een OR-lid heeft, buiten de in artikel 3 en 4 genoemde uren, recht op 36 uur
                        scholing per jaar en een OC-lid 22 uur. Afdelingen zorgen zelf voor vrij
                        roostering van de leden voor de scholingsuren. Uren dienen in de taakplannen
                        van de medewerkers opgenomen te worden. De medewerkers hebben recht op de
                        uren die in deze overeenkomst zijn vastgelegd.</al><al>Artikel 11 Inhuur deskundigheid</al><al>Ieder orgaan heeft volgens de wet recht op exteme adviezen die door het
                        concern / de directie betaald worden, mits deze vooraf hiervan in kennis is
                        gesteld. De medezeggenschap zal hier al naargelang behoefte in overleg met
                        de bestuurder gebruik van maken. Er wordt altijd eerst gekeken of er interne
                        deskundigen zijn die de medezeggenschap kunnen ondersteunen.</al><al>Artikel 12 Overige faciliteiten</al><al>Alle kantoorbenodigdheden, kopieerwerk, vergaderfaciliteiten en werkplekken
                        voor de ambtelijke ondersteuning komen voor rekening van de directie van het
                        ondersteunde medezeggenschapsorgaan. Eventuele overige facilitaire
                        voorzieningen voor het medezeggenschapsorgaan worden vastgesteld in overleg
                        tussen de OR en de bestuurder.</al><al>Artikel 13 Budget faciliteiten</al><al>Het direct besteedbare budget van de medezeggenschap en de SBO is
                        geprognosticeerd op € 16.000 voor secretariele faciliteiten als
                        abonnementen, documentatiemateriaal, kopieerkosten, drukwerk, representatie,
                        e.d. Het bedrag wordt jaarlijks geindexeerd. Overdragen van budgetten naar
                        volgende jaren is conform BBV niet toegestaan. Budgethouder is de voorzitter
                        van de OR. Uitgaven voor de OR en SBO gaan in overleg tussen de beide
                        voorzitters. De budgethouder legt jaarlijks verantwoording af aan de
                        gemeentesecretaris. Het Bureau Ondersteuning Medezeggenschap zorgt voor
                        financiële secretariële ondersteuning: aanmaken verplichtingen,
                        prestatieverklaringen. Voor scholing en inhuur deskundigen kan conform de
                        wet een beroep gedaan worden op budgetten die bij de werkgever zijn belegd
                        (in 2011 € 37.000 beschikbaar).</al><al>Artikel 14 Afwijken</al><al>Afwijkingen in het faciliteitenbudget kunnen plaatsvinden conform 16 van de
                        WOR als er overeenstemming bereikt is tussen het medezeggenschapsorgaan en
                        de bestuurder.</al><al>Artikel 15 Ambtelijke ondersteuning</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtelijke ondersteuning van de medezeggenschap en de SBO vindt plaats
                        door medewerkers die zijn ondergebracht in een bureau (Bureau Ondersteuning
                        Medezeggenschap) dat functioneel aangestuurd wordt door het
                        bureauhoofd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De formatie van het bureau bedraagt 4,8 plaatsen:</al><lijst><li nr="§"><al>er is 1 formatieplaats beschikbaar voor inhoudelijke advisering en
                                coördinatie van het bureau; </al></li><li nr="§"><al>er is 1 formatieplaats beschikbaar voor
                                communicatieactiviteiten;</al></li><li nr="§"><al> er zijn 2,8 formatieplaatsen beschikbaar voor secretariële
                                ondersteuning van de medezeggenschapsorganen en de SBO.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ieder orgaan heeft recht op secretariële, inhoudelijke en communicatieve
                        ambtelijke ondersteuning.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Over de taakverdeling, de urenbesteding worden afspraken gemaakt met de
                        (politiek/ambtelijk) bestuurders en betrokken organen. Evaluatie van de
                        afspraken vindt jaarlijks plaats conform bijlage 1.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Zaken als loopbaanplanning, opleiding vallen onder het bureauhoofd.
                        Werkoverleg en vervanging bij ziekte vallen onder de verantwoordelijkheid
                        van de leiding. Functionering, POP- en beoordelingsgesprekken worden gevoerd
                        door het bureauhoofd met raadpleging van de voorzitter van de OR of SBO en
                        in samenspraak met de voorzitters van de OC's.</al><al>Artikel 16 Verkiezingen</al><al>Behoudens in geval van noodzakelijke tussentijdse verkiezingen vinden de
                        verkiezingen voor de OR en OC's gelijktijdig plaats. Verkiezingen vinden
                        plaats conform het verkiezingsreglement. De zittingsduur van de OR en de
                        OC's, die actief zijn op het moment van de verkiezingen, geldt tot de datum
                        waarop de leden van de nieuwe OR en de OC in functie treden.</al><al>Artikel 17 Geschillenregeling</al><al>Ingevolge de WOR geldt voor geschillen van de Ondernemingsraad met de
                        bestuurder:</al><lijst><li nr="1."><al>dat alle geschillen die voortvloeien uit de wet en de daarop
                                berustende bepalingen, kunnen worden voorgelegd aan de kantonrechter
                                van de rechtbank; </al></li><li nr="2."><al> dat de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen uitsluitend
                                voorbehouden is aan de OR.</al></li></lijst><al>Voor het Georganiseerd Overleg geldt de geschillenregeling met bindende
                        arbitrage of adviesvraag van en aan een of beide partijen (gemeente,
                        vakbonden).</al><al>Artikel 18 Gedragscode medezeggenschap</al><al>De visie op de organisatie en medezeggenschap met de intenties om te komen
                        tot een volwaardige, goede medezeggenschap met voldoende faciliteiten,
                        ondersteuning en informatievoorziening zijn opgenomen zijn opgenomen in een
                        apart document. Het is gedragscode met intenties hoe bestuurder en
                        medezeggenschap met elkaar omgaan. Deze gedragscode is als bijlage 1 bij
                        deze overeenkomst opgenomen en onlosmakelijk verbonden met de
                        ondernemingsovereenkomst.</al><al>Artikel 19 Slotbepalingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze overeenkomst treedt in de plaats van eerder ter zake gemaakte afspraken
                        tussen partijen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ondememingsovereenkomst treedt in werking op 1 juni 2011 en geldt voor
                        een periode die gelijk is aan de lopende zittingsperiode van de OR en de
                        OC's (2011-2014) of tot de eerstvolgende verkiezingen als dit eerder is. Als
                        geen van de betrokken partijen de overeenkomst opzegt, uiteriijk drie
                        maanden voor afioop van de zittingsperiode, blijft de overeenkomst
                        ongewijzigd van kracht.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een voornemen tot opzegging van de overeenkomst moet tenminste drie maanden
                        van tevoren schriftelijk en gemotiveerd aan de wederpartij kenbaar worden
                        gemaakt. Vervolgens vindt hierover tenminste eenmaal overleg plaats. Deze
                        overeenkomst kan alieen door partijen gezamenlijk beëindigd worden.</al><al>Bijlage</al><al>Bijlage 1 Gedragscode / visie / intenties</al><al><onderstreept>Intentieverklaring</onderstreept></al><al>Directieteam en medezeggenschap zijn overeengekomen dat beide zullen streven
                        naar volwaardige medezeggenschap. Daar wordt onder verstaan:</al><lijst><li nr="§"><al>Dat de verschillende medezeggenschapsorganen (OR, OC's en GO)
                                vroegtijdig bij besluitvormingsprocessen betrokken worden; </al></li><li nr="§"><al> Dat zij daarbij tijdig van optimale informatie worden voorzien;
                            </al></li><li nr="§"><al> Dat de inhoudelijke discussie daarbij leidend is boven de
                                procedurele gang van zaken; </al></li><li nr="§"><al> Dat de medezeggenschapsorganen inspanningen zullen verrichten om in
                                hun opvatting de mening van het personeel dat zij vertegenwoordigen,
                                te laten doorklinken; </al></li><li nr="§"><al> Dat leden van het DT die optreden als bestuurder in de zin van de
                                WOR het medezeggenschapsorgaan zullen behandelen als een van de
                                hiërarchie onafhankelijke en gelijkwaardige gesprekspartner.</al></li></lijst><al><onderstreept>Politiek primaat</onderstreept></al><al>Indien sprake is van uiteindelijke besluitvorming in het college en/of de
                        gemeenteraad en er juridisch gezien sprake is van politiek primaat, zal de
                        betrokken bestuurder in de zin van WOR het betreffende besluit (desondanks)
                        voorleggen aan de OR /de OC ter advisering. Daarbij worden de hierboven
                        omschreven uitgangspunten gehanteerd en wordt het betreffende
                        medezeggenschapsorgaan in staat gesteld advies uit te brengen, voordat
                        besluitvorming in het college en/of de gemeenteraad plaatsvindt. Het advies
                        van de OR/OC wordt betroklcen bij de uiteindelijke besluitvorming in het
                        college en/of de raad.</al><al><onderstreept>Scholing</onderstreept></al><al>Op grond van het streven naar volwaardige medezeggenschap erkennen het DT en
                        de medezeggenschap het belang van gerichte scholing en begeleiding. Daarvoor
                        benodigde middelen zijn opgenomen in de begroting. Deze laten onverlet de
                        rechten dienaangaande zoals die zijn opgenomen in de WOR (art 18). Scholing
                        en begeleiding worden opgenomen in een driejaarlijks scholingsplan dat
                        steeds na elke verkiezingsronde wordt opgesteld. Het scholingsplan komt tot
                        stand na een inventarisatie van aanwezige en ontbrekende competenties,
                        waarbij vooral gekeken wordt naar procesmatige competenties. Tenminste twee
                        gespecialiseerde bureaus worden uitgenodigd op basis van de inventarisatie
                        een offerte uit te brengen. In de offerte dient aandacht besteed te worden
                        aan de volgende vormen van scholing en begeleiding:</al><lijst><li nr="§"><al>Cursusdagen per OR / OC</al></li><li nr="§"><al> Cursusdagen waarvoor individuele OR- en OC-leden zich kunnen
                                aanmelden </al></li><li nr="§"><al>Werkconferenties met alle OR- en OC-leden </al></li><li nr="§"><al> Mogelijkheid van coaching van de OR / OC of het dagelijks bestuur
                                daarvan</al></li><li nr="§"><al>Begeleiding van de vaste inhoudelijke commissies </al></li><li nr="§"><al> Scholing van de personen die als bestuurder in de zin van de WOR
                                optreden </al></li><li nr="§"><al> Scholing van de medewerkers binnen het bureau Medezeggenschap</al></li></lijst><al>De OR neemt initiatief.</al><al><onderstreept>Evaluatie</onderstreept></al><al>Jaarlijks zal de OR een evaluatie houden. Die evaluatie heeft betrekking op
                        de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="§"><al>Naleving van de intenties in het convenant en de handelwijze in het
                                reglement van orde. De bestuurder neemt het initiatief; </al></li><li nr="§"><al> De OC's in verband met: </al></li><li nr="·"><al>de verdergaande centralisering van het beleid. De centrale vraag zal
                                zijn of de centralisering aanleiding geeft tot een fundamentele
                                wijziging van de (structuur) van de medezeggenschap. De bestuurder
                                neemt het initiatief;</al></li><li nr="·"><al>de OC Brandweer, in het bijzonder de overgang van de gemeentelijke
                                brandweer naar de regionale brandweer zal hierbij betrokken worden.
                                De OC Brandweer neemt het initiatief;</al></li><li nr="·"><al>Het functioneren van de commissies die de medezeggenschap heeft
                                ingesteld.</al></li><li nr="§"><al> De bijdrage die de ondersteuning levert aan het functioneren van de
                                medezeggenschap. Initiatief ligt bij de functioneel leidinggevende
                                (van de OR) van de ondersteuning. </al></li><li nr="§"><al> De kwaliteit van de medezeggenschap. De OR neemt het initiatief;
                            </al></li><li nr="§"><al> De voortgang van het uitvoeren van het scholingsplan. De OR is
                                initiatiefnemer; </al></li><li nr="§"><al>De urenbesteding van de medezeggenschap (zie hieronder). De OR neemt
                                initiatief.</al></li></lijst><al><onderstreept>Uren voor de medezeggenschap</onderstreept></al><al>De betrokken partijen onderkennen het basisbeginsel: "medezeggenschap is
                        werk". Aanvullend aan hetgeen daar nu over is vastgelegd binnen de
                        organisatie worden onderstaande afspraken gemaakt:</al><lijst><li nr="§"><al>De uren die door een medewerker aan medezeggenschap besteed worden,
                                worden in het taakplan van een medewerker opgenomen. De bestuurder
                                ziet daarop toe. </al></li><li nr="§"><al>De leidinggevende van de betreffende medewerker kan een beroep doen
                                op de bestuurder om extra faciliteiten om het ontstane knelpunt op
                                te lossen.</al></li></lijst><al>Bijlage 2 Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap</al><al><vet>Georganiseerd Overleg</vet></al><al>Onder het <onderstreept>overeenstemmingsvereiste</onderstreept> vallen (in
                        grote lijn):</al><lijst><li nr="1."><al>vaststelling en aanpassing van regelingen, die opgenomen zijn in de
                                AGN, waarbij wijzigingen aangebracht conform de CAR-bepalingen,
                                schriftelijk afgehandeld worden met de SBO en niet in het GO
                                besproken; </al></li><li nr="2."><al> wijziging of intrekking van het Sociaal Statuut en Leidraad
                                Privatisering; </al></li><li nr="3."><al> werkgelegenheidsafspraken, met inbegrip van een eventuele termijn
                                verbonden aan de herschikkingstatus van de bij een reorganisatie
                                betrolcken ambtenaren; </al></li><li nr="4."><al> indien afgeweken wordt van het sociaal statuut: een sociaal plan
                                bij reorganisatie of privatisering; </al></li><li nr="5."><al> een regeling pensioenverzekering, winstdeling of een sparen; </al></li><li nr="6."><al> een kaderregeling vakantie; </al></li><li nr="7."><al> een kaderregeling arbeids- en rusttijden; </al></li><li nr="8."><al> een regeling voor beloningsbeleid (bv. gratificatiebeleid,
                                toekennen of stopzetten periodieken) of bevorderingsbeleid; </al></li><li nr="9."><al> een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslagbeleid;
                            </al></li><li nr="10."><al> de conversietabel bij het functiewaarderingssysteem.</al></li></lijst><al>Onder het <onderstreept>adviesrecht / bespreekrecht</onderstreept>
                        vallen:</al><lijst><li nr="1."><al>het werkgelegenheidsbeleid; </al></li><li nr="2."><al> privatiseringsoperaties en overdracht van taken aan andere
                                overheidslichamen (b.v. rijk, provincie, samenwerkingsverbanden);
                            </al></li><li nr="3."><al> de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd voor de onderwerpen die op tijd of geld waardeerbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al><vet>Ondernemingsraad</vet></al><al>Onder het <onderstreept>instemmingsrecht</onderstreept> van de OR
                        vallen:</al><lijst><li nr="1."><al>afspraken op het gebied van onder artikel 4 lid 6 t/m 11 genoemde
                                regelingen binnen de door het GO gestelde kaders; </al></li><li nr="2."><al> het vaststellen van collectieve vrije dagen; </al></li><li nr="3."><al> een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden, het
                                ziekteverzuim of het re-integratiebeleid; </al></li><li nr="4."><al> het arbobeleid; </al></li><li nr="5."><al> het personeelsplan bij een organisatiewijziging; </al></li><li nr="6."><al> onderwerpen waarover in het GO is overeengekomen om de nadere
                                uitwerking te laten plaatsvinden in het overleg tussen bestuurder en
                                OR; </al></li><li nr="7."><al> een regeling op het gebied van personeelsopleiding; </al></li><li nr="8."><al> een regeling op het gebied van bedrijfsmaatschappelijk werk;</al></li><li nr="9."><al>een nieuw functiewaarderingssysteem (met uitzondering van de
                                conversietabel); </al></li><li nr="10."><al> een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling; </al></li><li nr="11."><al> een regeling op het gebied van het werkoverleg; </al></li><li nr="12."><al> een regeling op het gebied van de behandeling van klachten; </al></li><li nr="13."><al> een regeling over het verwerken van en de bescherming van de
                                persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen; </al></li><li nr="14."><al> een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt
                                zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of
                                prestaties van de in de onderneming werkzame personen.</al></li></lijst><al>Onder het <onderstreept>adviesrecht</onderstreept> vallen buiten de in de
                        wet (artikel 25) genoemde onderwerpen;</al><lijst><li nr="1."><al>de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd op (onderwerpen op tijd of geld waardeerbaar zijn aan het
                                GO); </al></li><li nr="2."><al> het strategisch beleid, zoals genoemd in bijvoorbeeld het
                                concernjaarplan voor het concern. </al></li><li nr="3."><al> de belangrijke BBI-producten (jaarverslag, directieplan) wat
                                betreft de personele aspecten.</al></li></lijst><al><vet>Onderdeelcommissie</vet></al><al>Onder het instemmingsrecht van een OC vallen:</al><lijst><li nr="1."><al>de onderin de wet in artikel 27 genoemde onderwerpen, voor zover een
                                onderwerp slechts een directie betreft; </al></li><li nr="2."><al> het opleidingsplan voor de directie; </al></li><li nr="3."><al> het ARB0-jaarplan van de directie; </al></li><li nr="4."><al> de extra collectieve vrije dagen voor een directie; </al></li><li nr="5."><al> de besteding restbudget functioneringstoelage voor zover het past
                                binnen kader beloningsbeleid.</al></li></lijst><al>Onder het adviesrecht vallen de in de wet (artikel 25) genoemde onderwerpen,
                        voor zover het onderwerpen zijn die een directie betreffen.</al><al>15 Overige rechten en verplichtingen</al><al>Artikel 15.1.1 (Q) Verplichtingen</al><al>Onder de werking van dit artikel kunnen ook zaken als geheimhouding,
                        vertrouwelijkheid en gedrag van ambtenaren (gedragscode)worden gebracht. Dat
                        is verder niet expliciet in de AGN geregeld. Artikel 15:1 dient hiervoor dus
                        als kapstokartikel. Zie ook: Gedragscode voor ambtenaren en bestuurders van
                        de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 15.1.1.1 Verbod op alcohol</al><al>Het is de ambtenaar verboden aangeschoten of dronken op zijn werk te
                        verschijnen. Ook is het verboden gedurende werktijd alcoholhoudende drank te
                        gebruiken.</al><al>Artikel 15:1 Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te vervullen en
                        zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. </al><al>Artikel 15:1a Verplichtingen</al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 15.1a.0.1 Ambtseed</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar legt de ambtseed of belofte binnen drie maanden na
                        indiensttreding af. Dit vindt plaats ten overstaan van de burgemeester en/of
                        de wethouder Personele Zaken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders kan hierover nadere regels of
                        voorwaarden stellen en zijn bevoegd te beslissen in gevallen, waarin dit
                        artikel niet of niet in redelijkheid voorziet.</al><al>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de vervulling
                                van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken
                                of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die
                        ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere
                        arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is hij
                        verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.</al><al>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen
                        wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of
                        voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover
                        deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al><al>Lid 2</al><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid
                        gedane opgaven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de
                        goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde
                        nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van
                        gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren
                        aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
                        openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al><al>Artikel 15.1e.0.1 Faciliteiten bestuur personeelsvereniging </al><al>Met ingang van 2015 gaan de personeelsverenigingen samen op in één nieuwe
                        personeelsvereniging. Om het bestuur te faciliteren bij hun bestuurstaken,
                        hebben wij besloten om de voorzitter een vrijstelling van dienst te geven
                        van 75 uur per jaar; de secretaris en penningmeester eveneens een
                        vrijstelling van 75 uur en de overige bestuursleden een vrijstelling van 50
                        uur per jaar. </al><al>Artikel 15.1e.0.2 Lidmaatschap beroepsvereniging</al><al>Indien het lidmaatschap van een beroepsvereniging van voldoende belang wordt
                        geacht voor de dienst c.q. de functievervulling, wordt het lidmaatschap bij
                        voorkeur aangegaan door de directie. Indien dit niet mogelijk is kan een
                        medewerker zelf lid van de beroepsvereniging worden en worden de kosten van
                        dit lidmaatschap vergoed.</al><al>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</al><al>Lid 1</al><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan
                        in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het
                        risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden
                        is.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door
                        dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit
                        van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover
                        deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken. </al><al>Lid 3</al><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede
                        lid.</al><al>Lid 4</al><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te
                        bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede
                        vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels
                        worden gesteld.</al><al>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan
                        aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</al><al>Lid 2</al><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar,
                        middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van
                        anderen.</al><al>Artikel 15.1.6 (Q) Nevenwerkzaamheden</al><al>De registratie van nevenwerkzaamheden vindt plaats door aantekening in het
                        persoonsdossier van de betrokken ambtenaar. Eventuele afspraken zoals
                        hiervoor bedoeld, worden eveneens in het persoonsdossier van de betrokken
                        ambtenaar vastgelegd. Anders dan nevenfuncties van bestuurders zijn
                        nevenfuncties van ambtenaren niet vanzelf openbaar. Op grond van de Wet
                        Openbaarheid Bestuur (WOB) moeten nevenfuncties van ambtenaren op verzoek
                        openbaar worden gemaakt. Voor hen geldt echter een bescherming. Het
                        verstrekken van gegevens over nevenfuncties van individuele ambtenaren kan
                        op grond van artikel 10, lid 2e WOB worden geweigerd vanwege de bescherming
                        van de persoonlijke levenssfeer. Het verstrekken van bijvoorbeeld gegevens
                        op afdelingsniveau mag wel, mits deze niet herleidbaar zijn naar
                        personen.</al><al>Artikel 15:1:9 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met
                        15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al><al>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere werkgever</al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                        werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter
                        vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of
                        werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij
                        naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid
                        of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                        van de gemeente noodzakelijk is. </al><al>Lid 2</al><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt zo
                        spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1
                        tweede lid.</al><al>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college
                        wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
                        omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij
                        gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                        taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe
                        strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te
                        verzekeren.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                        aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                        veiligheidsregio’s.</al><al>Lid 3</al><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                        veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het
                        tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet
                        veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding en toezicht van het bevoegd
                        gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen
                        tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke
                        verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</al><al>Lid 5</al><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien
                        de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs
                        toelaten.</al><al>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van
                        door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of
                        nalatigheid is te wijten.</al><al>Lid 2</al><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn
                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) worden niet vastgesteld dan nadat
                        de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te
                        verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                        maken.</al><al>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van
                        een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet
                        heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van
                        gelden en geldswaardige papieren.</al><al>Lid 2</al><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                        aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in
                        aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel
                        deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al><al>Lid 3</al><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven
                        gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer
                        niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn functie wordt
                        waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</al><al>Artikel 15:1:14 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te
                        stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt
                        uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn functie vervult en omtrent zijn
                        gedragingen tijdens de uitoefening daarvan.</al><al>Lid 2</al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn
                        gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn functie of de wijze waarop
                        hij zijn functie vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen,
                        waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of
                        de wijze waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                        verbeterd kan worden.</al><al>Artikel 15.1.15.1 Beoordelings- en functioneringsgesprekken</al><al>In aanvulling op artikel 15:1:15 vindt u bij het onderdeel “Lokale
                        regelingen” het Reglement systematische personeelsbeoordeling en Richtlijnen
                        functioneringsgesprekken voor de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de door het
                        college voor die functie of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven
                        kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is
                        de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college
                        toestemming is gegeven.</al><al>Lid 3</al><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of
                        andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen,
                        een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of
                        voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is
                        verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot
                        het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is
                        verleend.</al><al>Lid 4</al><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de
                        verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde
                        kleding.</al><al>Artikel 15.1.16.1 Regeling dienst-, werk- en uniformkleding</al><al>In aanvulling op artikel 15:1:16 vindt u bij het onderdeel “Lokale
                        regelingen” de Dienst- en werkkledingregeling,de Regeling toelage
                        uniformkleding en artikel 23 van de Bezoldigingsregeling van de gemeente
                        Nijmegen.</al><al>Artikel 15:1:17 Standplaats</al><al>Lid 1</al><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden
                        opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</al><al>Lid 2</al><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name
                        genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                        werkzaamheden verricht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere
                        regels stellen.</al><al>Artikel 15.1.17.1 Nadere regels standplaats</al><al>Woongebied wordt gedefinieerd als: een door het bevoegde gezag aan te wijzen
                        gebied aansluitend aan de standplaats. Bij besluit van burgemeester en
                        wethouders d.d. 18 november 1997 bepaald op het gebied waarvan de grens
                        wordt gevormd door de plaatsen Elst, Gendt, Leuth, Groesbeek, Mook, Grave,
                        Wijchen, Ewijk en Valburg. </al><al><onderstreept>Aanvulling:</onderstreept> Bij besluit van Burgemeester en
                        Wethouders d.d. van 30-03-2010 is het gebied van de stad Nijmegen aangewezen
                        als vestigingsplaats voor alle nieuw te benoemen medewerkers van de directie
                        Brandweer Nijmegen die functioneren in het rooster van de Officier van
                        Dienst.</al><al><onderstreept>Aanvulling:</onderstreept> Bij besluit van Burgemeester en
                        Wethouders d.d. van 29-03-2012 is het besluit van 30-03-2010 vervallen, en
                        geldt navolgende tekst: De Officier van Dienst Brandweer Nijmegen heeft de
                        verplichting dat hij een zodanige vestigingsplaats kiest, waarmee hij
                        voldoet aan de opkomstnorm voor een OvD binnen het verzorgingsgebied van de
                        Brandweer Nijmegen.</al><al>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
                        ontzegd.</al><al>Artikel 15.1.19 (Q) Verbod betreden arbeidsterrein</al><al>Aan dit artikel zijn geen vormvoorwaarden verbonden. Het kan worden gebruikt
                        in noodsituaties. Bijvoorbeeld bij een conflict dat dreigt te escaleren en
                        het raadzaam is dat een ambtenaar even niet op het werk verschijnt.
                        Bijvoorbeeld als afkoelings- of bezinningsperiode. Ook kan het gebruikt
                        worden als voorloper van een formele schorsing zoals bedoeld in artikel
                        16:1:2, lid 1i (disciplinaire straffen) waarbij wel vormvoorschriften zijn
                        gegeven en de schorsing bedoeld in artikel 8:15:1 (schorsing i.v.m. ontslag
                        als disciplinaire straf).</al><al>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een
                        persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Wet
                        publieke gezondheid bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn
                        functie niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen
                        en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                        staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het
                        gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij
                        verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is
                        verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is
                        gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven
                        aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
                        geneeskundig onderzoek.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het
                        bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie te vervullen, zijn
                        volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 15:1:21 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 15.1.22.1 Reis- en verblijfkostenregeling</al><al>In aanvulling op artikel 15:1:22 vindt u bij het onderdeel “Lokale
                        regelingen” de Reis- en verblijfkostenregeling van de gemeente Nijmegen. </al><al>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</al><al>Lid 1</al><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting,
                        geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                        motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                        lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade
                        niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al><al>Lid 2</al><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                        motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                        motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn
                        functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                                verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt
                                ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                kilometer.</al></li></lijst><al>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                        vervulling van zijn functie te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe
                        door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming
                        kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al>Artikel 15.1.24 (Q) Gebruik motorrijtuig</al><al>In artikel 15:1:23, lid 2 is bepaald dat aan de ambtenaar de schade wordt
                        vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig die hij lijdt tijdens de
                        vervulling van zijn functie. In de gemeente Nijmegen zijn behalve het
                        sluiten van een deugdelijke WA-verzekering zoals bedoeld in artikel 15 van
                        de Reis- en verblijfkostenregeling geen verdere regels vastgesteld aangaande
                        de verplichting tot het sluiten van een all-risk-verzekering. Dat brengt in
                        praktijk een behoorlijk financieel risico met zich mee. Als de ambtenaar
                        bijvoorbeeld zijn auto tijdens een dienstreis “totall loss” rijdt en hij is
                        niet all-risk verzekerd, draait de gemeente voor de schade op. Het is dus
                        aan te bevelen bij het verlenen van toestemming om de eigen auto te mogen
                        gebruiken voor dienstreizen met het voorgaande rekening te houden.</al><al>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al>Artikel 15.1.25.1 Rechtsbijstandverzekering</al><al><vet>Rechtsbijstandverzekering</vet></al><al>Als uitvloeisel uit het sectorale arbeidsvoorwaardenakkoord 2002-2003 is met
                        ingang van 1 januari 2003 door de gemeente Nijmegen een collectieve
                        rechtsbijstandverzekering voor haar medewerkers gesloten. Deze verzekering
                        is afgesloten bij Centraal Beheer/Achmea. Deze rechtsbijstandverzekering
                        biedt uitkomst in tal van situaties die voortvloeien uit de
                        functie-uitoefening van de ambtenaar, zoals bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Strafrechtelijke vervolging wegens het plegen van een strafbaar
                                    feit tijdens de functie-uitoefening.</vet> In deze situatie kan
                                de ambtenaar worden verweten dat hij niet goed heeft gehandeld
                                waardoor derden letsel oplopen of zijn overleden. Dit kan voor een
                                officier van justitie reden zijn hem strafrechtelijk te
                                vervolgen.</al></li><li nr="2."><al><vet>Civielrechtelijk afspraken van derden voor schade veroorzaakt
                                    in verband met de functie-uitoefening.</vet> Hierbij kan de
                                ambtenaar worden verweten geen goede beslissing/controle te hebben
                                genomen, waardoor schade aan derden is toegebracht.</al></li><li nr="3."><al><vet>Schade als gevolg van fysiek geweld door derden, ontstaan in
                                    verband met de functie-uitoefening, die de ambtenaar via een
                                    gerechtelijke procedure wil verhalen.</vet> Hierbij loopt de
                                ambtenaar zelf materiële of immateriële schade op door handelingen
                                van derden, zowel op het werk als thuis, mits dit laatste in verband
                                staat met zijn werkzaamheden.</al></li><li nr="4."><al><vet>Een klacht op grond van het toepasselijke tuchtrecht, ten
                                    aanzien van zijn handelen of nalaten in verband met de
                                    functie-uitoefening.</vet> Hierbij valt te denken aan het
                                optreden van een functionaris, waarbij het tuchtcollege betrokken is
                                en mogelijk een disciplinaire maatregel (berisping) kan worden
                                opgelegd.</al></li></lijst><al>Enkele aanvullende opmerkingen:</al><lijst><li nr="§"><al>De premie wordt door de gemeente betaald.</al></li><li nr="§"><al>De medewerker heeft geen aanspraak op rechtsbijstand indien tegen de
                                gemeente wordt geprocedeerd.</al></li><li nr="§"><al>De medewerker heeft geen aanspraak op rechtsbijstand terzake van een
                                strafbaar feit waar hij van verdacht wordt, waarvan door de gemeente
                                aangifte is gedaan.</al></li></lijst><al>Voor nadere informatie kunt u zich desgewenst wenden tot Jos Hendriks (tst.
                        3308) of Theo Jansen (tst. 3307) van de afdeling Financiën van de Directie
                        Stadsbedrijven. Bij hen ligt ook de verzekeringspolis ter inzage.</al><al>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
                        door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
                        van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
                        gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van doorbetaling
                        verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
                        herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
                        jeugd. </al><al>Artikel 15.1.28 (Q) Bijzondere prestaties</al><al>Voor een aantal gratificaties of extra beloningen is het nodig om vooraf een
                        personeelsbeoordeling op te maken. Of dat al dan niet het geval is wordt
                        bepaald in het aanwijzingsbesluit rechtspositionele beslissingen voor
                        personeelsbeoordeling.</al><al>Artikel 15.1.28.1 Bezoldigingsverordening</al><al>In aanvulling op artikel 15:1:28 vindt u bij het onderdeel “Lokale
                        regelingen” meer informatie bij artikel 14 van de Bezoldigingsverordening
                        van de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</al><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al><al>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen</al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
                        onthouden of nadelen toegebracht.</al><al>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
                        te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al><al>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                        plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie
                        bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor
                        hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit
                        hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie
                        in de gemeentelijke organisatie.</al><al>Artikel 15:2 Klokkenluiders</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van
                        misstanden.</al><al>Lid 2</al><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die
                        misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen
                        niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de
                        gemeente benadeeld worden.</al><al>Artikel 15.2.0.1 Regeling melding vermoeden integriteitsschending</al><al>In aanvulling op artikel 15:2 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen”
                        de Regeling melding vermoeden integriteitsschending van de gemeente
                        Nijmegen. </al><al>Artikel 15:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Lokale regelingen</al><al>Dienst- en werkkledingregeling</al><al>1 Dienst- en werkkledingregeling</al><al><cursief>Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 27 mei 1952,
                            laatstelijk gewijzigd 5 september 1995.</cursief></al><al><vet>Artikel 1 Dienst- en werkkledingregeling</vet></al><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het hoofd van de dienst: </vet> het hoofd van de betrokken
                                dienst of degene, die hem vervangt;</al></li><li nr="b."><al><vet>ambtenaar:</vet> de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                eerste lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, met
                                uitzondering van het personeel van de Gemeente Brandweer;</al></li><li nr="c."><al><vet>arbeidscontractant:</vet> hij, met wie een arbeidsovereenkomst
                                is gesloten op grond van artikel 2:5 van de
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen;</al></li><li nr="d."><al><vet>dienstkleding:</vet> kleding met een representatief
                                karakter;</al></li><li nr="e."><al><vet>werkkleding:</vet> kleding, welke als gereedschap is te
                                beschouwen.</al></li></lijst><al>Artikel 2</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met goedkeuring van Het college kan door het hoofd van dienst,
                        overeenkomstig een nader vast te stellen regeling, dienst- en/of werkkleding
                        worden verstrekt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Met goedkeuring van het college worden door het hoofd van dienst de
                        draagtijden bepaald.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De in het tweede lid bedoelde draagtijden kunnen, in verband met de aard van
                        de functie, voor eenzelfde kledingstuk verschillend zijn.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Door het college kan een bedrag worden vastgesteld, waaruit de herstel- en
                        bewassingskosten dienen te worden bestreden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het herstel van dienst- en werkkledingstukken geschiedt overeenkomstig de
                        aanwijzingen van het hoofd van dienst, op kosten van de belanghebbende.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De bewassing van de dienst- en werkkledingstukken geschiedt, behoudens na
                        verkregen toestemming van het college, ingeval van vuile werkzaamheden, op
                        kosten van belanghebbende.</al><al>Artikel 3</al><al>De dienst- en/of werkkleding is eigendom van de gemeente. Zij wordt bij het
                        verstrekken van nieuwe kledingstukken, alsmede bij het beëindigen van de
                        dienstbetrekking, ingenomen.</al><al>Artikel 4 </al><al>Deze regeling, welke kan worden aangehaald als "Dienst- en
                        werkkledingregeling", treedt in werking op 1 juli 1952 en treedt in plaats
                        van de "Verordening houdende regelen voor het verstrekken van dienstkleding"
                        d.d. 2 oktober 1923, zoals deze nader is gewijzigd.</al><al>Diverse vergoedingsregelingen</al><al>Beeldschermbril</al><al>Als je oogklachten blijft houden nadat de werkplek is aangepast, kun je op
                        voorschrift van de oogarts of opticien een beeldschermbril aanschaffen.</al><al><cursief>Richtlijn voor vergoeding kosten van een
                            beeldschermbrilB&amp;W-besluit van 24 april 2001</cursief></al><al>NB.: De beeldschermbril dient niet ter vervanging van de gewone dagelijkse
                        bril die de ambtenaar nodig heeft en waarop de gebruikelijke IZA-regelingen
                        van toepassing zijn. De beeldschermbril is alleen bestemd voor werken met
                        een beeldscherm en voor tekstverwerking. Dat kan betekenen dat de
                        beeldschermbril ook geschikt moet zijn voor het lezen van tekst van een
                        papier dat bijvoorbeeld naast het beeldscherm ligt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onder de werking van deze richtlijn vallen medewerkers die tenminste 2 uren
                        per dag gebruik maken van beeldschermapparatuur. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een beeldschermbril is een bril die noodzakelijk is geworden nadat met
                        algemene correctiemiddelen en onder goede ergonomische condities, het
                        beeldschermwerk niet meer zonder klachten kan worden uitgevoerd en waarbij
                        is gebleken dat de klachten door gebruik van een beeldschermbril worden
                        opgelost. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien na optimalisatie van de werkplek door aanwending van alle onder 2
                        bedoelde middelen nog klachten bestaan, volstaat een voorschrift van een
                        oogarts of een opticien voor aanschaf van een beeldschermbril. De
                        leidinggevende van de medewerker dient de rekening, mits voldaan aan de
                        voorwaarden, voor akkoord te ondertekenen. De medewerker voldoet zelf de
                        nota en dient de declaratie in bij de directie waar hij werkzaam is, waarna
                        door de directie tot vergoeding wordt overgegaan. De vergoeding valt in twee
                        delen uiteen, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>100% voor de op advies van de opticien of oogarts aangeschafte
                                glazen;</al></li><li nr="b."><al>een vergoeding voor de aanschafkosten van het montuur, echter met
                                een maximum van € 70,-.</al></li></lijst><al>Gedragscode</al><al>Gedragscode voor ambtenaren</al><al><vet>1 Inleiding 2 Onafhankelijkheid, vriendjespolitiek en
                            belangenverstrengeling 3 Nevenfuncties en andere activiteiten in de
                            privé-sfeer 4 Vertrouwelijke informatie 5 Relatiegeschenken 6 Reizen en
                            diners 7 Gemeentelijke eigendommen; gebruik van pc en (mobiele)
                            telefoon; werktijden 8 Klantvriendelijkheid en gelijke behandeling van
                            burgers 9 Samenwerking met collega’s; omgangsvormen 10 Professionaliteit
                            11 Enkele relevante regelingen </vet></al><al><vet>MOTTO: IN DIENST VAN HET BESTUUR,TEN DIENSTE VAN DE STAD</vet></al><al><vet>1 Inleiding</vet></al><al>De democratische rechtsstaat stelt hoge eisen aan de overheid. De overheid
                        is gebonden aan het recht, en dient uitsluitend het algemeen belang. Op het
                        moment dat bestuurders of medewerkers van de overheid hun eigen belang
                        voorrang geven boven het algemeen belang is de integriteit in het geding.
                        Een overheid die niet integer is, is geen overheid meer. Daarbij gelden nog
                        steeds de woorden van oud-burgemeester en oud-minister Dales: een beetje
                        integer bestaat niet. De overheid werkt bovendien met geld dat door burgers
                        en bedrijven wordt opgebracht. Dat geld moet dus zorgvuldig en doelmatig
                        worden besteed. De gemeente Nijmegen voert daarom al geruime tijd een actief
                        integriteitsbeleid. Sinds 1996 kent de gemeente een gedragscode voor
                        bestuurders en ambtenaren. Omdat integriteit zo belangrijk is voor de
                        overheid, is het goed om zo helder mogelijk te zijn over welk gedrag daar
                        bij hoort. Daarom staat in de code onder meer geregeld hoe wij omgaan met
                        nevenfuncties, geschenken, gemeentelijke eigendommen en vertrouwelijke
                        informatie. Daarnaast zijn risicofuncties in kaart gebracht, is de
                        voorbeeldfunctie van bestuurders en leidinggevenden benadrukt en zijn
                        workshops over integriteit gehouden waar veel medewerkers aan hebben
                        deelgenomen. Integriteit maakt ook expliciet deel uit van de formulering van
                        het hoofddoel van de ambtelijke organisatie. Daarin is namelijk vastgelegd
                        dat wij professioneel, integer en servicegericht zijn naar burger en
                        bestuur. Ook is in 2004 de ambtseed weer ingevoerd. Er is aanleiding om met
                        een nieuwe code te komen, speciaal voor de medewerkers. Voor bestuurders en
                        raadsleden zijn namelijk op grond van de Gemeentewet speciaal op hen
                        toegesneden gedragscodes gemaakt. Binnenkort wordt bovendien een code voor
                        goed ambtenaarschap wettelijk verplicht op grond van de Ambtenarenwet.
                        Daarom is gewerkt aan een nieuwe code. De nieuwe code is uitgebreider dan de
                        vorige, omdat gestreefd is naar een grotere begrijpelijkheid. Het resultaat
                        ligt hier voor u. De nieuwe code beoogt vast te leggen wat wij verstaan
                        onder een goed ambtenaarschap. Dat valt uiteen in drie onderdelen, te weten
                        het naleven van regels, het naleven van organisatiewaarden en ten slotte de
                        ambtelijke professionaliteit. De basis van goed ambtelijk handelen, goed
                        ambtenaarschap, is vastgelegd in de Ambtenarenwet en de daarop gebaseerde
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN.) Ook het Wetboek van
                        Strafrecht bevat normen voor ambtelijk handelen. In deze voorschriften staan
                        onder meer de ambtseed, het melden van bepaalde nevenfuncties, het verbod
                        geschenken of toezeggingen te vragen of aan te nemen en het bewaren van
                        ambtsgeheimen. Integer handelen is handelen in overeenstemming met de
                        regels, waarbij het algemeen belang voorop staat, alle burgers gelijk worden
                        behandeld en zelfs de schijn van belangenverstrengeling wordt vermeden. Een
                        integere ambtenaar en een integere organisatie zijn betrouwbaar, objectief
                        en rechtvaardig; zij zijn weerbaar tegenover integriteitsinbreuken. Andere
                        waarden die voor ambtenaren gelden zijn bestuursgevoeligheid en
                        resultaatgerichtheid, openheid en omgevingsgerichtheid, en
                        klantvriendelijkheid en collegiale samenwerking. Ten slotte zijn er de eisen
                        op het gebeid van deskundigheid die aan de ambtenaar worden gesteld. Zowel
                        de genoemde wetten als de genoemde organisatiewaarden en de gevraagde
                        deskundigheid stellen eisen aan het gedrag van de medewerkers. Een aantal
                        normen voor goed ambtelijk handelen en voor integriteit staat in deze
                        gedragscode bij elkaar. Deze regels gaan met name over situaties die veel
                        voor komen. Het is namelijk niet mogelijk regels te maken voor iedere
                        situatie die ooit eens een keer voor zou kunnen komen. Daarom is de code
                        vooral bedoeld om een integere geesteshouding te bevorderen en een moreel
                        kompas te bieden waarmee in alle situaties de juiste keuze kan worden
                        gemaakt. De uitgangspunten en regels in deze code komen overigens niet in de
                        plaats van al die andere bestaande voorschriften. Ze zijn te zien als een
                        invulling van het begrip “goed ambtenaarschap” uit de Ambtenarenwet en de
                        AGN. De code geldt rechtstreeks ook voor medewerkers met een tijdelijk
                        dienstverband. Het college heeft de code ook van toepassing verklaard voor
                        medewerkers op inhuur- en detacheringbasis. De rol van de leidinggevenden is
                        om meerdere redenen van groot belang. Leidinggevenden hebben een belangrijke
                        taak als het gaat om integriteit en het handhaven van de regels van het
                        bedrijf. Om te beginnen hebben ze een voorbeeldfunctie in hun eigen handel
                        en wandel. Daarnaast kunnen ze vanwege hun overzicht en ervaring hun
                        medewerkers behulpzaam zijn bij het maken van moreel verantwoorde keuzen. En
                        ten slotte zijn zij het die in geval van niet integer handelen sancties
                        zullen kunnen voorstellen of opleggen. Een handige vuistregel als het gaat
                        om integriteit is daarom: in geval van twijfel, vraag het uw
                        leidinggevende.</al><al><vet>2 Onafhankelijkheid, vriendjespolitiek en
                            belangenverstrengeling</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief> Een
                        ambtenaar moet altijd vanuit een onafhankelijke instelling het algemeen
                        belang dienen. Dat is soms lastig. U leeft immers niet in een isolement,
                        bent lid van verenigingen, zit misschien in een bestuur. U hebt familie en
                        vrienden die iets van de gemeente nodig hebben. Belangenverstrengeling kan
                        worden tegengegaan door organisatorische maatregelen zoals een objectief en
                        voor iedereen inzichtelijk besluitvormingsproces. En ook door het scheiden
                        van het behandelen van aanvragen, het nemen van besluiten daarover en de
                        handhaving ervan. Voor de medewerkers gelden los daarvan de volgende
                        regels.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Aanvragen van of opdrachten voor familie, buren, vrienden of
                                kennissen draagt u in overleg met uw leidinggevende over aan een
                                collega. </al></li><li nr="§"><al>Beoordeel eveneens geen subsidieaanvragen van verenigingen, waar u
                                of uw partner lid van zijn of waarbij u of uw partner in het bestuur
                                zit. </al></li><li nr="§"><al>Meld financiële belangen in bedrijven of transacties in aandelen als
                                die belangen of transacties uw functioneren kunnen raken.</al></li><li nr="§"><al>Onderhandel en voer vertrouwelijke gesprekken met externe partijen –
                                waarmee u afspraken maakt met financiële of juridische gevolgen – zo
                                veel mogelijk samen met ten minste één collega.</al></li><li nr="§"><al>Maak van deze gesprekken verslagen, waarin duidelijk aanleiding,
                                doel, gemaakte afspraken en de mate en termijn van vertrouwelijkheid
                                staan. </al></li><li nr="§"><al>Zorg dat het juiste orgaan of de juiste functionaris de beslissing
                                neemt en leg de beslissing vast.</al></li><li nr="§"><al>Bij werving en selectie moet u objectief zijn; sta onbevooroordeeld
                                ten opzichte van elke kandidaat. Selecteer dus niet mee als het gaat
                                om familie of kennissen. </al></li><li nr="§"><al>Medewerkers met een eigen bedrijf komen niet in aanmerking voor
                                opdrachten van de gemeente. Uitzonderingen zijn met toestemming van
                                het college mogelijk in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld in het
                                kader van een afvloeiingsregeling.</al></li><li nr="§"><al>Een ambtenaar wordt binnen een jaar na zijn uitdiensttreding niet
                                als externe ingehuurd (anti-draaideurconstructie.)</al></li></lijst><al><vet>3 Nevenfuncties en andere activiteiten in de privé-sfeer</vet><cursief>
                            Waar gaat het om?</cursief> Net als iedere andere burger zijn ambtenaren
                        vrij om nevenfuncties te bekleden of in hun eigen tijd activiteiten te
                        verrichten. Wettelijk is evenwel bepaald dat belangenverstrengeling bij
                        ambtenaren moet worden voorkomen ook bij nevenfuncties.
                        Belangenverstrengeling is namelijk mogelijk als u privé functies bekleedt of
                        activiteiten verricht naast uw werk die invloed hebben op uw werk als
                        ambtenaar of op dat van uw collega’s. Voorbeelden zijn bestuursfuncties of
                        vrijwilligerswerk bij bedrijven of instellingen die contacten hebben met de
                        gemeente. Of een ambtenaar heeft een eigen bedrijf dat zaken wil doen met de
                        gemeente. Of u wordt gevraagd burgers te helpen bij aanvragen bij of
                        bezwaren tegen de gemeente. Deze functies of activiteiten kunnen soms het
                        functioneren van de betreffende gemeenteambtenaar op een of andere manier
                        raken. Belangen kunnen dan door elkaar gaan lopen. Collega’s kunnen
                        bovendien in de positie komen daar een oordeel over te moeten geven. Dat
                        oordeel moet ook dan onbevooroordeeld en vanuit het algemeen belang gegeven
                        kunnen worden. Strafbaar of laakbaar gedrag in de privé sfeer kan ook in
                        strijd zijn met de plicht om zich te gedragen als een goed ambtenaar. Het
                        gaat dan om gedrag in de privé situatie waarmee de persoon zich zelf in
                        diskrediet brengt en waardoor ook het vertrouwen in een goede
                        functievervulling wankelt. Voor de hand liggende voorbeelden zijn die van de
                        medewerker die een alcoholprobleem heeft als gevolg waarvan hij zijn werk
                        niet meer goed kan doen, of de medewerker die geld verduistert, terwijl hij
                        in zijn werk veel met geld te maken heeft. Of de parkeerwachter die zelf met
                        regelmaat de verkeersregels aan zijn laars lapt.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Nevenfuncties of nevenactiviteiten (al dan niet betaald) die een
                                goede uitoefening van de functie van de gemeenteambtenaar kunnen
                                raken zijn in beginsel niet toegestaan.</al></li><li nr="§"><al>Meld ze daarom aan uw leidinggevende. De leidinggevende beoordeelt
                                zorgvuldig of er door de werkzaamheden belangenverstrengeling kan
                                ontstaan. Dit kan met name het geval zijn bij nevenfuncties of
                                activiteiten die in het verlengde liggen van het eigen
                                werkterrein.</al></li><li nr="§"><al>U onthoudt zich van laakbaar gedrag in de privé sfeer als dat het
                                vertrouwen in uw ambtelijk functioneren beschadigt.</al></li></lijst><al><vet>4 Vertrouwelijke informatie</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief>
                        Als ambtenaar beschikt u over informatie. Soms is dat vertrouwelijke of
                        gevoelige informatie. Wanneer is informatie ‘vertrouwelijk”? Het kan gaan om
                        informatie, die de gemeente of derden kan schaden als zij bekend wordt.
                        Bijvoorbeeld als plannen zich nog in de voorbereidende fase bevinden en de
                        partij met wie onderhandeld wordt al te weten zou komen welk bedrag de
                        gemeente er voor over heeft om de plannen te realiseren. Als het om
                        persoonsgegevens gaat, is informatie (bijna) altijd vertrouwelijk. In de
                        meeste andere gevallen wordt het erbij gezegd, of blijkt het uit een
                        vermelding op een stuk. Overleg bij twijfel binnen uw afdeling of met uw
                        afdelingshoofd. Vertrouwelijk betekent dat u de informatie uitsluitend mag
                        doorgeven als dat is afgesproken en dan nog alleen aan die mensen binnen de
                        organisatie die met die informatie iets moeten doen. Staat op de informatie
                        het stempel geheim of wordt er bij gezegd dat zij geheim is, dan mag u er
                        met absoluut niemand over praten. In alle gevallen is het verstandig om
                        voorzichtig te zijn met het verstrekken van informatie aan derden. Een
                        speciaal dilemma kan ontstaan, wanneer u over informatie beschikt, waarvoor
                        u binnen de organisatie geen gehoor krijgt. Bijvoorbeeld over een strafbaar
                        feit of een schending van regels. In die situatie kunt u gaan praten met de
                        vertrouwenspersoon en wordt u door de zogenoemde klokkenluidersregeling
                        beschermd.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Zorg dat u informatie die u onder geheimhouding is verstrekt aan
                                niemand doorgeeft. </al></li><li nr="§"><al>Wees voorzichtig met het verstrekken van vertrouwelijke informatie;
                                ga na of U die informatie mag verstrekken. Check eerst of die derde
                                wel bevoegd is de informatie te krijgen.</al></li><li nr="§"><al>Laat geen geheime, vertrouwelijke of anderszins gevoelige informatie
                                op uw bureau of op een toegankelijke plaats in uw kamer liggen, ook
                                niet als u even gaat pauzeren.</al></li><li nr="§"><al>Beveilig de informatie in uw computer tegen niet-bevoegden. Laat
                                geen geheime, vertrouwelijke of gevoelige informatie lekken.</al></li><li nr="§"><al>Respecteer altijd de privacy van burgers en (zakelijke)
                                relaties.</al></li><li nr="§"><al>Bedenk dat de Wet openbaarheid bestuur en de Wet bescherming
                                persoonsgegevens van toepassing zijn; als u niet weet wat die
                                inhouden vraag dan advies aan een deskundige collega.</al></li><li nr="§"><al>Geheime of vertrouwelijke informatie blijft geheim of vertrouwelijk
                                ook als u intussen bij een andere gemeente of een ander bedrijf bent
                                gaan werken.</al></li></lijst><al><vet>5 Relatiegeschenken</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief>
                        Regelmatig bieden leveranciers of instellingen en bedrijven, waarmee de
                        gemeente samenwerkt relatiegeschenken of andere voordelen aan.Voorbeelden
                        zijn de fles wijn, de stropdas, de uitnodiging voor een voetbalwedstrijd, de
                        boekenbon na het houden van een inleiding, hulp bij het aanleggen van een
                        tuin, korting bij het doen van aankopen, en natuurlijk het kerstpakket. Maar
                        niemand krijgt zo maar iets gratis. Soms is het de bevestiging van een
                        plezierige relatie, soms wordt direct of indirect een tegenprestatie
                        verwacht. Het is daarom goed altijd na te denken over wat de gever kan
                        bedoelen. Er mag geen situatie ontstaan, waarbij uw onafhankelijkheid in het
                        geding komt. Niet alleen op basis van uw eigen beoordeling, maar ook niet in
                        de ogen van een ander. Is het informele contact noodzakelijk, is er sprake
                        van wederkerigheid, kan er open over gepraat worden? Deze vragen moeten
                        positief beantwoord worden – begin er anders niet aan. Openheid wordt
                        bevorderd door een meldplicht van geschenken. De duurdere geschenken van
                        boven de €25 worden eigendom van de gemeente. De directeur beslist wat er
                        mee gebeurt. Bij de meer op de persoon gerichte geschenken zoals
                        uitnodigingen kan de beslissing alleen luiden of zij al dan niet aanvaard
                        kunnen worden. Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Meld altijd aan uw leidinggevende als iemand u een geschenk geeft,
                                een uitnodiging stuurt of een korting aanbiedt. De leidinggevende
                                zal zorgdragen voor registratie en zal daarbij vermelden of het
                                geschenk geaccepteerd is en wat er vervolgens mee is gedaan.</al></li><li nr="§"><al>Persoonlijke geschenken met een waarde boven de € 25,- zijn voor
                                zover ze daarvoor vatbaar zijn eigendom van de gemeente. Over de
                                bestemming neemt de directeur een beslissing.</al></li><li nr="§"><al>Alle geschenken die aan het huisadres worden bezorgd, worden
                                geretourneerd onder opgave van reden.</al></li><li nr="§"><al>Geschenken tijdens een onderhandelingsfase mag u niet
                                accepteren.</al></li><li nr="§"><al>Deze regels gelden ook voor kerstpakketten.</al></li><li nr="§"><al>Kortingen op privé-aankopen accepteert u niet, tenzij het een
                                formele overeenkomst betreft waarvan alle medewerkers kunnen
                                profiteren, zoals het afsluiten van een collectieve
                                verzekering.</al></li></lijst><al><vet>6 Reizen en diners</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief> Reizen en
                        diners liggen in dezelfde sfeer als relatiegeschenken. Uitnodigingen voor
                        diners en lunchafspraken horen er bij sommige functies gewoon bij. Om snel
                        een afspraak te kunnen maken of om de afsluiting van een project te vieren.
                        Ook krijgen sommigen af en toe een uitnodiging om een reis mee te maken.
                        Maar het is van belang om uiterst zorgvuldig te zijn met het accepteren van
                        uitnodigingen, omdat ze de onafhankelijkheid van het gemeentelijk oordeel
                        kunnen beïnvloeden. Een duidelijk voorbeeld is een diner tijdens de
                        offertefase. Bij sommige afdelingen geldt dan ook de regel dat in deze fase
                        geen enkele uitnodiging van derden worden geaccepteerd. Voor reizen staat
                        voorop dat ze functioneel en in het belang van de gemeente moeten zijn.
                        Bijvoorbeeld om te zien hoe een systeem of product in de praktijk
                        functioneert. In dat geval is het ook logisch dat de gemeente de reis
                        betaalt.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Uitnodigingen voor diners, lunches, feesten en recepties accepteert
                                u alleen als ze functioneel zijn voor het werk en in het belang van
                                de gemeente. Toestemming van de leidinggevende of de
                                gemeentesecretaris (en voor hem van het college) is vereist. De
                                gemeente betaalt. Eventueel kan er sprake zijn van wederkerigheid,
                                bijvoorbeeld om de beurt betalen.</al></li><li nr="§"><al>Reizen zijn eveneens alleen toegestaan als ze in het belang van de
                                gemeente zijn. Net als bij diners geldt dan dat de gemeente betaalt.
                                Bepaalde vormen van wederkerigheid kunnen met zich meebrengen dat de
                                uitnodigende partij betaalt.</al></li><li nr="§"><al>Inhoudelijk zinvolle reizen die erg zijn opgetuigd met ontspannende
                                elementen kunt u in overleg met de organisator beter terugbrengen
                                tot hun functionele proporties. Snoepreisjes zijn immers uit den
                                boze.</al></li><li nr="§"><al>Alle medewerkers hebben toestemming nodig van de leiding om in
                                aanmerking te komen voor een reis- en verblijfkostenvergoeding.</al></li><li nr="§"><al>Van belangrijke (buitenlandse) reizen moet verslag worden gedaan,
                                bijvoorbeeld in het managementoverleg en het afdelingsoverleg.</al></li><li nr="§"><al>Voor medewerkers die in hoedanigheid van hun baan bij de gemeente
                                een functie bekleden bij een stichting of een vennootschap zijn de
                                regels over reizen, diners en geschenken onverkort van
                                toepassing.</al></li></lijst><al><vet>7 Gemeentelijke eigendommen; gebruik van pc en (mobiele) telefoon;
                            werktijden</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief> Van andermans
                        spullen blijf je normaal gesproken af. Dat geldt ook als ze van de baas
                        zijn. Gemeentelijke eigendommen zijn in het algemeen belang en op kosten van
                        de belastingbetaler aangekocht. Er moet dus zuinig mee worden omgegaan.
                        Onder werktijd moet je werken. Daar worden we immers uit gemeenschapsgeld
                        voor betaald. Maar het komt toch wel eens voor dat iemand een boodschap
                        onder werktijd doet, te laat komt of een paar pennen of een diskette van de
                        gemeente thuis heeft. Dat ene schrijfblok, dat halve uurtje: het lijkt
                        allemaal zo onbenullig. Maar als we alle uren en alle spullen bij elkaar
                        optellen, kost het de gemeente handenvol geld – iets om bij stil te staan.
                        Het kan zijn, dat uw functie van u vraagt ook thuis of elders te werken en
                        dat u daar materiaal, bijvoorbeeld een laptop voor nodig hebt. Stel u werkt
                        in de groenvoorziening. U werkt wel eens op een vrije dag bij een kennis in
                        zijn tuin. Werkkleding is dan handig. Ooit er bij stilgestaan wat het effect
                        is op anderen als zij dan het logo van Nijmegen zien op uw werkkleding? Zorg
                        ook dat over uw eigendommen en die van de gemeente geen misverstand
                        ontstaat. Het zal duidelijk zijn, dat het bellen van de tandarts om een
                        afspraak te maken vaak tijdens werktijd moet, maar een vakantiereis
                        uitzoeken en boeken via internet doet u natuurlijk gewoon thuis na werktijd.
                        En het postkantoor en de kapper zijn ook op zaterdag open. Het op de juiste
                        manier declareren van gemaakte kosten hoort ook thuis in dit
                        hoofdstuk.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Uitgangspunt is dat het niet is toegestaan gemeentelijke eigendommen
                                mee naar huis te nemen. In speciale gevallen kunt u toestemming
                                vragen. Zo’n uitzondering kan bijvoorbeeld zijn, dat u iets nodig
                                hebt voor het vervullen van uw functie. Dit wordt dan afgesproken en
                                vastgelegd. </al></li><li nr="§"><al>Per directie kunnen nadere regels worden gemaakt. Als er binnen uw
                                directie regels bestaan over het lenen van gemeentelijke materialen
                                moet u zich daar uiteraard aan houden.</al></li><li nr="§"><al>Houdt u aan de geldende werktijden. Als u op afwijkende tijden wilt
                                of moet werken doet u dit in overleg met uw leidinggevende.</al></li><li nr="§"><al>Bezoek aan tandarts en huisarts gebeurt in eigen tijd. </al></li><li nr="§"><al>De (mobiele) telefoon, e-mail of internet (en ook het
                                kopieerapparaat of andere voorzieningen) worden gebruikt voor het
                                werk. Alleen bij uitzondering en in beperkte mate kan hiervan met
                                toestemming van de leidinggevende voor privé-zaken gebruik worden
                                gemaakt. Zakelijk bellen en faxen vanuit het buitenland is alleen
                                bij wijze van uitzondering toegestaan, ter beoordeling van de
                                leidinggevende.</al></li><li nr="§"><al>U doet via internet geen privé-bestellingen. </al></li><li nr="§"><al>Het downloaden van illegale software is niet toegestaan.</al></li><li nr="§"><al>Het bezoeken van racistische, seksistische of pornografische sites
                                is niet toegestaan.</al></li><li nr="§"><al>U declareert alleen werkelijk gemaakte onkosten volgens de daarvoor
                                geldende regels.</al></li></lijst><al><vet>8 Klantvriendelijkheid en gelijke behandeling van
                            burgers</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief> De ene persoon komt
                        sympathieker over dan de andere. Maar de burger dient in gelijke gevallen
                        gelijk behandeld te worden. Ook mag de burger verwachten dat hij door zijn
                        overheid met respect behandeld wordt en dat u de rechten van de burgers
                        eerbiedigt.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>U behandelt burgers in gelijke gevallen op gelijke wijze.</al></li><li nr="§"><al>Correct omgaan met derden betekent ook dat u zich dienstverlenend
                                opstelt en altijd uw volledige deskundigheid in zet.</al></li><li nr="§"><al>Laat de ‘klant’ weten met wie hij heeft te maken en wat uw
                                hoedanigheid is.</al></li><li nr="§"><al>Leg relevante gesprekken met of meldingen van burgers altijd vast.
                                Zeker als u zelf een toezegging aan die burger hebt gedaan over de
                                behandeling van zijn verzoek.</al></li><li nr="§"><al>U behandelt de burgers zoals u zelf behandeld zou willen
                                worden.</al></li></lijst><al><vet>9 Samenwerking met collega’s; omgangsvormen</vet><cursief> Waar gaat
                            het om?</cursief> Collega’s hebben er recht op correct behandeld te
                        worden. Ook voor hen geldt gelijke behandeling in gelijke gevallen.
                        Ongewenste omgangsvormen kunnen zich voordoen tussen individuele medewerkers
                        of groepen medewerkers. Het gaat om gedrag, dat als ongewenst wordt ervaren,
                        zoals roddelen, pesten, (seksuele) intimidatie. Wat precies ongewenst is,
                        kan per persoon verschillen. Wat de een als een grapje ervaart, kan voor de
                        ander te ver gaan en zelfs tot ziekteverzuim leiden. Leidinggevenden zijn
                        verantwoordelijk voor het signaleren, voorkomen en bestrijden van ongewenste
                        omgangsvormen en kunnen erop aangesproken worden. Wees zorgvuldig met
                        afspraken. Maak ze niet lichtvaardig. Maar een eenmaal gemaakte afspraak is
                        en blijft een afspraak.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>Houd rekening met gevoelens van anderen.</al></li><li nr="§"><al>Ga altijd correct met collega’s om; ongewenste omgangsvormen als
                                pesten, roddelen en seksuele intimidatie zijn uit den boze.</al></li><li nr="§"><al>U maakt zich niet schuldig aan discriminatie van collega’s.</al></li><li nr="§"><al>U praat niet over anderen, maar mét anderen.</al></li><li nr="§"><al>U geeft zakelijke op werk en werkgedrag gerichte feedback.</al></li><li nr="§"><al>Afspraak is afspraak.</al></li><li nr="§"><al>Gedraag u tegen collega’s zoals u wilt dat ze zich tegen u
                                gedragen.</al></li></lijst><al><vet>10 Professionaliteit</vet><cursief> Waar gaat het om?</cursief> Als
                        gemeenteambtenaar oefent u een vak uit. Van u wordt verwacht dat u te allen
                        tijde “vakwerk” levert. Vakwerk leveren betekent professioneel handelen. Dit
                        is handelen op basis van de actuele stand van zaken binnen uw
                        vak.Regels</al><lijst><li nr="§"><al>U zorgt dat u bij blijft in uw vak. Kennis en vaardigheden moeten
                                dus worden bijgehouden.</al></li><li nr="§"><al>U bent alert op mogelijkheden om nog beter werk te leveren.</al></li><li nr="§"><al>Uw informatie aan bestuurders, maar ook aan leidinggevenden en
                                collega’s is altijd juist, volledig, duidelijk en tijdig.</al></li><li nr="§"><al>Handelen als professioneel ambtenaar betekent ook dat u er in uw
                                optreden zowel ten opzichte van derden als ten opzichte van elkaar
                                blijk van geeft de positie van de bestuursorganen raad, college en
                                burgemeester te respecteren. U hebt een transparante werkverhouding
                                met bestuurders en raadsleden, en behandelt alle fracties als
                                gelijkwaardig.</al></li></lijst><al><vet>11 Enkele relevante regelingen</vet></al><al>De gemeente Nijmegen kent enkele regelingen die samenhangen met de Het gaat
                        om de al vaker genoemde AGN, de klokkenluidersregeling, het protocol
                        onderzoek misstanden en de klachtenregeling seksuele intimidatie,
                        discriminatie, agressie en geweld. De AGN, de arbeidsvoorwaardenregeling van
                        de gemeente Nijmegen, regelt zaken als aanstelling en ontslag, salaris en
                        overige vergoedingen. Het hoofdstuk “Overige rechten en plichten” begint met
                        de bepaling dat een ambtenaar zich dient te gedragen “zoals een goed
                        ambtenaar betaamt.” De klokkenluidersregeling gaat over het melden van een
                        vermoeden dat er een misstand of een schending van deze gedragscode
                        plaatsvindt. Met andere woorden: wat moet u doen als u weet of vermoedt dat
                        iemand niet integer handelt. Voorop staat een melding aan uw leidinggevende.
                        Hebt u redenen om daar van af te zien, dan kunt u terecht bij een speciaal
                        voor dit doel ingestelde vertrouwenspersoon. De AGN bevat nog de bepaling
                        dat iemand die volgens de regeling een misstand meldt niet om die reden
                        nadelen mag ondervinden in zijn rechtspositie. Het protocol onderzoek
                        missstanden bevat een overzicht van de manier waarop de gemeente te werk
                        gaat als misstanden gemeld zijn. Zowel de bevoegdheden van de gemeente om
                        onderzoek te doen als bijvoorbeeld het recht op privacy van de medewerkers
                        komen daarbij aan de orde. De klachtenregeling seksuele intimidatie,
                        discriminatie, agressie en geweld regelt hoe U een klacht kunt indienen als
                        u slachtoffer van ongewenste omgangsvormen bent geworden. Voor opvang en
                        begeleiding na een dergelijke bejegening kunt u zich ook wenden tot de
                        vertrouwenspersonen die op grond van genoemde regeling zijn aangesteld. De
                        klachtenregeling bepaalt ook dat een klager niet benadeeld mag worden in
                        zijn of haar rechtspositie. Meer informatie over deze regelingen, hun
                        toepassing en over de namen van de vertrouwenspersonen kunt u krijgen bij uw
                        afdeling Personeelszaken. De regelingen zijn bovendien alle te vinden op de
                        AGN-pagina’s op intraweb.</al><al>Onderzoeksprotocol melding vermoeden integriteitsschending</al><al>Onderzoeksprotocol melding vermoeden integriteitsschending</al><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><lijst><li nr=""><al>1 Hoofdregels procedure</al></li><li nr=""><al>2 Onderzoek naar integriteitsschendingen</al></li><li nr=""><al>2.1 Uitgangspunten</al></li><li nr=""><al>2.2 De onderzoeker</al></li><li nr=""><al>3 Feitenonderzoek</al></li><li nr=""><al>3.1 Onderzoek naar strafbare feiten</al></li><li nr=""><al>3.2 Ordemaatregelen</al></li><li nr=""><al>3.3 Onderzoeksopdracht</al></li><li nr=""><al>3.4 Kennisgeving onderzoek</al></li><li nr=""><al>3.5 Onderzoeksmethoden</al></li><li nr=""><al>4 Verslaglegging en rapportage</al></li><li nr=""><al>4.1 Verslaglegging interviews en andere onderzoeksmethoden</al></li><li nr=""><al>4.2 Onderzoeksrapportage</al></li><li nr=""><al>5 Communicatie</al></li><li nr=""><al>5.1 Communicatie met de betrokkene</al></li><li nr=""><al>5.2 Nazorg</al></li><li nr=""><al>6 Extern onderzoek</al></li><li nr=""><al> 6.1 Wie voert de regie?</al></li><li nr=""><al>6.2 Aandachtspunten voor regievoerder</al></li></lijst><al><vet>1 Hoofdregels procedure</vet></al><al>Een vermoeden van een integriteitsschending kan zowel ontstaan uit
                        informatie die verkregen is binnen de eigen organisatie als uit informatie
                        van personen van buiten de eigen organisatie.</al><al>Het vermoeden van een integriteitsschending wordt in ieder geval door het
                        interne meldpunt aan de gemeentesecretaris gemeld indien:</al><lijst><li nr="§"><al>het vermoeden van een integriteitsschending een directeur
                                betreft;</al></li><li nr="§"><al> indien het vermoeden van een integriteitsschending meerdere
                                afdelingen raakt;</al></li><li nr="§"><al> indien het vermoeden van een integriteitsschending een politiek
                                gevoelige kwestie betreft;</al></li><li nr="§"><al> indien het vermoeden van een integriteitsschending bij uitkomst kan
                                leiden tot veel negatieve publiciteit.</al></li></lijst><al>Bij een vermoeden van een integriteitsschending dienen in ieder geval de
                        volgende vragen te worden beantwoord door het college, de gemeentesecretaris
                        of het afdelingshoofd (afhankelijk van wie beslissingsbevoegd is tot het
                        instellen van een onderzoek): </al><lijst><li nr="1."><al>Berust het vermoeden op voldoende concrete aanwijzingen en is het
                                van voldoende gewicht;</al></li><li nr="2."><al> Dient het vermoeden te worden aangegeven bij de Officier van
                                Justitie;</al></li><li nr="3."><al> Verricht de gemeente eigen onderzoek en wie gaat dat vervolgens,
                                met behulp van welke onderzoeksmethode doen;</al></li><li nr="4."><al> Worden externen ingeschakeld om onderzoek te verrichten en wie
                                krijgt hiertoe de opdracht;</al></li><li nr="5."><al> Wanneer wordt welke informatie gegeven aan mensen in de eigen
                                organisatie en wanneer wordt welke informatie gegeven aan mensen
                                buiten de eigen organisatie.</al></li></lijst><al>Voordat wordt overgegaan tot (intern) onderzoek dienen doel, procedure,
                        strategie en methode van onderzoek te worden vastgesteld. Dit dient
                        schriftelijk te worden vastgelegd.</al><al>Op het onderzoek zijn niet de strafrechtelijke voorschriften inzake
                        bewijslevering van toepassing. Het besluit om over te gaan tot een bepaalde
                        disciplinaire strafoplegging is immers gebaseerd op het tuchtrecht, op basis
                        van geldende rechtspositieregelingen. Hierbij heeft het bevoegde
                        bestuursorgaan, los van de strafrechter, de taak en bevoegdheid zich
                        zelfstandig een oordeel te vormen over bepaalde vragen. Een vereiste voor
                        disciplinaire bestraffing is dat het <cursief>aannemelijk</cursief> is dat
                        de ambtenaar de hem verweten gedraging heeft verricht.</al><al>De bevindingen van het onderzoek en de reactie van de betrokkene hierop
                        worden aan het bevoegd gezag van het onderzoek gerapporteerd.</al><al><vet>2 Onderzoek naar integriteitsschendingen</vet></al><al><vet>2.1 Uitgangspunten</vet></al><al><onderstreept>Professionaliteit</onderstreept> De onderzoeker in kwestie is
                        deskundig en moet zich vanzelfsprekend onthouden van onoorbare handelingen,
                        zoals het uitoefenen van (fysieke of psychische) druk, of het misleiden van
                        betrokkenen.</al><al><onderstreept>Waarheidsvinding</onderstreept> Een onderzoek moet een zo
                        volledig mogelijk beeld geven van een incident. Zowel belastend als
                        ontlastend materiaal moet worden verzameld en vastgelegd. Het doel van het
                        onderzoek is niet het bewijzen van het vermoeden en hiervoor een schuldige
                        aanwijzen; het moet gaan om waarheidsvinding. De kernvraag daarbij is: is er
                        inderdaad sprake van integriteitsschending? En zo ja, binnen welke context
                        vond die plaats en wie hadden/hebben er welke rol bij?</al><al><onderstreept>In verhouding tot de ernst van het gedrag</onderstreept> Twee
                        begrippen spelen een rol: proportionaliteit en subsidiariteit. Elk onderzoek
                        moet proportioneel zijn. Proportioneel betekent dat het onderzoek en de
                        gebruikte methoden in verhouding moeten staan tot de norm die is geschonden.
                        Is de onderzoeksmethode eenmaal vastgesteld, dan wordt altijd gekozen voor
                        de minst ingrijpende optie. Dat wil zeggen: alleen die handelingen die echt
                        nodig zijn, en tijdens een korte periode. De lasten van het onderzoek worden
                        anders voor de betrokkene(n) te zwaar in verhouding tot het onderzoeks- of
                        organisatiebelang. Bij iedere keuze voor een onderzoeksmethode moet ook
                        worden afgewogen of het uiteindelijke doel ook met een lichter
                        onderzoeksmiddel kan worden bereikt (subsidiariteit). Is de benodigde
                        informatie bijvoorbeeld ook te krijgen door de betrokkene en eventuele
                        getuigen te horen, dan is observatie niet nodig.</al><al><onderstreept>Zonder vooringenomenheid</onderstreept> Vooringenomenheid
                        houdt in dat een onderzoek niet met open vizier wordt uitgevoerd. Als je van
                        te voren al denkt te weten hoe het zit, dan leidt dat tot tunnelvisie en sta
                        je niet meer open voor andere opties. De betrokken ambtenaar hoeft zijn
                        onschuld niet te bewijzen; de organisatie moet bewijzen dat het aannemelijk
                        is dat de ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan een
                        integriteitsschending. En dat dat plichtsverzuim met zich meebrengt. </al><al><vet>2.2 De onderzoeker</vet></al><al>Bij de keuze voor de onderzoeker is objectiviteit het uitgangspunt. Indien
                        gewenst kan er worden besloten om het onderzoek te laten verrichten door een
                        extern bureau, dan wel kan de interne onderzoeker zich laten bijstaan door
                        een extern deskundige. Indien het bevoegd gezag het afdelingshoofd is, wordt
                        het onderzoek in beginsel verricht door de afdeling P&amp;O. Het
                        afdelingshoofd kan in overleg met het intern meldpunt besluiten tot een
                        andere onderzoeker. Indien het bevoegd gezag het college of de
                        gemeentesecretaris is, wordt het onderzoek verricht door een door het
                        college of de gemeentesecretaris aangewezen persoon.</al><al><vet>3 Feitenonderzoek</vet></al><al><vet>3.1 Onderzoek naar strafbare feiten</vet></al><al>Als er sprake is van een strafbaar feit, dan komt bij de beslissing om
                        onderzoek te doen ook de vraag aan de orde of er aangifte moet worden
                        gedaan. Is er een redelijk vermoeden dat het gaat om een strafbaar feit, dan
                        meldt de onderzoeker dat bij het bevoegd gezag. Dat bepaalt vervolgens of
                        het aangifte wil/moet doen. De aangifteplicht geldt voor elke ambtenaar die
                        op de hoogte is van een strafbaar feit van de misdrijven die zijn genoemd in
                        artikel 162 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Er moet onverwijld
                        aangifte worden gedaan:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het misdrijf een ambtsmisdrijf is als bedoeld in titel
                                XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
                                Voorbeelden hier zijn: het verduisteren van geld, vervalsing van
                                boeken of registers, aannemen van steekpenningen, onrechtmatig
                                binnentreden of in beslag nemen, (medeplichtigheid aan) schending
                                van telefoongeheim, deelneming aan leveranties of aannemingen
                                waarover hem toezicht is opgedragen. </al></li><li nr="b."><al> indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar die daarbij een
                                bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft
                                gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt
                                geschonken. Geschonden moet zijn een bijzondere ambtsplicht, dat wil
                                zeggen een plicht die voortvloeit uit het door de ambtenaar beklede
                                ambt. Het gaat dus om verplichtingen die specifiek aan het ambt
                                kleven en waarin het ambt zich juist van andere onderscheidt.</al></li><li nr="c."><al> indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt
                                gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de
                                naleving aan hen is opgedragen. Hierbij gaat het om wettelijke
                                regelingen, maar ook om beleidsregels en contractuele regelingen,
                                dus om regelingen die niet de status van wet hebben.</al></li></lijst><al>Noch de samenloop, noch het feit dat gegevens uit het strafrechtelijk
                        onderzoek van betekenis kunnen zijn voor en gebruikt kunnen worden in het
                        kader van het disciplinaire onderzoek nemen weg dat het bij het
                        disciplinaire onderzoek om een op zichzelf staand traject gaat. Bewaking van
                        de voortgang van dat traject berust bij de gemeente. Dit kan dus met zich
                        meebrengen dat de gemeente gehouden kan zijn op basis van eigen onderzoek
                        over te gaan tot besluitvorming omdat de bevindingen uit een strafrechtelijk
                        onderzoek bijvoorbeeld te lang op zich laten wachten. Ook is het mogelijk
                        dat wél de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek worden afgewacht,
                        maar niet de uitkomst van het strafproces. Het besluit om over te gaan tot
                        een bepaalde disciplinaire strafoplegging is immers gebaseerd op het
                        tuchtrecht, op basis van geldende rechtspositieregelingen. Hierbij heeft het
                        bevoegde bestuursorgaan de taak en bevoegdheid zich een oordeel te vormen
                        over bepaalde vragen, waarbij het oordeel van de strafrechter niet behoeft
                        te worden afgewacht. Evenmin zijn op de tuchtrechtelijke procedure de
                        strafrechtelijke voorschriften inzake bewijslevering van toepassing. Een
                        vereiste voor disciplinaire bestraffing is wél, dat het aannemelijk is dat
                        de ambtenaar de hem verweten gedraging heeft verricht.</al><al><vet>3.2 Ordemaatregelen</vet></al><al>Een ordemaatregel is een maatregel om een ambtenaar tijdelijk te beletten
                        zijn werkzaamheden uit te oefenen. Of om hem te weren van zijn werkplek. Ook
                        een schorsing (al dan niet met behoud van salaris) of een ontzegging van de
                        toegang tot de werkplek is een ordemaatregel. </al><al>Bij een vermoeden van een integriteitsschending doet zich vaak meteen de
                        vraag voor of de betrokken ambtenaar tijdens de procedure wel aan het werk
                        kan blijven. Bijvoorbeeld als de werkgever denkt dat er kans is op herhaling
                        van de integriteitsschending. Daarnaast kan de aanwezigheid van de betrokken
                        ambtenaar storend zijn als de werkgever een onderzoek instelt. Bijvoorbeeld
                        omdat hij dan het onderzoek kan frustreren. Denk hierbij aan de mogelijkheid
                        van het vernietigen van bewijsmateriaal. Aan de andere kant kan het ook
                        juist noodzakelijk zijn dat de ambtenaar zijn functie blijft uitoefenen.
                        Bijvoorbeeld wanneer er aanvullend onderzoek moet worden gedaan en de
                        ambtenaar (langer) geobserveerd moet worden. In dat geval is de ambtenaar
                        zelf niet op de hoogte van het vermoeden en van het feit dat er een
                        onderzoek naar hem is ingesteld. Het moment van het opleggen van een
                        ordemaatregel is, zoals uit het bovenstaande blijkt, afhankelijk van de
                        feiten en omstandigheden. In het algemeen dient er direct na het ontstaan
                        van een vermoeden nagedacht worden over de vraag of er een ordemaatregel
                        moet worden opgelegd. Is dat niet meteen nodig, dan kan de vraag op een
                        later tijdstip toch weer actueel worden. Bijvoorbeeld tijdens het onderzoek,
                        of erna.</al><al><cursief>Zorgvuldige afweging</cursief> Voor alle ordemaatregelen geldt dat
                        het opleggen ervan veel impact heeft op de betrokken ambtenaar én zijn
                        omgeving. Van het ene op het andere moment is de ambtenaar van de werkvloer
                        verdwenen, moeten werkzaamheden worden overgenomen, en heerst er onzekerheid
                        bij de collega’s. De betrokken ambtenaar wordt door de ordemaatregel altijd
                        geschaad. Er moet zo terughoudend mogelijk moet worden omgegaan met het
                        opleggen van een ordemaatregel en het belang van de ambtenaar en het belang
                        van de werkgever heel zorgvuldig tegen elkaar moeten worden afgewogen. Aan
                        de andere kant zorgen sommige vermoedens er nu eenmaal voor dat het opleggen
                        van een ordemaatregel niet uit kan blijven.</al><al><cursief>Het opleggen van een ordemaatregel</cursief> Als er eenmaal
                        besloten is om een ordemaatregel op te leggen, dan kan de ambtenaar tegen
                        dat besluit bezwaar maken. Daarom wordt er een bezwaarclausule opgenomen in
                        het schorsingsbesluit. In het schorsingsbesluit wordt de reden van de
                        ordemaatregel altijd zo duidelijk mogelijk beschreven. In uitzonderlijke
                        gevallen kan dat niet, bijvoorbeeld omdat er in het onderzoeksbelang
                        terughoudend mee moet worden omgegaan. In het schorsingsbesluit wordt ook de
                        duur van de ordemaatregel genoemd. In dat geval geldt ook een omschrijving
                        als “de schorsing geldt totdat het onderzoek is afgerond” als een bepaling
                        van tijd. Het kan zijn dat het onderzoek noodzakelijk maakt dat een
                        ambtenaar direct wordt geschorst. Dan is er geen tijd voor een schriftelijk
                        besluit. De schorsing wordt dan mondeling aangezegd en de schriftelijke
                        bevestiging wordt vervolgens zo snel mogelijk overhandigd of verzonden.</al><al><vet>3.3 Onderzoeksopdracht</vet></al><al>Een eventuele onderzoeksopdracht wordt schriftelijk verstrekt. Dat geldt
                        zowel voor intern als voor extern uitgevoerde onderzoeken. De
                        onderzoeksopdracht bevat een heldere afbakening en geeft aan wanneer de
                        onderzoeksfase start.</al><al>De onderzoeksopdracht bevat in ieder geval de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="§"><al><cursief> De aanleiding van het onderzoek.</cursief></al></li><li nr="§"><al><cursief> Een duidelijk omschreven opdracht.</cursief> De opdracht
                                moet in eerste instantie zo smal mogelijk worden omschreven. Een te
                                ruime opdracht kan namelijk later door een rechter worden opgevat
                                als ‘disproportioneel’.</al></li><li nr="§"><al><cursief> De onderzoeksvragen.</cursief> Waar moet het onderzoek
                                antwoord op geven?</al></li></lijst><al>Voert een externe partij het onderzoek uit? Dan moet in de opdracht ook
                        staan:</al><lijst><li nr="§"><al> van welke bevoegdheden de externe partij gebruik mag maken;</al></li><li nr="§"><al> de vermoedelijke duur van het onderzoek; </al></li><li nr="§"><al>de verplichting om de opdrachtgever regelmatig op de hoogte te
                                houden over de voortgang van het onderzoek;</al></li><li nr="§"><al> dat de externe partij werkt volgens dit onderzoeksprotocol.</al></li></lijst><al>Tijdens het onderzoek kan de integriteitsschending omvangrijker of
                        ingewikkelder blijken dan gedacht. In dat geval kan in overleg met het
                        bevoegd gezag worden besloten om het onderzoek uit te breiden. Denk daarbij
                        aan capaciteit, bevoegdheden, of aantal mensen dat gehoord wordt. Iedere
                        uitbreiding van het onderzoek moet altijd schriftelijk worden
                        vastgelegd.</al><al><vet>3.4 Kennisgeving onderzoek</vet></al><al>Voordat het feitenonderzoek kan beginnen, wordt betrokkene in beginsel
                        schriftelijk geïnformeerd over het feit dat er een feitenonderzoek naar hem
                        wordt ingesteld. Daarnaast kan het ook mondeling worden verteld,
                        bijvoorbeeld op het moment dat de schriftelijke kennisgeving persoonlijk
                        wordt uitgereikt. Er zijn echter redenen denkbaar dat betrokkene vooraf niet
                        van het onderzoek in kennis wordt gesteld. Deze redenen zijn dan gelegen
                        zijn in het onderzoeksbelang, bijvoorbeeld als betrokkene mogelijk
                        bewijsmateriaal kan vernietigen. Soms is er ook eerst nog verdere observatie
                        nodig en is het daarom beter om de betrokkene niet direct te
                        informeren.</al><al>De vermoedelijke schending en het onderzoeksbelang zijn uiteindelijk
                        bepalend voor de mate van openheid in de kennisgeving.</al><al><vet>3.5 Onderzoeksmethoden</vet></al><al>Tijdens het onderzoek kunnen verschillende onderzoeksmethoden worden
                        gebruikt. De belangrijkste zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> Het interviewen van de betrokken ambtenaar en eventuele
                                getuigen.</al></li><li nr="b."><al> Onderzoek van de (digitale) werkomgeving.</al></li><li nr="c."><al> Het onderzoek van telecommunicatie.</al></li><li nr="d."><al> Observatie.</al></li></lijst><al><vet>Ad a. Het interviewen van de betrokken ambtenaar en eventuele
                            getuigen</vet> Tijdens het feitenonderzoek worden zowel de betrokkene
                        als eventuele getuigen geïnterviewd. Daarnaast wordt meestal een gesprek
                        gehouden met de leidinggevende en met collega’s – die op zich niets met de
                        kwestie van doen hoeven te hebben. Deze personen kunnen onder andere
                        informatie geven over de gang van zaken op de afdeling, over de werkwijze,
                        of over wat besproken is tijdens werkoverleggen. Het afnemen van interviews
                        is het meest gebruikte en soms zelfs enige mogelijke onderzoeksmiddel.
                        Daarom is het erg belangrijk dat dit zo goed mogelijk gebeurt. Dat betekent
                        in ieder geval dat:</al><lijst><li nr="§"><al>De betrokkene vooraf is geïnformeerd over de aard van het
                                gesprek.</al></li><li nr="§"><al> De betrokkene weet dat hij zich tijdens het gesprek door een
                                raadsman kan laten bijstaan (artikel 3:1 Awb).</al></li></lijst><al>Het spreekt voor zich dat de onderzoekers zich voor, tijdens en na het
                        gesprek niet misleidend mogen uitlaten of gedragen. Ook mogen ze geen
                        psychische of fysieke druk of dwang gebruiken: de betrokken ambtenaar moet
                        zijn verklaring vrij kunnen afleggen. Om de onafhankelijkheid van het
                        onderzoek te bevorderen en er voor te zorgen dat de rechter het gesprek als
                        bewijs kan accepteren, moeten de gesprekken worden gevoerd in koppels van
                        twee onderzoekers. Dit is ook ter bescherming van de onderzoekers zelf.</al><al>Wil de betrokkene zich niet verantwoorden? Dan kan hem dat wel
                        plichtsverzuim opleveren.</al><al><cursief>Cautie</cursief> Het is zorgvuldig om al aan het begin van het
                        interview te bespreken wat de mogelijke consequenties zijn van niet
                        meewerken of niet de waarheid vertellen. Daarnaast dient de ambtenaar erop
                        gewezen te worden dat een eventuele verklaring over een strafbaar feit
                        risico’s met zich mee kan brengen. Het kan dan zijn dat de ambtenaar in
                        bestuurlijke context een belastende verklaring heeft afgelegd, die later in
                        een strafzaak wordt gebruikt. </al><al><cursief>Raadsman</cursief> De betrokkene moet de mogelijkheid worden
                        gegeven om zich te laten bijstaan door een raadsman. Zijn er ernstige
                        bezwaren tegen de raadsman, bijvoorbeeld omdat hij zelf betrokken is bij het
                        plichtsverzuim of omdat tegen hem vergelijkbare verdenkingen bestaan? Dan
                        kan zijn aanwezigheid worden geweigerd.</al><al><cursief>Het interviewen van getuigen</cursief> De onderzoekers kunnen –
                        behalve de betrokken ambtena(a)r(en) – ook getuigen interviewen. Die kunnen
                        binnen of buiten de organisatie vandaan komen. Voor de getuigen die binnen
                        de organisatie werken, geldt hetzelfde als voor de betrokken ambtenaar: in
                        principe zijn ze verplicht om aan het feitenonderzoek mee te werken. Niet
                        meewerken, kan ook voor hen plichtsverzuim opleveren. De getuigen die worden
                        uitgenodigd om een verklaring af te leggen worden gewezen op hun rechten en
                        plichten. Die laatsten zijn gelijk aan die van de betrokken ambtenaar. Het
                        is netjes om de getuige(n) erop te wijzen dat hun verklaring later kan
                        worden ingezien door de betrokken ambtenaar. </al><al><cursief>Verslag</cursief> De onderzoekers maken altijd van alle gesprekken
                        een verslag. Omdat duidelijk moet zijn wie wat heeft verklaard, moeten alle
                        verklaringen voorzien zijn van de naam van de geïnterviewde persoon, zijn
                        handtekening en de datum van het interview. Een anonieme verklaring is
                        alleen toelaatbaar in combinatie met ander verifieerbaar bewijsmateriaal en
                        als handhaving van de anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden nodig is. </al><al><vet>Ad b. Onderzoek van de (digitale) werkomgeving.</vet> De werkomgeving
                        valt onder de verantwoordelijkheid van het college. Als het vermoeden
                        bestaat dat de werkomgeving informatie bevat die belangrijk is voor het
                        onderzoek, dan kunnen de onderzoekers deze echter doorzoeken. Onder de
                        werkomgeving wordt verstaan: dienstruimten, (archief)kasten, bureaus,
                        automatisering en dienstvoertuigen. Het doorzoeken van de werkplek zal
                        zoveel mogelijk plaatsvinden in aanwezigheid van de betrokkene en gebeurt
                        door minimaal twee onderzoekers. Hij wordt uitgenodigd om bij het doorzoeken
                        aanwezig te zijn. Indien de persoon echter aangeeft niet aanwezig te willen
                        zijn, of zonder opgaaf van gegronde redenen wegblijft op het overeengekomen
                        tijdstip, kan toch tot het doorzoeken worden overgegaan. Van de resultaten
                        maken de onderzoekers een rapport van bevindingen op. </al><al><vet>Ad c. Onderzoek van telecommunicatie</vet> Onderzoek naar het gebruik
                        van telecommunicatiemiddelen houdt in dat het gebruik van e-mail,
                        internetcommunicatie, telefoon en/of fax wordt onderzocht. Aan dit onderzoek
                        is een aantal voorwaarden verbonden. </al><al>Het aanwenden van deze onderzoekmethode kan alleen geschieden om oneigenlijk
                        gebruik van telecommunicatiemiddelen te onderzoeken en niet voor enig ander
                        doel.</al><al>De bescherming van de privacy op de werkplek is in verschillende wet- en
                        regelgeving vastgelegd. Zo heeft een werknemer op basis van artikel 8
                        Europees verdrag voor de rechten van de mens (ERVM) recht op een zekere mate
                        van vertrouwelijke communicatie op zijn werkplek. Dus zonder inmenging van
                        de werkgever. Uit jurisprudentie blijkt dat de zorg van een goed werkgever
                        met zich meebrengt dat de vertrouwelijkheid van berichten met een meer
                        persoonlijke, niet zakelijke inhoud, moet worden gerespecteerd. Dit betekent
                        echter niet dat bij een duidelijk vermoeden van oneigenlijk gebruik, er geen
                        inbreuk op deze privacy mag plaatsvinden. Ook hier moeten de beginselen van
                        proportionaliteit en subsidiariteit echter goed in acht te worden genomen. </al><al>Bij controle van e-mail en internetverkeer zijn verschillende
                        onderzoeksstadia mogelijk (controle van volume van e-mailverkeer, controle
                        naar de extensie van attachments indien het onderzoek naar het volume
                        onregelmatigheden heeft opgeleverd, onderzoek naar de tekst die bij het
                        onderwerp van het bericht is ingevoerd, scanning van plaatjes/taal,
                        onderzoek van inhoud van e-mailberichten al dan niet met toestemming). Het
                        besluit om bepaald onderzoek te verrichten dient te geschieden na een
                        zorgvuldige belangenafweging omtrent het recht op privacy van de persoon in
                        kwestie en het belang van het onderzoek. </al><al>Onderzoek naar een vermoeden van een integriteitschending door middel van
                        oneigenlijk gebruik van het internet kan bestaan uit het onderzoeken hoe
                        vaak, hoe lang, welke websites bezocht zijn, hoe vaak, welke bestanden zijn
                        gedownload (bijv. muziek, spelletjes, upgrades, drivers) en hoe lang dat
                        heeft geduurd. </al><al>Bij het vermoeden van oneigenlijk telefoon- en/of faxgebruik (bijvoorbeeld
                        onverklaarbaar hoge telefoonkosten) kan onderzoek worden gedaan naar
                        geregistreerde gespreksgegevens (datum, tijd, gekozen nummer, duur van het
                        gesprek en de daaraan verbonden kosten).</al><al><vet>Ad d. Observatie</vet> Om de handelingen of de gedragingen die tot een
                        vermoeden van integriteitsschending hebben geleid te kunnen bevestigen, is
                        het soms nodig om de betrokkene te observeren. Er zijn grofweg twee vormen
                        van observatie mogelijk:</al><lijst><li nr="§"><al><cursief>Dynamische observatie.</cursief> In dit geval worden de
                                betrokkene of een bepaald goed fysiek gevolgd. Hierbij kan gebruik
                                worden gemaakt van een foto- en/of videocamera. Een voorwaarde is
                                dan wel dat de camera wordt ingezet vanaf de openbare weg of in
                                openbaar toegankelijke ruimtes. Dat wil zeggen: de camera moet
                                zichtbaar zijn voor iedereen. De aantasting van de persoonlijke
                                levenssfeer moet zo beperkt mogelijk worden gehouden (bijvoorbeeld
                                observatie beperken tot enkele dagen en tot hetgeen vanaf de
                                openbare weg zonder meer voor een ieder waarneembaar is). Dynamische
                                observatie kan ook buiten werktijd plaatsvinden. Bijvoorbeeld bij
                                een vermoeden van oneigenlijk ziekteverzuim of van onverenigbare
                                nevenactiviteiten. Observatie is een zwaar middel, zeker als het
                                buiten werktijd plaatsvindt. Het vermoeden van plichtsverzuim moet
                                daarom de aantasting van de privacy die er bij hoort kunnen
                                rechtvaardigen. Ook moet goed gekeken worden of er niet een minder
                                zwaar middel kan worden ingezet.</al></li><li nr="§"><al><cursief> Statische observatie</cursief>. Dit wil zeggen: het
                                observeren met een (verborgen) camera op (een deel van) de werkplek.
                                Van belang is hierbij wel dat de aantasting van de persoonlijke
                                levenssfeer zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Indien bijvoorbeeld
                                op grond van geconstateerde feiten (diefstal uit een kassa) besloten
                                wordt een verborgen videocamera te plaatsen, dient de camera zich
                                enkel te richten op de directe werkomgeving van de kassa. Indien
                                bekend is dat de diefstal heeft plaatsgevonden buiten werktijd,
                                dienen opnames plaats te vinden buiten werktijd.</al></li></lijst><al>Het doel van de observatie is bepalend voor de keuze of medewerkers vooraf
                        moet worden medegedeeld dat er een videocamera wordt geplaatst. Mededeling
                        vindt plaats indien de werkgever het doel heeft om diefstallen in de
                        toekomst te voorkomen. Indien het doel primair is gericht op het vaststellen
                        van de identiteit en integriteit van een potentiële dader, is een geheime
                        observatie de meest geschikte onderzoeksmethode. Een mededeling vooraf
                        omtrent de plaatsing van een camera zou genoemd oogmerk immers volledig
                        frustreren.</al><al>Net als aan de controle op e-mail en internetgebruik is aan het gebruik van
                        observatiecamera’s een aantal voorwaarden verbonden. </al><lijst><li nr="§"><al> Er moet een concrete aanwijzing zijn dat er een
                                integriteitsschending heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="§"><al> Er moet een gerechtvaardigd belang zijn om een dergelijk zwaar
                                onderzoeksmiddel in te zetten.</al></li><li nr="§"><al> De aantasting van de persoonlijke levenssfeer moet zo beperkt
                                mogelijk worden gehouden.</al></li><li nr="§"><al> Het is niet toegestaan om zomaar op elke plek een camera op te
                                hangen. Waar mensen zich vrij moeten kunnen voelen – zoals in
                                kleedruimten of in toiletten – mag het <cursief>niet</cursief>.</al></li><li nr="§"><al> Het gebruik van camera’s moet beperkt blijven wat betreft tijd en
                                plaats (proportionaliteitsvereiste).</al></li><li nr="§"><al> De gegevens moeten worden opgeslagen in overeenstemming met de WBP
                                en mogen alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn
                                opgeslagen (<cursief>doelprincipe</cursief>).</al></li></lijst><al>Het gebruik van heimelijke camera’s mag dus alleen in uitzonderingsgevallen,
                        als zwaarwegende belangen dat eisen en wanneer er geen alternatieven zijn om
                        het onderzoeksdoel op een andere, minder ingrijpende manier, te
                        bereiken.</al><al><vet>Andere onderzoeksmethoden</vet> De onderzoeksmiddelen die in de
                        voorgaande paragrafen zijn beschreven, zijn niet uitputtend. Het zijn wel de
                        belangrijkste en meest gebruikte. Soms wordt echter ook gebruik gemaakt van
                            <cursief>statistisch onderzoek</cursief> of
                            <cursief>handschriftanalyse</cursief>. Statistisch onderzoek kan helpen
                        om een relatie te vinden tussen de aanwezigheid van een betrokkene op een
                        bepaald(e) plaats of tijdstip en de vermeende integriteitsschending. Zo kan
                        met behulp van een toegangspasje voor gemeentelijke gebouwen informatie
                        worden verkregen over de eventuele aanwezigheid van de persoon in kwestie in
                        een gebouw. Ook een pieper kan, indien de persoon in kwestie hierover
                        beschikt, de nodige informatie geven. Uit de rechtspraak blijkt echter dat
                        statistisch bewijs op zich – dus zonder enig andere vorm van bewijs – niet
                        voldoende is. Bij handschriftanalyse wordt geschreven tekst voorgelegd aan
                        een handschriftdeskundige die onderzoekt of een tekst naar alle
                        waarschijnlijkheid aan een bepaalde persoon is toe te schrijven. In het
                        algemeen wordt in juridische procedures aan een handschriftanalyse slechts
                        aanvullende bewijskracht toegekend. In het kader van disciplinair onderzoek
                        zal in beginsel aan een handschriftanalyse als enig middel van bewijs
                        slechts dan doorslaggevende betekenis toekomen, als de uitkomst van die
                        analyse geen redelijke twijfel open laat over de rol van betrokkene. </al><al><vet>Openbare bronnen</vet> Tijdens het onderzoek bestaat er vaak behoefte
                        aan het inwinnen van informatie. Eén manier daarvoor is het raadplegen van
                        openbare bronnen. Dankzij internet is de beschikbaarheid van dit soort
                        bronnen flink toegenomen. Hoewel het gebruik van informatie uit dit soort
                        bronnen in principe is toegestaan, is het wel belangrijk om te bepalen in
                        hoeverre je waarde kan hechten aan de gevonden informatie. Is de informatie
                        van de openbare bron bijvoorbeeld wel juist en betrouwbaar? Wordt er een
                        beslissing genomen op basis van de gevonden informatie? Dan is het
                        belangrijk om aan te geven wat de specifieke vindplaats is (URL) en wanneer
                        de informatie is geraadpleegd. Zo kan achteraf de juistheid en
                        betrouwbaarheid van de informatie worden gecontroleerd. Tip: maak een
                        schermafdruk en bewaar deze bij het digitale onderzoeksdossier. Er bestaat
                        ook verschil tussen de openbare bronnen zelf. Aan informatie van
                        bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel of het bevolkingsregister, mag
                        uiteraard meer waarde worden gehecht dan aan informatie via Facebook. Het
                        aanvoeren van ondersteunend bewijsmateriaal is daarom in sommige gevallen
                        noodzakelijk.</al><al><vet>4 Verslaglegging en rapportage</vet></al><al>Tijdens het feitenonderzoek worden alle uitgevoerde onderzoekshandelingen
                        vastgelegd in een onderzoeksrapportage. Deze wordt na afronding van het
                        onderzoek aangeboden aan het bevoegd gezag. Een goede verslaglegging vormt
                        een solide (schriftelijke) basis om een oordeel te kunnen vormen over de
                        vermoedelijke integriteitsschending. Of om vast te kunnen stellen dat er
                        sprake is van plichtsverzuim. De manier waarop het onderzoek is uitgevoerd
                        en de uiteindelijke bevindingen moeten aan het eind van het traject voor
                        alle partijen inzichtelijk zijn. Daarnaast moeten de rechtmatigheid en de
                        kwaliteit van het onderzoek en de bevindingen toetsbaar zijn.</al><al><vet>4.1 Verslaglegging interviews en andere onderzoeksmethoden</vet></al><al>Het is belangrijk om interviews altijd met twee personen af te nemen. Eén
                        van beide legt tijdens het gesprek de verklaring schriftelijk vast. Dit
                        verslag geeft een zo getrouw mogelijke weergave (in het kort en niet
                        letterlijk) van wat er tijdens het gesprek aan de orde is gekomen. Er kan
                        worden besloten om het gesprek vast te leggen met opnameapparatuur. Dat
                        laatste mag alleen als alle aanwezigen daarmee instemmen.</al><al>Het verslag wordt in beginsel binnen enkele werkdagen toegestuurd. Na
                        ontvangst stuurt de betrokkene het verslag en zijn eventuele schriftelijke
                        opmerkingen binnen vijf werkdagen terug. Het verslag wordt door alle
                        gespreksdeelnemers, dus zowel de onderzoekers als de geïnterviewde,
                        ondertekend. Als het verslag uit meerdere pagina’s bestaat, dan wordt iedere
                        pagina door de geïnterviewde geparafeerd. Weigert een betrokkene het
                        gespreksverslag te ondertekenen? Dan vermelden de onderzoekers dat in het
                        verslag, als dat kan met opgaaf van de reden(en). Kunnen de onderzoekers en
                        de betrokkene het niet eens worden over de tekst van het verslag, dan wordt
                        de afwijkende mening van de betrokkene opgenomen in een apart verslag. Dat
                        wordt vervolgens aan het gespreksverslag vastgehecht.</al><al>Het verslag maakt deel uit van het uiteindelijke onderzoeksrapport.</al><al>Ook het gebruik van andere bevoegdheden en de manier waarop dat is gebeurd
                        (bijvoorbeeld het doorzoeken van de werkomgeving, statische en/of dynamische
                        observatie en het monitoren van e-mail/internet) moet goed worden
                        vastgelegd.</al><al><vet>4.2 Onderzoeksrapportage</vet></al><al>De onderzoeksfase eindigt met het aanbieden van het onderzoeksrapport aan
                        het bevoegd gezag. Dit rapport bevat alle informatie die het bevoegd gezag
                        nodig heeft om zich een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van
                        integriteitsschending. Daaronder wordt uiteraard ook informatie verstaan die
                        ontlastend is voor de betrokken ambtenaar. Bijvoorbeeld informatie die niet
                        positief is voor de opdrachtgever. In de eerste plaats omdat het relevante
                        feiten en omstandigheden zijn die meegewogen moeten kunnen worden. In de
                        tweede plaats omdat de betrokken ambtenaar de ontlastende feiten en
                        omstandigheden waarschijnlijk later ook zelf zal aanvoeren. En dat kan er
                        dan toe leiden dat een eerder besluit moet worden teruggedraaid.</al><al>Ook de betrokken ambtenaar moet zich op basis van het onderzoeksrapport een
                        oordeel kunnen vormen over het onderzoek. Daarnaast moet hij dat eventueel
                        kunnen (laten) toetsen op rechtmatigheid. Ook dat vraagt om een goede
                        rapportage, die tijdig in het bezit moet komen van de betrokken
                        ambtenaar.</al><al>Een onderzoeksrapportage bevat in ieder geval de volgende stukken:</al><lijst><li nr="§"><al> De onderzoeksopdracht, en eventuele latere uitbreidingen;</al></li><li nr="§"><al> Een beschrijving van de gebruikte onderzoeksmiddelen en de manier
                                waarop deze zijn ingezet;</al></li><li nr="§"><al> Een weergave van alle feiten en omstandigheden die betrekking
                                hebben op de vermoedelijke integriteitsschending;</al></li><li nr="§"><al> Een overzicht van alle relevante wet- en regelgeving (van
                                toepassing zijnde wettelijke voorschriften, procedures,
                                beleidstukken et cetera);</al></li><li nr="§"><al> Schriftelijke (achterliggende) stukken (zoals gespreksverslagen,
                                verslagen van relevante werkoverleggen et cetera);</al></li><li nr="§"><al> De bevindingen op grond van het onderzoek.</al></li></lijst><al><cursief>Inzien en reactie op onderzoeksrapportage</cursief> De
                        onderzoekscommissie stuurt het onderzoeksrapport, minus de bevindingen en
                        conclusies, aan de betrokkene toe. Deze krijgt gelegenheid om binnen twee
                        weken te reageren. Na deze termijn worden de bevindingen en conclusies
                        vastgesteld. Voorts wordt het integrale onderzoeksrapport aangeboden aan het
                        bevoegd gezag. Het bevoegd gezag zendt het integrale onderzoeksrapport aan
                        betrokkene, die binnen twee weken zijn reactie daarop kan geven. Tevens kan
                        hij mondeling gehoord worden door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag
                        oordeelt vervolgens of het onderzoek zorgvuldig is verricht en of de
                        conclusies worden gedragen door de bevindingen van het onderzoek.</al><al><cursief>Besluitvorming naar aanleiding van de
                            onderzoeksrapportage</cursief> De onderzoekers leggen alle feiten
                        objectief vast. Daarbij mogen ze geen persoonlijke mening of oordeel geven.
                        Zoals het trekken van eventuele consequenties (zoals het opleggen van een
                        disciplinaire maatregel) naar aanleiding van de onderzochte feiten. Dat is
                        de taak van het bevoegd gezag. Het objectief (descriptief) onderzoeken en
                        het geven van een (normatief) oordeel moeten strikt gescheiden blijven. Als
                        het gaat om een lijvig rapport met veel bijlagen worden de belangrijkste
                        onderzoeksbevindingen in een apart(e) brief of een aparte tekst gezet.</al><al>Het bevoegd gezag beslist uiteindelijk of de vastgestelde feiten in het
                        rapport aanleiding zijn om de feiten te kwalificeren als plichtsverzuim, of
                        als een andere vorm van ongewenst ambtelijk handelen. Is dat zo, dan moet
                        het vervolgens bepalen of het rapport aanleiding geeft tot een disciplinaire
                        straf of een andere (rechtspositionele) maatregel. Het bevoegd gezag
                        verwijst daarbij niet alleen naar de bevindingen van het onderzoek, maar
                        onderbouwt hoe het zelfstandig op basis van de onderzoeksresultaten tot een
                        besluit is gekomen. De conclusie kan natuurlijk ook zijn dat de betrokken
                        ambtenaar niets te verwijten valt. In dat geval moet het bevoegd gezag
                        besluiten hoe hier zorgvuldig over wordt gecommuniceerd.</al><al>Het onderzoeksrapport maakt geen deel uit van het personeelsdossier van de
                        betrokken ambtenaar, maar wordt opgenomen in een afzonderlijk vertrouwelijk
                        dossier. Per dossier wordt bepaald wie er wel of niet toegang toe krijgt, en
                        onder welke voorwaarden.</al><al><vet>5 Communicatie</vet></al><al>Open en transparant communiceren over (vermoedelijke)
                        integriteitsschendingen is erg belangrijk voor het bespreekbaar maken van
                        ongewenst gedrag. Maar ook voor het leren van kwesties die zich hebben
                        voorgedaan. Daarnaast maakt het zichtbaar (en onderstreept het) welk belang
                        de organisatie aan integriteit hecht. Daarbij moet steeds het juiste midden
                        worden opgezocht tussen de gewenste openheid en de privacy van de
                        betrokkenen (“gesloten waar het moet, open waar het kan”). Net als het
                        onderzoek zelf, is het ook bij communicatie belangrijk is om vooraf een plan
                        te hebben; in dit geval een goede, vastgelegde communicatiestrategie. Daarin
                        staat onder andere wie er op welk moment communiceert met wie, en wie
                        inhoudelijk verantwoordelijk is voor welke communicatie. Daarnaast bevat de
                        strategie afspraken over de externe communicatie. De media kan immers
                        tijdens het feitenonderzoek een grote rol spelen.</al><al><vet>5.1 Communicatie met de betrokkene</vet></al><al>In deze handreiking zijn al een aantal manieren genoemd waarop het bevoegd
                        gezag (of de onderzoekers) met de betrokkene communiceren:</al><lijst><li nr="§"><al> De schriftelijke kennisgeving dat er een feitenonderzoek naar de
                                betrokkene wordt ingesteld.</al></li><li nr="§"><al> Een ordemaatregel.</al></li><li nr="§"><al> De mededeling dat de betrokkene zich kan laten bijstaan door een
                                raadsman.</al></li><li nr="§"><al> Het interviewen van de betrokkene.</al></li><li nr="§"><al> Hoor- en wederhoor.</al></li><li nr="§"><al> De eventuele besluitvorming naar aanleiding van het onderzoek.</al></li></lijst><al>De betrokkene zal echter ook graag informatie willen hebben over de gang van
                        zaken tijdens het onderzoek en over de voortgang ervan. Die wens kan
                        conflicteren met het onderzoeksbelang. Normaal gesproken gebeurt dat dan ook
                        niet. </al><al>Tijdens het onderzoek heeft de betrokkene over het onderzoek zelf vooral
                        contact met de onderzoekers. Blijft hij zijn werk in de tussentijd
                        uitoefenen, dan heeft hij daarnaast ook contact met zijn leidinggevende. Als
                        de ambtenaar is geschorst, kan de leidinggevende contact met hem blijven
                        houden, waarbij de leidinggevende vooral vraagt hoe het met de ambtenaar
                        gaat en waarbij hij alert is op signalen. Zoals op de vraag of de
                        bedrijfsarts of bedrijfsmaatschappelijk werk moet worden ingeschakeld. Als
                        het onwenselijk is dat de leidinggevende zelf contact met de medewerker
                        onderhoudt, dan kan een medewerker van P&amp;O deze rol vervullen.</al><al><vet>5.2 Nazorg</vet></al><al>In de praktijk blijkt dat er soms blijvende onrust ontstaat na een intern
                        onderzoek. En ook dat er veel vragen zijn – vooral vanuit de afdeling waar
                        de betrokken ambtenaar werkzaam was (of is). In zo’n geval kan een
                        nazorggesprek zinvol zijn. Een nazorggesprek is een nabespreking op de
                        afdeling waar een intern onderzoek naar een vermeende integriteitsschending
                        heeft plaatsgevonden. </al><al>Soms is een nazorggesprek niet nodig. Redenen om het wel te houden,
                        zijn:</al><lijst><li nr="§"><al> Het wegnemen van spanning en onduidelijkheid.</al></li><li nr="§"><al> Het herbevestigen van de bestaande normen.</al></li><li nr="§"><al> Lessen trekken (herkennen signalen, aanspreken).</al></li><li nr="§"><al> Het vergroten van het vertrouwen in de organisatie.</al></li><li nr="§"><al> Het voorkomen of corrigeren van onjuiste verhalen over het
                                voorval/onderzoek.</al></li></lijst><al>In geval er uit het onderzoek blijkt dat de betrokken ambtenaar niets te
                        verwijten valt, vindt er een gesprek met hem plaats en wordt er nagegaan
                        welke acties verder nog noodzakelijk zijn. </al><al><vet>6 Extern onderzoek</vet></al><al>Als er wordt besloten om een onderzoek extern uit te laten voeren, is en
                        blijft het bevoegd gezag zelf verantwoordelijk voor dat onderzoek. Elk
                        extern onderzoek wordt dus in opdracht van en onder regie en
                        verantwoordelijkheid van de organisatie uitgevoerd. </al><al><vet>6.1 Wie voert de regie?</vet></al><al>Het interne meldpunt neemt de regierol op zich.</al><al><vet>6.2 Aandachtspunten voor regievoerder</vet></al><al>Hieronder staat een aantal belangrijke aandachtspunten voor de regievoerder
                        op een rij:</al><lijst><li nr="§"><al> Bekijk aan de hand van de onderzoeksopdracht welke expertise er
                                precies voor het voorgenomen onderzoek nodig is. Een eerste reactie
                                is vaak om te kiezen voor een bedrijfsrecherchebureau, terwijl bij
                                financiële onderzoeken een accountant vaak een veel betere keuze
                                is.</al></li><li nr="§"><al> Ga alleen in zee met een deskundige en professionele partij. Dat is
                                makkelijker gezegd dan gedaan. Er zijn immers veel grote bekende
                                bureaus die integriteitsonderzoeken uitvoeren en nog meer
                                eenmanszaken. Die laatste vindt u onder zoektermen als
                                ‘integriteitsonderzoeksbureau’, ‘bedrijfsrecherche’,
                                ‘recherchebureau’ of ‘detectivebureau’. De prijzen en de
                                mogelijkheden van al deze bureaus verschillen behoorlijk. Ook in
                                deze branche geldt dat er veel kaf tussen het koren zit. Het is dus
                                verstandig dat uw organisatie zich breed oriënteert. Navraag bij
                                andere organisaties uit uw sector is daarbij verstandig. Informeer
                                naar de prijs-kwaliteitverhouding en probeer een goed gevoel te
                                krijgen bij de vraag of het bureau wel aansluit bij de waarden van
                                uw organisatie. Werkt het bureau volgens een eigen
                                onderzoeksprotocol? Heeft het oog voor het organisatiebelang? Geeft
                                het bureau gevraagd of ongevraagd advies over gesignaleerde proces-
                                of systeemfouten of beperkt het zich tot het feitenonderzoek?</al></li><li nr="§"><al> Definieer de onderzoeksopdracht smal. Dat betekent dat u de
                                opdracht beperkt tot de waarheidsvinding voor het vermoeden waarvan
                                melding is gedaan. Is het later eventueel nodig of wenselijk om de
                                opdracht te verruimen, dan kan dat alsnog (uiteraard alleen in
                                overleg met de opdrachtgever; leg dit laatste ook schriftelijk
                                vast!). U ontneemt dan té enthousiaste onderzoekers de gelegenheid
                                om onbeperkt onderzoek te doen, met alle kosten en gevolgen van
                                dien. De onderzoekers worden zo niet alleen in tijd begrensd, ze
                                worden ook gedwongen om alleen die onderzoekshandelingen te
                                verrichten die echt nodig zijn.</al></li><li nr="§"><al> Vraag meerdere offertes aan bij verschillende bureaus en wees
                                kritisch bij de beoordeling ervan. Besef dat als er technische
                                hulpmiddelen, zoals camera’s, worden ingezet, er vaak voorwaarden
                                gelden en ook dat er vervolgkosten aan verbonden zijn. Zo moet
                                iemand, als er (urenlang) beelden worden opgenomen, deze achteraf
                                bekijken en verslag doen. De kosten hiervan kunnen fl ink
                                oplopen.</al></li><li nr="§"><al> Leg bij de opdrachtverlening vast dat opdrachtgever en
                                opdrachtnemer regelmatig de voortgang en de vervolgstappen van het
                                onderzoek bespreken. En ook hoe dat gebeurt.</al></li><li nr="§"><al> Spreek goed af of het bureau op basis van het onderzoeksprotocol
                                van de opdracht gevende organisatie (voorkeur) werkt, of op grond
                                van een eigen protocol.</al></li><li nr="§"><al> Maak met het bureau afspraken over hoe en wanneer het
                                onderzoeksresultaat wordt opgeleverd. Leg ook vast wie de eigenaar
                                is van de onderzoekgegevens en wat er gebeurt met kopieën of
                                bewijsstukken in handen van de onderzoekers.</al></li></lijst><al>Richtlijn bijzondere gebeurtenissen</al><al>Interne richtlijn ‘Vergoedingen, organisatie en kosten bij bijzondere
                        gelegenheden’</al><al>In deze richtlijn geven we aan:</al><lijst><li nr="§"><al>wat bijzondere gelegenheden zijn;</al></li><li nr="§"><al> op wie de richtlijn van toepassing is;</al></li><li nr="§"><al> wat de mogelijkheden zijn voor recepties, cadeaus, advertenties
                                etc;</al></li><li nr="§"><al> wie de kosten vergoedt en wie de organisatie ter hand neemt.</al></li></lijst><al>In uitzonderlijke situaties moet er maatwerk geleverd kunnen worden.
                        Hierover beslist de verantwoordelijk leidinggevende.</al><al><vet>Wat zijn bijzondere gelegenheden?</vet></al><al>Onder bijzondere gelegenheden verstaan we jubilea, vertrek uit gemeenten,
                        vertrek wegens FPU huwelijk en overlijden. In het kader van de bijzondere
                        gelegenheden kunnen we diverse zaken regelen zoals recepties en cadeaus. </al><al><vet>Toepassing</vet></al><al>De richtlijn is alleen van toepassing op medewerkers met een vaste of
                        tijdelijke ambtelijke aanstelling. In het geval van overlijden geldt de
                        richtlijn ook voor medewerkers die met de FPU of met pensioen zijn. </al><al><vet>Mogelijkheden, kosten en organisatie</vet></al><al><vet>Recepties bij vertrek wegens FPU/Pensioen/Ambtsjubileum </vet></al><lijst><li nr="§"><al> Receptie intern: als locaties gelden hiervoor alle gemeentelijke
                                kantines en buurthuizen waarover de gemeente de regie heeft. Het
                                NEC-stadion geldt niet als interne locatie i.v.m. de kosten van de
                                externe catering.</al></li><li nr="§"><al> Receptie extern: wanneer een medewerker ervoor kiest om
                                receptie/etentje extern te houden ontvangt hij/zij hiervoor een
                                bedrag van € 500,--. Meerkosten zijn voor rekening van de
                                medewerker.</al></li><li nr="§"><al> Fotoreportage</al></li><li nr="§"><al> De kosten van de receptie (intern of extern) en/of de fotoreportage
                                komen voor rekening van de directie waar de medewerker werkt.</al></li><li nr="§"><al> De organisatie van receptie (intern of extern), fotoreportage ligt
                                bij de directie waar de medewerker werkt.</al></li></lijst><al><vet>Recepties bij vertrek naar een andere werkgever</vet></al><lijst><li nr="§"><al> Receptie intern: als locaties gelden hiervoor alle gemeentelijke
                                kantines en buurthuizen waarover de gemeente de regie heeft. Het
                                NEC-stadion geldt niet als interne locatie i.v.m. de kosten van de
                                externe catering.</al></li><li nr="§"><al> Receptie extern: wanneer een medewerker ervoor kiest om
                                receptie/etentje extern te houden ontvangt hij/zij hiervoor een
                                bedrag van € 500,--.</al></li><li nr="§"><al> De kosten van de receptie (intern of extern) komen voor rekening
                                van de directie waar de medewerker werkt.</al></li><li nr="§"><al> De organisatie van receptie (intern of extern) ligt bij de directie
                                waar de medewerker werkt.</al></li><li nr="§"><al> Een receptie wordt alleen vergoed als de medewerker 5 jaar of
                                langer in dienst is geweest binnen de Gemeente Nijmegen. </al></li><li nr="§"><al> De faciliteiten gelden niet voor medewerkers die vertrekken naar
                                een andere directie binnen de gemeente.</al></li></lijst><al><vet>Cadeau</vet></al><al>Bij een afscheid, ambtsjubileum of een huwelijk hoort een cadeau. Wanneer
                        een medewerker geen cadeau wil, wordt het cadeaugeld uitbetaald.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="42*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>§Cadeaugeld bij afscheid </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§ Bloemen bij afscheid</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§ Cadeaugeld bij 25-/40-jarig ambtsjubileum</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115,-- / € 185,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§ Bloemen bij ambtsjubileum </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25,--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>§Cadeaugeld bij huwelijk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30,--</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>§Wanneer de medewerker geen cadeau wil, wordt het
                                            cadeaugeld overgemaakt aan de medewerker via het
                                            salarisbureau en niet (meer) persoonlijk
                                            overhandigd.</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>§De kosten van het cadeaugeld en het bloemengeld zijn
                                            voor rekening van de directie waar de medewerker
                                            werkt.</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>§Het regelen van het cadeaugeld, kopen van cadeaus bij
                                            afscheid en huwelijk gebeurt door de directie waar de
                                            medewerker werkt.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De kosten van recepties, cadeaus etc. moeten jaarlijks, op basis van
                        prognose, worden begroot.</al><al>In de afgesloten DVO’s is afgesproken dat P&amp;O Beheer deze werkzaamheden
                        niet uitvoert. Daar is in de formatie dan ook geen rekening mee gehouden.
                        Als wordt besloten dat P&amp;O Beheer deze werkzaamheden moet gaan
                        uitvoeren, dan betekent dat een tijdinvestering van 0,2 fte extra op
                        jaarbasis.</al><al><vet>Overlijden</vet></al><lijst><li nr="§"><al>Schriftelijke condoleance door directeur.</al></li><li nr="§"><al> Grafkrans t.w.v. € 90,--.</al></li><li nr="§"><al> Rouwadvertentie namens de directie.</al></li><li nr="§"><al> Uitvoering door de directie.</al></li><li nr="§"><al> Kosten op budget directie.</al></li></lijst><al>Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                        overheid</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet> bevoegd gezag:</vet> het bestuursorgaan van de gemeente dat
                                bevoegd is tot afdoening van een klacht met betrekking tot ongewenst
                                gedrag; </al></li><li nr="b."><al><vet>commissie:</vet> de Klachtencommissie ongewenst gedrag voor de
                                gemeentelijke overheid; </al></li><li nr="c."><al><vet>gemeente:</vet> de gemeente of gemeentelijke instelling die
                                zich heeft aangesloten bij de commissie en deze regeling van
                                toepassing heeft verklaard op de behandeling van klachten op het
                                gebied van ongewenst gedrag; </al></li><li nr="d."><al><vet>ongewenst gedrag:</vet> gedrag dat valt binnen de begrippen
                                seksuele intimidatie, agressie, geweld en pesten zoals bedoeld in
                                artikel 1, derde lid, sub e. van de Arbeidsomstandighedenwet,
                                alsmede discriminatie zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke
                                behandeling; </al></li><li nr="e."><al><vet> klacht:</vet> een door de klager ondertekend en van naam- en
                                adresgegevens voorzien geschrift waarin het jegens hem ongewenste
                                gedrag waarop de klacht betrekking heeft is omschreven; </al></li><li nr="f."><al><vet> klager:</vet> een persoon, niet zijnde een politieke
                                ambtsdrager van de gemeente, die werkzaam is of werkzaam is geweest
                                in de organisatie van de gemeente en een klacht over ongewenst
                                gedrag indient; </al></li><li nr="g."><al><vet> aangeklaagde:</vet> een persoon, niet zijnde een politieke
                                ambtsdrager van de gemeente, die werkzaam is of werkzaam is geweest
                                in de organisatie van de gemeente en over wiens gedrag geklaagd
                                wordt; </al></li><li nr="h."><al><vet> informant:</vet> degene die namens het bevoegd gezag
                                informatie verstrekt aan de commissie. </al></li></lijst><al>Artikel 1a Klachten over politiek ambtsdragers </al><al>Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 1 onder g. de commissie ad
                        hoc belasten met onderzoek naar en advies over een klacht, die betrekking
                        heeft op ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager van de gemeente
                        jegens klager.</al><al>Artikel 2 Instelling, taakstelling en samenstelling van de commissie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Er is een klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                        overheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies uit
                        te brengen aan het bevoegd gezag.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie bestaat uit drie leden waaronder een voorzitter.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissie beslist bij gewone meerderheid van stemmen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Een lid van de commissie wordt vervangen als deze direct of indirect
                        betrokken is geweest bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht
                        is ingediend dan wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de
                        klacht. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun
                        plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het College voor
                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een
                        periode van zes jaar. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.</al><al>Artikel 3 Secretaris en administratie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De voorzitter van het College voor Arbeidszaken wijst na overleg met de
                        voorzitter van de commissie een secretaris en een plaatsvervangend
                        secretaris aan. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het
                        secretariaat van het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten.</al><al>Artikel 4 Indienen van de klacht</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De klager dient een klacht bij de commissie in.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In de klacht wordt zo mogelijk vermeld de datum, tijd, plaats van het
                        ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en eventuele
                        getuigen, alsmede de stappen die klager reeds heeft ondernomen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt het
                        bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt daarbij
                        dat de commissie over de klacht zal adviseren. Het bevoegd gezag zendt de
                        klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig
                        mogelijk door aan de commissie. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt hem
                        op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de klacht. </al><al>Artikel 5 Ontvankelijkheid van de klacht</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek van de commissie alle op de klacht
                        betrekking hebbende gegevens waaronder de gemeentelijke klachtenregeling, de
                        adres- en functiegegevens van de klager en de aangeklaagde, een overzicht
                        van eventueel binnen de gemeente ondernomen stappen en reeds geproduceerde
                        stukken met betrekking tot de klacht. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien deze niet valt
                        binnen de begripsbepalingen van artikel 1 onder c, d, e, f en g van deze
                        regeling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte stappen
                        uit de gemeentelijke klachtenprocedure niet zijn doorlopen. De commissie
                        brengt de klager binnen twee weken na ontvangst van de klacht hiervan
                        schriftelijk op de hoogte.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het ongewenste
                                gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is voorgelegd; </al></li><li nr="b."><al> er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8,
                                eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht. </al></li></lijst><al>Artikel 6 Onderzoek naar de klacht</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk acht
                        stelt zij een onderzoek in.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het bevoegd gezag
                        alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig
                        acht; het bevoegd gezag verschaft de commissie de gevraagde inlichtingen en
                        stelt de commissie desgevraagd in de gelegenheid de werkomgeving te
                        aanschouwen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de organisatie van gemeente
                        in de gelegenheid te worden gehoord.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse maatregelen te
                        nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van de
                        positie van de in het onderzoek betrokken personen.</al><al>Artikel 7 Horen </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de
                        aangeklaagde en de informant in de gelegenheid om te worden gehoord. De
                        commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een ander lid van de
                        commissie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is
                        dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van
                        het recht te worden gehoord.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de aangeklaagde
                        - en voor zover nodig aan klager en informant - een afschrift van de klacht
                        en van andere stukken die op de klacht betrekking hebben.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissie hoort de klager en de aangeklaagde in beginsel buiten elkaars
                        aanwezigheid. De commissie stelt klager en aangeklaagde in de gelegenheid
                        van elkaars zienswijze kennis te nemen en daarop te reageren.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De klager en aangeklaagde kunnen zich ter zitting laten bijstaan door een
                        (raads)persoon.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en deskundigen
                        schriftelijk of mondeling te raadplegen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Van het horen wordt een verslag gemaakt.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed
                        bereikbare locatie.</al><al>Artikel 8 Omgang met persoonsgegevens </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die
                        noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een advies. Bij de verwerking van
                        persoonsgegevens zorgt de commissie voor beveiliging van de gegevens tegen
                        verlies en onrechtmatige verwerking.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot geheimhouding
                        van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie niet noodzakelijk
                        is voor de uitoefening van de taak van de commissie. Wanneer de inhoud van
                        bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming door de commissie dient te
                        blijven wordt dit aan de commissie meegedeeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de
                        vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt.</al><al>Artikel 9 Advies over de klacht</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht advies uit
                        aan het bevoegd gezag over de gegrondheid van de klacht vergezeld van een
                        rapport van bevindingen. Het rapport bevat een verslag van het horen. Een
                        afschrift van het advies wordt aan klager en aangeklaagde toegezonden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het bevoegd gezag
                        te nemen maatregelen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien de commissie op grond van artikel 5, tweede of vierde lid, van deze
                        regeling een klacht niet in behandeling neemt brengt de commissie zo spoedig
                        mogelijk maar uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de klacht advies
                        uit aan het bevoegd gezag de klacht niet ontvankelijk te verklaren. Een
                        afschrift van het advies wordt aan klager toegezonden.</al><al>Artikel 10 Afdoening van de klacht</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies van de
                        commissie bedoeld in artikel 9, eerste lid, klager en aangeklaagde
                        schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek
                        naar de gegrondheid van de klacht alsmede de eventuele conclusies die het
                        daaraan verbindt. Indien de conclusies van het bevoegd gezag afwijken van
                        het advies van de commissie wordt de reden van die afwijking vermeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bevoegd gezag kan de afdoening bedoeld in het eerste lid voor ten
                        hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling
                        gedaan aan klager en aangeklaagde.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bevoegd gezag stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies van de
                        commissie bedoeld in artikel 9, derde lid, klager schriftelijk en
                        gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de
                        ontvankelijkheid van de klacht alsmede de eventuele conclusies die het
                        daaraan verbindt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bevoegd gezag kan de afdoening bedoeld in het derde lid voor ten hoogste
                        vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan
                        aan de klager. Indien de conclusies van het bevoegd gezag afwijken van het
                        advies van de commissie wordt de reden van die afwijking vermeld.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de conclusies bedoeld in het
                        eerste en derde lid naar de commissie.</al><al>Artikel 11 Jaarverslag</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de
                        terzake geldende wettelijke bepalingen vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen; </al></li><li nr="b."><al> het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en ongegrond
                                geachte klachten; </al></li><li nr="c."><al> de aard van de klachten; </al></li><li nr="d."><al> statistische gegevens over klagers en aangeklaagden (man-vrouw;
                                leeftijdscategorieën; leidinggevend of niet; geboren in Nederland of
                                niet); </al></li><li nr="e."><al> de doorlooptijd van de adviezen; </al></li><li nr="f."><al> aanbevelingen en tendensen. </al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het verslag wordt toegezonden aan het bevoegd gezag van de gemeenten waarin
                        deze regeling van toepassing is verklaard. </al><al>Artikel 12 Inwerkingtreding</al><al>Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2010</al><al>Regeling melding vermoeden integriteitsschending</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet> Ambtenaar:</vet> een ieder die werkzaam is of is geweest bij
                                de Gemeente Nijmegen op grond van een aanstelling of een
                                arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.</al></li><li nr="b."><al><vet> Bevoegd gezag:</vet> degene die op grond van deze regeling
                                bevoegd is tot het doen instellen van een onderzoek en te beslissen
                                met betrekking tot de melding van een vermoeden van
                                integriteitsschending</al></li><li nr="c."><al><vet>Vermoeden van een integriteitsschending:</vet> een redelijk
                                vermoeden van:</al><lijst><li nr="§"><al> schending van wettelijke voorschriften, beleidsregels of de
                                        gedragscode, met uitzondering van ongewenste
                                        omgangsvormen</al></li><li nr="§"><al> een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het
                                        milieu;</al></li><li nr="§"><al> een onbehoorlijke wijze van functioneren die een gevaar
                                        vormt voor het goed functioneren van de openbare
                                        dienst.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al><vet>Melder:</vet> de ambtenaar, een ambtenaar vanuit lijnmanagement
                                of een burger die een vermoeden van een integriteitsschending meldt
                                overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling.</al></li><li nr="e."><al><vet> Melding:</vet> de melding van een vermoeden van een
                                integriteitsschending door de melder.</al></li><li nr="f."><al><vet> Vertrouwenspersoon:</vet> de functionaris als zodanig benoemd
                                door het bevoegd gezag.</al></li><li nr="g."><al><vet> Intern meldpunt:</vet> de afdeling Juridische Zaken</al></li><li nr="h."><al><vet> Extern meldpunt:</vet> de Onderzoeksraad Integriteit Overheid
                                (OIO).</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt degene die anders dan op basis
                        van een ambtelijke aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                        recht, werkzaam is binnen Gemeente Nijmegen gelijkgesteld met een ambtenaar
                        als bedoeld in het eerste lid, onder a.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval van een vermoeden of melding van ongewenste omgangsvormen is de
                        Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen van toepassing.</al><al>Artikel 2 Bescherming van de melder </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een ieder die betrokken is bij de behandeling van een melding maakt de
                        identiteit van de melder niet bekend zonder zijn instemming. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De melder die tevens ambtenaar is, zal als gevolg van de melding van een
                        vermoeden van een integriteitsschending geen nadelige gevolgen ondervinden
                        voor zijn rechtspositie. Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval
                        verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> het verlenen van ongevraagd ontslag;</al></li><li nr="b."><al> het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd;</al></li><li nr="c."><al> het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een
                                vaste aanstelling;</al></li><li nr="d."><al> de opgelegde benoeming in een andere functie; </al></li><li nr="e."><al> het treffen van disciplinaire maatregelen;</al></li><li nr="f."><al> het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of
                                toekenning van vergoedingen;</al></li><li nr="g."><al> het onthouden van promotiekansen;</al></li><li nr="h."><al> het afwijzen van een verlofaanvraag,</al></li></lijst><al>voor zover dit redelijkerwijs verband houdt met de door de melder gedane
                        melding van een vermoeden van een integriteitsschending.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins bij de
                        uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de melding
                        ondervindt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel geldt ook voor de ambtenaar die
                        te goeder trouw een vermoeden van een integriteitsschending in een andere
                        organisatie dan die van de gemeente Nijmegen volgens de in die organisatie
                        geldende regels, bij die organisatie heeft gemeld. De bescherming geldt
                        alleen als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="§"><al> uit hoofde van zijn functie met die andere organisatie samenwerkt
                                of heeft samengewerkt, of:</al></li><li nr="§"><al>uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen van de vermoede
                                integriteitsschending;</al></li></lijst><al>en waarbij hij voorts:</al><lijst><li nr="§"><al>het vermoeden van de integriteitsschending tijdig heeft gemeld bij
                                zijn leidinggevende;</al></li><li nr="§"><al> zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze melding
                                met hem of haar zijn gemaakt door het bevoegd gezag.</al></li></lijst><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De melder die tevens ambtenaar is, heeft recht op juridische bijstand
                        wanneer hij als gevolg van het te goede trouw melden van een vermoeden van
                        een integriteitsschending nadelige gevolgen ondervindt in zijn
                        rechtspositie, tijdens en/of na het volgen van deze regeling. Deze
                        juridische bijstand wordt gefinancierd door de Gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 3 De vertrouwenspersoon</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college wijst één vertrouwenspersoon integriteitsschendingen aan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een anonieme melding wordt gedaan bij de vertrouwenspersoon
                        integriteitsschendingen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De vertrouwenspersoon heeft tot taak de melder te adviseren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen maken jaarlijks gezamenlijk
                        een geanonimiseerd verslag van de aard en de omvang van het aantal interne
                        meldingen. Dit verslag wordt aan het college en de Ondernemingsraad gestuurd
                        en openbaar gemaakt. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De vertrouwenspersoon geniet bescherming overeenkomstig het bepaalde in
                        artikel 2, tweede tot en met het vijfde lid, tegen benadeling van zijn
                        rechtspositie als gevolg van de hem bij deze regeling toebedeelde
                        taken.</al><al>Artikel 4 Het interne meldpunt</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college wijst als intern meldpunt aan de afdeling Juridische Zaken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het intern meldpunt begeleidt en adviseert rondom een vermeende
                        integriteitsschending. </al><al>Artikel 5 Het externe meldpunt</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college wijst als extern meldpunt aan de Onderzoeksraad Integriteit
                        Overheid. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De Onderzoeksraad Integriteit Overheid heeft tot taak een door de melder
                        gemeld vermoeden van een integriteitsschending te onderzoeken en het college
                        daarover te adviseren. </al><al>Artikel 6 Melding</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtenaar doet een melding bij zijn leidinggevende, bij de
                        vertrouwenspersoon, bij het interne meldpunt of, indien daartoe aanleiding
                        bestaat, rechtstreeks bij het externe meldpunt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een melding vanuit de lijn kan tevens gebeuren door het afdelingshoofd.
                        Artikel 9 tweede lid is onverkort van toepassing. Artikel 8 leden 1 en 5
                        zijn niet van toepassing.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De burger doet een melding bij een lid van het college of de
                        gemeentesecretaris. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Een melding laat de wettelijke verplichting tot het doen van aangifte van
                        een strafbaar feit onverlet.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De leidinggevende of de vertrouwenspersoon bij wie een melding is gedaan, of
                        de gemeentesecretaris in geval van een melding zoals bedoeld in het derde
                        lid, draagt er zorg voor dat het interne meldpunt onverwijld op de hoogte
                        wordt gesteld van de melding en van de datum waarop de melding ontvangen is. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Een melding dient op redelijke gronden te zijn gebaseerd, zulks ter
                        beoordeling van het interne meldpunt. Zolang het interne meldpunt de
                        ontvankelijkheid niet heeft vastgesteld, wordt gesproken over voorlopige
                        melding.</al><al>Artikel 7 Melding door een ex-ambtenaar</al><al>De ex-ambtenaar die een vermoeden van een integriteitsschending wil melden
                        doet dit binnen een periode van twaalf maanden na zijn ontslag of
                        beëindiging van zijn werkzaamheden bij de Gemeente Nijmegen bij een
                        vertrouwenspersoon of het interne meldpunt. Hij kan alleen een melding van
                        een vermoeden van een integriteitsschending doen als hij in de hoedanigheid
                        van ambtenaar kennis heeft gekregen van het vermoeden. </al><al>Artikel 8 Ontvankelijkheid en ontvangstbevestiging </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het interne meldpunt zendt aan de melder of de vertrouwenspersoon in geval
                        van een anonieme melding een ontvangstbevestiging. In het laatste geval
                        stuurt de vertrouwenspersoon de ontvangstbevestiging door aan de melder. De
                        ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een
                        integriteitsschending en de datum waarop de melder het vermoeden heeft
                        gemeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien het interne meldpunt concludeert dat de voorlopige melding op
                        onvoldoende redelijke gronden is gebaseerd, wordt vooronderzoek gevraagd aan
                        het afdelingshoofd van de afdeling waarop de voorlopige melding betrekking
                        heeft.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Betreft de voorlopige melding het afdelingshoofd zelf, dan wordt
                        vooronderzoek gevraagd aan het hoofd van de afdeling waar personeelszorg
                        onder valt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Betreft de voorlopige melding het hoofd van de afdeling waar personeelszorg
                        onder valt, dan wordt vooronderzoek gevraagd aan de
                        portefeuilledirecteur.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien het vooronderzoek niet leidt tot een op voldoende redelijke gronden
                        gebaseerde melding, of tot een melding van voldoende gewicht, dan wordt deze
                        niet in behandeling genomen en informeert het interne meldpunt mondeling of
                        schriftelijk de melder hierover.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Indien het vooronderzoek leidt tot een op voldoende redelijke gronden
                        gebaseerde melding, en tot een melding van voldoende gewicht, dan stelt het
                        bevoegd gezag de melder of de vertrouwenspersoon in geval van een anonieme
                        melding op de hoogte dat de melding in behandeling wordt genomen.</al><al>Artikel 9 Bevoegdheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien de melding betrekking heeft op de gemeentesecretaris, de
                        portefeuilledirecteur of leden van het college, is het college het bevoegd
                        gezag. Het interne meldpunt draagt er zorg voor dat het college onverwijld
                        op de hoogte wordt gesteld van het gemelde vermoeden van een
                        integriteitsschending. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In alle overige gevallen is het afdelingshoofd in beginsel het bevoegd
                        gezag, tenzij het interne meldpunt van mening is dat, gelet op de zwaarte
                        van het vermoeden, het bevoegd gezag bij de gemeentesecretaris berust.
                        Daarnaast is de gemeentesecretaris het bevoegd gezag als de melding
                        betrekking heeft op een afdelingshoofd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien het afdelingshoofd het bevoegd gezag is, informeert hij de
                        gemeentesecretaris en de portefeuilledirecteur. Het onderzoek wordt in
                        beginsel verricht door de afdeling waar personeelszorg onder valt. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In geval van een vermoeden van een lichte schending van wettelijke
                        voorschriften, beleidsregels of de gedragscode kan het afdelingshoofd, na
                        advisering door het intern meldpunt, oordelen dat er geen onderzoek in het
                        kader van het onderzoeksprotocol melding vermoeden integriteitsschending
                        zoals opgenomen in Bijlage I, noodzakelijk is. In dat geval heeft de
                        afdeling waar personeelszorg onder valt een adviesrol richting het
                        afdelingshoofd. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien de gemeentesecretaris het bevoegd gezag is, informeert het interne
                        meldpunt de gemeentesecretaris. De gemeentesecretaris informeert vervolgens
                        de portefeuilledirecteur.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het bevoegd gezag informeert de persoon of personen op wie een melding
                        betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor het onderzoeksbelang kan
                        worden geschaad.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de identiteit van de melder die
                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 of 7 een melding heeft gedaan, niet
                        verder bekend wordt dan noodzakelijk is voor de behandeling van de
                        melding.</al><al>Artikel 10 Onderzoek</al><al>Het onderzoek naar de vermeende integriteitsschending vindt plaats conform
                        het Onderzoeksprotocol melding vermoeden integriteitsschending zoals
                        opgenomen in bijlage I.</al><al>Artikel 11 Standpunt en kennisgeving door het bevoegd gezag</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In geval dat het bevoegd gezag het college is, stelt deze de melder, de
                        vertrouwenspersoon in geval van een anonieme melding en de
                        gemeentesecretaris binnen tien weken na ontvangst van de melding
                        schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt omtrent het gemelde vermoeden
                        van de integriteitsschending, De gemeentesecretaris informeert de
                        portefeuilledirecteur en het intern meldpunt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In geval dat het bevoegd gezag de gemeentesecretaris is, stelt deze de
                        melder, de vertrouwenspersoon in geval van een anonieme melding, de
                        portefeuilledirecteur en het intern meldpunt binnen tien weken na ontvangst
                        van de melding schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt omtrent het
                        gemelde vermoeden van de integriteitsschending.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval dat het bevoegd gezag het afdelingshoofd is, stelt deze de melder,
                        de vertrouwenspersoon in geval van een anonieme melding, de
                        gemeentesecretaris, de portefeuilledirecteur en het intern meldpunt binnen
                        tien weken na ontvangst van de melding schriftelijk op de hoogte van zijn
                        standpunt omtrent het gemelde vermoeden van de integriteitsschending.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In geval van een melding vanuit de lijn zoals neergelegd in artikel 6 lid 2,
                        is het op de hoogte stellen van de melder niet van toepassing.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien niet binnen tien weken een standpunt kan worden gegeven, worden, voor
                        deze termijn is verstreken, de melder of de vertrouwenspersoon in geval van
                        een anonieme melding daarvan door middel van een kennisgeving schriftelijk
                        en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag kan het advies met
                        ten hoogste acht weken verdagen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Verder uitstel is mogelijk met instemming van de melder of van de
                        vertrouwenspersoon in geval van een anonieme melding.</al><al>Artikel 12 Melding bij het externe meldpunt</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De melder kan zijn vermoeden van een integriteitsschending binnen redelijke
                        termijn melden bij het externe meldpunt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al> hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel 11;</al></li><li nr="b."><al> hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de termijnen bedoeld in
                                artikel 11.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien zwaarwegende belangen de toepassing van de interne meldingsprocedure
                        in de weg staan, kan de melder het vermoeden van een integriteitsschending
                        rechtstreeks melden bij het externe meldpunt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De melding bij het externe meldpunt bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al> naam en adres van de melder;</al></li><li nr="b."><al> de organisatie waar de betrokkene werkzaam is of is geweest;</al></li><li nr="c."><al> de organisatie waarop de melding betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al> de omschrijving van de integriteitsschending die wordt
                                vermoed;</al></li><li nr="e."><al> de reden van melding aan het externe meldpunt.</al></li></lijst><al>Artikel 13 Ontvangstbevestiging</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het externe meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een
                        vermoeden van een integriteitsschending aan de melder.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het externe meldpunt draagt er zorg voor dat het college op de hoogte wordt
                        gesteld van de melding bij het meldpunt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het externe meldpunt informeert de persoon of personen op wie een melding
                        betrekking heeft over de melding bij het externe meldpunt, tenzij het
                        onderzoeksbelang hierdoor kan worden geschaad.</al><al>Artikel 14 Niet ontvankelijkheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het externe meldpunt verklaart de melding niet ontvankelijk indien:</al><lijst><li nr="a."><al> er geen sprake is van een integriteitsschending of van een
                                integriteitsschending van voldoende gewicht;</al></li><li nr="b."><al> de ambtenaar niet aantoont dat hij het vermoeden eerst intern aan
                                de orde heeft gesteld volgens deze regeling, tenzij zwaarwegende
                                belangen toepassing van de interne procedure in de weg staan; </al></li><li nr="c."><al> de ambtenaar het vermoeden intern aan de orde heeft gesteld volgens
                                deze regeling, maar de termijn waarbinnen het bevoegd gezag een
                                inhoudelijk standpunt omtrent het vermoeden van een
                                integriteitsschending dient te geven, nog niet verstreken is;</al></li><li nr="d."><al> geen sprake is van een ambtenaar zoals bedoeld in deze
                                regeling;</al></li><li nr="e."><al> de melding niet binnen redelijke termijn is ontvangen nadat de
                                ambtenaar op de hoogte is gesteld van het standpunt van het bevoegd
                                gezag. </al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de melding niet ontvankelijk is, stelt het externe meldpunt de melder
                        of vertrouwenspersoon en het college hiervan binnen vier weken op de
                        hoogte.</al><al>Artikel 15 Onderzoek door het externe meldpunt</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wanneer de melding ontvankelijk is, kan het meldpunt indien dit voor de
                        uitoefening van zijn taak noodzakelijk is een onderzoek instellen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten behoeve van het onderzoek genoemd in het eerste lid is het externe
                        meldpunt gerechtigd bij het bevoegd gezag alle inlichtingen in te winnen die
                        het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het college verschaft het
                        externe meldpunt alle inlichtingen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het externe meldpunt kan een deskundige raadplegen. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Wanneer de inhoud van bepaalde door het college verstrekte informatie
                        vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van het
                        externe meldpunt dient te blijven, wordt dit aan het externe meldpunt
                        meegedeeld. Het externe meldpunt beveiligt informatie met een vertrouwelijk
                        karakter tegen kennisneming door onbevoegden. </al><al>Artikel 16 Advies en kennisgeving door het externe meldpunt</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het externe meldpunt legt binnen acht weken na ontvangst van de melding zijn
                        bevindingen neer in een advies aan het college. Het externe meldpunt zendt
                        een afschrift van het advies aan de melder of de vertrouwenspersoon bij wie
                        de melding is gedaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien niet binnen acht weken een advies kan worden gegeven worden de melder
                        of de vertrouwenspersoon bij wie de melding is gedaan alsmede het college
                        voordat deze termijn is verstreken daarvan door middel van een kennisgeving
                        schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Het externe meldpunt kan
                        het advies met ten hoogste vier weken verdagen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het advies wordt, in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het
                        eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het externe meldpunt verstrekte
                        informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen, door het externe
                        meldpunt openbaar gemaakt op een wijze die het externe meldpunt geëigend
                        acht, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het externe meldpunt maakt zijn advies niet openbaar voordat het standpunt
                        van het college, bedoeld in artikel 16 van deze regeling, is ontvangen, of
                        er twee weken zijn verstreken sinds het advies is gegeven.</al><al>Artikel 17 Standpunt bevoegd gezag naar aanleiding van het advies van het
                        externe meldpunt </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies het externe
                        meldpunt schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt en de eventuele
                        consequenties die het daaraan verbindt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het externe meldpunt zal het standpunt van het college aan de melder doen
                        toekomen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een van het advies afwijkend standpunt wordt gemotiveerd. </al><al>Artikel 18 Jaarverslag </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Jaarlijks wordt door het externe meldpunt een verslag opgemaakt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de ter
                        zake wettelijke bepalingen gemeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een
                                integriteitsschending;</al></li><li nr="b."><al>het aantal meldingen dat niet heeft geleid tot een onderzoek;</al></li><li nr="c."><al>het aantal onderzoeken dat het externe meldpunt heeft verricht;</al></li><li nr="d."><al>het aantal adviezen en de aard van de adviezen dat het externe
                                meldpunt heeft uitgebracht.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit jaarverslag wordt aan het bevoegd gezag en de Ondernemingsraad gestuurd
                        en openbaar gemaakt.</al><al>Artikel 19 Intrekking en inwerkingtreding </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De Klokkenluidersregeling en het Procedure- en onderzoeksprotocol bij
                        (concrete) vermoedens van misstanden worden ingetrokken. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na die van bekendmaking. </al><al>Regeling openbaarmaking nevenwerkzaamheden ambtenaren </al><al>Artikel 1</al><al>Deze regeling is van toepassing op de volgende functies: </al><lijst><li nr="a."><al>gemeentesecretaris</al></li><li nr="b."><al>directeuren</al></li><li nr="c."><al>de griffier</al></li></lijst><al>Artikel 2</al><al>Deze regeling heeft ten doel te regelen op welke wijze nevenwerkzaamheden
                        openbaar worden gemaakt die de belangen van de dienst, voor zover deze in
                        verband staan met de functievervulling, kunnen raken en die worden verricht
                        door de ambtenaar die een functie als bedoeld in artikel 1 van deze regeling
                        vervult. </al><al>Artikel 3</al><al>Openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden geschiedt door een actuele opgave
                        van nevenwerkzaamheden ter inzage te leggen bij de afdeling P&amp;O van de
                        gemeente Nijmegen. </al><al>Artikel 4</al><al>De opgave vermeldt: </al><lijst><li nr="a."><al>de hoofdfunctie</al></li><li nr="b."><al>de nevenwerkzaamheden en de instanties waarbij deze worden
                                verricht</al></li><li nr="c."><al>de datum van ingang van de nevenwerkzaamheden</al></li><li nr="d."><al>de eventueel aan het uitoefenen van de nevenwerkzaamheden gestelde
                                beperkingen</al></li><li nr="e."><al>tijdsbeslag van de nevenwerkzaamheden</al></li><li nr="f."><al>concrete werkinhoud van de nevenwerkzaamheden</al></li></lijst><al>Artikel 5</al><al>Het hoofd van de afdeling P&amp;O is verantwoordelijk voor de opgave van
                        nevenwerkzaamheden van de ambtenaren die een functie als bedoeld in artikel
                        1 van deze regeling vervullen. </al><al>Artikel 6</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2012. </al><al>Reglement personeelsbeoordeling</al><al>Artikel 1 Definities</al><al><vet>Reglement personeelsbeoordeling</vet></al><al><cursief>Regeling o.g.v. artikel 15:1:15 AGN, B&amp;W-besluit van 19 april
                            2011</cursief></al><al>In dit reglement wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>Voorlopige beoordeling:</vet> De door 1e en 2e beoordelaar
                                opgemaakte, nog niet ondertekende, beoordeling die de ambtenaar is
                                uitgereikt of toegezonden en die nog besproken dient te worden in
                                het beoordelingsgesprek. </al></li><li nr="b."><al><vet>Beoordeling:</vet> Definitief door de directeur vastgestelde en
                                ondertekende beoordeling na het beoordelingsgesprek. </al></li><li nr="c."><al><vet>Beoordelingsgesprek:</vet> Het gesprek tussen de 1e beoordelaar
                                en de ambtenaar dat plaats vindt na de uitreiking van de voorlopige
                                beoordeling. </al></li><li nr="d."><al><vet>Ambtenaar:</vet> De ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                eerste lid onder a van de AGN die wordt beoordeeld. </al></li><li nr="e."><al><vet>1e beoordelaar:</vet> De directe hiërarchische chef van de te
                                beoordelen ambtenaar. Indien de ambtenaar voor meer dan een half
                                jaar wordt uitgeleend aan een andere directie of afdeling kan door
                                de directeur een andere leidinggevende aangewezen worden als 1e
                                beoordelaar. </al></li><li nr="f."><al><vet>2e beoordelaar:</vet> De directe chef van de 1e beoordelaar.
                            </al></li><li nr="g."><al><vet>Beoordelingsadviseur:</vet> De personeelsadviseur die de
                                beoordelaars bij de vervulling van hun beoordelingstaak ter zijde
                                staat en van advies dient. </al></li><li nr="h."><al><vet>Functie:</vet> Het totaal van werkzaamheden dat de beoordeelde
                                in opdracht van of namens de directeur tijdens de
                                beoordelingsperiode heeft verricht. </al></li></lijst><al>Artikel 2 Wat wordt beoordeeld?</al><al>De beoordeling van een ambtenaar betreft de wijze waarop hij zijn opgedragen
                        werkzaamheden gedurende de beoordelingsperiode heeft vervuld, inclusief zijn
                        gedragingen tijdens deze periode. </al><al>Artikel 3 Hoe vindt de beoordeling plaats?</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De beoordeling vindt plaats door gebruik te maken van het in de AGN speciaal
                        daarvoor beschikbaar gestelde beoordelingsformulier.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De 1e en de 2e beoordelaar maken de voorlopige beoordeling op. Zij plegen
                        daarbij onderling overleg dat resulteert in een eensluidende voorlopige
                        beoordeling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op het beoordelingsformulier wordt, indien dat nodig of wenselijk is, per
                        beoordeeld onderwerp aangegeven wat voor verbetering in aanmerking komt en
                        hoe dat zou moeten gebeuren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De voorlopige beoordeling wordt uiterlijk binnen tien werkdagen na de
                        vaststelling aan de ambtenaar uitgereikt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Na uitreiking of toezending van de voorlopige beoordeling volgt een
                        beoordelingsgesprek met de 1e beoordelaar. Dit gesprek vindt niet eerder
                        plaats dan 5 werkdagen nadat deze voorlopige beoordeling is uitgereikt of
                        toegezonden. Op verzoek van één van beide partijen is de beoordelingadviseur
                        bij het gesprek aanwezig.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De beoordeelde wordt tijdens het beoordelingsgesprek in de gelegenheid
                        gesteld zijn zienswijze omtrent de beoordeling te geven.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Wijziging van de voorlopige beoordeling naar aanleiding van de door de
                        ambtenaar tijdens het beoordelingsgesprek naar voren gebrachte zienswijze
                        kan slechts geschieden in onderling overleg tussen de beoordelaars.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Binnen 10 werkdagen na het beoordelingsgesprek wordt de voorlopige
                        beoordeling definitief vastgesteld door de directeur en aan de ambtenaar
                        uitgereikt of toegezonden.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>De beoordeling is eensluidend.</al><al>Artikel 4 Wanneer vindt een beoordeling plaats?</al><al>De personeelsbeoordeling wordt jaarlijks uitgebracht, tenzij er zwaarwegende
                        argumenten zijn om daar van af te wijken. Bij de volgende situaties is een
                        beoordeling verplicht.</al><lijst><li nr="1."><al>Indien op grond van artikel 2:4, lid 4 van de AGN besloten wordt om
                                al dan niet over te gaan tot het verlenen van een vaste aanstelling.
                            </al></li><li nr="2."><al> Ten aanzien van de volgende bezoldigingsbesluiten: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij onthouding van de jaarlijkse normale toekenning van een
                                        periodieke verhoging, alsmede het ongedaan maken van die
                                        maatregel.</al></li><li nr="b."><al>Bij het toekennen van extra periodieke verhoging. </al></li><li nr="c."><al> Bij het toekennen van een toelage op basis van zeer goed of
                                        uitstekend functioneren voor hen die reeds het maximum van
                                        de functieschaal hebben bereikt, het verlengen van de
                                        termijn en het intrekken van de toelage. </al></li><li nr="d."><al>Bij het toekennen van een arbeidsmarkttoelage voor zover het
                                        zittend personeel betreft. </al></li><li nr="e."><al>Bij het nemen van besluiten op grond van artikel 1, derde
                                        lid, artikel 2, leden 2 en 4 van de inpassingregeling
                                        2000.</al></li><li nr="f."><al>Bij het toepassen van de artikelen 14 en 15 van de
                                        bezoldigingsregeling 2000, indien de werknemer als gevolg
                                        daarvan € 450,- netto of meer ontvangt. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Ten aanzien van de volgende maatregelen:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij onvrijwillige overplaatsing in individuele gevallen
                                        indien dit plaatsvindt op basis van disfunctioneren in de
                                        eigen functie.</al></li><li nr="b."><al>Bij ontslag conform artikel 8:6 van de AGN.</al></li><li nr="c."><al>Bij ontslag conform artikel 8:8 van de AGN indien daarbij de
                                        onverenigbaarheid van karakters als ontslaggrond wordt
                                        gehanteerd. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5 Bewaren beoordelingsformulieren</al><al>De vastgestelde beoordelingen worden bewaard in het personeelsdossier van de
                        betreffende ambtenaar. Zij worden na vijf jaar vernietigd. </al><al>Artikel 6 Hardheidsclausule </al><al>In gevallen waarin de bepalingen van dit reglement niet voorzien, of waarin
                        de beoordeling naar onze mening dient te geschieden in afwijking van de
                        bepalingen van dit reglement, kunnen wij nadere voorschriften geven.</al><al>Artikel 7 Citeertitel en inwerkingtreding</al><al>Dit reglement kan worden aangehaald als ‘Reglement personeelsbeoordeling
                        Gemeente Nijmegen 2011’ en treedt in werking met ingang van 1 mei 2011.</al><al>Toelichting</al><al>Algemene toelichting </al><al>Ten opzichte van het oude reglement zijn met name procedurele wijzigingen
                        doorgevoerd. De bedenkingenmogelijkheid is geschrapt. Uiteraard blijft het
                        wel mogelijk bezwaar te maken. In het betreffende besluit c.q. de
                        begeleidende brief zal dan ook altijd de bezwarenclausule worden
                        vermeld.</al><al>Artikel 1</al><al>In dit artikel zijn alle zogenoemde begripsdefinities opgenomen. </al><al>Artikel 2</al><al>In dit artikel is opgenomen wat wordt beoordeeld. Het betreft dus niet
                        alleen een inhoudelijke beoordeling van het functioneren van de medewerker,
                        maar ook zijn gedrag(ingen) tijdens de beoordelingsperiode.</al><al>Artikel 3 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor de beoordeling dient gebruik gemaakt te worden van een - in overleg met
                        de vakorganisaties - vastgesteld beoordelingsformulier. Er kan dus geen
                        ander formulier worden gebruikt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Om te voorkomen dat de beoordeelde onvoldoende tijd heeft om het gesprek
                        voor te bereiden, is afgesproken dat de voorlopige beoordeling tenminste 5
                        werkdagen voordat het gesprek plaats zal vinden in het bezit van de
                        beoordeelde moet zijn. Zowel beoordeelde als 1e beoordelaar kunnen verzoeken
                        dat de beoordelingsadviseur bij het gesprek aanwezig is.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Een aanpassing van de voorlopige beoordeling moet door beide beoordelaars
                        worden geaccordeerd.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Over de beoordeling moet dus overeenstemming zijn tussen 1e en 2e
                        beoordelaar.</al><al>Artikel 4</al><al>In dit artikel is aangegeven in welke situaties verplicht een beoordeling
                        moet worden opgemaakt. Dit is aan de orde bij:</al><lijst><li nr="1."><al> bij het aflopen van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef; </al><lijst><li nr="a."><al> bij het onthouden van de de jaarlijkse periodieke
                                        verhoging, alsmede bij het ongedaan maken van deze maatregel
                                        o.g.v. artikel 12 bezoldigingsregeling 2000;</al></li><li nr="b."><al>bij het toekennen van een extra periodiek o.g.v. artikel 11
                                        van de bezoldigingsregeling 2000;</al></li><li nr="c."><al>bij toepassing van artikel 13 van de bezoldigingsregeling
                                        2000 d.w.z. bij het toekennen van een toelage op basis van
                                        uitstekend functioneren voor hen die het maximum van de
                                        schaal al hebben bereikt, het verlengen van de termijn en
                                        het intrekken van de toelage;</al></li><li nr="d."><al>bij toepassing van artikel 17 van de bezoldigingsregeling,
                                        zijnde het toekennen van een arbeidsmarkttoelage aan zittend
                                        personeel;</al></li><li nr="e."><al>bij diverse besluiten o.g.v. de inpassingsregeling 2000, te
                                        weten inpassing in functieschaal, nog niet inpassen in
                                        functieschaal en begeleiding bij plaatsing in een lagere
                                        functieschaal;</al></li><li nr="f."><al>bij het toekennen van een gratificatie (artikel 14
                                        bezoldigingsregeling 2000) of bonus (artikel 15
                                        bezoldigingsregeling 2000) indien werknemer als gevolg
                                        hiervan € 450,00 netto of meer ontvangt; </al></li><li nr="a."><al>indien iemand niet goed functioneert en als gevolg daarvan
                                        (onvrijwillig) in een andere functie wordt geplaatst
                                        (toepassing van artikel 15:1:10 van de AGN);</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid o.g.v.
                                        artikel 8:6 van de AGN;</al></li><li nr="c."><al> bij ontslag op op andere gronden (artikel 8:8 van de AGN)
                                        voor zover daarbij de onverenigbaarheid van karakters als
                                        ontslaggrond wordt gehanteerd. </al></li></lijst></li></lijst><al>Reglement telewerken</al><al>Artikel 1 Definities</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Telewerken:</vet> het minimaal voor een volledige werkdag (= 8
                                uren) verrichten van arbeid voor de gemeente Nijmegen vanuit de
                                eigen woning. Hierbij wordt de geografische afstand naar de
                                organisatie overbrugd door middel van informatie- en
                                communicatietechnologie. Aan de mogelijkheid van telewerken is geen
                                bovengrens gesteld.</al></li><li nr="b."><al><vet>Telewerkdagen:</vet> de dagen in de week, waarop de ambtenaar
                                arbeid door middel van telewerken verricht.</al></li><li nr="c."><al><vet>Telewerkplek:</vet> de ruimte in de privé-woning van de
                                ambtenaar van waaruit de ambtenaar op telewerkdagen arbeid
                                verricht.</al></li><li nr="d."><al><vet>Telewerkovereenkomst:</vet> de overeenkomst tussen werkgever en
                                ambtenaar, waarin de afspraken met betrekking tot het telewerken
                                zijn vastgelegd. </al></li></lijst><al>Artikel 2 Afspraken met de telewerker</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een telewerker werkt structureel minimaal een voor hem volledige werkdag per
                        week gedurende de gebruikelijke arbeidstijden thuis en kan gebruik maken van
                        die functionaliteiten en faciliteiten waarover hij op het werk ook beschikt.
                        Telewerker en directeur c.q. leidinggevende maken afspraken over de
                        resultaten die op een bepaald moment worden verwacht. Aan de telewerker
                        worden de verantwoordelijkheid en het vertrouwen gegeven om die resultaten
                        op een voor hem meest efficiënte wijze te behalen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Telewerken gebeurt op vrijwillige basis op basis van een overeenkomst
                        conform bijgevoegd model. Beëindiging van de telewerkovereenkomst vindt
                        plaats na onderling overleg tussen de leidinggevende en de medewerker,
                        tenzij de gemeente Nijmegen om zwaarwegende redenen eenzijdig besluit tot
                        beëindiging van de telewerkovereenkomst.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Iedereen die kan telewerken naar de aard van de functie en in het bezit is
                        van een personal computer (PC) in de eigen woning, mag telewerken indien de
                        betreffende directie deze mogelijkheid aan de medewerker aanbiedt. Of iemand
                        ook daadwerkelijk kan telewerken, is ter beoordeling aan de directeur,
                        waarbij met name de toetsing aan het dienstbelang plaatsvindt. Taken waarbij
                        vertrouwelijke gegevens geraadpleegd dienen te worden zijn vooralsnog
                        uitgesloten van telewerken, tenzij de directeur anders beslist. Indien
                        blijkt dat privacy-wetgeving belemmeringen oproept gaat de de wetgeving
                        voor. De betreffende taak komt dan niet voor telewerken in aanwerking. Voor
                        het telewerken gelden de standaard werkplek softwarefaciliteiten via een
                        citrixaansluiting.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Hoeveel en op welke dagen er telewerk wordt verricht, wordt afgesproken
                        tussen de medewerker en zijn directeur. In overleg kan hiervan worden
                        afgeweken; er geldt echter een minimum van één voor de medewerker volledige
                        werkdag per week en er geldt geen maximum.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De arbeidsvoorwaarden van de gemeente Nijmegen en de overige
                        rechtspositionele regelingen blijven ook op telewerkdagen van toepassing,
                        tenzij er in de overeenkomst van wordt afgeweken.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De telewerker is in principe thuis bereikbaar tussen 9.00 en 16.00 uur,
                        tenzij daarover andere afspraken met de direct leidinggevende worden
                        gemaakt. De normale overwerkregeling is van toepassing. Dit betekent dat er
                        eerst sprake is van overwerk als de leidinggevende hiertoe opdracht heeft
                        gegeven. Van 9.00 uur tot 17.00 uur is de help-desk van IM-support
                        beschikbaar. Bij telewerken buiten kantoortijd kan er geen beroep worden
                        gedaan op de help-desk van IM-support. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De beoordeling van het functioneren van de telewerker gebeurt binnen de
                        huidige afspraken. POP- en beoordelingsgesprekken en periodieke
                        afstemmingsoverleggen zijn des te belangrijker.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De telewerker verplicht zich om mee te werken aan activiteiten in het kader
                        van telewerken, zoals het deelnemen aan een 0-meting en evaluatie en het
                        bijhouden van een logboek.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>De telewerker verleent medewerking aan een bezoek van of door de werkgever
                        aan de telewerkplek in de privé-woning, indien dit noodzakelijk is om de
                        arbeidsomstandigheden te controleren, voor onderhoud of reparatie van de
                        voorzieningen, voor controle of de door de werkgever gestelde voorschriften
                        worden nageleefd en voor het terughalen van mogelijk verstrekte
                        voorzieningen na beëindiging van deze overeenkomst.</al><al>Artikel 3 Apparatuur, software en informatiebeveiliging</al><al>Om te kunnen telewerken moet de ambtenaar zelf over een PC beschikken. De
                        gemeente Nijmegen zorgt voor de faciliteiten om vanuit huis op de
                        gemeentelijke netwerkomgeving te kunnen werken. De telewerker neemt passende
                        maatregelen om te voorkomen dat anderen toegang hebben tot vertrouwelijke
                        informatie. De gemeente Nijmegen kan voorschriften geven voor extra
                        beveiligingsmaatregelen. </al><al>Artikel 4 Werkplek</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeente Nijmegen is volgens de Arbowet eindverantwoordelijk voor de
                        werkplek van de telewerker. De gemeente Nijmegen stelt de telewerker op de
                        hoogte van de eisen die aan de thuiswerkplek worden gesteld (zie de
                        verklaring Arbo en thuis werken). De medewerker draagt er zelf zorg voor dat
                        de thuiswerkplek aan de gestelde eisen voldoet. De telewerker verplicht zich
                        conform de arbo-eisen te werken en verklaart dit door ondertekening van de
                        telewerkovereenkomst en de verklaring Arbo en thuis werken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als de werkplek niet aan de arborichtlijnen voldoet of kan voldoen, zal de
                        directeur besluiten dat de medewerker niet kan gaan telewerken. De gemeente
                        Nijmegen is in zulke gevallen tevens gerechtigd geen telewerkovereenkomst
                        aan te gaan dan wel de telewerkovereenkomst te beëindigen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op uitdrukkelijk verzoek van de medewerker kan de werkplek thuis door een
                        deskundige van de gemeente Nijmegen worden ingesteld.</al><al>Artikel 5 Vergoedingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Als de gemeente Nijmegen vindt dat er extra maatregelen genomen dienen te
                        worden in het kader van de informatiebeveiliging, komen deze kosten voor
                        rekening van de gemeente Nijmegen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Daarnaast verstrekt de gemeente Nijmegen éénmalig een vergoeding van
                        maximaal € 800,-- voor inrichting van de werkplek.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De door de medewerker redelijk gemaakte overige kosten worden op
                        declaratiebasis vergoed na toestemming van de directeur.</al><al>Artikel 5a Vergoedingen</al><al><vet>Definitie</vet></al><al>Thuiswerken: het minder dan een volledige werkdag (= 8 uren) verrichten van
                        arbeid voor de gemeente Nijmegen vanuit de eigen woning dan wel dat
                        telewerkuren verspreid over de week plaatsvinden. Hierbij wordt de
                        geografische afstand naar de organisatie overbrugd door middel van
                        informatie- en communicatietechnologie.</al><al>Thuiswerken kent twee varianten: <vet> Variant 1:</vet> Via de thuis-PC én
                        internet contact zoeken met de <vet>webmail</vet> van de gemeente Nijmegen
                        om de e-mails te bekijken in Outlook-express. Dit is de meest gebruikte
                        methode die door menigeen regelmatig wordt toegepast. Hiervoor is minimaal
                        een telefoonlijn-verbinding nodig.</al><al><vet>Variant 2:</vet></al><al>Via de eigen thuis-PC contact maken met het <vet>extranet</vet> van de
                        gemeente Nijmegen om niet alleen bij de e-mails te kunnen maar ook bij
                        bestanden en applicaties van de eigen netwerklocatie. Hiervoor is een
                        citrix-aansluiting met het gebruik van een token noodzakelijk. Verder is
                        afgesproken dat voor deze verbinding minimaal een ADSL-aansluiting
                        noodzakelijk is. Deze variant wordt geregeld gebruikt door leidinggevenden
                        en stafmedewerkers.</al><al><vet>Procedure.</vet></al><al>Voor de thuiswerk-activiteiten van variant 1 behoeven geen aparte afspraken
                        gemaakt te worden, omdat deze mogelijkheid voor eenieder openstaat en
                        gebruikt kan worden. Voor variant 2 is het belangrijk om afspraken vast te
                        leggen in een procedure, omdat deze mogelijkheid niet vanzelfsprekend
                        beschikbaar is én met kosten gepaard gaat.</al><lijst><li nr="1."><al>Degene die de mogelijkheid wil hebben om via zijn privé-PC te kunnen
                                thuiswerken én daarbij toegang wil hebben tot het netwerk van de
                                gemeente (variant 2) maakt dit kenbaar aan zijn of haar
                                leidinggevende.</al></li><li nr="2."><al>De leidinggevende beziet of een dergelijk verzoek passend is voor de
                                betrokken persoon, gezien zijn functie en werkzaamheden en de
                                directeur neemt een besluit. De directeur of leidinggevende tekent
                                alleen als er sprake is van meer dan 10% gebruik van de thuis-PC
                                voor werk.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toekennen van deze thuiswerkmogelijkheid wordt dit
                                schriftelijk vastgelegd en daarbij wordt tevens opgenomen voor welke
                                kosten betrokken persoon een vergoeding krijgt. (voetnoot 2)</al></li><li nr="4."><al>Een kopie van het besluit gaat naar P&amp;O-beheer én de
                                salarisadministratie i.v.m. de declaratie van de kosten.</al></li><li nr="5."><al>Via IM wordt een verzoek gedaan voor een Citrix-aansluiting.</al></li><li nr="6."><al>De gemaakte kosten worden gedeclareerd op basis van de afspraken
                                vastgelegd in de Regeling telewerken, met uitzondering van de
                                vergoeding onder artikel 5, lid 4 van het reglement telewerken.</al></li><li nr="7."><al>De betrokken persoon zorgt zelf voor een ADSL-aansluiting, een
                                werkplek thuis én een eigen PC (indien nog niet aanwezig). De
                                Arbo-wet is niet van toepassing op thuiswerken.</al></li></lijst><al>Artikel 6 Hardheidsclausule</al><al>In geval dit reglement niet of niet naar billijkheid en redelijkheid
                        voorziet kan daarin door de directeur worden voorzien.</al><al>Artikel 7 Slotbepalingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vanaf 1 januari 2005 kan geen telewerken plaatsvinden zonder dat daartoe
                        schriftelijk een overeenkomst is aangegaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Alle op 1 januari 2005 al dan niet schriftelijk vastgelegde overeenkomsten,
                        zullen aan dit reglement worden getoetst. Zonodig zullen nieuwe c.q.
                        aanvullende overeenkomsten worden gesloten. </al><al>Artikel 8 Citeertitel</al><al>Dit reglement kan worden aangehaald als "Reglement Telewerken" en treedt in
                        werking met ingang van 1 januari 2005. </al><al>Reis- en verblijfkostenregeling</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>In het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>belanghebbende</vet>:</al><lijst><li nr="1."><al>degene die ambtenaar is in de zin van de
                                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen;</al></li><li nr="2."><al>degene die werknemer is in de zin van artikel 2:5 van de
                                        Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen;</al></li><li nr="3."><al>degene op wie de regeling bij apart besluit van het bevoegd
                                        gezag van toepassing is verklaard; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al><vet>bevoegd gezag:</vet> de directeur, respectievelijk het college,
                                in die gevallen waarin de directeur zelf belanghebbende is;</al></li><li nr="c."><al><vet>plaats van tewerkstelling:</vet> het gebouw of gebouwencomplex
                                waar de belanghebbende naar het oordeel van het bevoegd gezag
                                gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;</al></li><li nr="d."><al><vet>verzorgingsgebied:</vet> het gebied waarbinnen de dagelijkse,
                                aan de functie inherente, werkzaamheden moeten worden verricht;</al></li><li nr="e."><al><vet>dienstreis:</vet> een naar het oordeel van het college
                                noodzakelijke verplaatsing van een belanghebbende tot het verrichten
                                van dienst buiten de plaats van tewerkstelling, hetgeen zowel
                                verplaatsing binnen als buiten het verzorgingsgebied kan omvatten,
                                alsmede het eventueel verblijf verband houdende met de noodzakelijke
                                verplaatsing;</al></li><li nr="f."><al><vet>buitenlandse dienstreis:</vet>een dienstreis naar, in of uit
                                het buitenland ondernomen;</al></li><li nr="g."><al><vet>overwerk:</vet> werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 1:1,
                                eerste lid sub l en 15:1:11 van de Arbeidsvoorwaardenregeling
                                Gemeente Nijmegen.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Vergoeding voor kosten van vervoer</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Belanghebbenden dienen als regel bij een dienstreis binnen het
                        verzorgingsgebied gebruik te maken van de voorhanden zijnde dienstfietsen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de dienstreis op doelmatiger wijze per openbaar vervoer kan worden
                        ondernomen, kunnen belanghebbenden hier op eigen initiatief toe besluiten. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De reiskosten per openbaar vervoer worden op declaratiebasis vergoed volgens
                        een door het college vast te stellen model.</al><al>Artikel 3 Vergoeding voor autokosten</al><al>Aan belanghebbenden wier functie, naar het oordeel van het bevoegd gezag,
                        vereist dat zij voor dienstreizen binnen het verzorgingsgebied gebruik maken
                        van een eigen auto, wordt een vergoeding toegekend.</al><al>Artikel 4 Vergoeding van daadwerkelijk gereden kilometers</al><al>De vergoeding als bedoeld in artikel 3 is een vast bedrag per daadwerkelijk
                        gereden kilometer, waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal gereden
                        kilometers gedurende het betreffende kalenderjaar. De vergoeding wordt per
                        kalenderjaar vastgesteld op basis van onderstaand schema:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="82*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Gereden:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Vergoeding:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&lt; 6000 km</al></entry><entry colname="col2"><al>De kilometervergoeding bedraagt het bedrag als bedoeld
                                            in artikel 15, tweede lid, onderdeel c van de wet op de
                                            loonbelasting 1964, vermeerderd met 10 Eurocent.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> &gt;= 6000 km</al></entry><entry colname="col2"><al>De kilometervergoeding bedraagt het bedrag als bedoeld
                                            in artikel 15, tweede lid, onderdeel c van de wet op
                                            loonbelasting 1964, vermeerderd met 17 Eurocent.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 5 Vaste autokostenvergoeding</al><al>Vervallen artikel</al><al>Artikel 6 Begin en einde van de dienstreizen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor de vergoeding van reiskosten binnen het verzorgingsgebied komen in
                        aanmerking de werkelijk gemaakte kosten, met dien verstande dat nooit meer
                        wordt vergoed dan de kosten van een dienstreis met de plaats van
                        tewerkstelling als begin- en eindpunt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Tevens worden vergoed de kosten van een dienstreis tussen de plaats van de
                        woning en de plaats van de tewerkstelling, indien en voor zover deze kosten
                        betrekking hebben op dienstreizen op dagen, die voor belanghebbende niet als
                        arbeidsdagen zijn vastgesteld, en/of dienstreizen waarvan de frequentie op
                        de voor belanghebbende vastgestelde arbeidsdagen hoger dan gebruikelijk is,
                        bijvoorbeeld als gevolg van consignatie.</al><al>Deze reiskosten worden op declaratiebasis vergoed volgens een door het
                        college vast te stellen model. Indien voor de dienstreis van het openbaar
                        vervoer, dan wel de eigen auto gebruik wordt gemaakt is artikel 2, derde
                        lid, respectievelijk artikel 4 van deze regeling van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de belanghebbenden als
                        bedoeld in artikel 5.</al><al>Artikel 7 Vergoeding voor kosten van, en in verband met openbaar
                        vervoer</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij dienstreizen buiten het verzorgingsgebied dient als regel van het
                        openbaar vervoer gebruik gemaakt te worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De reiskosten per openbaar vervoer worden zoveel mogelijk rechtstreeks voor
                        rekening van de gemeente genomen, op de wijze zoals nader door het college
                        bepaald. Voor zover deze kosten niet rechtstreeks voor rekening van de
                        gemeente worden genomen, worden deze kosten vergoed op declaratiebasis
                        volgens een door het college vast te stellen model</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vervoersbewijzen en declaraties met betrekking tot dienstreizen per trein
                        worden verstrekt dan wel vergoed op basis van tweede klas.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het dienstbelang ermee is
                        gebaat dat tijdens de dienstreis naast openbaar vervoer tevens gebruik wordt
                        gemaakt van een taxi, worden de aan dat taxigebruik verbonden kosten, na
                        overlegging van de nota, volledig vergoed.</al><al>Artikel 8 Vergoeding voor andere kosten van vervoer</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Gebruikmaking van een auto in plaats van het openbaar vervoer, is alleen
                        toegestaan indien blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>dit voor de gemeente financieel voordeliger is, en/of</al></li><li nr="b."><al>dit voor de gemeente een aanzienlijke tijdsbesparing oplevert.</al></li></lijst><al>Voorwaarde voor het gebruik van een auto op grond van het in sub b gestelde
                        is bovendien dat vooraf toestemming moet zijn verleend door het bevoegd
                        gezag.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien sprake is van het in dit artikel in lid 1 sub a of b gestelde, dient
                        in beginsel gebruik te worden gemaakt van een dienstauto dan wel van een
                        auto volgens het “call-a-car”-systeem.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vergoeding van kosten van de eigen auto voor dienstreizen buiten het
                        verzorgingsgebied, geschiedt slechts indien geen gebruik gemaakt kan worden
                        van een dienstauto dan wel van het “call-a-car”-systeem.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Op de vergoeding als bedoeld in het voorgaande lid is het bepaalde is
                        artikel 4 van overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Ten aanzien van het gebruik van dienstauto's en motorrijwielen wordt zo
                        nodig door het college afzonderlijke voorschriften gegeven.</al><al>Artikel 9 Vergoeding voor andere onkosten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de vergoeding voor reiskosten zijn mede begrepen de noodzakelijke
                        onkosten wegens het meenemen van bagage en dienstbenodigdheden en van
                        parkeer- en veergelden e.d. Indien echter de kosten van parkeer- en
                        veergelden in verhouding tot de overige reiskosten buitensporig hoog zijn,
                        worden deze kosten volgens de in het tweede lid aangegeven formule apart
                        vergoed.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij gebruik van de eigen auto worden parkeer- en veergelden vergoed voor
                        zover deze op maandbasis een bedrag van € 0,05 per gereden kilometer
                        overschrijden, echter met een minimum van € 2,27. Bij gebruik van het
                        “call-a-car”-systeem worden alle parkeer- en veergelden vergoed, eveneens
                        met een minimum van € 2,27 op maandbasis.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Diegenen die in het genot zijn van een vaste vergoeding volgens artikel 16,
                        derde en vierde lid van deze regeling komen voor vergoeding van in de
                        voorgaande leden aangegeven kosten slechts in aanmerking indien zij recht
                        hebben op vergoeding van kosten krachtens artikel 5 van deze regeling.</al><al>Artikel 10 Begin en einde van de dienstreizen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor de vergoeding van reiskosten buiten het verzorgingsgebied komen in
                        aanmerking de werkelijk gemaakte kosten, met dien verstande dat nooit meer
                        wordt vergoed dan de kosten van een dienstreis met de plaats van
                        tewerkstelling als begin- en eindpunt. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 6, tweede en derde lid is van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Artikel 11 Vergoeding voor verblijfkosten binnenland</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De in verband met een binnenlandse dienstreis buiten het verzorgingsgebied
                        noodzakelijk gemaakte werkelijke kosten voor maaltijden en logies worden
                        vergoed tot een maximum van de bedragen genoemd in artikel 5 lid 1 sub a tot
                        en met d van de door de Minister van Binnenlandse Zaken vastgestelde
                        “Reisregeling Binnenland”.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Daarenboven worden de kosten van kleine uitgaven overdag en ’s avonds,
                        vergoed overeenkomstig hetgeen is vastgesteld in artikel 5 lid 1 van de door
                        de Minister van Binnenlandse Zaken vastgestelde “Reisregeling
                        Binnenland”.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De vergoeding wegens verblijfkosten wordt niet genoten voor een reis welke
                        korter heeft geduurd dan vier uren, tenzij belanghebbende ten genoegen van
                        het college kan aantonen dat hij voor deze reis uitgaven wegens
                        verblijfkosten heeft moeten doen.</al><al>Artikel 12 Bijzondere bepalingen voor buitenlandse dienstreizen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Aan een personeelslid wordt toestemming verleend voor het maken van een
                        buitenlandse dienstreis indien:</al><lijst><li nr="§"><al>met het doel rechtstreeks een gemeentelijk belang wordt gediend, of
                                de reis gericht is op een noodzakelijk te achten vergroting of
                                aanvulling van kennis en/of ervaring van het personeelslid, nodig
                                voor een goede vervulling van de functie én</al></li><li nr="§"><al>de kosten van de dienstreis in verhouding staan met het te
                                verwachten rendement.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het personeelslid dat met toestemming een buitenlandse dienstreis maakt,
                        ontvangt een vergoeding voor:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten: de kosten van vervoer, die de kosten van openbaar
                                vervoer eerste klasse niet overschrijden. Meerkosten worden niet
                                vergoed. Bij noodzakelijke reizen per vliegtuig worden ten hoogste
                                de kosten van de economyclass vergoed. Daarnaast worden andere
                                noodzakelijke kosten vergoed als luchthavenbelasting, bagagekosten,
                                premie reiskostenverzekering e.d.</al></li><li nr="b."><al>verblijfkosten: voor buitenlandse dienstreizen wordt de vergoeding
                                wegens verblijfkosten gesteld op het bedrag van de werkelijk
                                gemaakte kosten, voor zover deze redelijk te noemen zijn. Bij de
                                beoordeling in hoeverre de gemaakte kosten redelijk zijn, geldt als
                                uitgangspunt de tarieven zoals vermeld in de tarieflijst logies en
                                overige kosten bij dienstreizen buitenland van de Minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarnaast worden
                                congreskosten, kosten voor entree, catalogi e.d. vergoed. </al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Reis- en verblijfkosten die door derden worden vergoed, komen niet in
                        aanmerking voor vergoeding. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De declaraties wegens verblijfkosten worden ingericht naar een door het
                        college vast te stellen model.</al><al>Artikel 13 Vergoeding maaltijd bij overwerk</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien door belanghebbende overwerk wordt verricht, en hij als gevolg
                        daarvan niet in staat moet worden geacht zijn avondmaaltijd op de
                        gebruikelijke plaats te nuttigen, wordt van gemeentewege een maaltijd
                        verstrekt, c.q. worden de door belanghebbende werkelijk gemaakte kosten voor
                        het nuttigen van een maaltijd op declaratiebasis vergoed.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bepaalde in het voorgaande lid is alleen van toepassing indien het
                        overwerk tussen 17.00 en 20.00 uur moet worden verricht.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien anderszins werkzaamheden moeten worden verricht tussen 17.00 en 20.00
                        uur is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Indien
                        deze werkzaamheden een structureel karakter dragen kan voor wat betreft de
                        wijze van declareren en uitbetalen van de vergoeding door de directeur een
                        afwijkende (forfaitaire) regeling worden vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De in de voorgaande leden bedoelde vergoeding kan nooit meer bedragen dan
                        het bedrag genoemd in artikel 5, eerste lid sub b van de door de Minister
                        van Binnenlandse Zaken vastgestelde Reisregeling Binnenland.</al><al>Artikel 14 In goede staat houden van het te gebruiken voertuig</al><al>Belanghebbende dient het door hem te gebruiken vervoermiddel in een
                        dusdanige staat te houden, dat een normaal, betrouwbaar en regelmatig
                        gebruik verzekerd is.</al><al>Artikel 15 Verzekering</al><al>Belanghebbende is verplicht om voor zijn vervoermiddel een zodanige
                        verzekering te sluiten dat het risico van wettelijke aansprakelijkheid voor
                        de gemeente op de voor de gemeente gebruikelijke wijze is gedekt.</al><al>Artikel 16 Vergoeding woon-werkverkeer</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reiskosten per openbaar vervoer, die de belanghebbende maakt ten behoeve
                        van zijn dagelijkse verplaatsing van zijn woonadres naar de plaats van
                        tewerkstelling, worden op declaratiebasis, maximaal twee maal per jaar,
                        vergoed tot maximaal 50 % van de kosten op basis van tweede klasse.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De belanghebbende, die tevens belanghebbende is in de zin van de
                        Verplaatsingskostenregeling heeft recht op een vergoeding als bedoeld in lid
                        1 indien en voor zover deze vergoeding hoger is dan de tegemoetkoming in de
                        reiskosten op grond van de Verplaatsingskostenregeling.</al><al>Artikel 17 Overgangsbepalingen</al><al>Met ingang van de inwerkingtreding van deze regeling wordt de
                        vervoerskostenregeling, vastgesteld bij besluit van het college d.d. 18 juni
                        1996 en in werking getreden op 1 november 1996, de regeling verblijfkosten
                        deelnemers aan meerdaagse cursussen (circulaire van burgemeester en
                        wethouders d.d. 8 september 1987), de reis- en verblijfkostenregeling,
                        vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders d.d. 4 oktober 1989
                        (laatstelijk gewijzigd 5 september 1995) en het besluit maaltijdvergoeding
                        bij overwerk, vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders d.d. 21
                        mei 1974, ingetrokken.</al><al>Artikel 18 Gevallen waarin deze regeling niet voorziet</al><al>Het college is bevoegd in de gevallen, waarin deze regeling niet, of niet in
                        redelijkheid voorziet, te beslissen voor zover nodig in afwijking van het
                        bij deze regeling bepaalde.</al><al>Artikel 19 Inwerkingtreding</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede
                        kalendermaand volgend op de maand waarin deze regeling wordt vastgesteld, en
                        kan worden aangehaald als "Reis- en verblijfkostenregeling 1999".</al><al>Toelichting</al><al>Artikel 4</al><al>De bedragen als bedoeld in dit artikel bedragen in de laagste categorie 29
                        cent, waarvan 10 cent belast en in de hoogste categorie 36 cent, waarvan 17
                        cent belast. Voorbeeld: De medewerker ontvangt een vergoeding over de eerste
                        6000 kilometer van 29 cent. Blijkt het aantal te declareren kilometers
                        gedurende het kalenderjaar dit aantal van 6000 te overschrijden, dan wordt
                        met terugwerkende kracht de vergoeding over het totale aantal kilometers
                        gecorrigeerd volgens de tabel vermeld in artikel 4. In het algemeen wordt
                        niet meer dan 17.000 kilometer vergoed, omdat dan in principe (het jaar
                        daarná) een dienstauto gebruikt moet worden.</al><al>Artikel 7</al><al>De bedragen als bedoeld in dit artikel bedragen in de laagste categorie 19
                        cent (dit bedrag is belastingvrij). In de tweede categorie 29 cent, waarvan
                        10 cent belast en in de hoogste categorie 36 cent, waarvan 17 cent belast
                        Voorbeeld: De medewerker ontvangt een vergoeding over de eerste 2000
                        kilometer van 19 cent. Blijkt het aantal te declareren kilometers gedurende
                        het kalenderjaar dit aantal van 2000 te overschrijden, dan wordt met
                        terugwerkende kracht de vergoeding over het totale aantal kilometers
                        gecorrigeerd volgens de tabel vermeld in artikel 4. </al><al>Artikel 12</al><al>Toestemming voor een buitenlandse dienstreis wordt in het algemeen onthouden
                        als derden, geen ander overheidsorgaan zijnde, de reis aanbieden/ c.q. in
                        hoofdzaak mede financieren. Er is dan niet zozeer sprake van een
                        gemeentelijk belang als wel van belangen van derden bij de reis. Dit kan de
                        integriteit van de overheid raken. Reizen waaraan naar verwachting meerdere
                        personeelsleden bij verschillende directies zullen deelnemen, worden van te
                        voren afgestemd in het DT.</al><al>Artikel 16</al><al>De vervoersbewijzen dienen bij de declaraties te worden overlegd. Sinds de
                        invoering van de OV- chipkaart dienen geprinte overzichten als
                        vervoersbewijs. Om de administratieve last te beperken kan slechts twee maal
                        per jaar worden gedeclareerd. Transferium: Het college heeft besloten om een
                        tijdelijke vergoeding (tot 2013) van 50 % voor het transfer-
                        parkeer/openbaar vervoer ticket bij gebruik transferium Ovatonde. Deze
                        vergoeding zal tevens gelden voor andere nog in te richten P&amp;R –
                        locaties in het zuiden en westen van Nijmegen.</al><al>Reis- en verblijfkostenvergoedingen</al><al>Artikel 1 Algemeen</al><al>De bedragen voor reis- en verblijfkosten worden vastgesteld door de minister
                        (Reisbesluit binnenland en Reisbesluit buitenland). Bij verblijfkosten wordt
                        onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="§"><al>logies</al></li><li nr="§"><al>maaltijden</al></li><li nr="§"><al>kleine uitgaven</al></li></lijst><al>In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag bepalen dat de
                        maximum-vergoeding voor verblijfkosten op een lager of een hoger bedrag
                        wordt vastgesteld. Dat moet dan wel duidelijk aantoonbaar gemaakt worden.
                        Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor vergoeding van extra bijkomende
                        kosten die redelijkerwijs niet tot de gewone reis- en verblijfkosten
                        gerekend kunnen worden. Ook daarvan moet de noodzaak duidelijk worden
                        aangetoond. De in de Tarieflijst van het Reisbesluit genoemde
                        maximumvergoedingen voor “logieskosten en “overige kosten” zijn dagbedragen.
                        Met “overige kosten” wordt bedoeld kosten voor “maaltijden” en “kleine
                        uitgaven”. Het onderdeel “kleine uitgaven” bedraagt 1,2% per uur van het
                        bedrag van de “overige kosten” voor ieder uur dat de dienstreis duurt. Per
                        volle dag dus 24 x 1,2% = 29% van de “overige kosten”. Er is in het
                        reisbesluit t.a.v. “overige kosten” ook nog een verdeling gemaakt voor de
                        diverse maaltijden, t.w.: het <vet>“ontbijt 13%”</vet>, een
                            <vet>“lunchvergoeding van 23%”</vet> en een <vet>“dinervergoeding van
                            35%”</vet>. </al><al><vet>Wijze van declareren</vet></al><al>In principe moeten bij de declaraties van de kosten zoveel mogelijk
                        rekeningen worden overlegd. Bij maaltijden is dat als regel niet zo
                        moeilijk. Bij kleine uitgaven zoals een ijsje, een snack onderweg, een
                        borrel, een fooi voor een taxichauffeur e.d. is dat moeilijker. In die
                        gevallen kan worden volstaan met het opgeven van een totaalbedrag “kleine
                        uitgaven”. Als een declaratie voor logies en ontbijt wordt overlegd waaruit
                        niet blijkt welk gedeelte voor logies is en welk gedeelte voor het ontbijt,
                        dan wordt maximaal vergoed het maximum bedrag voor logieskosten en 12% van
                        het maximumbedrag voor de zogenaamde overige kosten. Uitgangspunt bij de
                        declaratie is en blijft dat zoveel mogelijk bonnen en bewijsstukken worden
                        overlegd en dat alleen de werkelijk gemaakte kosten worden vergoed. Wordt
                        minder uitgegeven dan de toegestane maxima, dan wordt ook minder
                        gedeclareerd. Wordt meer uitgegeven dan het dagmaximum kan het meerdere
                        gedeclareerd worden als het bevoegd gezag daarmee instemt. Uiteraard zal de
                        noodzaak daarvan dan duidelijk aangetoond moeten worden.</al><al><vet>Resumé:</vet></al><lijst><li nr="§"><al>Vergoeding van vervoerskosten geschiedt uitsluitend op basis van
                                bewijsstukken.</al></li><li nr="§"><al>Vergoeding van overnachtingkosten geschiedt op basis van werkelijk
                                gemaakte kosten. Ook hiervan zijn bewijsstukken nodig.</al></li><li nr="§"><al>Voor maaltijdvergoedingen en overige kleine uitgaven dient zoveel
                                mogelijk bewijsmateriaal te worden overlegd. Bij maaltijden is dat
                                als regel niet zo’n probleem. Zeker niet als deze worden gebruikt in
                                restaurants e.d.. Voor andere “kleine uitgaven” is dat vaak wel
                                lastig. Vergoeding van deze kosten kan, mits men binnen de gestelde
                                maxima blijft, ook zonder bewijsmateriaal.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Tarieven reis- en verblijfkostenregeling binnenland</al><al><vet>Per 1-1-2001</vet><cursief> Kilometervergoeding:</cursief> auto €
                        0,27</al><al><cursief>Verblijfkosten:</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven overdag</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 2,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven ’s-avonds</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een ontbijt</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een lunch</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een avondmaaltijd</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 14,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>voor logies (logiescomponent)</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 58,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Per 1-1-2002</vet><cursief> Kilometervergoeding:</cursief> auto €
                        0,28</al><al><cursief>Verblijfkosten:</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven overdag</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 3,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven ’s-avonds</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9,59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een ontbijt</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>voor een lunch</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een avondmaaltijd</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>voor logies (logiescomponent)</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 62,01</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Per 1-1-2003</vet><cursief> Kilometervergoeding:</cursief> auto €
                        0,28</al><al><cursief>Verblijfkosten:</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven overdag</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 3,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven ’s-avonds</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een ontbij</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een lunch</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een avondmaaltijd</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>voor logies (logiescomponent)</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 65,11</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Per 1-1-2004</vet><cursief> Kilometervergoeding:</cursief> De
                        autokostenvergoeding blijft vooralsnog gehandhaafd op € 0,28 per zakelijke
                        kilometer. Hiervan is een bedrag van € 0,18 onbelast en het resterende
                        gedeelte van € 0,10 wordt belast.</al><al><cursief>Verblijfkosten:</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven overdag</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 3,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven ’s-avonds</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een ontbijt</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een lunch</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een avondmaaltijd</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>voor logies (logiescomponent)</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 67,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Per 1-1-2004</vet><cursief> Kilometervergoeding:</cursief> De
                        autokostenvergoeding blijft vooralsnog gehandhaafd op € 0,28 per zakelijke
                        kilometer. Hiervan is een bedrag van € 0,18 onbelast en het resterende
                        gedeelte van € 0,10 wordt belast.</al><al><cursief>Verblijfkosten:</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven overdag</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 3,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven ’s-avonds</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een ontbijt</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,73</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een lunch</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 11,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een avondmaaltijd</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>voor logies (logiescomponent)</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 69,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Per 1-1-2007</vet><cursief>Kilometervergoeding:</cursief> De
                        autokostenvergoeding wordt conform artikel 4 van de reis- en
                        verblijfkostenregeling gesteld op € 0,29 per zakelijke kilometer. Hiervan is
                        een bedrag van € 0,19 onbelast en het resterende gedeelte van € 0,10 wordt
                        belast. </al><al><cursief>Verblijfkosten</cursief>:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven overdag</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 3,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>voor kleine uitgaven 's-avonds</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 11,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een ontbijt</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een lunch</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 11,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>voor een avondmaaltijd</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>voor logies (logiescomponent)</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 71,14</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 3 Tarieven reis- en verblijfkostenregeling buitenland</al><al>De tarieven zijn te vinden in de Nederlandse Staatscourant. Deze is te
                        bereiken via internet. Zoeken gaat als volgt: (Print deze pagina even uit
                        als geheugensteun voor de te nemen stappen)</al><lijst><li nr="§"><al>Klik op www.overheid.nl.</al></li><li nr="§"><al>Klik op <vet>“officiële publicaties”</vet>.</al></li><li nr="§"><al>Klik bij <vet>“1”</vet> op <vet>“Departementale regelgeving
                                    Staatscourant”</vet> (aanvinken).</al></li><li nr="§"><al>Vul bij <vet>“2”</vet> in de periode waarbinnen u wilt zoeken.</al></li><li nr="§"><al>Vink bij vrije trefwoorden <vet>“tekst”</vet> aan.</al></li><li nr="§"><al>Vul in het zoekscherm in <vet>“tarieflijst logies”</vet>.</al></li><li nr="§"><al>Druk op <vet>“zoek”</vet>.</al></li></lijst><al>Als de burgemeester, de wethouders of de gemeentesecretaris in verband met
                        de uitoefening van hun functie een vliegreis moeten maken, gelden de
                        volgende richtlijnen.</al><lijst><li nr="§"><al>Als er sprake is van een intercontinentale vlucht dan is reizen in
                                businessclass of vergelijkbare klasse (geen eerste klasse)
                                toegestaan.</al></li><li nr="§"><al>Als er sprake is van relatief korte continentale reizen dan wordt in
                                principe economyclass gereisd. In bijzondere situaties kan daar met
                                instemming van het college van worden afgeweken. </al></li><li nr="§"><al>Voor wat betreft de vergoeding van overige kosten die verbonden zijn
                                aan vliegreizen zoals eventuele extra bagagekosten, reisverzekering,
                                etc., wordt aansluiting gezocht bij hetgeen daarover is bepaald in
                                de gemeentelijke Reis-en verblijfkostenregeling 1999.</al></li></lijst><al><vet>Vergoeding kosten van vliegreizen</vet></al><al><cursief>(Zie collegebesluit van 30-11-2004 2.13)</cursief></al><al>Als de <vet>burgemeester</vet>, de<vet> wethouders</vet> of de<vet>
                            gemeentesecretaris</vet> in verband met de uitoefening van hun functie
                        een vliegreis moeten maken, gelden de volgende richtlijnen.</al><lijst><li nr="§"><al>Als er sprake is van een intercontinentale vlucht dan is reizen in
                                businessclass of vergelijkbare klasse toegestaan(zie toelichting
                                hieronder bij reisbesluit buitenland).</al></li><li nr="§"><al>Als er sprake is van relatief korte continentale reizen dan wordt in
                                principe economyclass gereisd. In bijzondere situaties kan daar met
                                instemming van het college van worden afgeweken.</al></li><li nr="§"><al>Voor wat betreft de vergoeding van overige kosten die verbonden zijn
                                aan vliegreizen zoals eventuele extra bagagekosten, reisverzekering,
                                etc., wordt aansluiting gezocht bij hetgeen daarover is bepaald in
                                de gemeentelijke Reis-en verblijfkostenregeling 1999.</al></li></lijst><al><cursief>Gemeenteambtenaren</cursief></al><al>De gemeentesecretaris heeft dezelfde regeling als die geldt voor de
                        burgemeester en de wethouders. Voor de andere gemeenteambtenaren is de
                        vergoeding van vliegreizen geregeld in artikel 7, lid 4 van de gemeentelijke
                        Reis- en verblijfkostenregeling en artikel 9, lid 4 . Voor de uitvoering van
                        deze regeling is aansluiting gezocht bij het Reisbesluit buitenland voor
                        rijksambtenaren. Voor ambtenaren is het dus niet nodig een nadere regeling
                        vast te stellen. Wel kunnen er ter uitvoering van artikel 7 van de Reis- en
                        verblijfkostenregeling door het college nadere richtlijnen worden gesteld.
                        Omdat reizen per vliegtuig voor gemeenteambtenaren maar heel sporadisch
                        voorkomt, is het niet nodig en ook niet praktisch om bij de keuze of
                        economyclass danwel business wordt gevlogen, al van tevoren richtlijnen vast
                        te stellen. Deze kunnen ook knellen. Als regel zal de economyclass worden
                        gebruikt, maar als het om welke reden dan ook nodig mocht zijn dat
                        businessclass de voorkeur verdient, dan kan het college daar ad hoc een
                        besluit over nemen. (voor de klasenindeling zie de toelichting bij
                        reisbesluit buitenland).</al><al><cursief>Raadsleden</cursief></al><al>Ook voor de raadsleden is het vaststellen van een regeling niet nodig omdat
                        in artikel 3 van de verordening onkostenvergoedingen en voorzieningen voor
                        raadsleden 1999 is bepaald dat zij de ambtenarenregeling volgen (zie
                        hierboven). </al><al><cursief>Reisbesluit buitenland en klassenindeling</cursief></al><al>In het Reisbesluit buitenland wordt bij vliegreizen onderscheid gemaakt
                        tussen 3 klassen, t.w.: </al><lijst><li nr="§"><al>Economyclass, </al></li><li nr="§"><al>Businessclass;</al></li><li nr="§"><al>Eerste klasse. </al></li></lijst><al>Het begrip economyclass behoeft geen nadere uitleg. Busisnessclass is de
                        eerstvolgende klasse die boven economyclass uitgaat. De meeste vliegtuigen
                        hebben alleen maar deze twee klassen. Er zijn echter ook enkele vliegtuigen
                        die een nog hogere klasse hebben. Meestal letterlijk en figuurlijk omdat
                        deze klasse als regel recht boven de cockpit en de gebruikelijke
                        businessclass is gesitueerd. Dat geldt ook voor de prijs van deze klasse,
                        want eerste klasse is minimaal dubbel zo duur als businessclass en is in
                        principe bestemd voor captains of industry en ministers e.d.. In artikel 6,
                        lid 2 van het Reisbesluit buitenland is bepaald dat geen "eerste klasse" mag
                        worden vergoed. Er mag dus alleen vergoeding plaatsvinden van economyclass
                        en businessclass. Omdat er geen lagere klasse is dan economyclass hoeft in
                        feite alleen de vraag te worden beantwoord wanneer wel en wanneer niet
                        businessclass voor vergoeding in aanmerking komt.</al><al>Richtlijn functioneringsgesprekken</al><al>Artikel 1 Toepassingsgebied</al><al><vet>Richtlijn functioneringsgesprekken</vet><cursief> Besluit van
                            burgemeester en wethouders d.d. 3 januari 1990, laatstelijk gewijzigd 5
                            september 1995.</cursief></al><al>Deze richtlijnen zijn van toepassing op alle medewerkers waarmee een
                        dienstverband is aangegaan voor langer dan 1 jaar.</al><al>Artikel 2 Begripsomschrijvingen</al><al>Deze richtlijnen verstaan onder:</al><lijst><li nr="§"><al><vet>Hoofd van dienst:</vet> degene die belast is met de dagelijkse
                                leiding van de dienst.</al></li><li nr="§"><al><vet>Hoofd afdeling:</vet> degene die belast is met de dagelijkse
                                leiding van de afdeling.</al></li><li nr="§"><al><vet>Directe leidinggevende:</vet> degene die direct leiding geeft
                                aan een of meer medewerkers die belast zijn met de uitvoering van
                                het werk.</al></li></lijst><al>Artikel 3 Het functioneringsgesprek</al><al>Het functioneringsgesprek is een periodiek plaatsvindend gesprek tussen de
                        direct leidinggevende en medewerker dat primair betrekking heeft op het
                        functioneren van de medewerker in de huidige functie en dat als doel heeft: </al><lijst><li nr="1."><al>als medewerker een beter inzicht te verkrijgen in de sterke en
                                minder sterke kanten van het eigen functioneren;</al></li><li nr="2."><al>als leidinggevende een duidelijk beeld te hebben en te houden van
                                het functioneren van degene aan wie leiding wordt gegeven;</al></li><li nr="3."><al>aan de hand van het gevoerde gesprek afspraken te maken over de
                                wijze waarop in de komende periode aandacht zal worden gegeven aan
                                de verdere ontwikkeling van kennis en vaardigheden van de
                                medewerker.</al></li></lijst><al>Het functioneringsgesprek wordt gevoerd door de directe chef en betrokkene. </al><al>Artikel 4 De frequentie van functioneringsgesprekken</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met iedere medewerker dient tenminste 1 x per jaar een functioneringsgesprek
                        gehouden te worden. De afdelingsleiding is er verantwoordelijk voor dat het
                        gesprek plaatsvindt; personeelszaken draagt zorg voor de planning en
                        signalering van de gesprekken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het is noodzakelijk dat tenminste 2 weken voor het functioneringsgesprek de
                        datum waarop het gesprek plaatsvindt, bij betrokkene bekend is.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op verzoek van medewerker en/of leidinggevende kan hiervan worden afgeweken.
                        Zo kan het wenselijk zijn: </al><lijst><li nr="§"><al>het gesprek vaker te laten plaatsvinden voor medewerkers waarvoor de
                                functie dan wel de organisatie nieuw is;</al></li><li nr="§"><al>het gesprek vaker te laten plaatsvinden indien medewerker en
                                leidinggevende op basis van gezamenlijke afspraken hiertoe
                                beslissen;</al></li><li nr="§"><al>het gesprek minder vaak te laten plaatsvinden indien de medewerker
                                binnen afzienbare tijd de pensioengerechtigde leeftijd gaat bereiken
                                dan wel om andere redenen de dienst gaat verlaten.</al></li></lijst><al>Artikel 5 Wijze van vastlegging van conclusies en afspraken</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Van elk functioneringsgesprek dienen de besproken onderwerpen, gemaakte
                        conclusies en in het bijzonder de gemaakte afspraken door de chef te worden
                        vastgelegd in een verslagformulier.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Conclusies en afspraken, vastgelegd in het verslagformulier, dragen een
                        vertrouwelijk karakter.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Aan hetgeen is vastgelegd kunnen door de medewerker geen rechten worden
                        ontleend met betrekking tot bevorderingen, extra periodieken e.d. Een
                        voorstel hiertoe dient plaats te vinden aan de hand van
                        personeelsbeoordeling, waarbij alleen met toestemming van betrokken
                        medewerker de gegevens uit het meest recente functioneringsgesprek bezien
                        kunnen worden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Afspraken welke in het functioneringsgesprek worden gemaakt maar waarvoor
                        besluitvorming op een hoger niveau noodzakelijk is, worden separaat van het
                        verslagformulier in besluitvorming gebracht.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Jaarlijks vindt rapportage plaats t.a.v. welke gesprekken zijn gehouden en
                        wanneer (derhalve niet inhoudelijk).</al><al>Artikel 6 Afschriften en bewaartermijn van het verslagformulier</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Medewerker en de direct leidinggevende behouden zelf een exemplaar van het
                        verslagformulier.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het voor akkoord ondertekende verslag wordt door de chef bewaard, doch
                        uitsluitend het laatste en het voorlaatste verslag. De bewaartijd is ten
                        hoogste drie jaar.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Alle gegevens betreffende functioneringsgesprekken worden als strikt
                        vertrouwelijk beschouwd. Alleen met instemming van medewerker en de direct
                        leidinggevende kan het verslagformulier danwel gedeelten daaruit, aan
                        "derden" ter inzage worden gegeven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het verslagformulier van het laatstgehouden functioneringsgesprek wordt
                        gebruikt als ondersteuning bij het eerstvolgende functioneringsgesprek.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Op het moment dat er een personeelsbeoordeling dient plaats te vinden - dit
                        is bijvoorbeeld het geval bij het doen van een voorstel tot bevordering,
                        (een) extra periodiek(en) of meer in het algemeen bij beslissingen met
                        gevolgen voor de rechtspositie -kunnen de geldige verslagformulieren bij de
                        beoordeling worden betrokken.</al><al>Artikel 7 Bezwaar</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met betrekking tot de gevolgde procedure is bezwaar mogelijk. Indien naar de
                        opvatting van de medewerker niet of in onvoldoende mate de "richtlijnen voor
                        functioneringsgesprekken" wordt gevolgd, is er een mogelijkheid om bezwaar
                        kenbaar te maken. Dit bezwaar dient schriftelijk te worden voorgelegd aan
                        het diensthoofd. Binnen een termijn van 3 weken na de datum van ontvangst
                        van het bezwaar hoort deze partijen. Daarbij is de personeelsfunctionaris
                        aanwezig. De beslissing wordt binnen 2 weken na deze hoorzitting aan
                        betrokkenen medegedeeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Met betrekking tot de inhoud van het functioneringsgesprek is geen bezwaar
                        mogelijk. Indien de betrokken medewerker het niet eens is en blijft met de
                        door de directe leidinggevende uitgebrachte bevindingen over zijn/haar
                        functioneren, bestaat er uiteindelijk nog de mogelijkheid - indien betrokken
                        medewerker dat wenst - een nieuw functioneringsgesprek dan wel een
                        personeelsbeoordeling te doen opmaken. Bij dit laatste is - in tegenstelling
                        tot de methode van functioneringsgesprekken - wel bezwaar en beroep
                        ingebouwd.</al><al>Artikel 8 Nadere regels</al><al>Het hoofd van dienst is bevoegd nadere regels vast te stellen met betrekking
                        tot het voeren van de functioneringsgesprekken, echter binnen het kader van
                        deze richtlijnen. De nadere regels behoeven de instemming van de OR.</al><al>Artikel 9 Slotbepaling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze richtlijnen kunnen worden aangehaald als "richtlijnen
                        functioneringsgesprekken".</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zij treden in werking met ingang van 1 januari 1991.</al><al>Toelichting</al><al>Toelichting - algemeen</al><al>De richtlijnen functioneringsgesprekken dienen o.g.v. het B&amp;W-besluit
                        van 19 augustus 2003 te worden gelezen als hadden zij mede betrekking op
                        POP-gesprekken (artikel 17.1.1.0 en 15:1:26). De richtlijnen zullen in
                        afwachting van definitieve regelgeving slechts worden toegepast voor zover
                        deze naar letter en naar geest niet strijdig zijn met de bepalingen van
                        artikel 15:1:26 en bijbehorende bepalingen en regelingen.</al><al>16 Disciplinaire straffen</al><al>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                        overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding
                        geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag
                        of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege
                        disciplinair worden gestraft.</al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen
                        of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort
                        na te laten of te doen.</al><al>Artikel 16.1.1 (Q) Plichtsverzuim - beslag/vordering op bezoldiging</al><al>Een nadere toelichting op beslag/vordering op de bezoldiging: Titel II van
                        de ambtenarenwet gaat over "Beslag verrekening en korting" toegepast op de
                        bezoldiging c.s. van de ambtenaar. Met beslag wordt ook bedoeld een
                        "vordering". Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat het maken van
                        schulden en niet betalen van rekeningen e.d. in de privé-sfeer kan worden
                        opgevat als plichtsverzuim. Een en ander hangt natuurlijk ook af van de
                        aard, ernst en frequentie e.d.. Daarenboven kan de functie die de ambtenaar
                        heeft een rol spelen bij de vraag of er sprake is van plichtverzuim en of er
                        maatregelen dienen te worden genomen. Het volledig stopzetten van de
                        bezoldiging als een ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk
                        nalaat zijn betrekking te vervullen is geregeld in artikel 3:1:1. Dat is
                        echter geen disciplinaire straf zoals bedoeld in hoofdstuk 16.</al><al>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</al><al>Lid 1</al><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                        disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde
                                werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale
                                vergoeding voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren
                                per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden
                                opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                feestdagen; </al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren
                                waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak
                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per
                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                                overeenkomende met het salaris over een halve maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                                verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen, een
                                herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste
                                vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste
                                twee periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar
                                beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het
                                salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet
                                langer dan twee jaren; </al></li><li nr="h."><al> plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel
                                van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder
                                vermindering van salaris en de toegekende salaristoelage(n); </al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden opgelegd door
                        het college; de straffen genoemd onder h en i, alsmede de straf genoemd in
                        artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. </al><al>Lid 3</al><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer
                        zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het
                        opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                        plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander
                        ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                        eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al><al>Artikel 16.1.2 (Q) Disciplinaire straffen</al><al>Het volledig stopzetten van de bezoldiging als een ambtenaar in strijd met
                        zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen is
                        geregeld in artikel 3:1:1. Dat is echter geen disciplinaire straf zoals
                        bedoeld in hoofdstuk 16. Strafontslag als disciplinaire maatregel is niet in
                        dit hoofdstuk geregeld. Dat is ondergebracht in hoofdstuk 8 (ontslag),
                        artikel 8:13. In dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel
                        8:15:1, dat gaat over de schorsing als ordemaatregel. Voor wat betreft het
                        ontzeggen van de toegang tot het terrein of de kantoren e.d. kan ook gebruik
                        gemaakt worden van artikel 15:1:19. Voor verdere informatie zie de
                        toelichtingen bij deze artikelen. </al><al>Artikel 16:1:3 Verantwoording</al><al>Lid 1</al><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk
                        plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten overstaan van een door het
                        college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder
                        dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de
                        ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</al><al>Lid 2</al><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur
                        proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens
                        overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de
                        ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                        mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van
                        het proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.</al><al>Lid 3</al><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de
                        gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere
                        bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</al><al>Artikel 16.1.3 (Q) Verantwoording - brief en procesverbaal</al><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                        strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld. In deze brief hoeft
                        niet de standaardzinsnede opgenomen te worden dat tegen dit besluit binnen
                        een termijn van zes weken bezwaar kan worden ingediend, etc.. Er is immers
                        nog geen definitief besluit genomen. Het is slechts een voornemen om een
                        bepaald besluit te nemen en de ambtenaar moet nog worden gehoord. Bij het
                        horen van de ambtenaar zouden er nieuwe feiten aan het licht kunnen komen
                        waardoor de mening dat een straf opgelegd dient te worden, gewijzigd wordt.
                        Er kan zelfs worden besloten om helemaal af te zien van een strafoplegging.
                        In de brief waarin de straf definitief wordt opgelegd, moet deze zinsnede
                        natuurlijk wel worden opgenomen. In de meeste gevallen zal de betreffende
                        ambtenaar al van tevoren zijn ingelicht wat er te gebeuren staat. Het is
                        immers niet echt behoorlijk als een ambtenaar, zonder dat deze maar iets
                        vermoedt, plotseling een brief krijgt waarin hem wordt medegedeeld dat men
                        van plan is hem disciplinair te straffen.</al><al><vet>Procesverbaal</vet></al><al>Aan het proces-verbaal zijn geen bijzondere vormvereisten verbonden. Het is
                        een feitelijk verslag van de verantwoording van de verweerder zonder verdere
                        toevoegingen. Het is wel belangrijk dat de in de betreffende artikelen
                        voorgeschreven procedures op een juiste en tijdige wijze worden
                        gevolgd.</al><al>Artikel 16:1:4 Verantwoording</al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al>Artikel 16:1:5 Verantwoording</al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                        strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al>17 Opleiding en ontwikkeling</al><al>Artikel 17.1.1.0 Persoonlijk ontwikkelingsplan</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In een persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd over de
                        loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar,
                        alsmede een in dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                        activiteiten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt jaarlijks als onderdeel van het
                        functioneringsgesprek opgesteld en door het college vastgesteld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt vastgesteld indien de daarin
                        gemaakte afspraken over te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten
                        passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                        opleidingsbeleid op zowel gemeentelijk als directieniveau.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De kosten die gemaakt worden voor het volgen van de in het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan opgenomen opleidingen en activiteiten worden vergoed. Voor
                        wat betreft de kosten van opleidingen geschiedt dat krachtens daarvoor bij
                        afzonderlijke regeling gestelde bepalingen. In deze regeling wordt,
                        onverminderd het bepaalde in artikel 15:1:26 en artikel 15:1:27, bepaald
                        welke studiefaciliteiten kunnen worden toegekend, alsmede de voorwaarden die
                        daaraan kunnen worden verbonden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                        betrekking tot benodigd verlof voor het volgen van de opleiding en
                        voorbereiding op het examen en de eventuele verdere medewerking van de zijde
                        van de werkgever die de ambtenaar in staat moet stellen de gemaakte
                        afspraken uit te voeren.</al><al>Artikel 17.1.1.1 Studiefaciliteitenregeling en Popformulier</al><al>In aanvulling op artikel 17.1.1.0 vindt u bij het onderdeel “Lokale
                        regelingen” de Studiefaciliteitenregeling en op het intranet het
                        Popformulier van de gemeente Nijmegen. </al><al>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </al><al>Lid 1 </al><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van € 500.-. </al><al>Lid 2</al><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een opleidingsplan
                        heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt aan loopbaanontwikkeling
                        op basis van individuele wensen over loopbaanactiviteiten gericht op
                        vergroting van inzetbaarheid kan dit opleidingsplan ongewijzigd worden
                        voortgezet ongeacht het bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                        ondernemingsraad.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van loopbaangerelateerde
                        activiteiten, zoals opleiding, training, scholing, loopbaanadvies, coaching
                        en ontwikkeling, gericht op de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                        arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen of buiten de
                        organisatie.</al><al>Lid 4</al><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht op een
                        reëel loopbaanperspectief.</al><al>Lid 5</al><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget worden
                        vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 6</al><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin de
                        aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.</al><al>Lid 7</al><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar het
                        loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om daarmee eenmalig
                        een duurdere activiteit te financieren. Dit wordt vastgelegd in (een
                        aanvulling op) het persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>Lid 8</al><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na verloop van de
                        overeengekomen periode het budget niet of niet volledig is benut komt het
                        resterende budget te vervallen.</al><al>Lid 9</al><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Studiefaciliteitenregeling</al><al>Artikel 1 Algemene bepalingen</al><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Ambtenaar: </vet> de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1,
                                eerste lid, sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                Nijmegen;</al></li><li nr="b."><al><vet>POP: </vet> het persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in
                                artikel 17.1.1.0 eerste lid van de AGN;</al></li><li nr="c."><al><vet>Studie: </vet> een opleiding waarover in het door het college
                                vastgestelde POP een afspraak is gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 2</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het POP kunnen afspraken worden gemaakt over de opleidingsvorm of het
                        -instituut, alsmede over de periode waarin de studie zal worden
                        gevolgd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De studiefaciliteiten worden verleend voor een bij de verlening te bepalen
                        termijn, die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de
                        studie.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De in het vorige lid bedoelde termijn kan in bijzondere gevallen worden
                        verlengd. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De in de voorgaande leden bedoelde termijnen worden geacht in elk geval te
                        zijn verstreken op de datum, waarop het dienstverband van de ambtenaar met
                        de gemeente eindigt. </al><al>Artikel 3</al><al>Indien het college op grond van door hen ingewonnen inlichtingen van oordeel
                        is, dat de ambtenaar niet regelmatig of niet voldoende studeert, waardoor
                        hij niet in staat kan worden geacht zijn studie binnen de termijn als
                        bedoeld in artikel 2 te volbrengen, zijn zij bevoegd de verleende
                        studiefaciliteiten - al dan niet tijdelijk - in te trekken.</al><al>Artikel 4 Studiekosten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De door de ambtenaar naar het oordeel van het college redelijk gemaakte
                        studiekosten worden integraal vergoed, onverminderd het bepaalde in artikel
                        5, lid 1 sub b.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onder redelijk gemaakte studiekosten, als genoemd in het vorige lid, worden
                        in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="§"><al>cursus-, les- of collegegelden, examen- en diplomagelden, alsmede
                                benodigd studiemateriaal, met uitzondering van schrijfbehoeften,
                                verzendkosten, duurzame gebruiksartikelen en niet verplicht
                                voorgeschreven met de studie verband houdende boeken;</al></li><li nr="§"><al>noodzakelijke reis- en verblijfkosten, met dien verstande dat de
                                reiskosten worden berekend naar de minst kostbare wijze van openbaar
                                vervoer.</al></li></lijst><al>Artikel 5</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vergoeding van studiekosten wordt eerst gegeven, nadat de ambtenaar
                        schriftelijk heeft verklaard, dat hij de uit dien hoofde genoten bedragen
                        zal terugbetalen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij de studie, waarvoor de vergoeding is verleend, beëindigt voordat
                                de in artikel 2 lid 2 bedoelde termijn is verstreken zonder dat de
                                studie tot het behalen van een diploma heeft geleid;</al></li><li nr="b."><al>de vergoeding wordt gestaakt op grond van artikel 3;</al></li><li nr="c."><al>hij op eigen verzoek of ten gevolge van aan hemzelf te wijten feiten
                                of omstandigheden wordt ontslagen binnen twee jaren na het
                                beëindigen van de studie.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De terugbetalingsverplichting op grond van het gestelde in lid 1 onder a of
                        b van dit artikel vervalt, indien voortzetting van de studie redelijkerwijs
                        niet van hem kan worden verlangd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college kan de ambtenaar op zijn verzoek, geheel of gedeeltelijk en al
                        dan niet tijdelijk, ontheffen van de op hem rustende verplichting tot
                        terugbetaling.</al><al>Artikel 6 Verlof</al><al>De omvang van het studieverlof zoals bedoeld in artikel 17.1.1.0, vijfde lid
                        van de AGN dient in redelijkheid te worden bepaald, rekening houdend met
                        onder andere het belang van de opleiding voor de organisatie, persoonlijke
                        omstandigheden van de ambtenaar en de zwaarte van de studie.</al><al>Artikel 7 Overgangsbepalingen</al><al>De ambtenaar aan wie op de datum van inwerkingtreding van deze regeling
                        reeds faciliteiten waren toegekend op grond van de bij dit besluit
                        ingetrokken studiefaciliteitenregeling behoudt, gedurende de vastgestelde
                        studietermijn, deze faciliteiten voor zover zij hogere aanspraken opleveren
                        dan bij toepassing van deze regeling het geval zou zijn.</al><al>Artikel 8 Slotbepalingen</al><al>De ambtenaar is verplicht die inlichtingen te geven, die het college voor de
                        toepassing van deze regeling noodzakelijk acht.</al><al>Artikel 9</al><al>Het college kan ter uitvoering van deze regeling nadere regelen
                        stellen.</al><al>Artikel 10</al><al>Het college is bevoegd in gevallen, waarin deze regeling niet of niet in
                        redelijkheid voorziet, een voorziening te treffen.</al><al>Toelichting</al><al>Toelichting artikel 1</al><al>De verzamelnaam studie wordt gebruikt voor o.a. cursussen, seminars,
                        studiedagen en training on the job. Vaak zal er bij het opstellen van een
                        POP niet precies aangegeven kunnen worden welke seminars of studiedagen
                        worden gevolgd. Dat houdt dan in dat de studiefaciliteitenregeling eveneens
                        van toepassing kan zijn op studies die niet met name in het POP worden
                        vermeld.</al><al>Toelichting artikel 2</al><al>ad 2: Per geval wordt bekeken (in overleg) over welke periode van de studie
                        de faciliteiten worden verleend. Indien betrokkene bijvoorbeeld een studie
                        volgt met een duur van zes jaar, kan de studie worden opgesplitst in een
                        aantal fasen (propedeuse, vervolgjaren). De faciliteiten worden vervolgens
                        per fase verleend.</al><al>Toelichting artikel 3</al><al>Het college kan bij het opleidingsinstituut informatie (doen) inwinnen
                        omtrent de voortgang van de studie. Hiermee wordt beoogd de studerenden,
                        waar mogelijk, tijdig bij hun studie te kunnen begeleiden. Informaties
                        worden niet zonder voorkennis van de ambtenaar ingewonnen.</al><al>Toelichting artikel 5</al><al>Ad 1 en ad 2: Of betrokkene op grond van persoonlijke omstandigheden geen
                        terugbetalingsverplichting heeft, dient te worden vastgesteld na overleg met
                        de eigen leidinggevende en de afdeling Personeelszaken van de directie. De
                        directeur beslist in mandaat. </al><al>ad 3: Het college heeft de bevoegdheid ontheffing van de
                        terugbetalingsverplichting te verlenen. Hiervan zal in het algemeen sprake
                        zijn in situaties van overmacht, waarin dus redelijkerwijs niet van de
                        ambtenaar mag worden verwacht dat de studie wordt afgemaakt of het
                        dienstverband wordt voortgezet. Kwijtschelding van studiekosten vereist een
                        individuele benadering , waarbij het belang van de ambtenaar evenwichtig
                        wordt afgewogen tegenover het belang van de organisatie.</al><al>18 Verplaatsingskosten</al><al>Artikel 18.1.1.1 Begripsomschrijving</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a."><al><vet>betrokkene</vet>: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin
                                van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen;</al></li><li nr="b."><al><vet>bevoegde gezag</vet>: Het college van de gemeente
                                Nijmegen;</al></li><li nr="c."><al><vet>standplaats</vet>: het grondgebied van de gemeente
                                Nijmegen;</al></li><li nr="d."><al><vet>woongebied</vet>: een door het bevoegde gezag aan te wijzen
                                gebied aansluitend aan de standplaats ( Bij besluit van burgemeester
                                en wethouders d.d. 18 november 1997 bepaald op het gebied waarvan de
                                grens wordt gevormd door de plaatsen Elst, Gendt, Leuth, Groesbeek,
                                Mook, Grave, Wijchen, Ewijk en Valburg); </al></li><li nr="e."><al><vet>eigen huishouding voeren</vet>: het zelfstandig bewonen van
                                woonruimte;</al></li><li nr="f."><al><vet>berekeningsbasis</vet>: het twaalfvoud van de bezoldiging in de
                                zin van artikel 3:1 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                Nijmegen van de belanghebbende, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt
                                ingeval dat het bepaalde in dat artikel niet op hem van toepassing
                                is, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering;</al></li><li nr="g."><al><vet>levenspartner</vet>: de levenspartner als omschreven in artikel
                                1 van artikel 21:1:1 rechtspositionele erkenning alternatieve
                                samenlevingsvormen (Raadsbesluit van 12 september 1990).</al></li><li nr="h."><al><vet>gezinsleden</vet>: de echtgenoot, geregistreerde partner of
                                levenspartner van de betrokkene en de kinderen, stief- en
                                pleegkinderen van de betrokkene en/of van de echtgenoot,
                                geregistreerde partner of levenspartner, voor zover zij
                                samenwonen.</al></li></lijst><al>Artikel 18.1.1.2 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding in opdracht van het
                        bevoegde gezag is verhuisd en een woning binnen de standplaats heeft
                        betrokken, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding in opdracht van het
                        bevoegde gezag is verhuisd en een woning buiten de standplaats heeft
                        betrokken, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend, indien het
                        bevoegde gezag vooraf heeft vastgesteld dat met de verhuizing aan de
                        opdracht om naar de nabijheid van de standplaats te verhuizen wordt
                        voldaan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De betrokkene, die zonder dat daartoe opdracht is verleend door het bevoegde
                        gezag, is verhuisd en een woning binnen de standplaats heeft betrokken,
                        wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De betrokkene, die zonder dat daartoe opdracht is verleend door het bevoegde
                        gezag, in verband met een indiensttreding is verhuisd en een woning buiten
                        de standplaats maar binnen het woongebied heeft betrokken, wordt een
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend, indien de afstand tussen de
                        oude en de nieuwe woning, te rekenen van gemeentegrens tot gemeentegrens,
                        ten minste 50 kilometer bedroeg. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan wie
                        binnen twee jaren na de datum van verhuizing ontslag op verzoek wordt
                        verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden
                        binnen twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem op grond
                        van lid een, twee of vier toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug
                        te betalen. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten als in de leden een, twee, en vier
                        genoemd, wordt aan de betrokkene slechts verleend, indien hij schriftelijk
                        verklaard heeft dat de verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het
                        vijfde lid hem bekend is.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de leden een, twee en vier
                        wordt verleend indien de verhuizing niet binnen twee jaren na de datum van
                        indiensttreding heeft plaatsgevonden.</al><al>Artikel 18.1.1.3 Tegemoetkoming verhuiskosten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten als bedoeld in artikel 2, eerste en
                        tweede lid kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de
                                inboedel van de betrokkene en van zijn gezinsleden naar de nieuwe
                                woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken ;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende
                                kosten.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding
                        voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gesteld op
                        een tegemoetkoming van 12% van de berekeningsbasis, met dien verstande dat
                        die tegemoetkoming maximaal € 4.600,- bedraagt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten,
                        geregistreerde partners of levenspartners beiden betrokkenen zijn in de zin
                        van deze regeling en afzonderlijk de opdracht hebben om te verhuizen, wordt
                        de tegemoetkoming berekend over de gezamenlijke berekeningsbasis.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen tegemoetkoming
                        als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verleend. Indien bijzondere
                        omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten niettemin een
                        tegemoetkoming worden verleend ter hoogte van 3% van de
                        berekeningsbasis.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten als bedoeld in artikel 2, derde lid
                        bedraagt € 1.825,-.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten als bedoeld in artikel 2, vierde lid
                        bedraagt € 1.375,-.</al><al>Artikel 18.1.1.4 Aanvraag tegemoetkoming</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten dient voor de datum
                        van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn ingediend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes maanden
                        daarna doet de belanghebbende bij het bevoegde gezag opgave van de kosten
                        als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a.</al><al>Artikel 18.1.1.5 Voorschot</al><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in of krachtens deze regeling
                        bedoelde tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al>Artikel 18.1.1.6 Bijzondere omstandigheden</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bevoegde gezag kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens
                        deze regeling gestelde bepalingen beslissen in individuele gevallen, waarin
                        die bepalingen naar zijn oordeel niet of niet naar redelijkheid
                        voorzien.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bevoegde gezag kan ten aanzien van een door hem aan te wijzen groep van
                        betrokkenen in afwijking van de bij of krachtens deze regeling gestelde
                        bepalingen beslissen, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding
                        geven.</al><al>Artikel 18.1.1.7 Inwerkingtreding</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998, en kan worden
                        aangehaald als Verplaatsingskostenregeling 1998.</al><al>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</al><al>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al></li></lijst><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                        aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                        loondienst is.</al><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn voor de
                        rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op grond van artikel
                        12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie voor georganiseerd
                        overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar van dit
                        hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere schriftelijke
                        regels die hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te
                        leven.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet schriftelijk zijn
                        vastgesteld wordt hierover naar behoren geïnformeerd.</al><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle
                        regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet voor de
                        vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de wijzigingen daarop, worden
                        kosteloos ter beschikking gesteld aan:</al><lijst><li nr="§"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd overleg
                                bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="§"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                aanmerking komt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:7a Vervallen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:9 Bevordering</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:10 Vervallen</al></li></lijst><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of in tijdelijke
                        dienst voor een bepaalde periode.</al><al>Lid 2</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij wijze van
                        proef.</al><al>Lid 3</al><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van maximaal
                        twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de tijdelijke aanstelling
                        verlengd worden met een periode van ten hoogste een jaar.</al><al>Lid 4</al><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra de maximale
                        termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken is, tenzij de proef niet
                        geslaagd is.</al><al>Artikel 19.6.0.1 Bijzondere gebeurtenissen</al><al>In een nader vast te stellen regeling bepaalt het college op welke wijze aan
                        jubilea (25 en 40 jaar overheidsdienst en 25 en 35 jaar brandweerdienst),
                        afscheid, huwelijk en overlijden van vrijwilligers aandacht zal worden
                        besteed.</al><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in aanmerking
                        komen die voldoen aan de eisen die het Besluit personeel veiligheidsregio’s
                        daarvoor stelt.</al><al>Lid 2</al><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als vrijwilliger voldoet
                        bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden
                                en de ligging van zijn woning, in staat om zijn taak bij de
                                gemeentelijke brandweerdienst naar behoren te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst><al>Artikel 19:7a Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een bericht van
                        aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                                vrijwilliger;</al></li><li nr="b."><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke aanstelling wordt de
                                periode waarvoor de aanstelling is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk
                                omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de vergoeding die
                                aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo spoedig
                        mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:9 Bevordering</al><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie bevorderen
                        wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit personeel
                        veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot bevordering worden ten
                        minste de nieuwe functie en de daaraan verbonden vergoeding vermeld.</al><al>Artikel 19.9.0.1 Beoordelingsgesprekken</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door hen te stellen
                        regelen over de vrijwilliger een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de
                        wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens
                        de uitoefening van die betrekking.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De vrijwilliger wordt omtrent de over hem uitgebrachte beoordeling
                        ingelicht, desverlangd schriftelijk. De vrijwilliger is desgevorderd
                        verplicht schriftelijk te verklaren, dat hij omtrent de beoordeling is
                        ingelicht en hij is bevoegd zijn bedenkingen tegen die beoordeling aan het
                        college kenbaar te maken.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt met de
                        vrijwilliger zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn
                        betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze
                        aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken
                        aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking
                        vervult naar het oordeel van het college of de commandant verbeterd kunnen
                        worden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het college kan nadere richtlijnen geven inzake de wijze waarop, mede gelet
                        op het in het voorgaande lid bepaalde, periodiek met de vrijwilliger diens
                        functioneren wordt besproken.</al><al>Artikel 19:10 Vervallen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al></li></lijst><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                        indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en informeert het
                        college over zijn werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college
                        zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer informeert het
                        college bij zijn indiensttreding hierover en verstrekt gegevens over de aard
                        van zijn werkzaamheden en het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger
                        informeert het college zo spoedig mogelijk over wijzigingen. </al><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                        indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor brandweerwerkzaamheden;
                            </al></li><li nr="c."><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden voor de
                                brandweer en dat bij de vaststelling van zijn werktijden hier
                                rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d."><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor brandweeractiviteiten
                                tijdens werktijd; </al></li><li nr="e."><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding. </al></li></lijst><al>Paragraaf 4 Vergoedingen</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                werkzaamheden</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                hulpverlening</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al></li></lijst><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een vergoeding
                        overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage IIb van de
                        CAR-UWO.</al><al>Lid 2</al><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die vanaf 31
                        december 1979 onafgebroken ambtenaar en als vrijwilliger werkzaam is, zolang
                        de aanstelling duurt een vergoeding overeenkomstig de regels van dit
                        hoofdstuk en bijlage IIc van de CAR-UWO.</al><al>Artikel 19.13 (Q) Vergoeding</al><al>De vaste en uurvergoedingen zijn in beginsel bestemd voor die vrijwilligers
                        die niet in hun hoofdberoep bij dezelfde gemeente in dienst zijn.
                        Vrijwilligers die hun brandweertaak vervullen in dezelfde gemeente waarbij
                        zij ook in hun hoofdberoep in dienst zijn, komen in aanmerking voor de vaste
                        vergoeding. Een uurvergoeding wordt hun slechts toegekend voor zover deze
                        betrekking heeft op uren die buiten de gewone (en doorbetaalde) diensttijd
                        vallen. </al><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage, genoemd
                        in artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de
                        functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al><al>Lid 3</al><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136, ter vergoeding
                        van onkosten die worden gemaakt in verband met de beroepsuitoefening.</al><al>Lid 4</al><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van de
                        beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde brandbestrijding of
                        andere hulpverlening.</al><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                        werkzaamheden</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt met
                        toestemming van het college, of in opdracht van het college overige
                        werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding. </al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul
                        is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen recht op
                        vergoeding. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                        hulpverlening</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn, bezighoudt met
                        daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening ontvangt hiervoor een
                        vergoeding.</al><al>Lid 2</al><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag dat in de
                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter de functiecategorie,
                        behorende bij de functie van de vrijwilliger, in de vierde kolom. </al><al>Lid 3</al><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor vrijwilligers
                        niet zijnde officieren.</al><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of langer ingezet
                        wordt voor oefeningen, cursussen of overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld
                        aan de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                        vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                        vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger geen recht op
                        een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al><al>Lid 3</al><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen verstrekt over die
                        uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk geoefend heeft, een cursus gevolgd
                        heeft of overige brandweerwerkzaamheden verricht heeft. </al><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden
                        voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding. Deze vergoeding
                        bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                                Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                                waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als feestdag;
                            </al></li><li nr="b."><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de bijlagen,
                                genoemd in artikel 19:13 voor alle overige dagen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de vergoeding van
                        kazerneringsdiensten.</al><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de periode dat zij
                        niet ingezet wordt in de repressieve brandweerdienst, of niet deelneemt aan
                        oefeningen recht op doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel
                        19:15 tot en met 19:18.</al><al>Lid 2</al><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de
                        vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van
                        het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk
                        afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                        kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. </al><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of een
                        cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten, voor zover
                        deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt.</al><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het toekennen
                        van een gratificatie.</al><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                        gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in het LOGA
                        worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum
                        van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in bijlage bij artikel
                        19:13. De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden wat
                        betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige
                        vergoedingen op eurocenten.</al><al>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al></li></lijst><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al><al>Lid 1</al><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de vrijwilliger.</al><al>Lid 2</al><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval, overeenkomstig de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de inhoud van de
                        verzekering.</al><al>Lid 4</al><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de vrijwilliger
                        gebracht.</al><al>Lid 5</al><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift van de
                        polisvoorwaarden.</al><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al><al>Lid 1</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte medische
                        kosten die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval en die voor zijn
                        rekening blijven. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het
                        college zich terzake heeft verzekerd. </al><al>Lid 2</al><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het eerste lid
                        genoemde medische kosten van de vrijwilliger te vergoeden, kan het college
                        in bijzondere gevallen een tegemoetkoming verstrekken in de hogere
                        kosten.</al><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer is een
                        aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende
                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.</al><al>Lid 2</al><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij indiensttreding
                        of deze verzekering voor hem is afgesloten en indien dat het geval is wordt
                        de vrijwilliger geïnformeerd over de dekking van de verzekering.</al><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding, uitrusting
                        en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                        aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn schuld of
                        nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte werkzaamheden, voor
                        zover de schade niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.</al><al>Paragraaf 6 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium bij
                        het college.</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van
                        borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve
                        brandweeractiviteiten.</al><al>Lid 3</al><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid genoemde situaties
                        vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts.</al><al>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten vrijwilliger</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:33 Verboden</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al></li></lijst><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al><al>Lid 1</al><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de vrijwilliger voor de
                        brandweerdienst.</al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die
                        door of vanwege het college zijn georganiseerd.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst, of niet kan
                        deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig
                        melding, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het
                        college.</al><al>Artikel 19.30 (Q) Beschikbaarheid</al><al>De commandant moet op de hoogte zijn van de (toekomstige) afwezigheid van
                        het brandweerpersoneel, zodat hiermee bij het opstellen van het
                        dienstrooster rekening kan worden gehouden. Voor wat betreft het melden voor
                        langdurige afwezigheid: zie artikel 19.30.0.1 Richtlijnen melden langdurige
                        afwezigheid en ziekte.</al><al>Artikel 19.30.0.1 Richtlijnen melden langdurige afwezigheid en ziekte</al><al>Om organisatorische redenen acht het college i.c. het diensthoofd het
                        wenselijk dat vrijwilligers van de gemeentelijke brandweer Nijmegen zich
                        afmelden bij langdurige afwezigheid en ziekte, waardoor hij niet in staat is
                        zich beschikbaar te stellen om in voorkomende gevallen werkzaamheden te
                        verrichten welke vallen binnen het takenpakket van de gemeentelijke
                        brandweer.</al><al>Onder langdurige afwezigheid wordt verstaan het langer dan 48 uur niet
                        oproepbaar zijn.</al><al>Melding van afwezigheid en ziekte dient te geschieden bij de direct
                        leidinggevende (is groepscommandant) of bij diens plaatsvervanger.</al><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te verrichten
                        en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al>Artikel 19:33 Verboden</al><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden voor
                                persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is verleend door of
                                namens het college;</al></li><li nr="b."><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor toestemming
                                is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c."><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
                        Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve
                        van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college
                        toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden
                        worden verbonden.</al><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door het college
                        voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.</al><al>Lid 2</al><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college kosteloos in
                        bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze
                        bij het college in te leveren.</al><al>Lid 3</al><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in bruikleen
                        verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te
                        doen onderwerpen aan inspectie en controle, wanneer daartoe door het college
                        opdracht is gegeven.</al><al>Lid 4</al><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de dienstkleding en
                        uitrustingsstukken. </al><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen
                                werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in de gevallen
                                waarin het college daarvoor toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="b."><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in bruikleen te
                                geven;</al></li><li nr="c."><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al></li><li nr="I."><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de rang,
                                behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II."><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het dragen
                                daarvan door de staat of door het college toestemming is
                                verleend.</al></li></lijst><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade
                        toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of gedeeltelijk te
                        vergoeden. </al><al>Lid 2</al><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen kenbaar te
                        maken ten aanzien van de inhouding van de schadevergoeding op zijn
                        vergoeding. </al><al>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang van de
                        dienst</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al></li></lijst><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al><al>Lid 1</al><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair
                        worden gestraft. </al><al>Lid 2</al><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het
                        overigens doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke
                        omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al><al>De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in artikel
                                19:14;</al></li><li nr="c."><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding van de
                                vergoeding;</al></li><li nr="d."><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a."><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd of hem
                                het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het Wetboek
                                van Strafvordering, een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld
                                wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit noodzakelijk
                                maakt.</al></li></lijst><al>Paragraaf 9 Ontslag</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al></li><li nr=""><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al></li></lijst><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al><al>Lid 1</al><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die daarom
                        verzoekt.</al><al>Lid 2</al><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand
                        en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het
                        verzoek.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag aanhouden,
                        wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke vervolging wegens
                        misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te
                        straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak
                        van de rechter onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is
                        de vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al><al>Lid 1</al><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op grond
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarheidsstelling of wegens
                                verandering van de brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b."><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van zijn
                                dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van zijn woning geacht
                                moet worden niet langer in staat te zijn taak bij de brandweer te
                                vervullen; </al></li><li nr="c."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken; </al></li><li nr="d."><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken;</al></li><li nr="e."><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f."><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                                geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                                misdrijf;</al></li><li nr="h."><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering van het
                        ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel g van dit artikel. </al><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al><al>Lid 1</al><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste dag van de
                        periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan
                        is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                        vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al><al>Lid 2</al><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd worden op een
                        van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al><al>Lokale regelingen</al><al>Reglement personeelsbeoordeling - vrijwillige brandweer</al><al>Artikel 1 Definities</al><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Vrijwilliger </vet> De vrijwilliger als bedoeld in artikel
                                16:1:1 van de rechtspositieregeling vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke Brandweer.</al></li><li nr="b."><al><vet>1e beoordelaar </vet> De directe chef van de te beoordelen
                                vrijwilliger.</al></li><li nr="c."><al><vet>2e beoordelaar </vet> De directe chef van de 1e
                                beoordelaar.</al></li><li nr="d."><al><vet>Beoordelingsadviseur </vet> De door het hoofd van dienst
                                aangewezen functionaris die de beoordelaars bij de vervulling van
                                hun beoordelingstaak terzijde staat en van advies dient.</al></li><li nr="e."><al><vet>Functie </vet> Het totaal van werkzaamheden dat de
                                vrijwilligers, krachtens de hem door of namens het hoofd van dienst
                                opgedragen taak, moet verrichten.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Beoordelingsobject</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De beoordeling van een vrijwilliger betreft de wijze waarop hij zijn functie
                        gedurende de afgelopen periode heeft vervuld, met inbegrip van zijn
                        gedragingen in dat tijdvak tijdens de uitoefening van die functie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Beoordeeld wordt op daadwerkelijk opgedragen onderdelen van de functie. Per
                        onderdeel kunnen meer algemene gezichtspunten worden gebruikt.</al><al>Artikel 3 Beoordelingstijdstip</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Alvorens beslissingen te nemen inzake de toepassing van de rechtspositie van
                        een vrijwilliger dient een beoordeling overeenkomstig de bepalingen van dit
                        reglement plaats te vinden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De beslissingen waarop het bepaalde in het voorgaande lid van toepassing is,
                        zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien op basis van artikel 19:1:6, lid 4 van de
                                rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke Brandweer
                                wordt overgegaan tot het verlenen van een vaste aanstelling c.q. het
                                niet verlenen van een vaste aanstelling om reden van in de persoon
                                gelegen oorzaken;</al></li><li nr="b."><al>indien op basis van artikel 19:1:6, lid 3 van de
                                rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke Brandweer
                                wordt overgegaan tot het verlengen van een tijdelijke
                                aanstelling;</al></li><li nr="c."><al>indien op basis van artikel 16:1:11 een bevordering wordt
                                toegekend;</al></li><li nr="d."><al>indien disciplinaire maatregelen worden overwogen naar aanleiding
                                van min of meer systematisch of langdurig plichtsverzuim c.q. indien
                                het nemen van dergelijke maatregelen in de toekomst waarschijnlijk
                                wordt geacht (artikel 19:1:30 en 19:1:31);</al></li><li nr="e."><al>indien aan de vrijwilliger ongevraagd ontslag wordt verleend op
                                basis van artikel 19:1:39 lid g.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt geacht niet te zijn
                        voldaan indien de termijn gelegen tussen de vaststelling van de
                        beoordelingsuitkomst door het diensthoofd en de datum van ingang van de
                        daarop gebaseerde beslissing langer is dan zes maanden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Over de vrijwilliger in tijdelijke dienst wordt in het eerste jaar na diens
                        aanstelling tweemaal een beoordeling uitgebracht.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Onverlet het bepaalde in de vorige leden van dit artikel wordt ook een
                        beoordeling uitgebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>in een functioneringsgesprek blijvende meningsverschillen ontstaan
                                over het functioneren van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>de 1e beoordelaar dit ten behoeve van een later te nemen beslissing
                                noodzakelijk acht.</al></li></lijst><al>Artikel 4 Beoordelaars</al><al>Het beoordelingsberaad geschiedt als regel door de 1e beoordelaar en de 2e
                        beoordelaar in aanwezigheid van de beoordelingsadviseur.</al><al>Artikel 5 De beoordeling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De beoordelingsuitkomst wordt vastgelegd op een beoordelingsstaat die door
                        het hoofd van dienst, na overeenstemming met de OR, is vastgesteld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de beoordelaars niet tot overeenstemming komen wordt ieders
                        waardering aangegeven.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Aangegeven wordt voorts -voor zoveel nodig- hetgeen de vrijwilliger ter
                        verbetering van de functie-uitoefening in overweging dient te worden
                        gegeven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De beoordelingsstaat wordt ondertekend door de beoordelaars.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien de beoordelingsadviseur van mening is dat de beoordeling niet
                        genoegzaam door verklaringen of feiten wordt gesteund maakt hij/zij daarvan
                        schriftelijk en gemotiveerd melding aan het hoofd van dienst onder
                        kennisgeving aan de beoordelaars.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Voorlopige vaststelling van de beoordeling vindt plaats door de 2e
                        beoordelaar (naasthogere chef).</al><al>Artikel 6 Het beoordelingsgesprek</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De beoordelingsuitkomst wordt als regel binnen een week na de voorlopige
                        vaststelling aan de vrijwilliger schriftelijk ter kennis gebracht.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Binnen een maand volgt een beoordelingsgesprek, dat als regel wordt gevoerd
                        door de directe chef. Op verzoek van één van beide partijen is de
                        personeelsbeoordelingsadviseur bij het gesprek aanwezig.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De vrijwilliger wordt tijdens het beoordelingsgesprek in de gelegenheid
                        gesteld zijn zienswijze omtrent de beoordeling te geven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Wijziging van de beoordelingsuitkomst naar aanleiding van de door de
                        ambtenaar tijdens het beoordelingsgesprek naar voren gebrachte bezwaren kan
                        slechts geschieden in onderling overleg tussen de beoordelaars in
                        aanwezigheid van de beoordelingsadviseur.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Binnen twee weken na het beoordelingsgesprek wordt de beoordeling (al of
                        niet gewijzigd) ter definitieve vaststelling aan het diensthoofd
                        gezonden.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het diensthoofd stelt de beoordelingsuitkomst inclusief rechtspositionele
                        gevolgen, vast binnen 4 weken na het beoordelingsgesprek. Betrokkene krijgt
                        een afschrift.</al><al>Artikel 7 Bedenkingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De vrijwilliger kan binnen 30 dagen na de dag waarop hem de
                        beoordelingsuitkomst ter kennis is gebracht aan het hoofd van dienst zijn
                        bedenkingen tegen die beoordelingsuitkomst kenbaar maken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het hoofd van dienst raadpleegt vervolgens de betrokken beoordelaars en de
                        beoordelingsadviseur en stelt de vrijwilliger in de gelegenheid zijn
                        bedenkingen mondeling toe te lichten, eventueel in tegenwoordigheid van een
                        de vrijwilliger bijstand verlenende vertrouwenspersoon.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het hoofd van dienst stelt vervolgens de beoordelingsuitkomst, al dan niet
                        gewijzigd, opnieuw vast. Ook kan hij bepalen dat de vaststelling wordt
                        uitgesteld en wordt bepaald in een nieuw beoordelingstijdvak van tenminste 3
                        en ten hoogste 6 maanden. Een uitgestelde beoordelingsuitkomst komt tot
                        stand met inachtname van de artikelen van dit reglement. Er kunnen echter
                        geen bedenkingen worden gemaakt op grond van dit artikel.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De nieuw vastgestelde beoordelingsuitkomst resp. het verleende uitstel wordt
                        zo spoedig mogelijk doch uiterlijk na 30 dagen nadat de vrijwilliger zijn
                        bedenkingen tegen de beoordelingsuitkomst heeft kenbaar gemaakt aan de
                        ambtenaar ter kennis gebracht op een door het hoofd van dienst te bepalen
                        wijze.</al><al>Artikel 8 Bezwarenprocedure</al><al>Binnen een termijn van zes weken nadat hem de nieuw vastgestelde resp.
                        uitgestelde beoordelingsuitkomst ter kennis is gebracht kan de vrijwilliger
                        die zich niet met de uitkomst kan verenigen op grond van het bepaalde in het
                        "Reglement Bezwarenprocedure Rechtspositie" bij ons bezwaar maken.</al><al>Artikel 9 Vertrouwelijkheid, toegankelijkheid en vernietiging
                        beoordelingsstaten</al><al><vet>Lid1</vet></al><al>De vastgestelde beoordelingsstaten worden op de betrokken personeelsafdeling
                        bewaard op een wijze die in overeenstemming is met het vertrouwelijk
                        karakter hiervan doch die de toegankelijkheid van de beoordeling ten dienste
                        van het personeelsbeleid niet in de weg staat, een en ander ter beoordeling
                        en beslissing van het hoofd van dienst.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Beoordelingsstaten worden als regel na 5 jaar vernietigd en in ieder geval
                        na 10 jaar. Na ontslag van een vrijwilliger worden alle op hem betrekking
                        hebbende beoordelingsstaten vernietigd.</al><al>Artikel 10 Uitzonderingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor zover in artikelen sprake is van "als regel" of "over het algemeen" kan
                        het hoofd van dienst in bijzondere gevallen uitzonderingen maken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien het hoofd van dienst optreedt als beoordelaar stelt hij direct na het
                        beoordelingsberaad de beoordelingsuitkomst vast. In dit geval kunnen door de
                        vrijwilliger geen bedenkingen worden gemaakt bij het hoofd van dienst doch
                        dient hij -op grond van het bepaalde in het "Reglement Bezwarenprocedure
                        Rechtspositie"- bezwaar te maken bij ons College.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In dit geval kan ons College, gehoord de bezwarencommissie, besluiten dat de
                        vaststelling wordt uitgesteld en dient te worden bepaald in een nieuw
                        beoordelingstijdvak van tenminste 3 en ten hoogste 6 maanden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In gevallen waarin de bepalingen van dit reglement niet voorzien, of waarin
                        de beoordeling naar onze mening dient te geschieden in afwijking van de
                        bepalingen van dit reglement, kunnen wij nadere voorschriften geven.</al><al>Artikel 11 Rapport toepassing reglement</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De beoordelingsadviseurs brengen eenmaal per jaar rapport uit over de
                        toepassing van dit reglement aan het hoofd van dienst.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het hoofd van dienst brengt eenmaal per jaar aan ons College een
                        samenvattend rapport uit.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wij rapporteren jaarlijks de Ondernemingsraad over de toepassing van dit
                        reglement.</al><al>Toelichting</al><al>Toelichting bij Artikel 3, lid 2 van Reglement personeelsbeoordeling –
                        vrijwillige brandweer</al><al><vet>Aanwijzing rechtspositionele beslissingen voor
                            personeelsbeoordeling</vet><cursief> Besluit van burgemeester en
                            wethouders d.d. 3 januari 1991, laatstelijk gewijzigd 5 september
                            1995.</cursief></al><al>De hieronder genoemde rechtspositionele beslissingen worden aangewezen als
                        beslissingen, die niet kunnen worden genomen als daaraan niet een
                        systematische personeelsbeoordeling ten grondslag ligt. </al><lijst><li nr="1."><al>Indien op basis van 2:4:1 van de AGN overgegaan wordt tot: </al><lijst><li nr="a."><al>het verlenen van een vaste aanstelling;</al></li><li nr="b."><al>het verlengen van een tijdelijke aanstelling, c.q. het niet
                                        verlenen van een nieuwe aanstelling om reden van in de
                                        persoon gelegen oorzaken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de volgende bezoldigingsbesluiten: </al><lijst><li nr="a."><al>bij onthouding van de jaarlijkse normale toekenning van een
                                        periodieke verhoging, alsmede bij het ongedaan maken van die
                                        maatregel (art. 12, lid 1 en 2 van de Bezoldigingsregeling
                                        2000);</al></li><li nr="b."><al>bij het toekennen van extra periodieke verhogingen conform
                                        art. 11, lid 1 van de Bezoldigingsregeling 2000;</al></li><li nr="c."><al>bij het toekennen van een toelage op basis van zeer goed of
                                        uitstekend functioneren voor hen die reeds het maximum van
                                        de functieschaal hebben bereikt, het verlengen van de
                                        termijn en het intrekken van de toelage (artikel 13, leden
                                        1, 3, 4 en 5 van de Bezoldigingsregeling 2000);</al></li><li nr="d."><al>bij het toekennen van een toelage als bedoeld in artikel 17
                                        van de Bezoldigingsregeling 2000 voor zover het "zittend"
                                        personeel betreft;</al></li><li nr="e."><al>bij het nemen van besluiten ex artikel 1, derde lid, artikel
                                        2, leden 2 en 4 van de Inpassingsregeling 2000;</al></li><li nr="f."><al>Bij het toepassen van de artikelen 14 en 15 van de
                                        Bezoldigingsregeling 2000, indien de werknemer als gevolg
                                        daarvan in totaal € 450,- of meer netto ontvangt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de volgende maatregelen: </al><lijst><li nr="a."><al>bij onvrijwillige overplaatsing in individuele gevallen
                                        indien dit plaatsvindt op basis van disfunctioneren in de
                                        eigen functie (art. 15:1:10:0 AGN);</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag conform art. 8:6 AGN;</al></li><li nr="c."><al>bij ontslag conform art. 8:8 van de AGN, indien daarbij de
                                        onverenigbaarheid van karakters als ontslaggrond wordt
                                        gehanteerd;</al></li><li nr="d."><al>indien disciplinaire maatregelen worden overwogen naar
                                        aanleiding van min of meer systematisch of langdurig
                                        plichtsverzuim, c.q. indien het nemen van dergelijke
                                        maatregelen in de toekomst waarschijnlijk wordt geacht.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet><cursief>Toelichting bij disciplinaire
                            maatregelen</cursief></vet><cursief> Disciplinaire maatregelen worden
                            eerst na grondige overwegingen en argumentatie genomen. In een aantal
                            gevallen zal naar aanleiding van één enkel incident tot maatregelen
                            worden overgegaan, dikwijls is meer continue gedrag van betrokkene
                            aanleiding tot een strafmaatregel. Een maatregel welke naar aanleiding
                            van een incident snel moet worden genomen kan uiteraard niet gebaseerd
                            zijn op een systematische personeelsbeoordeling. Anders ligt dit bij een
                            meer continue gedrag dat uiteindelijk tot maatregelen leidt. Voor de
                            onderbouwing zal er dan wel beoordeeld moeten zijn, in ieder geval voor
                            de beantwoording van de vraag of dit gedrag over langere tijd bestaat en
                            of er voldoende aandacht aan is besteed. Het kan dus in die situatie
                            noodzakelijk zijn te beoordelen zonder dat direct disciplinaire
                            maatregelen worden genomen maar met het oog op latere
                            bewijsvoering.</cursief></al><al>Richtlijnen functioneringsgesprekken - vrijwillige brandweer</al><al>Artikel 1 Toepassingsgebied</al><al><cursief>Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 3 januari 1990,
                            laatselijk gewijzigd 5 september 1995.</cursief></al><al>Deze richtlijnen zijn van toepassing op alle vrijwillige brandweerlieden van
                        de Gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 2 Begripsomschrijving</al><al>Deze richtlijnen verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Hoofd van dienst:</vet> degene die belast is met de dagelijkse
                                leiding van de dienst (is commandant).</al></li><li nr="b."><al><vet>Hoofd afdeling:</vet> degene die belast is met de dagelijkse
                                leiding van de afdeling waar de repressieve medewerkers zijn
                                ondergebracht (is Hoofd Interne Dienst).</al></li><li nr="c."><al><vet>Directe leidinggevende:</vet> degene die direct leiding geeft
                                aan een of meer medewerkers die belast zijn met de uitvoering van
                                het werk (is groepscommandant).</al></li></lijst><al>Artikel 3 Het functioneringsgesprek</al><al>Het functioneringsgesprek is een periodiek plaatsvindend gesprek tussen de
                        direct leidinggevende en medewerker dat primair betrekking heeft op het
                        functioneren van de medewerker in de huidige functie en dat als doel
                        heeft:</al><lijst><li nr="1."><al>als medewerker een beter inzicht te verkrijgen in de sterke en
                                minder sterke kanten van het eigen functioneren;</al></li><li nr="2."><al>als leidinggevende een duidelijk beeld te hebben en te houden van
                                het functioneren van degene aan wie leiding wordt gegeven;</al></li><li nr="3."><al>aan de hand van het gevoerde gesprek afspraken te maken over de
                                wijze waarop in de komende periode aandacht zal worden gegeven aan
                                de verdere ontwikkeling van kennis en vaardigheden van de
                                medewerker.</al></li></lijst><al>Het functioneringsgesprek wordt gevoerd door de directe chef en
                        betrokkene.</al><al>Artikel 4 De frequentie van functioneringsgesprekken</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met iedere medewerker dient tenminste 1x per jaar een functioneringsgesprek
                        gehouden te worden. Het hoofd van de afdeling is er verantwoordelijk voor
                        dat het gesprek plaatsvindt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het is noodzakelijk dat tenminste 2 weken voor het functioneringsgesprek de
                        datum waarop het gesprek plaatsvindt, bij betrokkene bekend is.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op verzoek van medewerker en/of leidinggevende kan hiervan worden afgeweken.
                        Zo kan het wenselijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>het gesprek vaker te laten plaatsvinden voor medewerkers waarvoor de
                                functie danwel de organisatie nieuw is;</al></li><li nr="b."><al>het gesprek vaker te laten plaatsvinden indien medewerker en
                                leidinggevende op basis van gezamenlijke afspraken hiertoe
                                beslissen;</al></li><li nr="c."><al>het gesprek minder vaak te laten plaatsvinden indien de medewerker
                                binnen afzienbare tijd de pensioengerechtigde leeftijd gaat bereiken
                                danwel om andere redenen de dienst gaat verlaten.</al></li></lijst><al>Artikel 5 Wijze van vastlegging van conclusies en afspraken</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Van elk functioneringsgesprek dienen de besproken onderwerpen, gemaakte
                        conclusies en in het bijzonder de gemaakte afspraken door de chef te worden
                        vastgelegd in een verslagformulier.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Conclusies en afspraken, vastgelegd in het verslagformulier, dragen een
                        vertrouwelijk karakter.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Aan hetgeen is vastgelegd kunnen door de medewerker geen rechten worden
                        ontleend met betrekking tot bevorderingen, extra periodieken e.d. Een
                        voorstel hiertoe dient plaats te vinden aan de hand van
                        personeelsbeoordeling, waarbij alleen met toestemming van betrokken
                        medewerker de gegevens uit het meest recente functioneringsgesprek bezien
                        kunnen worden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Afspraken welke in het functioneringsgesprek worden gemaakt maar waarvoor
                        besluitvorming op een hoger niveau noodzakelijk is, worden separaat van het
                        verslagformulier in besluitvorming gebracht.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Jaarlijks vindt rapportage plaats t.a.v. welke gesprekken zijn gehouden en
                        wanneer (derhalve niet inhoudelijk).</al><al>Artikel 6 Afschriften en bewaartermijn van het verslagformulier</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Medewerker en de direct leidinggevende behouden zelf een exemplaar van het
                        verslagformulier.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het voor akkoord ondertekende verslag wordt door de chef bewaard, doch
                        uitsluitend het laatste en het voorlaatste verslag. De bewaartijd is ten
                        hoogste drie jaar.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Alle gegevens betreffende functioneringsgesprekken worden als strikt
                        vertrouwelijk beschouwd. Alleen met instemming van medewerker en de directe
                        leidinggevende kan het verslagformulier danwel gedeelten daaruit, aan
                        "derden" ter inzage worden gegeven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het verslagformulier van het laatstgehouden functioneringsgesprek wordt
                        gebruikt als ondersteuning bij het eerstvolgende functioneringsgesprek.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Op het moment dat er een personeelsbeoordeling dient plaats te vinden -dit
                        is bijvoorbeeld het geval bij het doen van een voorstel tot bevordering,
                        (een) extra periodiek(en) of meer in het algemeen bij beslissingen met
                        gevolgen voor de rechtspositie kunnen de geldige verslagformulieren bij de
                        beoordeling worden betrokken.</al><al>Artikel 7 Bezwaar</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met betrekking tot de gevolgde procedure is bezwaar mogelijk. Indien naar de
                        opvatting van de medewerker niet of in onvoldoende mate de "richtlijnen voor
                        functioneringsgesprekken" wordt gevolgd, is er een mogelijkheid om bezwaar
                        te maken. Dit bezwaar dient schriftelijk te worden voorgelegd aan het
                        diensthoofd. Binnen een termijn van 3 weken na de datum van ontvangst van
                        het bezwaar hoort deze partijen. Daarbij is de personeelsfunctionaris
                        aanwezig. De beslissing wordt binnen 2 weken na deze hoorzitting aan
                        betrokkenen meegedeeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Met betrekking tot de inhoud van het functioneringsgesprek is geen bezwaar
                        mogelijk. Indien de betrokken medewerker het niet eens is en blijft met de
                        door de directe leidinggevende uitgebrachte bevindingen over zijn/haar
                        functioneren, bestaat er uiteindelijk nog de mogelijkheid -indien betrokken
                        medewerker dat wenst- een nieuw functioneringsgesprek danwel een
                        personeelsbeoordeling te doen opmaken. Bij dit laatste is -in tegenstelling
                        tot de methode van functioneringsgesprekken- wel bezwaar en beroep
                        ingebouwd.</al><al>Artikel 8 Nadere regels</al><al>Het hoofd van dienst is bevoegd nadere regels vast te stellen met betrekking
                        tot het voeren van de functioneringsgesprekken, echter binnen het kader van
                        deze richtlijnen. De nadere regels behoeven de instemming van de OR.</al><al>Artikel 9 Slotbepaling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze richtlijnen kunnen worden aangehaald als "richtlijnen
                        functioneringsgesprekken".</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zij treden in werking met ingang van 1 januari 1991.</al><al>Richtlijnen voor jubilea en afscheid - vrijwillige brandweer</al><al>Artikel 1 Jubilea</al><al>Bij jubilea voor vrijwilligers van de brandweer dient onderscheid gemaakt te
                        worden in een tweetal soorten jubilea:</al><lijst><li nr="a."><al>overheidsdienstjubileum (25, 40 jaar overheidsdienst)</al></li><li nr="b."><al>brandweerdienstjubileum (25, 35 jaar brandweerdienst)</al></li></lijst><al><vet>a. Overheidsdienstjubilea</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De vrijwilliger wordt zowel bij een 25- als 40-jarig overheidsdienstjubileum
                        in de gelegenheid gesteld een receptie te houden in de kantine van de
                        Brandweerkazerne te Nijmegen. De afdeling Personeelszaken draagt zorg voor
                        de uitnodigingen, het vervoer van betrokkene en de catering. Indien
                        betrokkene hierop geen prijs stelt, maar het jubileum graag in gesloten
                        kringen thuis of elders viert, ontvangt hij hiervoor een tegemoetkoming in
                        de kosten op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van €
                        70,-.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Aan de vrijwilliger wordt een jubileumgratificatie toegekend:</al><lijst><li nr="§"><al>bij 25 jaar overheidsdienst: € 455,- netto</al></li><li nr="§"><al>bij 40 jaar overheidsdienst: € 680,- netto.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De vrijwilliger heeft recht op een cadeau, waarvoor thans een bedrag staat
                        van € 110,-, bij 25-jarig overheidsdienstjubileum en € 145,- bij 40-jarig
                        overheidsdienstjubileum. Daarnaast ontvangt de jubilaris een boeket bloemen
                        ter waarde van ± € 15,-.</al><al><vet>b. Brandweerjubilea</vet></al><al>Voor het berekenen van het aantal brandweerdienstjaren gelden de jaren
                        doorgebracht bij de Brandweer Nijmegen en bij andere korpsen, zowel in
                        beroepsdienst als vrijwillig. Gelijktijdig dienstdoen bij twee korpsen telt
                        slechts éénmaal.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De jubilarissen die hun 25- of 35-jarig brandweerjubileum hebben bereikt
                        worden eenmaal per jaar samen met hun partners uitgenodigd voor een door de
                        dienst te organiseren diner.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voorts kan de vrijwilliger bij 25-jaar brandweerdienst recht doen gelden op
                        het "Brandweerkruis". Mogelijke momenten van uitreiking van dit
                        onderscheidingsteken zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdens de eerstvolgende nieuwjaarsreceptie;</al></li><li nr="b."><al>tijdens het eerstvolgende door Brandweer Nijmegen aan de jubilaris
                                en zijn/haar partner ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum aan
                                te bieden diner;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het 25-jarig brandweerjubileum samenvalt met het 25-jarig
                                overheidsjubileum, op de dan door de jubilaris desgewenst te houden
                                receptie;</al></li><li nr="d."><al>tijdens een informele bijeenkomst op de kamer van de commandant, al
                                of niet met partner.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval het 35-jarig brandweerjubileum wordt bereikt, wordt dezelfde
                        beleidslijn als bij een 25-jarig jubileum aangehouden met waarbij het dan
                        als onderscheidingsteken gaat om de "Gesp 35 jaar brandweerdienst bij het
                        Brandweerkruis". Als moment van uitreiken gelden de onder punt 1 genoemde
                        mogelijkheden a, b en d.</al><al>Artikel 2 Afscheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij vrijwillig ontslag na een dienstverband langer dan 10 jaar, kan de
                        vrijwilliger op kosten van de dienst een receptie houden in de kantine van
                        de Brandweerkazerne te Nijmegen of naar wens elders. Betrokkene krijgt van
                        de dienst een cadeau aangeboden ter waarde van € 55,- alsmede een boeket
                        bloemen ter waarde van ± € 14,-.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij vrijwillig ontslag bij een dienstverband korter dan 10 jaar, wordt de
                        vrijwilliger in de gelegenheid gesteld afscheid te nemen middels een
                        "aangeklede" kop koffie. De waarde van een cadeau is vastgesteld op € 35,-
                        en een boeket bloemen van ± € 13,-.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval van afscheid wegens FLO, FPU, pensioen of afkeuring wordt voor
                        zover de betrokken medewerker hier prijs op stelt de van toepassing zijnde
                        "Gesp" respectievelijk het "Brandweerkruis" uitgereikt tijdens een
                        afscheidsreceptie (te houden in de kazerne of naar keuze elders) of
                        desgewenst tijdens een informeel afscheid met of zonder partner op de kamer
                        van de commandant. Tevens ontvangt betrokkene een ingelijst exemplaar op A4-
                        of A3-formaat van het door oud-commandant Chr.L. van Mameren ontworpen wapen
                        van de Brandweer Nijmegen. Op de achterzijde of -indien esthetisch
                        verantwoord- op de voorzijde kan een tekst worden opgenomen in de trant van
                        "Uitgereikt op ... ter gelegenheid van het afscheid na een .... jarig
                        dienstverband bij Brandweer Nijmegen".</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De "Medaille Brandweer Nederland" (doorsnee 35 mm) wordt uitgereikt bij een
                        speciale gelegenheid. Gedacht kan hierbij worden aan medewerkers die een
                        uitzonderlijke prestatie hebben verricht of in gevallen waarin een
                        koninklijke onderscheiding op zijn plaats zou zijn, doch niet aan de
                        hiervoor gestelde criteria kan worden voldaan. Deze medaille kan ook bij een
                        tussentijds afscheid worden uitgereikt, bijvoorbeeld met de inscriptie "Uit
                        erkentelijkheid voor uw inzet bij Brandweer Nijmegen". De leidinggevende kan
                        hiertoe een voorstel indienen bij de commandant.</al><al>Artikel 3 Huwelijk</al><al>Indien een vrijwilliger in het huwelijk treedt dan draagt de Brandweer
                        Nijmegen zorg voor een bloemstuk ter waarde van ± € 25,-</al><al>Artikel 4 Overlijden</al><al>Bij overlijden van een vrijwilliger wordt een graftak besteld ter waarde van
                        ± € 95,-.</al><al>Bijlagen</al><al>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer</al><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.</al><al>Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer </al><al>Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer</al><al>19a Keuringen brandweerpersoneel</al><al>Artikel 19a:1 Algemeen</al><al>Lid 1</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer is
                        aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van bevelvoerder en
                        manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. </al><al>Lid 2</al><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij de
                        brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al><al>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</al><al>Lid 1</al><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen mogelijk als
                        na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden functie blijkt dat
                        tegen het bekleden van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren
                        bestaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen in de
                        aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die daartoe
                        door het college zijn aangewezen.</al><al>Lid 4</al><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente. </al><al>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al>Lid 1</al><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is aangesteld
                        in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst conform het Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al><al>Lid 2</al><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage VIIb van de
                        CAR.</al><al>Lid 3</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar gelijktijdig of
                        minimaal een half jaar na indienstreding.</al><al>Lid 4</al><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b."><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al></li><li nr="c."><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst><al>Lid 5</al><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de frequentie
                        zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring worden afgenomen. </al><al>Lid 6</al><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het college de
                        medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd van een aantal of het
                        totaal van zijn taken vrijstellen. Deze bepaalde tijd kan in bijzondere
                        gevallen, zolang de mate van ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al><al>Lid 7</al><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                        beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige medewerker op
                        zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht op toeslagen en
                        vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden van de medewerker recht
                        hierop geven. Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en
                        ongeschiktheid is hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps gedurende de
                        tijdelijke vrijstelling van taken andere werkzaamheden opleggen.</al><al>Artikel 19a:4 Fysieke test</al><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld in
                        een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al><al>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling
                        voor kunsteducatie</al><al>Hoofdstuk 19b</al><al>Hoofdstuk 19b is niet van toepassing.</al><al>20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</al><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
                        werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de brandweerdienst,
                        heeft aanspraak op een vergoeding.</al><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
                        spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na het tijdvak waarin
                        de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het verlof bedraagt 16% van
                        het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest houden, voor zover
                        deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
                        koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
                        wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking
                        moest houden, indien deze uren vielen op andere dagen.</al><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
                        het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                        vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                        voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                        zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                        Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven
                        door het college wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk
                        uur, waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen
                        op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al><al>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen</al><al>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
                        persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en met het oogmerk
                        duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen
                        blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college
                        nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
                        levenspartner worden aangemerkt.</al><al>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                        bepalingen staat "echtgenoot" moet tevens worden gelezen
                        "levenspartner".</al><al>Artikel 21:1:3 Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende voorziening.</al><al>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Vervallen hoofdstuk</al><al>Hoofdstuk 22 is niet van toepassing.</al><al>Overige</al><al>Coördinatiemodule, regeling</al><al>Artikel 1 Regeling coördinatiemodule</al><al>Aan een medewerker kan de coördinatiemodule toegewezen worden voor bepaalde
                        of voor onbepaalde tijd. </al><al>Artikel 2 Regeling coördinatiemodule</al><al>De medewerker met een functie in salarisschaal 10 of lager die voor bepaalde
                        tijd de coördinatiemodule krijgt toegewezen heeft recht op een toelage.</al><al>Artikel 3 Regeling coördinatiemodule</al><al>De toelage als bedoeld in het vorige artikel bedraagt het verschil tussen
                        het maximumsalaris van zijn functieschaal en het maximumsalaris van de naast
                        hogere schaal. Aan de medewerker die buiten zijn toedoen de
                        coördinatiemodule niet meer krijgt toegewezen, wordt een aflopende toelage
                        toegekend indien hij de toelage gedurende minimaal twee jaar heeft
                        ontvangen. Het eerste jaar bedraagt de toelage 50% van het oorspronkelijke
                        bedrag. Het tweede jaar 25% van het oorspronkelijk bedrag en het derde jaar
                        0. </al><al>Artikel 4 Regeling coördinatiemodule</al><al>De medewerker met een functie in salarisschaal 10 of lager die voor
                        onbepaalde tijd de coödinatiemodule krijgt toegewezen wordt ingeschaald in
                        de naasthogere schaal. </al><al>Artikel 5 Regeling coördinatiemodule</al><al>Medewerkers die in HR21 worden ingeschaald in 11 of hoger hebben geen recht
                        op extra beloning, omdat de coördinatiemodule in die gevallen niet meer
                        functieniveau bepalend is. </al><al>Artikel 6 Regeling coördinatiemodule</al><al>De moduletaken zijn: </al><lijst><li nr="§"><al> plant en verdeelt de werkzaamheden en verzorgt de afstemming</al></li><li nr="§"><al> bewaakt, borgt en toetst voortgang, kwaliteit en kwantiteit van de
                                werkzaamheden </al></li><li nr="§"><al>treedt op als vraagbaak en klankbord voor de medewerkers binnen het
                                betreffende vakgebied </al></li><li nr="§"><al> verzorgt de vakinhoudelijke ondersteuning en begeleiding van
                                medewerkers bij de uitvoering van de werkzaamheden </al></li><li nr="§"><al> is informant bij gesprekken in het kader van de jaarlijkse
                                gesprekscyclus </al></li></lijst><al>Toelichting</al><al>Regeling coördinatiemodule</al><al>Bij de invoering van HR21 blijkt dat we op verschillende plaatsen in de
                        organisatie behoefte hebben aan de hulpstructuur van de coördinatiemodule,
                        die dit systeem biedt. </al><al>De aard van de functies waaraan de module wordt gekoppeld verschilt in de
                        praktijk nogal. Ook de omstandigheid dat de module zowel op vaste basis als
                        roulerend en dus tijdelijk wordt aangehaakt maken dat de keuze voor de wijze
                        van waarderen niet eenduidig is.</al><al>Soms kan het coördinatieschap rouleren tussen verschillende functionarissen.
                        In die gevallen wordt vaak gekozen voor een tijdelijke vaste toelage. In
                        andere gevallen is de module voor onbepaalde tijd opgehangen aan één
                        functie, die ook door één persoon wordt uitgeoefend. In die gevallen hoort
                        het gevoelsmatig meer bij de functie. Als in zo een laatste geval de
                        functiewaardering in HR21 ook nog eens lager uitvalt dan binnen ons NMF,
                        ligt de keuze voor een schaal extra voor de hand. </al><al>Functiebeschrijving en -waardering, procedureregeling</al><al>Artikel 1 Definities</al><lijst><li nr="a."><al><vet> Functie:</vet> Het samenstel van taken en of werkzaamheden
                                dat, afgeleid uit de taakstelling van de organisatie, is opgedragen
                                aan een functiehouder.</al></li><li nr="b."><al><vet> Functiebeschrijving:</vet> De normbeschrijving dan wel de
                                lokale functiebeschrijving die een resultaatgerichte weergave is van
                                aard, overwegend karakter, niveau en complexiteit van taken. </al></li><li nr="c."><al><vet>Normbeschrijving:</vet> De generieke functiebeschrijving zoals
                                opgenomen in het normbestand van HR21. De normbeschrijving is
                                voorzien van een vaste waardering (puntenreeks). </al></li><li nr="d."><al><vet>Lokale functiebeschrijving:</vet> De volgens het format van
                                HR21 lokaal gewijzigde normbeschrijving of toegevoegde (nieuwe)
                                functiebeschrijving. </al></li><li nr="e."><al><vet>Functiehouder:</vet></al><lijst><li nr="§"><al> de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaarden van de
                                        gemeente Nijmegen (verder AGN) of </al></li><li nr="§"><al> de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                        burgerlijk recht, als bedoeld in artikel 2:5 van de AGN, is
                                        aangegaan.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al><vet> Functiewaardering:</vet> Het bepalen van de relatieve
                                functiewaarde van een functiebeschrijving aan de hand van de in HR21
                                vastgelegde waarderingsmethode.</al></li><li nr="g."><al><vet> Bevoegd gezag:</vet> Het college van burgemeester en
                                wethouders. </al></li><li nr="h."><al><vet>Bestuurder:</vet> De bestuurder in de zin van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR). </al></li><li nr="i."><al><vet>Directieraad:</vet> De algemeen directeur/gemeentesecretaris en
                                de directeuren. </al></li><li nr="j."><al><vet>Externe deskundige:</vet> Een door de systeemhouder (VNG)
                                erkend deskundige inzake de ontwikkeling, toepassing en werking van
                                HR21. </al></li><li nr="k."><al><vet>Gecertificeerde gebruiker:</vet> De volgens de normering van de
                                extern deskundige opgeleide lokale gebruiker die geautoriseerd is om
                                te werken met HR21. </al></li><li nr="l."><al><vet>Bezwarencommissie:</vet> De commissie als bedoeld in de
                                ‘Verordening op de commissie voor bezwaarschriften inzake
                                rechtspositionele besluiten’, die is ingesteld ingevolge artikel
                                7:13 Algemene wet bestuursrecht en die zich bezig houdt met de
                                advisering over bezwaarschriften inzake personele aangelegenheden.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2 Vaststelling functiebeschrijvingen</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>De leden van de directieraad selecteren namens het bestuur (in samenspraak
                        met de externe deskundige en/of een gecertificeerde gebruiker) per functie
                        een normbeschrijving uit HR21. Indien de normbeschrijving voor de functie
                        onvolledig is, dan wel een voor de functie dekkende normbeschrijving niet
                        beschikbaar is, wordt een lokale functiebeschrijving opgesteld. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De geselecteerde normbeschrijving(en) en/of lokale functiebeschrijving(en),
                        wordt/worden besproken binnen de directieraad en door of namens de
                        bestuurder voorlopig vastgesteld. De voorlopig vastgestelde
                        functiebeschrijving(en) wordt/worden door de bestuurder ter informatie
                        aangeboden aan de ondernemingsraad (OR). </al><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>Indien sprake is van een organisatiebrede functiebeschrijvingssronde, of
                        indien sprake is van een organisatorische verandering zoals bedoeld in
                        artikel 25 lid 1 van de WOR, dan stelt de bestuurder de OR in de gelegenheid
                        advies uit te brengen over de voorgenomen vaststelling van de
                        functiebeschrijvingen. Artikel 25 lid 2 tot en met 6 en artikel 26 WOR zijn
                        in dat geval van overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Met inachtneming van het bepaalde in lid 2 of 3, legt de Directieraad de
                        functiebeschrijvingen ter vaststelling voor aan het bevoegd gezag. Het
                        bevoegd gezag stelt de aldus voor de gemeentelijke functies tot stand
                        gekomen (norm- en lokale) functiebeschrijvingen bij algemeen verbindend
                        voorschrift vast. </al><al>Vaststelling waarderingen</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>In opdracht van het bevoegd gezag worden door de gecertificeerde gebruiker
                        en/of externe deskundige, aan de hand van de in HR21 vastgelegde
                        functiewaarderingsmethode, alle lokale functiebeschrijvingen gewaardeerd. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De waarderingsresultaten van de lokale functiebeschrijvingen worden ter
                        toetsing aangeboden aan de directieraad. </al><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>De waarderingsresultaten worden opgenomen in een eindadvies
                        functiewaardering aan het bevoegd gezag. Het waarderingsadvies bevat in
                        ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> Een motivering, gerubriceerd per invalshoek en dimensie, van de
                                subscores en de totaalscore per lokale functiebeschrijving; </al></li><li nr="b."><al> Een overzicht van de functiewaarderingsresultaten van alle lokale
                                functiebeschrijvingen; </al></li><li nr="c."><al> Een gecombineerd overzicht van de functiewaarderingsresultaten van
                                alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale
                                functiebeschrijvingen; </al></li><li nr="d."><al> Een verslag van de toetsing als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
                            </al></li></lijst><al><vet>Lid 4 </vet></al><al>Het bevoegd gezag stelt de waarderingen vast met inachtneming van het
                        eindadvies functiewaardering. Afwijking van het advies kan slechts
                        plaatsvinden op basis van zwaarwegende argumenten. Het bevoegd gezag stelt
                        de waarderingen van de lokale functiebeschrijvingen en normbeschrijvingen
                        bij algemeen verbindend voorschrift vast. </al><al>Artikel 4 Vaststelling conversietabel</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Het bevoegd gezag stelt op basis van de vastgestelde gemeentelijke
                        salarisstructuur, na verkregen overeenstemming binnen de commissie voor
                        Georganiseerd Overleg, een conversietabel vast. Wijziging van de
                        gemeentelijke salarisstructuur vindt niet plaats zonder overeenstemming
                        binnen de commissie voor Georganiseerd Overleg. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door middel van toepassing van de vastgestelde conversietabel worden de
                        waarderingen van alle geselecteerde normbeschrijvingen en lokale
                        functiebeschrijvingen omgezet naar functionele schalen. </al><al>Artikel 5 Voorbereiding indelingsadvies, indelingbesluit, bezwaar en
                        beroep</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>De directieraad adviseert (in samenspraak met de externe deskundige en/of
                        een gecertificeerde gebruiker) het bevoegd gezag over de indeling van de
                        functies in norm- en/of lokale functiebeschrijvingen. </al><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>In geval van een organisatiebrede functiebeschrijvingssronde, of indien
                        sprake is van een ingrijpende organisatorische verandering, wordt het
                        indelingsadvies ter toetsing voorgelegd aan een indelingscommissie. De
                        gecertificeerde gebruiker en/of extern deskundige zijn als adviseur(s)
                        aanwezig bij de vergaderingen van de indelingscommissie. De
                        indelingcommissie bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al> een lid aan te wijzen door het bevoegd gezag, niet zijnde een
                                bestuurder van de gemeente of anderszins werkzaam voor of bij de
                                gemeente; </al></li><li nr="b."><al> een lid aan te wijzen door de werknemersdelegatie vanuit de
                                commissie voor Georganiseerd Overleg/ondernemingsraad, niet werkzaam
                                bij of voor de gemeente of vaste adviseur van de werknemersdelegatie
                                in de Commissie voor Georganiseerd Overleg; </al></li><li nr="c."><al> een voorzitter, aan te wijzen door de leden onder a en b. </al></li></lijst><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>Het bevoegd gezag maakt aan de functiehouder schriftelijk bekend welke
                        (norm- of lokale) functiebeschrijving zij voornemens is op de functie van
                        toepassing te verklaren (indelingsbesluit). In het voorgenomen
                        indelingsbesluit zijn tevens de gevolgen opgenomen voor de inschaling, het
                        salaris en/of de bezoldiging. </al><al><vet>Lid 4 </vet></al><al>De functiehouder wordt in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijze over
                        de indeling aan de norm- of lokale functiebeschrijving kenbaar te maken. De
                        termijn voor het kenbaar maken van de zienswijze bedraagt vier weken. De
                        zienswijze wordt schriftelijk en gemotiveerd kenbaar gemaakt aan het bevoegd
                        gezag. Het bevoegd gezag legt de zienswijze ter advisering voor aan de
                        directie. </al><al><vet>Lid 5 </vet></al><al>Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in lid 4, maakt het bevoegd
                        gezag, indien van toepassing na kennisneming van de ingediende zienswijze(n)
                        van de functiehouder(s) en het advies van de directie, schriftelijk en
                        gemotiveerd aan de functiehouder bekend in welke functiebeschrijving de
                        functie van de functiehouder is ingedeeld en welke de gevolgen zijn voor de
                        inschaling, het salaris en/of bezoldiging. Deze mededeling is een besluit
                        als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Tegen dit besluit kan de
                        functiehouder schriftelijk en gemotiveerd bezwaar maken bij het bevoegd
                        gezag. </al><al>Artikel 6 Nieuwe en gewijzigde taken</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Indien aan een functiehouder, door of namens de directie, nieuwe of
                        gewijzigde taken worden opgedragen, dan heroverweegt het bevoegd gezag, na
                        en met inachtneming van het advies van directie/managementteam, de indeling
                        in de functiebeschrijving. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de heroverweging leidt tot een nieuw indelingsbesluit, dan is het
                        bepaalde in artikel 5 (met uitzondering van lid 2) van overeenkomstige
                        toepassing. In het geval dat de heroverweging niet leidt tot een nieuw
                        indelingsbesluit, dan wordt de functiehouder hiervan onverwijld in kennis
                        gesteld. </al><al>Artikel 7 Wijziging functiebeschrijvingen</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Bij wijziging van de structuur, taken of doelstellingen van de organisatie
                        wordt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, door of namens de
                        bestuurder bezien of de vastgestelde functiebeschrijvingen volledig en/of
                        toereikend zijn. Het selecteren, wijzigen of opstellen van nieuwe
                        functiebeschrijvingen verloopt volgens de procedure als beschreven in
                        artikel 2. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een verzoek tot heroverweging van de bestaande functiebeschrijvingen kan ook
                        worden ingediend door de OR. </al><al>Artikel 8 Overgangs- en slotbepalingen</al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent hetgeen in deze
                        procedureregeling is neergelegd voor zover aard en strekking van deze
                        regeling zich daartegen niet verzet. Indien en voor zover bij nadere regels
                        van deze regeling wordt afgeweken, dient hierover voorafgaand instemming te
                        worden gevraagd aan de ondernemingsraad. Het bepaalde in artikel 27 lid 2
                        t/m 7 WOR is van overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet
                        beslist het bevoegd gezag. </al><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>Deze regeling, welke kan worden aangehaald als ‘Procedureregeling
                        functiebeschrijving en -waardering gemeente Nijmegen’, treedt terstond in
                        werking na publicatie / bekendmaking dezes en vervangt alle voorgaande
                        regelingen, in het bijzonder de Nijmeegse Methode van Functiewaardering
                        (NMF) in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN). </al><al>Conversietabel</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>bandbreedte </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>schaal</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>punten </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>0-51 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>52-61 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>62-76 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>77-141 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>142-216 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>217-291 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>80</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>292-371 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>80</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>372-451 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>80</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>452-531 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>532-626 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>80</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>627-706 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>707-771 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>772-821 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>822-871 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>60</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>872-931 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry><entry colname="col3"><al>932-971 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry><entry colname="col3"><al>972-985 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>986-1000 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Functiematrix </al><al>Klik hier voor de volledige en vergrote versie van de functiematrix. </al><al>Herplaatsingsbeleid</al><al>Naar Ander Werk</al><al>In december 2009 hebben wij een nieuwe lokale CAO afgesloten met de bonden.
                        Deze CAO-afspraken bestaan voor een groot deel uit het plaatsingsbeleid
                        zoals omschreven in deze regeling. Hiermee komt de regeling De kortste weg
                        naar werk te vervallen. De regeling Naar Ander Werk heeft een
                        geldigheidsduur tot 1 januari 2012. Dit wil zeggen dat voor herschikkers
                        (medewerkers die ten gevolge van een reorganisatie de status krijgen van
                        herschikker) die tijdens deze twee jaar de status krijgen géén ontslagdatum
                        geldt. De Leidraad Gemeente Nijmegen is eveneens aangepast en geeft
                        procedurevoorschriften voor reorganisaties.</al><al>Het belangrijkste uitgangspunt is dat alle werknemers die om welke reden dan
                        ook een andere functie moeten krijgen op hun zoektocht zo goed mogelijk
                        begeleid worden door de werkgever. De aandacht en de inspanning bij die
                        zoektocht zal gericht zijn op het verwerven van ander werk binnen of buiten
                        de gemeentelijke organisatie. Dit vraagt, zeker in combinatie met de
                        tweejarige van Werk-naar-werk-garantie voor herschikkers, uiterste
                        flexibiliteit en creativiteit van zowel de werkgever als de werknemer. De
                        voorwaarden waaronder deze inspanningen worden geleverd zijn bepaald in de
                        AGN, “Sociaal Statuut 2010-2012” en deze regeling. Een belangrijke rol bij
                        het bovenstaande spelen de leidinggevende, de P en O-adviseur, het Huis van
                        je Toekomst en de plaatsingscommissie.</al><al>Artikel 1 Begrippen</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Herschikker:</vet> Medewerker, waarvan de functie door een
                                besluit van het college wordt opgeheven, als gevolg van een
                                organisatieverandering</al></li><li nr="b."><al><vet>Transferkandidaat:</vet> Medewerker, die uit zijn functie is
                                ontheven vanwege problemen in zijn functioneren en die ontslag is
                                aangezegd op grond van artikel 8:6 (ongeschiktheidsontslag).</al></li><li nr="c."><al><vet>Werkzoekende wegens arbeidsongeschiktheid:</vet> de medewerker
                                die door langdurige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek,
                                zijn functie niet meer zal kunnen uitoefenen.</al></li><li nr="d."><al><vet>Re-integratiekandidaat:</vet> herschikker, werkzoekende wegens
                                arbeidsongeschiktheid of transferkandidaat, die zoekend is naar werk
                                binnen of buiten de gemeentelijke organisatie.</al></li><li nr="e."><al><vet>Voorrangspositie:</vet> voorrang bij de vervulling van
                                vacatures boven andere interne kandidaten, voor zover betrokkene
                                voor die functie geschikt is of geschikt te maken is binnen een
                                redelijke termijn. </al></li><li nr="f."><al><vet>Uitkeringsgerechtigde:</vet> ex-medewerker, aan wie een WW
                                en/of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering is toegekend ingevolge
                                de AGN.</al></li><li nr="g."><al><vet>IRO:</vet> Individuele re-integratie overeenkomst</al></li><li nr="h."><al><vet>Plaatsingscommissie:</vet> Interne commissie, waarvan de
                                voorzitter bevoegd is om herschikkers en werkzoekende wegens
                                arbeidsongeschiktheid te plaatsen op grond van artikel 15:1:10. Dit
                                mandaat wordt niet uitgeoefend tenzij na raadpleging van de overige
                                leden van de plaatsingscommissie.</al></li><li nr="i."><al><vet>Passende functie: </vet> Een functie (intern óf extern) die de
                                ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid,
                                omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden
                                opgedragen en dus voldoet aan de criteria zoals geformuleerd in
                                artikel 15:1:10, eerste en tweede lid van de AGN. Een functie van
                                meer dan twee salarisschalen lager wordt in ieder geval als niet
                                passend beschouwd. Er is geen sprake van een passende functie als
                                deze hoger is ingeschaald dan de oude functie. </al></li></lijst><al>Artikel 2 Herschikkers</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De status van herschikker wordt door middel van een besluit toegekend. De
                        status wordt verleend vanaf het moment dat bekend is dat de functie gaat
                        vervallen, maar op zijn vroegst een half jaar voorafgaand aan de datum
                        waarop de functie daadwerkelijk vervalt en uiterlijk drie maanden na
                        vaststelling van de functieprofielen van de nieuwe organisatie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Medewerkers die de herschikkerstatus krijgen hebben bij vacaturevervulling
                        een voorrangspositie. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De re-integratietermijn gaat in op de eerste dag, volgend op de dag waarop
                        het besluit tot toekenning van de herschikkerstatus is bekendgemaakt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Artikel 10d:9 AGN (re-integratieplan) is van toepassing. In het
                        re-integratieplan worden afspraken met betrekking tot wederzijdse
                        inspanningen, rechten en verplichtingen (gedurende de re-integratietermijn)
                        schriftelijk vastgelegd en onderte-kend door de medewerker en de
                        leidinggevende.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het zoeken naar ander werk/functie gebeurt eerst intern, vervolgens
                        regionaal via “Werken in Gelderland” en vervolgens ook daar buiten. De
                        herschikker wordt tijdens de re-integratietermijn in staat gesteld om zijn
                        aandacht en inspanning te richten op het verwerven van een passende in- of
                        externe functie. Om het bovenstaande te realiseren, bestaat de mogelijkheid
                        dat de herschikker tijdelijk of voor de duur van de re-integratietermijn
                        geheel of gedeeltelijk wordt vrijgesteld van de verplichting werkzaamheden
                        in dienst van de gemeente Nijmegen uit te oefenen. Ook bestaat de
                        mogelijkheid de medewerker gedurende de re-integratietermijn in te zetten
                        voor tijdelijke werkzaamheden (in- of extern) omdat deze tijdelijke
                        werkzaamheden bijdragen aan een verbetering van de positie c.q. kansen van
                        de medewerker op de arbeidsmarkt.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De herschikker behoudt zijn salarispositie en salarisperspectief.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Het aanbieden van tijdelijk werk/functie dat minimaal 2 jaar duurt wordt in
                        deze regeling gezien als regulier werk en betekent dat de herschikkerstatus
                        wordt opgeheven. Dit geldt ook voor tijdelijke functievervulling die
                        verlengd wordt en daarmee de grens van 2 jaar passeert. Ook in dat geval
                        wordt met terugwerkende kracht de herschikkerstatus opgeheven. Pas als het
                        werk na die 2 jaar eindigt en betrokkene verliest daardoor weer zijn functie
                        dan kan opnieuw aan hem of haar een herschikkerstatus worden verleend,
                        ingevolge deze regeling. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Tijdelijk werk van minder dan twee jaar schort de activiteiten voor het
                        zoeken van werk niet op.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Indien binnen een jaar na herplaatsing op een reguliere functie blijkt dat
                        de nieuwe functie toch niet passend of geschikt is, kan de medewerker zijn
                        status terugkrijgen en het re-integratietraject hervatten.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 10d:5 AGN, vijfde lid geldt als
                        periode van de reintegratiefase 18 maanden, ongeacht de duur van het vaste
                        dienstverband. De herschikker kan op grond van reorganisatieontslag (artikel
                        8:3 AGN) niet worden ontslagen, voor zover hij de herschikkerstatus heeft
                        verkregen vóór 1 januari 2012, tenzij hij zijn herschikkingsverplichtingen
                        niet nakomt.</al><al>Artikel 3 Flankerende maatregelen voor herschikkers</al><al>Om het mogelijk en aantrekkelijk te maken zich buiten de gemeentelijke
                        organisatie een positie te verwerven, kan de herschikker een beroep doen op
                        een of meer in dit artikel genoemde maatregelen. Toepassing van deze
                        maatregelen vindt alleen dan plaats, indien daarmee naar het oordeel van het
                        college een bijdrage wordt geleverd aan een reële plaatsing. De volgende
                        maatregelen kunnen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Ontheffing van terugbetalingsverplichtingen</vet> Aan de
                                betrokken medewerker wordt ontheffing verleend van
                                terugbetalingsverplichtingen op grond van de Regeling
                                Studiefaciliteiten, de Verplaatsingskostenregeling en de Regeling
                                Ouderschapsverlof.</al></li><li nr="b."><al><vet>Verlof bij sollicitaties</vet> Er zal soepel worden omgegaan
                                met het verlenen van buitengewoon verlof i.v.m. sollicitaties.
                                Reiskosten voor sollicitatiebezoek worden vergoed overeenkomstig de
                                regeling voor dienstreizen; een en ander voor zover die kosten niet
                                door anderen worden vergoed.</al></li><li nr="c."><al><vet>Opzegtermijn</vet> Op verzoek van betrokkene zal de minimum
                                opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek, te weten één maand,
                                worden gehanteerd.</al></li><li nr="d."><al><vet>Uitbreiding studiefaciliteiten</vet> Indien aannemelijk is dat
                                door het volgen van een opleiding de kansen op het verkrijgen van
                                een functie buiten de gemeente worden vergroot, kunnen extra
                                studiefaciliteiten worden verleend.</al></li><li nr="e."><al><vet>Training e.d. sollicitatiegesprekken</vet> Op verzoek kan een
                                training of cursus worden gevolgd, teneinde de kans bij
                                sollicitatiegesprekken te vergroten.</al></li><li nr="f."><al><vet>Outplacementbegeleiding</vet> In bijzondere gevallen kan in
                                onderling overleg worden besloten een outplacementbureau in te
                                schakelen.</al></li><li nr="g."><al><vet>Loonsuppletie</vet> Teneinde de overgang naar een andere
                                werkkring met een lager salaris mogelijk te maken, kan een
                                aanvulling op het nieuwe salaris worden gegeven tot het niveau van
                                de oude bezoldiging. De suppletie geldt voor maximaal twee
                                jaar.</al></li><li nr="h."><al><vet>Afkoopsom i.v.m. eigen bedrijf</vet> Aan de medewerker die
                                ontslag verzoekt om een eigen bedrijf te beginnen, kan bij wijze van
                                startkapitaal een bedrag ineens worden gegeven tot maximaal één
                                jaarsalaris. Bij de vaststelling van de hoogte van dit bedrag kan
                                rekening worden gehouden met hetgeen betrokkene op grond van
                                wettelijke bepalingen kan ontvangen.</al></li><li nr="i."><al><vet>Ontslag met terugkeergarantie</vet> Afgesproken kan worden dat
                                de medewerker die een eigen bedrijf begint, binnen een periode van
                                één jaar weer in dienst kan treden van de gemeente Nijmegen. Er zal
                                naar worden gestreefd betrokkene een functie aan te bieden,
                                gelijkwaardig aan die welke hij voor het ontslag vervulde.</al></li><li nr="j."><al><vet>Reiskosten woon-werkverkeer</vet> Indien bij een nieuwe
                                werkgever geen vergoeding voor woon-werkverkeer wordt ontvangen, kan
                                betrokkene in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in die
                                reiskosten voor een periode van twee jaar; De kosten worden vergoed
                                op basis van 50%, gebruik van openbaar vervoer, tweede klas.</al></li><li nr="k."><al><vet>Tegemoetkoming in de woonlasten</vet> Een medewerker die in
                                verband met het aanvaarden van een andere werkkring moet verhuizen,
                                kan indien als gevolg daarvan zijn woonlasten hoger zijn dan
                                voorheen, in aanmerking komen voor een tege¬moetkoming in die
                                meerkosten. De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 100,- per maand,
                                gedurende maximaal twee jaar. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd
                                en in redelijkheid afgerond.</al></li><li nr="l."><al><vet>Verlof met gedeeltelijke bezoldiging</vet> Om een medewerker in
                                de gelegenheid te stellen activiteiten te ontplooien voor het
                                opzetten van een eigen bedrijf o.i.d., kan hem buitengewoon verlof
                                worden verleend met behoud van 50% van zijn bezoldiging gedurende
                                maximaal één jaar.</al></li><li nr="m."><al><vet> Detachering</vet> Teneinde de positie c.q. kansen van de
                                medewerker op de arbeidsmarkt te verbeteren bestaat de mogelijkheid
                                de medewerker gedurende de herplaatsingtermijn tijdelijk elders (in-
                                of extern) te detacheren.</al></li><li nr="n."><al><vet>Overige maatregelen</vet> In overleg kunnen ook nog andere
                                re-integratiebevorderende afspraken worden gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 4 Werkzoekende als gevolg van arbeidsongeschiktheid</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werkzoekende als gevolg van arbeidsongeschiktheid heeft een
                        voorrangspositie, die wordt toegekend op het moment dat de bedrijfsarts
                        adviseert dat betrokkene wegens ziekte of gebreken redelijkerwijs niet meer
                        terug kan keren in de eigen functie. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De re-integratietermijnen en -voorschriften van de Wet Verbetering
                        Poortwachter, AGN en WIA en WAO gelden onverminderd.</al><al>Artikel 5 Transferkandidaten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op de transferkandidaat is de procedure van artikel 10d:5 AGN e.v. van
                        toepassing. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de transferkandidaat geplaatst wordt in een passende functie,
                        waarvoor een lagere salarisschaal geldt dan de salarisschaal waar hij
                        ingeschaald is, wordt hij ingeschaald in de bij die functie horende
                        salarisschaal.</al><al>Artikel 6 Uitkeringsgerechtigden</al><al>De uitkeringsgerechtigde kan, zodra er een uitkering ten laste van de
                        gemeente is toegekend, contact opnemen met het Huis van je Toekomst voor
                        begeleiding naar ander werk. Indien de uitkering voor langer dan een half
                        jaar wordt toegekend door UWV, kan een IRO deel uitmaken van het
                        begeleidingstraject. De kosten van het door de uitkeringsgerechtigde te
                        kiezen IRO-bureau zijn voor rekening van de directie waar betrokkene het
                        laatst heeft gewerkt. Daarnaast kunnen opleidingskosten, reis-en
                        verblijfkosten en kosten van kinderopvang worden vergoed, conform
                        UWV-richtlijnen. De re-integratieactiviteiten zijn uitsluitend gericht op
                        het vinden van werk buiten de gemeente Nijmegen.</al><al>Artikel 7 Overgangsbepalingen</al><al>Met het vaststellen van deze regeling komt het Plaatsingsbeleid
                        herschikkers- en herplaatskandidaten, ingegaan d.d. 1 oktober 2004, te
                        vervallen per diezelfde datum met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>Op medewerkers die op dat moment ingevolge de oude regeling de
                                herschikkerstatus hebben is de nieuwe regeling van toepassing.</al></li><li nr="b."><al>Op medewerkers die op dat moment de herplaatserstatus hebben is de
                                regeling van 1 oktober 2004 onverminderd van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 8 Werkingsduur</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en loopt af
                        per 1 januari 2012. Tenminste een half jaar voor afloop wordt in de
                        commissie voor Georganiseerd Overleg een voorstel besproken over het nieuwe
                        plaatsingsbeleid. Zolang geen nieuw plaatsingsbeleid is vastgesteld, blijven
                        de bepalingen van deze regeling van kracht. Deze regeling wordt aangehaald
                        onder de naam: “Regeling Naar Ander Werk”.</al><al>Herplaatsingscommissie</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al><vet>Nadere aanwijzingen met betrekking tot de werkwijze van de
                            plaatsingscommissie als bedoeld in hoofdstuk 4.3. van de notitie
                            “plaatsingsbeleid herschikkings- en herplaatsingskandidaten”.</vet></al><al><vet>Datum van ingang: 1 oktober 2004</vet></al><al><vet>Doel:</vet></al><al>Het nemen van besluiten over structurele of tijdelijke plaatsing van
                        medewerkers met de status van herschikker of herplaatser in vrijgegeven
                        vacatures na (dreigend) functieverlies.</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Herschikker</vet>: Medewerker die door organisatieverandering
                                of bezuinigingsmaatregel, meestal na toepassing van
                                sociaal/personeelsplan, zijn functie verliest;</al></li><li nr="b."><al><vet> Herplaatser</vet>: Medewerker die om andere redenen de functie
                                niet meer kan uitoefenen;</al></li><li nr="c."><al><vet> Vacature</vet>: Openstaande structurele of tijdelijke
                                betrekking die voor invulling is vrijgegeven;</al></li><li nr="d."><al><vet> Vacaturehouder</vet>: Diegene die – na plaatsing in de
                                vacature - rechtsreeks leiding zal geven aan de
                                herschikker/herplaatser;</al></li><li nr="e."><al><vet> De notitie</vet>: De notitie “plaatsingsbeleid herschikkings-
                                en herplaatsingskandidaten” vastgesteld bij collegebesluit
                                van…………………. 2004;</al></li><li nr="f."><al><vet> Commissie</vet>: De plaatsingscommissie als bedoeld in
                                hoofdstuk 4.3. van de notitie;</al></li></lijst><al>Artikel 2 Samenstelling commissie</al><al><vet>Voorzitter</vet>: extern, beslissingsbevoegd <vet>Lid</vet> : directeur
                        (roulerend) voor een periode van zes maanden, beslissingsbevoegd
                            <vet>Lid</vet>: hoofd advies POI (vast), beslissingsbevoegd
                            <vet>Lid</vet>: plaatsingsambtenaar, adviserend
                        <vet>Secretaris</vet></al><al>Artikel 3 Rol/ bevoegdheden commissie en ruimte bij het nemen van
                        besluiten</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie vergadert in beginsel één maal per week.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De voorzitter van de commissie neemt besluiten, na overleg met de overige
                        twee leden van de commissie. Indien het besluit niet in volledige
                        overeenstemming kan worden genomen, neemt de voorzitter een besluit
                        overeenkomstig het meerderheidsstandpunt. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De volgende besluiten worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="§"><al>besluiten tot plaatsing in een gelijke of passende functie </al></li><li nr="§"><al>besluiten tot plaatsing in een geschikte functie, na acceptatie door
                                de herschikker/herplaatser - besluiten tot gelijktijdige in- en
                                externe werving (na overleg met de directeur)</al></li><li nr="§"><al>besluiten tot het maximaal drie maanden in portefeuille houden van
                                een vacature indien geen geschikte herschikker/herplaatser aanwezig
                                is.</al></li><li nr="§"><al>besluiten inzake het kostenaspect (voor wiens rekening, bedrag en
                                doel) </al></li></lijst><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voor het nemen van plaatsingsbesluiten is mandaat verleend door het college.
                        De commissie kan aan de besluiten bepaalde voorwaarden verbinden. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De besluiten worden genomen met inachtneming van hetgeen in de notitie is
                        bepaald. Binnen dat kader heeft de commissie alle ruimte om zelf de
                        afwegingen te maken die zowel het belang van de organisatie als die van de
                        herschikker/herplaatser dienen; het is maatwerk. De besluiten dienen verder
                        gebaseerd te zijn op redelijkheid en billijkheid vanuit het principe van
                        goed werkgeverschap. De besluiten zijn helder en goed gemotiveerd (taak
                        secretaris).</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De commissie kan desgevraagd of uit eigener beweging besluiten de
                        vacaturehouder, de gemeentesecretaris, en de herschikker/herplaatser te
                        horen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Bij het nemen van de besluiten wordt in ieder geval in de afweging
                        meegenomen: het voorstel/advies van de plaatsingsambtenaar, ondermeer
                        inhoudende een persoonsprofiel, een zoek- en beroepsprofiel, actueel c.v.,
                        eventuele referenties, functie- en werkomgevingsprofiel standpunten inzake
                        coaching en begeleiding en standpunten van vacaturehouder,
                        herschikker/herplaatser en eventueel de gemeentesecretaris.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Bij meerdere kandidaten wordt de keuze bepaald door de hetgeen door de
                        commissie in die stituatie als de meest logische “match” wordt
                        beschouwd.</al><al>Ideeënbusreglement</al><al>Artikel 1 Inleiding</al><al>Op 1 september 1963 is door het college een commissie ingesteld belast met
                        de beoordeling van ideeën welke in het kader van de 'Ideeënbus-gedachte'
                        worden ingezonden.</al><al>Deze commissie wordt genoemd 'Ideeëncommissie' (hierna aan te duiden als IC)
                        en is als volgt samengesteld: Vaste leden: de Wethouder voor het
                        Personeelsbeleid als voorzitter; een door het hoofd van de Centrale Afdeling
                        Personeelszaken aan te wijzen functionaris van zijn afdeling als
                        secretaris;</al><al>Wisselende leden: de directeur van een dienst/bedrijf waarop een ingezonden
                        idee betrekking heeft en/of één of meer door deze aan te wijzen
                        deskundige(n).</al><al>Artikel 2 Algemene richtlijnen</al><al><vet>Lid 1 Doelstelling</vet></al><al>De ideeënbus heeft ten doel:</al><lijst><li nr="§"><al>de personeelsleden aan te moedigen hun denkbeelden omtrent mogelijke
                                verbetering van apparatuur, werkmethoden of werkomstandigheden
                                kenbaar te maken en hen de zekerheid te verschaffen, dat aan die
                                denkbeelden de nodige aandacht wordt geschonken;</al></li><li nr="§"><al>de efficiency van de gemeentelijke diensten en bedrijven waar
                                mogelijk te verbeteren;</al></li><li nr="§"><al>de kwaliteit van de produktie en de dienstverlening te
                                verbeteren;</al></li><li nr="§"><al>de veiligheid te vergroten;</al></li><li nr="§"><al>de betrokkenheid van de personeelsleden bij hun werk te
                                versterken.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2 Het begrip ‘idee’</vet></al><al>Een idee is 'elke gedachte die kan leiden tot verbetering van de
                        organisatie, de veiligheid, de werkmethode, de serviceverlening, de
                        werkverdeling, de kwaliteit, dan wel tot tijd- en/of
                        materiaalbesparing.</al><al><vet>Lid 3 Het indienen van een idee</vet></al><lijst><li nr="§"><al>voor het indienen van een idee kan gebruik worden gemaakt van een
                                daarvoor bestaand voorgedrukt formulier, dan wel van eigen
                                briefpapier;</al></li><li nr="§"><al>de inzendformulieren zijn verkrijgbaar bij de secretaris van de IC,
                                dan wel bij de daartoe aangewezen contactfunctionarissen bij de
                                diensten en bedrijven;</al></li><li nr="§"><al>een idee dient zo volledig en duidelijk mogelijk te worden
                                omschreven, onder eventuele bijvoeging van schetsen, tekeningen,
                                berekeningen, of dergelijke;</al></li><li nr="§"><al>de inzender mag bij het uitwerken van zijn idee de hulp vragen van
                                zijn chef, een deskundige, dan wel van de secretaris van de IC;</al></li><li nr="§"><al>de inzendingen dienen gedateerd te zijn en voorzien van de
                                handtekening van de inzender;</al></li><li nr="§"><al>inzendingen worden in een gesloten enveloppe gedeponeerd in de
                                ideeënbus, dan wel bij het ontbreken daarvan bij de
                                contactfunctionaris van de dienst/bedrijf of kunnen rechtstreeks
                                worden toegezonden aan de secretaris van de IC;</al></li><li nr="§"><al>met het indienen van het idee erkent de inzender, dat alle rechten
                                met betrekking tot het idee behoren aan de gemeente Nijmegen, totdat
                                eventueel anders wordt overeengekomen.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4 Wie kan een idee indienen</vet></al><lijst><li nr="§"><al>in principe kunnen ALLE personeelsleden ideeën indienen;</al></li><li nr="§"><al>bij de beoordeling omtrent het toekennen van een premie of een
                                aanmoedigingspremie wordt overwogen, of het idee tot de normale taak
                                van de inzender gerekend moet worden.</al></li></lijst><al><vet>Lid 5 Wanneer wordt een beloning toegekend Een beloning (= premie)
                            wordt in het algemeen toegekend als aan één of meer van de volgende
                            voorwaarden wordt voldaan:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>het idee behoort NIET tot de directe eigen taak van de
                                inzender;</al></li><li nr="2."><al>het idee moet NIEUW zijn voor de toepassingsplaats;</al></li><li nr="3."><al>het idee zal - al of niet in gewijzigde vorm - worden
                                toegepast;</al></li><li nr="4."><al>het idee moet een berekend of te verwachten voordeel opleveren.</al></li></lijst><al><vet>Lid 6 Wanneer wordt een aanmoedigingspremie toegekend</vet></al><al>Een aanmoedigingspremie KAN worden toegekend in de navolgende gevallen: </al><lijst><li nr="§"><al>hoewel het concrete idee niet uitvoerbaar is, vestigt het toch de
                                aandacht op een ongewenste situatie;</al></li><li nr="§"><al>hoewel het idee wel een goede oplossing aangeeft, wordt het niet
                                uitgevoerd omdat de betreffende situatie op korte termijn gaat
                                veranderen en men daarvoor geen extra-kosten meer wenst te maken,
                                dan wel bij te hoge uitvoeringskosten of te weinig zekerheid, dat
                                deze kosten binnen een redelijke termijn kunnen worden
                                terugverdiend;</al></li><li nr="§"><al>wanneer twee inzenders kort na elkaar en duidelijk onafhankelijk van
                                elkaar een zelfde idee inzenden, dat voldoet aan één of meer van de
                                onder 2.05 genoemde voorwaarden, kan aan de laatste inzender een
                                aanmoedigingspremie worden toegekend;</al></li><li nr="§"><al>het idee is weliswaar uitvoerbaar, doch biedt geen nieuwe
                                perspectieven aan de leiding van de dienst/bedrijf die op dat moment
                                zélf doende is iets soortgelijks uit te werken, dan wel de
                                uitvoering voor te bereiden; alsdan zal worden nagegaan in hoeverre
                                de inzender daarvan al dan niet op de hoogte kon zijn;</al></li><li nr="§"><al>wanneer bijzondere zorg is besteed aan de uitwerking van een niet
                                uitvoerbaar idee, dan wel wanneer de inzender reeds eerder een
                                aantal met zorg uitgewerkte, doch niet toepasbare ideeën heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="§"><al>wanneer men de betrokkenheid van de inzender bij de gang van zaken
                                wenst te belonen.</al></li></lijst><al><vet>Lid 7 Verjaring van een idee</vet></al><al>In dit verband zijn twee gevallen te onderscheiden, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>het idee is reeds in de praktijk toegepast, zonder dat de
                                initiatiefnemer het als idee heeft ingediend; de initiatiefnemer mag
                                het idee binnen een half jaar na de invoering alsnog inzenden;</al></li><li nr="2."><al>een in eerste instantie afgewezen idee blijkt na verloop van tijd
                                door gewijzigde omstandigheden alsnog uitvoerbaar; indien dit het
                                geval blijkt te zijn kan premietoekenning alsnog worden overwogen;
                                de inzender dient zélf de IC hierop te attenderen.</al></li></lijst><al><vet>Lid 8 Behandeling van een idee</vet></al><al>De beoordeling en de verdere behandeling tot en met het doen van een
                        voorstel tot premiëring van een idee is opgedragen aan de IC, die zich
                        daarbij terzijde kan laten staan door één of meer deskundige adviseurs.</al><al><vet>Lid 9 Herbeoordeling van een idee</vet></al><al>Binnen drie maanden na afwijzing van een idee, kunnen inzenders alsnog onder
                        indiening van tegenargumenten een herbeoordeling van hun idee aanvragen bij
                        de secretaris van de IC. Indien de IC dit nodig oordeelt kunnen voor deze
                        her-beoordeling andere deskundige adviseurs worden ingeschakeld dan degenen
                        die bij de eerste beoordeling betrokken zijn geweest.</al><al><vet>Lid 10 Premiëring ná dienstverlating</vet></al><al>Indien een werknemer de dienst op reglementaire wijze verlaat, terwijl een
                        door hem/haar ingediend idee nog niet is afgedaan, behoudt hij/zij het recht
                        op premiëring.</al><al><vet>Lid 11 Beloningen</vet></al><al>De beloningen worden bepaald aan de hand van daarvoor geldende, onder
                        artikel 6 nader uitgewerkte richtlijnen; veiligheidsideeën worden op aparte
                        wijze gehonoreerd, als nader uitgewerkt eveneens onder artikel 6 van dit
                        reglement.</al><al>Artikel 3 Taak contactfunctionarissen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor iedere dienst/bedrijf wordt door de directeur een contactfunctionaris
                        voor de ideeënbus aangewezen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Tot de taak van de contactfunctionaris behoort:</al><lijst><li nr="§"><al>het wekelijks lichten van (een) eventueel aanwezige ideenbus(sen) en
                                het doorzenden van de 'ongeopende' enveloppen aan de secretaris van
                                de IC;</al></li><li nr="§"><al>het verlenen van medewerking aan te voeren
                                propaganda-activiteiten;</al></li><li nr="§"><al>het bepalen of mede-bepalen aan welke functionaris(sen) een door de
                                secretaris van de IC aan hem toegezonden inzending ter beoordeling
                                zal worden voorgelegd;</al></li></lijst><al>bij twijfel hieromtrent zal hij zich dienen te verstaan met zijn
                        directeur;</al><lijst><li nr="§"><al>het op verzoek van de secretaris van de IC, dan wel op eigen
                                initiatief informeren naar te lang uitblijvende beoordelingen;</al></li><li nr="§"><al>het regelen van interne bijeenkomsten bijvoorbeeld ter uitreiking
                                van een exclusieve premie;</al></li><li nr="§"><al>het (mede) nagaan of een gepremieerd idee inderdaad in de praktijk
                                wordt toegepast.</al></li></lijst><al>Artikel 4 Procedure</al><al><vet>Lid 1 Na te streven doeleinden</vet></al><al>Een ideeënbussysteem functioneert slechts dán goed, wanneer het voldoet aan
                        de volgende criteria:</al><lijst><li nr="§"><al>een zo kort mogelijk tijdsverloop tussen het indienen van een idee
                                en het bekendmaken aan de inzender van het resultaat;</al></li><li nr="§"><al>een zo objectief mogelijke beoordeling, alsmede een uniforme
                                bepaling van de hoogte van de premie;</al></li><li nr="§"><al>een gemotiveerd, schriftelijk antwoord aan elke inzender, zowel bij
                                afwijzing als bij premietoekenning, zulks met een kopie voor de
                                directeur van de betreffende dienst/bedrijf.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2 Uitgangspunten voor de ideeënbehandeling</vet></al><lijst><li nr="§"><al>de verantwoording voor de ideeënbehandeling berust bij het
                                college;</al></li><li nr="§"><al>het college delegeert de daarmee gepaard gaande werkzaamheden tot en
                                met de advisering aan de IC;</al></li><li nr="§"><al>de administratieve werkzaamheden en de voortgangscontrole behoren
                                tot de taak van de secretaris van de IC;</al></li><li nr="§"><al>de taak van de contactfunctionarissen is nader aangegeven onder punt
                                3 van dit reglement;</al></li><li nr="§"><al>de beoordelingen geschieden door de leden van de IC op advies van
                                deskundigen van de diensten en bedrijven.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3 Het uitkeren van beloningen</vet></al><lijst><li nr="§"><al>zowel aanmoedigingspremies als - in het algemeen - premies tot een
                                bedrag van € 225,- worden op de rekening van de inzender gestort,
                                nadat betrokkene middels een schrijven van Het college op de hoogte
                                is gesteld omtrent de toekenning (zie voorts onder punt 4.01 - derde
                                gedachtenstreepje);</al></li><li nr="§"><al>premies vanaf € 225,- worden in het algemeen overhandigd aan de
                                inzender door de directeur van de dienst/bedrijf waar betrokkene
                                werkzaam is, al dan niet in het bijzijn van de voorzitter en/of de
                                secretaris van de IC, de chef(s) van de inzender en de
                                personeelschef;</al></li><li nr="§"><al>premies en aanmoedigingspremies als vastgesteld door het college
                                worden NETTO uitgekeerd, waarbij de gemeente derhalve de
                                desbetreffende lasten voor haar rekening neemt;</al></li><li nr="§"><al>van de toekenning van een premie of een aanmoedigingspremie wordt
                                aan de comptabele c.q. de administrateur van een dienst/bedrijf een
                                kopie van het besluit gezonden.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4 Uitgaande correspondentie</vet></al><al>Alle uitgaande correspondentie betreffende het ideeënbusgebeuren wordt
                        verzonden namens de I.C. en getekend door de voorzitter van de IC, dan wel
                        namens deze door de secretaris van de IC. </al><al><vet>Lid 5 Besparingsberekening</vet></al><lijst><li nr="§"><al>voorzover mogelijk worden besparingsberekeningen met betrekking tot
                                ingezonden ideeën uitgevoerd, door de daartoe geëigende
                                administratieve en/of technische afdelingen;</al></li><li nr="§"><al>bij deze berekeningen mogen de eventuele uitvoeringskosten niet uit
                                het oog worden verloren.</al></li></lijst><al><vet>Lid 6 Beoordeling van ideeën</vet></al><lijst><li nr="1."><al>een idee wordt beoordeeld door één of meer deskundigen op
                                toepasbaarheid c.q. technische uitvoering; daarnaast worden zo
                                mogelijk de besparingen en de uitvoeringskosten berekend; e.e.a. kan
                                worden gerangschikt onder de 'praktische beoordeling' van een
                                idee;</al></li><li nr="2."><al>om tot een zo objectief en uniform mogelijke waardering van een idee
                                te komen is het noodzakelijk, dat het idee NIET UITSLUITEND als
                                geheel, maar tevens op factoren wordt gewaardeerd; op basis daarvan
                                wordt de door de inzender geleverde prestatie met een redelijke
                                premie beloond; de beoordelingsfactoren zijn: KWALITEIT: - de mate
                                van scherpzinnigheid, welke aan de gedachte van het idee ten
                                grondslag ligt; KWANTITEIT: - de hoeveelheid zorg die aan de
                                uitwerking is besteed (mate van juistheid en volledigheid);
                                ORIGINALITEIT: - in hoeverre is het idee het 'geesteskind' van de
                                inzender c.q. is het NIEUW; TAAKINVLOED: - mate van invloed van de
                                taak van de inzender ten opzichte van het idee; deze factoren zijn
                                onderverdeeld in vier waarden, als nader aangegeven in artikel 6 lid
                                2 van dit reglement.</al></li><li nr="3."><al>met het niveau van de inzender wordt namelijk rekening gehouden door
                                bij het bepalen van de premiehoogte een z.g. niveaufactor in
                                rekening te brengen (zie artikel 6 lid 4); UITGANGSPUNT is altijd,
                                dat een idee zonder onderscheid van de persoon objectief beoordeeld
                                wordt, waartoe dan ook de naam van de inzender onbekend blijft
                                tijdens de gehele beoordelingsprocedure; ook de grootte van de
                                besparing en de belangrijkheid voor de dienst/ bedrijf blijft bij de
                                beoordeling buiten beschouwing, omdat ook dit aspect apart in
                                rekening wordt gebracht bij het bepalen van de premiehoogte (zie
                                artikel 6 lid 3).</al></li></lijst><al>Artikel 5 Nazorg</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De behandeling van een idee is met de goedkeuring en premiëring nog niet ten
                        einde; Ook de uitvoering en toepassing, zomede de eventueel daaruit
                        voortvloeiende voordelen voor de gemeente dienen regelmatig gevolgd te
                        worden (zie taak contactfunctionarissen onder punt 3.02).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een idee zal in het algemeen niet eerder worden gepremieerd, dan wanneer
                        gebleken is, dat het aan de gesteld eisen voldoet.</al><al>Artikel 6 Beloningsrichtlijnen</al><al><vet>Lid 1 Inleiding</vet></al><al>Volgens de navolgende beloningsrichtlijnen kunnen zowel meetbare als
                        onmeetbare ideeën worden gewaardeerd; de onder artikel 4 lid 6 sub 2
                        vermelde beoordelingsfactoren hebben daartoe een bepaalde puntenwaarde, die
                        in artikel 6 lid 2 nader wordt gepreciseerd.</al><al><vet>Lid 2 Puntenwaardering</vet></al><al>Hiertoe dient de volgende tabel:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="37*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="38*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="3"><al>KWALITEIT</al></entry><entry colname="col2"><al>simpel, voor de hand liggende gedachte</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry><entry colname="col4"><al>(1)</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>aardige gedachte</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al>(2)</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>goede, heldere gedachte</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al>(2,5)</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>ingenieuze, scherpzinnige gedachte</al></entry><entry colname="col3"><al>5</al></entry><entry colname="col4"><al>(3)</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al>KWANTITEIT</al></entry><entry colname="col2"><al>niet goed uitgewerkt</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>valt weinig aan uit te werken</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>voldoende uitgewerkt</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>uitstekend en met zorg uitgewerkt</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al>ORIGINALITEIT</al></entry><entry colname="col2"><al>bekend en reeds eerder toegepast</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>elders bij de gemeente bekend</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>in principe bekend, maar niet in deze vorm</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>geheel origineel, nieuw, oorspronkelijk</al></entry><entry colname="col3"><al>3</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al>TAAKINVLOED</al></entry><entry colname="col2"><al>behoort geheel tot vak/werkterrein inzender</al></entry><entry colname="col3"><al>½</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>behoort alleen tot vakterrein inzender</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>behoort alleen tot werkterrein inzender</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col2"><al>ligt geheel buiten vak/werkterrein inzender</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>N.B.: de tussen haakjes geplaatste cijfers bij 'kwaliteit' worden gebruikt
                        voor ideeën waarvan GEEN besparing te berekenen is (zie artikel 6 lid 5 punt
                        2).</al><al>De eerste drie beoordelingsfactoren worden ingevuld door de
                        beoordelaar(s)/deskundige(n) op een daartoe strekkend formulier waarop de
                        cijfers echter NIET zijn vermeld; de factor 'taakinvloed' wordt ingevuld
                        door de secretaris van de IC, nadat is vastgesteld dat het idee voor een
                        premie in aanmerking komt; de beoordelaar(s)/deskundige(n) dienen op het
                        formulier hun visie duidelijk te MOTIVEREN.</al><al><vet>Lid 3 Regressie-factor</vet></al><al>Om de beloningen niet teveel van elkaar te doen verschillen en de
                        progressieve vorm van de door de gemeente te betalen belastingen te
                        nivelleren, wordt voor besparingen boven een bepaald bedrag een regressie
                        toegepast en wel als volgt:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="39*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Besparing:</al></entry><entry colname="col2"><al>tot € 1500 regressiefactor</al></entry><entry colname="col3"><al>= 1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Besparing:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.500,- tot € 4.500 regressiefactor</al></entry><entry colname="col3"><al>= 0,8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Besparing:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.500,- tot € 2.5000 regressiefactor</al></entry><entry colname="col3"><al>= 0,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Besparing:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.5000,- tot € 70.000 regressiefactor</al></entry><entry colname="col3"><al>= 0,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Besparing:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 700.000 of méér regressiefactor</al></entry><entry colname="col3"><al>= 0,05</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 4 Niveau-factor</vet></al><al>Om de waardering voor de diverse functieniveaus (werk- en denkniveaus) in te
                        bouwen, wordt een niveaufactor ingebracht en wel voor de functionele niveaus
                        in de schalen</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 t/m 3</al></entry><entry colname="col2"><al>1,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 t/m 7</al></entry><entry colname="col2"><al>1,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 t/m 10</al></entry><entry colname="col2"><al>1,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 en hoger</al></entry><entry colname="col2"><al>0,7</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 5 Berekening van de premie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ideeën met te berekenen jaarbesparing: éénmalig 10% van de
                                jaarbesparing.</al></li><li nr="2."><al>Ideeën waarvan GEEN besparing te berekenen is: aantal punten x
                                kwaliteitsfactor x regressiefactor x niveaufactor x € 3,- ofwel in
                                formulevorm: Pt x Kf x Rf x Nf x € 3,- = € .......... N.B.: het
                                aantal punten is de som van de in de tabel in punt 6.02 toegekende
                                cijfers.</al></li></lijst><al><vet>Lid 6 Beloning veiligheidsideeën</vet></al><al>Ideeën die UITSLUITEND met de veiligheid te maken hebben, worden beloond
                        volgens de onderstaande tabel, waarin de beloning is uitgedrukt in
                        'eenheden' die ter vaststelling van de premie worden vermenigvuldigd met €
                        3,-.</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="11*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="11*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="11*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Toepassing</vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al><vet>Ongevalfrequentie</vet></al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al><vet>Bereikt resultaat</vet></al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al><vet>Aard ongeval</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Plaatselijk</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Algemeen</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Hoog</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Laag</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Gevaar minder</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>Gevaar weg</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>Ernstig</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>Zeer ernstig</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>*30</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>5</al></entry><entry colname="col8"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>*40</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry><entry colname="col8"><al>20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>*45</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>15</al></entry><entry colname="col8"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>*50</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col7"><al>20</al></entry><entry colname="col8"><al>30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>20</al></entry><entry colname="col8"><al>3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>60</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col7"><al>20</al></entry><entry colname="col8"><al>40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al>30</al></entry><entry colname="col8"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>90</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col7"><al>40</al></entry><entry colname="col8"><al>60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>plaatselijk</vet> = toepassing op één afdeling/één machine; <vet>
                            algemeen</vet> = toepassing voor alle soortgelijke afdelingen/machines;
                            <vet> ernstig</vet> = langdurige arbeidsongeschiktheid; <vet> zeer
                            ernstig</vet> = blijvende arbeidsongeschiktheid, verlies van ledematen
                        of de dood tot gevolg hebbend.</al><al><vet>Lid 7 Aanmoedigingspremie</vet></al><al>In het algemeen bedraagt een aanmoedigingspremie € 25,-, doch in bijzondere
                        gevallen kán een hoger bedrag worden overwogen, zulks ter beoordeling van de
                        IC. </al><al><vet>Lid 8 Slotbepaling</vet></al><al>Zowel de bedragen van € 3,- als vermeld in artikel 6 lid 5 sub 2 en artikel
                        6 lid 6, als het bedrag van € 25,- als vermeld in lid 7 zullen iedere 3
                        jaren, te rekenen vanaf de datum van vaststelling van dit reglement door het
                        college - indien nodig - worden bijgesteld.</al><al>Overgangsregeling Inconveniënten</al><al><vet>Bij de invoering van HR 21 wordt vervalt de inconvenientenregeling.
                            Voor de medewerkers aan wie een inconvenient zijn toegekend op peildatum
                            1 april 2016 geldt de volgende overgangsregeling. </vet></al><lijst><li nr="§"><al>Aan nieuwe functiehouders worden vanaf 1 april 2016 geen
                                inconveniententoeslagen meer toegekend. </al></li><li nr="§"><al>Bij het zittend personeel is per 1 april 2016 één van onderstaande
                                situaties van toepassing:</al><lijst><li nr="1."><al> In het geval de <onderstreept>functieschaal op grond van
                                            indeling op basis van HR21 gelijk</onderstreept> blijft:
                                        De toegekende inconvenienten worden gegarandeerd in een
                                        persoonlijke garantietoelage, zolang de medewerker in een
                                        functie werkt waaraan de inconveniënten destijds waren
                                        toegekend. 55-plussers behouden de toeslag, ongeacht de
                                        toekomstige functie. De consequentie is dat er geen sprake
                                        is salarisachteruitgang bij de invoering van HR21. </al></li><li nr="2."><al> Als de<onderstreept> functie op grond van HR 21 hoger is
                                            ingedeeld</onderstreept>: De op 31 maart 2016 bestaande
                                        inconveniententoeslag wordt beëindigd op het moment dat het
                                        nieuwe salaris uitgaat boven het oude salaris inclusief
                                        inconveniententoeslag. Voor zover het nieuwe salaris niet
                                        uitgaat boven het oude salaris plus de toeslag geldt een
                                        garantietoelage. Ook hier weer geen sprake van
                                        salarisachteruitgang door de invoering van HR 21. </al></li><li nr="3."><al> Als de <onderstreept>functie op grond van HR 21 lager
                                            ingedeeld wordt dan de oude functie</onderstreept>: Op
                                        grond van de AGN wordt de oude salarisschaal gegarandeerd.
                                        Verder wordt de regeling als onder 1. toegepast. </al></li></lijst></li></lijst><al>Nota Bene. De toeslag is een garantietoelage als bedoeld in Hoofdstuk 3
                        nieuw.</al><al>Deze overgangsregeling treedt in werking met ingang van 1 april 2016 </al><al>Mandaatregister rechtspositionele besluiten</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Volg nr </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Omschrijving</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> Wett./jur. grondslag</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Bevoegde orgaan</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Ondermandaat verleend aan</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>Nadere bepalingen en voorschriften</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Beslissing op bezwaar, inzake in mandaat genomen
                                            besluiten</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al> B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> PH</al></entry><entry colname="col6"><al> Betreft mandaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. </al></entry><entry colname="col2"><al>Beslissing op bezwaar inzake besluiten van het college
                                        </al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Strafontslag</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 8:13</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. </al></entry><entry colname="col2"><al>Voorwaardelijk strafontslag</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 8:13</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> PH</al></entry><entry colname="col6"><al> Betreft mandaat. Na advies hoofd P&amp;O. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>Strafoverplaatsing</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 16:1:2 lid 1 sub h</al></entry><entry colname="col4"><al> B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> PH </al></entry><entry colname="col6"><al>Betreft mandaat. Na advies hoofd P&amp;O. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al>Schorsing</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 16:1:2 lid 1 sub i</al></entry><entry colname="col4"><al> B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> PH</al></entry><entry colname="col6"><al>Betreft mandaat. Na advies hoofd P&amp;O </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. </al></entry><entry colname="col2"><al> Ontslagregeling t.w.v. meer dan een jaarsalaris</al></entry><entry colname="col3"><al> Idem / art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al> B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 8. </al></entry><entry colname="col2"><al>Ontslagregeling t.w.v. meer dan een half en minder dan
                                            een jaarsalaris </al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al> B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> Leden DR</al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. </al></entry><entry colname="col2"><al> Ontslagregeling t.w.v. minder dan een half
                                            jaarsalaris</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet </al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al>AH</al></entry><entry colname="col6"><al> Na advies hoofd P&amp;O </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10. </al></entry><entry colname="col2"><al>Reorganisatieontslag</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 8:3</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> Leden DR </al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11. </al></entry><entry colname="col2"><al>Ongeschiktheidsontslag anders dan wegens ziekte of
                                            gebreken</al></entry><entry colname="col3"><al> Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 8:6</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W </al></entry><entry colname="col5"><al>Leden DR </al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12. </al></entry><entry colname="col2"><al>Ontslag op andere gronden</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 8:8</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> Leden DR </al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13.</al></entry><entry colname="col2"><al>Ontslag na non-activiteit openbare functie </al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 8:9</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> Leden DR</al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14.</al></entry><entry colname="col2"><al>Disciplinaire maatregelen, niet genoemd onder punt 3 t/m
                                            6 </al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / AGN artikel 16:1:2 lid 1 a t/m g
                                        </al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al> Leden DR </al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 15.</al></entry><entry colname="col2"><al>Besluiten inzake functiebeschrijvingen en
                                            functiewaardering </al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet </al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W </al></entry><entry colname="col5"><al>Leden DR </al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16.</al></entry><entry colname="col2"><al>Besluiten tot toepassing hardheidsclausules</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / diverse artikelen AGN</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al>Leden DR</al></entry><entry colname="col6"><al>Na advies hoofd P&amp;O </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17.</al></entry><entry colname="col2"><al>Beoordelingsbesluiten t.a.v. bureauhoofden</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al>Leden DR</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18.</al></entry><entry colname="col2"><al>Plaatsing van herschikker of werkzoekende wegens
                                            arbeidsongeschiktheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet / regeling Naar ander Werk/AGN artikel
                                            15:1:10, lid 1</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al>Voorzitter plaatsingscommissie</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19.</al></entry><entry colname="col2"><al>Alle besluiten t.a.v. de afdelingshoofden</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al>Leden DR</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20.</al></entry><entry colname="col2"><al>Alle besluiten t.a.v. het personeel ressorterend onder
                                            de afdelingshoofden, niet genoemd onder punten 1 t/m
                                            18</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al>AH</al></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21.</al></entry><entry colname="col2"><al>Alle besluiten t.a.v. de leden van de directieraad</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 160 Gem.wet</al></entry><entry colname="col4"><al>B&amp;W</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Organisatieregeling</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Administratie:</vet> Het systematisch verzamelen, vastleggen,
                                verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het
                                besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de
                                organisatie van de gemeente en ten behoeve van de verantwoording die
                                daarover moet worden afgelegd;</al></li><li nr="b."><al><vet>Administratieve organisatie:</vet> Het stelsel van
                                organisatorische maatregelen, gericht op het tot stand brengen en
                                instandhouden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke
                                administratie.</al></li><li nr="c."><al><vet>Begrotings- en verantwoordingsinstrumenten
                                    (B&amp;V-instrumenten):</vet> Instrumenten om de organisatie te
                                kunnen beheren en te besturen, zoals de directieplannen, de
                                managementrapportage, het jaarverslag, de administratieve
                                organisatie, de interne controle, de stadsbegroting en de
                                stadsrekening.</al></li><li nr="d."><al><vet>Beheer:</vet> De zorg voor het dagelijks functioneren en de
                                instandhouding.</al></li><li nr="e."><al><vet>Besluit begroting en verantwoording (BBV):</vet> De
                                informatie-eisen zoals die door het rijk zijn verwoord in het
                                besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (besluit
                                van 17 januari 2003, Stb. 27).</al></li><li nr="f."><al><vet>Bestuursorgaan:</vet> De raad, het college of de
                                burgemeester.</al></li><li nr="g."><al><vet>College:</vet> College van burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="h."><al><vet>Control:</vet> Het geheel van maatregelen en instrumenten dat
                                zich in brede zin richt op het beheersen van de middeleninzet in
                                relatie tot de vooraf geformuleerde beleidsdoelen.</al></li><li nr="i."><al><vet>Directeur:</vet> Hoofd van een directie.</al></li><li nr="j."><al><vet>Directie:</vet> Organisatorische eenheid, belast met de
                                voorbereiding en uitvoering van beleid.</al></li><li nr="k."><al><vet>Directieplan:</vet> Het document dat op basis van het voor dat
                                jaar geldende begroting een beschrijving geeft van het door de
                                directie te voeren beleid en de inzet van middelen en
                                ontwikkelingen.</al></li><li nr="l."><al><vet>Financiële administratie:</vet> Het onderdeel van de
                                administratie dat omvat het systematisch maken en verwerken van
                                aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen
                                van) de organisatie van de gemeente, teneinde te komen tot een goed
                                inzicht in: alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                daarover.</al><lijst><li nr="§"><al> de financieel-economische positie;</al></li><li nr="§"><al> het beheer van vermogenswaarden;</al></li><li nr="§"><al>de uitvoering van de begroting;</al></li><li nr="§"><al>het afwikkelen van vorderingen en schulden,</al></li></lijst></li><li nr="m."><al><vet>Hoofdstructuur van een directie:</vet> De organisatorische
                                indeling van een directie tot en met het eerste niveau onder de
                                directeur.</al></li><li nr="n."><al><vet>Integraal resultaatverantwoordelijk manager:</vet> De
                                lijnmanager die zowel verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering
                                als voor de inhoudelijke resultaten van zijn organisatieonderdeel.
                            </al></li><li nr="o."><al><vet>Lijnorganisatie:</vet> De formele ambtelijke organisatie,
                                ingedeeld in directies, belast met de voorbereiding en uitvoering
                                van beleid op een of meer beleidsterreinen of taakgebieden en belast
                                met de zorg voor personeel en rechtspositie, bedrijfsvoering, een
                                goede kwaliteit van de output en de ontwikkeling van personeel.</al></li><li nr="p."><al><vet>Managementrapportage:</vet> Een tussentijdse rapportage die de
                                directeur volgens de richtlijnen van het concern aan de
                                gemeentesecretaris uitbrengt over het door hem gevoerde beheer van
                                de directie, over de uitvoering van het door het bestuur
                                vastgestelde beleid en over de uitvoering van de producten en
                                deelproducten, zoals vastgelegd in de begroting.</al></li><li nr="q."><al><vet>Middelen:</vet> De middelen voor de voorbereiding en uitvoering
                                van het gemeentelijk beleid, waaronder in ieder geval het personeel,
                                de financiën, de informatievoorziening, de organisatie, juridische
                                zaken, de automatisering en de huisvesting.</al></li><li nr="r."><al><vet>(Programma)stadsbegroting:</vet> Zie onder stadsbegroting</al></li><li nr="s."><al><vet>Productenbegroting:</vet> De uitwerking van de door de raad in
                                de stadsbegroting opgenomen programma’s in producten en verder
                                bevattende de geraamde respectievelijk gerealiseerde baten, lasten
                                en saldo per product en het verdelingsprincipe waarmee de producten
                                over de programma’s zijn verdeeld.</al></li><li nr="t."><al><vet>Programmadirecteur:</vet> De directeur die
                                eindverantwoordelijke is voor het betreffende programma en als
                                zodanig de leidinggevende van de programmamanager. De
                                programmamanager ontvangt zijn machtiging van de
                                programmadirecteur.</al></li><li nr="u."><al><vet>Programmamanager:</vet> Functionaris die verantwoordelijke is
                                voor:</al><lijst><li nr="§"><al>de realisering van de bestuurlijke prioriteiten binnen het
                                        hem toegewezen programma,</al></li><li nr="§"><al>de vastgestelde begrotingsbudgetten,</al></li><li nr="§"><al>de verantwoording van het programma.</al></li></lijst></li><li nr="v."><al><vet>Programmaorganisatie:</vet> Die onderdelen van de gemeentelijke
                                organisatie die uitvoering geven aan de door de raad vastgestelde
                                programma’s.</al></li><li nr="w."><al><vet>Programmasturing:</vet> Sturing -op grond van de jaarlijks door
                                de raad vastgestelde (programma)stadsbegroting- vanuit de
                                portefeuillewethouder naar de programmamanager, die functioneert
                                binnen de door de directeur gegeven machtigingen.</al></li><li nr="x."><al><vet>Raad:</vet> gemeenteraad.</al></li><li nr="y."><al><vet>Stadsbegroting:</vet> Het document dat mede op basis van het
                                collegeakkoord en in meerjarig perspectief een beschrijving geeft
                                van het te voeren beleid en de inzet van middelen, een raming van
                                lasten en baten en een toelichting op de verschillen en
                                ontwikkelingen ten opzichte van de stadsbegroting en de
                                stadsrekening van het voorafgaande jaar. De begroting is conform
                                artikel 189 van de Gemeentewet opgebouwd uit programma’s.</al></li><li nr="z."><al><vet>Stadsrekening:</vet> Het document dat een evaluatie bevat van
                                de effectiviteit en efficiëntie van het gevoerde beleid en de inzet
                                van middelen, de geconsolideerde balans, de geconsolideerde rekening
                                van lasten en baten alsmede een toelichting op de verschillen met de
                                stadsbegroting en de verschillen ten opzichte van de stadsrekening
                                van het eraan voorafgaande dienstjaar.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Programmasturing</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De begroting van de gemeente Nijmegen (189 Gemeentewet) is opgebouwd uit
                        programma’s.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Elk programma wordt geleid door een programmamanager.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De voor het programma verantwoordelijke portefeuillehouder is voor dit
                        programma de directe opdrachtgever.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de programmamanager zijn -
                        binnen de concernkaders - vastgelegd in een machtiging van zijn
                        directeur.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het college machtigt de programmadirecteur via de gemeentesecretaris als
                        algemeen directeur voor de budgetten, zoals deze in de programmabegroting
                        zijn opgenomen, Uitwerking van dit artikellid vindt plaats in het
                        Volmachtbesluit budgethouders gemeente Nijmegen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college kan richtlijnen geven voor de door de directeur aan de
                        programmamanager te verstrekken machtiging.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De programmadirecteur is verantwoordelijk voor het begrotings- en
                        verantwoordings- proces van het programma.</al><al>Artikel 3 Ondersteuning van burgemeester en college</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeentesecretaris staat de burgemeester terzijde bij een goede
                        voorbereiding van de vergaderingen van het college.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hij bevordert, dat de adviezen aan het college en aan de burgemeester
                        geïntegreerd, gedegen en tijdig zijn en dat de besluiten van het college en
                        van de burgemeester integer en voortvarend worden uitgevoerd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De gemeentesecretaris draagt zorg voor een doelmatige ondersteuning van de
                        leden van het college bij de uitoefening van hun taak.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Hij draagt er desgevraagd en uit eigen beweging zorg voor dat de leden van
                        het college over alle informatie kunnen beschikken, die zij nodig hebben om
                        hun functie goed te kunnen uitoefenen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De gemeentesecretaris draagt er zorg voor dat tijdens vergaderingen van het
                        college genomen besluiten worden vastgelegd en dat er een presentielijst
                        wordt bijgehouden.</al><al>Artikel 4 Ondersteuning commissies</al><al>Tenzij bij afzonderlijke verordening of ander afzonderlijk besluit anders is
                        bepaald, is het gestelde in artikel 3, voor zover het betreft de daarin
                        opgedragen taken, ten aanzien van door het college en de burgemeester
                        ingestelde commissies, van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 5 Verantwoordelijkheid voor de ambtelijke organisatie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeentesecretaris is, met uitzondering van de griffie, als algemeen
                        directeur verantwoordelijk voor het functioneren van de ambtelijke
                        organisatie, en daarmee voor de programma- en de lijnorganisatie. In dit
                        kader bevordert hij een goede samenwerking en samenhang tussen en binnen de
                        directies. Hij kan aanwijzigingen geven aan de (programma)directeuren om die
                        samenwerking en samenhang te verzekeren. Hij heeft onder meer de integrale
                        eindverantwoordelijkheid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een voldoende kwaliteit van de ambtelijke advisering en
                                ondersteuning van de bestuursorganen;</al></li><li nr="b."><al>bestuursorganen van tijdige en toereikende ambtelijke advisering en
                                ambtelijke ondersteuning te voorzien;</al></li><li nr="c."><al>voor de planning van de in de programma’s vastgelegde activiteiten
                                en realisering van voorgenomen producten en de uitvoering daarvan
                                met inachtneming van het door de bestuursorganen terzake
                                vastgestelde beleid;</al></li><li nr="d."><al>voor de coördinatie en samenhang van het handelen van de
                                directies.</al></li><li nr="e."><al>voor de control van de organisatie: de juridische- en financiële
                                rechtmatigheid, de bewaking van de integriteit, de doelmatigheid en
                                de doeltreffendheid van het ge meentelijke beleid en beheer;</al></li><li nr="f."><al>voor de voorbereiding en uitvoering van de begroting alsmede de
                                verantwoording over het gevoerde beleid;</al></li><li nr="g."><al>voor de tijdige implementatie van nieuwe en gewijzigde wet- en
                                regelgeving.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hij bevordert een goede afstemming tussen de bestuursorganen enerzijds en de
                        ambtelijke organisatie anderzijds. Hij bevordert een gezamenlijk overleg
                        tussen het college en het directieteam.</al><al>Artikel 6 Interne informatiestromen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeentesecretaris draagt zorg voor goede interne informatiestromen. Hij
                        treft hiervoor, na overleg met de desbetreffende bestuursorganen en de
                        (programma)directeuren, de nodige maatregelen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De gemeentesecretaris draagt er zorg voor dat alle (programma)directeuren
                        tijdig op de hoogte worden gesteld van alle door de raad, het college en de
                        burgemeester genomen besluiten waaraan financiële of andere consequenties
                        voor hun directies of programma’s zijn verbonden.</al><al>Artikel 7 Inwinnen inlichtingen</al><al>De gemeentesecretaris kan bij of via de (programma)directeuren de
                        inlichtingen inwinnen die voor een goede vervulling van zijn taken nodig
                        zijn.</al><al>Artikel 8 Procedures voor behandeling opdrachten</al><al>Voor zover hij dat nodig acht stelt de gemeentesecretaris, in aanvulling op
                        wat daarover in deze regeling is bepaald, na overleg met de
                        (programma)directeuren, procedures vast voor de besluitvorming of uitvoering
                        van datgene dat door het college aan de ambtelijke organisatie is
                        opgedragen.</al><al>Artikel 9 Voortgangssignalering</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeentesecretaris draagt zorg voor een systeem van voortgangssignalering
                        met betrekking tot de bestuurlijke besluitvorming.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Mede aan de hand van dit systeem overlegt hij met de (programma)directeuren
                        over de voortgang van de werkzaamheden, zowel in de voorbereidende als in de
                        uitvoerende fase.</al><al>Artikel 10 Vervanging gemeentesecretaris</al><al>Het college benoemt, op voordracht van de gemeentesecretaris, uit de kring
                        van directeuren één of meer vervangers van de gemeentesecretaris. Het
                        college informeert de raad hierover.</al><al>Artikel 11 Directies</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De ambtelijke organisatie van de gemeente Nijmegen is ingedeeld in
                        organisatorische eenheden, die worden aangeduid als directies.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Elke directie is belast met de voorbereiding en uitvoering van beleid op een
                        of meer programma’s of onderdelen daarvan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als organisatorische eenheden, zoals bedoeld in het eerste lid, met
                        taakgebieden zoals bedoeld in het tweede lid, worden ingesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de directie Inwoners;</al></li><li nr="b."><al>de directie Grondgebied;</al></li><li nr="c."><al>de directie Wijk en Stad;</al></li><li nr="d."><al>de directie Stadsbedrijven;</al></li><li nr="e."><al>de directie Concern;</al></li><li nr="f."><al>de Brandweer.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ten behoeve van de inrichting van de controlfunctie wordt een
                        stadscontroller aangesteld als hoofd van het bureau stadscontrol. De
                        stadscontroller valt rechtstreeks onder de gemeentesecretaris.</al><al>Artikel 12 Structuur van de directies</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college stelt, met inachtneming van het in artikel 11 bepaalde, de
                        hoofdtaken van de directies vast.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op basis van de in het vorige lid bedoelde hoofdtaken stelt het college, op
                        voorstel van de gemeentesecretaris, de hoofdstructuur van de directies
                        vast.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De directeur stelt binnen de hoofdstructuur, in overleg met de
                        gemeentesecretaris, de nadere structuur van zijn directie vast.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voor wijzigingen in de hoofdstructuur van de gemeentelijke organisatie en in
                        de hoofdstructuur of nadere structuur van de directies zijn van toepassing
                        het Sociaal Statuut bij interne organsiatieveranderingen en de Leidraad voor
                        privatisering, vastgesteld door het college en inwerking getreden op 1 juni
                        2006 respectievelijk 30 maart 1994 en zoals nadien gewijzigd. </al><al>Artikel 13 Benoeming en ontslag van de gemeentesecretaris, de directeuren en
                        de stadscontroller</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeentesecretaris is algemeen directeur en wordt benoemd en ontslagen
                        door het college. De raad wordt over benoeming en ontslag geïnformeerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De functiebenaming van het hoofd van een directie is directeur.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De directeuren en de stadscontroller worden benoemd en ontslagen door het
                        college op voorstel van de gemeentesecretaris.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De directeuren worden benoemd in algemene dienst.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De plaatsvervangende directeuren worden door het college aangewezen, op
                        voorstel van de directeur.</al><al>Artikel 14 Verantwoordelijkheid voor voorbereiding en uitvoering</al><al>De gemeentelijke activiteiten zijn ondergebracht in door de raad bij de
                        behandeling van de stadsbegroting vastgestelde programma’s, waarvoor het
                        college de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt. Onverminderd de
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid van het college is de voorbereiding en
                        uitvoering van beleid opgedragen aan de gemeentesecretaris, onder de
                        bestuurlijke verantwoordelijkheid van een of meer leden van het
                        college.</al><al>Artikel 15 Beheer van de gemeentelijke organisatie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onder verantwoordelijkheid van het college zijn de leiding en het beheer van
                        een directie, als bedoeld in artikel 11, opgedragen via de
                        gemeentesecretaris, aan de directeur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college kan specifieke opdrachten aan de gemeentesecretaris verstrekken,
                        waarin (de ontwikkeling van) de op de directies betrekking hebbende taken
                        voor een bepaalde periode nader worden vastgesteld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Periodiek legt de gemeentesecretaris aan het college verantwoording af over
                        het door hem gevoerde beheer. Hij brengt hiertoe een managementrapportage
                        uit.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Periodiek legt de directeur verantwoording af aan de gemeentesecretaris over
                        het gevoerde beheer. Hij brengt hiertoe een managementrapportage uit.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien voor de gemeentesecretaris, respectievelijk een directeur, specifieke
                        opdrachten als bedoeld in het tweede lid zijn vastgesteld, wordt in de
                        managementrapportage over de uitvoering daarvan verantwoording
                        afgelegd.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Met inachtneming van de door het college gestelde regels treft de directeur
                        de maatregelen en voorzieningen, die hij voor een effectieve en efficiënte
                        uitvoering van de aan zijn directie opgedragen taken nodig acht.</al><al>Artikel 16 Doel en samenstelling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ter bevordering van een goed functioneren van de ambtelijke organisatie als
                        geheel is er een directieteam, bestaande uit de gemeentesecretaris, de
                        stadscontroller en de directeuren. Het directieteam vergadert
                        periodiek.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De gemeentesecretaris is voorzitter van het directieteam en is
                        eindverantwoordelijk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij afwezigheid wordt de voorzitter in die hoedanigheid vervangen door een
                        van de op grond van artikel 10 aangewezen directeur(en).</al><al>Artikel 17 Bevoegdheden directeuren met betrekking tot het personeel</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De directeuren hebben de bevoegdheden die bij of krachtens de
                        Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Nijmegen aan de directeuren
                        toekomen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het overleg tussen de ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de
                        ondernemingsraden treedt de gemeentesecretaris op als bestuurder in de zin
                        van de Wet op de Ondernemingsraden.</al><al>Artikel 18 Mandaat</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet,
                        kunnen het college en de burgemeester, met betrekking tot de uitoefening van
                        een of meer van hun bevoegdheden en de ondertekening van stukken van het
                        college of de burgemeester, mandaat verlenen aan de gemeentesecretaris. Deze
                        kan ondermandaat verlenen, tenzij het college of de burgemeester beperkingen
                        heeft opgelegd aan de doormandatering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden vindt plaats namens en
                        onder verantwoordelijkheid van het terzake bevoegde bestuursorgaan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een schriftelijk stuk, dat tot inhoud heeft de uitoefening van een
                        gemandateerde bevoegdheid, wordt ondertekend door de functionaris die
                        krachtens het bepaalde in het eerste lid bevoegd is tot het uitoefenen van
                        de desbetreffende bevoegdheid, tenzij het bevoegde bestuursorgaan anders
                        beslist.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bestuursorgaan kan voor de uitoefening van de opgedragen bevoegdheden
                        regels vaststellen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Alle verleende mandaten worden vastgelegd in een door of namens het
                        bestuursorgaan bij te houden register. Het mandaatregister is voor de hele
                        organisatie toegankelijk.</al><al>Artikel 19 Volmacht inzake het doen van uitgaven en het aangaan van
                        verplichtingen</al><al>Het bepaalde in artikel 18 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                        het doen van uitgaven en het aangaan van verplichtingen binnen het raam van
                        het vastgestelde directieplan.</al><al>Artikel 20 Voortgangsbewaking</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De directeur draagt zorg voor de behandeling, voorbereiding en uitvoering
                        van de activiteiten binnen zijn directie en voor hun bijdrage aan de door de
                        raad vastgestelde programma’s. Tevens draagt de directeur zorg voor
                        behandeling, voorbereiding en uitvoering van de aan hem of haar toegewezen
                        programma’s of onderdelen daarvan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de voortgang van de werkzaamheden, naast de reguliere verantwoording,
                        niet volgens plan verloopt, stelt de betrokken (programma)directeur de
                        gemeentesecretaris daarvan op de hoogte.</al><al>Artikel 21 Programmasturing</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Elke activiteit voortvloeiend uit de door de raad vastgestelde programma’s
                        wordt primair voorbereid en uitgevoerd door de directie tot wier taakgebied
                        de desbetreffende activiteit behoort. Bij de voorbereiding en uitvoering van
                        beleid worden alle relevante vakgebieden betrokken. Het betreffende
                        organisatieonderdeel verantwoordt zich periodiek via de
                        programmadirecteur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij de uitvoering van programma’s die meerdere directies en/of externe
                        partners betreffen wordt door alle betrokken onderdelen samengewerkt volgens
                        de principes van opdrachtgever en opdrachtnemer.</al><al>Artikel 22 Aanvullend advies</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien een activiteit tevens het taakgebied van een ander programma raakt,
                        vraagt de primair met de voorbereiding of uitvoering belaste
                        programmamanager aanvullend advies aan de programmamanager van het andere
                        programma.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een programmamanager kan ook uit eigen beweging aanvullend advies uitbrengen
                        aan de in het voorgaande lid genoemde primair met de voorbereiding of
                        uitvoering belaste programmamanager.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het aanvullende advies wordt rechtstreeks uitgebracht aan de
                        programmamanager die met de voorbereiding of uitvoering is belast; voor
                        zover het betreft beleidsvoorbereiding dient het aanvullende advies voor het
                        bestuur zichtbaar te blijven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De programmamanager die aanvullend advies uitbrengt, treedt zoveel mogelijk
                        in overleg met de programmamanager die met de voorbereiding of uitvoering is
                        belast en/of het Concern, teneinde tot een integrale advisering te komen
                        waarbij alle relevante vakgebieden betrokken zijn.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien een betrokken programmadirecteur zich onvoldoende herkent in het
                        geïntegreerde advies, kan zij het onderwerp agenderen in het directieteam.
                        De gemeentesecretaris beoordeelt of er aanleiding bestaat het college op de
                        hoogte te stellen van de afwijkende ambtelijke visie.</al><al>Artikel 23 Bedrijfsondersteuning/Concern</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ter ondersteuning van de programma’s en directies is binnen de directies een
                        stafafdeling Bedrijfsondersteuning ingericht.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De bedrijfsondersteuning kan, op basis van dienstverleningsovereenkomsten,
                        deels binnen het Servicebedrijf zijn georganiseerd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De directie Concern richt zich primair, in opdracht van de
                        gemeentesecretaris, op de strategische kaderstelling vanuit de eenheid van
                        de organisatie.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Op decentraal niveau kunnen aanvullende richtlijnen (inclusief tactische en
                        operationele kaders) waaraan de bedrijfsvoering van de directie moet
                        voldoen, worden geformuleerd door de stafafdeling Bedrijfsondersteuning en
                        worden getoetst door de directiecontroller.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De hoofden van de afdelingen Bedrijfsondersteuning en het hoofd van de
                        afdeling Begroten en Verantwoorden hebben regulier overleg onder
                        voorzitterschap van de directeur van de directie Concern.</al><al>Artikel 24 Verantwoordelijkheden controlfuncties</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gemeentesecretaris is als algemeen directeur verantwoordelijk voor de
                        control.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De controlfunctie met betrekking tot het concern wordt onder directe
                        verantwoordelijkheid van de gemeentesecretaris uitgeoefend door de
                        stadscontroller.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De stadscontroller rapporteert aan het college van burgemeester en
                        wethouders en de directiecontroller rapporteert aan de gemeentesecretaris
                        indien zij dit in het belang van de organisatie nodig achten.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De controlfunctie met betrekking tot de afzonderlijke directies wordt onder
                        verantwoordelijkheid van de betreffende directeur uitgeoefend door een door
                        hem aan te wijzen directiecontroller. Tussen stadscontroller en
                        directiecontrollers bestaat een functionele relatie.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De directiecontroller stemt periodiek af met de stadscontroller op
                        concernniveau en directieniveau ten behoeve van oplading, afstemming en
                        uitvoering van het door het directieteam vastgestelde controlplan en het
                        jaarlijks door het college vastgestelde controlprogramma/onderzoeksprogramma
                        ex. art.2.13a Gemeentewet.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Ten behoeve van de gecoördineerde ontwikkeling en het functioneren van het
                        beheersinstrumentarium, alsmede over de effectiviteit en efficiëntie van de
                        middeleninzet, voeren alle controllers periodiek overleg onder
                        voorzitterschap van de stadscontroller.</al><al>Artikel 25 Inhoud van de stadscontrolfunctie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het object van control omvat alle beleids- en middelenfuncties, inclusief
                        het beoogde resultaat.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De stadscontroller werkt aan de hand van het controlplan en het in het
                        college vastgestelde controlprogramma.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Stadscontrol werkt gemeentebreed en directieoverstijgend.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Stadscontrol heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>het adviseren bij concernbrede aspecten, zoals de ontwikkeling van
                                een samenhangend geheel van instrumenten, procedures en methoden die
                                de sturing, bewaking, toetsing en verantwoording van het
                                middelenbeleid en de effectieve en efficiënte besteding van middelen
                                van het concern mogelijk maken;</al></li><li nr="b."><al>risicomanagement;</al></li><li nr="c."><al>het maken van de daaruit voortvloeiende risicoanalyses;</al></li><li nr="d."><al>het treffen van maatregelen of het uitvoeren van nadere onderzoeken
                                in aanvulling op directiecontrol;</al></li><li nr="e."><al>de borging van de kwaliteit van de begroting (uitvoering en
                                afrekening) en de processen, door toe te zien op een adequate
                                inrichting van de administratieve organisatie en de interne
                                controle.</al></li><li nr="f."><al>het opstellen van het controlplan met specifieke onderzoeken naar de
                                recht- en doelmatigheid van de organisatie.</al></li></lijst><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Over de in het vorige lid genoemde taken geeft de stadscontroller gevraagd
                        en ongevraagd advies aan de gemeentesecretaris.</al><al>Artikel 26 Inhoud van de controlfunctie van een directie</al><al>De controlfunctie van een directie omvat onder meer:</al><lijst><li nr="1."><al>Het in overeenstemming met concernvoorschriften adviseren m.b.t. de
                                ontwikkeling van een samenhangend geheel van instrumenten,
                                procedures en methoden die de sturing, bewaking, toetsing en
                                verantwoording van het middelenbeleid en de effectieve en efficiente
                                besteding van middelen van de betreffende organisatorische eenheid
                                mogelijk maken;</al></li><li nr="2."><al>De directiecontroller werkt aan de hand van het controlplan en het,
                                conform de Gemeentewet, in het college vastgestelde
                                controlprogramma, voor zover het zijn directie betreft.</al></li><li nr="3."><al>Directiecontrol heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>het adviseren bij de ontwikkeling van een samenhangend
                                        geheel van instrumenten, procedures en methoden die de
                                        sturing, bewaking, toetsing en verantwoording van het
                                        middelenbeleid en de effectieve en efficiënte besteding van
                                        middelen van de directie mogelijk maken;</al></li><li nr="b."><al>het ontwikkelen van risicomanagement binnen zijn
                                        directie;</al></li><li nr="c."><al>het (doen) maken van de daaruit voortvloeiende
                                        risicoanalyses;</al></li><li nr="d."><al>het treffen van maatregelen of het uitvoeren van nadere
                                        onderzoeken die daaruit volgen;</al></li><li nr="e."><al>de borging van de kwaliteit van de begroting (uitvoering en
                                        afrekening) en de processen door toe te zien op een adequate
                                        inrichting van de administratieve organisatie en de interne
                                        controle.</al></li><li nr="f."><al>het in overleg treden met de stadscontroller over het door
                                        de stadcontroller op te stellen controlplan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Over de in het vorige lid genoemde taken kan de controller gevraagd
                                en ongevraagd advies geven aan zijn directeur.</al></li></lijst><al>Artikel 27 (Programma)stadsbegroting, productenbegroting en
                        directieplan</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op voorstel van het college stelt de raad, voor de aanvang van het
                        begrotingsjaar, de (programma)stadsbegroting vast, zoals geregeld in de
                        “financiële verordening gemeente Nijmegen”.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op voorstel van de gemeentesecretaris stelt het college, voor de aanvang van
                        het begrotingsjaar, de productenbegroting vast.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Binnen het kader van het door de raad vastgestelde stadsbegroting stelt de
                        directeur, na overleg met de gemeentesecretaris vóór de aanvang van het
                        begrotingsjaar, het directieplan vast.</al><al>Artikel 28 Tussentijdse/ management rapportages</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over
                        de uitvoering van de stadsbegroting van het lopende kalenderjaar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Periodiek en in elk geval op nader door het college aangegeven tijdstippen,
                        legt de directeur in een tussentijdse/ management rapportage aan de
                        ge-meentesecretaris verantwoording af over de uitvoering van het
                        vastgestelde beleid, het door hem gevoerde beheer en over de uitvoering van
                        de producten en deelproducten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op basis van de door de programmamanagers en de directeuren van de directies
                        uitge-brachte tussentijdse/ management rapportages stelt de
                        gemeentesecretaris een concern managementrapportage samen, waarin hij
                        verantwoording aflegt aan het college van burgemeester en wethouders over de
                        uitvoering van het vastgestelde beleid en het beheer en over de uitvoering
                        van de producten en deelproducten.</al><al>Artikel 29 Inrichting directieplannen en managementrapportages</al><al>Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de inrichting en de wijze
                        van samenstelling van de in het tweede lid van de artikelen 27 en 28
                        genoemde productbegroting en rapportages.</al><al>Artikel 30 Jaarverslag van het concern</al><al>Ten behoeve van de verantwoording door het college aan de raad over het
                        gevoerde beheer, stelt de gemeentesecretaris het (concern-) jaarverslag op
                        over het gevoerde beleid en beheer. Hij baseert zich daarbij op de
                        uitkomsten van de concernadministratie alsmede op de jaarverslagen van de
                        directies.</al><al>Artikel 31 Jaarlijkse verantwoording directeuren</al><al>Iedere directeur legt jaarlijks verantwoording af aan de gemeentesecretaris
                        over het gevoerde beleid en beheer en de bereikte resultaten.</al><al>Artikel 32 Inrichting bestuurlijke informatievoorziening</al><al>Met inachtneming van de regels gesteld in het Besluit begroting en
                        verantwoording provincies en gemeenten en de verordening opgesteld op grond
                        van artikel 212 Gemeentewet, kan het college omtrent de inrichting van de
                        bestuurlijke informatievoorziening nadere voorschriften geven.</al><al>Artikel 33 Treasurystatuut</al><al>Het college stelt bij afzonderlijk besluit een financieringsstatuut (te
                        heten treasurystatuut) op, waarin minimaal staat opgenomen hetgeen in
                        artikel 9 van de “financiële verordening gemeente Nijmegen” staat
                        vermeld.</al><al>Artikel 34 Inwerkingtreding en citeertitel</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                        bekendgemaakt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze regeling kan worden aangehaald als: Organisatieregeling 2009.</al><al>Rechtspositieregeling voor de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke
                        stand van de gemeente Nijmegen. </al><al>Artikel 1 Begripsbeschrijving</al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Buitengewoon ambtenaar</vet>: de bezoldigd buitengewoon
                                ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bedoeld in het Reglement
                                op de burgerlijke stand.</al></li><li nr="b."><al><vet>AGN</vet>: de Arbeidsvoorwaardenregeling van de Gemeente
                                Nijmegen.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Aanstelling</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege.</al><al>Artikel 3 Vergoeding</al><al>De buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand ontvangt per voltrokken
                        huwelijk of geregistreerd partnerschap een vergoeding welke wordt
                        vastgesteld volgens de in de bijlage behorende bij deze regeling opgenomen
                        systematiek.</al><al>Artikel 4 Onkostenvergoeding</al><al>Per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap ontvangt de
                        buitengewoon ambtenaar een vaste, onbelaste onkostenvergoeding. De hoogte
                        van deze vaste onkostenvergoeding is in de bijlage behorende bij deze
                        regeling opgenomen.</al><al>Artikel 5 Aanspraken bij ziekte</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij ziekte van de buitengewoon ambtenaar jonger dan 65 jaar zijn de
                        artikelen 7:1 tot en met 7:3 (definities, begeleiding en recht op
                        bezoldiging bij ziekte), 7:9 tot en met 7:14 (verplichtingen en sancties) en
                        7:19 tot en met 7:21 (samenloop doorbetaling bezoldiging en uitkering) van
                        de AGN van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat doorbetaling
                        van de bezoldiging alleen plaatsvindt indien de gehele verzuimperiode
                        tenminste 30 kalenderdagen geduurd heeft.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan: het
                        gemiddelde van het totaal aan vergoedingen bedoeld in artikel 3, over 12
                        maanden onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van ongeschiktheid van
                        de buitengewoon ambtenaar. Voor zover de ambtenaar op deze datum nog geen
                        twaalf maanden heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem
                        gemiddeld per maand is toegekend over de periode waarin hij in dienst
                        is.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder de eerste dag van ongeschiktheid
                        van de buitengewoon ambtenaar verstaan de dag waarop deze zich heeft ziek
                        gemeld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.</al><al>Artikel 6 Ontslag en schorsing</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ontslag kan worden verleend overeenkomstig de artikelen 8:1 (op verzoek),
                        8:2 en 8:2a (na ouderdomspensioen), 8:4 (wegens reorganisatie), 8:5 (wegens
                        arbeidsongeschiktheid), 8:6 (wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid), 8:7 en
                        8:8 (overige ontslaggronden), 8:11 (wegens FPU), 8:12 en 8:12:1 (van
                        rechtswege en tussentijdse ontslag uit tijdelijke aanstelling) en 8:13 (als
                        disciplinaire straf) van de AGN. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Schorsing van de buitengewoon ambtenaar vindt plaats overeenkomstig artikel
                        8:15:1 en 8:15:2 van de AGN.</al><al>Artikel 7 Overige rechten en verplichtingen</al><al>De artikelen 15:1, 15:1b tot en met 15:1g (verplichtingen rond integriteit),
                        15:1:12 (vergoeding van schade), 15:1:15 (beoordeling van de
                        ambtenaar),15:1:16 (uniform of dienstkleding), 15:1:19 (verbod betreden
                        arbeidsterrein), 15:1:20 (infectieziekten), 15:1:23 tot en met 15:1:25
                        (vergoeden van schade) en 15:2 van de AGN zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>Artikel 8 Plichtsverzuim</al><al>De buitengewoon ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
                        zich overigens schuldig maakt aan plichtsverzuim, kan disciplinair worden
                        gestraft, overeenkomstig hoofdstuk 16 van de AGN.</al><al>Artikel 9 Inwerkingtreding</al><al>Deze regeling treedt met ingang van 1 januari 2009 in werking.</al><al>Artikel 10 Aanhaling</al><al>Deze regeling kan worden aangehaald als de rechtspositieregeling voor de
                        buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
                        Nijmegen.</al><al>Toelichting</al><al>Artikel 1 </al><al>De wet-Mulder heeft met ingang van 1 januari 1995 de buitengewoon ambtenaar
                        van de burgerlijke stand (babs) geïntroduceerd. De babs wordt aangesteld
                        door het college van burgemeester en wethouders (Burgerlijk Wetboek, Boek 1:
                        artikel 16). Gemeenten hebben een Reglement burgerlijke stand. Daarin kan
                        geregeld zijn welke benoemingsmogelijkheden er zijn. Gemeenteambtenaren, en
                        ook burgemeester, wethouders en leden van de raad kunnen tot (buitengewoon)
                        ambtenaar van de burgerlijke stand benoemd worden. De gemeenteambtenaar, de
                        burgemeester, de wethouders en de raadsleden worden beschouwd als
                        onbezoldigd buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. De vergoeding
                        voor de werkzaamheden is in het algemeen alleen op de medewerkers van buiten
                        de gemeentelijke organisatie van toepassing. De babs is een ambtenaar in de
                        zin van de Ambtenarenwet. Omdat de AGN niet op hem van toepassing is dient
                        een afzonderlijke rechtspositie te gelden (art. 125 Ambtenarenwet).
                        Doorgaans is de functie van babs een nevenfunctie, die in omvang sterk kan
                        variëren.</al><al>Artikel 2 </al><al>In het Reglement Burgerlijke stand van de gemeente Nijmegen (2000) wordt in
                        artikel 3 lid 2 de benoeming van de babs geregeld. De benoeming vindt plaats
                        voor óf de duur van het uitoefenen van de functie van burgemeester of
                        raadslid, óf voor een periode van twee jaren. </al><al>Artikel 3 </al><al>Artikel 125 van de Ambtenarenwet stelt dat voor ambtenaren nadere regels
                        voor de vergoeding moeten worden getroffen. Artikel 3 van deze regeling
                        voorziet hierin. Per huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt een
                        vergoeding uitbetaald. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld door
                        het college.</al><al>Artikel 4 </al><al>Per voltrokken huwelijk of geregistreerd partnerschap ontvangt de
                        buitengewoon ambtenaar een vaste, onbelaste onkostenvergoeding. Deze
                        onkostenvergoeding is bedoeld als tegemoetkoming in de gemaakte
                        telefoonkosten, reiskosten, parkeerkosten etc. De hoogte van deze
                        onkostenvergoeding wordt vastgesteld door het college.</al><al>Artikel 5 </al><al>De regeling verklaart AGN op het punt van doorbetaling van vergoeding bij
                        ziekte van toepassing op de babs jonger dan 65 jaar. Achtergrond hiervan is
                        het dwingende karakter van de sociale wetgeving die zieke werknemers (voor
                        zover jonger dan 65 jaar) rechten en plichten toekent. Artikel 76a van de
                        Ziektewet geeft de persoon “krachtens publiekrechtelijke aanstelling
                        gehouden tot het verrichten van arbeid” bij ziekte het recht op 104 weken
                        (of zolang als het dienstverband nog duurt) doorbetaling van 70% van de
                        vergoeding of, indien de vergoeding op een ander wijze dan naar tijdruimte
                        vastgesteld wordt, de gemiddelde vergoeding die betrokkene, wanneer hij niet
                        verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen. De AGN
                        geeft aanspraak op een hoger doorbetalingpercentage dan 70%. Doorbetaling
                        van de vergoeding vindt slechts dan plaats als de gehele ziekteperiode van
                        de babs ten minste 30 dagen geduurd heeft.</al><al>De babs is verplicht zo spoedig mogelijk zijn verhindering tot werken door
                        te geven; in artikel 6 van deze regeling is artikel 15:1d van de AGN op de
                        babs van toepassing verklaard. Ook het artikel 7:9 lid 4 (verzuimprotocol)
                        van de AGN is van toepassing verklaard op de babs.</al><al>Eerste dag van ongeschiktheid: in lid 3 is bepaald (conform de Ziektewet)
                        welke dag als eerste ziektedag geldt.</al><al>Voorts bestaat voor de gemeente Nijmegen en de babs (jonger dan 65 jaar) de
                        verplichting zich in te spannen tot reïntegratie in het arbeidsproces. In de
                        praktijk wordt deze verplichting niet altijd als wenselijk beschouwd. De
                        babs is op grond van het Burgerlijk Wetboek immers uitsluitend benoemd tot
                        het verrichten van de formaliteiten rondom en sluiting van het
                        huwelijk/geregistreerd partnerschap. Bovendien heeft de babs in de regel een
                        hoofdfunctie waar van uit reïntegratieverplichtingen bestaan. In de praktijk
                        zal bezien moeten worden hoe arbodienstverleners en het UWV omgaan met de
                        verplichting tot reïntegratie van de gemeente ten aanzien van een zieke
                        babs.</al><al>Artikel 6</al><al>De babs wordt geschorst en ontslagen door het college van burgemeester en
                        wethouders (Burgerlijk Wetboek, boek 1, artikel 16). Artikel 125 van de
                        Ambtenarenwet stelt dat voor schorsing, ontslag en uitkering nadere regels
                        worden getroffen. Er wordt een limitatieve opsomming gegeven van de
                        ontslaggronden van de babs, onder verwijzing naar de AGN.</al><al>Opgemerkt wordt dat ontslag na ouderdomspensioen niet verplicht is. Artikel
                        8.2 tweede lid en 8.2a bieden de mogelijkheid om een gepensioneerde in
                        dienst te houden dan wel te nemen. Het dienstverband met een gepensioneerde
                        is op grond van artikel 8.2a eenvoudig te beëindigen.</al><al>Artikel 7 </al><al>De rechten en plichten van hoofdstuk 15 van de AGN worden hier voor een
                        groot gedeelte ook op de babs van toepassing verklaard. Voor de inhoud van
                        de artikelen wordt verwezen naar de AGN. Enkele opmerkingen hierover:</al><al>De eed of belofte is niet van toepassing verklaard op de babs omdat
                        eedaflegging reeds op grond van het Burgerlijk Wetboek verplicht is. </al><al>De personeelsbeoordeling is van toepassing omdat in de ontslaggrond
                        ‘onbekwaamheid / ongeschiktheid anders dan’ aan de orde kan zijn. Een
                        beoordeling kan bij toepassing van die ontslaggrond van belang zijn, evenals
                        bij een weigering om opnieuw een aanstelling te verlenen.</al><al>De reguliere bepalingen over schadevergoeding door en aan de ambtenaar zijn
                        van toepassing verklaard. In het algemeen kan gezegd worden dat de gemeente
                        aansprakelijk is voor fouten van ondergeschikten en een zorgplicht heeft ten
                        aanzien van de ondergeschikten zelf. Gemeenten kunnen bij aansprakelijkheid
                        voor schade terugvallen op de aansprakelijkheidsverzekering die
                        personenschade, zaakschade en vermogensschade dekt. Onder deze verzekering
                        valt een ruime groep van ondergeschikten van de gemeente, waaronder de babs.
                        Ook valt hieronder de babs die slechts voor één enkele gelegenheid
                        werkzaamheden verricht.</al><al>Regeling uitruil eindejaarsuitkering voor een tegemoetkoming kosten
                        woon-werkverkeer</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>werknemer:</vet> de ambtenaar met een aanstelling op grond van
                                hoofdstuk 2 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen;
                            </al></li><li nr="b."><al><vet>woon-werkverkeer:</vet> de afstand van het woonadres tot de
                                standplaats volgens de kortste route van de routeplanner Europa van
                                de ANWB, rekenkundig afgerond op hele kilometers; </al></li><li nr="c."><al><vet> eindejaarsuitkering:</vet> de uitkering, zoals gedefinieerd in
                                artikel 3:6 van de AGN; </al></li><li nr="d."><al><vet>woonadres:</vet> het adres waar de werknemer staat ingeschreven
                                bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA);
                            </al></li><li nr="e."><al><vet>standplaats:</vet> de plaats binnen de gemeente, waar de
                                werknemer gewoonlijk zijn werkzaamheden op aanwijzen van de
                                werkgever verricht. </al></li></lijst><al>Artikel 2</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werknemer die wenst deel te nemen aan deze regeling, vermindert zijn
                        eindejaarsuitkering met hetzelfde bedrag dat hij ontvangt voor een
                        vergoeding voor woon-werkverkeer.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op de in lid 1 bedoelde vergoeding worden eventuele andere uitgekeerde
                        vergoedingen voor woon-werkverkeer in mindering gebracht.</al><al>Artikel 3</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De werknemer kan op zijn verzoek maximaal de volledige eindejaarsuitkering
                        inzetten voor een vergoeding in de kosten van woon-werkverkeer. Hierdoor
                        heeft de medewerker een fiscaal voordeel. Het is niet relevant met welk
                        vervoermiddel wordt gereisd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De werknemer dient schriftelijk te verklaren dat hij voor de vergoeding
                        woon-werkverkeer afstand doet van (een deel van) zijn eindejaarsuitkering.
                        Daartoe dient hij het aanvraagformulier volledig in te vullen en te
                        ondertekenen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Voor de bepaling van het aantal kilometers van het woon-werkverkeer wordt de
                        ‘kortste route’ van het woonadres naar de standplaats berekend via de
                        routeplanner Europa van de ANWB. Hierbij wordt uitgegaan van 214 werkbare
                        dagen per jaar voor een vijfdaagse werkweek. Een print van de berekening van
                        de routeplanner wordt bij de aanvraag gevoegd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om deel te kunnen nemen dient de werknemer doorgaans naar dezelfde
                        arbeidsplaats te reizen. Hiervan is sprake wanneer de medewerker de
                        arbeidsplaats op jaarbasis tenminste 36 weken (70% van 52 weken)
                        bezoekt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Voor medewerkers die minder dan vijf dagen per week werken, wordt voor de
                        berekening van het aantal kilometers uitgegaan van het feitelijk aantal
                        dagen dat per week wordt gereisd naar de standplaats.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Voor de berekening wordt geen rekening gehouden met kortstondige ziekte of
                        afwezigheid. Hiervan is sprake als een afwezigheid maximaal zes aansluitende
                        weken heeft geduurd.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De vergoeding per kilometer is gelijk aan de maximaal onbelaste
                        kilometervergoeding, als genoemd in artikel 15, tweede lid, onderdeel c van
                        de wet op de Loonbelasting 1964.</al><al>Artikel 4 Gevolgen van de keuze</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien aan de belastingvrije uitbetaling door de belastingdienst bijzondere
                        voorwaarden worden verbonden, is de werknemer gehouden aan deze voorwaarden
                        te voldoen en dit desgewenst aan te tonen. Een eventuele naheffing als
                        gevolg van het niet voldoen aan deze voorwaarden, komt voor rekening van de
                        werknemer.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De werknemer verklaart schriftelijk op de hoogte te zijn van de mogelijke
                        consequenties die een verlaging van de eindejaarsuitkering kan hebben,
                        doordat deze wordt uitgewisseld tegen een bestedingsdoel. Zonder uitputtend
                        te zijn gaat het dan om;</al><lijst><li nr="I."><al> een verlaging van het loon in het kader van de sociale
                                verzekeringswetten; </al></li><li nr="II."><al>een verlaging van het inkomen in het kader van inkomensafhankelijke
                                subsidies.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Deze gevolgen zijn voor rekening en risico van de werknemer. </al><al>Artikel 5</al><al>De toepassing van deze regeling dient te passen binnen de fiscale wet- en
                        regelgeving. Het college behoudt het recht de regeling aan te passen op
                        grond van fiscale wijzigingen.</al><al>Artikel 6</al><al>Wanneer de werknemer onjuiste gegevens verstrekt en/of onrechtmatig gebruik
                        maakt van deze regeling, wordt de eventuele naheffingsaanslag (inclusief
                        boete en heffingsrente) van de belastingdienst met terugwerkende kracht op
                        de medewerker verhaald.</al><al>Artikel 7</al><al>Het aantal kilometers woon-werkverkeer wordt berekend over de periode van 1
                        januari tot en met 31 december van enig kalenderjaar. Voor de berekening van
                        het aantal kilometers woon-werkverkeer is de feitelijke situatie leidend.
                        Wanneer iemand tussentijds in of uit dienst treedt, wordt dit in de
                        berekening verdisconteerd.</al><al>Artikel 8</al><al>Het college van Burgemeester en wethouders is bevoegd om in gevallen waarin
                        deze regeling niet of niet in billijkheid voorziet, een voorziening te
                        treffen.</al><al>Artikel 9</al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.</al><al>Artikel 10</al><al>Deze regeling is van kracht indien en voor zover het op grond van wetgeving,
                        jurisprudentie of beleidsregel van de Staatssecretaris van Financiën
                        mogelijk is de eindejaarsuitkering uit te ruilen tegen een onbelaste
                        tegemoetkoming in de reiskosten voor woon-werkverkeer.</al><al>Artikel 11</al><al>Deze regeling wordt aangehaald als: “Regeling uitruil eindejaarsuitkering
                        tegen een tegemoetkoming kosten woon-werkverkeer”.</al><al>Reglement spaarloonregeling</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>Dit reglement verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Werkgever</vet>: De Gemeente Nijmegen.</al></li><li nr="b."><al><vet>Deelnemer</vet>: Iedere werknemer die conform artikel 3 van dit
                                reglement is toegetreden tot de spaarloonregeling.</al></li><li nr="c."><al><vet>Spaarloon</vet>: Loon dat overeenkomstig de bepalingen van deze
                                rege€ling door de deelnemer op een rekening van de Gemeentelijke
                                Kredietbank in geblokkeerde vorm wordt gespaard (=
                                spaarloonrekening), danwel rechtstreeks wordt gestort op een
                                rekening bij een financiële instelling waarbij de deelnemer een
                                overeenkomst van levensverzekering heeft afgesloten waarbij een
                                lijfrente of een kapitaalsuitkering is verzekerd, alsmede loon dat
                                wordt gestort op een rekening van het Algemeen Burgerlijk Pensioen-
                                fonds ter verkrijging van aanvullend extra pensioen.</al></li><li nr="d."><al><vet>Partner</vet>: Indien de deelnemer ongehuwd is, de
                                levenspartner als bedoeld in de artikel 1 van de "verordening
                                rechtspositionele erkenning alternatieve samenlevingsvormen".</al></li><li nr="e."><al><vet>Blokkeringstermijn</vet>: De periode vanaf de datum van
                                bijschrijving op de spaarloonrekening, tot het begin van het vijfde
                                volle kalenderjaar na het jaar van bijschrijving.</al></li><li nr="f."><al><vet>Wet</vet>: De Wet op de Loonbelasting 1964; de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering.</al></li><li nr="g."><al><vet>Uitvoeringsregeling</vet>: De Uitvoeringsregeling
                                werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen.</al></li></lijst><al>Artikel 2 Doel</al><al>De spaarloonregeling heeft ten doel het sparen door werknemers in
                        tegenwoordige dienstbetrekking te stimuleren en duurzame bezitsvorming te
                        bevorderen.</al><al>Artikel 3 Deelneming</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deelname aan de Spaarloonregeling staat open voor de navolgende werknemers
                        onder voorwaarde dat zij reeds sedert de eerste dag van het kalenderjaar in
                        dienstbetrekking staan tot de werkgever en deze ten aanzien van hen reeds
                        sedert die dag bij de inhouding van loonbelasting de algemene
                        heffingskorting als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 toepast:</al><lijst><li nr="§"><al>De ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente
                                Nijmegen, voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel
                                tijdelijk is aangesteld voor de duur van tenminste één jaar;</al></li><li nr="§"><al>De werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond
                                van artikel 2:5, eerste lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling
                                Gemeente Nijmegen, voor tenminste één jaar;</al></li><li nr="§"><al>Het personeelslid dat werkzaam is bij het openbaar onderwijs te
                                Nijmegen en op wie het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel van
                                toepassing is, voor zover aangesteld in vaste dienst dan wel in
                                tijdelijke dienst voor tenminste één jaar;</al></li><li nr="§"><al>Degene wiens arbeidsverhouding als een dienstbetrekking moet worden
                                beschouwd in de zin van artikel 4, onderdeel f van de Wet op de
                                loonbelasting 1964.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Toetreding tot de spaarloonregeling geschiedt door de werkgever te machtigen
                        het spaarloon in te houden. De machtiging kan worden verleend door middel
                        van het invullen en ondertekenen van een aanmeldings-/wijzigingsformulier.
                        Indien de deelnemer minderjarig is, dient de wettelijke vertegenwoordiger
                        van de deelnemer mede te ondertekenen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Toetreding tot de spaarloonregeling kan -behalve bij het in werking treden
                        van dit reglement- plaatsvinden per de eerste van elke kalendermaand of in
                        de maand van indiensttreding, mits het in lid 2 genoemde formulier tijdig
                        bij de werkgever is ingeleverd. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het door de werkgever in te houden bedrag kan per de eerste van elke
                        kalendermaand worden gewijzigd. De deelnemer dient daartoe het in lid 2
                        genoemde formulier tijdig bij de werkgever in te leveren.</al><al>Artikel 4 Inhoudingen van spaarloon</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij de uitbetaling van loon houdt de werkgever spaarloon in ter grootte van
                        minimaal € 140,- per kalenderjaar op het bruto loon van de deelnemer.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het spaarloon kan slechts worden ingehouden indien en voor zover de
                        inhouding door de werkgever kan worden verricht op loon uit tegenwoordige
                        dienstbetrekking.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het totaal van het ingevolge deze regeling op het loon van de werknemer
                        ingehouden spaarloon mag in ieder kalenderjaar niet meer bedragen dan het in
                        artikel 31, tweede lid, onderdeel f van de Wet op de Loonbelasting 1964,
                        vermelde bedrag.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Onder loon wordt voor toepassing van deze regeling verstaan het loon in de
                        zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al>Artikel 5 Spaarloonrekening</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het overeenkomstig artikel 4 ingehouden spaarloon zal door de werkgever
                        onmiddellijk na de inhouding worden overgemaakt op:</al><lijst><li nr="a."><al>de spaarloonrekening van de deelnemer, of</al></li><li nr="b."><al>de rekening van de deelnemer bij de financiële instelling waarbij de
                                deelnemer een overeenkomst van levensverzekering heeft
                                afgesloten.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In de situatie als bedoeld in het voorgaande lid, onder b, is het bepaalde
                        in de artikelen 8 en 9 van dit reglement van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op de in het eerste lid onder a bedoelde spaarloonrekening mogen geen andere
                        bedragen worden bijgeschreven respectievelijk uitstaan dan:</al><lijst><li nr="§"><al>het ingehouden spaarloon;</al></li><li nr="§"><al>op over het tegoed berekende rente.</al></li></lijst><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De deelnemer mag de op zijn spaarloonrekening uitstaande bedragen niet
                        geheel of gedeeltelijk overdragen of in onderpand geven, dan wel op
                        enigerlei wijze bezwaren.</al><al>Artikel 6 Vrijkomen van spaartegoed</al><al>Over de in enig kalenderjaar op de spaarloonrekening bijgeschreven bedragen
                        kan door de deelnemer pas na afloop van de blokkeringstermijn vrij worden
                        beschikt. De vrijgekomen bedragen worden overgeheveld naar het vrije deel
                        van de spaarloonrekening. De over het tegoed berekende rente is direct
                        opneembaar.</al><al>Artikel 6a Uitzondering</al><al>In afwijking van artikel 6 kan door de deelnemer vanaf 1 januari 2003 vrij
                        worden beschikt over de op de spaarloonrekening bijgeschreven bedragen over
                        1999 en 2000.</al><al>Artikel 7 Erkende bestedingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Over de geblokkeerde tegoeden kan binnen de blokkeringstermijn geheel of
                        gedeeltelijk worden beschikt:</al><lijst><li nr="a."><al>Ter zake van de aankoop van een woning: Hieronder wordt verstaan de
                                verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning door de
                                deelnemer of diens echtgeno(o)t(e) of partner. Hieronder wordt mede
                                begrepen de betalingen te verwerving van een lidmaatschap van een
                                coöperatieve vereniging waarvan de leden enkel op grond van hun
                                lidmaatschap het recht van uitsluitend gebruik hebben van een aan de
                                coöperatieve vereniging in eigendom toebehorend gebouw, dan wel een
                                afzonderlijk gedeelte van een zodanig gebouw.</al></li><li nr="b."><al>Ter zake van premies voor een levensverzekering waarbij een
                                lijfrente is verzekerd, mits wordt voldaan aan de in artikel 8
                                vermelde voorwaarden.</al></li><li nr="c."><al>Ter zake van premies levensverzekering waarbij een kapitaaluitkering
                                bij in leven zijn is verzekerd, mits voorts wordt voldaan aan de in
                                artikel 9 vermelde voorwaarden.</al></li><li nr="d."><al>Ter zake van regelmatige inleggingen waartoe de deelnemer of diens
                                echtgeno(o)t(e) of partner zich heeft verplicht ingevolge een
                                overeenkomst met een spaarinstelling tot sparen met
                                levensverzekering, mits wordt voldaan aan de in artikel 9 en 10
                                vermelde voorwaarden. Onder spaarinstelling wordt verstaan
                                spaarbanken, handelsbanken, landbouwkredietinstellingen, bouwkassen,
                                spaarfondsen, verzekeringsmaatschappijen en daarmee vergelijkbare
                                rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.</al></li><li nr="e."><al>Ter zake van het verkrijgen van aanvullend extra pensioen op grond
                                van het ABP-pensioenreglement.</al></li><li nr="f."><al>Ter zake van het starten van een eigen bedrijf of het volgen van een
                                studie.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het op de spaarloonrekening aanwezige tegoed dat voor de in lid 1 genoemde
                        doeleinden wordt besteed, zal ter beschikking van de deelnemer worden
                        gesteld, nadat hij deze bestemming heeft aangetoond en de daartoe strekkende
                        bewijsmiddelen ten behoeve van de werkgever heeft overgelegd.</al><al>Artikel 8 Lijfrente</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De termijnen voor de lijfrente als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b kunnen
                        behoudens in geval van overlijden, niet eerder ingaan dan in het vijfde jaar
                        nadat de premies zijn voldaan. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De polis van de in artikel 7 lid 1 sub b genoemde levensverzekering moet
                        onbezwaard deel uit maken van het vermogen van de deelnemer of diens
                        echtgeno(o)t(e).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij de overeenkomst van levensverzekering moet een lijfrente zijn verzekerd
                        als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel b en artikel 3.125, eerste lid,
                        onderdelen a, c en d, van de Wet Inkomstenbelasting 2001, bij een
                        verzekeraar als bedoeld in het artikel 3.126 van de Wet inkomstenbelasting
                        2001.</al><al>Artikel 9 Levensverzekering</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De in artikel 7 lid 1 sub c genoemde overeenkomst van levensverzekering
                        moet:</al><lijst><li nr="§"><al>voldoen aan artikel 1, eerste lid, onderdeel b van de Wet toezicht
                                verzekeringsbedrijf en zijn aangegaan met een levensverzekeraar als
                                bedoeld in onderdeel g van dat lid.</al></li><li nr="§"><al>door de werknemer of diens echtgeno(o)t(e) of partner gesloten op
                                het eigen leven, hetzij op dat van diens echtgeno(o)t(e) of partner,
                                dan wel kinderen, waarvoor de werknemer, diens echtgeno(o)t(e) of
                                partner op 1 januari van het jaar waarin de premie is voldaan
                                ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet recht op kinderbijslag had,
                                of die zelf recht hadden op studiefinanciering op grond van
                                hoofdstuk 2 van de Wet op de studiefinanciering.</al></li><li nr="§"><al>voorzien in een looptijd van tenminste 4 jaren, voor zover het
                                tijdstip van uitkering niet wordt bepaald door het overlijden van de
                                verzekerde.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De polis moet onbezwaard deel uitmaken van het vermogen van de werknemer of
                        dat van diens echtgeno(o)t(e) of partner.</al><al>Artikel 10 Beëindiging deelname</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien de deelname eindigt door beëindiging van de dienstbetrekking door
                        overlijden van de deelnemer, mag het gehele tegoed van de spaarloonrekening
                        ter beschikking worden gesteld van de erfgenamen van de werknemer.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien het tegoed wordt opgenomen door de erfgenamen wordt voor de
                        toepassing van de Wet op de Loonbelasting en de Coördinatiewet Sociale
                        Verzekering voor elke volle maand gedurende welke het spaarloon binnen een
                        termijn van vier jaren is opgenomen een evenredig deel van het spaarloon
                        aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.</al><al>Artikel 11 Wijziging/beëindiging dienstbetrekking</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Indien de dienstbetrekking eindigt anders dan door overlijden blijft het
                        bepaalde in dit reglement van toepassing op het bij de beëindiging aanwezige
                        tegoed, behoudens dat geen inhoudingen en bijschrijvingen als bedoeld in de
                        artikelen 4 en artikel 5 meer zullen plaatsvinden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de deelnemer bij aanvaarding van een betrekking elders tijdig daarom
                        verzoekt, kan het spaarloon op een spaarloonrekening waarin door de nieuwe
                        werkgever is voorzien, worden overgemaakt.</al><al>Artikel 12 Eigendom</al><al>De werkgever zal nimmer aanspraak kunnen maken op het tijdelijk onder zijn
                        berusting zijnde ingehouden spaarloon om daarop een eventuele vordering op
                        de deelnemer, die hij meent te hebben wegens het niet nakomen van
                        verplichtingen van de werknemer tegenover de werkgever, te verhalen.</al><al>Dit geldt ook ten aanzien van al dan niet gefundeerde vorderingen wegens
                        schade aan de werkgever door de deelnemer toegebracht door onjuiste
                        handelingen, nalatigheid of verzuim.</al><al>Artikel 13 Afschriften; rentebijschrijvingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De rente wordt eenmaal per jaar bijgeschreven en is vrij opneembaar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Telkenmale na beëindiging van een kalenderjaar wordt de deelnemer
                        geïnformeerd door middel van toezending van een jaaroverzicht waarop het
                        tegoed wordt vermeld, gesplitst in een geblokkeerd en een vrij tegoed. Ten
                        aanzien van het geblokkeerd tegoed wordt het jaar van bijschrijving vermeld,
                        alsmede de datum waarop de geblokkeerde bedragen vrij komen.</al><al>Artikel 14 Slotbepalingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college beslist in die gevallen waarin over de uitleg van de bepalingen
                        van de spaarloonregeling verschil van inzicht bestaat.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De regeling wordt vastgesteld met ingang van heden en kan worden aangehaald
                        als "Spaarloonregeling 1997".</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Artikel 3 en 4 zijn niet meer van toepassing vanaf 1-1-2012.</al><al>Toelichting</al><al>Artikel 2 Doel</al><al>Op grond van de huidige regelgeving is het mogelijk dat een werknemer met
                        meerdere dienstbetrekkingen in hetzelfde kalenderjaar meerdere keren het
                        maximale bedrag (€ 613 in 2004) ingevolge een spaarloonregeling spaart. Meer
                        dienstbetrekkingen in één kalenderjaar kunnen voorkomen bij werknemers die
                        in het kalenderjaar van werkgever wisselen en bij werknemers die meer
                        (deeltijd)dienstbetrekkingen naast elkaar hebben. In de gevallen waarin een
                        werknemer twee of meer dienstbetrekkingen na elkaar in een kalenderjaar
                        heeft of een werknemer tegelijkertijd twee of meer dienstbetrekkingen heeft,
                        kan op dit moment bij elke dienstbetrekking tot het maximumbedrag worden
                        gespaard ingevolge de spaarloonregeling (uiteraard kan dit alleen als de
                        werkgevers van die werknemer een spaarloonregeling aanbieden). In het
                        wetsvoorstel Belastingplan 2005 stelt het Kabinet -uit overwegingen van
                        zowel bezuiniging als administratieve lastenverlichting- voor het artikel
                        31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 zodanig te
                        wijzigen, dat deze mogelijkheid van dubbel spaarloon wordt afgeschaft. In
                        dit artikel wordt de gemeentelijke "Spaarloonregeling 1997" aan deze fiscale
                        wijziging aangepast.</al><al>Richtlijnen wettelijke rente</al><al>Artikel 1 Functiewaardering met terugwerkende kracht</al><al>Uitgangspunt binnen de gemeentelijke organisatie is dat functies worden
                        gewaardeerd op het moment dat daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld bij
                        een reorganisatie of een (aanmerkelijke) verzwaring van de functie, waardoor
                        wellicht een hoger niveau aan de orde kan zijn. Vaak is echter niet
                        eenduidig het moment vast te stellen waarop de functieverzwaring is
                        ingetreden. Zorgvuldigheid vereist toch dit moment zo objectief en
                        nauwkeurig mogelijk te bepalen. Indien zulks is geschied, dient het proces
                        spoedig te worden afgewikkeld. Een termijn van maximaal zes maanden voor
                        afwikkeling van het besluitvormingsproces is nog acceptabel; langduriger
                        processen kunnen leiden tot vorderingen van wettelijke rentes. De wettelijke
                        rente wordt overigens slechts vergoed vanaf het moment waarop belanghebbende
                        daartoe de hem ten dienst staande (rechts)middelen heeft aangewend; dat wil
                        zeggen een verzoek tot uitbetaling van de wettelijke rente heeft ingediend.
                        Voor zover dit niet het geval is wordt hij –conform de jurisprudentie-
                        geacht in de ontstane situatie te hebben berust. In een dergelijke situatie
                        ontstaat dus geen recht op vergoeding van wettelijke rente.</al><al>Artikel 2 Onkostenvergoedingen</al><al>Wij zijn van mening dat een door de werknemer ingediende declaratie tot
                        vergoeding van onkosten binnen redelijke termijn betaalbaar moet worden
                        gesteld. Gelet op de administratieve procedure die verbonden is aan de
                        afwikkeling van dergelijke declaraties achten wij een termijn van drie
                        maanden, aan te vangen op de datum van ontvangst van de declaratie –die
                        uiteraard aan alle gestelde voorschriften dient te voldoen- van de werknemer
                        bij de directie waar betrokkene werkzaam is, een maximale termijn. Elke
                        betaling die deze termijn overschrijdt is in onze optiek een te late
                        betaling en de werknemer kan, mits daartoe uiteraard een verzoek is
                        ingediend en slechts vanaf het moment waarop het verzoek is ontvangen, voor
                        vergoeding van wettelijke rente in aanmerking komen.</al><al>Artikel 3 Minimaal verschuldigd bedrag</al><al>De wettelijke rente is niet verschuldigd indien het bedrag ervan bij enige
                        of laatste betaling minder dan €25 bedraagt.</al><al>Spaarloonregeling (deelname via leenconstructie)</al><al><vet>CIRCULAIRE VAN DE GKB ZOALS GEPUBLICEERD IN "PERSOONLIJK" NO 10 VAN 4
                            SEPTEMBER 1998</vet></al><al><vet>Lenen om te sparen</vet></al><al>In 1994 werd de spaarloonregeling ingevoerd voor het personeel van de
                        gemeente Nijmegen en de Stichting Uitzicht (thans WIW). De regeling is zeer
                        gunstig voor de deelnemers. Het spaarloon wordt namelijk gevormd door
                        inhouding op het brutoloon en storting op een spaarloonrekening bij de GKB.
                        Indien het maximum bedrag wordt gespaard, in 1998 is dat 139,16, kost dat
                        netto bij een Inkomstenbelasting tarief van 38,125 % 86,-- per maand. Dat
                        levert dus elke maand ruim 50,-- voordeel op. Bovendien wordt over het
                        totaal gespaarde bedrag rente vergoed. De rente over 1997 bedroeg 3,5 %.
                        Maar omdat de opname van de spaarbedragen 4 kalenderjaren geblokkeerd is
                        merk je van dat voordeel de eerste 4 jaren niets. Tegenover de vermindering
                        van het netto salaris met 86,-- per maand staan nog geen inkomsten uit
                        spaarloon.</al><al>Op dit moment doet maar 50 % van alle werknemers mee aan de
                        spaarloonregeling. Hoe lager het salaris, hoe lager het percentage
                        deelnemers. Het is niet ondenkbaar dat de (tijdelijke) verlaging van het
                        netto-inkomen daarvan de oorzaak is. </al><al>Om deze reden heeft het Georganiseerd Overleg aangedrongen op een oplossing
                        die deelname aan de regeling voor iedereen mogelijk maakt. Deze oplossing is
                        gevonden in de constructie ‘lenen om te sparen’. </al><al>Het idee en de uitvoering zijn vrij simpel. Het maandelijkse spaarbedrag
                        wordt bruto op uw salaris ingehouden. Het verschil op uw nettosalaris wordt
                        direct aangevuld door een opname op een doorlopend krediet bij de GKB. Dit
                        gaat automatisch zodat uw netto salaris hetzelfde blijft. Op deze manier
                        wordt een spaartegoed èn een leenschuld opgebouwd. Het spaartegoed stijgt
                        sneller dan de leenschuld vanwege het verschil tussen bruto en netto. Na 4
                        kalenderjaren en vervolgens elk jaar wordt het dan vrijvallende deel van het
                        spaartegoed gebruikt als aflossing op de lening.</al><al>Naast het voordelig verschil tussen bruto en netto is er nog het voordeel
                        van de fiscale aftrekbaarheid van de rente. Omdat de rente op de
                        spaarrekening onder de 1000,-- blijft behoeft hierover geen belasting te
                        worden betaald. De rente op de lening kan daarentegen wèl worden
                        afgetrokken. Het belastingvoordeel loopt op naarmate de leenschuld stijgt.
                        Zie voorbeeld.</al><al>Voorwaarde van deelname is wel dat het spaarloon wordt gestort op een
                        speciale rekening bij de GKB. Indien u het spaarloon wilt gebruiken voor
                        rechtstreekse storting bij een levensverzekeringsmaatschappij kan deze
                        constructie niet worden toegepast. </al><al>De procedure voor deelname is als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanmelding voor deze regeling gebeurt op de gebruikelijke wijze
                                via een aanmeldingsformulier bij de afdeling personeelszaken van uw
                                dienst. Deze afdeling beschikt ook over een aanvraagformulier voor
                                een (spaarloon)-krediet. </al></li><li nr="2."><al>Beide formulieren gaan ingevuld (en voorzien van een kopie
                                legitimatiebewijs) naar de GKB.</al></li><li nr="3."><al>De kredietovereenkomst wordt u ter ondertekening toegezonden. Na
                                terugontvangst wordt met de inhouding c.q. opname gestart.</al></li><li nr="4."><al>Het krediet wordt op de gebruikelijke wijze gemeld en geregistreerd
                                bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel. </al></li><li nr="5."><al>Jaarlijks ontvangt u een overzicht van de spaarloonrekening en van
                                het spaarloonkrediet. Dit overzicht kan ook tussentijds op aanvraag
                                worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Verordening op de commissie voor bezwaarschriften inzake rechtspositionele
                        besluiten</al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de wet:</vet> de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="b."><al><vet>de gemeente: </vet> de gemeente Nijmegen;</al></li><li nr="c."><al><vet>de commissie:</vet> de commissie bezwaarschriften
                                rechtspositie;</al></li><li nr="d."><al><vet>de voorzitter: </vet> de voorzitter van de commissie;</al></li><li nr="e."><al><vet>de secretaris:</vet> de secretaris van de commissie;</al></li><li nr="f."><al><vet>het bevoegd gezag:</vet> de raad, het college of de
                                burgemeester van de gemeente, ieder voor zover het zijn bevoegdheden
                                betreft; </al></li><li nr="g."><al><vet>belanghebbende:</vet> hetgeen daaronder wordt verstaan door de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 2 De commissie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ingesteld wordt een commissie, genaamd commissie bezwaarschriften
                        rechtspositie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie heeft tot taak</al><lijst><li nr="a."><al>op onafhankelijke wijze het bevoegd gezag te adviseren inzake
                                bezwaarschriften als bedoeld In de wet tegen besluiten en daarmee
                                gelijk te stellen andere handelingen van rechtspositionele aard
                                jegens een ambtenaar van de gemeente als zodanig, danwel zijn
                                nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden; en </al></li><li nr="b."><al>In dat kader enkele In de wet omschreven en in deze verordening
                                nader genoemde bevoegdheden van procedurele aard uit te oefenen.
                            </al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer een bezwaarschrift vergezeld gaat van een verzoek om vergoeding van
                        kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid van de wet, adviseert de
                        commissie eveneens over het al dan niet toekennen van die vergoeding. </al><al>Artikel 3 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden, die door het
                        college worden benoemd, geschorst en ontslagen. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De benoeming van een van de leden geschiedt op bindende voordracht van de
                        vakbonden die vertegenwoordigd zijn in de commissie voor georganiseerd
                        overleg als bedoeld in hoofdstuk 12 van de Arbeidsvoorwaardenregeling
                        Gemeente Nijmegen. Een ander lid wordt rechtstreeks benoemd door het
                        college. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De benoeming van de voorzitter geschiedt op bindende voordracht van de twee
                        andere in het vorige lid bedoelde leden. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Op gelijke wijze als in de voorgaande leden omschreven worden voor de
                        voorzitter en elk van de andere leden plaatsvervangers benoemd. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Tussen de in het tweede lid bedoelde bonden, de commissie en het college
                        vindt voorafgaand aan de vervulling van een vacature afstemming plaats over
                        een evenwichtige invulling. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De leden maken geen deel uit van een bestuursorgaan van de gemeente en zijn
                        niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van een zodanig bestuursorgaan. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>De leden beschikken over adequate en relevante juridische en bij voorkeur
                        ook bestuurlijke ervaring en deskundigheid. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De leden ontvangen een vergoeding die door de raad bij afzonderlijke
                        verordening wordt vastgesteld. </al><al>Artikel 4 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van vier jaar. Zij
                        kunnen een keer worden benoemd voor een tweede periode. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college ontslaat een lid, wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>het lid daartoe een schriftelijk verzoek bij het college heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het lid een ambt of functie heeft aanvaard die krachtens deze
                                verordening onverenigbaar is met het lidmaatschap van de commissie;
                            </al></li><li nr="c."><al>het lid naar het oordeel van het college door zijn gedragingen
                                ernstig nadeel toebrengt aan het aanzien van de commissie, of </al></li><li nr="d."><al>de commissie wordt opgeheven.</al></li></lijst><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In het geval bedoeld in het tweede lid, onder c, is het college bevoegd het
                        lid te schorsen hangende het onderzoek naar de gedragingen. De schorsing
                        duurt maximaal drie maanden. </al><al>Artikel 5 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie wordt bijgestaan door een secretaris.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De secretaris vervult zijn functie onder verantwoordelijkheid van de
                        voorzitter van de commissie.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De secretaris is een door het college aangewezen ambtenaar.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het college wijst een of meer plaatsvervangers van de secretaris aan. </al><al>Artikel 6 Het in behandeling nemen van bezwaarschriften</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het college ziet er op toe dat op een binnengekomen bezwaarschrift
                        onmiddellijk na ontvangst de datum van ontvangst wordt aangetekend en dat
                        het onverwijld ter behandeling wordt gezonden aan de commissie. Het bevoegd
                        gezag wordt eveneens onverwijld geïnformeerd door middel van toezending van
                        een afschrift. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De secretaris zendt onverwijld na kennisneming van het bezwaarschrift een
                        bericht van ontvangst aan de indiener en andere belanghebbenden. In het
                        bericht van ontvangst wordt de te volgen procedure vermeld. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bevoegd gezag doet de commissie onverwijld de voor de behandeling van
                        het bezwaarschrift vereiste stukken toekomen. </al><al>Artikel 7 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie is bevoegd om, indien een ander bestuursorgaan of een rechter
                        tot behandeling bevoegd is, met toepassing van artikel 2:3 of artikel 6:15,
                        eerste lid van de wet, bezwaarschriften door te zenden naar het bevoegde
                        bestuursorgaan of de bevoegde rechter. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie kan de voorzitter machtigen tot uitoefening van de in het
                        eerste lid genoemde bevoegdheid en de secretaris tot mededeling daarvan aan
                        de indiener. </al><al>Artikel 8 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie behandelt de bezwaarschriften als regel in een kamer van drie
                        leden, waaronder in elk geval de voorzitter of zijn plaatsvervanger. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De leden van de commissie hebben zitting in de in het vorige lid bedoelde
                        kamer volgens een door de commissie op te stellen rooster. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie is bevoegd een bezwaarschrift in handen te stellen van de
                        voorzitter ter behandeling namens de commissie. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bepaalde in deze verordening over de werkwijze en de bevoegdheden van de
                        commissie, van de voorzitter en van de secretaris is, met uitzondering van
                        voorschriften betreffende vergader- en besluitquora, van overeenkomstige
                        toepassing op de in het eerste en derde lid bedoelde wijze van behandeling
                        van een bezwaarschrift. </al><al>Artikel 9 </al><al>De commissie is bevoegd te onderzoeken of het bezwaar in der minne kan
                        worden opgelost. Zij kan partijen oproepen, zonodig onder het stellen van
                        een termijn, over een mogelijke oplossing in der minne met elkaar in overleg
                        te gaan. </al><al>Artikel 10 Vergaderingen</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie vergadert zo dikwijls haar voorzitter dit nodig oordeelt of
                        twee leden onder opgave van redenen de wens daartoe te kennen geven. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De vergaderingen worden door de voorzitter belegd. Hij zorgt dat elk lid,
                        spoedeisende gevallen uitgezonderd, ten minste acht dagen voor de aanvang
                        van de vergadering wordt opgeroepen. De te behandelen zaken worden bij de
                        oproep vermeld. </al><al>Artikel 11 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie beraadslaagt of besluit niet indien behalve de voorzitter of
                        diens plaatsvervanger, niet ten minste de helft van het aantal andere leden
                        aanwezig is. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Alle besluiten van de commissie, waaronder begrepen de vaststelling van
                        voorstellen, worden met volstrekte meerderheid van stemmen genomen. Bij
                        staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien het op grond van het eerste lid vereiste aantal leden niet is
                        opgekomen kan de voorzitter met een tussentijd van ten minste vierentwintig
                        uren een nieuwe vergadering beleggen. Op deze vergadering is het eerste lid
                        niet van toepassing. De commissie kan over andere aangelegenheden dan die
                        waarvoor de eerdere vergadering was belegd, alleen beraadslagen en besluiten
                        als ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is. </al><al>Artikel 12 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het horen van de indiener van het bezwaarschrift, van andere belanghebbenden
                        en van de vertegenwoordiger van het bevoegd gezag in de commissie kan
                        slechts plaatsvinden indien ten minste de helft van het aantal
                        commissieleden aanwezig is. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De secretaris stelt de indiener van het bezwaarschrift, andere
                        belanghebbenden en de vertegenwoordiger van het bevoegd gezag in kennis van
                        het tijdstip waarop en de plaats waar het horen plaatsvindt. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De secretaris doet degenen die bedoeld worden in het tweede lid zo spoedig
                        mogelijk toekomen de in artikel 6, derde lid bedoelde en eventuele in het
                        bezit van de commissie gekomen andere relevante stukken. </al><al>Artikel 13 </al><al>De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar, tenzij de commissie in
                        bijzondere gevallen anders besluit. </al><al>Artikel 14 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het verslag van het horen als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt de
                        namen van de aanwezige commissieleden, belanghebbenden en andere
                        uitgenodigde personen, alsmede hun hoedanigheid. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het verslag houdt ten minste een zakelijke vermelding in van hetgeen door de
                        aanwezigen naar voren is gebracht. en, voor zover van belang, van hetgeen
                        overigens in de hoorzitting is voorgevallen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk in het openbaar plaatsvond, of
                        indien belanghebbenden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                        het verslag hiervan melding.</al><al>Artikel 15 Overige bepalingen omtrent de werkwijze en de bevoegdheden van de
                        commissie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bevoegd gezag draagt zorg dat de in artikel 6, derde lid bedoelde en
                        alle andere informatie die de commissie voor de uitoefening van haar taak
                        wenselijk acht in haar geheel aan de commissie ter beschikking wordt
                        gesteld, ongeacht of deze van beleidsmatige, juridische, financiële of
                        andere aard is. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie Is bevoegd om in verband met de behandeling van het
                        bezwaarschrift, bij bestuursorganen of ambtenaren van de gemeente
                        rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen. Aan het verschaffen
                        van de informatie kan een termijn worden gesteld. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie is bevoegd vertegenwoordigers van het bevoegd gezag of
                        ambtenaren van de gemeente uit te nodigen om in de vergadering van de
                        commissie te verschijnen. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De commissie is bevoegd om in verband met de behandeling van het
                        bezwaarschrift, bij deskundigen of andere personen, geen ambtenaren van de
                        gemeente zijnde, advies of inlichtingen in te winnen. Zij kan deze personen
                        uitnodigen in de vergadering van de commissie te verschijnen. </al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De commissie is bevoegd het bevoegd gezag of ambtenaren van de gemeente te
                        vragen om indiening bij de commissie van hun schriftelijke zienswijze
                        omtrent het bezwaarschrift. Daarbij kan een termijn worden gesteld. </al><al>Artikel 16 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie is bevoegd na de in artikel 12 bedoelde hoorzitting, maar
                        voordat het advies van de commissie is vastgesteld, een nader onderzoek te
                        houden. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het kader van het nadere onderzoek kunnen een of meer nieuwe
                        hoorzittingen worden belegd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op het nadere onderzoek is het bepaalde In de hoofdstukken IV en V van
                        overeenkomstige toepassing. </al><al>Artikel 17 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie is bevoegd tot bezichtiging ter plaatse.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De bezichtiging geschiedt door de commissie in haar geheel of door een of
                        meer door de commissie uit haar midden aangewezen leden. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van plaats, dag en uur van de bezichtiging wordt mededeling gedaan aan de
                        indiener van het bezwaarschrift en andere belanghebbenden. </al><al>Artikel 18 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie oefent voor de toepassing van deze verordening de bevoegdheden
                        uit bedoeld in de artikelen 2:1, tweede lid; 6:6 voor wat betreft het aan de
                        Indiener stellen van een termijn; 6:17; 7:4, tweede tot en met achtste hfd;
                        7:6, tweede tot en met vierde lid; 7:10, derde en vierde lid van de wet. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De commissie kan aan de voorzitter mandaat verlenen tot het uitoefenen van
                        de in het eerste hfd bedoelde bevoegdheden. De commissie kan ook aan de
                        secretaris mandaat verlenen tot het uitoefenen van de in artikel 7:10 lid 3
                        genoemde bevoegdheid tot verdagen van de beslistermijn. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Besluiten als bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk
                        meegedeeld aan de indiener van het bezwaarschrift en andere belanghebbenden. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien de commissie gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om
                        belanghebbenden nlet te horen wordt dat In het advies van de commissie
                        vermeld. </al><al>Artikel 19 </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De voorzitter en, met inachtneming van de door de commissie of de voorzitter
                        te geven aanwijzingen, de secretaris, zijn belast met de voorbereiding en de
                        uitvoering van de besluiten van de commissie. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De van de commissie uitgaande stukken worden ondertekend door de voorzitter
                        en de secretaris. De commissie kan de secretaris machtigen bepaalde stukken
                        als enige te ondertekenen. </al><al>Artikel 20 </al><al>De leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een
                        bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid In het geding kan zijn. </al><al>Artikel 21 Adviezen van de commissie</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie brengt een gemotiveerd advies uit aan het bevoegd gezag,
                        vergezeld van een ontwerpbesluit. De commissie legt daarbij de op de zaak
                        betrekking hebbende stukken over aan het bevoegd gezag. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gelijktijdig met de toezending van het voorstel en het ontwerpbesluit aan
                        het bevoegd gezag worden afschriften van deze stukken toegezonden aan de
                        belanghebbenden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie brengt haar voorstel uit op een zodanig tijdstip dat het
                        bevoegd gezag binnen de daarvoor voorgeschreven termijn een beslissing kan
                        nemen. </al><al>Artikel 22 </al><al>Toelichting van een door de commissie uitgebracht advies in de vergadering
                        van het bevoegd gezag geschiedt door de voorzitter van de commissie, tenzij
                        de commissie daarvoor een ander lid aanwijst. </al><al>Artikel 23 Jaarverslag</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De commissie brengt jaarlijks een schriftelijk verslag uit over haar
                        werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het verslag bevat een verantwoording voor het gebruik van de bevoegdheden
                        van de commissie.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De commissie doet zo nodig aanbevelingen ter verhoging van de juridische
                        kwaliteit van de gemeentelijke besluiten van rechtspositionele aard. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 22 is van overeenkomstige toepassing op het geven
                        van een toelichting op het jaarverslag.</al><al>Artikel 24 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                        bezwaarschriften rechtspositie.</al></tekst></regeling-tekst><bijlage><al>Bijlage</al><al>Bijlage bezwaarprocedure voor ambtenaren</al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Als u het niet eens bent met een besluit van de werkgever dat u persoonlijk
                    treft, over een rechtspositionele kwestie of een personele aangelegenheid, dan
                    kunt u bezwaar maken.</al><al>U stuurt dan een brief naar het bestuursorgaan dat het besluit genomen heeft, of
                    namens wie het besluit is genomen: de raad, de burgemeester, maar meestal het
                    college van B &amp; W.</al><al><vet>Hoe maakt u bezwaar?</vet></al><lijst><li nr="1."><al>U stuurt een brief naar burgemeester en wethouders van Nijmegen, ter
                            attentie van de bezwarencommissie rechtspositie, afdeling BJZ (A 300),
                            van de Directie Concern. In de brief moet vermeld worden: uw naam en
                            adres, de datum en uw handtekening. Verder geeft u in de brief (het
                            bezwaarschrift) aan met welk besluit u het niet eens bent en waarom dat
                            zo is (gronden van het bezwaar). Tevens voegt u een kopie bij van het
                            besluit waar u het niet mee eens bent.</al></li><li nr="2."><al>U kunt ook iemand anders vragen als gemachtigde om namens u een
                            bezwaarschrift in te dienen, bijvoorbeeld een familielid, een
                            vakbondsbestuurder, een collega of een advocaat. B en W kunnen die
                            persoon dan vragen een machtiging over te leggen, waaruit blijkt dat hij
                            of zij namens u optreedt. In het geval dat u zich door een gemachtigde
                            laat vertegenwoordigen worden alle op de zaak betrekking hebbende
                            stukken aan de gemachtigde toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>Belangrijk: Het bezwaarschrift moet binnen <vet>zes weken</vet> nadat
                            het besluit bekend gemaakt is, worden ingediend. Deze termijn begint met
                            ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze
                            is bekendgemaakt. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend
                            bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijk op grond daarvan achterwege
                            indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in
                            verzuim is geweest. Indien het bezwaar is gericht tegen het niet nemen
                            van een besluit is het niet aan een termijn gebonden. Het bezwaarschrift
                            kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een
                            besluit te nemen. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard
                            indien het onredelijk laat is ingediend.</al></li></lijst><al><vet>Behandeling van bezwaar</vet></al><lijst><li nr="4."><al>U ontvangt een schriftelijke bevestiging van de ontvangst van uw
                            bezwaarschrift. Vervolgens gaat het bezwaarschrift naar de commissie
                            bezwaarschriften rechtspositie. Deze commissie bestaat uit drie leden:
                            een lid benoemd door de werkgever, een lid benoemd door de
                            werknemersdelegatie van het Georganiseerd Overleg en de voorzitter, die
                            door beide andere leden wordt aangewezen.</al></li><li nr="5."><al>De commissie bezwaarschriften rechtspositie stelt naar aanleiding van
                            het ingediende bezwaarschrift een onderzoek in. De directeur van uw
                            dienst wordt om een reactie (verweerschrift) gevraagd op het
                            bezwaarschrift. Dit verweerschrift krijgt u ter kennisname. Zowel u, als
                            degene die het besluit heeft genomen, worden uitgenodigd voor een
                            gemeenschappelijke hoorzitting om de standpunten toe te lichten. Het is
                            mogelijk om u hierbij te laten bijstaan door een raadsman/raadsvrouw.
                            Dat mag ook een familielid of collega zijn. De zitting is in beginsel
                            niet openbaar. Van de zitting wordt een verslag gemaakt. Van het horen
                            kan ook worden afgezien indien:</al><lijst><li nr="§"><al>het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,</al></li><li nr="§"><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is,</al></li><li nr="§"><al>de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken
                                    van het recht om te worden gehoord, of</al></li><li nr="§"><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                                    belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden
                                    geschaad.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De commissie stelt vervolgens een advies op voor B &amp; W over het te
                            nemen besluit. Dit advies en het verslag van de zitting wordt aan beide
                            partijen toegezonden.</al></li><li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders nemen een besluit op het bezwaarschrift nadat
                            zij van het advies van de commissie hebben kennis genomen. Burgemeester
                            en wethouders kunnen het advies ook naast zich neerleggen en anders
                            besluiten Dit gebeurt dan uiteraard gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>De bezwaarschriftenprocedure bij de gemeente is kostenloos.</al></li><li nr="9."><al>Tegen het besluit van B &amp; W staat weer beroep open bij de
                            arrondissementsrechtsbank in Arnhem, Sector bestuursrecht. De
                            beroepstermijn is <vet>6 weken</vet>.</al></li><li nr="10."><al>Voor meer informatie over de bezwaarschriftenprocedure inzake
                            rechtspositionele aangelegenheden verwijzen wij u naar de Verordening
                            commissie bezwaarschriften inzake rechtspositionele besluiten en de
                            Algemene wet bestuursrecht. Hiervoor kunt u in eerste instantie terecht
                            bij de personeelsfunctionaris van uw dienst.</al></li></lijst><al><vet>Voorlopige voorziening</vet></al><al>Een besluit waartegen u bezwaar hebt gemaakt, kan en mag tijdens de procedure
                    wel worden uitgevoerd. De werking van het besluit wordt dus niet geschorst. Het
                    kan zijn dat u de uitspraak op uw bezwaarschrift door het bestuursorgaan of de
                    uitspraak van de rechter niet kunt afwachten. Bijvoorbeeld omdat u daardoor in
                    financiële moeilijkheden komt. U kunt dan de president van de
                    arrondissementsrechtbank te Arnhem een voorlopige voorziening vragen. Er moet
                    dan wel, gelet op de betrokken belangen, sprake zijn van “onverwijlde spoed”.
                    Een voorlopige is bedoeld voor de periode dat er nog geen uitspraak op het door
                    u ingestelde beroep of bezwaar. Onder bepaalde voorwaarden kan de rechter bij
                    behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ook een uitspraak doen
                    over het bezwaarschrift zelf.</al><al><vet>Adressen:</vet></al><al>Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen Postbus 9105
                    6500 HG Nijmegen</al><al>Arrondissementsrechtbank Arnhem,Sector Bestuursrecht Postbus 9030 6800 EM
                    Arnhem</al><al>Bijlagen</al><al>STAAT Salariëring Gemeentepersoneel behorende bij de bezoldigingsregeling
                    2000</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 februari 2007 en 1 juni
                                        2007</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 juni 2007 en 1 juni
                                        2008</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 juni 2008 en 1 januari
                                        2011</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 januari 2011 en 1 januari
                                            2012</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 januari 2012 en 1 april
                                        2012</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 april 2012 en 1 oktober
                                        2014</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 oktober 2014 en 1 april
                                        2015</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 april 2015 en 1 januari
                                        2016</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="8*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="92*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Schaalbedragen per 1 januari 2016 en 1 januari
                                            2017</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen</al><al><vet>Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen per 1
                        januari 2016</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet> Regelnummer </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> Garantieschalen </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>3377</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3501</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3623</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3733</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3849</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3970</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>4098</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>4222</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>4341</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>4461</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4576</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4818</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4933</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>5053</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>5188</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>5487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>5637</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5935</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>6086</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>6258</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>6427</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>6595</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>6779</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>6977</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>7176</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>7375</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>7574</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>7772</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>7974</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2017, nieuwe structuur*</al><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="9*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="9*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="9*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="9*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="9*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col11" namest="col2"><al><vet>Schaal </vet></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1498</al></entry><entry colname="col3"><al>1533</al></entry><entry colname="col4"><al>1571</al></entry><entry colname="col5"><al>1616</al></entry><entry colname="col6"><al>1663</al></entry><entry colname="col7"><al>1773</al></entry><entry colname="col8"><al>1990</al></entry><entry colname="col9"><al>2277</al></entry><entry colname="col10"><al>2527</al></entry><entry colname="col11"><al>2726</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1533</al></entry><entry colname="col3"><al>1584</al></entry><entry colname="col4"><al>1636</al></entry><entry colname="col5"><al>1688</al></entry><entry colname="col6"><al>1743</al></entry><entry colname="col7"><al>1854</al></entry><entry colname="col8"><al>2073</al></entry><entry colname="col9"><al>2370</al></entry><entry colname="col10"><al>2635</al></entry><entry colname="col11"><al>2853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1570</al></entry><entry colname="col3"><al>1636</al></entry><entry colname="col4"><al>1701</al></entry><entry colname="col5"><al>1791</al></entry><entry colname="col6"><al>1821</al></entry><entry colname="col7"><al>1935</al></entry><entry colname="col8"><al>2158</al></entry><entry colname="col9"><al>2462</al></entry><entry colname="col10"><al>2743</al></entry><entry colname="col11"><al>2979</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1607</al></entry><entry colname="col3"><al>1687</al></entry><entry colname="col4"><al>1766</al></entry><entry colname="col5"><al>1832</al></entry><entry colname="col6"><al>1901</al></entry><entry colname="col7"><al>2016</al></entry><entry colname="col8"><al>2241</al></entry><entry colname="col9"><al>2554</al></entry><entry colname="col10"><al>2850</al></entry><entry colname="col11"><al>3106</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1645</al></entry><entry colname="col3"><al>1739</al></entry><entry colname="col4"><al>1831</al></entry><entry colname="col5"><al>1904</al></entry><entry colname="col6"><al>1981</al></entry><entry colname="col7"><al>2097</al></entry><entry colname="col8"><al>2326</al></entry><entry colname="col9"><al>2646</al></entry><entry colname="col10"><al>2958</al></entry><entry colname="col11"><al>3233</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1682</al></entry><entry colname="col3"><al>1790</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1977</al></entry><entry colname="col6"><al>2059</al></entry><entry colname="col7"><al>2178</al></entry><entry colname="col8"><al>2409</al></entry><entry colname="col9"><al>2739</al></entry><entry colname="col10"><al>3066</al></entry><entry colname="col11"><al>3360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1720</al></entry><entry colname="col3"><al>1841</al></entry><entry colname="col4"><al>1960</al></entry><entry colname="col5"><al>2049</al></entry><entry colname="col6"><al>2139</al></entry><entry colname="col7"><al>2258</al></entry><entry colname="col8"><al>2493</al></entry><entry colname="col9"><al>2832</al></entry><entry colname="col10"><al>3174</al></entry><entry colname="col11"><al>3487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1757</al></entry><entry colname="col3"><al>1892</al></entry><entry colname="col4"><al>2025</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2218</al></entry><entry colname="col7"><al>2339</al></entry><entry colname="col8"><al>2577</al></entry><entry colname="col9"><al>2924</al></entry><entry colname="col10"><al>3282</al></entry><entry colname="col11"><al>3614</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1795</al></entry><entry colname="col3"><al>1944</al></entry><entry colname="col4"><al>2090</al></entry><entry colname="col5"><al>2193</al></entry><entry colname="col6"><al>2297</al></entry><entry colname="col7"><al>2420</al></entry><entry colname="col8"><al>2661</al></entry><entry colname="col9"><al>3016</al></entry><entry colname="col10"><al>3389</al></entry><entry colname="col11"><al>3741</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1832</al></entry><entry colname="col3"><al>1995</al></entry><entry colname="col4"><al>2155</al></entry><entry colname="col5"><al>2265</al></entry><entry colname="col6"><al>2377</al></entry><entry colname="col7"><al>2501</al></entry><entry colname="col8"><al>2745</al></entry><entry colname="col9"><al>3108</al></entry><entry colname="col10"><al>3497</al></entry><entry colname="col11"><al>3868</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1870</al></entry><entry colname="col3"><al>2047</al></entry><entry colname="col4"><al>2220</al></entry><entry colname="col5"><al>2337</al></entry><entry colname="col6"><al>2456</al></entry><entry colname="col7"><al>2582</al></entry><entry colname="col8"><al>2829</al></entry><entry colname="col9"><al>3201</al></entry><entry colname="col10"><al>3604</al></entry><entry colname="col11"><al>3994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1907</al></entry><entry colname="col3"><al>2098</al></entry><entry colname="col4"><al>2285</al></entry><entry colname="col5"><al>2409</al></entry><entry colname="col6"><al>2535</al></entry><entry colname="col7"><al>2662</al></entry><entry colname="col8"><al>2913</al></entry><entry colname="col9"><al>3293</al></entry><entry colname="col10"><al>3712</al></entry><entry colname="col11"><al>4121</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="9*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="9*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="9*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="9*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="9*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="9*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col11" namest="col2"><al><vet>Schaal </vet></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3005</al></entry><entry colname="col3"><al>3266</al></entry><entry colname="col4"><al>3594</al></entry><entry colname="col5"><al>3923</al></entry><entry colname="col6"><al>4380</al></entry><entry colname="col7"><al>4653</al></entry><entry colname="col8"><al>5004</al></entry><entry colname="col9"><al>5358</al></entry><entry colname="col10"><al>5929</al></entry><entry colname="col11"><al>6572</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3135</al></entry><entry colname="col3"><al>3401</al></entry><entry colname="col4"><al>3730</al></entry><entry colname="col5"><al>4058</al></entry><entry colname="col6"><al>4513</al></entry><entry colname="col7"><al>4813</al></entry><entry colname="col8"><al>5189</al></entry><entry colname="col9"><al>5573</al></entry><entry colname="col10"><al>6161</al></entry><entry colname="col11"><al>6822</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3265</al></entry><entry colname="col3"><al>3536</al></entry><entry colname="col4"><al>3865</al></entry><entry colname="col5"><al>4192</al></entry><entry colname="col6"><al>4645</al></entry><entry colname="col7"><al>4973</al></entry><entry colname="col8"><al>5374</al></entry><entry colname="col9"><al>5788</al></entry><entry colname="col10"><al>6396</al></entry><entry colname="col11"><al>7071</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3395</al></entry><entry colname="col3"><al>3671</al></entry><entry colname="col4"><al>3999</al></entry><entry colname="col5"><al>4325</al></entry><entry colname="col6"><al>4777</al></entry><entry colname="col7"><al>5133</al></entry><entry colname="col8"><al>5558</al></entry><entry colname="col9"><al>6004</al></entry><entry colname="col10"><al>6626</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3525</al></entry><entry colname="col3"><al>3806</al></entry><entry colname="col4"><al>4134</al></entry><entry colname="col5"><al>4457</al></entry><entry colname="col6"><al>4910</al></entry><entry colname="col7"><al>5293</al></entry><entry colname="col8"><al>5743</al></entry><entry colname="col9"><al>6219</al></entry><entry colname="col10"><al>6858</al></entry><entry colname="col11"><al>7570</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3655</al></entry><entry colname="col3"><al>3941</al></entry><entry colname="col4"><al>4266</al></entry><entry colname="col5"><al>4590</al></entry><entry colname="col6"><al>5042</al></entry><entry colname="col7"><al>5453</al></entry><entry colname="col8"><al>5828</al></entry><entry colname="col9"><al>6435</al></entry><entry colname="col10"><al>7090</al></entry><entry colname="col11"><al>7820</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3785</al></entry><entry colname="col3"><al>4076</al></entry><entry colname="col4"><al>4399</al></entry><entry colname="col5"><al>4722</al></entry><entry colname="col6"><al>5175</al></entry><entry colname="col7"><al>5613</al></entry><entry colname="col8"><al>6113</al></entry><entry colname="col9"><al>6650</al></entry><entry colname="col10"><al>7322</al></entry><entry colname="col11"><al>8070</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>3915</al></entry><entry colname="col3"><al>4210</al></entry><entry colname="col4"><al>4531</al></entry><entry colname="col5"><al>4854</al></entry><entry colname="col6"><al>5307</al></entry><entry colname="col7"><al>5773</al></entry><entry colname="col8"><al>6298</al></entry><entry colname="col9"><al>6865</al></entry><entry colname="col10"><al>7555</al></entry><entry colname="col11"><al>8320</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4045</al></entry><entry colname="col3"><al>4342</al></entry><entry colname="col4"><al>4664</al></entry><entry colname="col5"><al>4987</al></entry><entry colname="col6"><al>5440</al></entry><entry colname="col7"><al>5933</al></entry><entry colname="col8"><al>6483</al></entry><entry colname="col9"><al>7080</al></entry><entry colname="col10"><al>7787</al></entry><entry colname="col11"><al>8569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4174</al></entry><entry colname="col3"><al>4475</al></entry><entry colname="col4"><al>4796</al></entry><entry colname="col5"><al>5119</al></entry><entry colname="col6"><al>5572</al></entry><entry colname="col7"><al>6093</al></entry><entry colname="col8"><al>6668</al></entry><entry colname="col9"><al>7296</al></entry><entry colname="col10"><al>8019</al></entry><entry colname="col11"><al>8819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4302</al></entry><entry colname="col3"><al>4607</al></entry><entry colname="col4"><al>4928</al></entry><entry colname="col5"><al>5252</al></entry><entry colname="col6"><al>5704</al></entry><entry colname="col7"><al>6253</al></entry><entry colname="col8"><al>6853</al></entry><entry colname="col9"><al>7511</al></entry><entry colname="col10"><al>8251</al></entry><entry colname="col11"><al>9068</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4430</al></entry><entry colname="col3"><al>4740</al></entry><entry colname="col4"><al>5061</al></entry><entry colname="col5"><al>5384</al></entry><entry colname="col6"><al>5837</al></entry><entry colname="col7"><al>6413</al></entry><entry colname="col8"><al>7038</al></entry><entry colname="col9"><al>7726</al></entry><entry colname="col10"><al>8484</al></entry><entry colname="col11"><al>9318</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                    per 1 januari 2016</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> jaarvergoeding </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
                                        </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 1. Aspirant manschap a </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry><entry colname="col3"><al>10,51</al></entry><entry colname="col4"><al>19,64</al></entry><entry colname="col5"><al>13,09</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry><entry colname="col3"><al>12,07</al></entry><entry colname="col4"><al>22,69</al></entry><entry colname="col5"><al>15,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry><entry colname="col3"><al>13,39</al></entry><entry colname="col4"><al>25,11</al></entry><entry colname="col5"><al>16,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 4. Bevelvoerder </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>510</al></entry><entry colname="col3"><al>16,77</al></entry><entry colname="col4"><al>31,53</al></entry><entry colname="col5"><al>21,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 5. Officier van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4019</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>40,19</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5771</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,71</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 7. Commandant van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8585</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>64,40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage IIc Gebruteerde Vergoedingsbedragen betreffende vrijwilligers bij de
                    gemeentelijke brandweer per 1 januari 2016 </al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="22*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> jaarvergoeding </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening
                                        </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 1. Aspirant manschap A </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>344</al></entry><entry colname="col3"><al>10,65</al></entry><entry colname="col4"><al>19,98</al></entry><entry colname="col5"><al>13,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>344</al></entry><entry colname="col3"><al>12,30</al></entry><entry colname="col4"><al>23,15</al></entry><entry colname="col5"><al>15,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2 </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>344</al></entry><entry colname="col3"><al>13,63</al></entry><entry colname="col4"><al>25,51</al></entry><entry colname="col5"><al>17,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 4. Bevelvoerder </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>518</al></entry><entry colname="col3"><al>17,06</al></entry><entry colname="col4"><al>32,01</al></entry><entry colname="col5"><al>21,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 5. Officier van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4096</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>40,96</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5875</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>58,75</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> 7. Commandant van dienst </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8746</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>65,55</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                    beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot
                    het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat
                    hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                    vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. </al><al>Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene
                    Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit punt
                    gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van
                    het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                    overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december
                    1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde
                    dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu
                    nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen
                    opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per
                    definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar
                    geldt bijlage 11.</al><al>Bijlage VI Vervallen</al><al>(Vervallen)</al><al>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</al><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                        signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                        aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                        onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de
                        aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze
                        uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                        diensten,</al><al>§ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie, epilepsie</al><al>§aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>§aanwezigheid van claustrofobie</al><al>§ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>§gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar</al><al>§huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al>§hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>§depressieve klachten (checklist)</al><al>§angstklachten (checklist)</al><al> Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                        van:</al><al>§ hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ recent doorgemaakt trauma</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al>§ posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>§belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                        (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige
                                        hartziekte; roken)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ
                                        (ter regulering en niet ter afkeuring):</al><al>§te hoge BMI of buikvet</al><al>§hoge bloeddruk</al><al>§diabetes mellitus</al><al>§afwijkingen ECG</al><al> Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk
                                        geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                        (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al> Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>§onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>§onvoldoende kleurenzicht</al><al>§onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>§onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>§overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                        luchtweg/longen</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>§mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                        (eczeem/atopie)</al><al>§mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ geldige inentingen</al><al>§ huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis, Difterie,
                                        Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§problemen met tillen</al><al>§huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>§problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                        (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                        (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test
                                        (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen verricht
                    om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het werk te
                    kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="§"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="§"><al> audiogram afname </al></li></lijst><al>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</al><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                        signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                        onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in het PPMO
                        zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut. Deze uitwerking is te
                        vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>§aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>§aanwezigheid van claustrofobie</al><al>§doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>§gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                        vorige keuring</al><al>§huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al>§hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>§depressieve klachten (checklist)</al><al>§angstklachten (checklist)</al><al>§hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ recent doorgemaakt trauma</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al>§ posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden
                                            in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>§belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                        (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige
                                        hartziekte; roken)</al><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ
                                        (ter regulering en niet ter afkeuring):</al><al>§te hoge BMI of buikvet</al><al>§hoge bloeddruk</al><al>§diabetes mellitus</al><al>§afwijkingen ECG</al><al> Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk
                                        geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                        (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens werk</al><al> Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>§onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>§onvoldoende kleurenzicht</al><al>§onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>§onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>§ onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden
                                            in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>§overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                        luchtweg/longen</al><al> Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>§mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                        (eczeem/atopie)</al><al>§mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar voor
                                        anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§problemen met tillen</al><al>§huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>§problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                        (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9.Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                        (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige duizeligheidsklachten</al><al> Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test
                                        (tijdens brandbestrijdingstest en brandweertraplooptest)
                                    </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>§ huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling): Is sinds de vorige keuring een
                                        nieuwe ziekte of gezondheidsklachten opgelopen die van
                                        invloed (kunnen) zijn op de uitvoering van uw werk?
                                        Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1.Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling, psychisch,
                                        bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                        urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                        tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen)</al><al>2.Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3.Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de fysieke
                                        en psychologische taakeisen</al><al>4.doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                        periode</al><al>5.doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                        periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                        gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6.doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen in
                                        afgelopen periode</al><al> Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om
                                        achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                        tonen:</al><al>§longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>§ audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><al>Toelichting CAR-UWO</al><al>1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> Het eerste lid geeft onder a een
                    begripsomschrijving van de term "ambtenaar", zoals deze voor de toepassing van
                    de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is
                    gezocht bij artikel 1, lid 1, van de Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip
                    ambtenaar volgens de Ambtenarenwet zijn de woorden "door of vanwege de
                    gemeente". Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is
                    de CAR/UWO niet op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd
                    door de Kroon en dus niet door of vanwege de gemeente. De rechtspositie van de
                    burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB. van
                    15 juni 1994, Stb. 462). De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO
                    of de Ambtenarenwet. Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld in
                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in het Rechtspositiebesluit
                    wethouders (KB. van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er tussen de wethouder en de
                    gemeente geen gezagsverhouding werkgever/werknemer bestaat, is er geen sprake
                    van een dienstverband.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Hoewel de pensioenwet per 1 januari
                    1996 is vervallen en vervangen door een privaat pensioenreglement, blijft
                    niettemin de vermelding van de pensioenwet noodzakelijk. Dit met het oog op
                    bijvoorbeeld de vaststelling van voor pensioengeldige tijd in het kader van de
                    wachtgeldregeling (hoofdstuk 10 van de CAR).</al><al><vet><cursief>Onderdeel g en h</cursief></vet> De feitelijke arbeidsduur per
                    week kan afwijken van de formele arbeidsduur per week. </al><al><vet><cursief>Onderdeel j en k</cursief></vet> Een volledig dienstverband heeft
                    een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per jaar. In deze berekening zijn
                    meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het aantal, niet jaarlijks op
                    zaterdag of zondag vallende, feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat
                    zij periodiek op een zaterdag of zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7
                    dag per jaar. De in aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld
                    per jaar 5/7 dag), 2e paasdag (7/7), Koningsdag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                    pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7) De berekening is dan als volgt:
                    365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2 uren (= 36 uren : 5) = 1836
                    uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijv. bevrijdingsdag,
                    Goede Vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de biddag voor het gewas,
                    carnavalsmaandag en/of -dinsdag, vrije dagen voor de plaatselijke kermis etc.)
                    moeten deze, op overeenkomstige wijze, in mindering worden gebracht op de in dit
                    lid genoemde maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd
                    met 7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en
                    7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet
                    zijnde een zaterdag of zondag.</al><al>Een volledig dienstverband kent een formele arbeidsduur van 36 uur per week. De
                    feitelijke arbeidsduur kan daarvan afwijken.</al><al><vet><cursief>Onderdeel n</cursief></vet> De arbeidsduur kan in de vorm van
                    werktijden zowel geheel worden vastgelegd als ook gedeeltelijk. Indien de
                    werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men bijvoorbeeld van
                    bloktijden.</al><al><vet><cursief>Onderdeel o</cursief></vet> De berekening hiervoor luidt als
                    volgt: 36 x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per maand.</al><al>Toelichting – 1:1:0:1 Arbeidsduur per jaar</al><al>Omdat in de gemeente Nijmegen ook 5 mei (5/7) en de vrijdagmiddag (3,6 uur)van
                    de Nijmeegse 4-daagse als lokale feestdagen worden beschouwd bedraagt de
                    gemiddelde arbeidsduur per jaar 1836 uur minus 8,7 uur = <vet>1827,3</vet> uur.
                    De berekening is dan als volgt: 365,25 dagen (365 dagen plus een keer per 4 jaar
                    1 dag extra i.v.m. schrikkeljaar) maal 5/7 minus 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2
                    uren (= 36 uren : 5) = 1836 uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen, moeten deze, op
                    overeenkomstige wijze, in mindering worden gebracht op de in dit lid genoemde
                    maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd met 7,2 uur
                    bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en 7,2 uur bij
                    een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet zijnde een
                    zaterdag of zondag.</al><al>Voor wat betreft de vergoeding van (over)uren voor medewerkers die op 5 mei
                    en/of op de vrijdagmiddag van de 4-daagse moeten werken geldt het volgende. Deze
                    lokale feestdagen hebben niet dezelfde status als de landelijk erkende
                    feestdagen genoemd in art. 3:2:1 lid 5, sub b in relatie met artikel 4:2:1 lid
                    3. Dat wil zeggen dat voor deze lokale feestdagen niet de vergoeding van
                    toepassing is voor de zon- en feestdagen.</al><al><vet>Extra toelichting op Sub s van artikel 1:1</vet></al><al>Er zijn 3 mogelijkheden voor een extra beloning. Op grond van artikel 15:1:28
                    kan een eenmalige beloning worden verleend. Op grond van artikel 8 van de
                    Bezoldigingsregeling kan een extra periodieke verhoging worden verleend en voor
                    degenen die op het maximum van hun schaal zitten een extra toelage.
                    Laatstgenoemde toelage is verder uitgewerkt in de functioneringstoelage.</al><al>Artikel 1:2 Geen ambtenaar (T)</al><al>Lid 1</al><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> De rechtspositie van het onderwijzend
                    personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is onder andere geregeld in
                    het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in
                    de diverse onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bij zonder onderwijs
                    is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de
                    CAR-UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als
                    werkgever op.</al><al><vet><cursief>Onderdeel b</cursief></vet> Het onderwijsondersteunend personeel
                    is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als
                    het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een
                    schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR-UWO onverkort van
                    toepassing.</al><al><vet><cursief>Onderdeel c</cursief></vet> Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de
                    burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen ambtenaar in de zin van het
                    CAR. Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente
                    werkzaam is, geldt de uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in
                    nevenfunctie - functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van
                    de burgerlijke stand.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren
                    die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn belast met de heffing en
                    invordering van gemeentelijke belastingen worden voor de toepassing van de
                    CAR-UWO niet als ambtenaar beschouwd.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f en g</cursief></vet> Gemeenten kunnen voor de
                    uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een toezichthouder is
                    volgens artikel 5:11 van de Awb: ‘Een persoon, bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’. Er zijn toezichthouders zonder
                    opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met opsporingsbevoegdheid. Aan deze
                    laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een BOAakte verleend.</al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR-UWO de
                    mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die volgens
                    wet- en regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun
                    toezichthoudende werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                    zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit artikel
                    kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid inhuren via
                    particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR-UWO krijgen gemeenten de
                    mogelijkheid om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen als
                    onbezoldigd ambtenaar zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt.
                    Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                    functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
                    hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in bezoldigde
                    dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies van parkeercontroleur en
                    APV-controleur zijn de twee uitzonderingen. Dit is geregeld in een functielijst
                    in de circulaire van het ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal
                    Rechtshandhaving, Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2
                    december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar, kenmerk
                    5324449/504 en de aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk
                    5402271/506/CBK.</al><al><vet><cursief>Onderdeel h</cursief></vet> Veelal laten gemeenten de Wet sociale
                    werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een gemeenschappelijke regeling. Gemeenten
                    kunnen er echter ook voor kiezen om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te
                    voeren en geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst te nemen.
                    In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een
                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te worden genomen. Deze
                    mensen vallen onder de CAO sociale werkvoorziening. Op grond van onderdeel h,
                    eerste zinsdeel, worden deze personen uitgezonderd van de toepassing van de
                    CAR-UWO. Hiermee wordt voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen
                    ontlenen aan de CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR-UWO. Uitzondering op
                    de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het kader van
                    begeleid werken. Zij vallen wel onder de CAR-UWO. Deze uitzondering is geregeld
                    in het tweede (en laatste zinsdeel) van onderdeel h.</al><al><vet>Onderdeel i </vet> Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één
                    arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De
                    directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding
                    van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse
                    doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet gerealiseerd
                    door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de sector-Cao. Tussen alle
                    bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat de publieke diensten de
                    sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele regeling zullen vaststellen en
                    daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
                    toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en
                    bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen.</al><al>Lid 2</al><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid kunnen
                    worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR-UWO dient er
                    overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het GO of
                    met de OR besproken moet worden is afhankelijk van de lokale
                    bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR.</al><al>Lid 3</al><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR-UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij
                    de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in
                    hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer
                    is wel ambtenaar in de zin van de CAR-UWO.</al><al>Artikel 1:2a en 1:2b Stage-werkervaringsplaats (T)</al><al>De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief
                    werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in het
                    kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is in dat
                    geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener, stagiaire en
                    opleidingsinstituut.</al><al>Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van
                    ervaring centraal en niet het verdienen van geld . Dit neemt niet weg dat er wel
                    een redelijke onkostenvergoeding wordt betaald. Wat een redelijke
                    onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers wordt lokaal in overleg met het
                    bevoegde medezeggenschapsorgaan vastgesteld.</al><al>Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure wijzen
                    op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk om als
                    wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te staan. In de
                    praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet hebben in de
                    werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te hebben op het eigen
                    leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d. moet de wep-er een zekere
                    mate van vrijheid hebben.</al><al>In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van de
                    CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook
                    (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op stagiaires
                    en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld. Zowel de stagiaire
                    als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel 1:1.</al><al>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak (T)</al><al>Gemeenten kunnen ambtenaren aanstellen vanwege de Wet banenafspraak en quotum
                    arbeidsbeperkten. Onder deze wet vallen: (1) Mensen met een WSW-indicatie; (2)
                    Wajongers met arbeidsvermogen; (3) mensen met een WIW-baan of ID-baan; (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen en die door beperkingen niet het
                    wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om de instroom van deze doelgroepen te
                    bevorderen, maakt de CAR-UWO het mogelijk om het salaris af te stemmen op de
                    verdiencapaciteit of de loonwaarde. Deze mogelijkheid is beperkt tot de
                    ambtenaren die onder de wettelijke omschrijving vallen van de doelgroepen (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen, en (2) Wajongers met
                    arbeidsvermogen.</al><al>1.De omschrijving van deze doelgroep staat in de Wet financiering sociale
                    verzekeringen, artikel 38b lid 1 sub a. In salarisschaal A is het salaris bij
                    periodiek 0 het wettelijk minimumloon en is het salaris bij periodiek 11 120%
                    van het wettelijk minimumloon. De bedragen in schaal A worden, in plaats van op
                    de salarisontwikkeling in de Cao Gemeenten, geïndexeerd op de ontwikkeling van
                    het wettelijk minimumloon en elk jaar op 1 januari bijgesteld. De actuele
                    schaalbedragen worden na goedkeuring door het LOGA gepubliceerd op
                    www.car-uwo.nl.</al><al>Artikel 1:3 Toepassing (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                    bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of groepen ambtenaren.</al><al>Voor het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een
                    collegebesluit nodig. Omdat het hier een aangelegenheid betreft die de
                    rechtspositie van ambtenaren aangaat, dient het voornemen een categorie
                    ambtenaren van de werking van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale
                    georganiseerd overleg aan de orde te zijn geweest. Vervolgens kan een
                    collegebesluit niet genomen worden dan nadat partijen in het Landelijk Overleg
                    Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van dit voornemen in kennis zijn
                    gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat op grote schaal groepen werknemers
                    van de werking van de CAR/UWO worden uitgesloten. Op deze wijze kan namelijk
                    afbreuk worden gedaan aan de bindende werking van de CAR/UWO.</al><al>Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet wenselijk is (een groep)
                    ambtenaren van de werking van de CAR/UWO - of gedeelten daarvan - uit te
                    zonderen, wordt besloten tot een verdere procedure. Het is de bedoeling dat en
                    afvaardiging van het LOGA in contact treedt niet het lokale bestuur om te
                    motieven voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens kunnen
                    LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren bestaan. Ingeval
                    het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een procedure in gang zetten, die
                    ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt verklaard.</al><al>Artikel 1:3a Toepassing (T)</al><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a."><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                            griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b."><al>het maakt duidelijk dat de CAR-UWO van toepassing is op de griffier en
                            diens ambtenaren;</al></li><li nr="c."><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van de
                            rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR-UWO op de griffier en de
                    griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder de
                    begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In de memorie
                    van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld dat de
                    rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het overige
                    gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen onder de algemene afspraken
                    die de VNG met de bonden voor de sector gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt zowel
                    voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30 mei 2002
                    geadviseerd om de lokale gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige
                    wijzigingen daarin van toepassing te laten verklaren op de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad te gebeuren omdat de raad
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al><cursief>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie.</cursief> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de uitvoering van
                    rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de griffie een zaak van de raad.
                    In de CAR-UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken over
                    het college als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de
                    griffie dient dus voor 'het college' te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                    wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met de
                    gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het uitvoeren van de CAR-UWO
                    en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan het
                    college. Zoals gebruikelijk binnen de ambtelijke organisatie, zal het college op
                    zijn beurt een groot aantal bevoegdheden hebben gemandateerd aan zijn
                    ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en mandaatbesluit. De
                    bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie, aanstelling, schorsing en
                    ontslag leent zich in het kader van het dualisme minder goed voor
                    delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                    diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel is het
                    wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden, omdat deze in
                    verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan worden aan
                    beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk, verlofverlening, het verplichten
                    tot aanvaarding van een andere functie, het beoordelen, het verplichten tot het
                    volgen van een opleiding, het opleggen van een disciplinaire maatregel en het
                    vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In het delegatiebesluit dient
                    bepaald te worden welke bevoegdheden door of namens de raad uitgevoerd worden,
                    en dus niet gedelegeerd worden aan het college. Tevens dient bepaald te worden
                    wie namens de raad de van delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden
                    uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier gemandateerd
                    worden. Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                    raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester zijn.</al><al>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies (T)</al><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht worden
                    aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare lokale regelingen.
                    Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling onbetaald verlof, de
                    bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><al>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO (T)</al><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                    bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                    netwerk. Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                    ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden
                    heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving van de
                    rechtspositieregeling.</al><al>Noot van Driessen: Het softwarepakket RAP van Driessen HRM is bij uitstek een
                    geschikt medium om uw personeel te informeren over wijzigingen in uw
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO (T)</al><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor de
                    lokale (uitvoerings)regels.</al><al>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen (T)</al><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is het
                    bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de griffier en de
                    griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de gemeenteraad voor te
                    dragen.</al><al>Artikel 1:5 Omvang van het dienstverband (T)</al><al>Bij het berekenen van de nieuwe omvang van een dienstverband of voor het
                    berekenen van verlof kunnen uren uitgerekend worden tot meerdere decimalen
                    achter de komma. Op grond van het bepaalde in artikel 1:5 moeten uren aan het
                    einde van de berekening worden afgerond tot op twee decimalen achter de komma.
                    Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen ontstaan die ongewenste
                    salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis kan het hierbij gaan om
                    tientallen euro’s. Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met
                    vier wordt afgerond naar beneden en vanaf vijf wordt afgerond naar boven.</al><al>Artikel 1:6 Vrijstelling (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om voor hogere functies van artikel 2:4 af te
                    wijken. Dit betekent onder andere dat de termijn van 24 maanden niet van
                    toepassing is. Ook geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het principe
                    dat de vierde aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook worden
                    bepaald dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt afgeweken van de
                    salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen worden opgenomen
                    die inhouden dat degene die een functie bekleedt waarbij afwijkende afspraken
                    worden gemaakt, niet behoort tot de kring van rechthebbenden op de
                    bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d. Voordat een
                    dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te zijn bereikt
                    in het georganiseerd overleg over de criteria aan de hand waarvan de functies
                    worden aangewezen en over de functies zelf.</al><al>Lid 2</al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                    tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden toegepast, uiteraard
                    onder de procedurele voorwaarden die in het eerste lid zijn aangewezen. Deze
                    mogelijkheid maakt het aantrekken van interim-personeel in gemeentelijke dienst
                    gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van de limitatieve opsomming
                    van ontslaggronden in hoofdstuk 8 en van de bovenwettelijke
                    werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d worden afgeweken. Uiteraard
                    dient elke afwijking van de CAR in ieder individueel geval bij de aanstelling te
                    worden vastgelegd, evenals de criteria op grond waarvan de te verrichten
                    prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder deze dient te worden
                    verricht.</al><al>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</al><al>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</al><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                    college, worden benoemd door het college. De griffier en de griffiemedewerkers
                    worden benoemd door de gemeenteraad.</al><al>Artikel 2:1:0:1</al><al>Aanstelling in algemene dienst komt tegemoet aan de behoefte aan flexibiliteit
                    en mobiliteit. Concreet houdt dit in dat een formele ontkoppeling plaats vindt
                    tussen aanstelling en tewerkstelling. Hiermee wordt het beginsel permanente
                    flexibiliteit verankerd. Plaatsing in een andere functie wordt daardoor voor
                    ieder personeelslid een reële optie. Op grond van artikel 15:1:10 AGN blijf men
                    echter gewaarborgd tegen willekeurige overplaatsingen. Dit artikel bepaalt o.a.
                    dat een nieuwe functie in redelijkheid moet aansluiten en passen bij zijn
                    persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten. Indien betrokkene van mening
                    is dat een functie niet passend is kan hij dat ter kennis brengen aan het
                    college dat z.s.m terzake een beslissing dient te nemen( geen opschortende
                    werking). Een overplaatsing dient gepaard te gaan met een deugdelijke
                    argumentering. Een simpele verwijzing dat men in algemene dienst is aangesteld,
                    is onvoldoende. Bij een interne overplaatsing van de ene directie naar de andere
                    directie binnen de gemeente Nijmegen dienen een aantal uitgangspunten in acht
                    genomen te worden. </al><al>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst (T)</al><al>Lid 1 </al><al>Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt geplaatst in
                    het bericht van aanstelling op te nemen (Wet van 2 december 1993, Stb. 1993,
                    635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1 UWO. </al><al>Lid 3</al><al>In de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat
                    alle ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene dienst
                    hebben. De functie van de medewerker verandert niet als gevolg van deze
                    omzetting.</al><al>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst (T)</al><al>Lid 1</al><al>In elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe
                    functie passend is. Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als formaliteit
                    worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de
                    argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden. Het belang van de dienst moet
                    de reden zijn voor de aanwijzing van een andere betrekking. Het dienstbelang is
                    hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van
                    het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met
                    objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is.</al><al>Lid 2</al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is
                    een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De
                    voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven
                    zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet – in tegenstelling tot het
                    bepaalde in het eerste lid – al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel
                    van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of
                    het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.</al><al>Lid 3</al><al>De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                    beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn
                    persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het besluit
                    niet op.</al><al>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid (T)</al><al>Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                    aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het ware de keerzijde van artikel
                    8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en
                    8:7, onderdeel a, kunnen toepassen.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten
                    werkzaamheden verrichten die een risico geven op besmetting met hepatitis B, dan
                    moet aan de werknemers, die dit risico lopen een inenting tegen hepatitis B
                    aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken personeel. In het geval
                    dat vaccinatie om principiële redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet leidt
                    tot de gewenste bescherming, moet de medewerker wel toestaan dat hij enkele
                    malen per jaar gecontroleerd wordt. Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich
                    te laten inenten. Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie
                    Iatrogene Hepatitis B.</al><al>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar uitzondering.
                    Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een aanstellingskeuring
                    op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er aan de vervulling van de
                    functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden
                    gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op de medische keuringen, die
                    sinds 1 januari 1998 van kracht is en ook voor de overheid van toepassing
                    is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg met
                    de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze functies in
                    een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling wordt opgesteld, waarin
                    criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan bepaald wordt of voor een functie en
                    aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de ondernemingsraad (OR) op grond van
                    artikel 27, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden
                    instemmingsrecht omtrent deze regeling. De lijst van functies die uit deze lijst
                    voortvloeit hoeft in dat geval niet aan de OR te worden voorgelegd. Wanneer er
                    voor gekozen wordt om niet eerst een regeling te ontwerpen, maar direct een
                    lijst op te stellen, heeft de OR instemmingsrecht wat betreft deze lijst. Het
                    verdient aanbeveling de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring
                    geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures met betrekking tot
                    dergelijke functies al in het beginstadium aan te geven dat de keuring deel
                    uitmaakt van de sollicitatieprocedure.</al><al>Het ligt voor de hand dat de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de
                    geneeskundigen van de Arbo-dienst waarbij de gemeente is aangesloten.</al><al>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling (T)</al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                    tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of
                    onbepaalde tijd plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve
                    opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen
                    bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een aanstellingsgrond
                    genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer aanwezig zijn van de
                    aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd
                    ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een aanstellingsgrond te
                    noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van
                    beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen
                    bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden
                    gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een
                    vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als
                    gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en
                    zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014, 216)</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin de
                    materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude lid 4
                    komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was geregeld. De
                    reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de maximale
                    aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde tijd is
                    vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de ‘aanstelling
                    bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien zijn betekenis verloren. Onder het
                    huidige artikel 2:4 kunnen nieuwe medewerkers nog steeds ‘op proef’ worden
                    aangesteld.</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een
                    eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en
                    waarvoor van de gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de
                    kennis in huis heeft.</al><al>Zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, zijn de ketenbepalingen in
                    artikel 2:4 niet van toepassing op aanstellingen in verband met een
                    beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Het met ingang van 1 juli 2015 geldende
                    vierde lid regelt de arbeidsrechtelijke gevolgen van opeenvolgende
                    dienstverbanden die een medewerker heeft met verschillende werkgevers (zoals
                    uitzendbureaus, payroll bedrijven of detacheringsbureaus), waarbij deze
                    medewerker binnen dezelfde organisatie feitelijk of in hoofdzaak dezelfde
                    werkzaamheden blijft verrichten, voor rekening komen van de (opvolgende)
                    werkgever bij overschrijding van de grenzen genoemd in het tweede of derde lid.
                    E.e.a. heeft – behoudens voorafgaande detachering in dezelfde functie - geen
                    betrekking op de situatie waarin een ambtenaar bij gemeente A uit dienst gaat om
                    vervolgens bij gemeente B in dienst te treden.</al><al>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling (T)</al><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten. De Wet
                    van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese
                    Gemeenschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn
                    arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) stelt regels terzake.
                    In deze wet wordt bepaald dal de overheidswerkgever verplicht is de werknemer
                    een schriftelijke opgave te doen van:</al><lijst><li nr="§"><al>de identiteit van de werkgever;</al></li><li nr="§"><al>de naam en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="§"><al>de functie van de werknemer;</al></li><li nr="§"><al>de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="§"><al>de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien deze voor
                            bepaalde duur wordt aangegaan;</al></li><li nr="§"><al>de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                            aanspraak;</al></li><li nr="§"><al>de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen
                            ontslag- respectievelijk opzegtermijnen;</al></li><li nr="§"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="§"><al>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="§"><al>het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift, houdende
                            regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al></li></lijst><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover. Het
                    derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald dat
                    wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur kosteloos aan de werknemer wordt
                    medegedeeld. De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het
                    algemeen een aanstelling in algemene dienst niet in de weg. Gedetailleerde
                    functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                    aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                    aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van aanstelling) is
                    namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie ook
                    artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in artikel 2:4:1, eerste lid,
                    onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat voor deze
                    categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de CAR niet van
                    toepassing zijn. Het aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen voor de
                    rechtspositie van deze medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al><al>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst (T)</al><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                    tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een arbeidsovereenkomst
                    uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst naar
                    burgerlijk recht aan te gaan in het geval van oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een werkgever geen
                    onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de medewerker in tijdelijke
                    dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is
                    (legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit). Voor de beoordeling bij de
                    vraag of er sprake is van gelijke behandeling is een vergelijkbare medewerker in
                    vaste dienst het ijkpunt. Met een vergelijkbare medewerker in vaste dienst wordt
                    de medewerker bedoeld die in dezelfde organisatie, hetzelfde of soortgelijk werk
                    verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening
                    wordt gehouden met kwalificaties en bekwaamheden.</al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in artikel
                    125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van toepassing op
                    arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van de Ambtenarenwet van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers met wie de gemeente een
                    tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten.</al><al>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst (T)</al><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met 2:4:2
                    van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen uit artikel
                    2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder meer dat het bij
                    de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is geweest van een
                    opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan wel van een
                    combinatie daarvan.</al><al>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</al><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                    minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren wordt per kwartaal
                    bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één maand ertoe kunnen leiden
                    dat in de volgende maand (binnen datzelfde kwartaal) minder dan 15 uur hoeft te
                    worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur is gewerkt als over de
                    dan minder dan 15 uur is gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald.
                    Slechts wanneer over een kwartaal meer dan 15 uur per maand gemiddeld is
                    gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de LOGA-brief van 6 mei 1994,
                    kenmerk ARZ/403483.</al><al>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst (T)</al><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                    werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar dit
                    artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid - om de andere
                    essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer maken tot een
                    arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen verplichtingen op zich en verkrijgen
                    rechten ten opzichte van elkaar. In onderdeel f is aangegeven dat ingeval de
                    oproepkracht herhaalde malen weigert aan een oproep door de werkgever gehoor te
                    geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot ontslag op grond
                    van artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat het
                    aantal malen dat de oproepkracht gedurende een bepaald tijdvak een oproep kan
                    weigeren in de overeenkomst is vastgelegd. Wederzijds is dus geen sprake van
                    vrijblijvendheid.</al><al>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht (T)</al><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur per
                    maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als
                    de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing
                    is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze
                    loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden
                    opgenomen. De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het
                    inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.</al><al>Artikel 2:6 Overgangsrecht (T)</al><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4
                    (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                    aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na
                    het einde van de laatste aanstelling.</al><al>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur (T)</al><al>De Wet flexibel werken (Stb. 2015, 245 en latere wijzigingen in Stb. 2015, 376
                    en Stb. 2015, 274) is de opvolger van de Wet aanpassing arbeidsduur. De wet is
                    direct van toepassing op medewerkers (ambtenaren en arbeidscontractanten) van de
                    gemeente. Als de ambtenaar een verzoek indient zal dit verzoek moeten worden
                    afgehandeld met inachtneming van de (procedurele) bepalingen uit de Wet flexibel
                    werken.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Als een medewerker verzoekt om aanpassing van de arbeidsduur of werktijden moet
                    de werkgever dit verzoek honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. De Wet flexibel werken geeft
                    voorbeelden van situaties die – afhankelijk van het soort verzoek – vallen onder
                    de noemer zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.</al><al>Lid 3</al><al>Als een ambtenaar een verzoek doet tot aanpassing van de werkplaats
                    (thuiswerken/plaats onafhankelijk werken), moet dit verzoek worden overwogen
                    door het college. Voor het afwijzen van het verzoek tot wijziging van de
                    arbeidsplaats is niet vereist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang.</al><al>Lid 4</al><al>In de Wet flexibel werken is opgenomen dat de wet niet van toepassing is ten
                    aanzien van de aanpassing van de arbeidsduur van de ambtenaar die de
                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een medewerker die de AOW-gerechtigde
                    leeftijd heeft bereikt, heeft daarom op grond van de Wet flexibel werken geen
                    recht op vermindering of uitbreiding van zijn uren, maar hij kan op grond van
                    deze wet wel een verzoek doen tot aanpassing van de arbeidsplaats of (spreiding
                    van de) werktijden.</al><al>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen
                    periode de formele arbeidsduur per week van een ambtenaar van 36 naar maximaal
                    40 uur uitbreiden. Instemming van de ambtenaar is hierbij vereist. De periode
                    waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                    verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                    structureel op maximaal 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per week blijft
                    liggen. Hierop wordt voor de betreffende medewerker in het jaar waarin de
                    uitbreiding zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat om een tijdelijke
                    uitbreiding van gemiddeld maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde
                    periode weer van rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12, tweede lid). De regeling
                    betekent niet dat de aanstelling zelf verandert. Als de omvang van de
                    aanstelling na de bepaalde periode teruggaat naar 36 uur behoudt de betrokkene
                    derhalve een volledig dienstverband en wordt hij geen deeltijder.</al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toelagen, premies
                    inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht
                    loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage, bodembedrag van de
                    eindejaarsuitkering en vakantieaanspraken evenredig worden aangepast gedurende
                    de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al>Lid 2</al><al>Onderdeel 8: Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur
                    kunnen niet gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren worden
                    gekocht.</al><al>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</al><al>Preambule</al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2013-2015 hebben partijen in het LOGA afspraken
                    gemaakt over een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk, dat in werking is getreden
                    op 1 januari 2016. De belangrijkste veranderingen waartoe het LOGA heeft
                    besloten zijn: Het integreren van de lokale bezoldigingsverordening in hoofdstuk
                    3 van de CAR; Het niet langer hanteren van het begrip bezoldiging; en Het laten
                    vervallen van gedetailleerde aanwijzingen voor de uitvoering. In het nieuwe
                    begrip ‘salaristoelagen’ worden de toelagen opgesomd, die samen met het salaris
                    tot 1 januari 2016 de oude ‘bezoldiging’ vormden. Met de introductie van
                    ‘salaristoelagen’, kon afscheid worden genomen van het begrip ‘bezoldiging’,
                    zonder dat de daaraan verbonden rechten en verplichtingen teniet zijn gegaan. De
                    begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt, zijn in artikel 1:1 nader
                    omschreven.</al><al>Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten
                    nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Hoofdstuk 3 bevat
                    een limitatieve opsomming van beloningselementen. Alleen ten aanzien van die
                    onderdelen waarbij in de tekst van dit hoofdstuk is bepaald dat het college iets
                    ‘kan’, heeft het college regelruimte. Daarbij gaat het zowel om de zogenaamde
                    ‘kan-bepalingen’, als de lokale invulling van een op centraal niveau afgesproken
                    ‘bandbreedte’. Bij de kan-bepalingen (artikelen 3:14, 3:15, 3:20 en 3:22) heeft
                    het college de vrijheid om de betreffende arbeidsvoorwaarde al dan niet toe te
                    passen (de ambtenaar kan er dus niet zondermeer rechten aan ontlenen) en áls dat
                    het geval is, op welke wijze dat gebeurt. Daarnaast bevat dit hoofdstuk
                    ‘bandbreedte-bepalingen’, waar de ambtenaar wél rechten aan kan ontlenen. Ten
                    aanzien van de bandbreedte-bepalingen hebben LOGA-partijen een bandbreedte
                    afgesproken, die op lokaal niveau nader kan worden ingevuld. Zo is bijvoorbeeld
                    in artikel 3:8 met betrekking tot de functioneringstoelage geregeld dat deze
                    maximaal 10% van het salaris bedraagt en voor een periode van maximaal een jaar
                    wordt toegekend. Deze twee indicatoren voor de omvang van de
                    functioneringstoelage, bepalen de ‘bandbreedte’ die in het lokale
                    beloningsbeleid nader kunnen worden ingevuld.</al><al>De keuze voor het toepassen van ‘kan bepalingen’ en de nadere invulling van de
                    ‘bandbreedte bepalingen’, vormen samen met de bestaande beleidsregels met
                    betrekking tot de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk, het
                    beloningsbeleid van de gemeente(lijke organisatie). Afspraken over het
                    beloningsbeleid worden op werkgeversniveau gemaakt. Deze afspraken behoeven de
                    instemming van het lokale Georganiseerd Overleg (GO).</al><al>Uitgangspunt van het beloningsbeleid is dat alle gemeenten een
                    functiewaarderingssysteem hebben, aan de hand waarvan de functies worden
                    beschreven. Gemeenten zijn vrij in de keuze van een functiewaarderingssysteem.
                    In die organisaties waarin naast of in plaats van ‘functies’ wordt gesproken
                    over ‘rollen’, worden die rollen overeenkomstig een functiewaarderingssysteem
                    beschreven.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is de oude salarisregeling die gold tot 1 april
                    1996 komen te vervallen. Ambtenaren op wie deze regeling nog van toepassing was,
                    zijn uiterlijk per 1 januari 2016 ingepast in de nieuwe structuur.</al><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en uitkeringen
                    (T)</al><al>Lid 1</al><al>In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                    worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of
                    psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De artikelen
                    7:13:1 en 7:13:2 vormen een nadere uitwerking van lid 1 in gevallen van
                    arbeidsongeschiktheid.</al><al>Lid 2</al><al>De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.</al><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris (T) </al><al>Lid 1</al><al>Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering van
                    de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze waarop het
                    salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden uitgewerkt.
                    Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen; bijvoorbeeld op
                    junior-, medior- of senior-niveau. In dat geval gaat het om drie te
                    onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal. Uitgangspunt is dat de
                    functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit dit artikel vloeit echter
                    niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de functie noodzakelijkerwijs op het
                    minimum van de salarisschaal dient te worden ingeschaald. Het college kan
                    hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige
                    functie een hoger salaris genoot of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft.</al><al>Lid 2</al><al>Deze lagere schaal, die lokaal ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’, is
                    bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd voor de
                    functie waarin zij zijn geplaatst. De periode die de ambtenaar in deze
                    aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de voor de
                    functie gelden eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid, zodat
                    de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld. Zodra dit het geval is
                    dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de functie geldende
                    functieschaal.</al><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging (T)</al><al>Lid 2</al><al>Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het toekennen
                    van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke beoordeling van het
                    functioneren van de ambtenaar. De invoering en het gebruik van een systeem van
                    periodieke functionerings- en beoordelingsgesprekken vereist de instemming van
                    de OR.</al><al>Lid 3</al><al>Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De
                    toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een
                    blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van
                    artikel 3:8 en 3:20.</al><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal (T)</al><al>Lid 1</al><al>Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die leidt
                    tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van degene
                    die op het moment van herwaardering de functie vervult.</al><al>Lid 2</al><al>Instemming met herplaatsing in lager gewaardeerde functie met een bijbehorend
                    lager salaris, bij de eigen werkgever of een andere werkgever in de
                    gemeentelijke sector, heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de
                    aow-gerechtigde leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende aanstellingsomvang,
                    geen gevolgen voor de pensioenopbouw. Een en ander is geregeld in artikel 3:5
                    van het Pensioenreglement.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van reorganisatie
                    boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1 geformuleerde uitgangspunt
                    is mogelijk in de gevallen waarin het sociaalplan of –statuut voorziet in de
                    mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in een functie met een lager
                    maximumsalaris en een evenredige aanpassing van zijn salaris.</al><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal (T)</al><al>Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde functie,
                    als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3:3 lid 2) naar
                    de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze bepaling kan op
                    werkgeversniveau worden geregeld, waarbij het geldende beloningsbeleid als
                    uitgangspunt dient.</al><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal (T)</al><al>Uitloopschalen zijn uitsluitend toegestaan op basis van een ‘oude’ lokale
                    regeling (in werking voor 1 januari 2016) en conform deze regeling. Indien de
                    doorgroei in een uitloopschaal lokaal blijvend is geregeld, staat deze ook open
                    voor ambtenaren die op of na 1 januari 2016 in dienst zijn gekomen.</al><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage (T) </al><al>Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend
                    functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke
                    voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn
                    functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het
                    functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel 3:4
                    lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3:20. Deze toelage heeft altijd
                    een tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het maximumsalaris
                    en de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze koppeling te
                    vervallen (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als gevolg van
                    herwaardering hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de
                    functioneringstoelage.</al><al>De functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3:20
                    beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties). Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd gaat om
                    tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties, uitstekend
                    functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers. Dit in
                    tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die
                    structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het
                    maximum van de salarisschaal bereikt.</al><al>Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond waarop de
                    toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan deze meerdere
                    keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen of de grond waarop
                    de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in het toekenningsbesluit
                    expliciet worden vermeld.</al><al>Lid 3</al><al>De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per
                    maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal of
                    op jaarbasis).</al><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage (T)</al><al>De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden
                    gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op de
                    arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of doordat
                    in de er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om gewenning
                    aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te voorkomen, kan het
                    college besluiten om deze toelage in plaats van maandelijks, één maal per jaar
                    uit te keren. Zolang de knelpunten op de arbeidsmarkt voortduren, kan de
                    arbeidsmarkttoelage aansluiten worden toegekend voor een nieuwe periode van
                    maximaal 3 jaar.</al><al>Artikel 3.1.2.0</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ingevolge dit lid ontvangt de ambtenaar die een andere betrekking volledig
                    waarneemt een vergoeding indien voor die betrekking een hogere schaal geldt. Het
                    is vaak moeilijk vast te stellen of een waarneming volledig is. In de praktijk
                    verdient het aanbeveling om met een globale benadering te volstaan. Zie ook het
                    vijfde lid van dit artikel waarin is bepaald dat geen vergoeding wordt verleend
                    aan ambtenaren voor wie krachtens de aanstelling een bijzondere regeling is
                    getroffen. Zie eveneens de toelichting bij dit artikel. Nadere uitgangspunten
                    voor dit artikel zijn uitgewerkt in Waarneming (nadere uitgangspunten) in de
                    “Lokale regelingen”.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De waarnemingstoelage bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode van
                    waarneming. Niet alle ambtenaren die krachtens een daartoe door het college
                    verstrekte opdracht een betrekking waarnemen waarvoor een hogere schaal geldt,
                    kunnen aanspraak maken op een waarnemingstoelage. Vanaf een bepaalde
                    salarisschaal moet de waarneming ten minste 20 volle werkdagen, in zes
                    aaneengesloten weken, hebben geduurd. Het college dient een besluit te nemen
                    voor welke salarisschaal dit geldt. In de gemeente Nijmegen is dat schaal
                    4.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Een bijzondere regeling kan bijvoorbeeld gelden voor de functie van waarnemend
                    hoofd. Uit de aard van de functie volgt dat de persoon die deze functie vervult,
                    het hoofd vervangt bij afwezigheid. In voorkomend geval ontvangt het waarnemend
                    hoofd uit dit voorbeeld geen waarnemingstoelage.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de ambtenaar de
                    functie niet volledig waarneemt. Het college kan voor een dergelijke situatie
                    een vergoeding toekennen.</al><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de bijzondere
                    regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4:3 t/m 4:7). Voor deze
                    ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de toelage onregelmatige
                    dienst bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige werktijden. Onregelmatig
                    zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en feestdagen(gehele etmaal) én
                    op maandag t/m vrijdag buiten de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur.</al><al>De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het
                    gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster) worden
                    toegekend.</al><al>Lid 3</al><al>Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke
                    arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1:1 en vallen op die grond buiten de
                    definitie van ‘overwerk’.</al><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage (T)</al><al>Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de
                    buitendagvenstertoelage:</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster werkzaamheden te
                            verrichten (artikel 4:2 lid 8) heeft recht op een
                            buitendagvenstertoelage.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die door de werkgever wordt aangewezen om beschikbaarheidsdiensten te
                            verrichten ontvangt hiervoor een vergoeding op grond van artikel 3:13.
                            Wordt de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om
                            daadwerkelijk werkzaamheden te verrichten gedurende zijn
                            beschikbaarheidsdienst dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over
                            de uren die hij heeft gewerkt buiten het dagvenster.</al></li></lijst><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                    uurloon. Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd
                    gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. De
                    uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet omgezet worden in
                    vakantieverlof.</al><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst (T) </al><al>Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de voor de
                    ambtenaar geldende werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die recht
                    geeft op een toelage is sprake als het gaat om:</al><lijst><li nr="§"><al>afgebakende periodes, </al></li><li nr="§"><al> buiten de normale, voor de ambtenaar geldende werktijden, </al></li><li nr="§"><al>waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep
                            werkzaamheden te verrichten.</al></li></lijst><al>Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er altijd
                    rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat men zelden
                    of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de ICT-medewerker die
                    ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten, of een
                    beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet beantwoorden. Hierbij
                    gaat het om incidenten die bij het werk horen. De beschikbaarheidsdienst is voor
                    onvoorziene maar niet-incidentele werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet
                    ook regels voor de beschikbaarheidsdienst. Deze kan op grond van artikel 5:9 van
                    de Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes
                    worden opgelegd.</al><al>Buiten de normale voor de ambtenaar geldende werktijden: In sommige functies is
                    de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor onvoorziene
                    omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van beschikbaarheidsdienst in de
                    zin van dit artikel.</al><al>Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is verplicht
                    om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten. Het is niet
                    noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden verricht; in
                    voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis worden
                    verricht.</al><al>Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar tijdens
                    deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe – werkzaamheden heeft
                    verricht, geldt het volgende:</al><lijst><li nr="§"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden,
                            ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het
                            dagvenster vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel
                            3:12. </al></li><li nr="§"><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                            heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een
                            overwerkvergoeding op grond van artikel 3:18.</al></li></lijst><al>Artikel 3:15 Garantietoelage (T)</al><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden
                    toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                    functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere
                    salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op
                    salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage
                    overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze
                    bepaling.</al><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage (T)</al><al>Lid 1</al><al>De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen en
                    niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde uitkeringen, vergoedingen of vormen
                    van variabele beloning.</al><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam (T)</al><al>Lid 1</al><al>Tot de genoemde taken worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen
                    gerekend.</al><al>Lid 2</al><al>Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet
                    cumuleert.</al><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding (T)</al><al>Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie de
                    bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor de
                    werktijden staat in de artikelen 4:3 tot en met 4:7.</al><al>Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren.
                    Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar
                    op een woensdag van 11:00 tot 16:00 uur moet overwerken, krijgt voor de op die
                    woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.</al><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering (T)</al><al>Lid 2</al><al>De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf januari van dat
                    jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet een geheel
                    kalenderjaar in dienst zijn, wordt een eindejaarsuitkering betaald over dat
                    gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn
                    geweest.</al><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
                    (T)</al><al>Artikel 3:20 is een ‘kan-bepaling’, op basis waarvan lokaal een regeling kan
                    worden opgesteld. LOGA-partijen hebben hiermee een mogelijkheid gemaakt om
                    lokaal beleid voor bijzondere prestaties of gratificaties onder te kunnen
                    brengen in hoofdstuk 3. Ambtenaren kunnen aan artikel 3:20 zelf geen rechten
                    ontlenen; dat kan alleen als een lokale regeling de mogelijkheid daartoe bevat.
                    Aan een lokale gratificatieregeling kunnen medewerkers geen aanspraak ontlenen
                    van structurele aard. Het moet echt gaan om eenmalige en bijzondere
                    gebeurtenissen.</al><al>Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3:8. Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het college
                    bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige)
                    inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in tegenstelling tot het toekennen
                    van extra periodieken (art. 3:4 lid 3) die structureel van karakter zijn, en tot
                    gevolg hebben dat de ambtenaar sneller het maximum van de salarisschaal bereikt.
                    Het tijdelijke karakter van de beloningselementen voorkomt dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen, en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3:8 en 3:20 gaat
                    het dan ook nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en incidentele
                    beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend kunnen worden
                    toegekend. Desgewenst kan het college besluiten om het geldbedrag in meerdere
                    termijnen uit te keren.</al><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding (T)</al><al>Het college stelt de regeling vast op grond waarvan deze kosten worden vergoed.
                    Met inachtneming van de aangegeven begrenzing van de vergoeding OV (2e klasse),
                    kan voor vergoeding van de overige kosten desgewenst de ‘Reisregeling
                    binnenland’(BZK) worden toegepast.</al><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en door de
                    dienst (T)</al><al>Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de
                    dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de
                    overlijdensuitkering van artikel 3:23.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelagen en de vakantietoelage, waarbij de 12 kalendermaanden direct
                    voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode dient.</al><al>Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort
                    o.g.v.artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op de hoogte van de
                    overlijdensuitkering. Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook
                    bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode.</al><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering (T)</al><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                    ziektekosten, namelijk € 168 per jaar of € 296 per jaar. De maand december is de
                    peildatum voor de beoordeling of de ambtenaar de lage of de hoge tegemoetkoming
                    in de ziektekosten ontvangt. In de maand december wordt het salaris van de
                    ambtenaar in die maand vergeleken met het in december geldende bedrag van het
                    maximum van schaal 6. Is het salaris van de ambtenaar in december meer dan het
                    maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de lage tegemoetkoming. Is het salaris
                    van de ambtenaar in december gelijk aan of minder dan het maximum van schaal 6,
                    dan ontvangt hij de hoge tegemoetkoming.</al><al>Artikel 3.2.1.1</al><al>Voor ambtenaren die zijn ingedeeld in een salarisschaal vanaf schaal 12 wordt
                    verwacht dat een zekere mate van overwerk onderdeel uitmaakt van de aard van de
                    functie. Daarom wordt deze groep ambtenaren voor de overwerkvergoeding
                    uitgesloten. </al><al>Daarnaast is in dit artikel een aanvullende bepaling opgenomen voor ambtenaren
                    die zijn ingedeeld in een consignatiedienst voor de gladheidbestrijding. Bij het
                    verrichten van effectieve werkzaamheden tijdens een consignatiedienst, kan men
                    naast de vergoeding op grond van de artikelen 3:18 ook in aanmerking komen voor
                    een aanvullende vergoeding. Hierbij wordt verwezen naar de regeling vergoeding
                    voor gladheidbestrijders.”</al><al>Artikel 3:5:1:0</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum komt in aanmerking de al of
                    niet aansluitende tijd, doorgebracht in een betrekking bij de overheid (voltijd
                    en/of deeltijd). Het maakt daarbij niet uit of het een aanstelling of een
                    arbeidsovereenkomst is. De nadere vaststelling van het begrip overheid is
                    geschied in de vorm van een regeling. Zie Regeling vaststelling van diensttijden
                    jubileum in overheidsdienst bij “Lokale regelingen”. De
                    ambtsjubileumgratificaties zijn niet in alle gevallen onbelast. Het is raadzaam
                    hierover ruggespraak te houden met het salarisbureau of de belastingdienst.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                    reorganisatieontslag, bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80% of
                    meer en bij ontslag wegens pré-VUT en FPU, voor zover dit volledig ontslag
                    betreft. Van deze ontslaggronden is alleen ontslag op grond van artikel 8:4
                    gedeeltelijk mogelijk. Alleen in deze situatie kan het dus voorkomen dat een
                    proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet worden naar rato van het
                    aantal uren waarvoor ontslag is verleend.</al><al>Overgangsrecht hoofdstuk 3 (T)</al><al><cursief><onderstreept>1a Bestaande garantietoelage en
                            afbouwtoelagen</onderstreept></cursief></al><al>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die
                    naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de
                    betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris
                    of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen,
                    niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met
                    andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in
                    de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit
                    overgangsrecht.</al><al>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari
                    2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de
                    voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden
                    bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing
                    blijven.</al><al><cursief><onderstreept>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke overeengekomen
                            einddatum</onderstreept></cursief></al><al>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond
                    omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag
                    en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld,
                    maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
                    worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de
                    toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de
                    einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald
                    schriftelijk is vastgelegd in een besluit.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                    gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt
                    aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage
                    gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de
                    TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in
                    een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde
                    einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde
                    einddatum.</al><al><cursief><onderstreept>3.</onderstreept></cursief></al><al>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk
                    3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><al><cursief><onderstreept>4.</onderstreept></cursief></al><al>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de <onderstreept>grondslag van de
                        vakantietoelage</onderstreept> meer beloningselementen (inclusief
                    emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij
                    het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij
                    gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te
                    vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van
                    nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.</al><al>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan
                    het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is.
                    Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
                    Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de
                    tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom
                    afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                    compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                    aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband
                    ongewijzigd bestaan. </al><al>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten
                    toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd
                    achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is
                    een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld
                    een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat
                    deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of
                    toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En
                    niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen
                    bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is
                    dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan
                    onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is
                    gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.</al><al>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het
                    nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag
                    dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt
                    daarmee de TOR 2 gevuld.</al><al>Geen roosters </al><al>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de
                    berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA
                    afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt
                    gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat
                    de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op
                    basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend
                    met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de
                    hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de
                    ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om
                    ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het
                    overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt
                    geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden
                    toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe
                    medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele
                    kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                    alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                    overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het
                    oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat
                    die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige
                    ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk
                    of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                    refertetijdvak vastgesteld. </al><al>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de
                    bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als
                    medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de
                    TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
                    gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het
                    overgangsrecht. </al><al>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd
                    dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze
                    vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                    invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan</al><al>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker
                    en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het
                    om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
                    betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde
                    werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren. </al><al><cursief><onderstreept>5.</onderstreept></cursief></al><al>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief
                    verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen
                    ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot
                    een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (- Euro 200) = Euro
                    100-. </al><al>De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is
                    geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage
                    of levensloopbijdrage.</al><al><cursief><onderstreept>6.</onderstreept></cursief></al><al>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                    medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door
                    promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet
                    verrekend met de TOR van de medewerker. </al><al><cursief><onderstreept>7.</onderstreept></cursief></al><al>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                    uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld
                    omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een
                    uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13)
                    afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
                    niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat
                    als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                    enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
                    gemaakt.</al><al><cursief><onderstreept>8.</onderstreept></cursief></al><al>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt
                    het bedrag naar rato verlaagd.</al><al><cursief><onderstreept>10.</onderstreept></cursief></al><al>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR
                    daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><al><cursief><onderstreept>11.</onderstreept></cursief></al><al>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato,
                    behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt
                    verhoogd. </al><al><cursief><onderstreept>12.</onderstreept></cursief></al><al>Zie punt 8.</al><al><cursief><onderstreept>13.</onderstreept></cursief></al><al>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de
                    afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
                    ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze
                    ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook
                    dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                    relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de
                    gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op
                    individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende
                    artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.</al><al>4 Arbeidsduur en werktijden</al><al>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden (T)</al><al>In hoofdstuk 4 zijn regels over de werktijden vastgelegd. Dit laat onverlet dat
                    ook op lokaal niveau een werktijdenregeling moet worden vastgesteld in overleg
                    met de OR. In deze regeling kunnen aanvullende regels gesteld worden die recht
                    doen aan de lokale situatie. Voorbeelden daarvan zijn bloktijden, openingstijden
                    van het kantoorpand etc.</al><al>§ 1 Standaardregeling voor de werktijden (T)</al><al>LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over flexibilisering
                    van de werktijden, aansluitend bij de behoefte van werkgevers en werknemers. De
                    standaardregeling is de norm, de bijzondere regeling de uitzondering.
                    Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft
                    bij het bepalen van zijn werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn
                    van volledige zeggenschap van de ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de
                    gezagsverhouding die de relatie werkgever en werknemer typeert. De ambtenaar
                    heeft een zekere vrijheid in het in het bepalen van zijn werktijden. De ene dag
                    werkt hij meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert hij door op
                    een ander moment minder te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar
                    verlangen dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit
                    bij de uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de
                    standaardregeling.</al><al>Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap. De leidinggevende
                    geeft ruimte en vertrouwen, de medewerker draagt een grote professionele
                    verantwoordelijkheid. De OR heeft in dit proces een belangrijke rol; zij
                    monitort of het proces rondom het individueel vaststellen van de werktijden goed
                    verloopt binnen de organisatie en past binnen de kaders van de
                    werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het geval is kan de OR
                    verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan bijvoorbeeld zijn dat alle
                    medewerkers van een afdeling, vanwege terugkerende problemen rondom de
                    werktijden, onder de bijzondere regeling geplaatst worden, tijdelijk of voor
                    onbepaalde tijd.</al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van
                    zeggenschap van de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste
                    roosterdienst gewerkt wordt, dan kan de standaardregeling niet meer van
                    toepassing zijn. In dat geval worden de werktijden eenzijdig vastgesteld door
                    het college en geldt de bijzondere regeling van artikel 4:3 en verder.
                    Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie
                    beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders,
                    vallen niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als
                    deze medewerkers (enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere
                    werktijden dan vallen ook zij onder de standaardregeling. Ook het werken in
                    roosters heeft niet per definitie tot gevolg dat medewerkers onder de bijzondere
                    regeling van de werktijden vallen.</al><al>Indien de gemeente gebruik maakt van een systeem van zelfroostering, waardoor
                    medewerkers zeggenschap krijgen over hun werktijden, dan geldt ook voor deze
                    medewerkers de standaardregeling. De bijzondere regeling is uitsluitend van
                    toepassing op medewerkers die (vrijwel) geen zeggenschap hebben over hun
                    werktijden.</al><al>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden (T)</al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet> De standaardregeling heeft als
                    uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn leidinggevende afspraken maakt over
                    invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de
                    standaardregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt
                    opgesteld in overleg met de leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de
                    ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de
                    “control” los. Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de
                    medewerker. De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed
                    ambtenaar betaamt moeten invullen.</al><al>Lid 3, 4, 5, 6 en 7 </al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende
                    afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn
                    werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de
                    ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat
                    uiteindelijk niet lukt dan stelt het college eenzijdig de werktijden vast, maar
                    dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In die situatie valt
                    de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is onwenselijk dat binnen een
                    afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden. Toch kan dit voorkomen
                    indien een leidinggevende met een individuele medewerker niet tot goede
                    afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de
                    toelichting op lid 12.</al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de
                    werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de
                    ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de
                    ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan
                    te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat
                    ambtenaar en leidinggevende het erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per
                    jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan vastgesteld. De
                    ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
                    vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn leidinggevende
                    stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder geval
                    aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband.
                    Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren
                    uitbetaald tegen de vergoeding.</al><al>Lid 8</al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang
                    werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een
                    buitendagvenstervergoeding tegenover.</al><al>Lid 10</al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken
                    maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid
                    heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in
                    het elfde lid.</al><al>Lid 11</al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde lid
                    leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op
                    andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het
                    dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en zijn
                    leidinggevende tot goede afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn
                    en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk dat de ambtenaar
                    werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding ter hoogte
                    van de laagste buitendagvenstervergoeding.</al><al>Lid 12</al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en
                    medewerker. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe
                    dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR
                    problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR
                    verbetervoorstellen doen aan het college.</al><al>Lid 13</al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over
                    werktijden een dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het dagvenster
                    zoals omschreven in artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt in dit verband
                    gedoeld op uren/dagen waarvoor geen toelage onregelmatige dienst verstrekt
                    wordt. Op grond van de regels over de TOD en werktijden zoals deze golden op 31
                    december 2013 was het bijvoorbeeld mogelijk om de ambtenaar op zaterdag voor ten
                    hoogste drie uren in te roosteren zonder aanspraak op een TOD. Als de gemeente
                    op 31 december 2013 een werktijdenregeling met een ruimer dagvenster had en die
                    in overeenstemming met de regels van de CAR-UWO was, dan blijft dit ruimere
                    dagvenster ook gelden vanaf 1 januari 2014.</al><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer (T)</al><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel geringe
                    zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig
                    vastgesteld door het college. Het gaat in deze situatie in elk geval om
                    medewerkers die in een rooster werken en geacht worden op vaste tijden hun werk
                    te verrichten. Als de ambtenaar die valt onder de standaardregeling geen
                    overeenstemming bereikt met zijn leidinggevende over zijn werktijden dan is de
                    bijzondere regeling op hem van toepassing. Zijn werktijden worden dan eenzijdig
                    vastgesteld.</al><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen (T)</al><al>Lid 2 </al><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                    verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden gesteld de
                    kerk te bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe
                    moet worden omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de
                    wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het
                    vijfde lid van dit artikel.</al><al>Lid 3</al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                    gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag.</al><al>Lid 4</al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de carnavalsmaandag,
                    maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is van de officiële
                    lustrumviering. Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de
                    arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen Wat het recht op overwerkvergoeding
                    op dergelijke feestdagen betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij het
                    derde lid is aangegeven De hoogte van de overwerkvergoeding is in dit geval
                    afhankelijk van de dag waarop de feestdag valt. Zo geldt voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op een carnavalsmaandag
                    hetgeen in artikel 3:18, is geregeld ten aanzien van een "gewone" maandag.</al><al>Artikel 4:2:1:1</al><al>In aanvulling op de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 lid 3 kent de gemeente
                    Nijmegen nog als extra feestdagen 5 mei en de vrijdagmiddag van de Nijmeegse
                    4-daagse. </al><al>Indien 5 mei op een zaterdag of zondag valt wordt geen compenserend verlof
                    toegekend. Degenen die in parttime dienstverband werkzaam zijn kunnen evenmin
                    aanspraak maken op compenserend verlof indien de extra-verloffaciliteiten
                    alsmede vrije uren op 24 en 31 december geheel of gedeeltelijk buiten de voor
                    hen geldende “normale” werktijden vallen. Ook zij die ziek zijn kunnen geen
                    recht op vervangend verlof doen gelden.</al><al>Deze aangewezen dagen zijn in de berekening van de arbeidsduur op jaarbasis
                    meegenomen. Wat betreft het recht op overwerkvergoeding op dergelijke feestdagen
                    betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij artikel 4:2:1 lid 3 is
                    aangegeven. De hoogte van de overwerkvergoeding is in dit geval afhankelijk van
                    de dag waarop de feestdag valt. Zo geldt voor de bepaling van de hoogte van de
                    overwerkvergoeding voor de vrijdagmiddag van de 4-daagse hetgeen in artikel
                    3:2:1, vijfde lid, onder a, van de AGN is geregeld ten aanzien van een 'gewone'
                    vrijdagmiddag.</al><al>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</al><al>Hoofdstuk 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden (T)</al><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de elementen
                    van een cafetariamodel of CAO à la carte. Artikel 4a:1 maakt het mogelijk om
                    vakantie-uren te verkopen en artikel 4a:2 maakt het mogelijk om extra
                    vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3 maakt het mogelijk om een lokale regeling
                    te treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld (T)</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur.</al><al>Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 6 april 2006 (HvJ
                    EG 6 april 2006, C-124105) een uitspraak gedaan over de verkoop van de
                    wettelijke vakantie-uren. In de Europese richtlijn over arbeidstijden
                    (93/104/EG) is geregeld dat werknemers recht hebben op een jaarlijkse vakantie
                    van tenminste vier weken. Deze minimumperiode van de jaarlijkse vakantie mag
                    niet worden vervangen door een financiële vergoeding, ook niet in volgende
                    jaren. Bij een volledige formele arbeidsduur gaat het dus om 4 x 36 uur = 144
                    uur minimale wettelijke vakantie-uren. Een ambtenaar heeft bij een volledige
                    formele arbeidsduur recht op ten minste 158,4 vakantie-uren per jaar op grond
                    van artikel 6:2, eerste lid CAR-UWO. De minimum periode van de jaarlijkse
                    vakantie op grond van de CAR-UWO ligt daarmee hoger dan het aantal wettelijke
                    vakantie-uren op grond van de richtlijn want dit zijn er 144. De wettelijke
                    vakantie-uren kunnen niet afgekocht worden, ook niet in een volgend jaar.</al><al><vet><cursief>Voorbeeld 1:</cursief></vet> Een ambtenaar treedt op 1 januari
                    2004 in dienst en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht
                    op 158,4 vakantie-uren maar neemt 110 uur op in 2004. In 2005 wil hij de
                    resterende 48,4 vakantie-uren verkopen. Dit is niet toegestaan. Het wettelijk
                    aantal vakantie-uren van de ambtenaar bedraagt 144. Het verschil tussen 158,4 en
                    144 mag hij verkopen (inzetten in het cafetariamodel) maar de overige uren moet
                    hij opnemen in 2004 of daarna.</al><al>Echter op basis van het tweede lid van artikel 6:2 CAR-UWO kan het aantal
                    vakantie-uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor voltijders) door in
                    een kalenderjaar 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar. Op deze
                    wijze wordt het aantal vakantie-uren verhoogd tot 208,8 uur en kan maximaal 64,8
                    uur worden verkocht. Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van
                    de deeltijdfactor. Voor medewerkers die van de seniorenmaatregel gebruikmaken
                    geldt hetzelfde principe (zie ook artikel 6:2:1 lid 6).</al><al><vet><cursief>Voorbeeld 2:</cursief></vet> Een ambtenaar treedt op 1januari 2004
                    in dienst en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht op
                    158,4 vakantie-uren. Daarnaast heeft hij een verzoek ingediend om 50,4 uur extra
                    te werken en deze uren om te zetten in vakantie-uren. In totaal heeft deze
                    ambtenaar 208, 8(158,4+ 50,4) vakantie-uren in 2004. Hij neemt daarvan 130 uur
                    op en houdt 78,8 (208,8-130) vakantie-uren over. De ambtenaar heeft in 2004 niet
                    het wettelijk aantal vakantie-uren (144) opgenomen. Deze 14(144-130) uren kan
                    hij niet verkopen en neemt hij mee naar 2005. De ambtenaar kan van zijn
                    vakantieaanspraak over 2004, 64,8 (50,4+14,4) uren verkopen.</al><al>Lid 4</al><al>De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo'n belang is in ieder geval
                    sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>van financiële en organisatorische aard;</al></li><li nr="b."><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of</al></li><li nr="c."><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe geen
                            ruimte biedt.</al></li></lijst><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot vakantie
                    voor geld en omgekeerd aan de OR, zodat deze zicht heeft op het totale gebruik
                    van de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van artikel 28 van de Wet op de
                    ondernemingsraden, waarin is geregeld dat de OR de naleving bevordert van de
                    voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al>Lid 5</al><al>Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per vakantie-uur een
                    vergoeding van een (bruto) uurloon bovenop zijn normale (bruto) salaris. Dit is
                    zijn eigen uurloon, tenzij lokaal anders is overeengekomen. Door het verkopen
                    van vakantie-uren worden de grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudo-premie WW,
                    UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting verhoogd. De
                    uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en ZW) en suppletie worden tevens
                    verhoogd. Het verkopen van vakantie-uren heeft geen gevolgen voor de hoogte van
                    de eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en levensloopbijdrage. Het verkopen
                    van vakantie-uren is op basis van het Pensioenreglement pensioengevend. Het ABP
                    hanteert echter de peildatumsystematiek waardoor de pensioengrondslag gedurende
                    een jaar niet kan worden gewijzigd. De verhoging van het pensioengevend inkomen
                    vanwege het verkopen van vakantie-uren kan in het pensioengevend inkomen van het
                    volgende jaar worden verwerkt. De opbrengst van de verkoop van uren kan worden
                    ingezet voor de gemeentelijke levensloopregeling zoals vastgelegd in hoofdstuk
                    6a. De tegenwaarde van de uren wordt dan gestort op de levenslooprekening van de
                    medewerker.</al><al>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren (T)</al><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit artikel kan
                    de ambtenaar geld uitwisselen voor vrije uren. Een werknemer met een formele
                    arbeidsduur van 36 uur kan maximaal 72 vakantie-uren in een kalenderjaar kopen.
                    Voor de deeltijder geldt dit naar rato. Verrekening geschiedt door middel van
                    inhouding van een geldbedrag. Door het kopen van vakantie-uren worden de
                    grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudopremie WW, UFO-premie,
                    Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting lager. In tegenstelling
                    tot bij het verkopen van uren blijven de uitkeringen (op basis van de WAO, WIA,
                    WW en ZW) en suppletie onveranderd. De eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering
                    en levensloopbijdrage blijven ook onveranderd. Het pensioengevend inkomen als
                    genoemd in artikel 3.1 van het Pensioenreglement wijzigt bij de aankoop van
                    vakantie-uren niet mits wordt voldaan aan de voorwaarden van het besluit van 8
                    september 2008, CPP2008/1727M.</al><al>Lid 3</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs of dienstbelang zoals vermeld in lid 3 is in ieder
                    geval sprake indien toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:
                    voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren; op het
                    gebied van veiligheid, of van roostertechnische aard.</al><al>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                    vakantietoelage of urenvergoeding (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid biedt de mogelijkheid om het salaris, de toegekende salaristoelage(n),
                    eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering of de vergoeding voor extra te werken
                    uren te verlagen in ruil voor andere bestedingsmogelijkheden. In 2006 zijn de
                    bestedingsmogelijkheden o.a. een fietsregeling, de vakbondscontributie of een
                    vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer. Dit kan een fiscaal voordeel
                    opleveren voor de ambtenaar, als aan de fiscale voorwaarden wordt voldaan. In
                    ieder geval wordt door deze bepaling aan één van de voorwaarden van de
                    belastingdienst voldaan. Voorwaarde is namelijk dat er een basis in de
                    arbeidsvoorwaardenregeling is gelegd voor het inleveren van salaris,
                    salaristoelagen, eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en vergoeding voor de
                    verkoop van vakantie-uren.</al><al>Lid 2</al><al>In een lokaal te treffen regeling (bijvoorbeeld een fietsregeling, de
                    vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer)
                    kunnen de voorschriften en de voorwaarden worden vastgelegd, rekening houdend
                    met de fiscale randvoorwaarden. Een lokale verordening mag een dergelijke
                    tijdelijke verlaging van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet in
                    de weg staan.</al><al>Artikel 4a:3:0:1</al><al>Het is voor ambtenaren beperkt mogelijk binnen de arbeidsvoorwaarden bronnen
                    tegen doelen uit te wisselen, nl.:</al><lijst><li nr="§"><al><vet>Niet fiscaal-vriendelijk:</vet> vakantie-uren tegen geld en
                            omgekeerd, en</al></li><li nr="§"><al><vet>Fiscaal vriendelijk:</vet> tijdelijke verlaging van vakantietoelage
                            en eindejaarsuitkering tegen een fiets voor het woon-werkverkeer en/of
                            een personal computer thuis voor mede zakelijk gebruik. </al></li></lijst><al>In de lokale CAO voor de periode 1 april 2001 tot 1 augustus 2002 is
                    afgesproken, een start te maken met het uitbreiden van de mogelijkheden voor
                    medewerkers om arbeidsvoorwaarden uit te wisselen. Deze voorbereidingen hebben
                    langer geduurd dan verwacht en tevens bestond in 2002 geruime tijd
                    onduidelijkheid over het kabinetsvoornemen ter zake van het continueren van de
                    premiespaar- en spaarloonregelingen. In de lokale CAO voor de periode 1 augustus
                    2002 tot 1 oktober 2003 is de afspraak gemaakt om per 1 januari 2003 te starten
                    met dit ruimere cafetariamodel, dat de naam "Keuzemenu Individueel
                    Arbeidsvoorwaardenpakket Nijmegen" (= KIAN) heeft gekregen. Afgesproken is de
                    medewerkers binnen het KIAN twee nieuwe bronnen ter beschikking te stellen,
                    waarvan zij onder bepaalde voorwaarden de bruto waarde reserveren en
                    belastingvrij benutten voor c.q. besteden aan een aantal bestaande en nieuwe
                    doelen. De twee nieuwe bronnen zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Het geld uit de verkoop van maximaal 21,6 vakantie-uren per jaar (bij
                            een fulltime functie) van de in artikel 4a:1 van het in de AGN genoemde
                            maximum van 72 vakantie-uren, en</al></li><li nr="2."><al>Het toekennen van een persoonlijk budget, dat jaarlijks wordt
                            vastgesteld en gefinancierd uit het arbeidsvoorwaardengeld. Voor het
                            jaar 2005 bedraagt dit budget € 225,- voor een fulltime medewerker.
                        </al></li></lijst><al>Deze twee nieuwe bronnen zijn in de nieuwe artikelen 4a:3:0:1 en 4a:3:0:2 van de
                    AGN verankerd.</al><al>5 Seniorenmaatregelen</al><al>Hoofdstuk 5 Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>5b Lokale FPU maatregelen</al><al>Algemene toelichting</al><al>In de gemeentelijk sectorale CAO 1999 - 2000 is overeengekomen dat 0,1% van de
                    loonsom op lokaal niveau dient te worden ingezet ‘ter versterking lokaal
                    seniorenbeleid”. In de aansluitend gesloten lokale CAO is vastgesteld dat deze
                    gelden werden ingezet om medewerkers die fysiek zware arbeid verrichten en die
                    geen recht hadden op een FLO-uitkering, een extra voorziening te bieden zonder
                    dat daarbij FPU-rechten werden aangetast. Deze voorziening is vastgelegd in
                    hoofdstuk 5B van de AGN. </al><al>Het betreft dus functies c.q. medewerkers voor wie de inconveniëntenregeling van
                    toepassing is. Zij konden voorafgaand aan de FPU (-gedurende een termijn van
                    maximaal 5 jaar) korter werken tegen volledige doorbetaling van het salaris. </al><al>Per 1 januari 2006 is de FPU komen te vervallen. In de sectorale CAO gemeente
                    Nijmegen 2006 - 2008 is echter overeengekomen dat met ingang van 2007 de
                    regeling wordt gehandhaafd in dezelfde vorm, maar dan voorafgaand aan het moment
                    van pensionering. Dit betekent dat medewerkers die van deze regeling gebruik
                    willen maken: </al><lijst><li nr="§"><al>in overleg met hun leidinggevende vastleggen op welk moment (tussen hun
                            60e en 70e levensjaar) zij gebruik gaan maken van het flexibel
                            pensioen;</al></li><li nr="§"><al> kunnen kiezen uit drie mogelijkheden, steeds met doorbetaling van 100%
                            salaris:</al><lijst><li nr="1."><al>gedurende vijf jaren voorafgaand aan de pensioendatum één dag
                                    per week minder werken;</al></li><li nr="2."><al> gedurende twee-en-een-half jaar voorafgaand aan de
                                    pensioendatum twee dagen per week minder werken;</al></li><li nr="3."><al> gedurende twee jaren voorafgaand aan de pensioendatum twee en
                                    een halve dag per week minder werken. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 5b:1:1:1</al><al>Rechthebbenden op deze regeling zijn medewerkers die fysiek zware arbeid
                    verrichten en geen FLO-voorziening hebben (hadden). Aan hun functie is een
                    inconveniëntentoeslag verbonden. Daarnaast mag de functie niet onder de
                    werkingssfeer van hoofdstuk 9A of 9B vallen of hebben gevallen en moet de
                    betrokken ambtenaar tenminste een aanstelling hebben van 18 uren per week. (deze
                    limiet van 18 uur is gesteld in het kader van het dienstbelang, medewerkers met
                    een aanstelling met minder dan 18 uur kunnen geen gebruik maken van deze
                    regeling, omdat met de vermindering van de arbeidsduur geen werkbare situatie
                    ontstaat). </al><al>Artikel 5b:1:2:1</al><al>Dit artikel sluit de mogelijkheid van een combinatie met de huidige
                    seniorenregelingen (opgenomen in hoofdstuk 5) of FPU-gemeenten (opgenomen in
                    hoofdstuk 5a) uit. Ook wordt gelijktijdig gebruik maken van hoofdstuk 5B én van
                    keuzepensioen uitgesloten. </al><al>Artikel 5b:1:3:1</al><al>In het eerste lid zijn de verschillende mogelijkheden opgenomen. De medewerker
                    kan ervoor kiezen maximaal gedurende vijf jaren 20% minder te werken. Hij kan
                    ook gedurende twee-en-een-half jaren 40% minder werken. Als derde mogelijkheid
                    kan de werknemer twee jaren lang 50% korter werken. In het tweede lid is
                    vastgelegd dat bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur wordt uitgegaan
                    van de verminderde arbeidsduur. In artikel 6:2:1, lid 6 van de AGN is bepaald
                    dat de vakantie-aanspraken naar evenredigheid worden verminderd en dat de
                    zogenaamde ‘seniorendagen’ komen te vervallen. </al><al>Artikel 5b:1:3:2</al><al>Dit artikel regelt de ingangsdatum. In de eerste twee leden wordt aangegeven per
                    wanneer ambtenaren die onder het FPU overgangsrecht vallen, gebruik kunnen maken
                    van deze regeling. In het laatste lid wordt aangegeven per wanneer medewerkers
                    die recht hebben op keuzepensioen, gebruik kunnen gaan maken van deze regeling.
                    Er is in dit lid expliciet aangegeven dat betrokkene volledig, voor 100% van
                    zijn pensioen gaat genieten, zodat er geen samenloop met eventuele andere
                    seniorenregelingen kan plaatsvinden. Indien een ambtenaar gebruik gaat maken van
                    deeltijd keuzepensioen, eindigt deze regeling.</al><al>Artikel 5b:1:3:3</al><al>In de eerste twee leden wordt aangegeven dat de ambtenaar zich verplicht na
                    afloop van deze regeling ontslag te nemen op grond van artikel 8:11
                    (overgangsrecht FPU) of op grond van artikel 8:1 (keuzepensioen). Vooralsnog
                    wordt het ontslag vanwege de aanvang van het keuzepensioen op grond van artikel
                    8:1 verleend. Dit artikel behandelt het ontslag op eigen verzoek. Een artikel
                    dat het ontslag op grond van keuzepensioen behandelt, is momenteel nog niet
                    opgenomen in de CAR-UWO. </al><al>Het derde lid schrijft voor dat indien een medewerker niet na afloop van deze
                    regeling met ontslag gaat, het bevoegde gezag de mogelijkheid heeft om na een
                    afweging van omstandigheden, de ambtenaar een terugbetalingsverplichting op te
                    leggen. </al><al>Artikel 5b:1:4:1</al><al>In dit artikel is aangegeven hoe eventuele inkomsten tijdens de periode dat van
                    de regeling gebruik wordt gemaakt, verrekend dienen te worden. </al><al>Artikel 5b:1:5:1</al><al>Dit artikel regelt de termijn waarbinnen het verzoek tot terugdringen van de
                    feitelijke arbeidsduur moet worden ingediend. </al><al>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</al><al>Hoofdstuk 5a Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</al><al>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de ambtenaar
                    wordt verleend. Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de
                    algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie (artikel 6:2:1,
                    eerste lid) ook aangeven welke gedragslijnen worden gehanteerd wanneer het
                    vakantieverlof van enig jaar niet in zijn geheel is genoten. De mogelijkheid om
                    niet-genoten verlofuren door te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot
                    die gevallen zoals genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In
                    het geval dat het dienstbelang zich tegen het verlenen van vakantie verzet en
                    hierdoor de vakantie in dat kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is
                    toegekend, wordt de niet-genoten vakantie zo veel rnogelijk in het eerstvolgend
                    kalenderjaar verleend (artikel 6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is
                    verleend op gronden genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of
                    herhalingsoefening militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie in principe
                    toegekend in het volgend kalenderjaar. Op verzoek van de ambtenaar kunnen over
                    het tijdstip van opname ook andere afspraken worden gemaakt.</al><al>Artikel 6:2 Duur vakantie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2. Indien de
                    ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7.2 uur per dag, zal het
                    verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil
                    genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij voor
                    42 uur is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel
                    verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de ambtenaar verlof wil in weken
                    waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt, het verlof slechts
                    met relatief minder uren wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke arbeidsduur van 42
                    uur, de ambtenaar bijvoorbeeld weinig verlofuren resteert, kan het de ambtenaar
                    worden toegestaan om gedurende de weken dat hem een feitelijke arbeidsduur van
                    minder dan 36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te realiseren over minder dan
                    vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten vrije tijd kan creëren.</al><al>Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een
                    aantal aspecten van de Organisatie van de arbeid’, hebben werknemers jaarlijks
                    recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen
                    viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een
                    36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij een
                    volledig dienstverband) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur
                    voortvloeit. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als
                    maximum. Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk
                    aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november
                    (tenzij anders geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor
                    het verzoek geldt. Niet voor niets is hiervoor de zelfde formulering gekozen als
                    in de artikelen 4a:1, eerste lid, en artikel 4a:2, eerste lid (het verzoek tot
                    verkoop dan wel koop van vakantie-uren). Gelet op de samenhang met het
                    cafetariamodel ligt het voor de hand dat het college bij de toewijzing van de
                    verzoeken rekening houdt met alle mutaties van het verlof, te weten:</al><lijst><li nr="§"><al>extra vakantie-uren op basis van dit artikel;</al></li><li nr="§"><al>verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:1;</al></li><li nr="§"><al>koop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:2.</al></li></lijst><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                    bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel
                    roostertechnische aard.</al><al>Lid 3</al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid is
                    in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek leidt tot ernstige
                    problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b."><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2:1 Nadere regels (T)</al><al>Lid 2</al><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor deeltijders naar
                    rato moet worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij vormt de formele arbeidsduur
                    op jaarbasis. Dit is de arbeidsduur overeenkomstig de aanstelling De minimale
                    duur van de vakantie voor ambtenaren met een volledig dienstverband is
                    vastgelegd in artikel 6:2 CAR. Dit betekent dat voor een deeltijder met een
                    formele arbeidsduur van 24 uur per week het aantal verlofuren ten minste 24/36 x
                    158,4 = 105,6 uur per kalenderjaar bedraagt.</al><al>Lid 3</al><al>Door middel van een lokale regeling voortziet het college ten aanzien van (een
                    groep) ambtenaren in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte
                    diensttijd, bereikte leeftijd dan wel beide. Per extra verlofdag dient het
                    basisverlof voor een voltijder met 7,2 uur te worden vermeerderd. Een werknemer
                    met bijvoorbeeld drie leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6 uur verlof bovenop
                    het basisverlof van ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Bij een deeltijder
                    wordt het extra aantal verlofdagen naar rato vastgesteld. In het
                    arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk ARZ/507630) is het lokale overleg
                    geadviseerd om twee leeftijdverlofdagen voor nieuw indiensttredend personeel te
                    laten vervallen. Ook in het geval dat iemand de ene gemeentelijke werkgever
                    verruilt voor een andere gemeentelijke werkgever vervallen deze
                    leeftijdverlofdagen.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige tijdstippen werken en
                    ambtenaren die zich buiten de voor hun functie vastgestelde werktijden ter
                    beschikking houden, aanspraak hebben op extra verlof. Voorwaarde hierbij is wel
                    dat het onregelmatige arbeidspatroon van de ambtenaar dan wel de evengenoemde
                    plicht zich beschikbaar te houden, regelmatig en in belangrijke mate geldt.</al><al>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode (T)</al><al>Lid 2</al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit lid aan de
                    ambtenaar geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de
                    ambtenaar redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk op
                    de hoogte wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te
                    nemen.</al><al>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                    redenen van afwezigheid (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato van
                    afwezigheid.</al><al>Lid 3</al><al>Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van vakantie-opbouw.
                    Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en zwangerschapsverlof en
                    afwezigheid wegens ziekte. Dat vloeit voort de uit Europese richtlijn
                    2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk verlof. In de CAR wordt
                    echter geen onderscheid gemaakt tussen wettelijk en bovenwettelijk verlof.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen. De vakantie mag zijn
                    herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een advies
                    geven, een en ander zoals veelal zal zijn geregeld in het Protocol als bedoeld
                    in artikel 7:9 lid 4 CAR. De opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht van
                    het verlofsaldo. Op grond van artikel 6:1 wordt gedurende de vakantie het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) doorbetaald zonder de korting die
                    eventueel al geldt gezien de duur van de ziekte. In het geval waarin de
                    ambtenaar in het kader van een medische behandeling of therapie elders moet
                    verblijven wordt geen vakantieverlof afgeschreven.</al><al>Lid 5</al><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een
                    vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar een
                    volledig dienstverband herberekend - salaris van de ambtenaar per maand (artikel
                    1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van de schaal dat
                    op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het ontslag wordt verleend
                    of, indien voor de functie een vast bedrag geldt, dit bedrag.</al><al>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                    redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt geschoven. De vakantie
                    dient uiterlijk voor het einde van het tweede volgend kalenderjaar te worden
                    verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                    verjaard.</al><al>Artikel 6:2:5 Intrekking (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                    vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie wordt ingetrokken, de genoten
                    vakantie-uren als niet verleend worden beschouwd.</al><al>Lid 2</al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                    vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van immateriële schade. Bij
                    geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                    vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten van vliegtickets waar
                    geen gebruik van gemaakt kan worden.</al><al>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in een
                    volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen
                    van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Doet zich de situatie niet of
                    niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof worden geëffectueerd met
                    inachtneming van de beperking zoals verwoord in lid 3. Deze bepaling geeft
                    overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen verlofuren te schrappen (met
                    uitzondering van het bepaalde in artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                    doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit medisch oogpunt
                    bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat dit een heilzame uitwerking
                    zal hebben. Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen
                    aantonen, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de behandelend of
                    controlerend arts, dat hij gedurende die periode nog niet genezen was en dat er
                    uit medisch oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn afwezigheid dan wel dat
                    er een heilzame uitwerking werd verwacht. Er wordt tijdens deze periode geen
                    verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet de ambtenaar namelijk ziekteverlof
                    gedurende welke niet nog eens verlof uit andere hoofde kan worden opgenomen.
                    Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn arbeid kan
                    verrichten en vakantie opneemt, geldt artikel 6:2:3, vierde lid. Indien het
                    aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken verlofuren slechts een
                    gering aantal betreft – het college dient dan in een besluit te bepalen hoeveel
                    - kan een verzoek tot overboeking achterwege blijven. Het overboeken geschiedt
                    dan automatisch. Daarbij kan het college tevens stipuleren dat dit aantal
                    verlofdagen vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het spreekt vanzelf
                    dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg dient te worden
                    gevoerd.</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt tijdens
                    zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit het overleggen van een
                    verklaring van een arts of van een op verleende geneeskundige hulp betrekking
                    hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk ziek melden.
                    Indien het onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het voldoende
                    dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al>Lid 3</al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van het op
                    grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar overgeboekt vakantieverlof. Een
                    ambtenaar met bijvoorbeeld recht op 187,2 uren vakantieverlof kan, wanneer op
                    zijn verzoek dit verlof in zijn geheel wordt overgeboekt naar een volgend
                    kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 187,2 = 280,8 uur verlof opnemen (tenzij op
                    verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog resterende
                    verlofuren worden vervolgens naar het volgende kalenderjaar doorgeschoven.</al><al>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin het
                    wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof
                    in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn
                    van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld
                    omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze termijn niet.
                    Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en ambtenaar na herstel
                    een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof.</al><al>Lid 2</al><al>Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een
                    loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan
                    hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het college en de
                    ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een
                    onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.</al><al>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof (T)</al><al>Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt,
                    wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.</al><al>Vanwege de gewijzigde regels rond opbouw en opname van verlof - analoog aan hoe
                    dit in het Burgerlijk Wetboek is geregeld - is het van belang om een duidelijk
                    onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke begrippen “vervallen” en
                    “verjaren” die hierop van toepassing zijn. Bij verval komt het recht op verlof
                    onherroepelijk te vervallen door het verstrijken van een termijn. De
                    uitzonderingen daarop zijn geregeld in artikel 6:2a eerste lid. Bij verjaring
                    komt het verlof in beginsel ook te vervallen na het verstrijken van de termijn,
                    maar kan dit door middel van een schriftelijke verklaring van de rechthebbende
                    medewerker worden ‘gestuit’. De strekking van deze verklaring moet zijn dat
                    betrokkene de beschikking wil houden over het verlof dat dreigt te verjaren. Het
                    gevolg van stuiten is dat een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en de
                    medewerker zijn aanspraak op het verlof behoudt. Dit laatste wil overigens niet
                    zeggen dat hij er ook altijd over kan ‘beschikken’ zoals geregeld in artikel
                    6:2:6, derde lid, UWO.</al><al>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op vakantietoelage
                    gedurende de periode dat betrokkene geen aanspraak heeft op salaris
                    (bijvoorbeeld tijdens een periode van non-activiteit). Voor de berekening van
                    een evenredig deel van de vakantietoelage wordt de maand gesteld op 30
                    dagen.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per kalendermaand wordt
                    berekend over het in die maand uitbetaalde salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). De minimum vakantietoelage bedraagt € 146,65 per maand.</al><al>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage (T)</al><al>Lid 3</al><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) wordt ingehouden in geval van een disciplinaire
                    maatregel of een schorsing, over deze periode geen vakantietoeslag wordt
                    uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit expliciet bij de strafoplegging of
                    schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval, dan ontvangt betrokkene een
                    vakantietoeslag over dat deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    dat niet is ingehouden.</al><al>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het kraamverlof, calamiteiten en ander kortverzuimverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). De Wazo is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                    2001, 567) en is van toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de
                    Wazo is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen om betaald werk te
                    combineren met zorgtaken. In de Wazo zijn daarom regels gesteld omtrent diverse
                    vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kort verzuimverlof, zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof, verlof bij adoptie en pleegzorg, kraamverlof,
                    ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De bepalingen van de Wazo zijn niet
                    opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                    toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die
                    aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende aanspraken
                    bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de regeling een bepaling
                    uit de Wazo overgenomen.</al><al>De bepalingen in de Wazo m.b.t. het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Bij die
                    gelegenheid is de in de wet opgenomen opsomming van situaties op grond waarvan
                    calamiteiten- of kort verzuim verlof kan worden toegekend, verruimd. Daarbij
                    gaat het om de introductie van het criterium ‘onvoorzienbaarheid’ en de
                    toevoeging van spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd
                    te plannen arts- of ziekenhuisbezoek – of de noodzakelijke begeleiding daarbij –
                    als reden voor het toekennen van verlof. Het calamiteiten-, kort verzuim- en
                    kraamverlof is geregeld in de artikelen 4:1 t/m 4:7 Wazo.</al><al><cursief>Kraamverlof</cursief> Met ingang van 1 januari 2015 is ook in de Wazo
                    geregeld dat het kraamverlof kan worden uitgebreid met drie dagen, door een
                    ‘voorschot’ te nemen op het (onbetaald of betaald) ouderschapsverlof. Eén en
                    ander is geregeld in artikel 6:5 lid 4 Wazo.</al><al>Overzicht graden van bloed- en aanverwantschap</al><al>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof (T)</al><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                    voltrokken.</al><al>Artikel 6:4:1:4 </al><al>Deze bepaling voorziet in een uitbreiding van het kraamverlof, zoals opgenomen
                    in de Waz. Er kan nu verlof (kraamverlof en vaderschapsverlof samen) worden
                    opgenomen tot maximaal twee keer de formele arbeidsduur per week, dus de
                    arbeidsuur zoals die in de aanstelling is opgenomen. Dit betekent dat iemand die
                    voltijds werkt, dus 36 uren per week, gedurende de eerste vier weken na de
                    bevalling maximaal 72 uren verlof kan opnemen met behoud van de volledige
                    bezoldiging. Een medewerker met een aanstelling van 20 uren per week kan in deze
                    periode dus maximaal 40 uren verlof opnemen.</al><al>Deze op te nemen uren zijn dus inclusief de uren, waarvoor op grond van artikel
                    6:4 reeds aanspraak (op kraamverlof) bestaat. </al><al>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Het langdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en
                    zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot
                    het langdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb.
                    2014, 565). Daarbij is de kring van personen ten behoeve waarvan kort – en
                    langdurend zorgverlof kan worden opgenomen verruimd met bloedverwanten in de
                    eerste en tweede graad, huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving.
                    Behalve in het geval van een levensbedreigende ziekte kan er ook langdurend
                    zorgverlof worden toegekend t.b.v. de noodzakelijke verzorging bij ziekte of
                    hulpbehoevendheid. Het langdurend zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:9 tot
                    en met 5:16 Wazo.</al><al>Lid 1</al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                    geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n) over de uren dat hij langdurend zorgverlof
                    geniet.</al><al>Lid 2 tot en met 7</al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                    vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof. Ziekte schort het
                    langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend
                    zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak op
                    zijn volledige salaris en toegekende salaristoelage(n), wordt de vermindering
                    van de duur van de vakantie beëindigd en vindt de opbouw van de vakantietoelage
                    weer plaats op basis van de volledige beloning.</al><al>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof (T)</al><al>Lid 2</al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al>Lid 3</al><al>Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele
                    aangelegenheden. Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn
                    aangewezen door een vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de
                    eigen of een andere organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.</al><al>Lid 7</al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de vóórvergadering en de vergadering zelf.
                    Voor de voorbereiding van de vergadering en werkzaamheden ten gevolge van de
                    vergadering wordt geen verlof verleend.</al><al>Lid 8</al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                    zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties plaatselijk in de
                    uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het verlenen van het bijzonder
                    verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden met de lokale
                    omstandigheden, zoals de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in
                    de vakorganisaties actieve leden etc.. Een nadere regeling kan bijvoorbeeld
                    voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder verlof wordt geweigerd op
                    grond van het dienstbelang.</al><al>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en
                    zorg. Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    kortdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014,
                    565), waarbij de kring van personen t.b.v. waarvan kortdurend zorgverlof kan
                    worden opgenomen is verruimd met bloedverwanten in de eerste en tweede graad,
                    huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving. Het kortdurend
                    zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:1 tot en met 5:8, 5:15 en 5:16
                    Wazo</al><al><vet>Samenloop met andere verlofvormen</vet> De wetgever heeft het noodzakelijk
                    geacht om een regeling te treffen over samenloop tussen de diverse verlofvormen.
                    Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet aan de voorwaarden voor
                    calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend zorgverlof. In dat
                    geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om voor
                    calamiteitenverlof te kiezen omdat dit verlof verleend wordt met behoud van het
                    volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). In artikel 5:8 Wazo is daarom
                    bepaald dat indien zowel is voldaan aan de voorwaarden voor het
                    calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor het kortdurend zorgverlof, het
                    calamiteitenverlof na één dag eindigt.</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledig dienstverband
                    ten hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit betekent dat ook de
                    ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel 2:7a verruimd is naar maximaal
                    40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar zorgverlof kan opnemen.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                    ambtenaar met een dienstverband van minder dan 36 uur per week, naar
                    evenredigheid wordt verminderd.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft voor
                    rekening van de ambtenaar en voor de andere helft voor rekening van de werkgever
                    komt. Voor de verrekening van het verlof kan worden gedacht aan de inlevering
                    van regulier verlof. Ook kan de mogelijkheid worden geboden om het verlof op een
                    later moment in te halen. Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar hoe de
                    verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al><al>Artikel 6:4:4 Non-activiteit (T)</al><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen-, vut- en AAOP-premies zijn afspraken
                    gemaakt in artikel 3, lid 7, onderdeel a, van de Pensioenovereenkomst van 15
                    maart 1995 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van
                    overheidspersoneel. Wanneer volledig politiek verlof wordt genoten, vindt geen
                    pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap. Wethouders, gedeputeerden of
                    hoogheemraden bouwen bij het overheidsorgaan waar zij zijn benoemd een pensioen
                    op op basis van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (Appa). De vut- en
                    AAOP-premies blijven verschuldigd. Echter, op grond van de Pensioenovereenkomst
                    blijft de verdeling van het verhaal ongewijzigd: de werkgever draagt de lasten
                    van het werkgeversdeel, maar hij kan het werknemersdeel wel verhalen op de
                    ambtenaar.</al><al>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof (T)</al><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet toereikend
                    blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof om het overlijden
                    van een verwant te verwerken (rouwverlof). Het verlof kan met behoud van gehele
                    of gedeeltelijke doorbetaling worden verleend. Wanneer er sprake is van een
                    gedeeltelijke doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    kan het inkomen worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit de
                    levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a.</al><al>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof (T)</al><al>Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof zoals
                    bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6:10,
                    vierde lid.</al><al>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Het ouderschapsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg
                    (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1.De bepalingen in de Wazo met betrekking tot
                    het ouderschapsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb.
                    2014, 565). Daarbij zijn zowel de eis dat men een jaar in dienst van de
                    werkgever moet zijn, als de regels met betrekking tot de wijze waarop het verlof
                    kan worden opgenomen, komen te vervallen. Een andere belangrijke wijziging
                    betreft het recht om – behoudens een zwaarwegend dienstbelang aan de kant van de
                    werkgever – een eenmaal toegekend recht op ouderschapsverlof te onderbreken of
                    op te schorten (artikel 6:6 lid 2 Wazo). Het ouderschapsverlof is geregeld in de
                    artikelen 6:1 tot en met 6:10 Wazo. In dit artikel is opgenomen dat een
                    ambtenaar die ouderschapsverlof geniet op grond van de Wazo, recht heeft op een
                    gedeeltelijke doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    over ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. Deze regeling geldt
                    voor die gemeenten waarin lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof
                    vastgesteld is of wordt.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling betaald
                    ouderschapsverlof en die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt, heeft
                    recht op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) over dit verlof, gedurende ten hoogste 13 maal de formele
                    arbeidsduur per week. De doorbetaling bedraagt het in het tweede lid aangegeven
                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Een ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden verzoeken het
                    aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen dan wel niet voort te zetten
                    (artikel 6:6 Wazo). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als een
                    zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Als een dergelijk verzoek wordt
                    gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat het niet genoten ouderschapsverlof op een
                    later moment kan worden opgenomen, zolang aan de voorwaarden daarvan wordt
                    voldaan. Aan een dergelijk verzoek hoeft het college niet eerder gevolg te
                    worden gegeven dan vier weken na het verzoek.</al><al>Artikel 6:5:2 Meerlingen (T)</al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                    ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of meerling geldt wel
                    het recht op ouderschapsverlof volgens de Wazo, doch zonder gedeeltelijke
                    doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Voor het
                    ouderschapsverlof van de overige kinderen zijn de bepalingen uit artikel 6:5:1,
                    6:5:3, 6:5:4, 6:5:6 en 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage (T)</al><al>Lid 1 </al><al>De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                    overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar
                    bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn
                    arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft betrokkene
                    tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis),
                    van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis
                    x 0,5) en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x
                    verlofaanspraak op jaarbasis).</al><al>Lid 2</al><al>De opbouw van de vakantietoelage tijdens ouderschapsverlof vindt plaats op basis
                    van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die tijdens het
                    ouderschapsverlof wordt doorbetaald. Bij betaald ouderschapsverlof wordt dus
                    gedeeltelijk vakantietoelage opgebouwd. Bij onbetaald ouderschapsverlof wordt
                    geen vakantietoelage opgebouwd.</al><al>Artikel 6:5:5 Terugbetaling (T)</al><al>Lid 1</al><al>De terugbetaling betreft het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die zijn
                    betaald over de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof heeft
                    genoten. Dit geldt alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1 (ontslag op
                    verzoek) en artikel 8:13 (ontslag als disciplinaire straf). Als een ambtenaar
                    het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet voor de toepassing van
                    artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd als een afzonderlijk
                    deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld.
                    Van 1-01-2001 tot 1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof opgenomen voor de helft
                    van zijn dienstverband. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals
                    ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn dienstverband. Op 1-05-2002
                    wordt hij op eigen verzoek ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan
                    niet voor de eerste periode van ouderschapsverlof maar wel voor de tweede
                    periode van ouderschapsverlof.</al><al>Lid 2</al><al>Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                    indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat werken of indien er recht
                    bestaat op een uitkering wegens het volgen van de echtgenoot die door geheel
                    buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                    veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering wordt
                    verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat de ambtenaar ontslag heeft
                    gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door
                    geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.
                    Als dit het geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen
                    terugbetaling van het ouderschapsverlof gevorderd.</al><al>Lid 3</al><al>Onder het aanvaarden van een dienstverband voor minder uren dan hij direct
                    voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een verzoek
                    om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1 januari 2001 moet dit worden
                    vormgegeven door middel van een besluit tot gedeeltelijk ontslag. Een en ander
                    is geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een ambtenaar heeft ouderschapsverlof opgenomen
                    voor de helft van zijn dienstverband. Zijn aanstelling bedraagt 36 uur en zijn
                    feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende het ouderschapsverlof 18 uur. Deze
                    ambtenaar wordt bezoldigd volgens schaal 8. De ambtenaar verzoekt binnen drie
                    maanden na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week minder te mogen
                    werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per week.
                    Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die hij genoot over de arbeidsduur
                    waarvoor het ouderschapsverlof gold, dienen terug te betalen. In dit voorbeeld
                    betekent dit dat betrokkene over zes uur salaris en toegekende salaristoelage(n)
                    dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 50% van de betaling. Indien er
                    ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week en de aanstelling wordt
                    binnen drie maanden na afloop van het ouderschapsverlof op verzoek van
                    betrokkene met zes uur verminderd, geldt dat de betaling die hij genoot over de
                    vier uur ouderschapsverlof terugbetaals dient te worden; dus 4 uur x 26 weken x
                    50% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 4</al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof gaat
                    genieten, zich schriftelijk akkoord te verklaren met de
                    terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals deze in de vorige leden zijn
                    genoemd.</al><al>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo
                    m.b.t. het zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op
                    1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat bij ziekenhuisopname
                    van de baby het bevallingsverlof wordt verlengd, en dat bij overlijden van de
                    moeder het resterende bevallingsverlof overgaat naar de partner. Verder kan het
                    bevallingsverlof na de 6e week na de bevalling gespreid worden opgenomen. Het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de artikelen 3:1 t/m 3:1a,
                    3:3, 3:4, 3:5, 3:7, 3:10, 3:11, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet
                    mag worden aangemerkt als ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op
                    doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 1 en 2</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van haar salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n). Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de
                    periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op een uitkering
                    (artikel 3:7 lid 1 Wazo). De hoogte van de uitkering in geval van zwangerschap
                    en bevalling bedraagt 100% van het voor de ambtenaar geldende dagloon met een
                    vastgesteld maximum (artikel 3:13 Wazo). Het bedrag van deze uitkering wordt in
                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop de
                    betrokken ambtenaar recht heeft.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) door te betalen. De vrouwelijke
                    ambtenaar moet tijdig aan de werkgever de informatie overleggen die de werkgever
                    nodig heeft voor het ontvangen van de uitkering op grond van de Wazo (artikel
                    3:11 Wazo). Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt
                    verstrekt kan dit geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht op het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n). Er wordt dan een fictieve uitkering
                    ter hoogte van 100% van het dagloon in mindering gebracht. Om verrekening van
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de uitkering wegens
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof praktisch mogelijk te maken, is de ambtenaar
                    verplicht mee te werken aan de uitbetaling van de Wazo-uitkering door het UWV
                    aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><vet>Ziekte voor zwangerschapsverlof</vet> Er kan sprake zijn van een situatie
                    dat de vrouwelijke ambtenaar een bepaalde periode voor ingang van haar
                    zwangerschapsverlof haar werkzaamheden niet kan verrichten wegens gehele of
                    gedeeltelijke ziekte. Voor zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum, wordt deze ziekte aangemerkt als
                    zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke ambtenaar ten aanzien
                    van de duur van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid 4 Wazo). Dit kan
                    betekenen dat het zwangerschapsverlof langer duurt dan van tevoren was gekozen.
                    De periode van het bevallingsverlof wordt in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake of
                    een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke ziekte
                    wordt het zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk is dan wel dat de
                    vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><al>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in de Wet arbeid
                    en zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    adoptie- en pleegzorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015
                    (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat het verlof flexibeler kan worden
                    opgenomen binnen een ruimere periode van 26 weken. Het adoptie- en
                    pleegzorgverlof is geregeld in de artikelen 3:2 t/m 3:7, 3:9, 3:12, 3:13, 3:14
                    en 3:29 Wazo.</al><al>Lid 2, 3 en 4</al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de uitkering
                    aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt uiterlijk twee weken voor de
                    datum van ingang van het verlof een uitkering bij het UWV aan (artikel 3:11 lid
                    2). De uitkering wordt gestort op rekening van de werkgever en de werkgever
                    betaalt het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) door. De
                    ambtenaar verleent op verzoek van de werkgever alle medewerking aan het via de
                    werkgever tot uitbetaling laten komen van de uitkering ter zake het adoptie- en
                    pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar geen volledige medewerking verleent ten
                    aanzien van de aanvraag van de uitkering kan dit leiden tot een korting op zijn
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 5</al><al>Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten, schort de
                    termijn van 6 maanden van artikel 7:3 gedurende welke termijn het recht bestaat
                    op doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    niet op. Dit betekent dat indien een ambtenaar ziek is en tijdens de ziekte
                    adoptie- en pleegzorgverlof geniet, het verlof onderdeel uitmaakt van de termijn
                    van 6 maanden.</al><al><vet>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</vet> Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevallingsverlof als op
                    een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor
                    adoptie of pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband
                    met pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband met pleegzorg evenmin
                    uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie aangebracht tussen de
                    verschillende uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29
                    Wazo).</al><al>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                    levensloopregeling (T)</al><al>Lid 1</al><al>De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en maximaal
                    18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de
                    sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat het normale voor
                    ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de
                    vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt
                    dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van hoofdstuk 6a
                    CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof beschikken over zijn
                    levenslooptegoed. Voor meer informatie over de opname van het levenslooptegoed
                    wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                    aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan
                    te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.</al><al>Lid 3</al><al>Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals die
                    worden genoemd in het eerste en tweede lid, is dat op basis van dit artikellid
                    mogelijk. Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het toekennen van
                    verlof dat korter dan een maand duurt.</al><al>Lid 5</al><al>De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                    beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid CAR). De aanvraag
                    voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om onbetaald
                    verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts tot
                    uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt
                    toegekend.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                    daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien honorering van het verzoek
                    zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld
                    rooster-technische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen partijen
                    in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de
                    belangen van de ambtenaar.</al><al>Lid 7</al><al>Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                    wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                    verlof geniet. Het biedt het college enkel de mogelijkheid. In sommige gevallen
                    is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij of geen nadeel
                    ondervindt van betaalde activiteiten van de ambtenaar.</al><al>Lid 9</al><al>Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van drie
                    jaar direct voorafgaand aan pensionering kan slechts worden geweigerd als een
                    zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. Het college mag dit
                    argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                    zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de
                    maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake indien
                    toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                            uren;</al></li><li nr="b."><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c."><al>van rooster-technische aard.</al></li></lijst><al>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof (T)</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald verlof
                    geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. Omdat een eventuele maandelijkse
                    uitkering van het levenslooptegoed van artikel 6a:9 CAR niet kan worden
                    aangemerkt als salaris vindt over de opgenomen uren van onbetaald verlof ook
                    geen opbouw van de vakantietoelage, levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering
                    plaats.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook
                    gedacht worden aan een kinderopvangvergoeding, kostenvergoeding en een
                    verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een telefoon. Het college draagt zorg
                    voor de aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de uitkeringsrechten
                    van de ambtenaar na de periode van verlof. In de sociale zekerheidswetgeving is
                    immers bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende
                    arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een
                    uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Echter wanneer
                    het college gedurende de periode van onbetaald verlof van de ambtenaar een
                    vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil
                    verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                    situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar
                    betaalt zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel. Het college draagt zorg
                    voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht gedurende de gehele
                    periode van verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode
                    van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan betaalt de ambtenaar
                    enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij verlof van maximaal drie
                    maanden door het college betaald. Bij deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato
                    vastgesteld.</al><al>De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is geregeld in het
                    pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de premieverdeling tussen
                    het college en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven in welke mate pensioen
                    wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en hoe het college de premie
                    moet verhalen op de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Pensioen opbouwen</vet></al><lijst><li nr=""><al><cursief> Onbetaald verlof zonder levensloopuitkering</cursief>
                                    Bij onbetaald verlof zonder levensloopuitkering vindt gedurende
                                    de gehele verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen
                                    sprake van verlof is (artikel 3:4, eerste lid, van het
                                    pensioenreglement). De ambtenaar blijft dus ongewijzigd pensioen
                                    opbouwen.</al></li><li nr=""><al><cursief>Onbetaald verlof met levensloopuitkering</cursief></al></li><li nr="§"><al>Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan 70% van het
                                    inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof
                                    was gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het inkomen dat
                                    zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was gegaan.
                                    Dit is alleen in het eerste jaar. Daarna stopt de opbouw. De
                                    ambtenaar heeft dan wel de keuze om nog pensioen op te bouwen op
                                    basis van een individueel vastgestelde premie.</al></li><li nr="§"><al>Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van het inkomen
                                    dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met verlof was
                                    gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op de
                                    levensloopuitkering die de medewerker geniet. Ook in deze
                                    situatie geldt dat na één jaar de ambtenaar kan kiezen voor
                                    voortzetting van pensioenopbouw op basis van een individuele
                                    premie. Dit is bepaald in artikel 16.6 van het
                                    pensioenreglement.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Premieafdracht pensioen</vet> Als een ambtenaar onbetaald verlof
                            opneemt (ongeacht of het wordt gefinancierd door levenloop) voor een
                            periode korter dan drie maanden dan blijft de premieafdracht
                            ongewijzigd. Het college betaalt dus 70% van de premie en de ambtenaar
                            30% (voor de FPU-premie geldt 50%-50%). Als de ambtenaar onbetaald
                            verlof wil opnemen voor langer dan drie maanden betaalt hij vanaf de
                            eerste verlofdag de volledige pensioenpremies zelf. Als de ambtenaar het
                            verlof financiert met levenloop dan stopt de pensioenopbouw op basis van
                            de doorsneepremie van het ABP na één jaar. De ambtenaar kan ervoor
                            kiezen om de opbouw voort te zetten. Hij betaalt dan zelf de volledige
                            individuele premie. Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet
                            met levensloop dan loopt de pensioenopbouw ook na één jaar door op basis
                            van de doorsneepremie van het ABP. De ambtenaar betaalt de volledige
                            premie zelf. Voor de pensioenvormen ANW, AAOP
                            (arbeidsongeschiktheidspensioen) en FPU (VUTfondsbijdrage) vindt geen
                            opbouw plaats. Er moet wel premie worden afgedragen. Met die premie
                            worden de uitkeringen gefinancierd van (ex)-deelnemers van het ABP die
                            recht hebben op die uitkering. Hieraan kunnen de premiebetalers geen
                            rechten ontlenen.</al></li><li nr="3."><al><vet>Verhalen premie</vet> Het verhaal van de premie op de ambtenaar
                            moet op een van de volgende manieren:</al><lijst><li nr="§"><al>Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof houdt het college daar de door de ambtenaar
                                    verschuldigde pensioenpremie direct op in.</al></li><li nr="§"><al>Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat het college moet verhalen
                                    op de ambtenaar niet verrekend worden met een betaling vanuit de
                                    gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte (T)</al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet verzekerd
                    voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in die periode geen loon en
                    daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De werknemer
                    ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de
                    Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18 maanden
                    duurt.</al><al>Lid 1</al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee weken. Op
                    grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn functie
                    niet meer kan vervullen wegen ziekte.</al><al>Lid 2</al><al>Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                    ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende
                    gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn
                    wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z. verlof dat niet
                    voorafgaand aan pensionering wordt genoten.</al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof niet stopt
                    bij ziekte. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof
                    de dag dat de ambtenaar zijn functie weer zou kunnen gaan vervullen na de
                    periode van verlof als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</al><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                    recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere
                    karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij
                    samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de periode van het
                    verlof een uitkering geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel
                    6a:9 CAR wordt deze uitkering bij aanvang van het zwangerschaps- of
                    bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op
                    grond van artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden
                    opgenomen voor zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van de
                    werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de ambtenaar
                    die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van artikel 6:6 CAR
                    het volledige salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n)
                    doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><al>6a De gemeentelijke levensloopregeling</al><al> Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> De levensloopregeling zoals die is opgenomen in artikel 19g
                    van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg is
                    per 1 januari 2006 in werking getreden. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                    2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere uitvoeringsbepalingen met
                    betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven. Daarin is onder meer
                    verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk vastgelegde
                    levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke verplichting is door het LOGA
                    uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is in artikel
                    6a:7 CAR de zogenaamde levensloopbijdrage opgenomen, een werkgeversbijdrage die
                    de ambtenaar kan sparen in het kader van de gemeentelijke
                    levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in de
                    CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de levensloopregeling
                    rechtstreeks van toepassing zijn op gemeenteambtenaren. In de CAR zijn alleen
                    die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht zijn of aanvullende
                    afspraken bieden. Van dit principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede
                    komt van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling. Hieronder een
                    globaal overzicht van de levensloopregeling zoals die is vastgelegd in de
                    bovenstaande wettelijke regelingen.</al><al><vet><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief></vet> Het doel van de
                    wettelijke levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid te bieden om op
                    individuele basis een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed - om
                    eerder met pensioen te gaan of (meerdere) periodes van onbetaald verlof te
                    financieren. Elke vorm van onbetaald verlof is toegestaan. De voorziening kan
                    bestaan uit een saldo op een bankrekening of een afgesloten
                    levensloopverzekering.</al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen in
                    de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de regeling houdt overigens
                    niet automatisch in dat er recht op verlof bestaat. De werkgever zal toestemming
                    voor het verlof moeten geven in overeenstemming met de bestaande
                    rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande wettelijke regelingen
                    inzake verlof zoals de Wet arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR-UWO is
                    opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden de ambtenaar recht heeft op
                    onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht op niet doelgebonden onbetaald
                    verlof opgenomen.</al><al><vet><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief></vet> De hoogte van het
                    levenslooptegoed is gebonden aan een wettelijk maximum. De ambtenaar mag
                    maximaal 210% van zijn bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog niet is
                    bereikt mag de werknemer jaarlijks maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon
                    dat in dat jaar door hem wordt verdiend. Zelfs als het tegoed daardoor in de
                    loop van het jaar uitstijgt boven 210% van het bruto jaarloon. Bepalend is de
                    hoogte van het levenslooptegoed per 1 januari.</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief> Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling
                    en een bruto jaarloon van € 25.000. Op 1 januari van jaar x bedraagt zijn
                    levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten en behaalde
                    vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon in
                    jaar x- /-1. Daarom mag A in jaar x nog 12% van zijn jaarloon in jaar x sparen
                    binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A € 3.000 (12% *€25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief> Per 31 december van jaar x bedraagt het
                    levenslooptegoed van ambtenaar A € 52.000 + (stel 4% rente) € 2.080 + € 3.000
                    (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210% van het jaarloon
                    zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen
                    meer sparen. Ook niet als hij een salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen - totdat het levenslooptegoed weer lager is
                    dan het maximum - geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in die
                    periode wel verder worden overschreden door oprenting of toename van de waarde
                    van de levensloopverzekering.</al><al><vet><cursief>Let op:</cursief></vet><cursief> uitzondering in het geval van
                        demotie </cursief> Als in het voorafgaande kalenderjaar een
                    salarisvermindering heeft plaatsgevonden mag op grond van de wet bij de
                    beoordeling of nog kan worden doorgespaard van het niet verminderde salaris
                    worden uitgegaan, mits die salarisvermindering het gevolg is van het aanvaarden
                    van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager gekwalificeerde
                    functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voor de ingangsdatum van het
                    pensioen. Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband na het aanvaarden
                    van een deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de omvang van het
                    dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de pensioendatum
                    ligt.</al><al><vet><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        spaarperiode</cursief></vet> De werkgever houdt bij deelname van de
                    werknemer aan de levensloopregeling maximaal 12% in op het brutoloon van de
                    werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever gestort op een geblokkeerde
                    levenslooprekening of levensloopverzekering naar keuze en op naam van de
                    ambtenaar. Over deze stortingen is geen loonheffing (loonbelasting en premies
                    volksverzekeringen) verschuldigd. Bij de levensloopregeling is namelijk de
                    omkeerregel van toepassing. Deze houdt in dat over de bedragen die worden
                    gespaard geen loonheffing verschuldigd is en dat heffing pas plaatsvindt op het
                    moment dat deze bijdragen tot uitkering komen. Ook is over deze bedragen geen
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage verschuldigd zoals bedoeld in artikel
                    41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen zijn wel de gebruikelijke premies
                    werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><vet><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        verlofperiode</cursief></vet> Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden
                    gebruikt om eerder met pensioen te gaan of om periodes van onbetaald verlof te
                    financieren. Op dat moment maakt de instelling waar het levenslooptegoed is
                    ondergebracht het tegoed (periodiek) over naar de werkgever. De werkgever houdt
                    de verschuldigde loonheffing en de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in
                    en maakt het resterende tegoed (periodiek) aan de werknemer over. De werkgever
                    is op grond van de wet verplicht de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage te
                    vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                    heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                    bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed recht op
                    een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting
                    moet door de werkgever in mindering worden gebracht op de verschuldigde
                    loonheffing. De korting is nooit hoger dan het bedrag dat wordt opgenomen van
                    het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen recht op de korting bij opname
                    van verlof.</al><al>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                    pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                    levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke instelling hij
                    de levenslooprekening (of-verzekering) wil onderbrengen. Onder levenslooptegoed
                    valt niet alleen het levenslooptegoed dat de ambtenaar in zijn ambtelijke
                    dienstverband opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed opgebouwd bij een
                    andere inhoudingsplichtige.</al><al>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het college kan de deelname
                    enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen zoals die zijn gesteld in
                    artikel 6a:4 CAR. Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de
                    ambtenaar deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling tot dat de deelname
                    wordt beëindigd op grond van artikel 6a:8 CAR. Het college heeft wel de
                    wettelijke mogelijkheid om inhoudingen op het loon ten behoeve van de
                    levensloopregeling te corrigeren als blijkt dat de grenzen van artikel 19g van
                    de Wet op de loonbelasting 1964 worden overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van artikel
                    7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per jaar
                    melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het college
                    of hij bij een of meer gewezen werkgevers/inhoudingsplichtigen een
                    levenslooptegoed heeft opgebouwd. Indien de ambtenaar meerdere dienstverbanden
                    heeft, hoeft hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd bij andere
                    inhoudingsplichtigen niet door te geven aan het college.</al><al><cursief>Algemeen</cursief> De werkgever bij wie het levenslooptegoed is
                    opgebouwd, is ook inhoudingsplichtig met betrekking tot de over het
                    levenslooptegoed verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                    ziektekostenbijdrage op grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in
                    beginsel ook indien de werknemer niet meer in dienst is bij deze
                    inhoudingsplichtige. Echter, indien de werknemer een nieuwe dienstverband
                    aanvaardt, wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe
                    werkgever. Met andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het bij de oude werkgever opgebouwde levenslooptegoed. Dit is
                    slechts anders indien:</al><lijst><li nr="§"><al>de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling van de nieuwe
                            werkgever; of,</al></li><li nr="§"><al>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij een andere
                            inhoudingsplichtige met wie de werknemer op dat moment een dienstverband
                            heeft. Dit kan het geval zijn als de werknemer al in dienst is bij een
                            andere werkgever.</al></li></lijst><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                    binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee waarvoor
                    hij geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn. Indien de werknemer aan d</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief> Ambtenaar X heeft bij werkgever A een
                    levenslooptegoed opgebouwd van € 30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en
                    aanvaardt een nieuw dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X neemt geen deel
                    aan de levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens
                    uitsluitend een uitkering ineens toegestaan zoals bij afkoop het geval is (zie
                    artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen verlof
                    meer verlenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en
                    aanvaardt een nieuw dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook bij de
                    nieuwe werkgever deelnemen aan de levensloopregeling. Het levenslooptegoed van €
                    30.000 wordt nu geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B is
                    inhoudingsplichtig ten aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of het
                    totale levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. Het
                    levenslooptegoed kan blijven staan bij de eerder gekozen levensloopinstelling
                    waar het is opgebouwd.</al><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief> Ambtenaar X gaat naast zijn dienstverband met
                    werkgever B een tweede dienstverband aan met werkgever C. Ook bij deze werkgever
                    gaat de ambtenaar deelnemen aan de levensloopregeling. Omdat werkgever B al
                    inhoudingsplichtig is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft
                    werkgever C geen rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft
                    werkgever C ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief> Ambtenaar X neemt deel aan zowel de
                    levensloopregeling van werkgever B als werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B
                    bedraagt € 15.000, zijn inkomen bij werkgever C bedraagt € 20.000. Beide
                    werkgevers moeten ieder kalenderjaar toetsen of het maximum is bereikt om te
                    bepalen of de werknemer nog mag sparen in het betreffende kalenderjaar. Bij
                    werkgever B bedraagt het levenslooptegoed op 1 januari € 30.000. Dit is minder
                    dan 210% van het bruto jaarloon zijnde € 15.000. Daarom mag X in het aankomende
                    kalenderjaar nog 12% van € 15.000 sparen binnen de levensloopregeling bij
                    werkgever B. Bij werkgever C heeft de ambtenaar nog geen levenslooptegoed
                    opgebouwd. Bij werkgever C mag de ambtenaar daarom in het aankomende
                    kalenderjaar 12% van € 20.000 sparen binnen de levensloopregeling.</al><al>Lid 3</al><al>Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling na
                    afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het levenslooptegoed van de
                    ambtenaar te verstrekken aan het college. De reden hiervoor is dat het college
                    moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens
                    blijft. De verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college niet
                    inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de ambtenaar bij
                    meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een levensloopregeling.</al><al>Artikel 6a:5 Inleg (T)</al><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                    sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op de
                    jaaropgave. Als de werknemer meerdere dienstverbanden naast elkaar heeft, geldt
                    het maximum per dienstverband. Het wettelijke maximum van 12% geldt niet voor de
                    ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd
                    van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                    overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de
                    maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn
                    uitbetaald.</al><al>Artikel 6a:6 Bronnen (T)</al><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking van
                    de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder het fiscale loon vallen
                    als bron aangewezen. Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat
                    luidde voor 1 april 2006 kan alleen worden ingezet indien het college in
                    samenspraak met de ambtenaar tot het besluit is gekomen dat het verloftegoed
                    wordt omgezet in een geldbedrag.</al><al>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage (T)</al><al>Lid 1</al><al>Alle ambtenaren zoals genoemd in het eerste lid hebben recht op de
                    levensloopbijdrage, ongeacht of er wordt deelgenomen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling. De ambtenaar kan er voor kiezen om de bijdrage niet voor de
                    levensloopregeling aan te wenden. De bijdrage wordt in dat geval, na inhouding
                    van de verschuldigde loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage, uitbetaald tegelijk met het
                    salaris.</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage bedraagt 1,5% x het salaris op jaarbasis.
                    Voor degenen met een deeltijdaanstelling of arbeidsovereenkomst wordt de
                    levensloopbijdrage conform het salaris vermenigvuldigd met de
                    deeltijdfactor.</al><al>De levensloopbijdrage is geen salaristoelage en behoort daarom niet tot de
                    grondslag voor de berekening van de vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding
                    zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR. Ook behoort de bijdrage niet tot de
                    grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de uitkering niet kan worden
                    aangemerkt als salaris zoals gedefinieerd in artikel 1:1 lid 1.</al><al>De werkgeversbijdrage voor de levensloop geldt als vervanging van de FPU
                    Gemeenten. De ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met
                    FPU is gegaan heeft recht op de FPU Gemeenten en blijft dit recht houden. Daarom
                    hebben zij geen recht op de werkgeversbijdrage voor de levensloop.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Deze leden gelden voor de ambtenaar die op of na 1 januari 2006 in dienst is
                    getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op
                    functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                    december 2005.</al><al>Wanneer de ambtenaar binnen 20 jaar een andere, niet bezwarende, functie
                    aanvaardt, is hoofdstuk 9a niet meer van toepassing en valt deze ambtenaar onder
                    de reguliere levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De levensloopbijdrage van 2,5% eindigt in ieder geval na 20 jaar.</al><al>Wanneer het college en de ambtenaar gezamenlijk besluiten dat de tweede loopbaan
                    na 20 jaar nog niet begonnen wordt (conform artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel
                    b), kan de levensloopbijdrage van 2,5% worden voortgezet.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf augustus van dat
                    jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet het gehele
                    kalenderjaar in dienst zijn, wordt een levensloopbijdrage betaald over dat
                    gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn
                    geweest.</al><al>Lid 6</al><al>In artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP is opgenomen dat de werkgeversbijdrage voor levensloop van
                    0,8% van het salaris ingevolge het Hoofdlijnenakkoord van 5 juli 2005 niet
                    pensioengevend is, tenzij de sector anders besluit. Als de werkgeversbijdrage in
                    de levensloop de 0,8% te boven gaat is het meerdere wel pensioengevend, tenzij
                    de sector anders besluit. In het CAO-onderhandelaarsakkoord 2005- 2007 heeft het
                    LOGA ten aanzien van ambtenaren in niet-bezwarende functies afgesproken dat de
                    0,8% ook pensioengevend is. Voor de sector Gemeenten geldt dus voor ambtenaren
                    in niet-bezwarende functies dat de gehele levensloopbijdrage in de
                    levensloopregeling tot de pensioengrondslag behoort en hierover pensioen wordt
                    opgebouwd. Of de medewerker deze bijdrage daadwerkelijk laat inleggen in zijn
                    individuele levensloopregeling of laat uitbetalen door de werkgever is hierbij
                    niet relevant.</al><al>Voor ambtenaren die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                    bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                    is - in het tweede lid - een afwijkende levensloopbijdrage vastgesteld. Hiervan
                    is dat percentage pensioengevend, dat ambtenaren in niet-bezwarende functies
                    ontvangen.</al><al>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop van
                    tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden (zie artikel 6a:3 CAR).
                    De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per jaar een melden dat hij
                    wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al>Lid 2</al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    in ieder geval beëindigd wordt.</al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de werknemer met
                    ingang van de dag dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling eindigt op de dag voordat zijn dienstverband
                    eindigt. Als de medewerker het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor
                    die datum, heeft hij twee keuzes. In de eerste plaats kan het levenslooptegoed
                    contant worden opgenomen door de medewerker onder inhouding van de verschuldigde
                    loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage (als loon uit een
                    vroeger dienstverband). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed te
                    besteden aan het verbeteren van het ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale
                    ruimte is.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die de
                    instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed is ondergebracht.</al><al>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed (T)</al><al>Als het levenslooptegoed wordt opgenomen voor andere reden dan voor een periode
                    van verlof dan is melding 3 maanden vooraf niet nodig. De gemeente wordt in die
                    situatie namelijk niet geconfronteerd met onverwachte kosten of onverwachte
                    afwezigheid. Bij opname van levenslooptegoed zijn de bepaling in de Wet op de
                    Loonbelasting 1964 en de Wet Inkomstenbelasting van toepassing.</al><al>Indien de ambtenaar het levenslooptegoed wil inzetten voor verlof moet het
                    college op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed (periodiek) uitkeren
                    aan de ambtenaar gedurende een periode van verlof. Op de uitkering bij verlof
                    wordt de eventueel verschuldigde loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage,
                    pensioenpremies en eventuele andere inhoudingen ingehouden. De ambtenaar meldt
                    het college drie maanden voor de gewenste ingangsdatum dat hij over (een deel
                    van) zijn levenslooptegoed wil beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn
                    die geldt voor de aanvraag van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR).
                    De aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om
                    onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts
                    tot uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof
                    wordt toegekend. De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt
                    het tegoed alleen over naar het college voor zover het college en de ambtenaar
                    samen daarvoor toestemming hebben verleend. Aan de hoeveelheid levenslooptegoed
                    die een werknemer per maand kan opnemen is een limiet gesteld. Het opgenomen
                    bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan
                    de verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1.000
                    verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan levenslooptegoed opnemen
                    voor de financiering van 1 maand onbetaald verlof. Er moet daarbij ook rekening
                    worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt
                    deze werknemer tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog
                    maar € 500 van zijn levenslooptegoed opnemen. Het laatstgenoten loon is het
                    reguliere loon dat voorafgaand aan de verlofperiode van de werkgever werd
                    ontvangen. Hierbij mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden
                    algemene salarisstijgingen. Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het
                    laatstgenoten loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden gehouden
                    met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige. De opname van het
                    levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als salaris. Daarom behoort de
                    opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening van de
                    vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR.
                    Ook behoort de opname niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de
                    uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals gedefinieerd in artikel
                    1:1 lid 1.</al><al>Voor de opname van het levenslooptegoed voor andere bestedingsdoelen zijn geen
                    verdere bepalingen nodig. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk om het
                    levenslooptegoed binnen de fiscale mogelijkheden in te zetten voor de opbouw van
                    extra pensioen.</al><al>Artikel 6a:10 Slotbepaling (T)</al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder hoofdstuk
                    9 en 9b. Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel
                    leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar die op grond van
                    artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel FLO-ontslag wordt
                    verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het overgangsrecht
                    personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken zijn gemaakt, hebben zij
                    geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%. Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is
                    van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="§"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps of bij
                            een ambulancedienst; en</al></li><li nr="§"><al>op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor door het college
                            krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="§"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken een functie heeft vervuld, op grond
                            waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                    hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de ambtenaar
                    die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een leeftijdsgrens was
                    bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt wel onder hoofdstuk
                    6a.</al><al>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte en zwangerschap en bevalling</al><al>Artikel 7:1 Definities (T)</al><al>Lid 1</al><al>Sub a</al><al>De definitie van passende arbeid komt overeen met de definitie die sinds de
                    invoering van de Wet Verbetering Poortwachter in artikel 658a van boek 7, titel
                    10, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. In zijn algemeenheid dient de vraag
                    wat passende arbeid is in elk concreet geval aan de hand van de omstandigheden
                    te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat het bij passende arbeid moet gaan
                    om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op
                    onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de afstand
                    tot het werk, het salarisniveau en hetgeen waartoe de ambtenaar nog in staat is.
                    Hierbij geldt dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere
                    oriëntatie ten aanzien van de te verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate
                    de duur van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de
                    ambtenaar worden verlangd dat hij concessies doet met betrekking tot de door hem
                    te verrichten werkzaamheden, als reïntegratie in de eigen functie niet tot de
                    mogelijkheden behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet
                    als passend moet worden aangemerkt, op een later moment -door wijziging van de
                    omstandigheden- wel als passend kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen,
                    of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden
                    verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede dat werkgever en
                    ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar
                    tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                    belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook overigens in
                    redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer diens
                    arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet
                    meer tot de reële mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet
                    in eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst
                    overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid
                    noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de
                    ambtenaar worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden
                    arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip
                    passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al>De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste instantie
                    ter beoordeling van de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan raadplegen om te
                    kunnen beoordelen wat (gegeven de gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag
                    worden gevraagd. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid die hij
                    voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden aangemerkt, kan hij
                    daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI, een oordeel
                    vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze
                    mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat wanneer
                    de werkgever besluit op grond van artikel 7:14, tweede lid, onder b, het salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n) niet uit te betalen, deze alsnog aan de
                    ambtenaar moet worden uitbetaald als de ambtenaar op grond van de second opinion
                    ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt
                    gesteld. Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de
                    werkgever - als de ambtenaar ziek is - te zoeken naar passende arbeid (artikel
                    7:9). Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer
                    deze wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                    weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al>Lid 1</al><al>Sub b</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden verricht met oog op terugkeer
                    in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die uren ingevolge artikel 7:3,
                    zesde lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen
                    arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere
                    afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake
                    deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. Bij het maken
                    van de afspraken tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het
                    aantal uren dat een ambtenaar op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de
                    aanvangs- en vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en
                    wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van
                    aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze worden
                    aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering
                    van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie te aanvaarden
                    te sanctioneren.</al><al>Lid 1</al><al>Sub c</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met het oog op terugkeer in
                    zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder d,
                    over deze uren recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n). Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk
                    maakt dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan
                    verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in staat stelt een
                    passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing moeten de
                    ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door
                    een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De
                    afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9. De
                    ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden
                    (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een
                    ambtenaar scholing in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te
                    sanctioneren.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat artikel 7:24a,
                    7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de ambtenaar met een
                    arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van toepassing is op de ambtenaar
                    die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                    praktische opleiding of vorming.</al><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek (T)</al><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                    bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader regelen. Dat
                    betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige begeleiding in de
                    artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is uitgewerkt.
                    UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze
                    UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor zover noodzakelijk. Voor
                    alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                    uitgewerkt.</al><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst (T)</al><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich bij de
                    begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te
                    verrichten te laten bijstaan door een deskundige die gecertificeerd is op het
                    terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde of een arbo-dienst. Dit houdt
                    onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering van de
                    reïntegratieverplichtingen ingevolge de WIA de bovengenoemde deskundige of de
                    arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen om een probleemanalyse en een
                    advies, die de basis vormen van het plan van aanpak, dat na 8 weken ziekte
                    opgesteld moet zijn.</al><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek (T)</al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan een
                    geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer
                    bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek aanleiding vormt voor
                    de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede gezondheid geniet. Het
                    kan voor de werkgever ook van belang zijn te weten of de ongeschiktheid voor een
                    functie een medische oorzaak heeft. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de
                    ambtenaar verplicht zich aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen, in artikel
                    7:13:2 is de sanctie neergelegd indien de ambtenaar weigert zich te onderwerpen
                    aan een dergelijk onderzoek.</al><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar (T)</al><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                    bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    De brochure 'Slim omgaan met subsidies voor arbeidsgehandicapten' van het A+O
                    fonds geeft hierover uitgebreide informatie.</al><al>Artikel 7:3 Recht op salaris (T)</al><al><vet>Inleiding</vet> Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt
                    aangesloten bij de jurisprudentie zoals die door de Centrale Raad van Beroep is
                    gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor een recht op ziekengeld
                    moet een verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                    ziekte. Onder het begrip 'ongeschiktheid tot werken' verstaat de Centrale Raad
                    het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen
                    verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert de Centrale
                    Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de Centrale Raad,
                    sprake zijn van een 'de gezondheidstoestand ongunstig beïnvloedend procesmatig
                    gebeuren'.</al><al>Lid 1, 2, 3 en 4</al><al>In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime van de
                    hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte weergegeven. Met ingang van de
                    eerste ziektedag wordt het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedurende
                    zes maanden volledig doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende
                    maand tot en met de twaalfde maand recht op 90% van zijn salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n). Na twaalf maanden van ziekte heeft de ambtenaar
                    recht op 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Na 24 maanden
                    van ziekte heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) tot het einde van zijn dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4,
                    die de hoogte van de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) bepalen, tijdens ziekte zijn hier niet van toepassing. In
                    artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof recht heeft op de doorbetaling van haar volledige salaris en
                    de toegekende salaristoelage(n). Dit geldt ook als de ambtenaar ziek is tijdens
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    heeft met andere woorden voorrang boven de financiële aanspraken die gelden
                    tijdens ziekte.</al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                    ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de perioden van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof en daarna.</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet is de loondoorbetalingsverplichting bij een zieke
                    ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, korter. Tot 2018 is
                    deze termijn 13 weken waarna ontslag kan volgen. Wordt de ambtenaar niet
                    ontslagen, dan loopt de loondoorbetalingsperiode ook langer door. In 2018 wordt
                    de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt de
                    loondoorbetalingstermijn mogelijk verkort.</al><al>Lid 6</al><al>De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing in
                    het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid,
                    onderdelen a, b en c. </al><al>Lid 7</al><al>Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak bestaan
                    op het gehele salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Lid 8</al><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten minste 50%
                    van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in het kader
                    van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt als genoemd in het zesde lid,
                    heeft recht op een bonus van 5%, berekend over het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) waarop hij recht heeft ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft
                    naast de betaling van 100% over de gewerkte uren en uren van scholing in het
                    kader van de reïntegratie een extra reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een
                    ambtenaar heeft in het eerste ziektejaar geen recht op de bonus.</al><al>Lid 10</al><al>Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari 2005,
                    vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke behandeling
                    tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de periode vanaf het begin van de
                    zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de
                    zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag
                    worden voor de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met
                    het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de medewerkster die
                    zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd worden met een verlaging
                    van haar beloning. Deze verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom
                    strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In het tiende lid is daarom geregeld
                    dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als bedoeld
                    in het eerste tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer
                    duurt voordat de beloning van betrokkene op een lager niveau gesteld wordt.</al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><vet><cursief>Voorbeeld</cursief></vet> Een medewerkster is met ingang van 1
                    februari 2006 ziek vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei
                    2006 (zij is dan 3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens
                    zwangerschapsklachten (minder dan 4 weken van herstel) en herstelt hiervan met
                    ingang van 15 juni 2006 (1 maand ziek). Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor
                    4 maanden uit wegens een hernia (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van
                    de samentelregeling uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er
                    minder dan 4 weken van herstel tussen ligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster
                    dan met ingang van 1 september 2006 (dan zijn in totaal - de korte periodes van
                    herstel niet meegerekend - 6 maanden van ziekte verstreken), recht hebben op 90%
                    van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n). De periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode van de hoogte van de
                    loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand zwangerschapsgerelateerd
                    ziek geweest. Als gevolg hiervan wordt haar beloning met ingang van 1 oktober
                    2006 naar 90% bijgesteld.</al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode bedoeld in
                    het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker 7 maanden ziek is en na
                    3 weken herstel zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan heeft zij op grond van
                    het tweede lid van dit artikel recht op 90% doorbetaling van haar salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte. De
                    periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de
                    periode waarover de hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op. Ingevolge
                    artikel 29a van de Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op ziekengeld ter hoogte van 100% van
                    haar dagloon. In artikel 7:19 is de samenloop van beloning tijdens ziekte met
                    het ziekengeld geregeld.</al><al>Lid 11</al><al>Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg dat
                    ziekteperioden die onderbroken worden door het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door het
                    verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                    ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct aansluit
                    op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte moet redelijkerwijs
                    worden geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden deze perioden
                    samengeteld.</al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) op 15 juli 2006 (dit is zes maanden + 2 weken na 1 januari
                    2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 15 januari 2007 wordt het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75 % en per 15
                    januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer
                    ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 26 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen
                    van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) op 26 oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006) wordt
                    teruggebracht naar 90%. Op 26 april 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht
                    naar 75% en per 26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de beloning begint te
                    lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli 2006)
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot 90%. Op
                    19 juli 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19 juli 2008
                    naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20
                    augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij
                    is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    terugbrengen van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) op 21 oktober 2006 (dit is 6 maanden + 16 weken na
                    1 januari 2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt deze
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het
                    terugbrengen van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari
                    2007 (dit is 6 maanden na 21 augustus 2006) het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt deze
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al>Lid 12</al><al>Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in een
                    andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling (artikel 7:16,
                    tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de aanstelling een
                    nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze aanstelling beginnen
                    de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen.</al><al>Lid 13</al><al>Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                    salarisbetaling nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is hieraan
                    uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1 bevatten
                    bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het tussentijds
                    stopzetten van de salarisbetaling.</al><al>Lid 14</al><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een korting op het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet redelijk is en besluiten tot
                    doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Deze
                    afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een zodanige
                    gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens objectieve
                    medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een besluit neemt, kan advies
                    worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de ambtenaar
                    levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig gevaar loopt.</al><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst (T)</al><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                    arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                    dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA- of
                    IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald
                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), genoten in het
                    jaar voorafgaand aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de mate
                    van arbeidsongeschiktheid.</al><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</al><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de
                    vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                    overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning in een
                    lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het ligt voor de hand om dit in het
                    lokale beloningsbeleid te regelen.</al><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging (T)</al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                    artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard van
                    het onderwerp ligt het voor de hand om dit in het lokale beloningsbeleid te
                    doen.</al><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                    artikel 2:7a (T)</al><al>Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40 uur
                    werkt kan hij verplicht worden tot aanvaarding van een functie voor (maximaal)
                    40 uur, voor zover en zolang artikel 2:7a op hem van toepassing is. Na afloop
                    van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden een functie te accepteren
                    voor de formele arbeidsduur van 36 uur.</al><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van werkzaamheden in
                    het kader van de reïntegratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het
                    kader van de reïntegratie, bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onder b en c,
                    worden begrepen. Doel van deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan
                    wel plaatsing in een passende functie.</al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de werkgever
                    de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk, voor te zorgen dat de
                    ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan verrichten (eerste spoor). Als bij
                    de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden is, moet de werkgever
                    (laten) zoeken naar passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De
                    tekst van artikel 7:9 komt overeen met de tekst van artikel 658a van boek 7,
                    titel 10 van het Burgerlijk Wetboek. Het is mogelijk dat de werkgever en de
                    werknemer van mening verschillen over de aanwezigheid van passende arbeid.
                    Artikel 30, eerste lid, onder f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen bepaalt dat de werknemer of de werkgever UWV kan verzoeken een
                    onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over de aanwezigheid van
                    passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in staat is te
                    verrichten.</al><al>Lid 3</al><al>In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen voor
                    werkgever en werknemer opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het
                    opstellen van een plan van aanpak, dat opgesteld moet worden op het moment dat
                    sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet volgen
                    op een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte moet
                    worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van aanpak zijn
                    opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke maatregelen in het kader van het
                    herstel van de ambtenaar getroffen worden.</al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing moeten
                    worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken
                    van de afspraken bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de
                    bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al>Lid 4</al><al>In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                    verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen van
                    dat verzuimprotocol vastgesteld. In de ledenbrief van 26 november 2002, Lbr.
                    02/167 is een handreiking gedaan voor een verzuimprotocol. De verplichte
                    elementen maken daar onderdeel van uit.</al><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                    (T)</al><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de salarisbetaling.
                    Dit is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                    (T)</al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het derde
                    ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en reïntegratie voor de ambtenaar
                    gelden. Op overtreding van deze verplichtingen staat een sanctie. Deze sancties
                    zijn opgenomen in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag is in nader gespecificeerde
                    situaties ook mogelijk binnen 24 maanden na ziekte).</al><al>Lid 1</al><al>In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid, onderdeel
                    a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen medewerking te verlenen aan
                    zijn reïntegratie. Dit artikel is opgenomen in de CAR om hiermee uitdrukking te
                    geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het kader van preventie
                    ziekteverzuim en reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering
                    poortwachter, die op 1 april 2002 in werking is getreden. De tekst van het
                    eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd (zie
                    artikel 7:9). Het artikel verplicht de ambtenaar actief mee te werken aan het
                    reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de ziekte als lopende het
                    reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar gevolg moet geven
                    moeten onder andere werkzaamheden en scholing in het kader van de reïntegratie
                    worden verstaan (zie artikel 7:9, tweede lid). </al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                    sanctie op het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van deze arbeid is
                    neergelegd in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag binnen dan wel na 24 maanden na de
                    eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van passende
                    arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV kan
                    verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel een oordeel te geven over de
                    aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in
                    staat is te verrichten.</al><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</al><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege de
                    bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen te
                    kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het medisch onderzoek verricht, deelt
                    de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan betrokkene en aan het college. Op
                    overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer het
                    onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van verwijtbaar gedrag
                    van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling (T)</al><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling van
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Het gaat hierbij om situaties
                    waarin al vrij snel na de eerste ziektedag bekend is dat:</al><lijst><li nr="§"><al>de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                            opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene verwijtbaar
                            is;</al></li><li nr="§"><al>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige keuring,
                            waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens onjuiste informatie
                            omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt, zodanig dat de
                            verklaring dat tegen de vervulling van zijn functiegeen medische
                            bezwaren bestaan, niet afgegeven zou zijn.</al></li></lijst><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld kunnen
                    worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat er vanaf de
                    eerste dag van ziekte geen recht op salarisbetaling.</al><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling (T)</al><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding van de
                    verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies
                    die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken kunnen worden. De in
                    deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de
                    situatie weer hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) weer gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd in
                    artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van
                    artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie te
                    verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de
                    ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van dat
                    gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de betaling
                    van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt gestaakt wanneer
                    bijvoorbeeld de ambtenaar nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen
                    of zich niet houdt aan voorschriften van behandelende geneeskundigen.</al><al>Als de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke
                    toestand, vindt doorbetaling wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit
                    om de salarisbetaling te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de
                    ambtenaar.</al><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar (T)</al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast. Wanneer de situatie weer
                    hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                    ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                    verplichtingen, te weten:</al><lijst><li nr="§"><al>het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al></li><li nr="§"><al>het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals het
                            verrichten van werkzaamheden en scholing in het kader van de
                            reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen b en c)
                            die door het college gesteld kunnen worden;</al></li><li nr="§"><al>het niet meewerken aan het plan van aanpak en</al></li><li nr="§"><al>het weigeren van passende arbeid.</al></li></lijst><al>Lid 1</al><al>In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                    verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen. Dit
                    is uitgewerkt in de zin dat overtreding van de regels uit het verzuimprotocol
                    als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van hoofdstuk 16
                    gesanctioneerd kan worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de
                    ernst van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de gedragingen maakt deel uit
                    van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor de sanctie.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                    voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn gesteld, weigert
                    passende arbeid te verrichten of die weigert medewerking te verlenen aan de
                    totstandkoming, evaluatie en — eventueel — bijstelling van het plan van aanpak,
                    kan bestraft worden met inhouding van op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid van bestraffing met
                    ontslag na 24 maanden dan wel binnen 24 maanden na de eerste ziektedag (artikel
                    8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                    evaluatie en - eventueel - bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie op
                    het weigeren van passende of gangbare arbeid is gelijk aan de sanctie die sinds
                    de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel 629, boek 7,
                    titel 10, van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                    imperatief: de salarisbetaling wordt gestaakt wanneer de ambtenaar het
                    beschreven gedrag betoont.</al><al>Lid 3</al><al>Als de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid, geen verwijt gemaakt kan worden
                    op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling wel plaats. De
                    gemeente moet zich voor het besluit om de betaling van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) te staken dus vergewissen van de geestestoestand
                    van de ambtenaar.</al><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar (T)</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid het op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2 of
                    7:14 niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) aan anderen dan
                    aan de ambtenaar te betalen. Het kan hierbij gaan om betalingen die aan
                    familieleden worden gedaan. Ingevolge het tweede lid wordt het niet-uitbetaalde
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog uitbetaald wanneer de
                    ambtenaar na een door hem aangevraagde second opinion door het UWV in het gelijk
                    gesteld wordt.</al><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid (T)</al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende arbeid moet
                    verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet definitief
                    worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt dat wel.
                    Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24 maanden
                    voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de
                    ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat hij met de passende
                    arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en
                    4.</al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden van
                    lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet meer
                    zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten
                    (35% tot 80% arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude functie gehandhaafd blijft,
                            maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt opgedragen;</al></li><li nr="2."><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte wordt
                            gewijzigd; de oude functie van de ambtenaar komt te vervallen en deze
                            krijgt een nieuwe aanstelling in passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet>ad 1</vet> De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral voordoen in die
                    gevallen waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>terugkeer in de oude functie nog mogelijk wordt geacht en de ambtenaar
                            bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b."><al>(volledige) terugkeer in de oude functie niet mogelijk wordt geacht en
                            de ambtenaar tijdelijk een andere functie vervult, bijvoorbeeld bij
                            wijze van proef voorafgaand aan een definitieve herplaatsing.</al></li></lijst><al>Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                    aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de
                    ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd wordt. Ook
                    is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in de functie waarin hij ziek is
                    geworden. Over de uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij
                    recht op de doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b). </al><al><vet>ad 2</vet> Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een uitkering
                    ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de wachttijd voor
                    een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien het mogelijk zou zijn de zieke
                    medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende functie,
                    zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht heeft op
                    een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn nieuwe
                    functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een wijziging van de
                    aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van ziekte zijn verstreken.</al><al>In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende voorwaarden
                    opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde ziektejaar
                    definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee
                    voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie</al></li><li nr="2."><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het restverdiencapaciteit van
                            de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van
                            arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a."><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b."><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                    arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al>De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een
                    herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de situatie onder
                    1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de
                    aanstelling het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar
                    wordt aangepast aan het niveau en de omvang van het nieuwe dienstverband. Dit is
                    mogelijk op grond van artikel 3:5 lid 3.</al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie door
                    middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de
                    wijziging van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek wordt in
                    deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te lopen.
                    Indien de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling van het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) altijd uitgegaan van het salaris die
                    geldt voor die nieuwe functie.</al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie ten
                    aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate de duur
                    van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar
                    worden verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te
                    verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet tot de
                    mogelijkheden behoort.</al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de betaling van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) te staken, wanneer de ambtenaar zonder deugdelijke
                    grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de beoordeling van de
                    'deugdelijkheid' van de weigeringsgrond zal worden meegewogen of de arbeid wel
                    voldoet aan het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het zonder
                    deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan binnen 24
                    maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna plaatsvinden. Artikel 8:5a
                    biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al>Lid 3</al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde
                    ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige
                    restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan,
                    ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7 van hoofdstuk
                    10d).</al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste
                    ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de gemeente een functie
                    gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de medewerker
                    definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag.
                    Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden
                    als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie gevonden
                    is voor de volledige restverdiencapaciteit.</al><al>Lid 4</al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder dan 80%. In het
                    derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee ten
                    minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De uitkeringsrechten van
                    de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn
                    in dit geval groter, dan wanneer de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder
                    dan 50% van zijn restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te
                    ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde
                    ziektejaar binnen de gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan
                    formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van
                    de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente
                    een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit.</al><al><vet>Situationele arbeidsongeschiktheid</vet> In het geval de ambtenaar
                    situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen sprake zijn van
                    verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid
                    wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die hij
                    bekleedde, zij het bij een ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze
                    arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie
                    waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen.
                    Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van
                    artikel 7:14 en kan de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) gestaakt worden.</al><al>Lid 6</al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de termijn
                    van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn
                    van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                    door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan wel 12 maanden start
                    in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al>Lid 7</al><al>Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid vloeit voort
                    dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 en 12
                    maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken
                    door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al><al>Lid 8</al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><al><cursief>Ad a </cursief> Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op
                    uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te
                    melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de
                    wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering
                    gaat dan pas later in.</al><al><cursief>Ad b</cursief> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan
                    worden.</al><al><cursief>Ad c</cursief> Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al>Lid 9</al><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een kopie
                    van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt als belanghebbende een
                    kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid en het
                    resterend verdienvermogen genoemd worden.</al><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</al><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen, die het in mindering brengen
                    van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de
                    reïntegratie op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), nader regelen.
                    Dat betekent dat voor UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten uit
                    passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op het salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n), inhoudelijk in artikel 7:18:1 volledig is
                    uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan dit
                    UWO-artikel toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van een UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.</al><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit ander dienstverband (T)</al><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                    herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden (bijvoorbeeld
                    bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten in mindering gebracht
                    worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waarop hij ingevolge
                    artikel 7:3 aanspraak op heeft. Deze verrekening vindt als volgt plaats. In
                    overleg met de ambtenaar wordt vastgesteld hoeveel uren hij besteedt aan de
                    betreffende werkzaamheden. Op basis hiervan wordt de hoogte van de
                    loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3, vastgesteld. De inkomsten die de
                    ambtenaar verwerft, worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) in
                    mindering gebracht.</al><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is dat
                    er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op
                    een loondoorbetaling. Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW wordt evenwel
                    een uitzondering gemaakt voor de volgende categorieën werknemers in actieve
                    dienst:</al><lijst><li nr="§"><al>vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht op een
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="§"><al>medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun functie te
                            vervullen;</al></li><li nr="§"><al>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de eerste vijf
                            jaren na aanvang van het dienstverband ongeschikt worden hun functie te
                            vervullen.</al></li></lijst><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                    krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in
                    mindering gebracht wordt op het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                    waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW indien:</al><lijst><li nr="a."><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo (dus voor de ingang van
                            het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al></li><li nr="b."><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo, doch die uitkering nog
                            niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
                            haar arbeid. Dit betreft de periode tussen de zes en vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum. Indien de ingang van het
                            zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de vermoedelijke
                            bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar ziek (ongeacht of deze
                            ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan gaat het verlof op basis
                            van de Wazo in vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier
                            weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar gedurende veertien weken recht op een Wazo-uitkering;</al></li><li nr="c."><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste
                            lid, van de Wazo is geëindigd (dus na de afloop van het
                            bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de
                            daaraan voorafgaande zwangerschap.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                    verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste lid
                    gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100 % van het
                    dagloon in geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op een
                    uitkering hebben.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                    ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een boete
                    wordt opgelegd, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste
                    lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW aan de ambtenaar worden
                    opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de vermindering. Sancties en boetes in
                    het kader van de ZW worden dus niet gecompenseerd.</al><al>Lid 4</al><al>Om verrekening van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de
                    ZW-uitkering praktisch mogelijk te maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering
                    cederen aan de gemeentelijke werkgever.</al><al>Lid 5</al><al>De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                    Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is gecedeerd aan de werkgever
                    ingevolge het vierde lid. Als het bedrag van de uitkering hoger ligt dan het
                    bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het
                    meerdere uitbetaald aan de ambtenaar.</al><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering (T)</al><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 maanden na de eerste
                    ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet (WW) op grond
                    van urenverlies én verlies van loon recht geeft recht op een uitkering. Wanneer
                    dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een WW-uitkering aan te vragen.
                    Indien hij een WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering
                    gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop de betrokken
                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een
                    medewerker dubbele inkomsten ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten
                    wordt deze op grond van de CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te
                    vragen. Het is echter wel mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit.
                    Eventuele kortingen op de WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht
                    op de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA (T)</al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en wel:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld
                            in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat
                            artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op
                            salarisbetaling op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA;</al></li><li nr="c."><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                            lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al><vet><cursief>ad a</cursief></vet> Artikel 38 ZW legt een werkgever de
                    verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft
                    geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat
                    doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De
                    WIA-uitkering gaat dan pas later in.</al><al><vet><cursief>ad b</cursief></vet> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is
                    bepaald dat de WIA-wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk
                    verlengd kan worden.</al><al><vet><cursief>ad c</cursief></vet> Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende welke de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer
                    op een verlenging van de WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal
                    52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                    sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA pas op
                    een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op het door te betalen
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) na 104 weken ziekte geen WGA- of IV
                    A-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de werkgever
                    feitelijk na 104 weken ziekte een zwaardere financiële last draagt. In het geval
                    genoemd onder b hiervoor is sprake van een bewuste keuze. Deze keuze kan voor
                    werkgever én werknemer gunstig zijn als reïntegratie aanstaande is. De werknemer
                    krijgt dan niet te maken met een uitkering op grond van de WIA; de werkgever
                    heeft als voordeel dat de Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het
                    feit dat een medewerker een uitkering op grond van de WIA heeft. In de gevallen
                    a en c hiervoor kan dit worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor
                    het niet naleven van de reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                    mindering wordt gebracht op de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de
                    salarisbetaling indien deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde functie.
                    In het geval de betrokkene ondertussen definitief is herplaatst in een andere
                    functie door middel van een wijziging van de aanstelling wordt de WGA-uitkering,
                    voor zover die voortvloeit uit die oude functie, niet in mindering gebracht op
                    de salarisbetaling tijdens ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband met
                    volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een uitkering ter
                    hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan de het salaris en
                    de toegekende salaristoelage(n), waarop op grond van artikel 7:3 recht bestaat,
                    heeft de ambtenaar ten minste recht op het bedrag van de IVA- of WGA-uitkering.
                    Dit is het geval na 24 maanden arbeidsongeschiktheid , waarna recht op
                    doorbetaling van 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bestaat.
                    Niet altijd zal er sprake van zijn dat de salarisbetaling lager is dan de IVA-
                    of WGA-uitkering bij volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid. Hiervan
                    is geen sprake iemand eerder voor een IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte
                    wachttijd op grond van artikel 23, zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de
                    IVA-uitkering is al mogelijk vanaf 13 weken na de eerste ziektedag. Op dat
                    moment (na 13 weken) is er zelfs nog sprake van 100% loondoorbetaling. Op dat
                    moment vindt dus wel volledige verrekening van de uitkering met de
                    loondoorbetaling plaats.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                    zieke ambtenaar die meer dan één functies heeft. Indien betrokkene voor beide
                    functies arbeidsongeschikt wordt, zal slechts één uitkering op grond van de WIA
                    worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op de doorbetaling van één
                    van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van de uitkering
                    ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat verband houdt met de
                    arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit dient naar rato te worden
                    bepaald.</al><al>Lid 3 t/m 5</al><al>In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                    uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) tijdens ziekte wordt uitgegaan van een WGA- of een
                    IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat verwijtbaar is aan betrokkene.
                    Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane meerlasten kunnen worden afgewenteld op
                    de werkgever die immers een hoger bedrag aan salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) dient door te betalen ingeval de WGA- of IVA-uitkering niet of
                    niet volledig tot uitbetaling komt en dit betrokkene te verwijten is. Omdat dit
                    gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de werkgever de mogelijkheid in
                    dergelijke gevallen toch een korting op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) toe te passen.</al><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</al><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond van
                    het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met de
                    loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten (T)</al><al>De VNG heeft een contract met IZA Zorgverzekeraar NV en Zilveren Kruis Achmea
                    voor de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2016, dat optioneel 3 keer met 1
                    jaar verlengd kan worden. Het contract is een exclusief collectief
                    zorgverzekeringscontract voor gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven. De
                    definitie van postactieven en inactieven staat in artikel 7:1, eerste lid.</al><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling (T)</al><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari 2001
                    ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt voor
                    ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt na 31
                    januari 2001 en de zieken die op 15 februari 2001 nog ziek zijn (ziekte in
                    verband met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen). Hierbij is voorts
                    bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken weer herleeft, dit als
                    een nieuw ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering komt, moet
                    gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft bestaan en
                    dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december 2001, blijven
                    gelden. Met het eerste lid van artikel 7:26 wordt dit gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW vallen,
                    komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op grond van
                    hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd betaald. Lid 2 van
                    artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling daarvan.</al><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd
                    arbeidsongeschikt raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt aangeboden - en
                    derhalve werkloos wordt - in tegenstelling tot de situatie voor 1 januari 2001
                    aanspraak maken op een WW-uitkering. Derhalve is de garantie-uitkering overbodig
                    geworden voor nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van
                    het eerste lid blijven de bestaande garantie-uitkeringen gegarandeerd. De
                    algemene opmerkingen en de voorbeelden die hierna zijn opgenomen gelden voor de
                    uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn ingegaan.</al><al>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief herplaatst te zijn in een nieuwe
                    functie wordt afgeschat en zijn toegenomen restverdiencapaciteit niet volledig
                    kan benutten, omdat hem geen aanvullende werkzaamheden worden aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op grond
                    van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden door middel van een wijziging
                    van de aanstelling. Herplaatsing gaat met andere woorden niet gepaard met
                    ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet alleen artikel 7:16 sluit
                    ontslag uit, maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                    arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien het niet
                    mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in passende/gangbare arbeid. Omdat
                    geen ontslag plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht op een uitkering
                    gebaseerd op die oorspronkelijke betrekking, een suppletie-uitkering, waar
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die niet herplaatst kunnen worden wel
                    recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de situatie dat een gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte wordt afgeschat, maar hem geen aanvullende arbeid kan worden
                    aangeboden (en waardoor de betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt),
                    vervelende inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere
                    situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en
                    suppletie krijgt. De garantie-uitkering biedt een inkomensvoorziening in deze
                    gevallen van werkloosheid en zorgt er voor dat een ambtenaar die mee werkt aan
                    reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan
                    worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                    WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief> Een ambtenaar met een salaris inclusief
                    salaristoelage(n) van € 2.500,- wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999
                    wordt hem een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na 14 maanden, op 1 maart 1999,
                    wordt hij definitief herplaatst in een functie waarin hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Hetsalaris en de toegekende salaristoelage(n) in de
                    nieuwe functie bedraagt € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op herplaatsingstoelage
                    (HPT). Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="57*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>salaris incl. salaristoelage(n) uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 875,-</al></entry><entry colname="col3"><al>(35% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 375,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                    arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De werkgever
                    is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden te bieden, waardoor
                    de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor krijgt
                    de ambtenaar niet alleen te maken met een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook geconfronteerd met het
                    verlies van zijn herplaatsingstoelage. Zonder garantie-uitkering ziet het totale
                    inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>salaris incl. salaristoelagen uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 350,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(14% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.600,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                    garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP vindt over deze garantie-uitkering
                    volledige pensioenopbouw plaats.</al><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat, nadat
                    hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat luidde
                    voor 1 januari 2003, recht op een garantie-uitkering indien hem geen aanvullende
                    arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                    toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor zijn
                    herplaatsingstoelage verliest.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van de
                    termijn en de fasering in de percentages wordt uitgegaan van de begindatum van
                    de ziekte in de oorspronkelijke functie. Verder is de hoogte van de
                    garantie-uitkering gebaseerd op het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    in de oorspronkelijke functie. Toegepast op de bovenstaande situatieschets zou
                    de betrokkene met ingang van 1 januari 2000 recht krijgt op een
                    garantie-uitkering, tot uiterlijk 7,5 jaar na aanvang ziekte in de
                    oorspronkelijke functie (1 januari 1998), dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De
                    hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van de oorspronkelijke salarisbetaling van €
                    2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002. In de periode 1
                    oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering € 1.750,- (70% van
                    €2.500,-).</al><al>Lid 3</al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) uit de functie waarin de ambtenaar is herplaatst, de
                    WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen en de herplaatsingstoelage in mindering
                    worden gebracht. Ook nieuwe inkomsten verworven op of na de datum dat de
                    ambtenaar is afgeschat worden op de garantie-uitkering in mindering gebracht.
                    Toegepast op de bovenstaande situatie zou dat bijvoorbeeld betekenen dit het
                    volgende betekenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 1 Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 400,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350=400)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 150,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(1750-1250-350=150)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.750,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    krijgt aangeboden ter waarde van € 300,- zou dit ter illustratie leiden tot de
                    volgende situatie (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt
                    weergegeven).</al><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="59*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 300,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 100,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350-300=100)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief> Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    zou zijn aangeboden ter waarde van € 750,- (en daardoor zijn volledige
                    restverdiencapaciteit weer kan benutten zou dit tot de volgende situatie leiden
                    (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 750,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 150,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 0,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2500-1250-750-350-150=0)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 4</al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert, verloren
                    laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden tot het verkrijgen daarvan. De
                    sanctie is gelijk aan de omvang van de inkomsten die de ambtenaar uit deze
                    gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever de ambtenaar
                    bijvoorbeeld arbeid aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar
                    weigert deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,- toch in mindering gebracht
                    op de garantie-uitkering.</al><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met ingang
                    van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de lopende ziektegevallen van op of
                    na 1 januari 2004. Dit betekent niet dat de artikelen terugwerken tot 1 januari
                    2004. Er wordt door middel van dit artikel een onderverdeling gemaakt in twee
                    groepen van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1 januari 2004,
                    hiervoor gelden de bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals die golden op 31
                    december 2005. De groep van wie de eerste ziektedag lag op of na 1 januari 2004
                    valt met ingang van 1 januari 2006 onder de huidige bepalingen.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van de
                    verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een
                    uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor deze groep
                    medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling die ziet op definitieve
                    herplaatsing in passende of gangbare arbeid voordat 2 jaar van ziekte is
                    verstreken en de bepalingen die zien op verrekening van een WAO-uitkering met de
                    loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al>Lid 5</al><al>De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met vier
                    van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor medewerkers die op of na 1
                    januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag
                    lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode ingevolge artikel 7:3,
                    vierde lid (zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest
                    van een onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is sprake van een nieuwe
                    ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004. Hetzelfde geldt voor de
                    zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004 definitief is herplaatst
                    op grond van artikel 7:16, eerste lid, onder c (zoals dat artikel gold op 31
                    december 2005). Als de medewerker in de gewijzigde aanstelling opnieuw ziek
                    wordt, is sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari
                    2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag lag op
                    1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond van artikel
                    7:3, tweede lid, heeft hij met ingang van 1 januari 2006 recht op doorbetaling
                    van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Met ingang van 1
                    maart 2006 is de ambtenaar 12 maanden ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3,
                    derde lid, recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages van
                    de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die
                    bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18 maanden 100%, daarna 80% van het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n)).</al><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel (T)</al><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel (T)</al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    een derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en vierde
                    lid.</al><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel (T)</al><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                    onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag
                    nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de
                    werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met
                    de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De
                    periode waarna definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke
                    duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><al>8 Ontslag</al><al>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek (T)</al><al>Lid 1</al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de ambtenaar
                    geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden. Behoudens andersluidend
                    voorschrift dient een verzoek om ontslag ingewilligd te worden. Het verzoek om
                    ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Indien een ambtenaar op
                    een dergelijk verzoek wenst terug te komen, en B. en W. hebben nog niet beslist,
                    dan kan de betrokken ambtenaar volstaan met de schriftelijke mededeling dat men
                    het desbetreffende verzoek als niet gedaan dient te beschouwen. Indien echter
                    B&amp;W reeds een ontslagbesluit hebben genomen, is het college niet verplicht
                    op dat besluit terug te komen. Het college heeft wel die bevoegdheid. Een en
                    ander kan afhankelijk zijn van bepaalde factoren zoals de stand van zaken in de
                    vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar het verzoek intrekt. Het
                    belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de organisatie afgewogen te
                    worden.</al><al>Lid 3</al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                    verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol zou
                    moeten worden verleend.</al><al>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek tussen
                    één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent dat de medewerker niet
                    koste wat kost vast mag houden aan één maand en de werkgever niet aan drie
                    maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden door de werkgever.
                    Hierbij moet zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente
                    worden afgewogen. Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn
                    per de eerste dag van de maand. Opzegging kan ook tegen andere dagen
                    plaatsvinden. Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder
                    weg gaat, handelt opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen zijn functie
                    nauwgezet te vervullen.</al><al>Lid 3</al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                    vooralsnog niet in te willigen wanneer een strafrechtelijke vervolging aanhangig
                    is of een disciplinaire straf wordt overwogen en het niet wenselijk is om deze
                    procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels ontslag heeft
                    genomen.</al><al>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (T)</al><al>Lid 2</al><al>In bijzondere situaties kan het wenselijk zijn dat betrokkene na het bereiken
                    van de AOW-gerechtigde leeftijd doorwerkt. Als betrokkene hiermee instemt wordt
                    hem op een latere leeftijd eervol ontslag verleend. Een tweede mogelijkheid is
                    betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te verlenen op grond van
                    artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene ook langer pensioen opbouwen: er is dan ook
                    sprake van inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging. In het tweede
                    geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de AOW-leeftijd, is er
                    geen sprake van verplichte pensioenopbouw en kan de ambtenaar kiezen om
                    vrijwillig de pensioenopbouw voort te zetten. Dit is geregeld in artikel 16.1
                    van het pensioenreglement.</al><al>In beide situaties is er sprake van een ander bruto-netto traject en
                    premieafdracht. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de
                    werkgever als de werknemer voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het niet
                    langer betalen van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de pensioenopbouw.
                    Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer opgebouwd. In het
                    navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="41*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Continuering dienstverband (art. 8:2 CAR)</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Nieuw dienstverband (art. 2:4 CAR, met toepassing 8:2
                                            lid 2)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ingangsdatum OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop dienstverband, of eerder op verzoek van
                                        ambtenaar</al></entry><entry colname="col3"><al>Met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbouw ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot einde dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>Eventueel vrijwillig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie AAOP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie voor de voorwaardelijke inkoop</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pseudopremie WW</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie WIA</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Overigens is het voor het in laten gaan van het pensioen niet meer noodzakelijk
                    om ontslag te verlenen. De ambtenaar kan ervoor kiezen zijn ABP-pensioen vanaf
                    60 jaar in te laten gaan, zonder dat hier een ontslag tegenover staat. Het
                    ingaan van pensioen heeft geen verdere gevolgen voor bovenbeschreven situatie.
                    Pensioenuitbetaling en pensioenopbouw kan dus naast elkaar bestaan.</al><al>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd (T)</al><al>Lid 1</al><al>Op twee manieren kunnen mensen na de leeftijd van 65 jaar in dienst zijn van de
                    gemeente. De eerste mogelijkheid is dat iemand na de leeftijd van 65 jaar in
                    dienst treedt van de gemeente. Dit is mogelijk op grond van artikel 2:4. De
                    tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar dat zijn aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 8:2, derde lid, na het bereiken
                    van de leeftijd van 65 jaar is voortgezet. Bij dit soort aanstellingen is de
                    wens van een van de partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen.</al><al>Lid 2</al><al>In verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt tot 2018 dat
                    de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt bij ziekte kan worden
                    ontslagen na 13 weken. In 2018 wordt de Wet werken na de AOW-gerechtigde
                    leeftijd geëvalueerd en wordt deze termijn mogelijk verkort. De termijn van 13
                    weken is in artikel 127ca van de Ambtenarenwet vastgelegd.</al><al>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie (T)</al><al>Lid 1</al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de functie,
                    wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel dan wel wegens een
                    verminderde behoefte aan arbeidskrachten. De opgenomen zinsnede "of van andere
                    dienstonderdelen" impliceert dat ontslag in principe ook mogelijk is bij een
                    reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan dat waar de ambtenaar werkzaam
                    is. Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd is met de redelijkheid, zal
                    ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het ontslag moet immers zijn de
                    overbodigheid en niet slechts het feit van de reorganisatie. Uit de
                    jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot opheffing van een functie
                    of tot reorganisatie zakelijke motieven ten grondslag dienen te liggen en niet
                    de wens voor een bepaalde ambtenaar een ontslaggrond te creëren. Indien niet
                    duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in een voorkomend geval
                    gehanteerd moet worden, heeft men in principe de vrije keus, mits rekening is
                    gehouden met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet, individuele
                    gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over het sociaal statuut. Op
                    het moment dat het sociaal plan gereed is en duidelijk is dat de functie van
                    betrokkene na reorganisatie niet meer terugkomt, dan wel als duidelijk is dat de
                    betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie, kan betrokkene
                    boventallig worden verklaard. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de
                    vijf beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond
                    van lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers niet kunnen
                    terugkeren. Als er geen sociaal plan is, kan het besluit tot boventalligheid
                    worden genomen, zodra duidelijk is dat de functie van de medewerker of de
                    functies van een kleine groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is dat
                    de betrokken medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie en als duidelijk
                    is dat er ook geen andere passende functie beschikbaar is. Ingeval hoofdstuk 10d
                    van toepassing is, vindt intern en extern een onderzoek plaats naar een andere
                    functie voor de medewerker. Dit onderzoek vindt dan plaats tijdens het van werk
                    naar werk-traject op grond van paragraaf 5 van hoofdstuk 10d. Na ontslag kan op
                    grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en na-wettelijke
                    uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                    worden besproken en vooraf aan de betrokken ambtenaren bekend worden gemaakt.
                    Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om het
                    ontslag van meer dan één ambtenaar.</al><al>In het kader van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt in artikel
                    127b van de Ambtenarenwet geregeld dat bij reorganisatieontslag als eerst
                    afscheid wordt genomen van de ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben
                    bereikt. Zijn er meer ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt,
                    dan wordt als eerste afscheid genomen van de ambtenaren met de kortste
                    diensttijd. Welke jaren meetellen als diensttijd is onderdeel van het
                    reorganisatieplan.</al><al>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid (T)</al><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet
                    plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan binnen die termijn
                    wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de
                    situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="1."><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%
                            arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering</al></li><li nr="2."><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot
                            100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk
                    wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:4, derde lid. Het
                    college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA.
                    Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de
                    aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever
                    kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
                    schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep.</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                    beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de
                    arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel
                    van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is
                    aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                    ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking
                    verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens
                    onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in zijn
                    ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden
                    is (zie lid 2).</al><al>Lid 8</al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al>Lid 9</al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27
                    april 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden
                    ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus
                    2006. Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek.</al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008
                    (dit is 24 maanden na 22 augustus 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief> Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2006 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24
                    maanden +16 weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen.</al><al>Lid 10</al><al>In lid 10 is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van twee
                    jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA.</al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><lijst><li nr="a."><al>In artikel 24 lid 1 van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                            van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.</al></li><li nr="b."><al> Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                            reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                            werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen
                            of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de
                            termijn gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen.</al></li></lijst><al>De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld
                    van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in
                    artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging.</al><al>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (T)</al><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op deze grond slechts
                    plaatsvinden indien er een passende functie voorhanden is na 24 maanden ziekte
                    buiten de gemeentelijke dienst. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan
                    wel binnen de genoemde termijnen worden verleend.</al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van volledig
                    ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (minder
                    dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die
                    minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig
                    ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Indien er binnen de
                    gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte een passende functie voorhanden
                    is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 7:16,
                    derde en vierde lid, namelijk definitief worden herplaatst.</al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer
                    voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:5, tweede lid. Het college
                    betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze
                    voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag
                    van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep.</al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in overleg
                    met de bedrijfsarts of de arbodienst het reïntegratieverslag op. Het door UWV
                    (als onderdeel van de WIA-beschikking) beoordeelde reïntegratieverslag is basis
                    voor de oordeel van de werkgever of het mogelijk is de ambtenaar binnen de
                    gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen (onderdeel b). In week 91
                    stuurt de ambtenaar het aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het
                    reïntegratieverslag. UWV beoordeelt eerst de reïntegratie-inspanningen van de
                    werkgever en de ambtenaar. Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever
                    onvoldoende zijn geweest wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder
                    b).</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                    beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de
                    arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel
                    van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is
                    aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA.
                    Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet
                    arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het ontslagbesluit
                    moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze meest recente
                    WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV
                    ontvangen wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze
                    maatregel in zijn ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden
                    is (zie lid 2).</al><al><cursief>Herplaatsing in het derde ziektejaar </cursief> In artikel 7:16 zijn
                    specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het derde ziektejaar.</al><al>Lid 3, 4 en 5</al><al>UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op een
                    WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard,
                    wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de
                    herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De herkeuring kan
                    gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en werknemer in de loop van
                    de 36 maanden. En dus ook voor de beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente
                    herplaatst kan worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                    herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt tot
                    mindere herplaatsingsmogelijkheden.</al><al>Aan het einde van de toelichting op artikel 8:5, lid 3, 4 en 5, worden de
                    volgende zinnen toegevoegd: Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het
                    tweede lid, en er dus 36 maanden van ziekte verstrijken zonder dat er een
                    mogelijkheid is om de ambtenaar te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33 maanden na
                    ingang ziekte (dus 3 maanden voor de beoogde ontslagdatum bij ontslag na 36
                    maanden) op de hoogte gesteld van het feit dat de ontslagprocedure in gang is
                    gezet. Deze melding is dus niet aan de orde als de ambtenaar gedurende het derde
                    ziektejaar wordt herplaatst op grond van artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt
                    op grond van het tiende lid van dit artikel. Dit laat overigens onverlet dat de
                    WIA-aanvraag wel in de 21e maand moet plaatsvinden.</al><al>Lid 7</al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al>Lid 8</al><al>Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op
                    15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op
                    15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27
                    april 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008.
                    Op 15 maart 2008 herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 20011 (dit is 36 maanden na 20 juli 2008) kan worden
                    ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009.
                    Op 1 mei 2009 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus
                    2009. Op 22 augustus 2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek. </al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012
                    (dit is 36maanden na 22 augustus 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief> Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2008. Op 15 maart 2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2008 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2008 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36
                    maanden + 16 weken na 27 april 2008) kan worden ontslagen.</al><al>Lid 9</al><al>In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling
                    van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een
                    uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen.</al><al><vet>Ad a</vet> Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op
                    de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    Deze verlenging schort eveneens de periode van 36 maanden op.</al><al><vet>Ad b </vet> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.
                    Deze verlenging schort de periode van 36 maanden op.</al><al><vet>Ad c</vet> Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                    reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever
                    zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende
                    reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende de
                    werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is
                    maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het
                    verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van
                    de WIA. </al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 36 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al>Lid 10</al><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden ziekte
                    mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste ziektedag is
                    deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden. Definitieve
                    herplaatsing is slechts mogelijk indien:</al><lijst><li nr="§"><al>voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt
                            zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de
                            restverdiencapaciteit wordt vervuld of</al></li><li nr="§"><al>voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de
                            aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt
                            vervuld.</al></li></lijst><al>Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst plaatsvinden.
                    Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van artikel 8:5 bepaalt dat
                    in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag plaatsvinden. </al><al>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (T)</al><al>Lid 1</al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                    wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed
                    vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden,
                    niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan
                    worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als "past niet in het team" zijn niet
                    voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een bepaald gedrag tot
                    gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een relatie te zijn tussen dat gedrag
                    en de door de ambtenaar uit te oefenen functie.0verigens kan, ondanks gebleken
                    ongeschiktheid, naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de
                    ontslagbevoegdheid beperking ondergaan wanneer het disfunctioneren van de
                    betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in omstandigheden tot het ontstaan
                    en voortbestaan waaraan de gemeente zelf heeft bijgedragen. Tolereert men
                    bijvoorbeeld gedurende langere tijd bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te
                    doen blijken, dan kan men niet van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen
                    voor een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken ambtenaar er
                    op te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                    getolereerd. In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en
                    onbekwaamheid vaak moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter
                    vermijden.</al><al>Zoals reeds vermeld verwacht de administratieve rechter een dossier
                    (beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen, brieven
                    met klachten; alles wat als bewijs kan dienen). De ongeschiktheid mag haar
                    oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van ziekten of gebreken. Of dat al dan
                    niet het geval is, kan soms alleen maar worden vastgesteld via een voorafgaand
                    medisch onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een gerede aanleiding zijn.
                    (Zie voor eventuele voorzieningen bij werkloosheid hoofdstuk 10d).</al><al>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden (T)</al><al><vet>Onderdeel 1</vet> Deze bepaling vindt zelden toepassing. Het is moeilijk
                    aan te geven wanneer een vereiste alleen bij het aanvaarden van de functie
                    geldt. De geneeskundige verklaring, genoemd in artikel 2:3, en de verklaring
                    omtrent gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van. Een
                    voorbeeld van een blijvend vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor een
                    chauffeur. Het is echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk zijn
                    rijbevoegdheid verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit artikel wordt
                    gegeven. Ontslag ken worden gegeven, getoetst kan dus worden of een
                    ontslagbesluit in redelijkheid kon worden genomen. In het geval betrokkene een
                    vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag aanspraak op een uitkering
                    conform hoofdstuk 11.</al><al><vet>Onderdeel 2</vet> Onder "zwagerschap" wordt hier "aanverwantschap" bedoeld
                    die door huwelijk ontstaat. Het woord "aangaan" duidt op een actieve
                    betrokkenheid; de ambtenaar die het huwelijk aangaat waardoor de verboden
                    aanverwantschap ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag. Over deze
                    ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend..</al><al><vet>Onderdeel 3</vet> Ook hierover zijn geen gevallen uit de praktijk bekend.
                    In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11. </al><al><vet>Onderdeel 4</vet> Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze ontslaggrond wordt in
                    de praktijk niet gebruikt.</al><al><vet>Onderdeel 5</vet> Ook een voorwaardelijke veroordeling tot vrijheidsstraf
                    valt in principe onder deze bepaling. Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op
                    zijn plaats zijn maar er mag geen sprake zijn van een automatisme. Het is geen
                    strafontslag. Er moet een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden;
                    volgens de Centrale Raad van Beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot
                    ontslag van ambtenaren in het algemeen. In een dergelijke afweging van belangen
                    moeten bijvoorbeeld naast de ernst van het begane misdrijf worden betrokken het
                    verband van dat misdrijf met het ambtenaar schap van betrokkene en met de aard
                    van zijn werkzaamheden, de wijze waarop hij in zijn functie heeft gefunctioneerd
                    en met name de vraag of, en zo ja welke, bezwaren zouden zijn verbonden aan
                    voortzetting van het dienstverband, hetzij in de oude functie, voor zover die na
                    het ondergaan van de straf nog bestaat, hetzij in een andere functie.</al><al><vet>Onderdeel 6</vet> Ontslag kan worden verleend als tijdens de medische
                    keuring onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel relevante gegevens zijn
                    verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in die zin dat betrokkene niet zou
                    zijn aangesteld als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest. Van een en
                    ander moet betrokkene redelijkerwijs een verwijt kunnen worden gemaakt.</al><al>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig verschillende
                    persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die gezien hun taak nauw met elkaar
                    moeten samenwerken, dat een vruchtbare samenwerking tussen hen niet mogelijk
                    blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen samenwerken
                    (onverenigbaarheid van karakter of incompatibilité d'humeur). Het bestuursorgaan
                    is vrij in de keuze wie van beiden ontslagen dient te worden, als het ten minste
                    in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het ontslag voor de gerezen
                    moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene die niet ontslagen wordt
                    wel met een ander zal kunnen samenwerken. De raad kan ten aanzien van het te
                    voeren financiële beleid bij de uitoefening van de werkgeverstaak bij de
                    begroting aan het college een budgettaire ruimte toekennen om aan medewerkers
                    waarvan om bijzondere redenen de aanstelling wordt beëindigd een uitkering te
                    verstrekken. De raad kan daarover ook beleidsafspraken maken. Immers, ook in het
                    dualistisch stelsel is het vaststellen van een uitkering die afwijkt van de
                    normale aanspraken of een vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad
                    invloed zal moeten kunnen uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening
                    gerapporteerd over de feitelijke consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad. Het
                    college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot ontslag en uitkering op grond van artikel 8:8.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. In 'lichtere' gevallen, of indien een voorgenomen besluit past binnen
                    gemaakte beleidsafspraken, zal het college tot de afweging kunnen komen dat het
                    niet nodig is de raad te informeren. De concrete invulling van de
                    inlichtingenplicht zal dus variëren afhankelijk van de feitelijke
                    omstandigheden. Raad en college kunnen daarover zelf afspraken maken. Indien het
                    nodig zou kunnen zijn om de raad te informeren over het voorgenomen besluit,
                    dient dit tijdig kenbaar gemaakt te worden door middel van een voorbehoud.</al><al>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden (T)</al><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                    non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar, die na
                    afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de werkgever om een
                    passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende functie
                    binnen de gemeente, eervol worden ontslagen.</al><al>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                    urenuitbreiding (T)</al><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke aanstelling
                    voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet tijdig onderkend wordt
                    dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en betrokkene blijft op de datum
                    waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna feitelijk zijn werk
                    verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld
                    voor een gelijke periode. Na afloop van deze periode kan de aanstelling wederom
                    van rechtswege beëindigd worden. Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit
                    artikel 2:4 wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn van 24
                    maanden wordt overschreden, mag het ontslag niet meer plaatsvinden. Ditzelfde
                    geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal verlengd wordt. Dit
                    is in het nieuwe vijfde lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al>Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de grond voor
                    het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is komen te
                    vervallen.</al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding voor
                    bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van de termijn, zonder
                    dat een nieuwe tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe
                    urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding. Is er sprake
                    van een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan gelden de regels
                    voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Door deze
                    bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan van een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan plaatsvinden. Bij een
                    urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te worden genoemd;
                    verstrijken van de termijn is reden voor beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd moet wel een grond
                    worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden tegelijkertijd de reden
                    van beëindiging is.</al><al>Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4 in
                    de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 24 maanden overschreden
                    of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding aangegaan, dan geldt
                    deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al>Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                    10a.</al><al>Artikel 8:12:1 Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding
                    (T)</al><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag verleend kan worden
                    op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk 8. Dit ontslag zal dan
                    uiteraard in het algemeen plaatsvinden voor de beëindiging conform artikel 8:12.
                    Wanneer de einddatum reeds genaderd is, lijkt het praktischer om de einddatum af
                    te wachten en de tijdelijke aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een
                    eventuele procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender
                    worden getoetst dan een ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><al>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</al><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd.
                    Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt gesproken van 'maanden': dit
                    hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><al>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf (T)</al><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                    geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als evenredig valt
                    aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van beroep komt niet verder
                    dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn oordeel in
                    overeenstemming is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de disciplinaire
                    straf in overeenstemming is met de ernst van het geconstateerde
                    plichtsverzuim.</al><al>Het UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op grond
                    van artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een uitkering op
                    grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel 10a:2.</al><al>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                    (T)</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                    -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de rechtspositie te worden
                    opgenomen omdat de Wet op de ondernemingsraden alleen voorziet in
                    ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De
                    bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in de
                    rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit artikellid is
                    overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst geldt
                    op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, van de WOR. Alhoewel in
                    de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt artikel 8:8 de
                    mogelijkheid andere ontslaggronden te gebruiken dan in de overige artikelen
                    genoemd. De in artikel 8:13, tweede lid, aangegeven ontslagbescherming brengt
                    met zich dat er slechts van ontslagbescherming sprake is in het geval er een
                    causaal verband bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd.
                    Als er geen verband is tussen het "OR-werk" en het ontslag, is ontslag op een
                    van de gronden zoals genoemd in de CAR, wél mogelijk. De bescherming tegen
                    benadeling als bedoeld in het eerste lid van genoemd wetsartikel, is weer wél
                    van toepassing op werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling.</al><al>Lid 3</al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond van
                    het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al>Lid 5</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998,
                    107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
                    (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de ontslagbescherming
                    voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en overeenkomstige leden van
                    OR-commissies ook van toepassing geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde
                    (ambtelijk) secretaris. Aangezien de artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de
                    WOR geen rechtstreekse werking hebben naar de overheid, is deze
                    ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het nieuwe
                    vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een overeenkomstige ontslagbescherming
                    voor de ambtelijk secretaris Het eerste lid van artikel 21 WOR, ter zake van
                    benadeling, heeft wel rechtstreekse werking.</al><al>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel (T)</al><al>Lid 1</al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de organisatie
                    de gelegenheid te geven eventuele Interne onderzoeken te (doen) houden, of om
                    rust binnen de organisatie te krijgen Het besluit om een ambtenaar van zijn
                    werkplek te verwijderen dient te berusten op een behoorlijke afweging van de
                    daarvoor in aanmerking komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR
                    1994/195) De hier bedoelde schorsing kan gevolgd worden door een schorsing zoals
                    bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire straf. Een besluit tot schorsing is een
                    besluit in de zin van de Awb: de ambtenaar dient derhalve vooraf gehoord te
                    worden In onderdeel d wordt gesproken over "het belang van de dienst": de
                    rechter zal zich daar in voorkomende gevallen een oordeel over moeten kunnen
                    vormen.</al><al>Lid 2</al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit geformuleerd.
                    De woorden in onderdeel c - "zo nauwkeurig mogelijke aanduiding" - impliceren
                    reeds dat een exact aangeven van de duur van de schorsing vaak niet mogelijk is
                    De duur van de schorsing kan dan ook worden verlengd De schorsing kan uiteraard
                    door ontslag of anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                    ontslaat de ambtenaar niet van zijn ambtelijke verplichtingen Zo zal hij dus
                    bijvoorbeeld moeten meewerken aan een tijdens de schorsing te houden
                    geneeskundig onderzoek.</al><al>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel (T)</al><al>Lid 1</al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet gewerkt
                    wordt, er geen sprake is van salarisbetaling, hiervoor is een apart besluit
                    nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit wordt genomen, het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) normaal worden doorbetaald. De ambtenaar behoudt in
                    ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioen- en ziektekostenpremie
                    (zie het derde lid). Er kan géén inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) plaatsvinden wanneer er sprake is van een schorsing op grond
                    van het dienstbelang.</al><al>Lid 2</al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk strafontslag
                    is meteen inhouding van meer dan eenderde deel mogelijk. Echter, de ambtenaar
                    behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioenen
                    ziektekostenpremie (zie het derde lid). In principe dient bij de inhouding op
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te worden aangesloten bij titel
                    II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk een zodanige inhouding toe te
                    passen dat de ambtenaar ten minste een bedrag behoudt dat overeenkomt met 90%
                    van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.</al><al>Lid 3</al><al>Tijdens de schorsing kan het niet-ingehouden deel van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) aan anderen worden uitbetaald. Onder "anderen"
                    dienen in dit verband te worden verstaan de personen die door de ambtenaar
                    geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud worden voorzien.</al><al>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                    ontslag.</al><al>Lid 2</al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit zijn
                    uitvoeringshandelingen Ten aanzien van het ontslagbesluit is in dit artikellid
                    geregeld dat de (omschrijving van de) ingangsdatum van het ontslag in ieder
                    geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de andere artikelen van
                    dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het
                    ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><lijst><li nr="§"><al>de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel 8:8 en
                            ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, gebeurt dit
                            slechts op verzoek van betrokkene);</al></li><li nr="§"><al>ontslagdatum;</al></li><li nr="§"><al>of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al></li><li nr="§"><al>welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een FLO-uitkering,
                            een pensioenuitkering, een wachtgeld, etc.;</al></li><li nr="§"><al>het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb;betrokkene kan
                            binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al></li></lijst><al>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur (T)</al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag. Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van
                    artikel 7:16 kan sprake zijn van vermindering van de omvang van het
                    dienstverband. In deze situatie is echter een formeel gedeeltelijk ontslag niet
                    toegestaan, maar dient de vermindering van de omvang van het dienstverband te
                    worden vormgegeven door middel van een wijziging van de aanstelling. Dit omdat
                    bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie krachtens hoofdstuk 11a.
                    Conform de oorspronkelijke doelstelling van de suppletieregeling heeft een
                    ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij in het geheel niet herplaatst kan
                    worden bij zijn werkgever en derhalve volledig ontslagen is.</al><al>Artikel 8:18 Overgangsbepaling (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag lag
                    voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in aanmerking komen voor een
                    uitkering op grond van de WAO. De oude artikelen 8:5 en 8:5a, zoals dat gold op
                    30 juni 2006, is op hen van toepassing.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van
                    de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op
                    een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen
                    van toepassing.</al><al>Artikel 8:19 Overgangsbepaling (T)</al><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><al>Artikel 8:20 Overgangsbepaling (T)</al><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of artikel
                    8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    De periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                    verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><al>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</al><al>Hoofdstuk 9 Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een bezwarende
                    functie</al><al>Artikel 9a:2 Definities (T)</al><al>De functie, waarop de ambtenaar uiteindelijk geplaatst wordt, moet aansluiten
                    bij de richting die in het loopbaanplan is afgesproken. Bij het bepalen van die
                    richting worden de interesses en competenties van de ambtenaar betrokken
                    (artikel 9a:5, lid 9, onderdeel b).</al><al>De ambtenaar mag een aangeboden functie weigeren, wanneer deze meer dan 2
                    salarisschalen verschilt van het salaris van de functie die de ambtenaar
                    vervulde, tenzij deze functie met medeweten van de ambtenaar is gezocht en
                    hierover in het kader van het loopbaanplan afspraken zijn gemaakt.</al><al>Wanneer de ambtenaar een betrekking aanvaardt met een lager inkomen dan het
                    inkomen dat hij met de bezwarende functie verdiende, heeft hij op grond van
                    artikel 9a:11 recht op een salarisgarantie.</al><al>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan (T)</al><al>Het loopbaangesprek kan onderdeel uitmaken van het functioneringsgesprek of het
                    beoordelingsgesprek. De gemeentelijke werkgever kan er ook voor kiezen om het
                    loopbaantraject afzonderlijk te benaderen. Welke keuze ook gemaakt wordt, er
                    moet een goed dossier zijn van de afspraken, de voortgang en de resultaten. Ook
                    moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is. Dit kan de direct leidinggevende
                    zijn, maar kan ook een andere functionaris zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Brandweermedewerkers in bezwarende functies moeten worden opgeleid tot
                    MBO-niveau voor zover ze dit nog niet hebben. Daarbij moet het gaan om extern
                    erkende opleidingen. De reden van deze opleiding tot MBOniveau is dat het
                    gewenst is dat ambtenaren uiteindelijk zo breed mogelijk inzetbaar zijn. Een
                    brede opleiding vergroot de kansen van ambtenaren in bezwarende functies op de
                    arbeidsmarkt. </al><al>Lid 6</al><al>Deze belangen zijn onder andere het arbeidsmarktperspectief van de opleiding die
                    gewenst is. Ook de capaciteiten van de ambtenaar spelen een rol in de opleiding
                    die hij wenst. De opleiding moet derhalve aansluiten bij de capaciteiten van de
                    ambtenaar. Verder kan ook de Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM) een
                    rol spelen bij de belangen van de gemeentelijke werkgever en ambtenaar. Als de
                    PAM uitwijst dat bepaalde aspecten van de bezwarende functie niet meer
                    uitgeoefend kunnen worden, kan dat van invloed zijn op de tweede loopbaan na
                    afloop van het uitoefenen van de bezwarende functie.</al><al>Lid 9</al><al>onderdeel b</al><al>Vastgelegd moet worden in welke richting de tweede loopbaan gezocht wordt. Dit
                    is namelijk medebepalend voorde activiteiten en opleidingen die gedaan,
                    respectievelijk gevolgd moeten worden. Bij het bepalen van de richting van de
                    tweede loopbaan wordt rekening gehouden met de competenties en interesses van de
                    ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Noot 1</cursief></vet><cursief> Per 1 januari 2011 wijzigt de
                        toelichting (U201002606)In de toelichting op artikel 9a:5, lid 6, worden de
                        woorden “Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM)” vervangen door :
                        Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). In de toelichting op artikel
                        9a:5, lid 6, wordt het woord “PAM” vervangen door: PPMO.</cursief></al><al>Artikel 9a:6 Terugbetaling (T)</al><al>Bij het afbreken van de opleiding zonder geldige reden kan sprake zijn van
                    evident misbruik. De ambtenaar moet er op het moment dat de loopbaanfaciliteiten
                    bekostigd worden op gewezen worden dat hij bij evident misbruik de kosten moet
                    terugbetalen.</al><al>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf (T)</al><al>Als de ambtenaar zich niet houdt aan de verplichtingen uit het loopbaanplan,
                    wordt een disciplinaire straf opgelegd. Hierbij gelden de bepalingen van
                    hoofdstuk 16. De zwaarte van de straf moet overeenkomen met de ernst van de
                    gedragingen. Van de voortgang van het loopbaanplan moet een dossier bijgehouden
                    worden. Hiermee kan beoordeeld worden of het niet kunnen starten van de tweede
                    loopbaan van de medewerker aan het einde van het loopbaantraject aan de
                    medewerker te wijten is.</al><al>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan (T)</al><al>Wanneer het college zijn inspanningen uit het loopbaanplan niet nakomt en de
                    tweede loopbaan om die reden niet begonnen kan worden, blijft de ambtenaar in de
                    bezwarende functie doorwerken. De tweede reden dat de ambtenaar werkzaam kan
                    blijven in de bezwarende functie is als het college en de ambtenaar gezamenlijk
                    daartoe besluiten.</al><al>Uiteraard moet de ambtenaar medisch geschikt zijn om in de functie te kunnen
                    doorwerken. Of de ambtenaar medisch geschikt is, kan blijken uit de PPMO, maar
                    kan ook aan de orde worden gesteld door de ambtenaar zelf die zich heeft ziek
                    gemeld. Op dat moment wordt hoofdstuk 7 van toepassing en geldt het
                    ziekteverzuimprotocol. Ook kan het college op grond van hoofdstuk 7 besluiten de
                    ambtenaar aan een medisch onderzoek te onderwerpen, wanneer getwijfeld wordt aan
                    de medische geschiktheid om de functie uit te oefenen.</al><al>Het feit dat de tweede loopbaan na 20 jaar nog niet gestart heeft kunnen worden,
                    betekent niet dat van een tweede loopbaan helemaal geen sprake meer is. Het
                    loopbaanplan wordt voortgezet. Feitelijk betekent dit dus dat de termijn van 20
                    jaar wordt opgerekt.</al><al><vet><cursief>Noot 1</cursief></vet><cursief>Per 1 januari 2011 wijzigt de
                        toelichting (201002606)In de toelichting op artikel 9a:9 wordt het woord
                        “PAM” vervangen door: PPMO. </cursief></al><al>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering (T)</al><al>Vanaf het moment van ziekmelding begint de normale procedure te lopen, die voor
                    een zieke medewerker geldt. Hoofdstuk 7 CAR is dus gewoon van toepassing. Vanaf
                    het eerste moment van ziekte moeten college en ambtenaar werken aan
                    reïntegratie. Dat de medewerker niet meer geschikt is om in zijn bezwarende
                    functie door te werken betekent dus dat gezocht moet worden naar ander werk
                    binnen dan wel buiten de gemeentelijke dienst.</al><al>Dat hoofdstuk 7 van toepassing is, betekent ook dat de ambtenaar na verloop van
                    tijd minder hoge eisen mag stellen aan de nieuwe functie. Zie verder de
                    toelichting bij hoofdstuk 7.</al><al>Lid 2</al><al>Het feit dat gekozen is voor de terminologie "een bezwarende functie" betekent
                    dat ook bij overstap van de ene naar de andere gemeente of van de ene bezwarende
                    functie naar de andere bezwarende functie de opbouw van de
                    overbruggingsuitkering geldt. De gemeente, van waaruit de ambtenaar
                    arbeidsongeschikt raakt, betaalt de overbruggingsuitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De overbruggingsuitkering wordt gedurende maximaal 20 jaar opgebouwd. Dit
                    resulteert in een totale maximale duur van 24 maanden.</al><al>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen (T)</al><al>Lid 1</al><al>Bij ledenbrief van 4 september 2006 (Marz/CvA/U200601402; CvA/LOGA 06/35) is een
                    uitputtende definitie gegeven van het begrip bezoldiging. Ook is in die
                    ledenbrief bevestigd dat de garantietoelagen uit artikel 9a:11 uitgaan van
                    bevroren bedragen (zie hierna de toelichting op overige leden van artikel
                    9a:11).</al><al>De nieuwe definitie van het begrip bezoldiging is in lid 1 vastgelegd. De
                    limitatieve opsomming houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet
                    meegenomen wordt in de berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend is voor
                    de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en generieke salarisstijgingen
                    omgerekend worden naar een periode van 12 maanden.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren diverse keuzes
                    maken, waaronder vakantie-uren kopen in het cafetariamodel, vakantie-uren
                    verkopen in het cafetariamodel, ouderschapsverlof opnemen, (kort- of langdurend)
                    zorgverlof opnemen, parttime gaan werken en fulltime gaan werken.</al><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke
                    uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt
                    die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                    artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door in de oude bezoldiging. Dit ziet dus op de
                    periode 12 maanden voor het begin van de tweede loopbaan. Uitzondering hierop is
                    dat een verhoging of verlaging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                    genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door uitwisseling van
                    arbeidsvoorwaarden in het cafetariamodel niet doorwerkt in de oude
                    bezoldiging.</al><al>Lid 4</al><al>Het eerste lid biedt een salarisgarantie, <vet>waarbij sprake is van een
                        bevriezing van het oude salarisbedrag</vet>. Het gaat daarbij om een
                    garantie van het salarisbedrag dat betrokkene maandelijks ontving. Als iemand
                    een functie had in schaal 6 en betaald werd naar periodiek 5 (bedrag: € 1856) en
                    zijn nieuwe functie is een functie in schaal 5, waarbij hij ingedeeld wordt in
                    periodiek 7 (bedrag: € 1891), dan ontvangt hij geen garantietoelage. De hoogte
                    van de toelage kan veranderen als sprake is van een algemene salariswijziging.
                    De toelage bedraagt het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Dit
                    betekent dat als het nieuwe salaris stijgt, de toelage minder groot en
                    uiteindelijk wellicht nihil wordt.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 2 geeft recht op een garantietoelage van 2.000.</al><al>Lid 5</al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren
                    bezoldigingsbedrag.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 25.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 10.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 1 geeft recht op een garantietoelage van 5.000. Maar omdat het nieuwe
                    salaris samen met de nieuwe toelagen én de op grond van het eerste lid berekende
                    garantie hoger is dan de oude bezoldiging, wordt de garantietoelage verminderd
                    met een bedrag van 2.000. De garantietoelage bedraagt daarom 3.000.</al><al>Lid 6</al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot een aflopend percentage
                        van de oude toelagen, waarbij sprake is van bevroren bedragen.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000.</al><al>Lid 7</al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren
                    bezoldigingsbedrag.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 32.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000. Maar
                    omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen én de afbouwtoelage in
                    het eerste en tweede jaar leiden tot een hoger totaalinkomen dan de oude
                    bezoldiging, komt de afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar niet geheel tot
                    uitbetaling. In het eerste jaar wordt de afbouwtoelage verminderd met een bedrag
                    van 2.000 en bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000. In het tweede jaar wordt de
                    afbouwtoelage verminderd met een bedrag van 1.000 en bedraagt de afbouwtoelage
                    dus 2.000.</al><al>Lid 8</al><al>Het percentage van 175% is als volgt opgebouwd. Gedurende vier jaar lang wordt
                    een aflopende compensatie gegeven van het inkomensverschil, waarbij het eerste
                    jaar 100% van het inkomensverschil wordt vergoed, het tweede jaar 75%, het derde
                    jaar 50% en het vierde jaar 25% van het inkomensverschil. In totaal wordt dus
                    250% van het inkomensverschil vergoed. Vervolgens wordt dit bedrag met 70%
                    vermenigvuldigd. Het percentage van 70% heeft te maken met het voordeel dat de
                    medewerker heeft doordat een bedrag ineens wordt verstrekt. Wanneer deze
                    percentages met elkaar vermenigvuldigd worden, wordt 70% * 250% = 175% van het
                    inkomensverschil vergoed.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Oude functie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Nieuwe functie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>Salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>Toelagen 6.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De medewerker zakt in totaalinkomen van 38.000 naar 34.000.</al><al>De medewerker ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van (38.000-34.000) * 250% *
                    70% = 7.000.</al><al>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht gaf op
                    functioneel leeftijdsontslag</al><al> Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                    recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (T)</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005 een
                    functie bekleed heeft die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005.
                    Ook moet hij sinds die datum onafgebroken in een dergelijke functie gewerkt
                    hebben. Dit hoeft niet bij een en dezelfde organisatie te zijn geweest.</al><al>De tekst van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, luidt: "Indien
                    door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor
                    de vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven
                    betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige betrekking vervult en de
                    daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden, eervol ontslag
                    verleend."</al><al>De rechten die deze ambtenaren hebben, zijn vervolgens afhankelijk van:</al><lijst><li nr="§"><al>het aantal dienstjaren dat de ambtenaar op 1 januari 2006 in een functie
                            werkzaam is geweest, die recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.
                        </al></li><li nr="§"><al> het feit of de functie bezwarend was. </al></li><li nr="§"><al> de geboortedatum van de ambtenaar: is de ambtenaar voor 1950 of na 1949
                            geboren.</al></li></lijst><al>In aparte paragrafen worden deze rechten verder uitgewerkt. De rechten komen ten
                    laste van de gemeente, van waaruit betrokkene van de in dit hoofdstuk bepaalde
                    rechten gebruik maakt en het college de plichten aan de betrokkene oplegt.</al><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar moet op 31 december 2005 bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps
                    of een gemeentelijke ambulancedienst een functie bekleed hebben die - op 31
                    december 2005 - recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel
                    8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005. Ook moet hij sinds die datum
                    onafgebroken in deze functie gewerkt hebben. Onder onafgebrokenheid genoemd in
                    lid 1 onder c wordt ook verstaan een overstap naar een andere functie binnen
                    dezelfde gemeente of ambulancedienst of naar een functie bij een ander
                    gemeentelijk beroepsbrandweerkorps beroepsbrandweerkorps of andere gemeentelijke
                    ambulancedienst. Voorwaarde voor de functie waarnaar wordt overgestapt is dat
                    ook die functie - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005.
                    Het overgangsrecht bij wijziging van functie of wijziging van werkgever loopt
                    dus door, mits dit een overstap is van de ene naar de andere bezwarende
                    functie.</al><al>Doorlopen van het overgangsrecht betekent dat ook bij de nieuwe werkgever de
                    rechten ontstaan op grond van paragraaf 2 of 3 van dit hoofdstuk. Of paragraaf 2
                    of 3 van toepassing is, blijft afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                    januari 2006.</al><al>Er is een uitzondering op het doorlopen van het overgangsrecht en dat is als de
                    nieuwe werkgever met de medewerker afspreekt dat het overgangsrecht niet wordt
                    voortgezet. De medewerker kan namelijk ook anderszins voordeel hebben van de
                    overstap op grond waarvan het voor hem minder belangrijk is dat het
                    overgangsrecht wordt voortgezet.</al><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen (T)</al><al><vet>Onderdeel a</vet> De in onderdeel a gegeven definitie van bezoldiging geldt
                    alleen voor de in dit artikel genoemde artikelen. Dat betekent dat in de andere
                    gevallen:</al><lijst><li nr="§"><al>de definitie van artikel 3:1 geldt (artikel 9b:20, eerste lid, eerste
                            maal en artikel 9b:25, zesde lid, eerste maal); of </al></li><li nr="§"><al>de nieuwe definitie wel geldt, maar dit via een inhoudelijke koppeling
                            met een van de wel genoemde artikelen geregeld is (zo wordt in artikel
                            9b:10 verwezen naar artikel 9b:4; het is dus niet nodig om artikel 9b:10
                            in de opsomming in onderdeel a op te nemen); of </al></li><li nr="§"><al>dat de definitie van bezoldiging niet ter zake doet, omdat het begrip
                            bezoldiging daar slechts gekoppeld is aan een periode en niet
                            inhoudelijk van betekenis is (bijvoorbeeld artikel 9b:9). </al></li></lijst><al>De limitatieve opsomming van de elementen die onder het begrip bezoldiging
                    vallen houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet meegenomen wordt in
                    de berekeningsgrondslag. De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de
                    datum die bepalend is voor de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en
                    generieke salarisstijgingen omgerekend worden naar deze periode van 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Iemand wordt op 1 juni 2007 55 jaar. Op dat moment
                    wil hij 50% gaan werken tegen doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Op 1
                    februari 2007 is een generieke salarisverhoging afgesproken van 0,8%. Deze telt
                    voor de gemiddelde bezoldiging van de 12 maanden voorafgaand aan 1 juni 2007
                    voor 4/12 mee, omdat deze slechts over 4 van de 12 voorafgaande maanden is
                    genoten.</al><al>In de definitie van bezoldiging wordt verwezen naar de datum die
                        <cursief>“voortvloeit uit de toepassing van …”</cursief> bepaalde artikelen.
                    Hiermee wordt het volgende bedoeld. Artikel 9b:4 geeft de ambtenaar de keuze om
                    op de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken, tegen doorbetaling van 80% van de
                    bezoldiging. Als hij dat daadwerkelijk doet, wordt uitgegaan van de gemiddelde
                    bezoldiging die hij in de periode 54 tot 55 jaar ontving. Maakt hij echter
                    gebruik van de mogelijkheid tot opschuiven (lid 5) en schuift hij de
                    ingangsdatum van de keuzemogelijkheden op met 2 jaar, dan stopt hij pas op
                    57-jarige leeftijd met werken en geldt de bezoldiging in de periode 56 tot 57
                    jaar.</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren gebruik maken van
                    diverse verlofvormen. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof of kort- of langdurend
                    zorgverlof. Deze verlofopname kan ook plaatsvinden in de referteperiode van het
                    begrip bezoldiging (12 maanden voorafgaand aan de datum bedoeld in het eerste
                    lid). Als verlofopname door de ambtenaar in deze referteperiode leidt tot een
                    wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                    3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging. </al><al>Een wijziging van de bezoldiging als gevolg van keuzes in het kader van het
                    cafetariamodel heeft geen gevolgen voor de bezoldiging.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> HHenk heeft 20 dienstjaren en kan op zijn 55-ste
                    verjaardag, op 1 augustus 2009, met volledig buitengewoon verlof. Henk geniet
                    van 1 januari tot 1 april 2009 drie maanden fulltime ouderschapsverlof. Stel
                    Henk krijgt in deze periode van ouderschapsverlof, gelet op de
                    ouderschapsverlofkorting, 35% van de bezoldiging doorbetaald vanuit de
                    werkgever. Deze daling van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging in de
                    referteperiode werkt door in de bezoldiging. De bezoldiging van Henk is
                    uiteindelijk (9 maanden 100% en 3 maanden 35% =) 83,75% van de bezoldiging die
                    Henk gehad zou hebben als hij geen ouderschapsverlof had opgenomen.</al><al>Alleen als verlofopname in de 12 maanden van de referteperiode heeft geleid tot
                    een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                    artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.
                    Andere invloeden, bijvoorbeeld ziekte of gebruikmaking van het cafetariamodel,
                    hebben geen effect op de bezoldiging.</al><al><vet>Onderdeel b en e</vet> In artikel 9b:1 is vastgesteld dat het moet gaan om
                    een betrekking die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag
                    op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005. Deze eis geldt
                    zowel bij de bezwarende als bij de niet-bezwarende functie. </al><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                    onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht
                    gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                    op 31 december 2005, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van
                    55 jaar. Dit betekent dat de keuze in principe 4 jaar lang geldt. Op eerste dag
                    van de maand volgende op de maand waarin de medewerker 59 jaar wordt, gaat
                    namelijk het onbezoldigd volledig verlof in. Was de zogeheten FLO-leeftijd
                    bepaald op een hogere leeftijd, dan is de periode van de keuze korter dan 4
                    jaar. Lid 7 biedt overigens de mogelijkheid om na ingang van de keuzeperiode
                    over te stappen naar een andere keuze. Zie ook de toelichting bij lid 7.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd op de
                    pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                    verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 4 jaar.
                    Het buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt
                    dit fiscaal extra belast.</al><al>De overige keuzes gelden voor zover het dienstbelang dit toelaat. Het
                    dienstbelang houdt onder meer in dat er voldoend e werk voorhanden moet zijn om
                    de ambtenaar van de eerste twee opties gebruik te laten maken.</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                    alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de
                    mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband met vakbekwaamheidseisen
                    minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36 uur per week) moet
                    werken.</al><al>Lid 3</al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                    FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, gelden de keuzes van het eerste lid pas
                    vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar 56 jaar wordt.
                    Ditzelfde geldt naar analogie bij een FLOleeftijd van 57 en 58. In al deze
                    gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat vanaf de
                    eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. Ambtenaren met een
                    functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of 60 jaar, gaan dus
                    direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel 9b:4 feitelijk niet
                    van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig verlof gaan,
                    komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:4. Zie voor een
                    toelichting op ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd gold van 59
                    jaar, de toelichting op lid 5. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in
                    een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, het weede lid
                    van artikel 9b:11. De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus
                    korter naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold.</al><al>Lid 4</al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 5</al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan bij het bereiken van de leeftijd van 55
                    jaar het overgangsrecht in te laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd
                    volledig verlof van artikel 9b:11 later in. </al><al>Als iemand hiervoor kiest, kan hij ook het ouderdomspensioen later laten ingaan.
                    Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid, waardoor de
                    uitkering per jaar hoger wordt. Zie verder de toelichting op artikel 9b:11. </al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                    2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan
                    onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgende
                    op de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. In artikel 9b:11 is opgenomen dat
                    de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven kan worden. Het
                    onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende functie,
                    waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar had
                    vastgesteld, gaat in vanaf de leeftijd van 60 jaar. Ook hij kan de ingangsdatum
                    van dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven. Ten aanzien van de medische
                    geschiktheid wordt verwezen naar de toelichting op lid 4.</al><al>Lid 6</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Lid 7</al><al>In lid 7 wordt het mogelijk gemaakt om gedurende de periode van 55 tot 59 jaar
                    de gemaakte keuze te herzien. Het dienstbelang moet deze herziening toelaten.
                    Een van de andere voorwaarden is dat alleen minder gewerkt kan worden dan de in
                    eerste instantie gemaakte keuze. Dit betekent dat als de ambtenaar gekozen had
                    om 50% te gaan werken tegen 90% van de bezoldiging, hij na herziening alleen nog
                    kan kiezen voor stoppen met werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging
                    dan wel ontslag nemen tegen uitbetaling van een bonus van een jaarsalaris. Deze
                    bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot betrokkene de
                    leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al>Lid 8</al><al>Het FLO-overgangsrecht ondervindt gevolgen van onder andere wijzigingen in
                    pensioenregels en het ziektekostenstelsel. Hierdoor bestaat er verschil in
                    inkomen van ambtenaren die gebruik konden maken van het oude FLO en medewerkers
                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 die na die datum gebruik hebben
                    gemaakt van de mogelijkheid in het FLO-overgangsrecht om volledig te stoppen met
                    werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging. In de CAO sector Gemeenten
                    2007-2009 is een compensatie afgesproken voor ambtenaren met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 die in schaal 6 of lager zaten en die gebruik maken van
                    de mogelijkheid om volledig te stoppen met werken tegen 80% bezoldiging. Deze
                    ambtenaren hebben, als zij in de jaren 2006 tot en met 2010 gebruik maken van
                    deze mogelijkheid, recht op een netto bedrag van € 500,- per jaar. Als zij niet
                    een volledig kalenderjaar gebruik hebben gemaakt van genoemde regeling dan
                    ontvangen zij het bedrag naar rato.</al><al><cursief>Voorbeelden</cursief> Iemand die vanaf 1 juli 2006 in het kader van FLO
                    overgangsrecht van voornoemde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft dus in
                    2006 recht op een vergoeding van € 250, in 2007 tot en met 2009 jaarlijks recht
                    op een netto vergoeding van € 500 en in 2010 een vergoeding van € 250. Op 1 juli
                    2010 wordt de medewerker 59 jaar en gaat hij met onbezoldigd volledig verlof.
                    Iemand die vanaf 1 juli 2007 in het kader van FLO overgangsrecht van voornoemde
                    mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft in 2007 recht op een vergoeding van €
                    250 en in 2008 tot en met 2010 jaarlijks recht op een netto vergoeding van €
                    500. Iemand die vanaf 1 april 2008 in het kader van FLO overgangsrecht van
                    voornoemde mogelijkheid gebruik maakt, heeft in 2008 recht op een netto
                    vergoeding van 9/12 maal € 500 en in 2009 en 2010 jaarlijks recht op een netto
                    vergoeding van € 500.</al><al>Wanneer er lokaal al een compensatie van de betreffende medewerkers heeft
                    plaatsgevonden, bestaat slechts recht op de bovenstaande netto vergoeding voor
                    dat gedeelte dat hoger is dan wat de gemeente al aan de betrokken medewerker
                    netto heeft uitbetaald dan wel heeft toegezegd. Dit wordt berekend over de
                    gehele periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011. (zie voorbeeld 1 en
                    2)</al><al>Er kan ook sprake van zijn dat medewerkers om andere redenen de bovengenoemde
                    inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk ondervonden. Wanneer geen
                    sprake is geweest van een achteruitgang in inkomen, bestaat uiteraard geen recht
                    op vergoeding op basis van de CAR. Wanneer de inkomensachteruitgang niet of
                    slechts gedeeltelijk heeft plaatsgevonden bestaat slechts aanspraak op de
                    vergoeding op basis van de CAR voor dat deel dat er minder is ontvangen dan de
                    netto vergoeding van € 500 per jaar. Dit wordt berekend over de gehele periode
                    van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 (zie voorbeeld 3).</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief> Een gemeente heeft voorafgaand aan de CAO lokaal
                    al toegezegd om in de jaren 2006 tot en met 2008 een netto compensatie te
                    verlenen van € 250 netto per jaar. Een medewerker die op 1 januari 2007 gebruik
                    heeft gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met
                    werken tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging heeft op basis van de CAR
                    nog recht op een nabetaling van € 250 netto per jaar over 2007. In 2008 heeft
                    hij recht op een netto uitkering van € 500 (€ 250 op basis van de lokaal
                    gemaakte afspraak en € 250 op basis van de CAR). In 2009 en 2010 heeft hij recht
                    op de compensatie van € 500 netto per jaar (op basis van de CAR).</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Een medewerker heeft op 1 januari 2006 gebruik
                    gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken
                    tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. De gemeente heeft in 2006 en 2007
                    een compensatie verleend voor de inkomensachteruitgang van € 1000 netto per
                    jaar. Dit betekent dat deze medewerker in de periode 2006-2007 al een
                    compensatie heeft ontvangen van € 2000 netto. Omdat dit gelijk is aan 4 x € 500
                    waarop op basis van de CAR recht bestaat, bestaat geen recht meer op extra
                    compensatie.</al><al><cursief>Voorbeeld 3 </cursief> Een medewerker heeft per 1 januari 2006 gebruik
                    gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken.
                    Deze medewerker is vanaf dat moment niet meer oproepbaar. Op basis van de CAR
                    moet dit tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. Echter om administratieve
                    redenen is deze medewerker het hele jaar 2006 volledig doorbetaald (100% van de
                    bezoldiging). Pas vanaf 1 januari 2007 is de doorbetaling van de bezoldiging
                    verlaagd naar 80%. De uitbetaling in 2006 bedroeg hierdoor € 2000 netto per
                    maand terwijl dit € 1600 netto per maand was geweest wanneer de CAR was
                    toegepast. De medewerker heeft hierdoor in 2006 € 4800 (12*(2000-1600))
                    ontvangen. In totaal zou hij op grond van de CAR maximaal € 2000 kunnen
                    ontvangen. Omdat hij in feite al meer heeft ontvangen dan dat bedrag, heeft deze
                    medewerker geen recht meer op de compensatie bruto-netto FLO.</al><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4 (T)</al><al>De opbouw van pensioen is geregeld in het ABP-reglement. Tijdens de periode van
                    (gedeeltelijk) betaald verlof is de pensioenopbouw als ware er geen sprake van
                    verlof. In de periode van artikel 9b:4 bouwt de medewerker dus pensioen op over
                    de volledige bezoldiging. In het pensioenreglement is wel ruimte gelaten om in
                    de CAO afspraken te maken over de pensioenopbouw van (hoge) bonussen. Er is voor
                    gekozen om de bonussen in artikel 9b:4 niet tot de pensieongrondslag te laten
                    behoren. </al><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</al><al>Als de ambtenaar ervoor kiest om volledig door te werken, bouwt hij ook volledig
                    vakantie op. Kiest hij ervoor om niet te werken, tegen doorbetaling van 80% van
                    de bezoldiging, dan bouwt hij geen vakantie-uren op. Uiteraard wordt bij 50%
                    werken (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel) voor 50, respectievelijk
                    60% vakantie opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</al><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging, die
                    grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:4 gedaan wordt,
                    bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze toelage zou
                    dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering
                    en de vakantietoelage.</al><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                    bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                    tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering. Dit
                    is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens de
                    periode van:</al><lijst><li nr="§"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 80% van de
                            bezoldiging (artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin);</al></li><li nr="§"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                            tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:4, eerste
                            lid, onderdeel b).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:11), wordt ten
                    laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode
                    is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                    20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken
                    van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                    bezwarende functie bekleedt waaraan een FLO-leeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                    jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                    zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - bij het volgen
                    van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag van de maand volgend
                    op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt gedurende 3 jaar in een
                    inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren
                    die een bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was
                    gekoppeld, geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de
                    levensloopvoorziening, waarmee - bij het volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk
                    9e) - vanaf de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin hij de leeftijd
                    van 60 jaar bereikt, gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70%
                    van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:21. </al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                    levensloopvoorziening, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke opname van de
                    levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof of
                    verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening 70% van de
                    oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                    62 jaar bereikt, kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het naar voren
                    halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat moment ontslag
                    verleend worden op grond van artikel 8:2. </al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                    ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                    actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                    financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig verlof,
                    kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde lid
                    van artikel 9b:4, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als de
                    keuze van artikel 9b:4 later is ingegaan. </al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent dat
                    een kortere periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd.
                    De ambtenaar is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De
                    ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de levensloopregeling
                    (bijvoorbeeld omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft
                    gemaakt of omdat hij gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de
                    levensloopregeling). Ook kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn
                    ouderdomspensioen later dan vanaf 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP
                    wordt dan minder ver naar voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor
                    over een kortere periode wordt verspreid, resulteert dit in een hoger
                    ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met een lage OP-opbouw kan dit een
                    interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent dat
                    over een langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al>Lid 1</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                    bedoeld in artikel 6:9, is dat de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen.
                    Omdat sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10
                    lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de
                    pensioenopbouw tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van de
                    ambtenaar, tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. Bij de
                    vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, volgt de premie
                    gedurende de gehele periode van verlof met een maximum van drie, respectievelijk
                    twee jaar de normale werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:12. </al><al>Lid 2</al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in
                    op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd
                    van 60 jaar bereikt.</al><al>Lid 4</al><al>Bij ambtenaren op wie artikel 9b:4 feitelijk van toepassing is en die hebben
                    gekozen voor het vijfde lid van artikel 9b:4 schuift de datum van ingang van het
                    onbezoldigd volledig verlof automatisch op. Op de ambtenaar met een functie,
                    waaraan het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of
                    60 jaar, is artikel 9b:4 feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop
                    onbezoldigd volledig verlof wordt verleend, ligt namelijk op hetzelfde moment
                    (bij FLO-leeftijd 59 jaar) of komt eerder (bij FLO-leeftijd 60 jaar) dan het
                    moment, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid. Om ook deze ambtenaren de
                    mogelijkheid te bieden langer ouderdomspensioen op te bouwen door langer door te
                    werken tegen de normale bezoldiging, is de keuzevrijheid voor het later laten
                    ingaan van het onbezoldigd volledig verlof in dit artikel opgenomen.</al><al>Het voordeel van langer doorwerken is dat de ambtenaar langer ouderdomspensioen
                    opbouwt. De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te
                    werken. De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                    arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het
                    periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 5</al><al>De periode dat de dienstbetrekking voortduurt, kan ook korter zijn, wanneer de
                    ambtenaar eerder dan na 3 jaar ontslag neemt. De periode van 3 respectievelijk 2
                    jaar is gekoppeld aan de verwachte deelname aan de levensloopregeling voor 3
                    respectievelijk 2 jaar tegen een uitkering van 70%. Het college zorgt namelijk
                    voor een zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat ambtenaren die een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd was gekoppeld van 55, 56,
                    57, 58 of 59 jaar vanaf de leeftijd van 59 jaar - bij het volgen van het
                    LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - gedurende 3 jaar in een inkomen kunnen voorzien
                    van 70% van de oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende
                    functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het
                    college zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij het
                    volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de leeftijd van 60 jaar
                    gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude
                    bezoldiging.</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Artikel 9b:12 Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof (T)</al><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                    Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter niets
                    over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen werkgever
                    en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof, voor zover
                    dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid
                    wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="§"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="§"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="§"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                            binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het Pensioenreglement
                    wordt verschil gemaakt in de grondslag voor pensioenopbouw bij onbezoldigd
                    volledig verlof</al><lijst><li nr="§"><al> met opname van levenslooptegoed en </al></li><li nr="§"><al> zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed pensioen wordt
                    opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot
                    minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat
                    lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw
                    plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald
                    verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In het
                    Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens onbetaald verlof
                    met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen op kunnen bouwen
                    tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met FLO-overgangsrecht maakt het
                    Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen tijdens het onbetaald verlof met
                    opname van levenslooptegoed voor een onbeperkte periode pensioen op tegen de
                    doorsneepremie. Voorwaarde daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct
                    voorafgaand aan het ouderdomspensioen genieten.</al><al>Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed bouwen
                    ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere ambtenaren voor onbeperkte duur
                    pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                        binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de Pensioenovereenkomst wordt
                    geregeld dat de normale werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan
                    70%-30%. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk
                    het werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende
                    de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof.
                    Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar
                    verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de
                    verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee
                    jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:12. Het verhaal van de premie
                    (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="§"><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                            kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct
                            inhouden op de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al></li><li nr="§"><al>Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                            verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker
                            niet verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de
                            ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De
                            gemeente dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering
                            ingelost wordt. Vast staat wel dat er feitelijke betaling van de
                            ambtenaar aan de gemeente dient plaats te vinden. Er volgen immers geen
                            perioden meer waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met
                            betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                            totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50
                    jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari
                    2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                    arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en college
                    zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de reguliere regels van
                    loondoorbetaling bij ziekte.</al><al>Lid 1</al><al>Dat artikel 8:4 en artikel 8:5 niet van toepassing zijn, betekent dat, anders
                    dan bij ‘reguliere’ gedeeltelijk arbeidsongeschikten, er na een periode van 24
                    maanden (bij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikten), dan wel 36
                    maanden (bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten), geen sprake mag zijn van
                    ontslag. Definitieve herplaatsing is wel mogelijk. Deze regels gelden ook voor
                    ambtenaren die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Omdat zij
                    echter - tijdelijk - geen restverdiencapaciteit hebben, heeft bij hen het zoeken
                    naar een andere functie geen nut en zal om die reden ook geen sprake zijn van
                    definitieve herplaatsing. Als deze ambtenaren herstellen, gaan de regels gelden,
                    zoals deze gelden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten.</al><al>De ambtenaar die tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar volledig en duurzaam
                    arbeidsongeschikt raakt, mag 24 maanden na arbeidsongeschiktheid (of zoveel
                    eerder als UWV daar toestemming voor geeft) ontslag verleend worden.</al><al>Lid 2</al><al>Om te realiseren dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte of de volledig maar niet
                    duurzaam arbeidsongeschikte vanaf zijn 55e gelijke rechten heeft als iemand die
                    niet (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, moet de betrokken ambtenaar indien hij
                    niet herplaatst is, beter gemeld worden op de dag dan hij 55 wordt. Hij heeft
                    vanaf dat moment dezelfde keuzes als een ambtenaar die niet ziek is, zij het dat
                    50% doorwerken tegen 90% salaris wegens ziekte waarschijnlijk niet mogelijk is
                    voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, dat 50% werken tegen 90% salaris zeker
                    niet mogelijk is voor volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikten en dat
                    100% doorwerken met een bonus voor beide categorieën in ieder geval niet
                    mogelijk is.</al><al>Omdat de betrokken ambtenaren beter gemeld zijn, is artikel 7:3 (de regels rond
                    loondoorbetaling bij ziekte) vanaf dat moment niet meer van toepassing. De
                    bezoldiging van betrokkene wordt uitbetaald conform de regels van het
                    overgangsrecht.</al><al>Vanaf hun 59e jaar krijgen deze ambtenaren onbezoldigd volledig verlof, waarvan
                    zij de eerste periode gebruik kunnen maken van de levensloopregeling en de
                    leeftijd van 62 jaar van het versterkt OP.</al><al>Lid 3</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, wordt de ambtenaar bij het
                    bereiken van die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><al>Lid 4</al><al>Op de ambtenaar die ziek wordt tussen zijn 50e en zijn 55e jaar, blijven artikel
                    9b:4 tot en met 9b:18 van toepassing. Artikel 9b:4 blijft van toepassing, voor
                    zover de keuzes die daarin worden genoemd, gezien de medische geschiktheid nog
                    mogelijk zijn. Dat kan betekenen dat alleen de opties niet werken met
                    doorbetaling van 80% van de bezoldiging of ontslag onder toekenning van een
                    bonus nog mogelijk zijn.</al><al>Lid 5</al><al>Uitgangspunt hierbij is een FLO-leeftijd van 55 jaar. Dat betekent dat hij vanaf
                    zijn 55e al gebruik maakt van de keuzes van artikel 9b:4. In het zesde lid is
                    opgenomen dat een hogere leeftijd geldt, als een hogere FLO-leeftijd was
                    vastgesteld.</al><al>De ambtenaar die vanaf zijn 55e jaar arbeidsongeschikt raakt, wordt niet ziek
                    gemeld. Hij blijft gebruik maken van de keuzes van artikel 9b:4, voor zover dat
                    medisch gezien mogelijk is. </al><al>Als de ambtenaar gekozen had om 100% door te werken met een bonus, en hij dat
                    wegens ziekte niet meer kan, moet hij een van de andere opties van artikel 9b:4,
                    eerste lid, kiezen. Als hij vanwege ziekte ook niet meer de keuze heeft om 50%
                    te werken tegen 90% van het salaris, resteren voor hem alleen nog de keuze van
                    volledig buitengewoon verlof, tegen doorbetaling van 80% van de voor de
                    ambtenaar geldende bezoldiging en de keuze van volledig ontslag op grond van
                    artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de
                    ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                    bonus. Deze bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot het
                    moment, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. </al><al>Het is niet eenduidig vast te stellen na hoeveel tijd van ziekte vast staat dat
                    de ambtenaar de door hem gemaakte keuze niet meer kan voortzetten. Dat zal per
                    ziektegeval verschillen. De arbo-arts speelt hierin een rol.</al><al>Lid 6</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt het vijfde lid bij
                    het bereiken van die hogere leeftijd. Het vijfde lid is dus pas van toepassing
                    als de keuze op grond van artikel 9b:4 daadwerkelijk geëffectueerd is.</al><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte (T)</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid is een salarisbevriezing geregeld voor de ambtenaar die ziek
                    is geworden en in het kader van deze ziekte herplaatst wordt.</al><al>Lid 2</al><al>Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de nieuwe
                    functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en
                    medewerker afspraken over een financiële regeling.</al><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                    onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage ontvangt
                    dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard
                    op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                    59 jaar bereikt) een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn
                    bezoldiging. Voor een ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een
                    FLO-leeftijd van 60 was verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het
                    onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard op de eerste dag van de maand
                    volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt) een tegoed
                    bereikt kan hebben overeenkomend met 140%.</al><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>In ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                    uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al>Lid 1</al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2.</al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op 1
                    januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben gewerkt.
                    Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze “overgangsgroep”
                    behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven jaren
                    aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag gebaseerd
                    dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze storting is dat de
                    medewerker op de leeftijd van 62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden
                    x 76% van het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                    ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het uiteindelijke pensioen van de
                    medewerker is, is van veel factoren afhankelijk (dienstjaren, deeltijdfactoren,
                    moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben hierover dus geen individuele
                    garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP over de jaren tot 2004 het
                    loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP het eindloonsysteem en zijn
                    geen loongegevens bewaard van voorliggende jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                    vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                    definitie van artikel 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is
                    geweest, zodat een berekening gemaakt kan worden van de storting die op
                    53-jarige leeftijd wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat
                    inkomen is ook niet (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de
                    volgende leidraad hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van
                    het inkomen van een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting
                    voor een vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd.
                    Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende medewerker
                    als vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren bij een
                    ambulancedienst in de particuliere sector kan de gemeente het salaris uit het
                    jaar voorafgaand aan de storting hanteren dat gekoppeld was aan een
                    vergelijkbare functie binnen de gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag
                    hoeft niet meer te worden geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de formule
                    uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie van artikel
                    3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                    betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies volksverzekeringen,
                    premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet worden
                    ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt de
                    indexatiefactoren op bij het ABP.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief> Als de medewerker 53 jaar wordt,
                    berekent de werkgever het bedrag dat moet worden gestort in AEP. De gegevens die
                    de werkgever nodig heeft voor de berekening kunnen worden opgevraagd bij het
                    ABP.</al><lijst><li nr="1."><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53 jaar
                            wordt.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker
                            toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever
                            te verstrekken. Geeft de medewerker geen toestemming dan kan de
                            werkgever het ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                            vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De werkgever heeft de
                            toestemming nodig om de gegevens op te vragen die nodig zijn om de
                            benodigde storting te kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27
                            november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                            opgenomen waarmee de werkgever de werknemer om toestemming kan
                            verzoeken.</al></li><li nr="3."><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                            deeltijdfactoren per jaar op van dienstjaren van betrokken medewerker
                            bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                            indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt de
                            werkgever contact op met de BU-SV, Verstrekken Informatie Klantgroepen
                            (VIK) van het ABP, postbus 4806, 6401 JL Heerlen.</al></li><li nr="4."><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                            deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij elkaar op
                            en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij
                            dit bedrag met 57%. Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                            leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53
                            geldt.</al></li><li nr="5."><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt
                            gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004,
                            ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het
                            klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker
                            klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend is,
                    over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1 januari
                    2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                    middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al>Lid 2</al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                    storting uit lid 1 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks eenmaal, in
                    november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan zijn dat de
                    werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft gedaan, omdat
                    de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er onvoldoende
                    fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te doen, dan
                    stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die dat op zijn
                    beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                    bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                    zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al>Lid 3</al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd van
                    53 jaar, heeft ook recht op het bedrag dat in lid 1 genoemd is. Dat bedrag wordt
                    bij uitdiensttreden in AEP gestort. Omdat dat bedrag dus langer kan renderen,
                    wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor toegepast (zie artikel 9b:22a),
                    namelijk die factor die bij de leeftijd van uittreden hoort. Lid 2 is hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 4</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende ruimte
                    aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend
                    inkomen. Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen
                    pensioenpremies afgedragen.</al><al>Lid 5</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende ruimte
                    aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit
                    betekent dat hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen
                    salaris is, wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al>Lid 6</al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten wat
                    het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra Pensioen is
                    gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij zijn keuzemoment
                    wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever eenmalig verzoeken om
                    een indicatie te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een rekentool op
                    abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen voor de
                    verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg met de
                    medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie. Hierbij wordt
                    geadviseerd rekening te houden met mogelijke carrièrestappen van de medewerker.
                    Als die nog worden verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                    berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt
                    met eventuele carrièrestappen geen rekening. </al><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na 1949
                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven die
                    ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd.
                    Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de
                    ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                    doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn uitzonderingen
                    denkbaar dat de storting op een andere leeftijd geschiedt. Voor meer informatie
                    over de diverse uitzonderingen zie ledenbrief van 27 november 2008
                    (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag
                    gegenereerd moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet,
                    bij de rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                    7.850 gestort worden (€ 10.000 x 0,785). Als er op een later moment dan op
                    53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                    leeftijdsafhankelijke factor.</al><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering (T)</al><al>In artikel 9b:22, lid 3, is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                    Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de bezwarende
                    functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de bezwarende
                    functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering jonger is dan 53
                    jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting moeten doen. Deze storting
                    op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van
                    het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van
                    het rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting wordt
                    het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven, is
                    geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                    regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak over
                    het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds op 53
                    jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van het totaal
                    aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de nieuwe
                    werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente en de
                    nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP
                    verdeeld worden.</al><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat ambtenaren vanaf 31 december 2005 onafgebroken
                    in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op
                    functioneel leeftijdsontslag.</al><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                    loopbaan gestart wordt (T)</al><al>Zolang het medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar werkzaam in de bezwarende
                    functie tot het moment dat hij op grond van artikel 9b:28 buitengewoon verlof
                    verleend wordt, onder doorbetaling van 75%, respectievelijk 78% of 80% van de
                    bezoldiging. Dit doorwerken gebeurt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                    die waarin de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, voor 50% werken
                    onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel kan dit
                    zijn 60% werken tegen doorbetaling van 95% van de bezoldiging).</al><al>Dit doorwerken geldt niet als ambtenaren in het kader van het loopbaanplan op
                    grond van artikel 9b:25 een andere functie aanvaarden of als er anderszins in
                    het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken gemaakt worden. In
                    artikel 9b:25 wordt hoofdstuk 9a van toepassing verklaard op ambtenaren in een
                    bezwarende functie, die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren hadden.
                    Hoofdstuk 9a verplicht hen mee te werken aan de tweede loopbaan.</al><al>Het toewerken naar deze tweede loopbaan is onder meer van belang om hiermee
                    voortijdige uitval wegens arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Uit het rapport
                    van het Coronel-instituut van 2004 blijkt dat gezondheidsrisico's vaak al ver
                    voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd ontstaan. Een aanzienlijk percentage
                    van de medewerkers kan om die reden niet tot de leeftijd van 55 jaar doorwerken
                    in de bezwarende functie. Om die reden moet met al deze ambtenaren tijdig een
                    loopbaanplan worden opgesteld, waarin afspraken worden gemaakt over opleiding en
                    begeleiding naar een aangepaste functie-invulling of een andere functie
                    voorafgaand aan het moment dat het uitoefenen van de bezwarende functie om
                    gezondheidsredenen niet langer verantwoord is.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 1-10-2006 (tot de volgende
                        artikelversie) wordt de toelichting gewijzigd:In de toelichting op artikel
                        9b:24 wordt in de tweede alinea de aanduiding “9b:16” vervangen door: 9b:25.
                    </cursief></al><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                    1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Ambtenaren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                    functie moeten meewerken aan een tweede loopbaan. Deze plicht geldt tot de
                    eerste van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 55 jaar
                    bereiken. Gedurende deze periode gelden alle bepalingen uit hoofdstuk 9a, voor
                    zover daar in dit artikel niet van is afgeweken.</al><al>Als de ambtenaar op de leeftijd van 55 jaar niet is begonnen aan een tweede
                    loopbaan, gelden de artikelen 9b:26 tot en met 9b:43. Deze ambtenaar gaat op de
                    eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft
                    bereikt, 50% werken tegen 90% bezoldiging (of, voor ambulancepersoneel 60%
                    werken tegen 95% van de bezoldiging). Vervolgens gaat hij op een latere leeftijd
                    met gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof en gaat hij op de eerste dag van de
                    maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt met
                    onbezoldigd verlof. Wanneer de ambtenaar voor de leeftijd van 55 jaar in het
                    kader van de tweede loopbaan een functie heeft aanvaard, geldt vanaf dat moment
                    de gewone rechtspositie en vallen zij niet meer onder dit hoofdstuk.</al><al>In de leden 3 tot en met 7 zijn bepalingen opgenomen die afwijken van de
                    bepalingen van hoofdstuk 9a.</al><al>Lid 2</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt de plicht om mee te
                    werken aan de tweede loopbaan tot het bereiken van die hogere leeftijd. Als de
                    tweede loopbaan op die leeftijd niet is begonnen, gelden de artikelen 9b:26 tot
                    en met 9b:43 vanaf dat moment.</al><al>Lid 3</al><al>Dit recht geldt alleen voor brandweerpersoneel. De verwachting is dat
                    ambulancepersoneel extern meer geschikte functies zal kunnen vinden.</al><al>Lid 6</al><al>Deze salarisbevriezing is ruimer dan de salarisgarantie van artikel 9a:11.</al><al>Lid 7</al><al>Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de nieuwe
                    functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en
                    medewerker in het kader van het loopbaanplan afspraken over een financiële
                    regeling.</al><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                    2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                    op 31 december 2005, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van
                    55 jaar.</al><al>Lid 1</al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd op de
                    pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>De duur van de periode dat 50% gewerkt wordt tegen doorbetaling van 90% van het
                    salaris is afhankelijk van net aantal dienstjaren dat betrokkene op 1 januari
                    2006 had. De duur is namelijk tot het moment dat betrokkene gedeeltelijk
                    doorbetaald buitengewoon verlof wordt verleend (artikel 9b:28). Dat 60% werken
                    tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als alternatief geldt voor
                    50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de mogelijkheid te maken dat
                    ambulancepersoneel in verband met vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een
                    volledige betrekking (= 60% van 36 uur per week) moet werken.</al><al>Lid 2</al><al>Als in een gemeente op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende
                    ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 of ouder gold, geldt het recht pas vanaf de
                    eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar die leeftijd
                    bereikt. Het overgangsrecht gaat dus op een later moment in dan vanaf 55 jaar.
                    Ook het moment van gedeeltelijk doorbetaald verlof van artikel 9b:28 schuift dan
                    op. In al deze gevallen geldt wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat
                    vanaf de leeftijd van 59 jaar (artikel 9b:35).</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of
                    60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel
                    9b:26 (net als artikel 9b:28; zie de toelichting op artikel 9b:28, lid 2)
                    feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig
                    verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:26 voor
                    50% gaan werken tegen 90% bezoldiging, respectievelijk 60% werken tegen 95%
                    bezoldiging. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie,
                    waarvoor een FLOleeftijd van 59 jaar was gesteld, zie de toelichting op lid 5.
                    Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een
                    FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, zie het tweede lid van artikel 9b:35.</al><al>Lid 3</al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 4</al><al>Zie toelichting op artikel 9b:43.</al><al>Lid 5</al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan met 55 jaar het overgangsrecht in te
                    laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van artikel
                    9b:35 later in. Als iemand hiervoor kiest kan hij het ouderdomspensioen later
                    laten ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid,
                    waardoor de uitkering per jaar hoger wordt.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                    2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan
                    onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgend
                    op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt. In artikel 9b:35 is
                    opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven
                    kan worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende
                    functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar
                    had vastgesteld, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Ook hij kan de ingangsdatum van
                    dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven. Zie verder ook de toelichting op
                    artikel 9b:35.</al><al>Lid 6</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Artikel 9b:27 Vervallen (T)</al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat de
                    gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt. </al><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26 (T)</al><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging, die
                    grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:26 gedaan wordt,
                    bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze toelage zou
                    dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering
                    en de vakantietoelage.</al><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                    geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                    bezwarende functie (T)</al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op 31 december 2005 een FLO-leeftijd was
                    vastgesteld van 55 jaar. </al><al>Lid 1</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                    verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 3 jaar.
                    De duur van het verlof is afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari
                    2006 en wordt bepaald op de wijze zoals aangegeven in het eerste lid. Het
                    buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt dit
                    fiscaal extra belast.</al><al>Lid 2</al><al>Voorbeeld Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar
                    een FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, en deze ambtenaar had op 1 januari 2006
                    11 dienstjaren, geldt dat hij tot de leeftijd van 58 jaar (57 + 1) moet
                    doorwerken. Vanaf dat moment wordt, tot het moment van onbezoldigd volledig
                    verlof (59 jaar) 78% van zijn bezoldiging doorbetaald. Ook als een hogere
                    FLO-leeftijd was vastgesteld, geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig
                    verlof ingaat vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of
                    60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof (vanaf de eerste dag
                    van de maand, volgend op die waarin de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar,
                    is bereikt). Op hen is artikel 9b:28 (net als artikel 9b:26, zie de toelichting
                    op artikel 9b:26, lid 2) feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij
                    met onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd
                    bedoeld in artikel 9b:28 (gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof). Voor
                    hen is in artikel 9b:35 bepaald dat zij de ingangsdatum van het onbezoldigd
                    volledig verlof kunnen opschuiven. De duur van de door de ambtenaar gemaakte
                    keuze wordt dus korter naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold. Zie
                    verder de toelichting op artikel 9b:35.</al><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28 (T)</al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat de
                    gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt.</al><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en 9b:28
                    (T)</al><al>Gedurende de periode dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt
                    (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%,
                    respectievelijk 60% vakantie op. Gedurende de periode dat op grond van artikel
                    9b:28 gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen
                    vakantie opgebouwd.</al><al>Artikel 9b:32 Vervallen (T)</al><al>Toelichting voor Artikel 9b:32 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                    ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60% voor
                    ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% vakantietoelage op.
                    Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald
                    buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen vakantietoelage opgebouwd. </al><al>Artikel 9b:33 Vervallen (T)</al><al>Toelichting voor Artikel 9b:33 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                    ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60% voor
                    ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% eindejaarsuitkering
                    op. Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald
                    buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen eindejaarsuitkering opgebouwd. </al><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                    artikel 9b:28 (T)</al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                    bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                    tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering. Dit
                    is bij ambtenaren rnet, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens de
                    periode van:</al><lijst><li nr="§"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                            tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:26);</al></li><li nr="§"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 75%, respectievelijk
                            78% of 80% van de bezoldiging (artikel 9b:28).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:35), wordt ten
                    laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode
                    is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 1-10-2006 (tot de volgende
                        artikelversie) wordt de toelichting gewijzigd: De woorden “20 dienstjaren of
                        meer” worden vervangen door: minder dan 20 dienstjaren. </cursief></al><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                    minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Let op: zie ook noot onderaan de tekst.</al><al><vet>Algemeen</vet> Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken
                    van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                    bezwarende functie bekleedt waaraan een FLOleeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                    jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                    zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - uitgaande van
                    het bereiken van 20 dienstjaren of meer op het moment van onbezoldigd volledige
                    verlof - onder voorwaarden vanaf zijn 59e jaar gedurende 3 jaar in een inkomen
                    kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld,
                    geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening,
                    waarmee — uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren op het moment van
                    onbezoldigd volledig verlof- onder voorwaarden vanaf de leeftijd van 60 jaar
                    gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude
                    bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:44.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                    levensloopvoorziening of heeft hij geen 20 dienstjaren op het moment van ingang
                    van het onbezoldigd volledig verlof, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke
                    opname van de levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig
                    verlof of verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening
                    70% van de oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het
                    naar voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat
                    moment ontslag verleend worden op grond van artikel 8:2.</al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                    ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                    actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                    financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig verlof,
                    kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde lid
                    van artikel 9b:26, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als het
                    moment van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat een kortere
                    periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd. De ambtenaar
                    is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De ambtenaar kan
                    bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de levensloopregeling (bijvoorbeeld
                    omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat hij
                    gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook
                    kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn ouderdomspensioen later dan vanaf de
                    leeftijd van 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP wordt dan minder ver naar
                    voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode
                    wordt verspreid, resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren
                    met een lage OPopbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat over een
                    langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al>Lid 1</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                    bedoeld in artikel 6:9, is de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen. Omdat
                    sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10 lid 4
                    niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de pensioenopbouw
                    tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar,
                    tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden wordt verleend. Bij de vorm van
                    onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, volgt de premie gedurende
                    de gehele periode van verlof met een maximum van drie, respectievelijk twee jaar
                    de normale werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:36.</al><al>Lid 2</al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in
                    bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.</al><al>Lid 4</al><al>De ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december 2005 een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of 60 jaar, heeft de keuze om het moment van
                    het onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan. Deze ambtenaar moet dan
                    langer doorwerken tegen een volledig salaris. Deze ambtenaren hebben niet het
                    recht, dat artikel 9b:26 biedt. Het moment van onbezoldigd volledig verlof komt
                    namelijk eerder dan of valt gelijk met het moment, bedoeld in artikel 9b:26. De
                    vrijheid die artikel 9b:26, vijfde lid, biedt om het recht later te laten ingaan
                    en daarmee het moment van onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan, is
                    voor ambtenaren in een functie met een FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar dus geen
                    automatisme. Daarom is de keuzevrijheid voor het later laten ingaan van het
                    onbezoldigd volledig verlof in dit artikellid opgenomen.</al><al>Het voordeel voor de ambtenaar is, dat hij langer ouderdomspensioen
                    opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te werken.
                    De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al>Lid 5</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Combinatie van artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35. Artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35
                    samen betekenen, uitgaande van een FLO-leeftijd van 55 jaar, het volgende:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>A</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>B</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>C</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>D</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>E</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dienstjaren op 1 januari 2006</al></entry><entry colname="col2"><al>leeftijd ingang 50% werken tegen 90% bezoldiging</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd ingang gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col4"><al>percentage bezoldiging bij gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd ingang onbezoldigd volledig verlof</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15-20</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>56 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>80%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10-15</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>57 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>78%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5-10</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>58 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>75%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 5</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>59 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar schuift de datum van kolom B en C op
                    terwijl de datum van kolom E gelijk blijven.</al><al>Als de ambtenaar er zelf voor kiest om de datum waarop hij 50% gaat werken tegen
                    90% van de bezoldiging op te schuiven (hij maakt dan gebruik van het vijfde lid
                    van artikel 9b:26), schuift de datum van kolom B, C en E op.</al><al>Op de ambtenaar, waarvoor het college op 31 december 2005, op grond van artikel
                    8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld
                    van 59 of 60 jaar, is alleen kolom E van toepassing. Zij kunnen dit moment
                    opschuiven.</al><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                    verlof (T)</al><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                    Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter niets
                    over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen werkgever
                    en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof, voor zover
                    dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid
                    wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="§"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="§"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="§"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                            binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het Pensioenreglement
                    wordt verschil gemaakt in de grondslag voor pensioenopbouw bij onbezoldigd
                    volledig verlof</al><lijst><li nr="§"><al>met opname van levenslooptegoed en</al></li><li nr="§"><al>zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed pensioen wordt
                    opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot
                    minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat
                    lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw
                    plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald
                    verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In het
                    Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens onbetaald verlof
                    met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen op kunnen bouwen
                    tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met FLO-overgangsrecht maakt het
                    Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen tijdens het onbetaald verlof met
                    opname van levenslooptegoed voor een onbeperkte periode pensioen op tegen de
                    doorsneepremie. Voorwaarde daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct
                    voorafgaand aan het ouderdomspensioen genieten. Bij onbezoldigd volledig verlof
                    zonder opname van levenslooptegoed bouwen ambtenaren met FLO-overgangsrecht net
                    als andere ambtenaren voor onbeperkte duur pensioen op tegen
                    doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                        binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de Pensioenovereenkomst wordt
                    geregeld dat de normale werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan
                    70%-30%. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk
                    het werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende
                    de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof.
                    Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar
                    verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de
                    verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee
                    jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:36. Het verhaal van de premie
                    (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="§"><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                            kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct
                            inhouden op de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al></li><li nr="§"><al>Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                            verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker
                            niet verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de
                            ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De
                            gemeente dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering
                            ingelost wordt. Vast staat wel dat er feitelijke betaling van de
                            ambtenaar aan de gemeente dient plaats te vinden. Er volgen immers geen
                            perioden meer waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met
                            betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                            totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantiereg. bij arbeidsongeschiktheid na
                    de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                    arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en
                    werkgever zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de reguliere
                    regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al>Lid 1</al><al>Lid 1 gaat over de ambtenaar die op grond van ziekte niet conform artikel 9b:26
                    (50% werken tegen 90% bezoldiging respectievelijk voor ambulancepersoneel 60%
                    werken tegen 95% van de bezoldiging) kan werken. Op hem blijft hoofdstuk 7 van
                    toepassing tot het moment dat de datum bereikt wordt, waarop conform artikel
                    9b:28 gedeeltelijk betaald verlof verleend wordt. Op dat moment wordt hij
                    hersteld verklaard en wordt hem gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof
                    verleend. Op grond van artikel 9b:35 wordt hem vervolgens onbezoldigd volledig
                    verlof verleend.</al><al>Lid 2, 3 en 5</al><al>De ambtenaar die ziek wordt na de leeftijd van 50 jaar wordt op het moment,
                    bedoeld in artikel 9b:26 hersteld verklaard. Op hem is artikel 9b:26 van
                    toepassing, voor zover zijn medische geschiktheid het mogelijk maakt dat hij 50%
                    werkt tegen 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel 60% werkt tegen 95%
                    van de bezoldiging). Is dat niet mogelijk dan is op hem het vierde lid van
                    artikel 9b:26 van toepassing, waarin wordt verwezen naar het eerste lid van dit
                    artikel. Dat betekent dat deze ambtenaar toch weer ziek gemeld wordt en pas
                    beter gemeld wordt op het moment dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk
                    betaald buitengewoon verlof verleend wordt. Vervolgens wordt ook hem op grond
                    van artikel 9b:35 onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al>Lid 4</al><al>Als een hogere FLO-leeftijd was gesteld, wordt de ambtenaar bij het bereiken van
                    die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><al>Artikel 9b:44</al><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                    onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage ontvangt
                    dat hij bij het bereiken van 20 dienstjaren op de leeftijd waarop het
                    onbezoldigd volledig verlof ingaat (dit is standaard op de eerste dag van de
                    maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt)
                    een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Voor een
                    ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een FLO-leeftijd van 60 was
                    verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof
                    ingaat (standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt) een tegoed bereikt kan hebben
                    overeenkomend met 140%. Als de ambtenaar minder dan 20 dienstjaren bereikt,
                    gelden de 210% of 140% naar rato van het aantal bereikte dienstjaren.</al><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                    januari 2006 (T)</al><al>In de ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                    uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al>Lid 1</al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2. </al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op 1
                    januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben gewerkt.
                    Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze “overgangsgroep”
                    behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven jaren
                    aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag gebaseerd
                    dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze storting is dat de
                    medewerker, in het geval hij op 59 jaar 20 dienstjaren heeft, op de leeftijd van
                    62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden x 76% van het gemiddelde loon
                    over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Als het
                    gaat om een medewerker, die een functie had, waaraan, op 31 december 2005, een
                    FLO-leeftijd was verbonden van 60 jaar, is het streven om op 60 jaar een bedrag
                    te hebben ter hoogte van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon over de
                    dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het
                    uiteindelijke pensioen van de medewerker is, is van veel factoren afhankelijk
                    (dienstjaren, deeltijdfactoren, moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben
                    hierover dus geen individuele garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP
                    over de jaren tot 2004 het loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP
                    het eindloonsysteem en zijn geen loongegevens bewaard van voorliggende
                    jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                    vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                    definitie 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is geweest, zodat
                    een berekening gemaakt kan worden van de storting die op 53-jarige leeftijd
                    wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat inkomen is ook niet
                    (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de volgende leidraad
                    hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van het inkomen van
                    een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting voor een
                    vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd. Daarbij
                    geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende medewerker als
                    vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren bij een ambulancedienst in
                    de particuliere sector kan de gemeente het salaris uit het jaar voorafgaand aan
                    de storting hanteren dat gekoppeld was aan een vergelijkbare functie binnen de
                    gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag hoeft niet meer te worden
                    geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de formule
                    uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie van artikel
                    3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                    betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies volksverzekeringen,
                    premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet worden
                    ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt de
                    indexatiefactoren bij het ABP op.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief> Als de medewerker, die onder het
                    overgangsrecht valt, 53 jaar wordt, berekent de werkgever het bedrag dat moet
                    worden gestort in AEP. De gegevens die de werkgever nodig heeft voor de
                    berekening kunnen worden opgevraagd bij het ABP. </al><lijst><li nr="1."><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53 jaar
                            wordt.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker
                            toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever
                            te verstrekken. Geeft de medewerker geen toestemming dan kan de
                            werkgever het ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                            vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De werkgever heeft de
                            toestemming nodig om de gegevens op te vragen die nodig zijn om de
                            benodigde storting te kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27
                            november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                            opgenomen waarmee de werkgever de medewerker om toestemming kan
                            verzoeken.</al></li><li nr="3."><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                            deeltijdfactoren per jaar op van de dienstjaren van betrokken medewerker
                            bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                            indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt de
                            werkgever contact op met de BU-SV, Special Services van het ABP, postbus
                            4806, 6401 JL Heerlen. Het ABP levert de werkgever de pensioengevende
                            inkomens van de dienstjaren, de bijbehorende deeltijdfactoren en de
                            indexatiefactoren. Zie de toelichting op lid 2 en 3 voor het geval de
                            medewerker nog geen 20 dienstjaren heeft.</al></li><li nr="4."><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                            deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij elkaar op
                            en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij
                            dit bedrag met 57%, als de medewerker op 53 jarige leeftijd al 20
                            dienstjaren heeft. Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                            leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53
                            geldt.</al></li><li nr="5."><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt
                            gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004,
                            ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het
                            klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker
                            klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend is,
                    over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1 januari
                    2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                    middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het kan zijn dat mensen op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                    hebben. Dan hebben zij nog geen recht op een storting van 57% van het gemiddeld
                    loon. Het percentage wat van dit gemiddelde loon wordt gestort is het aantal
                    dienstjaren op het moment van storting gedeeld door 20 maal 57%. Dus als een
                    medewerker 15 dienstjaren heeft op 53 jaar dan stort de werkgever een bedrag van
                    het gemiddelde loon over die 15 jaar maal 15/20ste van 57%.</al><al>Bij doorwerken in een bezwarende functie na de leeftijd van 53 jaar wordt ieder
                    jaar een extra bedrag gestort. Het recht op deze stortingen ontstaat bij het
                    bereiken van de eerstvolgende leeftijd. De stortingen stoppen op 59-jarige
                    leeftijd of bij het bereiken van 20 dienstjaren. Het streven van de stortingen
                    is dat, bij het bereiken van 20 dienstjaren op of voor 59-jarige leeftijd, op de
                    leeftijd van 62 jaar een bedrag beschikbaar is van 9 maanden x 76% x het
                    gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker. Heeft
                    de medewerker op 59-jarige leeftijd minder dan 20 dienstjaren, dan geldt dit
                    streven naar rato van het aantal dienstjaren op 59 jaar. </al><al>Voor mensen die op 31 december 2005 een functie bekleedden, waarin een
                    FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden, geldt dat de stortingen doorgaan tot 60
                    jaar, dan wel tot het bereiken van 20 dienstjaren.</al><al>Lid 4</al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                    storting uit lid 1 of lid 3 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks
                    eenmaal, in november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan
                    zijn dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft
                    gedaan, omdat de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er
                    onvoldoende fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te
                    doen, dan stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die dat
                    op zijn beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                    bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                    zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al>Lid 5</al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd van
                    53 jaar, heeft ook recht op het bedrag genoemd in lid 1 of lid 2 (lid 2 wordt
                    toegepast wanneer de ambtenaar op 53-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren
                    heeft). Dat bedrag wordt bij uitdiensttreden in AEP gestort. Maar omdat dat
                    bedrag langer kan renderen, wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor
                    toegepast (zie artikel 9b:45a), namelijk die factor die bij de leeftijd van
                    uittreden hoort. Lid 4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 6</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                    medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend inkomen.
                    Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen pensioenpremies
                    afgedragen.</al><al>Lid 7</al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                    medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit betekent dat
                    hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen salaris is,
                    wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al>Lid 8</al><al>Iemand kan de werkgever vragen om het moment waarop hij 50% gaat werken tegen
                    doorbetaling van 90% van de bezoldiging (respectievelijk 60% gaat werken tegen
                    doorbetaling van 95% van de bezoldiging) op te schuiven (artikel 9b:26 lid 5).
                    Als hij dit doet, wordt het aantal dienstjaren voor de toepassing van dit
                    artikel niet hoger dan het op 59-jarige leeftijd is. Dus als de medewerker op
                    59-jarige leeftijd 15 dienstjaren heeft in een bezwarende functie, is het
                    streven van de storting die op 53-jarige leeftijd en daarna tot 59 jaar wordt
                    gedaan een bedrag van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon van de 15
                    dienstjaren.</al><al>Lid 9</al><al>De medewerker met een functie, waaraan op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van
                    59 of 60 was verbonden, gaat direct met onbezoldigd volledig verlof. Voor hem is
                    er dus geen periode van gedeeltelijk betaald verlof. Op hem is artikel 9b:25,
                    lid 5, dus niet van toepassing (zie de toelichting op lid 8). Hij kan wel
                    verzoeken om het moment van onbezoldigd volledig verlof op te schuiven (artikel
                    9b:35, lid 4). Als dit verzoek gehonoreerd wordt, wordt het aantal dienstjaren
                    voor de toepassing van dit artikel niet hoger dan het was op 59-jarige
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd.</al><al>Lid 10</al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten wat
                    het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra Pensioen is
                    gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij moment van minder
                    gaan werken wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever eenmalig
                    verzoeken om een indicatie te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een
                    rekentool op abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen
                    voor de verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg met
                    de medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie. Hierbij wordt
                    geadviseerd rekening te houden met mogelijke carrièrestappen van de medewerker.
                    Als die nog worden verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                    berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt
                    met eventuele carrièrestappen geen rekening.</al><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder dan 20
                    dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</al><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven die
                    ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd.
                    Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de
                    ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                    doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn uitzonderingen
                    denkbaar dat de storting op een andere leeftijd geschiedt. Voor meer informatie
                    over de diverse uitzonderingen zie ledenbrief van 27 november 2008
                    (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag
                    gegenereerd moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet,
                    bij de rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                    7.850 gestort worden (€ 10.000 x 0,785). Als er op een later moment dan op
                    53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                    leeftijdsafhankelijke factor.</al><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering (T)</al><al>In artikel 9b:45 lid 5 is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                    Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de bezwarende
                    functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de bezwarende
                    functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering jonger is dan 53
                    jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting moeten doen. Deze storting
                    op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van
                    het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van
                    het rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting wordt
                    het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven, is
                    geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                    regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak over
                    het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds op 53
                    jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van het totaal
                    aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de nieuwe
                    werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente en de
                    nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP
                    verdeeld worden.</al><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                    onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht
                    gaf op functioneel leeftijdsontslag. Artikel 9b:50, 9b:51 en 9b:52 gelden voor
                    de ambtenaar, die ondanks het feit dat een FLO-leeftijd was vastgesteld, geen
                    bezwarende functie vervulde. </al><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                    januari 2006, in een niet bezwarende functie (T)</al><al>Vanaf 1 januari 2006 ontvangen de ambtenaren, geboren na 1949, met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 de reguliere levensloopbijdrage van
                    1,5%.</al><al>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een
                    betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                    krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen
                    zijn bepaald</al><al>Hoofdstuk 9c Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke</al><al>Hoofdstuk 9d Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</al><al>Artikel 9e:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Dit hoofdstuk geldt alleen voor ambtenaren die op 31 december 2005 een
                    FLO-functie bekleedden bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of
                    gemeentelijke ambulancedienst en die vanaf 1 januari 2006 onafgebroken een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan op 31 december 2005 op grond van artikel
                    8:3 leeftijdsgrenzen waren verbonden. De ambtenaar op wie artikel 9b:49 van
                    toepassing is, is de ambtenaar in een bezwarende oud FLO-functie, die geboren is
                    voor 1950, maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor FPU. Hij krijgt
                    dezelfde rechten als ambtenaren in bezwarende oud FLO-functies, die geboren zijn
                    na 1949.</al><al>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen (T)</al><al><cursief>Onderdeel h</cursief> Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                    bestaat uit een levensloopverzekering en een netto spaarverzekering. Storting op
                    de netto-spaarverzekering van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance kan
                    nodig zijn omdat de levensloopbijdrage die verstrekt wordt uitstijgt boven het
                    maximale bedrag dat fiscaal gunstig op een levensloopverzekering gestort mag
                    worden.</al><al>Lid 2</al><al>LOGA-partijen zijn met Loyalis een levensloopproduct overeengekomen, Loyalis
                    Levensloop Brandweer &amp; Ambulance. Dit levensloopproduct biedt onder
                    voorwaarden de garantie dat de individuele ambtenaar op de leeftijd van 59,
                    respectievelijk 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk
                    140% van hun bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2 (zie hierna artikel 9e:8 en
                    9e:9).</al><al>Voorwaarde voor deze garantie is dat de ambtenaar </al><lijst><li nr="§"><al> daadwerkelijk deelneemt aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                            Ambulance,</al></li><li nr="§"><al>de werkgever verzoekt om de complete levensloopbijdrage beschikbaar te
                            stellen voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</al></li><li nr="§"><al>deze complete levensloopbijdrage ook daadwerkelijk inlegt op het moment
                            dat de werkgever deze bijdrage verstrekt</al></li><li nr="§"><al>niet tussentijds tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                            Ambulance.</al></li></lijst><al>De genoemde voorwaarden samen vormen het LOGA-pad. Alleen wanneer ambtenaren dit
                    LOGA-pad volgen, hebben zij de garanties, bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9. </al><al>Artikel 9e:6 Inleg (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Onderdeel van het formulier waarop de ambtenaar zijn melding doet is de optie
                    dat hij het LOGA-pad wil volgen en dat hij zijn complete levensloopbijdrage wil
                    inleggen (tot aan de fiscale grens van 12% op de levensloopverzekering plus het
                    eventueel meerdere op de netto spaarverzekering). Hij weet dan niet het exacte
                    bedrag noch de hoogte van het voor hem door Loyalis bepaalde maatwerkpercentage.
                    Als Loyalis een nieuw maatwerkpercentage doorgeeft, wijzigt het bedrag dat de
                    ambtenaar inlegt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance, tenzij de
                    ambtenaar aangeeft dat hij een ander bedrag wil inleggen. Legt hij een lager
                    bedrag in, dan wijkt hij daarmee af van het LOGA-pad en vervallen zijn
                    garanties.</al><al>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer op
                    1 januari 2006 (T)</al><al>Lid 1, 2 en 3</al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft op 1
                    januari 2006 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie. Hij moet vanaf 1
                    januari 2006 onafgebroken een bezwarende oud FLO-functie bekleden.</al><al>Deze ambtenaar heeft, als hij tot 59-jarige leeftijd in een bezwarende oud
                    FLO-functie blijft werken en als hij een functie bekleedt met een FLO-leeftijd
                    van 55 tot en met 59 jaar, op 59-jarige leeftijd recht op een tegoed
                    overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Bekleedt hij een FLO-functie
                    waaraan een FLO-leeftijd van 60 was verbonden, dan geldt een maximum van 140% op
                    60-jarige leeftijd. De levensloopbijdrage, die – mits het LOGA-pad gevolgd wordt
                    – leidt tot dit tegoed overeenkomend met 210% respectievelijk 140%, ontvangt hij
                    van de werkgever.</al><al>Lid 1 en 2 spreken over een tegoed overeenkomend met 210%, respectievelijk 140%
                    van de bezoldiging. De woorden ‘overeenkomend met’ zien op het feit dat de
                    ambtenaar zowel in de levensloopverzekering als in de netto spaarverzekering kan
                    hebben ingelegd. Genoemde percentages zijn bruto bedragen. De inleg in de
                    levensloopverzekering is ook bruto. De inleg in de netto spaarverzekering is
                    echter netto; hier zijn de loonheffingen (waaronder loonbelasting) al vanaf
                    gehaald. Als sprake is van een combinatie van levenslooptegoed en netto
                    spaarverzekeringstegoed kan dit dus niet worden opgeteld tot 210%,
                    respectievelijk 140%. Voor medewerkers die bij het volgen van het LOGA-pad geen
                    gebruik hebben hoeven maken van de netto spaarverzekering gelden wel de
                    percentages van 210% respectievelijk 140% aan opgebouwd levenslooptegoed.</al><al>Het percentage van 210% wordt gebaseerd op de bezoldiging die de grondslag vormt
                    voor de keuzes die de ambtenaar eerder op grond van artikel 9b:4 heeft kunnen
                    maken. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 55 jaar, dan
                    geldt het keuzemoment op 55-jarige leeftijd en geldt als grondslag de
                    bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaande aan
                    zijn 55e. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 57 jaar, dan
                    geldt het keuzemoment op 57-jarige leeftijd en geldt als grondslag voor de 210%
                    dus de bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaand
                    aan zijn 57e. Deze bezoldiging wordt na de leeftijd waarop de keuzes zijn
                    ingegaan geïndexeerd met de generieke salarisverhoging die in de gemeentelijke
                    sector wordt afgesproken.</al><al>Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 60 jaar, dan geldt
                    geen keuzemoment en gaat betrokkene op de leeftijd van 60 jaar met onbezoldigd
                    volledig verlof. De grondslag voor het percentage van 140% is dan de
                    bezoldiging, die de ambtenaar gemiddeld ontving in de 12 maanden voordat hij 60
                    werd.</al><al>De levensloopbijdrage stopt op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar.
                    Opschuiven van het keuzemoment van artikel 9b:4 leidt tot niet tot langer
                    doorbetalen van de levensloopbijdrage.</al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar</cursief> In het
                    halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis of op de
                    leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop
                    Brandweer Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                    LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                    vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="§"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                            ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al></li><li nr="§"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                            bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                            maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                    gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit tekort wordt
                    opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vindt plaats in het halfjaar nadat de
                    ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar was
                    vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>Het LOGA-pad is gedefinieerd in artikel 9e:2. Loyalis bepaalt voor alle
                    ambtenaren op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is de hoogte van
                    de levensloopbijdrage. De hoogte is gebaseerd op de rente die Loyalis reeds
                    behaald heeft op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance en die voor de
                    toekomst verwacht wordt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.
                    Jaarlijks wordt de werkgeversbijdrage bijgesteld op grond van onder meer de
                    rentestand en de ontwikkelingen in de bezoldiging van de individuele
                    ambtenaar.</al><al>Lid 5</al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend.</al><al>Lid 6 en 7</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er wordt
                    ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de eindejaarsuitkering
                    alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het bepalen van
                    de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al><al>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                    op 1 januari 2006 (T)</al><al>Zie de toelichting op artikel 9e:8. </al><al>Het verschil met 9e:8 is dat het hier gaat om ambtenaren die op 1 januari 2006
                    (nog) geen 20 dienstjaren hadden bereikt. Het kan zijn dat deze ambtenaren ook
                    op 59-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren hebben in een oud
                    FLO-functie.</al><al>Lid 2 en 3</al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar </cursief> In het
                    halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis of op de
                    leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop
                    Brandweer &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                    LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                    vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="§"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                            ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al></li><li nr="§"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                            bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                            maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                    gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit tekort wordt
                    opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vind plaats in het halfjaar nadat de
                    ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar was
                    vastgesteld.</al><al>Lid 4 en 5</al><al>Van belang is hier dat alle jaren tot 59 jaar respectievelijk tot 60 jaar
                    meetellen. Voor de ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd tussen 55
                    en 59 jaar is dit van belang. Het derde lid impliceert namelijk dat ook de jaren
                    dat zij gedeeltelijk betaald, maar wel volledig verlof hebben ook meetellen als
                    dienstjaren. Opschuiven van het moment waarop de ambtenaar 50% respectievelijk
                    60% gaat werken tegen 90% respectievelijk 95% van zijn bezoldiging leidt niet
                    tot opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”.
                    Dat moment blijft staan op 59 jaar.</al><al>De ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd van 60, moeten tot hun
                    60e volledig doorwerken. Daarna krijgen zij onbezoldigd volledig verlof.
                    Uiteraard tellen alle jaren tot 60 jaar als dienstjaar mee. Opschuiven van het
                    moment waarop ambtenaren met onbezoldigd volledig verlof gaan leidt niet tot
                    opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”. Dat
                    moment blijft staan op 60 jaar. </al><al>Lid 7</al><al>Als de ambtenaar inderdaad minder dan 20 dienstjaren heeft op 59-jarige leeftijd
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd, geldt dat de levensloopbijdrage leidt tot
                    een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren op 59-jarige leeftijd
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd. Als betrokkene een oud FLO-leeftijd had van
                    55 jaar en op 59-jarige leeftijd 18 dienstjaren heeft bereikt, heeft hij op
                    59-jarige leeftijd recht op een tegoed overeenkomend met 18/20 x 210% van zijn
                    bezoldiging. Hetgeen vermeld is in de toelichting op lid 2 en 3 is hierop van
                    overeenkomstige toepassing.</al><al>Lid 8</al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend. </al><al>Lid 9 en 10</al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er wordt
                    ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de eindejaarsuitkering
                    alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld i artikel
                    9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het bepalen van
                    de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al><al>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht (T)</al><al>Lid 2</al><al>onderdeel a</al><al>Wanneer de ambtenaar overlijdt voordat het eerste moment is bereikt waarop hij
                    onbezoldigd volledig verlof kan opnemen, stopt de levensloopbijdrage. Hiermee
                    wordt gedoeld op de leeftijd van 59 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 55 tot en
                    met 59 jaar) respectievelijk 60 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 60 jaar.</al><al>Wat er gebeurt met het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed dat
                    tot dat moment is opgebouwd, is afhankelijk van de polis die de ambtenaar heeft
                    afgesloten. Uitgaande van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance geldt het
                    volgende: heeft de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden een dekking
                    voor restitutie bij overlijden lopen bij Loyalis, dan ontvangen de nabestaanden
                    90% van het opgebouwde tegoed waarvoor de ambtenaar zich verzekerd heeft. Heeft
                    de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden geen dekking voor restitutie
                    bij overlijden, dan komt het tegoed ten goede aan Loyalis.</al><al>In geval de ambtenaar geen gebruik maakt van Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance maar de levensloopbijdrage heeft ondergebracht op een ander
                    verzekerings- of spaarproduct, dan gelden bij overlijden de voorwaarden van de
                    desbetreffende bank of verzekeraar.</al><al>Lid 2</al><al>onderdeel b</al><al>De beëindiging van de bezwarende functie kan gelegen zijn in ontslag, maar het
                    is ook mogelijk dat herplaatsing daarvan de oorzaak is.</al><al>Het is mogelijk dat de medewerker ontslagen wordt uit zijn bezwarende functie en
                    vervolgens co artikel 9b:1, tweede lid opnieuw werkzaam wordt in een andere
                    bezwarende ex-FLO-functie. Bij de oud-werkgever stopt de deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Indien het
                    FLO-overgangsrecht bij de nieuwe werkgever doorloopt, dan valt de medewerker bij
                    die nieuwe werkgever opnieuw onder de gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Indien een ambtenaar herplaatst wordt en hij niet langer aangesteld is in zijn
                    bezwarende functie, stopt deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht. Daarbij maakt het niet uit wat de reden van herplaatsing
                    (wegens ziekte, tweede loopbaan of anderszins) is.</al><al>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage (T)</al><al>Lid 1 tot en met 5</al><al>Wanneer de ambtenaar uit de bezwarende functie ontslag wordt verleend voordat
                    hij met onbezoldigd volledig verlof gaat (dat is op 59-jarige leeftijd of op
                    60-jarige leeftijd) wordt de levensloopbijdrage afgekocht naar rato van het
                    aantal dienstjaren op het moment van ontslag.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 al 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie,
                    dan heeft hij op dat moment al recht gekregen op een tegoed overeenkomend met
                    210% respectievelijk 140% op 59- respectievelijk 60-jarige leeftijd. De afkoop
                    van deze rechten bij ontslag voor de 59- of 60-jarige leeftijd moet dan ook
                    kunnen leiden tot een bedrag overeenkomend met 210% respectievelijk 140% van de
                    bezoldiging op het moment van ontslag op die leeftijd.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 echter minder dan 20 dienstjaren in een oud
                    FLO-functie, dan is het daadwerkelijke aantal dienstjaren op het moment van
                    ontslag bepalend voor het afkoopbedrag.</al><al>Heeft betrokkene op het moment van ontslag 10 dienstjaren in een oud
                    FLO-functie, dan krijgt hij een afkoopbedrag dat in de jaren tot aan de leeftijd
                    van 59 of 60 jaar volgens de uitgangspunten die zijn vastgesteld in het LOGA kan
                    renderen tot 10/20 x 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag
                    (respectievelijk 10/20 x 140% van de bezoldiging op het moment van
                    ontslag).</al><al>Lid 6</al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald. Loyalis moet dus door
                    de werkgever geïnformeerd worden over het aanstaande ontslag van de
                    medewerker.</al><al>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering (T)</al><al>Op basis van het eerste of tweede lid van artikel 9e:11 hebben medewerkers recht
                    op een afkoopbedrag als zij de bezwarende functie verlaten. Artikel 9e:11a
                    regelt hierop een uitzondering voor medewerkers die ontslag krijgen uit de
                    bezwarende functie wegens regionalisering (bijvoorbeeld door het vormen van
                    veiligheidsregio’s). Zij hebben geen recht op afkoop van de levensloopbijdrage.
                    Voorwaarde voor die uitzondering is dat de medewerkers ook bij de nieuwe
                    werkgever recht hebben op FLO-overgangsrecht. Wanneer de nieuwe werkgever het
                    FLO-overgangsrecht van toepassing verklaart, betekent regionalisering geen einde
                    van het FLO-overgangsrecht. Dit houdt in dat ook bij de nieuwe werkgever recht
                    bestaat op een levensloopbijdrage. Deze levensloopbijdragen dragen bij aan
                    hetzelfde doel (zie hierna: Garantie) als de levensloopbijdragen die de gemeente
                    verstrekte. Anders dan bij individuele gevallen van ontslag, gaat het bij
                    regionalisering vaak om een groot aantal medewerkers dat ineens overgaat naar de
                    nieuwe werkgever. Zou de gemeente verplicht tot afkoop moeten overgaan, dan zou
                    die geconfronteerd worden met afkoopbedragen voor al deze medewerkers. De
                    gemeente zou in een keer dus veel geld moeten uitkeren. Om dit te voorkomen
                    hoeft de gemeente niet tot afkoop over te gaan. De gemeente en de nieuwe
                    werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van toekomstige
                    levensloopbijdragen verdeeld worden.</al><al><cursief>Garantie</cursief> Of de werkgever nu voor afkoop kiest of voor
                    declaratiestructuur met de nieuwe werkgever, de medewerker behoudt bij het
                    volgen van het LOGA-pad in beide gevallen de garantie dat hij bij het bereiken
                    van 20 dienstjaren op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar een tegoed
                    heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk 140% van zijn bezoldiging (zie
                    artikel 9e:8 en 9e:9). Bij minder dan 20 dienstjaren geldt een garantie naar
                    rato.</al><al>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht (T)</al><al>In artikel 9b:1, tweede lid is bepaald dat het FLO-overgangsrecht wordt
                    voortgezet, wanneer de ambtenaar uit de ene bezwarende oud FLO-functie overstapt
                    naar de andere bezwarende oud FLO-functie. Ook in dat geval worden de rechten
                    tot het moment van overstap afgekocht door de “oude werkgever”. De nieuwe
                    werkgever betaalt dan weer de levensloopbijdrage, waarbij de hoogte door Loyalis
                    bepaald wordt. Loyalis houdt er hierbij rekening mee dat de afkoop volgens het
                    LOGA-pad gestort is. Dit betekent dat het afkoopbedrag van de “oude werkgever”
                    dus ingelegd is in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                    van uitbetaling door de werkgever en dat er geen tegoed is opgenomen.</al><al>10 Wachtgeld</al><al>Artikel 10 Wachtgeld (T)</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 10:1 Betrokkene (T)</al><al><vet>begrip betrokkene</vet> In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene
                    wet bestuursrecht noodzaakt tot de invoering van de term betrokkene) zodanig
                    omschreven dat dit begrip erin voorziet dat alle gevallen waarbij
                    wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één artikel in het hoofdstuk wachtgeld
                    bij elkaar s taan. Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene
                    recht op wachtgeld die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan
                    betrokkene kenbaar is gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is ontslag te
                    verlenen wegens reorganisatie danwe wegens arbeidsongeschiktheid.</al><al>Artikel 10:3 Diensttijd (T)</al><al><vet>begrip diensttijd</vet> Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van
                    het hoofdstuk wachtgeld de tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het
                    ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding
                    ambtenaarschap in de zin van de pensioenwet (S ter t. 1994, 98) bovengenoemd
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als seizoenswerker of als deelnemer aan een
                    werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur. Deze tijd
                    doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een onderbreking van langer dan
                    een j aar, telt - op grond van het bepaalde in artikel 10:3, onderdeel a, wel
                    mee bij de beoordeling of betrokkene een diensttijd heeft van ten minste tien
                    jaar, dan wel voor het beoordelen of aanspraak bestaat op een bijzonder verlengd
                    wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60). Diensttijd die reeds in
                    aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht op wachtgeld of een
                    ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de vaststelling van
                    wachtgeldaanspraken. Ook deze hoofdregel kent weer uitzonderingen. Deze
                    diensttijd telt namelijk wel weer mee bij de beoordeling of betrokkene aan tien
                    dienstjaren komt, dan wel of de som van leeftijd en diensttijd op de
                    ontslagdatum meer bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook nogmaals mee wanneer
                    de betrekking waaruit ontslag volgde, werd aanvaard op het moment dat betrokkene
                    wachtgelder was (in het kader van de bijzondere verlenging, artikel 10:8, derde
                    lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt dan wel in mindering gebracht op
                    de duur van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bij telling van diensttij d voor de opbouw van
                    wachtgeldaanspraken. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen.</al><al>Artikel 10:4 Dienstbetrekking (T)</al><al><vet>begrip dienstbetrekking</vet> Voor de omschrijving van het begrip
                    dienstbetrekking wordt aangesloten bij het begrip dienstbetrekking uit de WW.
                    Door de verwijzing naar de artikelen 4, 5 en 6 van de WW wordt bereikt dat de
                    reikwijdte van het begrip dienstbetrekking gelijk is aan die ingevolge de
                    WW.</al><al>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld (T)</al><al><vet>Algemeen </vet> Sinds de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) kent het wachtgeldregime de
                    mogelijkheid van samenloop van een WAO-conforme uitkering (tot 1 januari 1996
                    een invaliditeitspensioen) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder
                    dan 80% en een wachtgeld. In een situatie van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is immers tevens sprake van werkloosheid, voorzover
                    betrokken ambtenaar zijn restcapaciteit niet kan benutten. Hierdoor wordt de
                    kring van rechthebbenden op een wachtgeld verruimd.</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld bestaat. In
                    onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak bestaat op een
                    WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                    Betrokkene is in dat geval volledig arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet
                    in staat arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat op
                    wachtgeld gedurende de periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan
                    worden (zie hoofdstuk 11a).</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                    ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    80% of meer, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid nadien op een lager
                    percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende
                    wachtgeld worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld
                    eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou eindigen indien
                    het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. Hierbij geldt echter een
                    uitzondering.</al><al><vet>Onderdeel a</vet> Onderdeel a van het tweede lid bepaalt dat de duur van
                    het wachtgeld vanaf de datum van de afschatting wordt berekend op basis van de
                    WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter bepaling van het arbeidsverleden dient
                    daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid, onderdeel a, tevens te
                    worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt bereikt dat ingeval van
                    afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet minder uitkering ontvangt dan
                    een verzekerde in de zin van de WW.</al><al><vet>Onderdeel b</vet> Onderdeel b van het tweede lid bepaalt dat voor de
                    berekening van de duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting op basis
                    van de omvang van de ambtelijke diensttijd de datum op grond waarvan het recht
                    op pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel 10:8 wordt dus in die
                    zin toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke ontslagdatum.
                    De duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting wordt uiteindelijk
                    vastgesteld volgens de berekeningswijze die de langste duur oplevert.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op wachtgeld
                    gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien de duur van het
                    wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar (2 x 33 maanden) suppletie.
                    Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden vastgesteld op basis van de
                    omvang van de diensttijd. Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de
                    aanspraak op suppletie is geëindigd en duurt tot het moment waarop het zou
                    eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. De hoogte
                    van dit wachtgeld wordt vastgesteld op zodanige wijze dat gerekend wordt vanaf
                    de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld (T)</al><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode van
                    5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3 jaar in
                    dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam zijn geweest, komen in
                    aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het gaat hier om de zogenaamde
                    "arbeidsverleden-eis", een eis uit de op dit punt inmiddels gewijzigde WW.
                    (Ingevolge de WW dient betrokkene sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5
                    jaar ten minste 4 jaar gewerkt te hebben om voor een verlengde uitkering - met
                    een duur die meer dan zes maanden bedraagt - in aanmerking te komen. Voor het
                    recht op een WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat
                    betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum, in een periode van 39 weken ten
                    minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest). Met het oog op 1 januari 1998,
                    de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van toepassing te zijn op
                    overheidspersoneel, is ervoor gekozen deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke
                    regelingen op te nemen). Een uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk
                    voorafgaand aan het ontslag een uitkering genieten op grond van de Algemene
                    Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                    "arbeidsverleden-eis" behoeven te voldoen, voor een verlengd wachtgeld in
                    aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is afhankelijk van de omvang van
                    het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een fictief deel.</al><al>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen, op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op basis van de omvang van
                    het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt uiteindelijk vastgesteld op basis
                    van de berekeningswijze die de langste duur oplevert. Bij de vergelijking blijft
                    de duur van het vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de
                    formulering van het eerste lid, waarbij uitsluitend wordt verwezen naar het
                    bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het wachtgeld op basis van de som
                    van leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel
                    mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                    uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de leeftijd
                    op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de diensttijd wordt
                    uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van de diensttijd is
                    minimaal 18 bij een leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe
                    tot maximaal 78%.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid bepaalt op welke wij ze de diensttijd die bij een eerder toegekend
                    wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is genomen, nogmaals meetelt
                    voor de berekening van een wachtgeldduur. Diensttijd wordt uitsluitend nogmaals
                    in aanmerking genomen bij de vaststelling van een wachtgeldduur, ingeval
                    betrokkene de dienstbetrekking waarui t ontslag volgde aanvaardde terwijl
                    aanspraak op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt als vereiste dat beide
                    wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een wachtgeldduur, berekend op
                    basis van de omvang van de diensttijd.</al><al>Lid 4</al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd en
                    diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten minste tien jaar is
                    doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt verlengd tot de AOW-gerechtigde
                    leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na afloop van de
                    wachtgeldduur, vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al><al>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld (T)</al><al>Lid 2</al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                    bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen ambtenaar
                    voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege de leeftijd op de ontslagdatum
                    geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld, bestaat na afloop van de
                    basisduur van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is
                    geregeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij het arbeidsverleden minder dan
                    vijf jaar dient te omvatten. Een dergelijke situatie zal zich zelden voordoen,
                    namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op de ontslagdatum jonger
                    is dan 23 jaar.</al><al>Lid 5 en 6</al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op een
                    vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar, respectievelijk 3,5 j aar.
                    Deze situatie kan zich voordoen wanneer de wachtgeldduur wordt vastgesteld op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het verschil tussen deze
                    duurberekening en die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder
                    bedraagt dan een jaar. In dat geval ontstaat aanspraak op een vervolgwachtgeld
                    met een duur die korter is dan de gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent dit
                    dat het wachtgeld van degene die aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van
                    de omvang van de diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op
                    hetzelfde tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip van het
                    vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn toegekend op basis
                    van de omvang van het arbeidsverleden. Het volgende voorbeeld dient als
                    toelichting. </al><al>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld (T)</al><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                    procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de "Procentenwet" (wet
                    van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de uitkeringshoogten met 3 procentpunten
                    worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het wachtgeld 90%, 80% en 70%
                    bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd
                    blijft. Bij een mogelijk intrekken van de Procentenwet - van een concreet
                    beleidsvoornemen is momenteel nog geen sprake - zullen de percentages met
                    hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. Het bedrag aan wachtgeld
                    bedraagt ten minste het bedrag aan opgebouwd ouderdomspensioen dat op de
                    ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op basis van
                    artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze
                    verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                    opgebouwd ouderdomspensioen.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 28-2-2001 (tot volgende
                        artikelversie) veranderd de toelichting:In de toelichting bij artikel 10:10
                        komt de tekst vanaf 'Het bedrag aan wachtgeld' te luiden: Het bedrag aan
                        wachtgeld bedraagt ten minste het bedrag aan ouderdomspensioen dat op de
                        ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op basis van
                        artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze
                        verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                        ouderdomspensioen wanneer dat lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die
                        bijvoorbeeld 20 pensioenjaren heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van
                        de verlenging 40% van zijn bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging
                        (20 maal 1,7594). </cursief></al><al>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                    gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de bezoldiging
                    Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene die uit een
                    deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het vervolgwachtgeld met
                    een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In dat geval kan het
                    minimumloon meer bedragen dan 70% van de bezoldiging en wordt het
                    vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd percentage. Het bedrag aan
                    minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de Procentenwet. Dit geldt
                    ook ingeval het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging bedraagt.</al><al>Artikel 10:12 Verplichtingen (T)</al><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke organisatie
                    levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor de verplichting
                    passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens onduidelijkheden op. Degenen
                    van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke betrekking wordt omgezet in een private
                    betrekking, zijn op grond van deze bepaling namelijk niet verplicht deze
                    betrekking te aanvaarden. Een vergelijkbaar regime is overigens in de private
                    sector zeer gebruikelijk. Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat
                    werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet gehouden zijn
                    passende arbeid te aanvaarden.</al><al>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte (T)</al><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook de zieke
                    wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige begeleiding Daarbij komt dat
                    vastgesteld moet worden of en wanneer recht op een WAOconforme uitkering
                    ontstaat. Het eerste lid bepaalt dat de wachtgelder die ziek is en daardoor geen
                    werkzaamheden kan verrichten en de wachtgelder die weer beter is als gevolg
                    waarvan betrokkene weer werkzaam kan zijn, verplicht is burgemeester en
                    wethouders daarvan op de hoogte te stellen. In de praktijk zal het de afdeling
                    zijn die de wachtgelden uitvoert (doorgaans de afdeling P&amp;O), die in dat
                    geval geïnformeerd dient te worden. Bij het vaststellen van nadere voorschriften
                    met betrekking tot de geneeskundige begeleiding bij ziekte kan worden
                    aangesloten bij de bepalingen van hoofdstuk 7 van de UWO (voorzover de gemeente
                    daarbij is aangesloten). Het derde lid regelt de verplichting van een
                    wachtgelder om een WAO-conforme uitkering aan te vragen. In het vierde en vijfde
                    lid zijn sancties opgenomen, ingeval de wachtgelder verwijtbaar verzuimt een
                    WAO-conforme uitkering aan te vragen.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 1-11-2004 (tot de volgende
                        artikelversie) wordt de toelichting gewijzigd: De woorden "burgemeester en
                        wethouders" worden vervangen door: het college. </cursief></al><al>Artikel 10:16 Vermindering (T)</al><al><vet>Algemeen </vet> Bij de wijze van verrekening van neveninkomsten wordt het
                    uitgangspunt gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau van de bezoldiging
                    behouden blijft. Immers, de wachtgelder mag bijverdienen zonder dat er gekort
                    wordt op het wachtgeld, voorzover het gezamenlijke bedrag aan wachtgeld en
                    neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven gaat. Het wachtgeld
                    wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de einddatum van het
                    wachtgeld blijft ongewijzigd. Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een
                    loondervingsuitkering, worden op dezelfde wijze verrekend. Dit is van belang
                    voor een gemeente die een wachtgeld uitbetaalt aan een gewezen werknemer, die
                    elders weer gaat werken. De inkomsten uit arbeid, alsmede de uitkering die daar
                    mogelijk uit voorkomt, worden verrekend op bovengenoemde wijze. Hoofdregel is
                    dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag voorafgaand aan de
                    ontslagdatum, buiten verrekening blijven.</al><al>Lid 1</al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening van
                    neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de
                    vermindering van het wachtgeld als gevolg van het feit dat de wachtgelder
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing blijft. Indien
                    zou worden uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers
                    toe leiden dat het "vrije" bedrag (het bedrag dat kan worden bijverdiend zonder
                    dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger wordt. Het totale bedrag aan
                    wachtgeld, neveninkomsten en arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het
                    bedrag van de laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al><al>Lid 2</al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie die
                    zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens de
                    wachtgeldperiode een nieuwe betrekking heeft aanvaard, waaruit hij
                    arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er
                    ontstaat aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld
                    met een tweede ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze situatie gaat
                    vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal betrokkene, die
                    arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die vervuld werd als
                    wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt zijn voor de
                    oorspronkelijke betrekking waarin rnen werkzaam was. Uitgangspunt bij de
                    verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat deze inkomsten eerst in
                    de wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het niveau van de oorspronkelijke
                    bezoldiging de bovengrens blijft. Wanneer de som van het oorspronkelijk
                    toegekende wachtgeld, de arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan niet aangevuld
                    met een tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer bedraagt dan de
                    oorspronkelijk genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het eerste wachtgeld
                    werd toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk toegekende wachtgeld verminderd
                    met het overschrijdende bedrag. Indien na deze vermindering nog een bedrag aan
                    overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende (tweede)
                    ontslaguitkering verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                    verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij sprake is van samenloop
                    van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld. In dat geval dienen
                    twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die ingevolge het
                    pensioenreglement en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op
                    elkaar aan te sluiten. Neveninkomsten worden eerst in de wachtgeldsfeer
                    verrekend, en nadien in de sfeer van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit
                    betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering
                    worden gebracht, ingeval de neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het
                    wachtgeld volledig wordt weggekort. Het pensioenreglement bepaalt dat inkomsten
                    uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht op het
                    invaliditeitspensioen, voorzover de som van invaliditeitspensioen,
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering en neveninkomsten meer bedraagt dat de
                    berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 10:17 Verlenging (T)</al><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd aan de
                    toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen drie maanden na het
                    ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen bij de gemeente die het
                    wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort, maar verlengd. Tijdens
                    het vervullen van de nieuwe betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en
                    worden de inkomsten verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt
                    betrokkene gedurende zes maanden een vergelijkbare betrekking aangeboden als die
                    waaruit ontslag volgde. De duur van het dienstverband van zes maanden wordt
                    toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie jaar. De
                    ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever "gestraft" wordt met
                    relatief zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd na een gegeven
                    ontslag met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke werkzaamheden kan
                    aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend. In dat geval doet zich de
                    vraag voor of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><al>Artikel 10:18 Opschorting (T)</al><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum -
                    waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari 2003
                    aanspraak ontstaat op doorbetaling van de bezoldiging - wordt de uitvoering van
                    dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op wachtgeld ingaat per de
                    datum dat de ontslagen ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al><al>Artikel 10:19 Samenloop (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en een
                    uitkering op grond van de WAO, dan wel een WAO-conforme uitkering al dan niet
                    vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld
                    verminderd met een percentage, afhankelijk van de mate van
                    arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang van de
                    ontslagdatum indien per die datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op
                    grond van de WAO, een WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met een
                    invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum,
                    namelijk het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door
                    deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk is van de
                    mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te verwerven. Het
                    resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                    werkloosheid. Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan
                    uitkering op grond van de WAO, dan wel het totale bedrag aan WAO-conforme
                    uitkering, al dan niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                    verminderde wachtgeld nooit meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan
                    wachtgeld dat ontvangen zou zijn, wanneer geen uitkering zou zijn toegekend. Als
                    dat wel het geval is (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend pensioen),
                    wordt het overschrij dende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht. Het
                    hanteren van de bovengrens van het volledige wachtgeld leidt ertoe dat al
                    degenen aan wie een wachtgeld is toegekend gelijk behandeld worden. De
                    inkomenspositie van de ontslagen ambtenaar met aanspraak op wachtgeld is
                    hierdoor gelijk aan de positie van degene aan wie naast een wachtgeld tevens een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze bovengrens dat
                    ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, er
                    een onbedoelde inkomensstijging plaats vindt.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht, in
                    de situatie waarbij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of
                    wanneer de uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al><al>Artikel 10:21 Afkoop (T)</al><al>Het College van B&amp;W kunnen een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te
                    kopen, honoreren. Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden onderhandeld.
                    Indien wordt overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld te honoreren, is
                    het raadzaam vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen. De raad moet immers
                    een krediet beschikbaar stellen.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 1-11-2004 (tot de volgende
                        artikelversie) wordt de toelichting gewijzigd:De woorden "Het college van b.
                        en w. kunnen" worden vervangen door: Het college kan. </cursief></al><al>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld (T)</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het deel waarmee
                    het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden kumen worden, de
                    bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een rekenvoorbeeld moge dit
                    verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin € 2.000,-
                    werd verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene
                    weigert een betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend zou kunnen
                    worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld gekort worden
                    met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,- ) de bezoldig wordt met € 900,-
                    overschreden), met dit bedrag wordt het wachtgeld verminderd.</al><al>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld (T)</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het feit
                    dat de wachtgelder voor 80% of meer arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In
                    dat geval is geen sprake van werkloosheid. De verwijzing naar het tweede lid van
                    artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, die
                    aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager percentage
                    wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het reeds toegekende recht op
                    wachtgeld. Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een
                    dienstbetrekking als wachtgelder bekleed, waarbij sprake is van een mate van
                    arbeidsongeschiktheid naar een geringer percentage dan 80%, voorziet artikel
                    10:19 daarin. Wanneer in een dergelijke situatie neveninkomsten worden verdiend,
                    is artikel 10:15, tweede lid, van toepassing.</al><al>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen (T)</al><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                    ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                    ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend wanneer de
                    Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering van de WW-bodem
                    ging gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle lopende
                    wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is herberekend.</al><al>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen (T)</al><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in een
                    overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat hierbij om
                    degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de periode 1 augustus 1991
                    tot en met 31 december 1995. In aansluiting hebben zij recht op een
                    overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het minimumloon. Dit
                    bedrag kan echter nooit meer bedragen dan 70% van de bezoldiging. De duur
                    bedraagt een jaar. In alle gevallen eindigt de overgangsuitkering op 31 december
                    1995.</al><al>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen (T)</al><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In dit
                    artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt toegepast ten aanzien van de
                    wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn toegekend.</al><al>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</al><al>Artikel 10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (T)</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen (T)</al><al>Lid 1</al><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende uitkering, die
                    tegelijk met de uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW) wordt uitgekeerd
                    en een aansluitende uitkering, die na afloop van de uitkering op basis van de WW
                    tot uitkering komt. Artikel 16 van de WW spreekt over een situatie waarin sprake
                    is van het verlies van vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per
                    kalenderweek, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over
                    die uren. Ook moet er sprake zijn van beschikbaarheid om arbeid te verrichten.
                    Het cruciale begrip is hier dus 'verlies van arbeidsuren', terwijl in de
                    wachtgeld- en uitkeringsregeling het begrip 'ontslag' essentieel was. Dit
                    verschil komt heel duidelijk naar voren in de situatie dat een tijdelijke
                    uitbreiding van het aantal arbeidsuren weer ongedaan wordt gemaakt. In de
                    systematiek van de wachtgeld- en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht
                    op uitkering leiden, omdat niet aan het vereiste van een ontslag wordt voldaan.
                    In de systematiek van de WW kan er wel sprake zijn van een recht op een
                    uitkering, omdat er sprake is van verlies van arbeidsuren. In tegenstelling tot
                    de WW kent de bovenwettelijke regeling geen maximum dagloon. Overigens hebben
                    zaken als het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een PC-privéproject
                    invloed op de hoogte van het dagloon. De verlaging hiervan werkt dus door in de
                    hoogte van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit maximum is
                    opgenomen in artikel 9, eerste lid, van deze wet. Voor de toepassing van de
                    bovenwettelijke regeling bij werkloosheid is dit maximum niet van toepassing.
                    Dit betekent dat de berekeningsgrondslag niet wordt afgetopt. Een eventueel
                    hoger inkomen wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met 46
                    WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van
                    uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen
                    voor overheidspersoneel, ondenvijspersoneel en daarmee gelijk te stellen
                    personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling bij
                    werkloosheid.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 10a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming, de
                    vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het
                    karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                    arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                    groepen van werklozen.</al><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
                    (T)</al><al>Lid 1</al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden opgenomen,
                    waaraan voldaan moet worden voordat er sprake is van een recht op een
                    loongerelateerde W Wuitkering. Wil men in aanmerking komen voor een
                    (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men in ieder geval voldoen aan
                    de vereisten voor deze loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen recht is
                    op een loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen recht op een aanvullende
                    uitkering. In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW gaat het om zaken
                    als:</al><lijst><li nr="§"><al>het verlies van arbeidsuren, en;</al></li><li nr="§"><al>een referte-eis van het gewerkt hebben in 26 weken in de 39 weken
                            voorafgaande aan het ontslag en in vier jaar in de vijfjaar voorafgaande
                            aan de eerste werkloosheidsdag over 52 of meer dagen loon te hebben
                            ontvangen.</al></li></lijst><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van een recht op
                    WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin de betrokkene:</al><lijst><li nr="§"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW);</al></li><li nr="§"><al>volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;</al></li><li nr="§"><al>rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al></li><li nr="§"><al>de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan voldaan moet
                    worden voordat er sprake is van een recht op WW, leidt ook niet elke
                    ontslaggrond in de CAR/UWO tot een recht op een aanvullende uitkering. De
                    relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd.</al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos wordt.
                    Het recht op WW-uitkering zal dan worden beoordeeld naar de totale omvang van de
                    werkloosheid. Het recht op een aanvullende uitkering bestaat (echter) alleen
                    voor de omvang van de werkloosheid die is ontstaan uit een dienstbetrekking bij
                    de gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend uit een arbeidsurenverlies
                    als betrokkene in de zin van deze regeling kan een aanspraak op een aanvullende
                    uitkering gekoppeld zijn.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als
                    bij een andere werkgever (16 uur). Wanneer hij uit beide betrekkingen wordt
                    ontslagen, wordt de aanvullende uitkering gerelateerd aan de 20 uur waarvoor er
                    ontslag bij de gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de andere werkgever blijven
                    voor het recht op aanvullende uitkering buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd dat ook ontslag uit een tijdelijke
                    aanstelling voor onbepaalde tijd recht kan geven op een aanvullende uitkering.
                    Verder is, nu in artikel 8:12 ook de beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding is opgenomen, vastgelegd dat beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding recht kan geven op een aanvullende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                    suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknerners die zijn ontslagen
                    uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag
                    minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet op de
                    Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al><al>Lid 3</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het recht
                    op een aanvullende uitkering heeft betrekking op de gehele duur van de
                    WW-uitkering. In artikel 10a:5, llid 4, is bepaald dat voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van ontslag.
                    Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 10a:5, lid
                    4 en 10a:16, lid 3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ook van
                    toepassing op medewerkers die wegens volledige arbeidsongeschiktheid zijn
                    ontslagen voor 2001. Dit vloeit voort uit de uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 27 juni 2005. De Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat een gewezen
                    overheidswerknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was afgeschat, recht
                    op een WW-uitkering heeft en niet op een wachtgelduitkering. De uitspraak heeft
                    geen terugwerkende kracht; dit betekent dat medewerkers die vanwege
                    arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001 en die na de datum van de
                    afspraak zijn afgeschat op hun WAO-uitkering (gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer) recht hebben op een
                    WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke uitkering.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag (T)</al><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt dat de
                    berekeningssysternatiek van het dagloon WW wordt gevolgd, echter zonder dat de
                    maximum dagloongrens wordt toegepast. Er zijn verschillen tussen de grondslag
                    'bezoldiging' en de grondslag 'dagloon'. Zoals al bij de toelichting op artikel
                    10a:1 werd aangeduid, is het spaarloon hiervan een duidelijk voorbeeld.</al><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</al><al>Lid 2</al><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                    bovenwettelijke uitkering bestaat, is de berekeningsgrondslag van deze uitkering
                    hoger dan die van de loongerelateerde uitkering in de WW. Artikel 47 van de WW
                    stelt dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering 70% van het (gemaximeerde)
                    dagloon bedraagt, terwijl de aanvullende uitkering uitgaat van 80% van het
                    (ongemaximeerde) dagloon. Na 15 maanden zijn de percentages in de WW en in de
                    regeling voor de aanvullende uitkering gelijk, namelijk 70%. Veelal zal dit
                    betekenen dat er geen aanvullende uitkering tot uitbetaling zal komen. Omdat er
                    bij de berekening van de aanvullende uitkering echter wordt uitgegaan van het
                    mgernauimeerde dagloon, kan er een verschil optreden.</al><al>Lid 3</al><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal gronden
                    eindigen. Zie artikel 20 WW. Veelal zal het recht eindigen omdat er geen sprake
                    meer is van werkloosheid. Op het moment dat er weer sprake is van werkloosheid,
                    zonder dat er nieuwe WW-rechten zijn opgebouwd, herleeft het recht op uitkering
                    op grond van artikel 21 WW. Op het moment dat er sprake is van een dergelijke
                    herleving van het recht op WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW
                    zoveel later (dan in de oorspronkelijke berekening) als de periode heeft geduurd
                    dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat hier om een verlenging van de
                    WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50 WW</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15 maanden dat er
                    recht bestaat op een uitkering van in totaal 80% van het ongemaximeerde
                    dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het
                    recht op de loongerelateerde uitkering krachtens de WW eindigt op 1 januari
                    2007. Per 1 maart 2005 wordt de werkloosheid gedurende drie maanden geheel
                    beëindigd. In dit geval eindigt het recht op een aanvullende uitkering ter
                    hoogte van 80% van het ongemaximeerde dagloon, ondanks de verlenging van de
                    uitkering, op 1 april 2006. Uiteraard eindigt de WW-uitkering (en daarmee de
                    bovenwettelijke aanvullende uitkering tot 70%) wel drie maanden later, dus op 1
                    maart 2007. Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al><al>Lid 4</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeids-ongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeids-ongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                    WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Is het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 15 maanden
                    geleden, heeft betrokkene gedurende een periode tot 15 maanden na ontslag recht
                    op een aanvullende uitkering tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Hierna
                    heeft betrokkene recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Een medewerker is op 1 januari 2002
                    ontslag verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De medewerker heeft
                    recht op een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
                    80% of meer. Op 1 januari 2004 wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na
                    afschatting 3 jaar recht op een WW-uitkering. Gedurende de WW heeft betrokkene
                    recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                    dagloon omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft plaatsgevonden.
                    Zie ook de voorbeelden die zijn opgenomen bij de toelichting op artikel 10a:16,
                    lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11
                    augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11
                    augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze
                    waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                    04/19). Een van de afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1
                    augustus 2004 ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering
                    niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van zowel de vervolguitkering
                    als de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin,
                    voor zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin
                    voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen dus onder
                    artikel artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te houden,
                    wordt deze overgangsuitkering de verlengde uitkering genoemd.</al><al>Lid 1 en 2</al><al>De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van twee jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag jonger waren dan 57,5 en van 3,5 jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag ouder waren dan 57,5.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is nodig, omdat
                    een WW-uitkering korter kan zijn dan 15 maanden. De verlengde uitkering moet
                    vervolgens nog wel tot 15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geven op
                    een uitkering ter hoogte van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze in
                    artikel 10a:3 is gedefinieerd. </al><al>Lid 4</al><al>In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a
                    van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover
                    toepasbaar", omdat de bepalingen van de aansluitende uitkering uiteraard niet
                    van toepassing zijn. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt echter
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al>Lid 5</al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vijfde lid
                    van artikel 10a:5a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                    mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen.</al><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is (T)</al><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid van
                    invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering op grond van de bepalingen van hoofdstuk
                    10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, ook recht op een aanvullende
                    uitkering. Artikel 10a:5b voorziet hierin. Op deze groep is artikel 10a:5a dus
                    niet van toepassing.</al><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</al><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat ook het
                    recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk eindigt. Voor de
                    toepassing van deze bepaling is met name artikel 20 van de WW van belang. Hierin
                    zijn gronden voor beëindiging van het recht op een WW-uitkering opgenomen. Het
                    gaat hierbij om zaken als het niet meer werkloos zijn, het verstrijken van de
                    uitkeringsduur en het in aanmerking komen voor een uitkering krachtens de
                    ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de gehele
                    of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering impliceert dat
                    achterliggende regels en systematiek (zoals Lisv-beleid en jurisprudentie) ook
                    worden gevolgd. Let wel: oud recht op aanvullende uitkering kan niet meer
                    herleven, indien de betrokkene als werknemer nieuwe werkzaamheden ter hand neemt
                    en daarmee een nieuw recht op WW opbouwt voor hetzelfde aantal uren als waarop
                    het recht op aanvullende uitkering gebaseerd was. Dit zou
                    reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is voorzien door artikel
                    10a:32 de reïntegratiepremie. </al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 1-10-2004 (tot de volgende
                        artikelversie) veranderd de toelichting:Het woord "Lisv-beleid" wordt
                        vervangen door: UWV-beleid.</cursief></al><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering (T)</al><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op een
                    WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Hierbij is artikel 21
                    van de WW van belang. Indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                    recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of ziekte, na afloop van die arbeid
                    of ziekte geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, herleeft het recht
                    op de oude WW-uitkering en de aanvullende uitkering. Herleving houdt in, dat de
                    hoogte en de duur van de uitkering nog steeds worden bepaald door de eerste
                    werkloosheidsdag van de 'oorspronkelijke' werkloosheid (de 'WW-klok' loopt dus
                    gewoon door). Herleving is dus iets anders dan opschorting. Bij opsctiorting
                    wordt de uitkering tijdens de onderbreking stopgezet en wordt na de onderbreking
                    de uitkering voortgezet alsof er geen onderbreking is geweest. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:8.</al><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering (T)</al><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                    overeenkomstige toepassing zin op artikel 10a:8. De WW-uitkering eindigt, indien
                    na een tijdelijke gehele beëindiging van het recht op een WW-uitkering het recht
                    op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de onderbreking heeft geduurd. Dit
                    betekent in feite dat, gerekend vanaf de eerste dag van de werkloosheid, de
                    WW-uitkering met zoveel tijd wordt verlengd als de tijdelijk onderbreking duurt.
                    Het effect van die verlenging komt er praktisch gezien op neer dat de duur van
                    de uitkering wordt opgeschort. Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet
                    opgeschort. Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de
                    aanvullende uitkering biedt compensatie voor het feit dat in de wachtgeld- en
                    uitkeringsregelingen de aanspraak op een wachtgeld of uitkering, bij goed
                    gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende uitkeringsduur.
                    Dit in tegenstelling tot de WW, waarin ook het einde van de werkloosheid tot
                    beëindiging van de uitkering kan leiden.</al><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie (T)</al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor minder dan
                    vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, de
                    WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt
                    verricht. Pas als de WW volledig is 'weggekort', wordt het restant van de te
                    verrekenen inkomsten op de aanvullende uitkering gekort. Dit soort gevallen zal
                    sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein
                    dienstverband. De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf uren of meer of
                    voor ten minste de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, leidt in de
                    systematiek van de WW tot vermindering van de werkloosheid en aldus tot een
                    uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.</al><al>Artikel 10a:11 Scholing (T)</al><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming en onder de
                    voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen kunnen
                    studeren met behoud van uitkering. De jurisprudentie en het beleid van het Lisv
                    inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.
                    Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk geachte
                    scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht op een aanvullende
                    uitkering.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief> per 1-10-2004 (tot de volgende
                        artikelversie) wordt de toelichting gewijzigd:Het woord "Lisv" wordt
                        vervangen door: UWV </cursief></al><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld (T)</al><al>Lid 1</al><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die optreedt
                    vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat er geen recht
                    op WW (en aanvullende uitkering). Niettemin is dan artikel 10a:12 (toch) van
                    toepassing. Bepalend is of de betrokkene recht zou hebben op aanvullende
                    uitkering als hij niet ziek was geweest.</al><al>Lid 2</al><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale uitkering
                    gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van artikel 10a:5 zou
                    ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie
                    onder andere (de toelichting op) artikel 10a:8. In artikel 43, tweede en derde
                    lid WW, is (echter) vastgelegd dat de einddatum van een WW-uitkering in geval
                    van een onderbreking door ziekte alleen opschuift voorzover het ziektegeval
                    langer dan drie maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in de laatste drie
                    maanden van de vervolguitkering ziek wordt, 'verbruikt' hij dus de WW-duur.
                    Wanneer hij ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou zijn verstreken, kan
                    het WW-recht bij herstel dus niet meer herleven. Wanneer de ziekte valt in de
                    laatste drie maanden van de WW-uitkering, bestaat er recht op aanvulling van de
                    ZW-uitkering tot aan het moment waarop WW-uitkering beëindigd zou worden als de
                    betrokkene niet ziek zou zijn geweest (de zogenaamde max datum). Wanneer de
                    betrokkene geen recht heeft op een aansluitende uitkering, ontvangt hij dus een
                    uitkering krachtens de ZW van 70% van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder
                    aanvulling. In het geval er wel recht bestaat op een aansluitende uitkering,
                    gaat de aansluitende uitkering direct in na het bereiken van de max datum. De
                    uitkering krachtens de ZW wordt dan in mindering gebracht op de aansluitende
                    uitkering.</al><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering (T)</al><al>De Wazo geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op een
                    uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Tijdens deze uitkering wordt
                    de aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a CAR verhoogd tot het voor
                    betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de uitkering die 'in verband met
                    zwangerschap' genoten wordt, geldt ook voor ziekte die verband houdt met
                    zwangerschap en/of bevalling. Deze uitkering op grond van de Wazo heeft geen
                    opschortende werking en heeft dus geen gevolgen voor de einddatum van de
                    WW-uitkering en de aanvullende uitkering.</al><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering (T)</al><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van de
                    mogelijkheid om 'op proef een nieuwe functie bij een nieuwe werkgever te
                    aanvaarden, bestaat de mogelijkheid van een reïntegratie-uitkering; zie hiervoor
                    artikel 23 tot en met 27 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    Deze proefplaatsing geeft overigens geen recht op een vaste aanstelling. Aan het
                    recht op een reïntegratie-uitkering is een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet
                    de werknemer recht hebben op een WW-uitkering, heeft de proefaanstelling een
                    duur van maximaal zes maanden en moet het gaan om onbeloonde werkzaamheden. De
                    werknemer ontvangt dus geen bezoldiging, maar krijgt een reïntegratie-uitkering
                    in plaats van zijn WWuitkering. De reïntegratie van arbeidsgehandicapten wordt
                    bevorderd, wanneer de REA-uitkering gelijkgesteld wordt met de WW-uitkering. Dit
                    betekent namelijk dat het recht op een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering
                    blijft bestaan. De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen met de
                    aanvulling is gelijk aan de hoogte van de WW-uitkering tezamen met de
                    bovenwettelijke aanvulling wanneer de werknemer geen proefaanstelling zou hebben
                    aanvaard.</al><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden (T)</al><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook voor
                    werkloze werknemers neergelegd in de ZW. hebben de nabestaanden van de overleden
                    werkloze werknemer aanspraak op een overlijdensuitkering. Deze
                    overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld over
                    een maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaat eruit dat de
                    uitkering krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene
                    geldende dagloon en wel over een periode van dertien weken. </al><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders (T)</al><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71
                    hebben grensarbeiders die in Nederland bij de gemeente werken en die bij aanvang
                    van werkloosheid in het buitenland wonen, bij deze werkloosheid recht op een
                    uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen. Dit geldt ook als zij op grond
                    van deze verordening hun wettelijke werkloosheidsuitkering in hun woonland
                    moeten aanvragen, en dus geen recht hebben op Nederlandse WW. Voor de invoering
                    van de WW voor overheidspersoneel hadden grensarbeiders rechtspositioneel recht
                    op een wachtgeld of uitkering. Sinds de invoering van de WW sinds 1 januari 2001
                    geldt echter ook voor overheidspersoneel dat grensarbeiders geen recht meer
                    hebben op de wettelijke werkloosheidsuitkering in het werkland (voor de WW geldt
                    namelijk het woonlandprincipe). Zij hebben echter rechtspositioneel wel recht op
                    de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Daarom is met de centrales van
                    overheids- en onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over een aanpassing van
                    de regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen
                    recht op uitkering op grond van de WW heeft. Het artikel houdt het volgende
                    in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als hij in
                    Nederland had gewoond. Dat wil zeggen een uitkering ter hoogte van de WW- en
                    bovenwettelijke uitkering, minus de eventuele buitenlandse
                    werkloosheidsuitkering. De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                    insturen. Veranderingen in de omstandigheden, bijvoorbeeld werkhervatting of
                    overtreding van verplichtingen, hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben
                    gehad als de betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus plaats op
                    grond van de Nederlandse regels. In geval van ziekte, zwangerschap of bevalling
                    loopt de bovenwettelijke uitkering door. In deze situatie zijn er twee
                    mogelijkheden.</al><lijst><li nr="1."><al>Als de betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap
                            of bevalling heeft en dit aantoont, verandert de bovenwettelijke
                            uitkering in een aanvulling op de (fictieve) uitkering op grond van de
                            ZW of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat - voor maximaal de duur
                            van deze Nederlandse equivalent - de uitkering van het woonland wordt
                            aangevuld tot het niveau dat betrokkene zou krijgen als hij in Nederland
                            had gewoond. Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap of
                            bevalling wordt genoten, ontvangt de grensarbeider zolang de
                            buitenlandse uitkering duurt, maar maximaal voor de duur van de
                            Nederlandse uitkering wegens zwangerschap en bevalling, conform de
                            Nederlandse vergelijkbare gevallen (artikel 10a:12a), een aanvulling tot
                            100% van de oude bezoldiging. De einddatum van de totale uitkering kan
                            hierdoor opschuiven. In geval van ziekte gebeurt dat alleen als de
                            ziekte meer dan 3 maanden duurt. In de fase van de aansluitende
                            uitkering geldt dit alleen als op de betrokkene, als hij in Nederland
                            had gewoond, de nawerkingsbepalingen van de ZW of de Wet arbeid en zorg
                            nog van toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat geldt
                            in puur Nederlandse gevallen.</al></li><li nr="2."><al>Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc. maar levert hij geen bewijs
                            van een buitenlandse uitkering daarvoor, dan loopt de bovenwettelijke
                            uitkering door zoals bij werkloosheid, dus zonder opschuiving van de
                            einddatum. Dit geldt, net als in puur Nederlandse gevallen, ook in alle
                            gevallen van ziekte etc. in de fase van de aansluitende uitkering na
                            afloop van de nawerkingsperiode van de ZW en de Wet arbeid en zorg. Als
                            de betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke) uitkering
                            wegens ziekte, zwangerschap, bevalling of uitkering op grond van de Wet
                            arbeid en zorg ontvangt, verandert de bovenwettelijke uitkering, volgens
                            de samenloopregel van het zesde lid, in een aanvulling op deze
                            Nederlandse uitkering.</al></li></lijst><al>Artikel 10a:14 Diensttijd (T)</al><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd is,
                    doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de zin van het
                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking van het zijn van
                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de duur van de aansluitende uitkering.
                    Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht
                    op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt niet nogmaals mee bij de vaststelling
                    van de duur van de aansluitende uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van aanspraken op een
                    aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient (eveneens)
                    niet te worden meegenomen als diensttijd.</al><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met suppletie
                    (T)</al><al>Lid 1</al><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle gevallen waarin er
                    ontslag plaatsvindt, recht op WW. Bovendien kent de CAR/UWO een gesloten systeem
                    van ontslaggronden. De relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd. Zie
                    ook de toelichting op artikel 10a:2.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op basis van de
                    WW wordt geweigerd na een reorganisatie-ontslag en er krachtens artikel 10a:9,
                    derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt toegekend, is er recht
                    op een aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 er alleen recht op een
                    aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.</al><al>Lid 4</al><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan de hand van
                    het eerste tot en met het derde lid. Het recht gaat in op de eerste dag van de
                    werkloosheid. Dit recht komt niet tot uitbetaling zolang er recht op een
                    uitkering op basis van de WW bestaat. Lid 4 bevat het moment van ingang van de
                    aansluitende uitkering voor die mensen die op of na 1 augustus 2004 werkloos
                    zijn geworden.</al><al>Lid 5</al><al>Lid 5 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen,
                    op wie artikel 10a:5a van toepassing is. De aansluitende uitkering gaat dan pas
                    in op het moment dat de duur van de verlengde uitkering van 10a:5a is
                    verstreken.</al><al>Lid 6</al><al>Lid 6 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen,
                    op wie artikel 130h, eerste lid, van toepassing is. Deze mensen ontvangen nog
                    een uitkering conform de oude regels van de WW. Deze mensen ontvangen dus nog
                    een vervolguitkering. De aansluitende uitkering gaat dan pas in op het moment
                    dat de duur van de vervolguitkering is verstreken.</al><al>Lid 7</al><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                    suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen
                    uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag
                    minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO. Na afloop van de
                    suppletieregeling ontstaat aanspraak op een aansluitende uitkering indien en
                    voor zolang de duur van de aansluitende uitkering, bepaald krachtens artikel
                    10a:16 van deze regeling, de duur van de suppletie overtreft.</al><al>Lid 8</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de berekening van de duur van de aansluitende uitkering vanaf de
                    datum van ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de
                    ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is gelijk aan die van de oude
                    wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het
                    percentage waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van de aansluitende
                    uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van wie de eerste
                    dag na ontslag ligt op of na 1 augustus 2004 (dit zijn de mensen die per 1
                    augustus 2004 of later zijn ontslagen), geldt dat hiervan niet alleen de duur
                    van de loongerelateerde WW-uitkering wordt afgetrokken, maar ook een periode van
                    twee jaar. Dit heeft te maken met wijziging van de Werkloosheidswet, waarin per
                    11 augustus 2003 de vervolgutikering WW is afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de
                    wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerking in de bovenwettelijke regeling
                    een akkoord gesloten. Zie hiervoor de ledenbrief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107;
                    CvA/LOGA 04/19).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud. Hij is
                    sinds zijn 18e in dienst van de overheid. <onderstreept>In de oude situatie
                        (ontslag voor 1 augustus 2004)</onderstreept> was de duur van zijn
                    aansluitende uitkering als volgt: 3 maanden + [19,5% + (35 - 21 = 14)*l,5%]*de
                    diensttijd - 3 maanden + 6,885 jaar = 7,135 jaar na de dag van ontslag.</al><al><onderstreept>In de nieuwe situatie (ontslag na 1 augustus 2004)</onderstreept>
                    is de basis-duurberekening hetzelfde. Hiervan wordt echter nog 2 jaar extra
                    afgetrokken, waardoor de duur van de aansluitende uitkering op 5,135 jaar na de
                    dag van ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe situatie geen vervolguitkering meer
                    bestaat, doet in deze berekening van de einddatum van de aansluitende uitkering
                    niet ter zake. Er kan, in tegenstelling tot de situatie bij de aanvullende
                    uitkering, in beginsel geen opschorting plaatsvinden. Een uitzondering wordt
                    gevormd door artikel 10a:24 scholing. Zie ook de toelichting op artikel 10a:21,
                    tweede lid.</al><al>Lid 3</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft gehad op een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een aansluitende
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. Of betrokkene voor een aansluitende
                    uitkering in aanmerking komt hangt af van de duurberekening van de aansluitende
                    uitkering vanaf de datum van ontslag in relatie tot de duur van het recht op WW
                    na de afschatting. Is het recht op WW na afschatting geëindigd voor de einddatum
                    van het recht op een aansluitende uitkering, heeft betrokkene na afloop van zijn
                    WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering. Voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende en aansluitende uitkering moet eveneens de datum van
                    ontslag als vertrekpunt genomen worden. Hieronder zijn twee voorbeelden
                    opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief> Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op 1 april 2006
                    afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de duur van
                    2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden bijna vijfjaar langer is geworden duurt de
                    WW langer dan die zou hebben geduurd als betrokkene direct na ontslag WW had
                    ontvangen). De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum van
                    ontslag is 7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Dit betekent dat
                    betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering gedurende de periode dat er
                    recht bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon. Met ingang van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2008 heeft
                    betrokkene recht op een aansluitende uitkering ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt op 1 april
                    2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de
                    duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum
                    van ontslag is 5 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Gedurende zijn
                    WW-uitkering heeft hij recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van
                    het ongemaximeerde dagloon. Het recht op WW eindigt op 1 april 2010. Betrokkene
                    heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een aanvullende uitkering ter hoogte
                    van 70% van het ongemaximeerde dagloon. De aansluitende uitkering komt niet tot
                    uitbetaling daar de einddatum is bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al>Lid 4</al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt het eerste lid niet.
                    Deze persoon heeft namelijk recht op een aansluitende uitkering tot aan de dag
                    waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Let wel: degene die op het
                    moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen recht heeft op een
                    aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de
                    aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2
                    voldoet). De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was
                    opgenomen (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som
                    van leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te
                    vervallen.</al><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen
                    11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden (T)</al><al><vet>Algemeen</vet> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11
                    augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze
                    waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                    04/19). Een van de afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1
                    augustus 2004 ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering
                    niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van én de vervolguitkering én
                    de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor
                    zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor
                    zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen hebben na
                    de loongerelateerde uitkering op grond van de WW geen recht meer op een
                    vervolguitkering krachtens de WW. Deze is per 11 augustus 2003 afgeschaft.
                    Aangezien in artikel 10a:5a echter is geregeld dat de afschaffing van deze
                    vervolguitkering wordt gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook deze
                    uitkering worden afgetrokken van de duur van de aansluitende uitkering. Dit is
                    geregeld in het laatste onderdeel van het eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering ingaat.
                    Deze bepaling blijft van toepassing op deze overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen onder het
                    nieuwe artikel 10a:16.</al><al>Lid 2</al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt hetgeen in het eerste
                    lid is opgenomen niet. Deze persoon heeft recht op een aansluitende uitkering
                    tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment van ontslag 55
                    jaar of ouder is en die geen recht heeft op een aansluitende uitkering (zie
                    artikel 10a:15), heeft alleen recht op de aanvullende uitkering in §2 (mits hij
                    aan de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De bijzondere verlenging, zoals
                    die in de wachtgeldregeling was opgenomen (recht op een uitkering tot aan de
                    65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of gelijk
                    was aan 60), is komen te vervallen. Wanneer onverkort de systematiek van de WW
                    gevolgd zou worden, zou dit tot gevolg hebben dat het recht op aansluitende
                    uitkering, conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen
                    op het moment dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar
                    wordt heeft bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud van het tweede lid van
                    artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een uitzondering ten opzichte van de
                    WW-systematiek. Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet
                    (AOW) gaat in op de eerste dag van de kalendermaand, waarin de 65-jarige
                    leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in voorkomende gevallen samenloop plaats
                    tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW. De
                    AOW-uitkering wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a van
                    overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover toepasbaar",
                    omdat bij sommige bepalingen nadere voorwaarden gelden, waaraan uiteraard ook
                    voldaan moet worden. Om die reden is het mogelijk dat sommige artikelen buiten
                    toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al>Lid 4</al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vierde lid
                    van artikel 10a:16a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is (T)</al><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid van
                    invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering ook recht op een aanvullende uitkering.
                    Pas na deze aanvullende uitkering gaat de aansluitende uitkering in. Artikel
                    10a:16b voorziet hierin.</al><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag (T)</al><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het dagloon WW,
                    echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:3.</al><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering (T)</al><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                    berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt
                    aangepast.</al><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de WW-uitkering
                    korter is dan 15 maanden, moet geregeld worden dat de aansluitende uitkering tot
                    15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geeft op een uitkering ter hoogte
                    van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze gedefinieerd is in artikel
                    10a:17 juncto 10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al><al>Lid 2</al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting), in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                    ontslag in relatie tot de duur van de WW-uitkering.Voor voorbeelden wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Indien de periode na ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    samen met de duur van de WW-uitkering na afschatting langer duurt dan 15
                    maanden, bedraagt de hoogte van de aansluitende uitkering 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al>Lid 3</al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het derde lid
                    van artikel 10a:19 bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer op WW.
                    Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke
                    beëindiging van het recht op uitkering analoog van toepassing. Dit betekent dat
                    een recht op aansluitende uitkering om dezelfde reden kan eindigen als een
                    WW-uitkering (bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW) geëindigd zou zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is van ziekte,
                    ontstaat er recht op een uitkering krachtens de ZW. Zie artikel 7, onderdeel a
                    van de ZW. Op grond van artikel 19 WW heeft de betrokkene die een uitkering
                    krachtens de ZW ontvangt, geen recht op een uitkering krachtens de WW. Op zich
                    logisch, want anders zou de betrokkene recht hebben op zowel een uitkering
                    krachtens de ZW als een uitkering krachtens de WW. Tijdens de aansluitende
                    uitkering is er in de regel geen recht meer op een uitkering krachtens de ZW.
                    Dus artikel 19 WW heeft in dat geval geen rechtstreekse werking. Echter: wanneer
                    er sprake is van ziekte, is men niet beschikbaar om arbeid te verrichten en dus
                    ook niet werkloos in de zin van de WW. Op grond van artikel 20 WW (dat van
                    overeenkomstige toepassing is, volgens het eerste lid van artikel 10a:20) zou
                    dan het recht op uitkering eindigen, wat krachtens het eerste lid van artikel
                    10a:20 zou betekenen dat de aansluitende uitkering ook zou eindigen. Dit is niet
                    de bedoeling. Derhalve blijft het recht op aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de oorspronkelijke
                    uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte wordt het recht op aansluitende uitkering
                    dus 'verbruikt'.</al><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en Waz (T)</al><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                    ZW-uitkering, ook al is de uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in de zin
                    van de ZW (bijvoorbeeld omdat de duur van de WW-uitkering is verstreken). Op
                    grond van artikel 46 van de ZW kan er namelijk sprake zijn van nawerking. Zo kan
                    de situatie zich voordoen dat een betrokkene binnen een maand na het begin van
                    de aansluitende uitkering ziek wordt en op grond van de nawerking nog recht
                    heeft op een ZW-uitkering. Betrokkene heeft dan zowel recht op een aansluitende
                    uitkering als op een ZW-uitkering. In dat geval loopt het recht op aansluitende
                    uitkering door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd.</al><al>Ook de Wazo kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet bepaalt dat
                    werknemers die korter dan 10 weken na afloop van de verplichte verzekering (dit
                    is na afloop van de WWuitkering) bevallen, een kind ter adoptie aannemen of een
                    pleegkind aannemen, recht hebben op een uitkering op grond van de Waz. </al><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging
                    van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid,
                    na afloop van die arbeid geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, het
                    recht op de aansluitende uitkering herleeft. Zie voor een verdere toelichting op
                    het begrip herleving de toelichting op artikel 10a:7.</al><al>Lid 2</al><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                    zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb.
                    2003, 546, is in feite een verlenging van de duur van de WW-uitkering opgenomen.
                    In de toelichting op artikel 10a:8 is hierover het een en ander opgenomen. Deze
                    WW-bepalingen zijn nier van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                    uitkering. De aansluitende uitkering kan niet opschorten als gedurende de
                    aansluitende uitkering sprake is van herleving na een beëindiging.</al><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van kracht is,
                    niettemin het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing is. Dit
                    betekent dat de betrokkene gedurende deze fase dezelfde verplichtingen heeft als
                    toen de WW nog wel van toepassing was en dat er ook sancties kunnen worden
                    getroffen wanneer de betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde
                    van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt
                    het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de situatie
                    waarin de betrokkene op grond van nawerking alsnog in de aansluitende fase van
                    de uitkering recht heeft op ZW.</al><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie (T)</al><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de werkloosheid
                    en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.
                    Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid wordt verricht voor minder
                    dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren.
                    De aansluitende uitkering wordt in dergelijke gevallen verminderd met 70% van
                    hetgeen er met die arbeid wordt verdiend. Dit soort gevallen zal sporadisch
                    voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein dienstverband.</al><al>Artikel 10a:24 Scholing (T)</al><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven aan
                    de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat na toestemming en
                    onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen
                    kunnen studeren met behoud van aansluitende uitkering. De jurisprudentie en het
                    beleid van het Lisv inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van
                    overeenkomstige toepassing. In geval van noodzakelijk geachte scholing is er een
                    duurdoorbreking van toepassing (krachtens artikel 76, eerste lid WW) en ligt de
                    duur van de aansluitende uitkering niet vast. Dit betekent dat hier een
                    uitzondering wordt gemaakt op artikel 10a:16, eerste lid, waarin bepaald is dat
                    de duur van de aansluitende uitkering eenmaal wordt berekend en vervolgens
                    vastligt.</al><al><vet><cursief>Noot:</cursief></vet><cursief>per 1-10-2004 (tot de volgende
                        artikelversie) wordt de toelichting gewijzigd:Het woord "Lisv" wordt
                        vervangen door: UWV. </cursief></al><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden (T)</al><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat er recht
                    is op een aanvullende uitkering. In artikel 10a:25 is vastgelegd dat er een
                    gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering bestaat in geval van overlijden
                    tijdens de aansluitende uitkering, maar na afloop van de WW-uitkering. De
                    ZW-uitkering is geëindigd. Behoudens nawerking op grond van artikel 46 ZW, in
                    welk geval artikel 10a:13 nog van toepassing is, bestaat er dan geen aanspraak
                    meer op een ZW-overlijdensuitkering. De overlijdensuitkering is in dit geval
                    geheel bovenwettelijk.</al><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders (T)</al><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in Nederland
                    recht hebben op dezelfde Nederlandse (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkering
                    als een werknemer die in Nederland woont en ontslagen wordt. Dit geldt niet
                    alleen voor de periode van de aanvullende uitkering (waarvoor artikel 10a:13a
                    geldt), maar ook voor de periode van de aansluitende uitkering. Hiervoor geldt
                    artikel 10a:25a. Zie voor een verdere toelichting de toelichting op artikel
                    10a:13a.</al><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter hand gaat
                    nemen, kan ter zake van de kosten die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing
                    zijn verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend van € 2.270- onder
                    verrekening van een tegemoetkoming in de verhuiskosten uit anderen hoofde. Het
                    gaat hier om een discretionaire bevoegdheid. Het recht op een
                    verhuiskostenvergoeding kan alleen worden geëffectueerd, indien de vergoeding
                    bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de noodzakelijke
                    informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen. De tegemoetkoming in
                    verhuiskosten indien de betrokkene elders buiten de gemeentelijke organisatie
                    werk heeft gevonden, is een instrument dat kan bijdragen aan zijn reïntegratie
                    in het arbeidsproces. Hiermee wordt een eventuele belemmering gelegen in de hoge
                    verhuiskosten bij aanvaarding van een functie elders weggenomen. Het betreft
                    hier een discretionaire bevoegdheid.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe
                    werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten
                    worden toegekend voor het gedeelte van de vergoeding dat uit zou gaan boven de
                    door de nieuwe werkgever verstrekte tegemoetkoming.</al><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de tegemoetkoming
                    in de verhuiskosten toegekend kan worden. De opsomming is cumulatief: er moet
                    aan alle gestelde voorwaarden worden voldaan. Er bestaat geen mogelijkheid tot
                    terugvordering in het geval van beëindiging werkhervatting door eigen schuld of
                    toedoen en/of in het geval van fraude.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat er vertekeningsactie moet worden ondernomen wanneer blijkt
                    dat de betrokkene (toch) niet verhuisd is, is vastgelegd dat de vergoeding
                    achteraf wordt toegekend. Voordat de vergoeding wordt toegekend, moet komen vast
                    te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is verhuisd.</al><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht op een WW-
                    en bovenwettelijke uitkering te stimuleren niet alleen een functie van een
                    gelijk niveau als de oude betrekking te aanvaarden, maar ook een functie die
                    lager wordt beloond. Per saldo zal dit tot lagere uitkeringslasten voor de
                    gemeente leiden. Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in de
                    oude betrekking en dat in de nieuwe betrekking. Net als bij de
                    verhuiskostenvergoeding kan het recht op een reïntegratietoeslag alleen worden
                    geëffectueerd, indien de toeslag bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd.
                    Betrokkene zal de noodzakelijke informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten
                    overleggen. Er kan alleen recht op een reïntegratietoeslag ontstaan als een
                    betrokkene tijdens het recht op een bovenwettelijke uitkering een
                    dienstbetrekking in de zin van de WW aanvaardt. Wanneer de betrokkene
                    aansluitend aan het ontslag als betrokkene een dienstverband aanvaardt voordat
                    het recht op bovenwettelijke uitkering ontstaat, is er geen recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geëffectueerd, indien het
                    wordt aangevraagd. Betrokkene zal de benodigde gegevens aan de
                    uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende kracht moeten
                    worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de reïntegratietoeslag vrij kort
                    gehouden.</al><al>Lid 3</al><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle gevallen
                    recht op een reïntegratietoeslag uit voort. Het lagere dagloon kan een gevolg
                    zijn van een kleinere omvang van de nieuwe betrekking. Wanneer er sprake is van
                    een kleinere omvang, wordt het dagloon in de oude betrekking omgerekend naar het
                    dagloon in de nieuwe betrekking. Als het verschil tussen het oude (omgerekende)
                    dagloon en het nieuwe minstens 10% bedraagt, ontstaat er recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al>Lid 4</al><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn overeengekomen.
                    Normaliter zal er bij de beëindiging van deze dienstbetrekking sprake zijn van
                    een nieuw recht op WW. Maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Wanneer
                    bijvoorbeeld de betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van minimaal één
                    jaar tussentijds toch weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als gevolg van ontslag
                    in de proeftijd), zal het eerste WW-recht, inclusief bovenwettelijke uitkering,
                    weer herleven. De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw
                    berekend bij het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking waaraan een aanspraak
                    op reïntegratietoeslag kan worden ontleend.</al><al>Lid 5</al><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten die alleen
                    van belang is in situaties waarin er voor een gering aantal uren nieuw werk
                    wordt gevonden. Het gaat dan om een dienstverband van minder dan vijf uur en
                    minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren. In zo'n geval is
                    er geen sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, zoals op
                    basis van artikel 20, eerste lid, onderdeel b van de WW verwacht kan worden,
                    maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering
                    verminderd met 70% van hetgeen er met die nieuwe werkzaamheden wordt verdiend.
                    Er is in zulke gevallen geen recht op een reïntegratietoeslag. Ook wanneer aan
                    de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend (artikel 10a:32), is er
                    geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet gelijk aan de
                    periode die de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende enlof
                    aansluitende uitkering als hij geen andere functie aanvaard zou hebben. Het gaat
                    in dit geval om driekwart van het aantal gehele jaren dat de betrokkene nog
                    recht gehad zou hebben op een bovenwettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 4</al><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de uitvoeringsinstelling van
                    bepaalde informatie te voorzien. Deze informatie moet maandelijks worden
                    gegeven. Wanneer de betrokkene deze verplichting niet nakomt, kan het recht op
                    reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld, en kan dit recht derhalve niet tot
                    uitkering komen.</al><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene binnen zijn
                    nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel recht op zijn loon
                    behoudt.</al><al>Lid 2</al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling 'fulltime
                    is fulltime'. Met andere woorden: een fulltime dienstverband van 36 uur wordt
                    qua omvang gelijkgesteld aan een fulltime dienstverband van 38 uur. Hierdoor
                    zijn omrekeningen niet nodig.</al><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie (T)</al><al>Lid 1</al><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het arbeidsproces te
                    stimuleren. Een soortgelijke bepaling kwam eveneens voor in de oude wachtgeld-
                    en uitkeringsregeling. De reïntegratiepremie beoogt de gewezen ambtenaar in de
                    gelegenheid te stellen om door middel van een bedrag ineens zijn werkloosheid
                    geheel op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging van het verzoek geldt
                    derhalve dat de bestemming van het afkoopbedrag kansen moet bieden op een
                    blijvende opheffing van de bestaande werkloosheid. De betrokkene die nog geen
                    recht op een bovenwettelijke uitkering heeft, kan geen recht verkrijgen op een
                    reïntegratiepremie. Dit betekent dat de ambtenaar die aansluitend aan het
                    ontslag gaat werken, niet voor deze premie in aanmerking komt.</al><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie (T)</al><al>Lid 1</al><al>Deze bepaling hanteert het criterium 'in dezelfde mate werkloos zou zijn
                    gebleven' als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                    nieuwe werkgever. De zinsnede 'in dezelfde mate' impliceert dat de
                    omstandigheden op de dag voor de werkhervatting bepalend zijn voor de
                    berekeningsbasis. De berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene
                    al gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis. Hetzelfde geldt
                    voor een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Daarentegen heeft een
                    sanctie geen invloed. Wanneer op de dag voor de werkhervatting een
                    uitsluitingsgrond voor het recht op WW van toepassing is (bijvoorbeeld ziekte of
                    vakantie), waardoor het recht op WW en bovenwettelijke uitkering geheel eindigt,
                    kan de reïntegratiepremie pas worden vastgesteld en tot uitbetaling komen als de
                    uitsluitingsgrond is opgeheven.</al><al>10d Voorzieningen bij werkloosheid</al><al> Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid
                    (T)</al><al>Dit hoofdstuk behandelt de verschillende procedures die dienen te worden gevolgd
                    bij boventalligheid of bij ontslag wegens ongeschiktheid. Daarnaast bevat het
                    hoofdstuk bepalingen over de uitkeringen bij werkloosheid of gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid. In het Cao-akkoord 2011 en 2012 zijn de toen bestaande
                    bepalingen over Van werk naar werk-trajecten bij boventalligheid
                    aangescherpt.</al><al>In dit hoofdstuk zijn nu de procedures opgenomen die gelden voor ontslag wegens
                    andere gronden (artikel 8:8); reïntegratie en ontslag op grond van
                    onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 8:6); reïntegratie en ontslag wegens
                    reorganisatie (artikel 8:3) en ontslag wegens gedeeltelijke (minder dan 35%)
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5). Dit is dan ook uitgedrukt in de
                    werkingssfeerbepaling artikel 10d:1. </al><al>Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de artikelen 8:1, 8:2, 8:4, 8:7,
                    8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) gelden geen bovenwettelijke (uitkerings)rechten. </al><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer (T)</al><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen worden en ontslagen
                    zijn op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid tussen “worden”
                    en “zijn” ziet op de reintegratiefase voor ontslag (als medewerkers worden
                    ontslagen) en de (uitkerings)rechten na ontslag (als medewerkers zijn
                    ontslagen).</al><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen (T)</al><al><vet>Ad b</vet> Vóór 1 januari 2016 werd hier het voor hoofdstuk 10d afwijkende
                    bezoldigingsbegrip gedefinieerd. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde
                    hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 is dit gewijzigd in ‘grondslag’ en is daar voor
                    de medewerkers die toen in dienst waren de toelage overgangsrecht hoofdstuk 3
                    (TOR) aan toegevoegd.</al><al><vet>Ad g werkloosheidsuitkering</vet> Wanneer ambtenaren na ingang van de
                    werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook
                    deze baan weer eindigt, kunnen ambtenaren in aanmerking komen voor een herleving
                    van de werkloosheidsuitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de
                    werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op deze herleefde uitkering.</al><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken (T)</al><al>LOGA partijen zijn overeengekomen dat de aanpak, zoals vastgelegd in dit
                    hoofdstuk, de basisaanpak wordt voor alle gemeenten, omdat daarmee door middel
                    van wederzijdse inspanningen maximaal geïnvesteerd wordt in het voorkomen van
                    werkloosheid. In lid 1 is bepaald dat lokaal aanvullende afspraken gemaakt mogen
                    worden ten opzichte van de basisaanpak in dit hoofdstuk, mits deze aanpak
                    gevolgd wordt. Er zijn twee soorten aanvulling en mogelijk: aanvullingen met
                    betrekking tot onderwerpen die niet geregeld zijn in dit hoofdstuk en
                    aanvullingen die tot een verruiming leiden van de afspraken in dit
                    hoofdstuk.</al><al>Als er op de in lid 2 genoemde datum een sociaal plan of vergelijkbare afspraak
                    geldt, welke niet voldoet aan de bepalingen in hoofdstuk 10d, bespreken college
                    en vakorganisaties in het GO wanneer tot aanpassing van het lokale beleid zal
                    worden overgegaan.</al><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8 (T)</al><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen wordt op
                    grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud
                    een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond het
                    ontslag te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voor zover dat
                    redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Afhankelijk van de
                    omstandigheden ligt opschorting van het ontslag wellicht minder voor de hand.
                    Maar ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk
                    het primaire doel is van de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van
                    faciliteiten (financieel of anderszins) om de reïntegratie te stimuleren zal
                    daarom vaak onderdeel uitmaken van de ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet
                    te voorkomen zijn, dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als
                    voor de ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6,
                    afspraken te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                    uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het ontslag
                    gemaakt zijn.</al><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het doel van de reïntegratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat eerst nog
                    de reintegratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de toekomst
                    ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum die, gelet op de
                    duur van de reintegratiefase die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer
                    voor de ambtenaar een reintegratiefase van 4 maanden geldt, bevat het
                    ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van
                    het ontslagbesluit. In artikel 10d:7 worden de mogelijkheden genoemd, op grond
                    waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de reintegratiefase kan
                    eindigen. Om die reden moet in het ontslagbesluit worden opgenomen dat het
                    ontslag eerder kan eindigen, indien dat op grond van artikel 10d:7 aan de orde
                    is.</al><al>Als met inachtneming van de artikelen 10d:8 en 10d:9 de reïntegratiefase
                    verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en
                    worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die verder
                    ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al>Lid 5 </al><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan de
                    noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 8:6 voldaan
                    is.</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn opgebouwd, waaruit
                    het college de conclusie heeft getrokken dat de ambtenaar ongeschikt of
                    onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier voldoende
                    is, kan het besluit tot ontslag genomen worden.</al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en de
                    intreding van de reïntegratiefase niet op.</al><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase (T)</al><al>Lid 1</al><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijddienstverband eindigt de
                    reïntegratiefase. Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn
                    oud-medewerkers een plicht om de reïntegratie in de arbeid te bevorderen. Zolang
                    de reïntegratie nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot volledige
                    opheffing van de werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft deze plicht
                    van de gemeente bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het
                    reïntegratieplan voort te zetten.</al><al>Lid 2</al><al>Tijdens de reïntegratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen die
                    van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden door het
                    college vastgesteld en vastgelegd in het reïntegratieplan. Dit kunnen onder meer
                    afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen en outplacementtraject
                    (zie artikel 10d:10). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt aan de gemaakte
                    afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende sollicitaties
                    verrichten, gaat het ontslag op grond van 8:6 eerder in dan pas na afloop van de
                    reïntegratiefase. Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en
                    proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van
                    het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de
                    reïntegratiefase aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de
                    redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden
                    op grond van artikel 8:13 (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij
                    disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden
                    waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:7,de nieuwe
                    ontslagdatum is opgenomen. Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond
                    van artikel 8:6 ook zijn welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de aangeboden
                    functie. Als de ambtenaar een functie die aan dergelijke eisen voldoet, niet
                    accepteert, kan eveneens vóór het aflopen van de reintegratietermijn ontslag
                    plaatsvinden op grond van artikel 8:6. Naarmate de reïntegratiefase langer
                    duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht worden. Op grond van
                    jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval,
                    betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet aanvaarden,
                    waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager.</al><al>Lid 3</al><al>Eerdere beëindiging van de reïntegratiefase leidt tot het vervallen van het
                    recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij moet
                    het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.</al><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente (T)</al><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                    reïntegratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering en
                    de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan de acties uit het
                    reïntegratieplan houden. Doet het college dit niet, dan wordt de
                    reïntegratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de
                    oorspronkelijke reïntegratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd wordt
                    de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en billijkheid
                    mogelijk is.</al><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop (T)</al><al>Lid 1 en 2</al><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur, kan
                    zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat zijn WW
                    pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan overstappen,
                    wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker maakt. De verlenging
                    van de reïntegratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar tijdens
                    die fase aan zijn reïntegratie blijft werken.</al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                    reïntegratiefase, wanneer de ambtenaar de reïntegratiefase niet volledig heeft
                    kunnen benutten aan reïntegratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk zijn. Dit
                    kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn. Hierdoor kan het
                    voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de reintegratiefase aan
                    zijn reïntegratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen met
                    een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk beschouwd.</al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de reïntegratiefase niet meer aan
                    de voorwaarde dat aan reïntegratie gewerkt moet worden, dan wordt de verlenging
                    gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in.</al><al>Door aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen, die op 1 januari 2012
                    minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met sparen
                    volgens deze regeling.</al><al>Lid 4</al><al>Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de aanstelling
                    of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn. Wanneer tijdens de
                    verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van de
                    reïntegratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze afspraken,
                    wordt voor het aflopen van de verlengde reïntegratiefase het ontslag verleend op
                    grond van artikel 8:6.</al><al>Artikel 10d:10 Reïntegratieplan (T)</al><al>Tijdens de reïntegratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit houdt
                    onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder
                    opbouwde. Wanneer hij tijdens de reïntegratiefase geen werkzaamheden verricht,
                    betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten die
                    in het kader van het reïntegratieplan zijn afgesproken.</al><al>Als bij de start van de reïntegratiefase al duidelijk is dat direct na de
                    beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het reïntegratieplan uit
                    het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze functie
                    gaat bekleden. Het reïntegratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te
                    worden.</al><al>Lid 1</al><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het reïntegratieplan, zodra
                    duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van artikel 8:6 en
                    daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Gemeente noch
                    ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking van beide partijen kan
                    echter de mogelijkheden op het vinden van een baan bespoedigen en dus de kans op
                    het voorkomen van werkloosheid vergroten.</al><al>Het reïntegratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de
                    reïntegratiefase zijn opgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                    reïntegratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs
                    voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen verder
                    gaan dan op grond van reïntegratie noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet
                    de volledige kosten vergoedt).</al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de gemeente
                    niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag van € 7.500,=,
                    kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook financieel bijdraagt
                    aan de activiteiten uit het reïntegratieplan.</al><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik (T)</al><al>Het toepassingsbereik van paragraaf 5 strekt zich uit over ambtenaren die een
                    dienstverband van 2 jaar of langer bij dezelfde gemeente hebben. In dit licht
                    wijst het LOGA op artikel 10d:3 lid 1.</al><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting (T)</al><al>Dit artikel drukt uit dat een goede uitvoering van het Van werk naar
                    werk-traject de verantwoordelijkheid is van zowel werkgever als ambtenaar.</al><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject (T)</al><al>Een goed te definiëren moment markeert de start van het hele traject. Voor beide
                    partijen moet duidelijk zijn dat vanaf dit moment, dat boventalligheid intreedt,
                    de periode van twee jaar begint te lopen.</al><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek (T) </al><al>In dit artikel worden de inhoudelijke stappen van het Van werk naar werk-traject
                    geregeld. De start is het onderzoek naar wensen en mogelijkheden en
                    arbeidsmarktpotentie, ook buiten de gemeente. Het onderzoek wordt afgerond
                    binnen een maand na de startdatum van het Van werk naar werk-traject. De
                    startdatum is de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is
                    getreden. Het onderzoek kan eerder opgestart worden, als al is voorzien dat
                    boventalligheid aan de orde zal komen. Duidelijk is dat wanneer het onderzoek
                    eerder aanvangt, sneller met de uitvoering ervan kan worden gestart, en de kans
                    van slagen toeneemt. Bij het onderzoek kan een gecertificeerde loopbaanadviseur
                    worden ingeschakeld. Dit kan ook een functionaris zijn die bij de gemeente zelf
                    in dienst is, mits deze aantoonbaar is gekwalificeerd als
                    loopbaanbegeleider.</al><al>Wat betreft de loopbaanadviseur is van belang dat deze voldoet aan de
                    professionele kwaliteitseisen van de beroepsgroep van loopbaanbegeleiders ofwel
                    aantoonbaar daartoe gevolgde opleidingen en/of relevante ervaring heeft.</al><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract (T)</al><al>Na het onderzoek genoemd in artikel 10d:13 wordt een contract gemaakt. Dat is
                    uiterlijk gereed drie maanden na afronding van het onderzoek. Het contract bevat
                    de afspraken tussen werkgever en ambtenaar gericht op het vinden van nieuw werk.
                    Het contract is maatwerk en zal per individu verschillen. Het is van belang
                    concreet alle van belang zijnde afspraken op te nemen. In het artikel is een
                    niet-limitatieve opsomming hiervan opgenomen. Gedurende de looptijd van het
                    contract is de ambtenaar boventallig; ten aanzien van de werkzaamheden die hij
                    gedurende de Van werk naar werk-termijn voor de werkgever verricht dienen daarom
                    ook afspraken te worden gemaakt.</al><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract (T)</al><al>De monitoring en de verslaglegging van de voortgang en evaluatiegesprekken wordt
                    neergelegd bij een nader aan te wijzen persoon of organisatie. Van belang is dat
                    goed wordt toegezien op de uitvoering, voor beide partijen. Het verloop van het
                    Van werk naar werktraject kan immers aanleiding geven tot een verschil in
                    opvatting dat aan een commissie ter toetsing wordt voorgelegd (zie artikel
                    10d:24). De dossiervorming moet dan op orde zijn.</al><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject (T)</al><al>Een Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Maar deze termijn kan korter
                    zijn als eerder passend of geschikt werk is gevonden. Passend of geschikt werk
                    kan ook werk in deeltijd zijn en/of werk buiten de eigen organisatie of
                    gemeente.</al><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging (T)</al><al>Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend of geschikt werk binnen of
                    buiten de gemeentelijke organisatie weigert, volgt beëindiging van het Van werk
                    naar werk-contract en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag op grond van
                    artikel 8:3 CAR). Partijen leggen in het Van werk naar werk-contract vast welke
                    functies passend dan wel geschikt zijn. Als de ambtenaar een dergelijke functie
                    weigert, eindigt het Van werk naar werk-contract. Afhankelijk van de duur van
                    het Van werk naar werk-traject mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht
                    worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden
                    van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet
                    aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager of een
                    vergelijkbaar verschil als het een functie buiten de gemeente betreft.</al><al>Hiermee wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk dat
                    het voor de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat wordt ook
                    uitgedrukt door lid 2: als de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het
                    contract, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot ontslag overgegaan. In
                    beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op aanvulling op de
                    werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur (T)</al><al>Het Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Als na verloop van 21 maanden
                    geen ander werk is gevonden dient een loopbaanadviseur een advies uit te brengen
                    over een eventueel vervolgtraject. Om een goed advies te kunnen uitbrengen,
                    heeft de loopbaanadviseur in ieder geval inzage in de evaluatieverslagen, en
                    zonodig in andere relevante correspondentie. De loopbaanadviseur moet overwegen
                    of een vervolgtraject een zinvolle stap is, die de kans op ander werk evident
                    doet toenemen. De verwachte ontwikkelingen binnen de organisatie en de
                    arbeidsmarkt van dat moment zijn daarbij relevant.</al><al>De loopbaanadviseur adviseert het college; het college hoeft dit advies niet te
                    volgen.</al><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject (T)</al><al>Als de termijn van 2 jaar voorbij is wordt het Van werk naar werk-traject
                    beëindigd. Er volgt dan, zonder verdere opzegtermijnen of wachttijd, een
                    ontslagbesluit op grond van artikel 8:3 CAR. Dat is alleen anders als het
                    college het advies van de loopbaanadviseur tot verlenging volgt.</al><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject (T)</al><al>De mogelijkheid bestaat om het Van werk naar werk-contract te verlengen.
                    Logischerwijs zou dit kunnen voortvloeien uit het advies van de loopbaanadviseur
                    zoals bedoeld in artikel 10d:20, maar ook een zeer reële kans op een andere
                    functie –schriftelijk te bevestigen door de werkgever in kwestie- kan leiden tot
                    verlenging. Een besluit hieromtrent is geheel aan de werkgever. Er kan maar een
                    keer worden verlengd. Het traject wordt definitief beëindigd op de datum waarop
                    het verlengde contract afloopt. Na afloop daarvan volgt het ontslagbesluit op
                    grond van artikel 8:3.</al><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract
                    (T)</al><al>In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen het Van
                    werk naar werkcontract niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen
                    optreden. Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan de
                    afspraken is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt gezocht.
                    Als een gesprek niet leidt tot een oplossing volgt een ingebrekestelling: de
                    partij die vindt dat de ander niet doet wat is afgesproken in het contract stelt
                    de ander hiervan schriftelijk in kennis. Voor de gemeente kan dit leiden tot
                    beëindiging van het contract en een ontslag. Dat is beschreven in artikel 10d:19
                    bij tussentijdse beëindiging. Voor de ambtenaar betekent dit dat hij kan eisen
                    dat het Van werk naar werk-contract wordt verlengd met de periode waarin het
                    gebrek is opgetreden. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de situatie dat
                    een loopbaancoach afwezig is waardoor afgesproken gesprekken niet hebben
                    plaatsgevonden. Deze worden dan als het ware ingehaald. Uitgangspunt is dat ook
                    in deze fase werkgever en ambtenaar er samen uitkomen. Maar als dat niet lukt,
                    kan de paritaire toetsingscommissie om advies worden gevraagd.</al><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie (T)</al><al>Dit artikel regelt de positie van de paritaire toetsingscommissie. De commissie
                    is paritair. Gemeenten die al een dergelijke paritaire commissie hebben kunnen
                    de bestaande commissie aanwijzen. Het college moet een reglement vaststellen
                    waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                    vastgelegd. De LOGA partijen hebben een voorbeeld reglement opgesteld.</al><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering (T)</al><al>Lid 1, sub a</al><al>Wanneer de reïntegratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich niet
                    heeft gehouden aan de afspraken die in het reïntegratieplan zijn neergelegd,
                    vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al>Lid 1, sub b</al><al>Wanneer het Van werk naar werk-traject eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar
                    zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het Van werk naar werk-contract
                    zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al>Lid 1, sub c</al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                    werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan
                    bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met
                    vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen
                    aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen dan
                    tegelijk aan, na de vakantie.</al><al>Lid 2</al><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                    werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of
                    sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer
                    informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter
                    bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 10d:26) en ter
                    controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 10d:28).</al><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</al><al>In artikel 10d:2 is de grondslag gedefinieerd, die nodig is voor de berekening
                    van de aanvullende uitkering.</al><al>De hoogte van de uitkering is gedurende de twee fases verschillend. De genoemde
                    bedragen zijn de feitelijke beloning (salaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n). Hiermee wordt dus niet de voltijdsbeloning bedoeld, die
                    omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een
                    medewerker die met een functie voor 30 uur per week € 5.500,= aan salaris en
                    toegekende salaristoelagen ontvangt, krijgt gedurende de eerste fase een
                    aanvullende uitkering van 30% daarvan en gedurende de tweede fase een
                    aanvullende uitkering van 20% van dat bedrag. De zinsnede “naar rato van het
                    aantal uren dat de ambtenaar werkloos is” houdt in dat indien iemand een
                    arbeidsduur had van 36 uur, waaruit hij voor 18 uur is ontslagen hij een
                    aanvullende uitkering ontvangt van 10%, respectievelijk 20% of 30% maal 18/36.
                    Als deze persoon vervolgens een baan aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij
                    een aanvullende uitkering van 10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 zijn
                    salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</al><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de
                    datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet
                    beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de aanvullende
                    uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na dag van ingang
                    van de WW-uitkering.</al><al>Artikel 10d:28 Sancties (T)</al><al>Lid 1</al><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3 maanden
                    een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de duur van 3
                    maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld
                    6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden.
                    Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die grotendeels
                    gericht zijn op werkhervatting) op grond van de Werkloosheidswet na te
                    komen.</al><al>Lid 3</al><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van het
                    recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling en is
                    afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot de sanctie
                    die door UWV is opgelegd.</al><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering (T)</al><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de WW-uitkering
                    eindigt.</al><al><cursief>Herleving aanvullende uitkering</cursief> Omdat de
                    werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering, wanneer
                    de werkloosheidsuitkering herleeft.</al><al>Omdat de duur van de aanvullende uitkering van één jaar gekoppeld is aan de dag
                    van ontslag, geldt de herleving van de eerste fase van de aanvullende uitkering
                    alleen wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na de
                    ingangsdatum van ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort met de
                    periode, waarin geen werkloosheidsuitkering is ontvangen. Gedurende de
                    resterende tijd van de werkloosheidsuitkering wordt de hoogte van de tweede fase
                    uitbetaald.</al><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van werkloosheid,
                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze verwijzing naar werkloosheid,
                    als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om
                    een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                    gemeente.</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering
                    zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl;zoeken op
                    poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter bepaling van de hoogte van de
                    na-wettelijke uitkering (artikel 10d:31) en het door de gemeente te voeren
                    sanctiebeleid (zie artikel 10d:34).</al><al>Lid 2</al><al>Bij -ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6) ontstaat
                    alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in
                    omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen
                    schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid.</al><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Lid 2</al><al>In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos is, zijn
                    na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald. De na-wettelijke
                    uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van werkloosheid.</al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een functie van
                    20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een werkloosheid resteert van minder
                    dan 5 uur, is de werkloosheid beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering
                    (zie definitie werkloosheid en artikel 10d:18).</al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als zelfstandige
                    verminderen de werkloosheid. Of iemand minder dan 36 uur werkloos is, is af te
                    leiden uit de gegevens over werkzaamheden (bijvoorbeeld salarisstroken). In
                    artikel 10d:15 is opgenomen dat de ambtenaar alle gegevens moet overleggen die
                    van belang zijn voor het bepalen van het recht op nawettelijke uitkering.
                    Hiertoe behoren dus ook salarisstroken en arbeidsovereenkomsten.</al><al>Lid 3</al><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer verdient dat
                    hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een bepaling opgenomen, waaruit
                    voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de na-wettelijke uitkering nooit meer kan
                    bedragen dan 90% van het oude salaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n)d.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Iemand werkte 36 uur en verdiende € 2000,=. De
                    na-wettelijke uitkering bedraagt 70% hiervan; dit is € 1400,=. Hij krijgt
                    tijdens de periode van de na-wettelijke uitkering een baan voor 18 uur. Hiermee
                    resteert een werkloosheid voor 18 uur. Met zijn nieuwe baan gaat hij €1500,=
                    verdienen. Zijn uitkering zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,=
                    bedragen. Samen met de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op €
                    2200,=. Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is € 1800,=.
                    Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt nog een na-wettelijke
                    uitkering van € 400,=.</al><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                    gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering (T)</al><al>Lid 2</al><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5 uur of meer
                    dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week verliest. Als door
                    werkhervatting een werkloosheid resteert van minder dan 5 uur (of minder dan de
                    helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week) eindigt de werkloosheid en
                    eindigt de na-wettelijke uitkering.</al><al>Lid 3</al><al>De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering
                    wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in werking
                    getreden op 15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op de
                    ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de ex-ambtenaar
                    die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of
                    8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke uitkering.</al><al>Artikel 10d:35 Afkoop (T)</al><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het college kan
                    echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van de na-wettelijke
                    uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden en de hoogte van het
                    afkoopbedrag.</al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag, vallen
                    partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de na-wettelijke
                    uitkering.</al><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                    ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</al><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                    ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie aanvaardt,
                    waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                    is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke functie buiten de
                    organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan ontslag op grond van artikel 8:5
                    plaatsvinden. Is dat het geval dan ontvangt de ambtenaar, zolang hij arbeid
                    heeft waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit kan voorzien,
                    een bijzondere uitkering.</al><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht (T)</al><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="§"><al>op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20
                            dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al></li><li nr="§"><al>die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt.</al></li></lijst><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de overgangsuitkering overeenkomt
                    met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli
                    2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten
                    gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de
                    aansluitende uitkering omgezet in een formule, die in het tweede lid, is
                    opgenomen. Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen worden, krijgen dus recht op een
                    reïntegratiefase of een Van werk naar werk-traject. Mocht daarna sprake zijn van
                    werkloosheid, dan geldt slechts ten aanzien van de duur van de uitkering na
                    afloop van de WW een uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit
                    overgangsrecht is overeengekomen. De overgangsuitkering eindigt op de eerste van
                    de maand volgend op die waarin betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt
                    (artikel 10d:33). </al><al>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met op 1
                    januari 2008 20 dienstjaren of meer </al><al>Hoofdstuk 10e Vervallen hoofdstuk (T)</al><al>Vervallen hoofdstuk.</al><al>11 Uitkeringsregeling ontslag</al><al>Artikel 11 Uitkeringsregeling ontslag (T)</al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 11:1 Betrokkene (T)</al><al>Voor een toelichting op artikelen die gelijkluidend zijn aan die van hoofdstuk
                    10 (wachtgeld), wordt daarnaar verwezen.</al><al><vet>Algemeen</vet> De omschrijving dat aan de ambtenaar ontslag moet zijn
                    verleend, impliceert dat het einde van een tijdelijke urenuitbreiding geen recht
                    geeft op een uitkering. Immers, er is geen sprake van ontslag. Dit is anders
                    wanneer deze urenuitbreiding, die in de vorm van een brief kan worden
                    meegedeeld, de vorm krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na afloop van deze
                    aanstelling ontstaat wel recht op een uitkering.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering toe te
                    kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en eventueel
                    de levenspartner) wil volgen die genoodzaakt is elders een betrekking te
                    aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    die uitwijst dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe
                    te kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing medisch
                    noodzakelijk is in verband met de gezondheid van de echtgenoot, is er aanleiding
                    een uitkering toe te kennen. Dit is een omstandigheid waarop betrokkenen geen
                    invloed kunnen uitoefenen.</al><al>Artikel 11:6 Recht op uitkering (T)</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is aan
                    de zogenaamde toegangs-eis. In het jaar voorafgaand aan het ontslag dient
                    betrokkene tenminste gedurende 26 weken werkzaam te zijn geweest als werknemer
                    in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige, tellen dus niet
                    mee. In dit verband wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien ten
                    minste op één dag per week is gewerkt, ongeacht het aantal uren. Deze
                    toegangseis, afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels per 1 maart 1995
                    verzwaard, maar die verzwaring wordt in ieder geval voor 1 januari 1998 niet
                    overgenomen in dit hoofdstuk.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij het
                    vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet alleen om
                    werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking waaruit ontslag volgt, maar ook om
                    werkzaamheden die zijn verricht in een dienstbetrekking waarvoor de betrekking
                    waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan het ook
                    gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn verricht voorafgaand aan
                    indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                    waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de toegangseis is voldaan, moge
                    het volgende voorbeeld illustreren. Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan
                    vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                    betrokkene een tweede deeltij dbaan vervullen van 16 uur voor de duur van drie
                    maanden. Aan deze baan is geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken van de
                    termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een uitkering, betrokkene is in
                    deze functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is gewerkt
                    in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen niet mee. Deze tijd telt
                    uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de toegangseis voldaan is op het
                    tijdstip dat de deeltij dbetrekking van 20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen
                    dus slechts éénmaal mee.</al><al>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte (T)</al><al>Lid 3</al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                    werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de verwijzing naar
                    hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing zijn. Hierbij gaat het om
                    de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de tekst van
                    hoofdstuk 7, zoals dat luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al><al>Artikel 11:18 Samenloop (T)</al><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar, ter
                    hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit
                    betekent dat de periode gedurende welke een ziekte-uitkering is genoten, bij de
                    oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><al>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering (T)</al><al><vet>Algemeen </vet> Dit artikel geldt slechts ten aanzien van degene aan wie
                    uitsluitend een uitkering voor de periode van zes maanden is toegekend. In
                    afwijking van het reguliere systeem van de verrekening van neveninkomsten, geldt
                    in dit geval dat het recht op uitkering vervalt en herleeft in de situatie dat
                    spoedig opnieuw werkloosheid optreedt nadat betrokkene bijvoorbeeld als
                    uitzendkracht heeft gewerkt.</al><al>Lid 1</al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met ingang
                    van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht opnieuw voor de
                    resterende duur wordt toegekend met ingang van de dag dat opnieuw werkloosheid
                    ontstaat. Van belang is dat het begrip "beëindiging van de werkloosheid" zodanig
                    is omschreven dat bij het aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst
                    van beëindiging van de werkloosheid sprake is indien gedurende een periode van
                    een maand gewerkt is. Daarbij moet het gaan om een betrekking bij eenzelfde
                    werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking waaruit ontslag volgde.
                    Dit betekent dat gedurende de eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een
                    uitkering een tijdelijke betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering
                    worden verrekend. Pas na een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee
                    wordt voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                    herleeft wanneer bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al>Lid 3</al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van de
                    uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is van een situatie van
                    werkloosheid.</al><al>11a Suppletie</al><al>Artikel 11a Suppletie (T) </al><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><al>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen (T)</al><al>Per 1 januari 1996 heeft het burgerlijk overheidspersoneel in geval van
                    arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 31 van de Wet privatisering ABP (WPA)
                    recht op een uitkering conform de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
                    (WAO). Per die datum is het herplaatsingswachtgeld ingevolge hoofdstuk K van de
                    ABP-wet komen te vervallen. Voor het herplaatsingswachtgeld is de
                    suppletieregeling in de plaats gekomen. De suppletieregeling draagt het karakter
                    van een werkloosheidsregeling. Vooruitlopend op het moment dat het
                    overheidspersoneel onder de werking van de werknemersverzekeringen zal worden
                    gebracht, de zogenaamde OOW-operatie, is bij de suppletieregeling reeds zoveel
                    als uitvoeringstechnisch mogelijk aangesloten bij de WW. De lasten van de
                    suppletieregeling worden gedragen door de overheidswerkgever zelf.</al><al>Lid 1</al><al>onderdeel b</al><al>Artikel 11a:1 bevat de definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip "arbeidsongeschiktheidsuitkering" is in deze suppletieregeling
                    elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid
                    bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de WAO-conforme uitkering, de WAO-uitkering,
                    de uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
                    uitkering op grond van artikel 7:11 van de CAR. Ook uitkeringen van buitenlandse
                    mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip
                    vallen.</al><al>Lid 1</al><al>onderdeel d</al><al>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt gevormd door de
                    overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij een gemeente
                    op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en
                    die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin
                    van de WAO</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende verdienvermogen
                    volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Ingevolge de systematiek
                    van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond
                    van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene
                    één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus
                    altijd minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is
                    echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de
                    dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder
                    dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens
                    recht op suppletie. Met de omschrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is,
                    bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt niet beoogd een andere omschrijving te
                    geven dan die van het ambtenaar schap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde
                    op 31 december 1995.</al><al>Lid 1</al><al>onderdelen g en h</al><al>Het dagloon in de zin van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de zin
                    van de WAO met een bepaalde correctie. Allereerst wordt het dagloon in de zin
                    van de WAO vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal. Daarnaast
                    wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd
                    zijn ingevolge een particuliere ziektekostenverzekering de werkgeversbij drage
                    in die ziektekostenverzekering in mindering gebracht op het ongemaximeerde
                    dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de werkgever dient van het
                    WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie anders niet gelijk zou zijn aan de berekeningsgrondslag van het
                    vroegere herplaatsingswachtgeld, de laatstgenoten bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                    ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, meestal het IZA, is
                    het niet nodig om bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie, het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen met de
                    tegemoetkoming van de werkgever in een particuliere ziektekostenverzekering van
                    betrokkene. In deze gevallen wordt bij de vaststelling van het dagloon in de zin
                    van de WAO reeds rekening gehouden met de werkgeversbijdrage.</al><al>Lid 1</al><al>onderdeel h</al><al>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover het toegerekend
                    kan worden aan de betrekking waaruit betrokkene met recht op suppletie is
                    ontslagen. In tegenstelling tot de WAO-conforme uitkering ingevolge de WPA, is
                    het recht op suppletie immers aan die enkele betrekking gekoppeld.</al><al>Lid 2</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 11a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming en de
                    ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                    van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                    personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.</al><al>Artikel 11a:2 Recht op suppletie (T)</al><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde
                    grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie artikel 8:5, tweede
                    lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24
                    maanden. De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel
                    11a:6. Zoals bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale uitkeringsduur 66
                    maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na
                    ommekomst van de maximale uitkeringsduur, eindigt het recht op suppletie. Dat is
                    nadat 90 maanden zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens
                    ziekte. Vergelijk artikel 11a:5, onderdeel a.</al><al>Artikel 11a:3 Recht op suppletie (T)</al><al><vet>Algemeen </vet> Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een
                    verplichtingen- en sanctieregime dat overeenkomt met de WW. De toepassing van
                    dat sanctieregime ten aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                    bestuursorgaan.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip "passende arbeid" in de zin
                    van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig uitgebreid dat het mede
                    gangbare arbeid omvat. De definitie van gangbare arbeid is eveneens in dit lid
                    gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg van
                    het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig onderzoek
                    te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die ongeschikt is voor
                    het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiertoe onderzoekt de werkgever
                    eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende
                    arbeid. Indien die mogelijkheid zich niet voordoet doch minimaal na afloop van
                    het eerste ziekte j aar onderzoekt hij of de mogelijkheid bestaat van plaatsing
                    in een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt betekent dat de betrokkene
                    op het moment dat het recht op suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan,
                    reeds een jaar lang verplicht is geweest aangeboden gangbare arbeid te
                    accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                    betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog) niet
                    verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder bovengenoemde uitbreiding van
                    het begrip "passende arbeid" zou de ongewenste situatie kunnen ontstaan dat een
                    betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag, gehouden
                    is gangbare arbeid te aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn
                    ontslag suppletie geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft te houden voor de
                    arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met passende arbeid
                    in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele weigering van
                    gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime van de WW, en dus
                    suppletieregeling, valt. De weigering van gangbare arbeid wordt derhalve
                    betrokken bij het bepalen van het recht op suppletie. Wanneer er op deze wij ze
                    sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend geheel danwel
                    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd of kan de suppletieduur
                    worden beperkt.</al><al>Artikel 11a:4 en 11a:5 Recht op suppletie (T)</al><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op suppletie
                    ingevolge artikel 11a:4 en het beëindigen van dat recht op grond van artikel
                    11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt in het eerstgenoemde geval
                    nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie worden overgegaan, zodra
                    de in artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde omstandigheid zich niet meer
                    voordoet en er op dat moment nog suppletieduur resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                    11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de
                    systematiek van de WAO (-conforme) uitkering kan iemand ook bij een
                    arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter, tijdelijk een
                    verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Wanneer die mate van
                    arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt vastgesteld op een lagere klasse,
                    zou de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt
                    onredelijk geacht.</al><al>Voor wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de
                    huidige situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld wanneer de
                    herplaatsingstoelage wordt beëindigd. Die vangnetfunctie wordt nu voortgezet in
                    artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><al>Artikel 11a:7 Suppletie (T)</al><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De "klok"
                    van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de
                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden
                    onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft
                    plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een
                    latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in
                    mindering gebracht op de totale uitkeringsduur van de suppletie. De betrokkene
                    geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode
                    80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn
                    ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt
                    was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt betrokkene ontslagen op een
                    moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen
                    recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar alleen nog
                    op 70% van die berekeningsgrondslag.</al><al>Artikel 11a:8 Suppletie (T)</al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet> In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot
                    uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de
                    betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake
                    van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer
                    wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van werkloosheid en
                    arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in mindering
                    gebracht op het bedrag van de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een
                    Waz-uitkering ontvangt. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en
                    voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde
                    TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase van de WAO (-conforme) uitkering of bij
                    expiratie van de uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                    suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                    betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt.
                    Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie,
                    worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer
                    inkomsten gaat genereren uit die "oude" inkomstenbronnen dan ligt het in de rede
                    dat meerdere wordt verrekend met de suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of
                    in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel 11a:9.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op het
                    ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                    ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                    verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake
                    waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het
                    arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8, tweede lid, dient dat
                    meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het
                    bedrag van de suppletie.</al><al>Artikel 11a:9 Suppletie (T)</al><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                    verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste lid,
                    opgenomen anticumulatieregeling. Betrokkene heeft bij inactiviteit een
                    garantieniveau van 80% onderscheidenlijk 70% van de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of bedrijf
                    inkomsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij
                    zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend verdienvermogen
                    volledig benut, heeft hij recht op een herplaatsingstoelage van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP. Zolang hij die herplaatsingstoelage ontvangt, komt zijn recht
                    op suppletie niet meer tot uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer
                    hij zijn werkloosheid gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet
                    meer voor dat gedeelte te gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel
                    op de volgende wijze: (berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) *
                    80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                    ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag van de
                    suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan
                    zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is
                    het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de
                    plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                    genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.</al><al>Artikel 11a:10 Suppletie (T)</al><al>Een vermindering in het niveau van de onderliggende wettelijke en/of
                    bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                    suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie. Dit effect is echter
                    ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende uitkeringen
                    wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom vastgelegd dat
                    sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of bovenwettelijke uitkeringen
                    niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie. In geval van sancties worden de
                    wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen voor de toepassing van de artikelen
                    11a:8 en 11a:9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al><al>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie (T)</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie (T)</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten (T)</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><al>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften (T)</al><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                    eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van een doelmatige
                    controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van dit soort regels zijn
                    regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene het bestuursorgaan dient
                    te informeren over neveninkomsten, sollicitaties en inschrijving bij het RBA,
                    alsmede met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene zich ziek dan wel
                    hersteld dient te melden. Onder deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld ook
                    regels worden gevat die de betrokkene voorschrijven om gedurende de
                    ziekteperiode tijdens de duur van de suppletie op bepaalde tijdstippen thuis te
                    zijn.</al><al>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                    wegens ziekte (T)</al><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                    december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld in de zin
                    van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat de duur van het
                    door de betreffende persoon genoten herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een
                    nog resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste
                    en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om het
                    herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te
                    converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt voor wat betreft hoogte,
                    duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het tweede lid opgenomen tabel
                    betreffende de hoogte en de duur, heeft genoemde ongelijksoortigheid er onder
                    andere toe geleid dat de tabel op drie plaatsen niet lineair verloopt. Daar
                    staat tegenover dat de pensioenopbouw gedurende de duur van de suppletie 100%
                    is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde voorwaarden
                    50% was.</al><al>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                    wegens ziekte (T)</al><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari 1996
                    de conversie dient plaats te vinden van de berekeningsgrondslag van de
                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte van degene die op dat moment 52 weken of
                    langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens mate van
                    algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste 15
                    procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriele
                    regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is vastgesteld op ten
                    minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de suppletieregeling is bepaald dat
                    voor degene die op 1 januari 1996 recht had op een dergelijke bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte, dat "geconverteerde" dagloon zal gelden als
                    berekeningsgrondslag voor de suppletie, in het geval dat hij binnen een periode
                    van zes maanden aanspraak krijgt op suppletie.</al><al>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen (T)</al><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg treden
                    indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door wijziging als
                    gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse
                    wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke
                    wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die
                    algemeen neerwaartse wijzigingen. Voor het geval dat overleg niet tot
                    overeenstemming heeft geleid binnen een periode van zes maanden na de datum van
                    publikatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die algemeen neerwaartse
                    wijzigingen, geldt het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse
                    wijzigingen effectief ten aanzien van de suppletieregeling vanaf de in het
                    Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet
                    eerder.</al><al>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen (T)</al><al>Lid 1</al><al>De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007 onder de
                    bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP. Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft
                    hij na ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007 recht op een
                    WW-uitkering en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk 10a.</al><al>Lid 2</al><al>De ambtenaar die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 wordt ontslagen wegens
                    arbeidsongeschiktheid en die voor 80% of meer arbeidsongeschikt is, heeft geen
                    recht op suppletie. Indien betrokkene wordt afgeschat, heeft hij dus niet alsnog
                    aanspraak op suppletie. Betrokkene valt onder de bovenwettelijke regeling op
                    grond van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</al><al>Artikel 12:1 Algemene bepalingen (T)</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de
                    organisaties van overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen
                    belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
                    regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd; een en ander voor
                    zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd. Bedoeld overleg
                    vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.) of via de hoorbepaling (zie
                    bijlage III).</al><al>Lid 1</al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O. niet
                    alleen bevoegd is voor alle ambtenaren maar evenzeer voor de mensen die werkzaam
                    zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Het al dan niet representatief zijn
                    is een beslissing die op lokaal niveau genomen wordt. Op deze wijze kan rekening
                    gehouden worden met lokale organisaties van ambtenaren.</al><al>Lid 4</al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het -in
                    afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling- mogelijk maakt om
                    de vertegenwoordigers van genoemde organisaties die op 1 juli 1998 zitting
                    hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te laten deelnemen.
                    Deze tijdelijke oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de
                    stemverhouding in de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                    vertegenwoordigde personeelsleden.</al><al>Artikel 12:1:2 Samenstelling (T)</al><al>Lid 2</al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele zin
                    zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de detachering langer duurt dan
                    bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor de hand het lidmaatschap op te geven Een
                    dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel kunnen worden
                    afgesproken.</al><al>Artikel 12:1:3 Samenstelling (T)</al><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als secretaris
                    aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is belast. Het valt af
                    te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die immers de voorzitter is
                    van het overleg met de ondernemingsraad. Het is beter om die rollen te scheiden.
                    De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde informeel
                    of technisch overleg, dat het georganiseerd overleg voorbereidt.</al><al>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden (T)</al><al>Lid 1</al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                    besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in aanmerking komen. Dit
                    spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van overleg op sectoraal (=LOGA-) niveau
                    en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op gemeentelijk niveau plaats te
                    vinden (de grootste vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie).
                    Voldoende is om het G.O. te informeren. In het geval een gemeente zich heeft
                    aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken hierover worden op LOGA-niveau
                    gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente die zich daarentegen niet
                    voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de onderwerpen in de UWO behoren tot het
                    "lokale domein": in de commissie G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats
                    te vinden. Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over
                    individuele kwesties wordt gesproken.</al><al>Lid 2</al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de "UWO-gemeenten"
                    opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het
                    overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de "niet-UWO-gemeenten"
                    dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te komen.</al><al>Lid 3</al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling zijn
                    in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen. Een "niet-UWO-gemeente" dient over
                    deze nadere regels in de commissie G.O. overleg te voeren. In de commissie G.O.
                    dient in dat geval tevens gesproken te worden over het al dan niet deelnemen aan
                    de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><al>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden (T)</al><al>Lid 2</al><al>De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang die
                    specifiek de rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen.
                    De griffier kan op grond van artikel 12:2:7, tweede lid, de vergadering bijwonen
                    en deelnemen aan de besprekingen.</al><al>Lid 3</al><al>Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen. Besluiten
                    moeten passen binnen het mandaat dat men heeft; dat geldt voor beide zijden
                    Wanneer het mandaat onvoldoende is om tot overeenstemming te komen, moeten
                    partijen terug naar hun achterban.</al><al>Artikel 12:2:5 Vergaderingen (T)</al><al>Lid 2 en 3</al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                    teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld hiervan
                    was dat tijdens de acties in 1993 de centrales het overleg in alle GO's
                    opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n geval in het geheel geen
                    besluiten meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering
                    niet ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging aanwezig is, kunnen
                    de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een standpunt voorzien worden
                    Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin besluitvorming plaatsvinden
                    Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en de
                    andere partij nadrukkelijk op de gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al><al>Artikel 12:2:7 Vergaderingen (T)</al><al>Lid 4</al><al>Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om de
                    raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter bespreking voorligt, met
                    name als dit raakt aan door de raad gestelde beleidsmatige of financiële
                    kaders.</al><al>Artikel 12:2:9 Vergaderingen (T)</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                    bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de vergadering. Voor
                    het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers zijn aangewezen is deze bepaling
                    noodzakelijk.</al><al>Lid 3</al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                    enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet in
                    de situatie waarin een organisatie meer leden in de gemeente heeft dan de andere
                    organisaties gezamenlijk.</al><al>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie (T)</al><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en arbitragecommissie
                    wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken, gehoord het
                    Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen. De andere helft
                    wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><al>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</al><al>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</al><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO)-uitkeringen wordt uitgebreid met de
                    eindejaarsuitkering. De invoering van de eindejaarsuitkering per 1 januari 1997
                    betekent dat deze uitkering per genoemde datum maandelijks wordt opgebouwd Deze
                    ingangsdatum van de eindejaarsuitkering brengt met zich dat, nu de
                    berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)- uitkeringen met deze uitkering
                    wordt uitgebreid, deze uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997
                    toegekende wachtgelden en (FLO)-uitkeringen.</al><al>14 Medezeggenschap</al><al>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers (T)</al><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de Ondernemingsraden
                    wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden
                    (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en commissieleden redelijkerwijs nodig
                    hebben voor hun medezeggenschapswerk. In het convenant spreken WOR-bestuurder en
                    OR af hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te
                    combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is.
                    Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden indien
                    noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de
                    organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is. Een andere mogelijkheid is
                    met gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het verruimen van de arbeidsduur van
                    individuele OR-leden tot maximaal 40 uur per week, als de bezetting van de
                    afdeling in relatie tot het werk dat nodig maakt.</al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het
                    (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in het
                    convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk om voor lange tijd
                    achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.</al><al>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers (T)</al><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                    verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een collectieve
                    arbeidsvoonvaardenregeling of een publiekrechtelijke regeling van
                    arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel 2 van de
                    WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor onderdelen van gemeenten, waar
                    met toepassing van artikel 4 van de WOR is besloten in het belang van een goede
                    toepassing van de WOR voor die onderdelen een eigen OR in te stellen.</al><al>15 Overige rechten en verplichtingen</al><al>Artikel 15:1 Verplichtingen (T)</al><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                    heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige betekenis. Overtreding
                    ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan geeft artikel 16:1:1, lid 2, de
                    definitie. De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van
                    het begrip "plichtsverzuim", zodat hier verwezen kan worden naar de toelichting
                    bij artikel 16:1:1.</al><al>Artikel 15:1a Verplichtingen (T)</al><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel gemeenten hebben
                    naar aanleiding van deze verplichting de bestaande ambtseed heringevoerd of een
                    nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of belofte of een
                    integriteitverklaring slechts één van de formaliteiten bij indiensttreding is,
                    zal deze niet het bedoelde effect van bewustwording van integriteitaspecten
                    hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan dient het moment de
                    nodige lading te krijgen: door de inhoud actief uit te spreken, door de
                    ceremonie erom heen, door de keuze van de persoon ten overstaan van wie de eed
                    wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en plaats.</al><al>Artikel 15:1a:0:1</al><al>In het licht van de integriteitdiscussie is de ambtseed per 1-11-2005 ingevoerd.
                    Bij het afleggen van de eed of belofte wordt de volgende tekst gehanteerd.</al><al>“Ik zweer/beloof als vertegenwoordiger van de gemeente Nijmegen: </al><lijst><li nr="§"><al>dat mijn gedrag een positieve bijdrage levert aan het aanzien van de
                            gemeente Nijmegen;</al></li><li nr="§"><al>dat ik geen geschenken of gunsten zal accepteren;</al></li><li nr="§"><al>dat ik vertrouwelijke informatie die ik in mijn werk krijg alleen voor
                            dat werk zal gebruiken;</al></li><li nr="§"><al>en dat ik zorgvuldig zal omgaan met gemeentelijke eigendommen”.</al></li></lijst><al>In de bekrachtiging mag de ambtenaar kiezen tussen de eed of de belofte. (Zo
                    waarlijk helpe mij God Almachtig/Dat beloof ik.)</al><al>Volgens uitspraak van de Raad van State (7-11-2000) wordt er voldoende ruimte
                    geboden aan diegene die vanwege een (andere) geloofsovertuiging de eed niet
                    willen afleggen. De belofte biedt volgens de rechterlijke uitspraak een
                    voldoende alternatief.</al><al>Artikel 15.1a.0.1 is imperatief. Dat wil dus zeggen dat de ambtenaar verplicht
                    is de eed of gelofte binnen de daarvoor gestelde termijn af te leggen. Om
                    problemen over de eedaflegging te voorkomen dient, als een ambtenaar nieuw in
                    dienst treedt bij de gemeente Nijmegen, in de aanstellingsbrief een zinsnede te
                    worden opgenomen waarin die verplichting duidelijk is weergegeven.</al><al>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten (T)</al><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><al>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden (T)</al><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><al>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden (T)</al><al>De term "nevenwerkzaamheden" dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                    verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur van
                    een vereniging of stichting, het zijn van commissaris, bestuurder, vennoot of
                    aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en
                    onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de
                    normale diensttijd worden verricht. Een gedane melding dient getoetst te worden
                    aan het tot de ambtenaar gerichte verbod, dat in het derde lid is geformuleerd.
                    De ambtenaar zal zich een oordeel moeten vormen over de vraag of door een
                    nevenwerkzaamheid de goede functievervulling of de goede functionering van de
                    openbare dienst, voorzover deze in verband staat met de functievervulling, niet
                    in redelijkheid is verzekerd. De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich
                    niet goed verdraagt met de ambtelijke functie, hoeft niet zonder meer te leiden
                    tot het opleggen van een verbod. Er kunnen ook zodanige nadere afspraken worden
                    gemaakt dat de mogelijkheid van belangenverstrengeling of anderszins zich niet
                    meer voordoet. Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp
                    geeft eenzelfde richting aan. De registratie van nevenwerkzaamheden kan op
                    verschillende wijzen worden ingericht. In elk geval dient de registratie te
                    voldoen aan de regels die gesteld zijn op grond van de Wet persoonsregistraties
                    en de op deze wet gebaseerde verordening, voorzover deze in de gemeente is
                    vastgesteld.</al><al>Lid 4</al><al>In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over de openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden verricht door topambtenaren. In artikel 15:1e, vierde lid,
                    zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een
                    gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel functionarissen in functies die daarmee
                    op één lijn staan maar in het gemeentelijk organisatiemodel een andere benaming
                    hebben). Lokaal dient bepaald te worden of er daarnaast nog sprake is van
                    ‘andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                    integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden
                    noodzakelijk is’. Gedacht kan worden aan de functies waaraan het
                    plaatsvervangend directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen in aanmerking
                    komen de stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een
                    projectorganisatie, concern- of dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van
                    de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><lijst><li nr="§"><al>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de ambtenaar);</al></li><li nr="§"><al>de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het een
                            nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                            verband staan met de functievervulling, kunnen raken;</al></li><li nr="§"><al>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt vervuld;</al></li><li nr="§"><al>de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan de
                            uitoefening van de nevenfunctie.</al></li></lijst><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke datum
                    de nevenwerkzaamheid wordt verricht. De openbaarmaking kan geschieden door ter
                    inzage legging van de gegevens op het gemeentehuis zoals dat is voorgeschreven
                    voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke ambtsdragers.</al><al>Artikel 15:1e:0:2</al><al>Indien het lidmaatschap van een beroepsvereniging een bepaalde meerwaarde heeft
                    -zulks ter beoordeling van de directeur- is het redelijk dat dan een vergoeding
                    aan de medewerker wordt verstrekt. Het verdient de voorkeur allereerst te bezien
                    of het lidmaatschap in dergelijke gevallen niet door de directie kan worden
                    aangegaan. Als dat niet aan de orde is, kan de medewerker zelf lid worden en kan
                    door de directeur worden besloten dat aan de medewerker de betreffende kosten
                    worden vergoed.</al><al>Artikel 15:1f Melding financiële belangen (T)</al><al>Lid 1</al><al>In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over het melden van financiële
                    belangen door ambtenaren die een functie uitoefenen waarin risico bestaat op
                    financiële belangenverstrengeling. Het begrip financieel belang is zeer divers.
                    Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed,
                    bouwgrond alsook om financiële deelneming in ondernemingen. Het college dient
                    ambtenaren aan te wijzen die zijn aangesteld in een functie (dan wel feitelijke
                    werkzaamheden verrichten) waaraan een bijzonder risico op financiële
                    belangenverstrengeling is verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht
                    worden aan ambtenaren die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking,
                    sponsoring, verstrekking van leningen, verstrekking van garanties, inkoop en
                    aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en adviesopdrachten.
                    Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in de verleiding kunnen komen zich
                    bij het nemen van functionele beslissingen te laten leiden door niet-functionele
                    belangen zoals een persoonlijk financieel belang. Of er inderdaad sprake is van
                    een bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden
                    van de ambtenaar en dient lokaal bepaald te worden. Ook ambtenaren die uit
                    hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke werkzaamheden) beschikken of
                    kunnen beschikken over koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd
                    moeten krijgen. Zij hebben immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te
                    gebruiken of lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                    inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks bijzondere risico’s
                    zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk gebruik van koersgevoelige
                    informatie.</al><al>Lid 2 en lid 3</al><al>Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                    regels kunnen betrekking hebben op de volgende elementen.</al><lijst><li nr="§"><al>Het gebruik van een formulier voor de melding.</al></li><li nr="§"><al>De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden.</al></li><li nr="§"><al>De wijze van registratie in verband met de bescherming van de
                            persoonlijke levenssfeer.</al></li><li nr="§"><al>De wijze waarop de actualiteit van de registratie gewaarborgd
                            wordt.</al></li><li nr="§"><al>De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere gegevens over
                            het financiële belang of het bezit van (of de transactie in)
                            effecten.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt dat
                    het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de gemelde
                    belangen en bezittingen een risico opleveren in de werkzaamheden van de
                    ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te verschaffen die voor deze
                    beoordeling nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden
                    hoe dit risico voorkomen of verkleind kan worden.</al><al>Lid 4</al><al>Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                    voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt dat hij in zijn
                    functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke financiële belangen. Dat
                    vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en is nu uitdrukkelijk
                    bepaald in artikel 15:1f, vierde lid. De vraag of een financieel belang
                    toelaatbaar is kan niet eenduidig beantwoord worden. Bezien moet worden of het
                    concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij het
                    uitoefenen door de ambtenaar van zijn bevoegdheden en werkzaamheden. Wordt het
                    financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht dan zal de werkgever
                    op basis van de verbodsbepaling maatregelen moeten nemen om een risico op
                    financiële belangenverstrengeling of misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient
                    eerst naar de minst ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden
                    aan aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie. Is een
                    dergelijke oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel
                    belang af te stoten.</al><al>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</al><al>Lid 3</al><al>Op grond van dit artikellid valt een ambenaar die op grond van artikel 15:1:11,
                    tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s voor wat betreft die werkzaamheden onder leiding en toezicht
                    van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                    plaatsvindt. Daartoe zijn dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig.
                    Het college van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft de formele
                    werkgever van desbetreffende ambenaar en de rechtspositie van die gemeente
                    blijft, ook voor onderhavige werkzaamheden in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s, van toepassing.</al><al>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade (T)</al><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                    schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen Bij elk schadegeval zal daarover
                    door het college een beslissing moeten worden genomen, met name over de vraag of
                    de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard is dat zij geheel op hem
                    kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden
                    volstaan. Overigens moet men natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit
                    artikel grijpen. In elke organisatie komen "bedrijfsongevalletjes" voor die
                    inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand toe te
                    rekenen, maar de woorden "schuld" en "nalatigheid" wijzen er toch wel op dat het
                    moet gaan om zaken waarover men de ambtenaar echt een verwijt kan maken.</al><al>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</al><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of uitgeeft,
                    bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële waarden beheert. Het
                    betreft hier dus niet alleen degenen die ontvangersfuncties bekleden op grond
                    van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat
                    de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden
                    verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen
                    ambtenaren.</al><al>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar (T)</al><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                    instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel 27,
                    eerste lid, onderdeel g van de Wet op de ondernemingsraden.</al><al>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding (T)</al><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een collegebesluit
                    worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet geoorloofd is voor ambtenaren
                    die baliewerkzaamheden verrichten of anderszins regelmatig in contact treden met
                    burgers, in een korte broek op de werkplek te verschijnen.</al><al>Artikel 15:1:17 Standplaats (T)</al><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats te
                    wonen, dient rekening gehouden te worden met het vierde Protocol bij het
                    Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
                    vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is immers het volgende
                    individuele grondrecht van elke burger - dus ook van die burger die in een
                    arbeidsrelatie tot de overheid staat - geformuleerd: "een ieder die zich wettig
                    op het grondgebied van een (verdragsluitende) staat bevindt, heeft het recht
                    zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid plaats van verblijf te kiezen"
                    Op dit grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid van hetzelfde Protocol
                    slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de daarin op te leggen
                    beperkingen "in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's
                    lands veiligheid of de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde,
                    ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of
                    ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen". De beperking op het
                    individuele grondrecht is neergelegd in artikel 15:1:17. Een relevante uitspraak
                    in dit verband is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 1990
                    (TAR 1990, nr 139). In deze zaak is geoordeeld dat de relevante
                    verdragsartikelen verdragspartijen niet verbieden aan de vervulling van een
                    ambtelijke functie te verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van zijn
                    werkplek dient te wonen, op voorwaarde dat die begrenzing van de woonomgeving in
                    een functionele relatie tot die functie staat. Aan die voorwaarde is volgens de
                    Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit woongebied zodanig zijn
                    vastgesteld dat in redelijkheid kan worden gezegd dat, wanneer de ambtenaar
                    buiten dat gebied gaat wonen, de goede vervulling van zijn functie te zeer in
                    het gedrang komt. Dit laatste kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de
                    reistijden excessief lang zijn of wanneer de ambtenaar in verband met de aard
                    van zijn functie niet snel genoeg op zijn werkplek aanwezig kan zijn. Hierbij
                    valt te denken aan bijvoorbeeld de brandweercommandant, het hoofd interne zaken
                    of de gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten die zich in een gemeente
                    kunnen voordoen speelt hierbij een rol.</al><al>Artikel 15:1:17:1</al><al>Vooralsnog is het de bedoeling dat de verplichting alleen geldt voor nieuw te
                    benoemen medewerkers. De huidige Officieren van Dienst blijven dus vrijgesteld
                    van deze verplichting. Of deze vrijstelling moet worden ingetrokken als de norm
                    uit de leidraad een wettelijke status (AMvB) krijgt, zal op dat moment worden
                    bezien.</al><al>Deze vrijstelling voor de zittende officieren kent wel een uitzondering: een
                    Officier die verhuist en daarbij niet binnen het aangewezen gebied gaat wonen,
                    mag niet langer deelnemen aan de piketregeling Districtsofficieren van Dienst
                    (DOVD). </al><al><onderstreept>Aanvulling:</onderstreept> Het nieuwe besluit van 29-03-2012 geldt
                    voor alle medewerkers die na 30 maart 2010 in dienst zijn gekomen en komen. </al><al>Artikel 15:1:18 Dienstwoning (T)</al><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                    goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in een
                    bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt aan portiers of
                    conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan de verplichting met
                    zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld
                    zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het
                    gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt ook wel
                    "dienstwoning" genoemd, maar is in feite een normale huurwoning. Einde van het
                    dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de huurovereenkomst In
                    die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><al>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade (T)</al><al>Lid 1</al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de vervulling
                    van zijn functie. Deze beperking betekent niet dat alleen schade die het directe
                    gevolg is van het werk dat de ambtenaar verricht, vergoed wordt. Er moet een
                    zodanig verband met de functie zijn dat de schade zich niet zou hebben
                    voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan het
                    werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag
                    rekening worden gehouden met normale slijtage Voorkomen moet worden dat de
                    ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet, wat het geval zou zijn wanneer als
                    schadevergoeding de nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het goed
                    deze waarden niet meer had op het moment van de schade. In het algemeen zal geen
                    schade vergoed hoeven worden bij diefstal van een fiets uit een fietsenstalling
                    of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat deze goederen doorgaans niet
                    nodig zijn voor de uitoefening van de functie.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade aan
                    een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens een dienstreis. Deze
                    bepaling is opgenomen als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het College voor Arbeidszaken
                    van 27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                    geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient te worden. Dit kan
                    de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het verlies aan no-claimkorting. Er is
                    bewust voor gekozen af te zien van de verplichting voor de ambtenaar een
                    all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in alle gevallen in
                    redelijkheid kan worden opgelegd.</al><al>Artikel 15:1:24 Gebruik van motorrijtuig (T)</al><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                    toestemming van het college ter voorkoming van een ongelimiteerd gebruik.
                    Wanneer toestemming is verleend, mag de ambtenaar verwachten dat de gemaakte
                    kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen auto worden vergoed. De
                    juridische basis hiervoor is gelegen in artikel 15:1:22. Als voorwaarde
                    verbonden aan de toestemming de eigen auto te gebruiken ten behoeve van
                    dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten van een allriskverzekering worden
                    verbonden.</al><al>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling (T)</al><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen. Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding van kosten.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente.</al><al>Artikel 15:1:30 Borstvoeding (T)</al><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen waar
                    de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze voorziening kan in de
                    plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar kind zelf te
                    voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke rol.</al><al>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg (T)</al><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de zin
                    van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                    (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                    Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                    vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het gaat
                    daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2 buitengewoon
                    verlof kunnen genieten. De zorgplicht is te vergelijken met die voor de
                    ondernemingsraadsleden, opgenomen in artikel 21, eerste lid van de Wet op de
                    ondernemingsraden. Omdat zij door de uitoefening van hun taak kwetsbaarder zijn
                    dan andere werknemers, is deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO opgenomen.
                    Daardoor wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk in de onderneming kunnen
                    optreden zolang zij door hun vakorganisatie daarvoor een aanwijzing hebben
                    gekregen. Het gaat daarbij om benadeling in promotiekansen, verslechtering van
                    werkomstandigheden, gedwongen overplaatsing, schorsing vanwege
                    vakbondsactiviteiten en het niet verlengen van een
                    aanstelling/arbeidsovereenkomst De feitelijke handelwijze van de gemeente moet
                    gelijk zijn aan het handelen wanneer betrokkene de vakbondsactiviteiten niet zou
                    vervullen. De werknemer die zich desondanks benadeeld voelt, kan zich wenden tot
                    de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank (aanstelling) of de
                    kantonrechter (arbeidsovereenkomst).</al><al>Artikel 15:2 Klokkenluiders (T)</al><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de vaststelling
                    van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De raad kan het college
                    ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid ter zake van de
                    meldingen.</al><al>16 Disciplinaire straffen</al><al>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim (T)</al><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen. Deze
                    zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt met zich dat het
                    bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan alvorens een straf op te
                    leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen worden dat zij in
                    rechte kunnen worden aangetoond Daarbij moeten bepaalde gedragingen van
                    betrokkene als verwijtbaar worden aangemerkt. Het aspect van de verwijtbaarheid
                    speelt nogal eens een rol wanneer een bestuursorgaan tot strafontslag wil
                    overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het
                    spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het hierbij om een zwaar
                    dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen van een dergelijke
                    sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het strafontslag ongedaan wordt
                    gemaakt op grond van het feit dat de gedragingen de betrokkene niet kunnen
                    worden verweten. In dit verband speelt artikel 15:1:1 een rol; dit artikel
                    bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is zich te gedragen als een goed
                    ambtenaar betaamt.</al><al>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen (T)</al><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                    straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een strafontslag. In
                    dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1, dat gaat over de
                    schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient te worden opgemerkt
                    dat het niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een bedrag
                    overeenkomend met het salaris over een halve maand - slechts eenmaal kan worden
                    opgelegd. Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen De op te
                    leggen straf dient in overeenstemming te zijn met het plichtsverzuim. Het
                    besluit een straf toe te passen, zoals genoemd in artikel 16:1:2, eerste lid, is
                    een besluit ingevolge de Awb. Het derde lid biedt de mogelijkheid om een
                    voorwaardelijke straf op te leggen. De voorwaarden dienen redelijk te zijn; er
                    dient rekening te worden gehouden met de belangen van de organisatie en die van
                    de ambtenaar Ook de termijn waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient
                    redelijk te zijn. Wanneer een ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd heeft
                    gefraudeerd met het tijdsregistratiesysteem, kan worden afgesproken dat
                    betrokkene strafontslag wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na een
                    afgesproken tijdstip zich wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan
                    een voorwaarde is voldaan, wordt de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk
                    uitvoeringsbesluit is een besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat de
                    betreffende ambtenaar vooraf gehoord dient te worden.</al><al>Artikel 16:1:3 Verantwoording (T)</al><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                    strafoplegging de ambtenaar schriftelijk meegedeeld- Betrokkene dient allereerst
                    te worden gehoord om zijn zienswijze kenbaar te kunnen maken. Het gaat hier
                    immers om een besluit waar de ambtenaar niet om gevraagd heeft en waar hij naar
                    verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking zal steunen op
                    gegevens of feiten die de ambtenaar betreffen en die hij niet zelf heeft
                    verstrekt. Artikel 16:1:3 kan begrepen worden als een uitwerking van de
                    hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8). Dit horen kan pas plaatsvinden na
                    een afkoelingsperiode van zes dagen en kan niet later gebeuren dan na 12 dagen
                    na ontvangst van de schriftelijke mededeling waarin het voornemen tot het
                    opleggen van een disciplinarie straf wordt aangekondigd.</al><al>17 Opleiding en ontwikkeling</al><al>Hoofdstuk 17</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>18 Verplaatsingskosten</al><al>Artikel 6 Vergoeding reiskosten in afwachting van verhuizing</al><al>Zie memo aan Wethouder P&amp;O 18 januari 2001. Op grond van dit memo kan in
                    individuele gevallen in afwachting van de verhuizing een vergoeding in de
                    reiskosten worden verleend onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>de vergoeding kent een maximum en wel de kosten van de goedkoopste wijze
                            van openbaar vervoer;</al></li><li nr="2."><al>betaling geschiedt slechts via bureau SPIN van het Administratiecentrum,
                            teneinde fiscale spelregels te bewaken;</al></li><li nr="3."><al>toekenning geschiedt vooralsnog vanaf datum indiensttreding tot het
                            moment van verhuizing, evenwel voor maximaal één jaar;</al></li><li nr="4."><al>verlenging met nog één jaar is mogelijk indien de medewerker op dat
                            moment verklaart nog steeds de intentie te hebben te verhuizen naar
                            Nijmegen of directe omgeving;</al></li><li nr="5."><al>de medewerker verklaart schriftelijk dat hij –indien alsnog van
                            verhuizing wordt afgezien- de aan hem betaalbaar gestelde vergoeding zal
                            terugbetalen aan de gemeente.</al></li></lijst><al>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer</al><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer (T)</al><al>Vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer zijn ambtenaren. Daarom moet het
                    college op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een rechtspositieregeling
                    voor hen vaststellen. De rechtspositie van de vrijwilligers bij de brandweer
                    wordt in dit hoofdstuk geregeld. De overige hoofdstukken van de CAR-UWO zijn
                    niet van toepassing.</al><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties (T)</al><al>In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegd gezag van een
                    gemeente voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de daarvoor in
                    aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt
                    gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling.</al><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst (T)</al><al>Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden. Een
                    tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te beoordelen of
                    de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de brandweerdienst. Een
                    aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als de vrijwilliger nog in
                    opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt altijd aangegaan voor een van te
                    voren omschreven periode. Deze periode wordt vermeld in de aanstelling. Een
                    eerste tijdelijke aanstelling kan verleend worden voor ten hoogste twee jaren.
                    Uitgangspunt is dat in die periode bekeken wordt of de vrijwilliger in
                    aanmerking kan komen voor een vaste aanstelling, is dat niet het geval dan
                    eindigt het dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke aanstelling kan er
                    ook nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de vrijwilliger;
                    bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest. Daarom is het
                    mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke aanstelling te
                    verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke proefaanstelling is drie jaar
                    en er kunnen maximaal twee tijdelijke aanstellingen verleend worden.</al><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling (T)</al><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de vrijwilliger. Een
                    belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens een geneeskundig
                    onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen werkzaamheden naar behoren
                    te verrichten. Dit betekent dat een vrijwilliger voordat hij aangesteld kan
                    worden een keuring moet ondergaan. Daarna wordt de vrijwilliger periodiek
                    gekeurd.</al><al>Artikel 19:9 Bevordering (T)</al><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de verschillende
                    rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen plaatsvinden indien de
                    vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft behaald. Het is overigens niet
                    zo dat het behalen van een diploma recht geeft op bevordering; hierover beslist
                    het college. Dit artikel beoogt niet in te grijpen in lokale aanstellings- en
                    bevorderingsbesluiten.</al><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever (T)</al><al>De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als vrijwilliger goed
                    inzetbaar te zijn is het van belang dat de hoofdwerkgever medewerking hieraan
                    verleent. Het kan immers voorkomen dat een vrijwilliger onder werktijd
                    werkzaamheden voor de brandweer moet verrichten. Ook dienen zowel de gemeente
                    als de hoofdwerkgever bij het vaststellen van de werktijden rekening te houden
                    met de Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de brandweer worden namelijk
                    meegeteld als arbeidstijd in het kader van de Arbeidstijdenwet. De vrijwilliger
                    moet de gemeente informatie geven over zijn hoofdwerkgever die er, onder meer,
                    toe strekt dat de gemeente in contact kan komen met de hoofdwerkgever. De
                    vrijwilliger heeft daarnaast de plicht om zijn hoofdwerkgever te informeren over
                    een aantal praktische zaken die bij het vrijwilligerschap horen.</al><al>Artikel 19:13 Vergoeding (T)</al><al>Voor een zeer beperkte groep vrijwilligers geldt een aangepaste
                    vergoedingentabel. De aangepaste tabel geldt voor de zeer beperkte categorie
                    vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de
                    zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die
                    vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                    brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de
                    Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                    punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten
                    van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                    overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december
                    1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde
                    dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu
                    nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen
                    opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per
                    definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze aparte vergoedingentabel niet van
                    belang, maar geldt de reguliere vergoedingentabel.</al><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden
                    (T)</al><al>In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt uiteen in
                    een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit. De hoogte van de
                    vergoeding verschilt per functie en per activiteit. De onkostenvergoeding is
                    bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de vrijwilligers.</al><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
                    (T) </al><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                    vrijwilligers. </al><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid (T)</al><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten die een
                    groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of waarvoor de
                    vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking. Als voorbeeld kan
                    dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland; dit neemt vaak meerdere
                    dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft op de langdurigheidstoeslag
                    komt deze in de plaats van de vergoeding uit kolom twee, de vergoeding voor
                    oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden. De vrijwilliger ontvangt een
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid wanneer hij vijf uur of langer ingezet
                    wordt. De vergoeding geldt voor alle uren van de inzet; duurt de inzet
                    bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt de vrijwilliger over alle zes uren de
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt alleen verstrekt
                    over die uren waarin daadwerkelijk geoefend wordt of een cursus gevolgd wordt;
                    de reistijd bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de berekening van de vijf uren
                    en over deze tijd wordt ook geen vergoeding verstrekt. De vergoeding voor
                    langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als vergoeding voor
                    kazerneringsdiensten. Wanneer een gemeente werkt met kazerneringsdiensten voor
                    vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van artikel 19:19 lokaal een
                    vergoedingsregeling vastgesteld worden.</al><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding (T)</al><al>Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich buiten de
                    kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden.</al><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst (T)</al><al>LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers bij de
                    brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht zal worden naar
                    de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet van
                    brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek
                    treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg over de rechtspositie van de
                    vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een regeling te treffen over vergoeding
                    van kazerneringsdiensten is daardoor van tijdelijke aard.</al><al>Artikel 19:22 Gratificatie (T)</al><al>Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal een
                    regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking hebben op
                    vrijwilligers bij de brandweer. De lokale regeling over gratificaties en andere
                    vormen van flexibele beloning is niet van toepassing op de vrijwilligers.</al><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen (T)</al><al>Artikel 4a:3 van de CAR-UWO maakt het mogelijk om een lokale regeling te treffen
                    met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een gemeente een dergelijke
                    regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik van maken. Of de
                    vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet hangt van individuele
                    factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de eisen die de fiscus stelt aan
                    gebruikmaking van de regeling. Het openstellen van deze regelingen voor
                    vrijwilligers betekent dus niet automatisch dat de vrijwilliger hier ook gebruik
                    van kan maken. De voorwaarden die in de lokale regeling gesteld zijn ten aanzien
                    van deelname zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwilliger. Biedt de
                    lokale regeling ook andere aanspraken dan alleen de mogelijkheid van
                    gebruikmaking van fiscaal gunstige voorzieningen, dan zijn deze andere
                    aanspraken niet van toepassing op de vrijwilliger. Dit artikel voorziet enkel in
                    de mogelijkheid om de vrijwilliger de mogelijkheid te geven om binnen de fiscale
                    randvoorwaarden gebruik te maken van fiscaal gunstige regelingen.</al><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering (T)</al><al>Het college is verplicht om een ongevallenverzekering voor de vrijwilliger af te
                    sluiten. Deze verzekering voorziet in een financiële uitkering wanneer de
                    vrijwilliger overlijdt of tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt raakt als
                    gevolg van een ongeval tijdens de brandweerdienst. Een goede
                    informatievoorziening over de inhoud van de verzekering is van groot belang;
                    daarom heeft de werkgever de plicht om de vrijwilliger bij indiensttreding te
                    informeren en relevante wijzigingen te melden.</al><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten (T)</al><al>De medische kosten van een vrijwilliger zullen grotendeels vergoed worden door
                    de zorgverzekeraar. Een deel van de kosten kan echter voor rekening blijven van
                    de vrijwilliger; de ongevallen verzekering biedt hiervoor een voorziening.</al><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers (T)</al><al>De gevolgen van een dienstongeval zijn voor vrijwilligers die zelfstandig
                    ondernemer zijn vaak groter dan voor vrijwilligers in loondienst. De
                    vrijwilliger in loondienst heeft vanuit zijn hoofdbetrekking immers recht op
                    loondoorbetaling gedurende twee jaar. Voor de zelfstandig ondernemer is dit
                    afhankelijk van de verzekering die hij zelf tegen arbeidsongeschiktheid heeft
                    afgesloten. Om die reden geven LOGA-partijen gemeenten het advies om een
                    aanvullende verzekering af te sluiten. Deze aanvullende verzekering is echter
                    niet verplicht.</al><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting (T)</al><al>Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt dit in
                    onder voorwaarden vergoed door het college. Dit artikel beperkt zich tot de
                    schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig waarmee de
                    vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de
                    vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft van het college om bij een
                    dienstreis gebruik te maken van de eigen auto. Bij het bepalen van de hoogte van
                    de schadevergoeding mag de werkgever rekening houden met normale slijtage. Het
                    is niet de bedoeling dat de medewerker een onrechtvaardig voordeel geniet door
                    standaard de schade te vergoeden op basis van de nieuwwaarde van een goed.</al><al>Artikel 19:29 Zwangerschap (T)</al><al>De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw veilig en
                    gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn regels vastgelegd in
                    wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. De eisen die
                    aan de werkgever gesteld worden, in combinatie met de aard van het brandweerwerk
                    zijn van dien aard dat ervoor gekozen is om zwangere vrouwen en vrouwen die
                    borstvoeding geven uit de repressieve brandweerdienst te halen. Dit geldt ook
                    voor vrouwen die korter dan zes maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan
                    brandweeroefeningen is alleen toegestaan nadat voorafgaand overleg is geweest
                    met de bedrijfsarts en toestemming verleend is. Om deze regeling goed uit te
                    kunnen voeren is het belangrijk dat een vrouwelijke vrijwilliger in een zo vroeg
                    mogelijk stadium haar zwangerschap meldt.</al><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger (T)</al><al>De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel korpsen
                    werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met consignatie- of
                    kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle gevallen is het van belang dat
                    de vrijwilliger voldoende beschikbaar is voor de brandweerdienst en dat de
                    korpsleiding ervan op de hoogte is wie wel en wie niet beschikbaar is.</al><al>Artikel 19:31 Verplichtingen (T)</al><al>Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft op grond
                    van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een disciplinaire maatregel op
                    te leggen wegens plichtsverzuim.</al><al>Artikel 19:32 Eed of belofte (T)</al><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is een van de
                    middelen om bewuster om te gaan met integriteit.</al><al>Artikel 19:33 Verboden (T)</al><al>Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden tot een
                    disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de gemeente kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een brandweervoertuig voor een
                    privéverhuizing.</al><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig (T)</al><al>Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer het
                    college daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger zonder
                    toestemming van het college toch de eigen auto gebruikt dan zal ingeval van
                    eventuele schade het college niet gehouden zijn tot vergoeding daarvan. Het al
                    dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de aansprakelijkheid
                    van het college jegens derden ex artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek. Dit
                    artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die aan een derde
                    wordt toegebracht door één van de werknemers.</al><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift (T)</al><al>Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de
                    beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen zijn
                    te vinden in de Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen
                    rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze regeling is Artikel 65, eerste lid,
                    Algemeen Rijksambtenarenreglement. Hierin staat dat de ambtenaar verplicht is de
                    dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze
                    Minister is voorgeschreven.</al><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen (T)</al><al>Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel de
                    vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de variabele
                    vergoeding.</al><al>19a Keuringen brandweerpersoneel</al><al>Algemeen (T)</al><al>In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische keuring
                    voor repressief brandweerpersoneel geregeld.</al><al>Artikel 19a:1 Algemeen (T)</al><al>Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de medische
                    geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan brengen voor de
                    medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij zijn werkzaamheden, wordt
                    de medewerker in repressieve dienst onderworpen aan een aanstellingskeuring en
                    een periodiek medische keuring. De keuringen zijn verplicht voor medewerkers
                    (beroeps en vrijwilligers) in een functie van manschap a en b of bevelvoerder
                    zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Het college heeft de
                    mogelijkheid andere functies aan te wijzen waarvoor de aanstellingskeuring en
                    periodieke medische keuring wordt verplicht. Uitgangspunt hierbij moet wel zijn
                    dat het uitoefenen van de functie belastend is voor de gezondheid van de
                    medewerker, danwel risico’s voor derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet
                    op de medische keuringen in acht te worden genomen.</al><al>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring (T)</al><al>Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in een functie van manschap A en
                    B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de functies binnen de brandweer
                    waarbij aan medewerkers bijzondere eisen aan de medische geschiktheid worden
                    gesteld. Dit geldt zowel voor beroepspersoneel als voor vrijwilligers. Lokaal
                    kan worden vastgesteld bij welke andere functies ook gekeurd moet worden.</al><al>Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische keuringen. Deze
                    staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de vervulling van de functie,
                    waarop de aanstelling betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de
                    medische geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor de
                    functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid van degene
                    die gekeurd wordt en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende
                    arbeid.</al><al>De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage VIIa van de CAR.
                    Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het Coronel instituut
                    ontwikkeld.</al><al>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (T)</al><al>Lid 1</al><al>Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de brandweermedewerker
                    en vanwege de bescherming van de gezondheid en veiligheid van derden bij de
                    uitvoering van de arbeid is het noodzakelijk om de medische geschiktheid van de
                    medewerker ook na aanstelling te blijven toetsen. Daarom zijn regels gesteld
                    over het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt een
                    oordeel over de medische geschiktheid van de medewerker voor de uitoefening van
                    zijn functie. Het PPMO geeft daarnaast een prognose over de belastbaarheid van
                    de medewerker in de nabije toekomst. Het LOGA heeft een model gemaakt over het
                    rechtspositioneel kader bij de keuringen. Hierin staan de rechten en plichten
                    van de werkgever en de medewerker bij de keuring. Dit model is onder meer te
                    vinden op vng.nl.</al><al>Lid 2</al><al>De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in samenwerking
                    met de sociale partners en mensen uit de brandweerbranche. Het PPMO geeft
                    inzicht in de ontwikkeling van de belastbaarheid. Met de keuring is beoogd in te
                    schatten of de medewerker voldoet aan de bijzondere eisen aan medische
                    geschiktheid die de functie vereist. Dit ter bescherming van de gezondheid van
                    de medewerker en ter bescherming van derden die betrokken zijn bij het werk van
                    de medewerkers. Als uit het PPMO blijkt dat de medewerker nu of op termijn zijn
                    werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan ondernemen de werkgever en de
                    medewerker gezamenlijk actie. Doel hierbij is de medewerker klaar te stomen voor
                    een andere functie. Het LOGA zal in overleg met de NVBR een handreiking maken
                    over hoe omgegaan kan worden met keuringresultaten en welke stappen er genomen
                    kunnen worden. Naar verwachting is deze handreiking in het voorjaar van 2011
                    gereed.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de medewerker. Bij
                    indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als nulmeting. Vervolgens wordt iedere
                    medewerker die jonger is dan 40 jaar eenmaal per 4 jaar getest. Medewerkers
                    tussen de 40 en 50 jaar, eens per twee jaar en medewerkers ouder dan 50 worden
                    ieder jaar getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het oude besluit
                    brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude medische testen.</al><al>Lid 6</al><al>Oefenen is ook onderdeel van de taken van een medewerker. Bij de beoordeling van
                    welke taken de medewerker wordt vrijgesteld moet dus ook worden vastgesteld in
                    hoeverre de medewerker nog kan meedoen aan de oefening.</al><al>Artikel 19a:4 Fysieke test (T)</al><al>De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen aan de
                    fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke conditie daarom
                    getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan hiervoor gebruikt
                    worden.</al><al>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een instelling voor
                    kunsteducatie</al><al>Hoofdstuk 19b</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>20 Vergoeding piketdiensten beroepsbrandweer</al><al>Hoofdstuk 20 Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve samenlevingsvormen</al><al>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)</al><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                    levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt
                    onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk wordt gesteld
                    aan een echtgeno(o)t(e). Het gaat daarbij om:</al><lijst><li nr="§"><al>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen
                            met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>aanspraken op salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                                    militaire dienst;</al></li><li nr="b."><al>het verlof met behoud van salarisbetaling wegens persoonlijke of
                                    familieomstandigheden;</al></li><li nr="c."><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                                    toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid
                                    wordt aangemerkt;</al></li></lijst></li><li nr="§"><al>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de wachtgelder;</al></li><li nr="§"><al>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b."><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst></li><li nr="§"><al>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de
                            reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;</al></li><li nr="§"><al>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de gewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof regelt
                    bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van buitengewoon
                    verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.</al><al>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</al><al>Hoofdstuk 22 Geen Toelichting (T)</al><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><al>Bijlagen</al><al>Artikel 99 Bijlage IV (T)</al><al><vet>Artikel 1, sub a</vet> Onder docent wordt verstaan de beroepskracht die
                    cursussen en/of lessen geeft in de disciplines muziek, beeldende vorming, drama,
                    dans, audiovisuele vorming en taal. Als een beroepskracht behalve docent ook als
                    consulent aan een instelling voor kunstzinnige vorming is verbonden, verdient
                    het de voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al><vet>Artikel 1, sub b</vet> Onder consulent wordt verstaan de beroepskracht die
                    een steunfunctie uitoefent op het gebied van muzikale, dansante, beeldende,
                    dramatische of audio-visuele vorming. In artikel 1 sub f staat het begrip
                    steunfunctie gedefinieerd. Als een beroepskracht behalve als consulent ook als
                    docent aan een instelling voor Kunstzinnige Vorming is verbonden, verdient het
                    de voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al><vet>Artikel 3</vet> De algemene werkzaamheden omvatten onder andere: </al><lijst><li nr="1."><al> het bijwonen van docentenvergaderingen, sectievergaderingen of daarmee
                            vergelijkbare bijeenkomsten;</al></li><li nr="2."><al> het onderhouden van contacten met de directie ten behoeve van de
                            lessen/cursussen; </al></li><li nr="3."><al> het onderhouden van contacten met andere medewerkers ten behoeve van de
                            vereiste samenhang in de activiteiten van de instelling; </al></li><li nr="4."><al> het onderhouden van contacten met de (ouders van) leerlingen/cursisten
                            voor zover deze verband houden met de activiteiten van de instelling;
                        </al></li><li nr="5."><al> het ontwikkelen en verzorgen van materiaal ten behoeve van de
                            (voorbereiding van) de lessen/cursussen, </al></li><li nr="6."><al> het volgen van ontwikkelingen binnen het vakgebied en het deelnemen aan
                            her-, na-, of bijscholingscursussen/projecten in overleg met de
                            werkgever. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4</vet> Met ingang van het cursusjaar 1995/1996 is de arbeidsduur
                    voor de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel gelijkgesteld met de
                    arbeidsduur voor de ambtenaar behorend tot het niet onderwijzend personeel. De
                    arbeidsduur bij een volledig dienstverband bedraagt met ingang van 1 januari
                    1997 ten hoogste 1836 uren per jaar, waarbij de formele arbeidsduur per week 36
                    uren bedraagt. De verhouding lesgebonden - niet lesgebonden uren bedraagt
                    maximaal 26 lesgebonden uren en voor de overige uren niet lesgebonden uren. Deze
                    verhouding komt overeen met de situatie van voor het cursusjaar 1995/1996
                    waarbij werd uitgegaan van een normaanstelling van 26 klokuren les. </al><al><vet>Artikel 6</vet> Aan de functie van docent/consulent/balletbegeleider is
                    inherent dat de omvang van de functie kan fluctueren. Immers het
                    leerlingenaantal fluctueert, projecten kunnen aflopen, de vervanging van een
                    collega kan eindigen etc. Daarom wordt jaarlijks uiterlijk in de 10e week van
                    het schooljaar schriftelijk aan de ambtenaar meegedeeld met welk gemiddeld
                    aantal uren hij gedurende dat schooljaar wordt belast Gedurende de rest van dat
                    schooljaar is (het inkomen behorend bij) dat aantal uren gegarandeerd. Indien
                    het aantal uren minder is dan het vorig schooljaar heeft de ambtenaar in elk
                    geval minstens recht op het volgens het reglement garantie gegarandeerde
                    salaris. Indien het aantal te verdelen lessen terugloopt moet een bepaalde
                    volgorde worden gehanteerd waarin de docenten voor urenvermindering in
                    aanmerking komen. Er moet een afvloeiingsreglement worden opgesteld in de
                    volgorde zoals in artikel 12 van deze regeling weergegeven. Een
                    modelafvloeiingsregeling wordt aan de gemeenten toegezonden. De term
                    afvloeiingsregeling dekt de lading niet helemaal. Een afvloeiingsregeling is
                    eigenlijk een urenvermindering- en afvloeiingsregeling. </al><al><vet>Artikel 7</vet> Dit artikel moet worden gezien in relatie met artikel 3. De
                    taken genoemd in (de toelichting van) artikel 3 horen bij de lesgevende taken.
                    Voor deze taken hoeven dus geen taakuren te worden toegekend. </al><al><vet>Artikel 8 lid 1</vet> De ambtenaar heeft recht op verlof gedurende
                    schoolvakanties. De schoolvakanties zijn de vakanties van de instelling. De
                    ambtenaar heeft geen recht op vervangend verlof als hij tijdens de vakantie ziek
                    is geweest, lid 2 Gedurende enkele dagen doch maximaal één week kan de ambtenaar
                    worden verplicht zich tijdens de vakantie beschikbaar te houden voor
                    werkzaamheden van schoolorganisatorische aard. lid 3 In bijzondere gevallen kan
                    de ambtenaar verzoeken om, onder omzetting van het werk, op een ander moment
                    vakantie te hebben dan tijdens de schoolvakantie. Burgemeester en wethouders
                    hebben de bevoegdheid dit verzoek in te willigen of af te wijzen. Het een en
                    ander hangt af van de reden van het verzoek en de mogelijkheid om het werk om te
                    zetten.</al><al><vet>Artikel 9</vet> Voor de lessen die de ambtenaar op grond van dit artikel
                    geeft heeft hij recht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsof
                    hij bevoegd was voor die lessen. </al><al><vet>Artikel 11 Lid 1</vet> Bij reorganisatie en wijziging van beleid doet men
                    er goed aan bij zo weinig mogelijk functies over te gaan tot urenvermindering.
                    Het is beter om een aantal functies op te heffen. Immers, een ambtenaar die
                    wordt ontslagen wegens urenvermindering heeft recht op wachtgeld. Voor de uren
                    waar men daarna voor wordt aangesteld is hij zijn opgebouwde
                    wachtgelddienstjaren kwijt. Lid 2 Dit lid geeft de volgorde aan voor diegenen
                    die als eerste in aanmerking komen voor urenvermindering (art. 6) en voor
                    ontslag (art. 10). Men dient bij de vaststelling van de rangorde uit te gaan van
                    deze volgorde. </al><al>Artikel 99: Bijlage IVa (T)</al><al>Deze uitvoeringsregeling geeft aan hoe onderwijzend personeel in de kunstzinnige
                    vorming ingeschaald moet worden. Het reglement omvat regels voor de inschaling
                    bij indiensttreding (artikel 3) en het doorlopen van de schaal. De inschaling
                    vindt plaats op grond van ervaring in dezelfde of een vergelijkbare functie
                    (artikel 2) Hierbij is ook opgenomen wat meetelt als ervaringsjaar. De
                    salarisschalen zijn opgebouwd uit een aanloop-, functie- en uitloopdeel Totdat
                    het maximum van het functiedeel is bereikt, heeft de ambtenaar jaarlijks
                    aanspraak op een periodieke verhoging. In het uitloopdeel vindt de periodieke
                    verhoging één (artikel 4). In de gevallen waar in deze uitvoeringsregeling niet
                    wordt voorzien, is de lokale bezoldigingsverordening van toepassing. De
                    uitvoeringsregeling salariëring vervangt op 1 januari 1998 het Reglement
                    bezoldiging docenten, consulenten, balletbegeleiders. In verband met de overgang
                    zijn in de uitvoeringsregeling overgangs-en garantiebepalingen opgenomen Voor de
                    toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar de Loga-brief nr 705097, d.d 4
                    september 1997. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>